WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om een
wettelijke regeling te treffen met betrekking tot de toekenning van
vergoedingen aan publiekrechtelijke en met een publiekrechtelijk lichaam
gelijkgestelde lichamen ter zake van schaden tengevolge van de oorlog en
de bezetting;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Afdeling I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. oorlogsschade: elke schade op of na 10 Mei 1940 tengevolge van
de tweede wereldoorlog, als rechtstreeks gevolg van oorlogsgeweld,
van handelingen of maatregelen van de vijand of van
oorlogsomstandigheden, binnen Nederland toegebracht aan goederen;
b. wederopbouwplannen:
1°. de bij de inwerkingtreding van de Overgangswet ruimtelijke
ordening en volkshuisvesting geldende wederopbouwplannen, bedoeld
in artikel 18 van genoemde wet, alsmede de plannen, die met
inachtneming van het tweede lid van genoemd artikel van kracht
zijn geworden;
2°. de overeenkomstig het bepaalde in de Wet op de Ruimtelijke
Ordening tot stand gekomen bestemmingsplannen, waarover, alvorens
omtrent goedkeuring is beslist, de Commissie Financiering
Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen is gehoord, en welke zijn
vastgesteld hetzij ter vervanging van plannen, als bedoeld onder
1°., hetzij in verband met verwoestingen, veroorzaakt door
oorlogsgeweld of te beschouwen als uitvloeisel van de oorlog, dan
wel ontstaan als gevolg van de op 31 januari/1 februari 1953
ingetreden watersnood, alsmede met het oog op vervanging van het
verwoeste;
c. publiekrechtelijke lichamen: publiekrechtelijke lichamen,
uitgezonderd de Staat, en andere lichamen, in hun betrekking tot
goederen, welke door deze andere lichamen vóór het tijdstip van de
toebrenging der schade geheel of voor een overwegend deel met
overheidsmiddelen of met door de overheid gegarandeerde geldleningen
zijn verkregen, dan wel op dat tijdstip geheel of voor een
overwegend deel met overheidsmiddelen werden in stand gehouden, en
op dat tijdstip dienstbaar werden gemaakt aan een belang, waarvan de
behartiging of de bevordering door de overheid hetzij rechtstreeks,
hetzij op vorenaangegeven wijze in overwegende mate geschiedt;
d. toebehoren: in eigendom toebehoren, met dien verstande, dat,
indien tengevolge van een overeenkomst, welke geen overeenkomst van
verzekering is, aangegaan vóór het tijdstip van de toebrenging der
schade, op dat tijdstip het risico voor het goed werd gedragen door
een ander dan de eigenaar, het goed wordt geacht in eigendom toe te
behoren aan die ander.
Artikel 2
1. Verzoeken tot toekenning van vergoedingen op grond van deze
wet dienen door de belanghebbende publiekrechtelijke lichamen
schriftelijk te worden gedaan aan Onze Minister van Financiën.
2. Onze Minister van Financiën kan bepalen, welke gegevens de
verzoeken, bedoeld in het vorige lid, moeten bevatten.
3. Onze Minister van Financiën kan een termijn bepalen, binnen
welke de verzoeken, bedoeld in het eerste lid, moeten zijn ingezonden.
4. In afwachting van de toekenning van vergoedingen kunnen door
Onze Minister van Financiën renteloze voorschotten worden toegekend.
Artikel 3
1. De vergoedingen, bedoeld in de artikelen 7, 8, 9 en 13,
worden toegekend door Onze Minister van Financiën, de Commissie
Financiering Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen gehoord. In de regelen,
bedoeld in artikel 15, kan worden bepaald in welke gevallen de commissie
niet behoeft te worden gehoord.
2. De vergoedingen, bedoeld in de artikelen 10 en 11, worden
toegekend door Onze Ministers van Financiën, van Binnenlandse Zaken en van
Wederopbouw en Volkshuisvesting, Gedeputeerde Staten en de Commissie
Financiering Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen gehoord.
3. De vergoedingen, bedoeld in artikel 14, worden toegekend door
Onze Minister van Financiën.
4. De vergoedingen, bedoeld in de artikelen 7, 8 en 10, worden
niet uitbetaald, tenzij de zekerheid bestaat, dat tot het bedrag der gevraagde
uitbetaling uitgaven zijn of zullen worden gedaan voor het herstel van de
oorlogsschade en de uitvoering van de wederopbouwplannen.
5. De met de toekenning van een vergoeding belaste Ministers
kunnen bepalen, dat deze vergoeding slechts geleidelijk op nader door hen vast
te stellen tijdstippen wordt uitbetaald, alsmede dat zij wordt toegekend, hetzij
in de vorm van een uitkering van de hoofdsom, hetzij in de vorm van een
redelijke vergoeding van rente en aflossing van door de publiekrechtelijke
lichamen zelf gefinancierde bedragen.
Artikel 4
Een vergoeding wordt niet toegekend voor zover:
a. voor de vergoeding van de schade afzonderlijke wettelijke
voorschriften gelden;
b. de schade door de schuld of de nalatigheid van de benadeelde
is veroorzaakt of vergroot;
c. de schade op andere wijze is goedgemaakt;
d. de benadeelde op andere wijze voor de schade vergoeding
verkregen heeft, kan verkrijgen of door zijn schuld niet heeft
verkregen, behoudens de toepassing van artikel 12.
Artikel 5
1. Tegen de besluiten tot toekenning of weigering van een
vergoeding, bedoeld in de artikelen 7, 8, 9, 10 en 11, kunnen de belanghebbende
publiekrechtelijke lichamen binnen drie maanden, te rekenen van de dag van
verzending van het besluit, bij Ons voorziening vragen.
2. Tegen een besluit tot weigering van een vergoeding, bedoeld in
de artikelen 13 en 14, kunnen de belanghebbende publiekrechtelijke lichamen op
gelijke wijze, als in het eerste lid is omschreven, bij Ons voorziening vragen,
indien de weigering is gegrond op het feit, dat de belanghebbende geen
publiekrechtelijk lichaam is. Bij een besluit tot weigering van een vergoeding,
bedoeld in de artikelen 13 en 14, moet de reden van de weigering worden vermeld.
3. Indien bij Ons voorziening wordt gevraagd tegen een besluit,
bedoeld in de artikelen 7, 8 en 9, wijken Wij van het advies van de Raad van
State slechts af, indien Ons de voordracht mede wordt gedaan door Onze Ministers
van Binnenlandse Zaken en van Wederopbouw en Volkshuisvesting en, voorzover het
waterstaatswerken dan wel cultuurtechnische werken betreft, mede door Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat, respectievelijk van Landbouw, Visserij en
Voedselvoorziening.
Artikel 6
Onze Ministers van Financiën, van Binnenlandse Zaken en van
Wederopbouw en Volkshuisvesting kunnen bij gemeenschappelijke
beschikking nadere regelen stellen tot uitvoering van deze wet.
Afdeling II. Vergoedingen
Artikel 7
1. Aan publiekrechtelijke lichamen worden van rijkswege vergoed
de kosten van het herstel van oorlogsschade aan goederen, welke op het tijdstip
van de toebrenging der schade aan deze lichamen of aan publiekrechtelijke
lichamen, welker rechten en verplichtingen geheel op hen zijn overgegaan,
toebehoorden en ten tijde van het herstel voor de uitoefening van hun taak
noodzakelijk zijn. Indien het herstel verbetering inhoudt, wordt het bedrag dier
kosten verminderd met een redelijke aftrek, welke vijf en twintig ten honderd
niet te boven gaat.
2. Indien de in het eerste lid van dit artikel bedoelde goederen
na het tijdstip van de toebrenging der schade aan een publiekrechtelijk lichaam
of aan een ander lichaam in eigendom zijn overgegaan ter voortzetting van de op
dat tijdstip daarmede uitgeoefende taak, kan aan de nieuwe eigenaar een
vergoeding worden toegekend tot het verschil tussen de overeenkomstig het eerste
lid van dit artikel berekende vergoeding en de overeenkomstig artikel 9
berekende vergoeding. De nieuwe eigenaar wordt, indien deze geen
publiekrechtelijk lichaam is, in dit geval als een publiekrechtelijk lichaam
aangemerkt.
3. Als kosten, bedoeld in het eerste lid, worden slechts
aangemerkt kosten van herstel in eenvoudige, doch deugdelijke vorm.
Artikel 8
1. In de gevallen van herbouw van schoolgebouwen, bedoeld in
artikel 84 en in het eerste en vijfde lid van artikel 205 der
Lager-onderwijswet 1920, daaronder begrepen wederaanschaffing en
herstel van schoolmeubelen of van leer- of hulpmiddelen, wordt, in
afwijking in zoverre van het bepaalde in het vorige artikel, een
vergoeding toegekend, berekend overeenkomstig de artikelen 11, eerste
en tweede lid, en 12 van de Wet op de Materiële Oorlogsschaden.
2. In de gevallen van herbouw, bedoeld in het vorige lid, wordt,
mits deze in dezelfde gemeente plaats vindt, aan die gemeente een
jaarlijkse vergoeding toegekend tot het bedrag, waarmede de op de voet
van artikel 79, vijfde lid, der Lager-onderwijswet 1920 berekende rente
over de kosten van het herstel der oorlogsschade, het bedrag der door de
gemeente laatstelijk voor het oorspronkelijke schoolgebouw, de
schoolmeubelen en leer- en hulpmiddelen daaronder begrepen,
verschuldigde jaarlijkse uitkering, bedoeld in artikel 84 of in het
eerste of vijfde lid van artikel 205 der Lager-onderwijswet 1920,
overtreft. De jaarlijkse vergoeding wordt toegekend met ingang van het
tijdstip, waarop de herbouw is voltooid, tot het tijdstip, waarop sedert
de totstandkoming van het oorspronkelijke gebouw zestig jaren zijn
verstreken.
Artikel 9
Aan publiekrechtelijke lichamen worden, indien de oorlogsschade
bestaat uit het verlies van goederen, welke op het tijdstip van de
toebrenging der schade aan deze lichamen of aan publiekrechtelijke
lichamen, welker rechten en verplichtingen geheel op hen zijn
overgegaan, toebehoorden en niet voor de uitoefening van hun taak
noodzakelijk zijn, van rijkswege vergoedingen toegekend tot dekking van
de op dat tijdstip op die lichamen ter zake van die goederen rustende
geldelijke verplichtingen. Voor zover goederen gedeeltelijk zijn
verloren gegaan, wordt de vergoeding gesteld op een evenredig deel van
die geldelijke verplichtingen.
Artikel 10
Aan gemeenten worden van rijkswege vergoed de uiteindelijk te haren
laste blijvende kosten van uitvoering van wederopbouwplannen, voor zover
deze plannen een rechtstreeks gevolg zijn van in die gemeenten
aangerichte oorlogsschade.
Artikel 11
Aan publiekrechtelijke lichamen worden van rijkswege vergoed de
uiteindelijk te hunnen laste blijvende kosten van niet op hun verzoek
door of vanwege het Rijk in verband met oorlogsschade te hunnen name
uitgesproken onteigeningen, geen deel uitmakende van een
wederopbouwplan, voor zover deze lichamen door de onteigeningen niet
zijn gebaat.
Afdeling III. Molestverzekering
Artikel 12
1. Bij de vaststelling van de vergoedingen, bedoeld in de
artikelen 7, 8, eerste lid, en 9, is artikel 92 van de Wet op de Materiële
Oorlogsschaden, met uitzondering van de laatste zin van het eerste lid, van
overeenkomstige toepassing.
2. Voorts is van overeenkomstige toepassing artikel 93 van de Wet
op de Materiële Oorlogsschaden, met dien verstande, dat de aldaar bedoelde
bevrijding van de verbintenissen uit de verzekeringsovereenkomst plaats vindt
tot het bedrag van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 7, 8, eerste lid, en
9 dezer wet, terwijl de in het zesde lid van genoemd artikel 93 bedoelde
schatting plaats vindt door Onze Minister van Financiën.
Afdeling IV. Bijzondere vergoedingen
Artikel 13
1. Aan publiekrechtelijke lichamen kunnen van rijkswege
vergoedingen worden toegekend voor schaden, niet zijnde oorlogsschade,
voor zover die schaden bestaan uit gemis van opbrengst van goederen en
uit onvermijdelijke uitgaven als onmiddellijk gevolg van het in
gebruik nemen of gebruiken van die goederen door vijandelijke
bestuursorganen, politie-organen of militaire organisaties.
2. Artikel 105, veertiende, vijftiende en zestiende lid, van de
Wet op de Materiële Oorlogsschaden is niet van toepassing op
publiekrechtelijke lichamen.
Artikel 14
Aan publiekrechtelijke lichamen kunnen van rijkswege vergoedingen
worden toegekend voor andere, door Onze Minister van Financiën, de
Commissie Financiering Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen gehoord,
aan te wijzen schaden tengevolge van de oorlog en de bezetting.
Afdeling V. Commissie Financiering Wederopbouw Publiekrechtelijke
Lichamen
Artikel 15
1. Er wordt ingesteld een Commissie Financiering Wederopbouw
Publiekrechtelijke Lichamen.
2. De commissie dient van advies bij de uitvoering dezer wet naar
door Onze Ministers van Financiën, van Binnenlandse Zaken en van
Wederopbouw en Volkshuisvesting bij gemeenschappelijke beschikking te
stellen regelen. De beschikking wordt openbaar gemaakt in de Nederlandse
Staatscourant. De commissie dient tevens desgevraagd de Hoofden der
Departementen van Algemeen Bestuur van advies over andere onderwerpen,
welke met de financiering van de publieke wederopbouw verband houden.
3. De commissie bestaat uit zes leden. Onze voornoemde Ministers
wijzen ieder twee leden aan.
4. Bij gemeenschappelijke beschikking van Onze voornoemde
Ministers kunnen buitengewone leden aan de commissie worden toegevoegd.
Afdeling VI. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 16
De op grond van het Besluit bijdragen wederopbouw publiekrechtelijke
lichamen (Verordeningenblad voor het bezette Nederlandsche gebied 1941,
no. 18) en op grond van het Besluit op de bezettingschaden
(Verordeningenblad voor het bezette Nederlandsche gebied 1942, no. 30)
aan publiekrechtelijke lichamen toegekende bijdragen en vergoedingen
worden op verzoek van de belanghebbende publiekrechtelijke lichamen met
inachtneming van het in deze wet bepaalde opnieuw vastgesteld.
Artikel 17
De op grond van de in het vorige artikel genoemde besluiten
ingediende verzoeken tot toekenning van bijdragen en vergoedingen aan
publiekrechtelijke lichamen, op welke nog geen beslissing is genomen,
worden geacht te zijn ingediend op grond van deze wet.
Artikel 18
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 19
Deze wet, welke kan worden aangehaald onder de titel "Wet
Financiering Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen", treedt in
werking met ingang van de dag na die harer afkondiging.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 25 Januari 1951.
JULIANA
De Minister van Financiën,
P. Lieftinck
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Teulings
De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting,
In 't Veld
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
D.G.W. Spitzen
De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening,
Mansholt
Uitgegeven de zesde Februari 1951
De Minister van Justitie,
Struycken