Nadere regelgeving:
- Besluit
bestuurlijke boetes financiële sector
- Besluit financieel verkeer strategische goederen 1996
(vervallen)
- Rapportagevoorschriften betalingsbalansrapportages 2003
(RV 2003)
WET van 25 maart 1994, houdende
nieuwe regels inzake de financiële betrekkingen met het
buitenland
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is
in verband met de totstandkoming van de Europese Unie,
nieuwe regels inzake de financiële betrekkingen met het
buitenland vast te stellen;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. ingezetenen:
1. natuurlijke personen, die
hun woonplaats in Nederland hebben en in de
bevolkingsregisters zijn opgenomen;
2. rechtspersonen,
vennootschappen onder firma en commanditaire vennootschappen
die in Nederland zijn gevestigd of kantoor houden, alsmede
rechtspersonen, vennootschappen onder firma en commanditaire
vennootschappen die niet in Nederland zijn gevestigd doch
wel vanuit Nederland worden bestuurd, voor zover de Bank
zulks bepaalt;
3. in Nederland gevestigde
filialen, bijkantoren en agentschappen, voor zover niet
reeds vallende onder 2;
4. natuurlijke personen van
Nederlandse nationaliteit, voor zover niet vallende onder 1,
die op hun verzoek door Onze Minister als ingezetene zijn
aangewezen;
b. niet-ingezetenen: natuurlijke
personen, rechtspersonen, vennootschappen, filialen,
bijkantoren, agentschappen en bedrijven, niet vallende onder de
omschrijving "ingezetenen";
c. Gemeenschap: de Europese
Gemeenschap;
d. lid-staat: een staat die lid
is van de Gemeenschap;
e. derde land: een staat die geen
lid is van de Gemeenschap;
f. Verdrag: het Verdrag tot
oprichting van de Europese Gemeenschap;
g. de ECB: de Europese Centrale
Bank bedoeld in artikel 4a van het Verdrag;
h. Onze Minister: Onze Minister
van Financiën;
i. de Bank: De Nederlandsche Bank
N.V..
Artikel 2
1.Onze Minister kan aan de Bank
algemene richtlijnen geven, die deze in acht neemt bij de
uitoefening van de haar bij of krachtens deze wet toegekende
bevoegdheden; voor zover het Verdrag zich daartegen niet verzet.
2.De Bank verschaft aan Onze
Minister de inlichtingen die deze nodig acht voor de bepaling van
het algemeen beleid betrefende de financiële betrekkingen met de
andere lidstaten en met derde landen; voor zover het Verdrag zich
daartegen niet verzet.
Artikel 3
Onze Minister kan ter uitvoering van
een besluit dat is genomen op grond van artikel 73 C, tweede lid,
van het Verdrag voorschriften geven betreffende het kapitaalverkeer
naar of uit derde landen in verband met directe investeringen - met
inbegrip van investeringen in onroerende goederen -, vestiging, het
verrichten van financiële diensten of de toelating van
waardepapieren tot de kapitaalmarkten.
Artikel 4
Onze Minister kan ter uitvoering van
een besluit dat is genomen op grond van artikel 73 F van het Verdrag
voorschriften geven betreffende het kapitaalverkeer naar of uit
derde landen. Deze voorschriften gelden voor een duur van ten
hoogste zes maanden.
Artikel 5
1.Indien ten aanzien van goederen
regels gelden die bij of krachtens artikel 1:4, eerste of tweede
lid, of artikel 3:1 van de Algemene douanewet in het belang van de
internationale rechtsorde, dan wel op grond van een daarop
betrekking hebbende internationale afspraak, zijn gesteld, kunnen
voor zover dat belang of die internationale afspraak zulks
vereist, bij algemene maatregel van bestuur tevens regels worden
gesteld ten aanzien van het financiële verkeer met betrekking tot
zodanige goederen.
2.Een voordracht tot vaststelling,
wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in het eerste lid, geschiedt door Onze Minister en Onze
Minister van Buitenlandse Zaken tezamen in overeenstemming met
Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij.
Artikel 6
1.De voorschriften, bedoeld in de
artikelen 3 en 4, en de regels, bedoeld in artikel 5, kunnen mede
een verbod inhouden tot het verrichten van daarbij aangeduide
handelingen zonder vergunning. Een verbod als in de eerste zin
bedoeld tast niet de geldigheid van daarmee strijdige meerzijdige
rechtshandelingen aan.
2.In voorschriften waarbij
verplichtingen worden opgelegd, kunnen regels worden gesteld
inzake het verlenen van vrijstelling of ontheffing van die
verplichting.
3.Aan een vergunning, vrijstelling
of ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften
worden verbonden.
4.Een vergunning, vrijstelling of
ontheffing kan worden ingetrokken en de daaraan gestelde
beperkingen en verbonden voorschriften kunnen worden gewijzigd,
indien een gewichtige reden dit noodzakelijk maakt.
5.Een vergunning of ontheffing als
bedoeld in dit artikel wordt verleend of ingetrokken door of
namens Onze Minister en, in door Onze Minister te bepalen
gevallen, namens hem door de Bank.
Artikel 7
1.Een ieder is verplicht
overeenkomstig de voorschriften die hieromtrent door de Bank
worden gegeven, aan de Bank inlichtingen en gegevens te
verstrekken die van belang zijn voor:
a. de samenstelling van de
betalingsbalans van Nederland;
b. de vaststelling en de
uitvoering van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 3, 4,
en 6 en de regels, bedoeld in artikel 5.
2.De in het eerste lid bedoelde
inlichtingen en gegevens moeten tijdig, naar waarheid en op niet
misleidende wijze worden verstrekt.
3.Een ieder die inlichtingen en
gegevens als in het eerste lid bedoeld behoort te verstrekken, is
verplicht de Bank desgevorderd in de gelegenheid te stellen zich
van de juistheid der verstrekte inlichtingen en gegevens te
overtuigen aan de hand van zijn boeken, bescheiden en andere
gegevensdragers.
4.Hij die de in het derde lid
bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers onder zich
heeft, is desgevorderd verplicht deze daartoe over te leggen.
5.Onze Minister kan diensten
aanwijzen die voor de toepassing van dit artikel met de Bank
worden gelijkgesteld.
Artikel 8
1.Het is aan een ieder die uit
hoofde van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten
enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen,
ingevolge deze wet verstrekt dan wel ingevolge artikel 40 van de
Wet op het Centraal bureau voor de statistiek verkregen of van
gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van boeken, bescheiden
of andere gegevensdragers verkregen, verder of anders gebruik te
maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de
uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.
2.In afwijking van het eerste lid
en met inachtneming van de richtsnoeren, instructies en andere
verbindende bepalingen van de ECB is de Bank bevoegd gegevens die
ingevolge deze wet zijn verkregen uit te wisselen met andere
centrale banken van de lid-staten of met de ECB voor zover de
taken van de ECB zulks vereisen indien de geheimhouding van die
gegevens in voldoende mate is gewaarborgd. De eerste volzin is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van gegevens die ingevolge
artikel 40 van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek
zijn verkregen. Uitwisseling van tot individuele ingezetenen
herleidbare gegevens voor ander dan statistische doeleinden is
slechts mogelijk na schriftelijke instemming van de
directeur-generaal.
3.In afwijking van het eerste lid
en met inachtneming van de richtsnoeren, instructies en andere
verbindende bepalingen van de ECB is de Bank bevoegd gegevens die
ingevolge deze wet zijn verkregen, te verstrekken aan het Centraal
bureau voor de statistiek ten behoeve van de uitoefening van zijn
in artikel 3 van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek
bedoelde taak.
Artikel 9
In afwijking van artikel 8:7 van de
Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond
van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
Artikel 9a
1. De Bank kan een last onder
dwangsom opleggen ter zake van overtreding van voorschriften
gesteld, bij of krachtens artikel 7, eerste tot en met vierde lid.
2. Onze Minister kan regels stellen
ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 9b
1. De Bank kan een bestuurlijke
boete opleggen ter zake van overtreding van voorschriften gesteld
bij of krachtens artikel 7, eerste tot en met vierde lid.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitoefening
van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 9c
1. Het bedrag van de bestuurlijke
boete wordt bepaald bij algemene maatregel van bestuur, met dien
verstande dat de bestuurlijke boete voor een afzonderlijke
overtreding ten hoogste € 4 000 000 bedraagt. Indien tijdens het
plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert
het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake
van eenzelfde overtreding, wordt het bedrag van de bestuurlijke
boete, bedoeld in de eerste volzin, voor een afzonderlijke
overtreding verdubbeld.
2. De algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in het eerste lid, bepaalt bij elke daarin
omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen
bestuurlijke boete. De overtredingen worden gerangschikt in
categorieën naar zwaarte van de overtreding met de daarbij
behorende basisbedragen, minimumbedragen en maximumbedragen.
Daarbij wordt de volgende indeling gebruikt:
|
Categorie |
Basisbedrag |
Minimumbedrag |
Maximumbedrag |
|
1 |
€ 10 000,– |
€ 0,– |
€ 10 000,– |
|
2 |
€ 500 000,– |
€ 0,– |
€ 1 000 000,– |
|
3 |
€ 2 000 000,– |
€ 0,– |
€ 4 000 000,– |
3. In afwijking van het eerste en
tweede lid kan de toezichthouder de hoogte van de bestuurlijke
boete vaststellen op ten hoogste twee keer het bedrag van het
voordeel dat de overtreder door de overtreding heeft verkregen
indien diens voordeel groter is dan € 2 000 000.
Artikel 9d [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9e [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9f [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9g [Vervallen per 01-08-2009]
Artikel 9h [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9i [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9j [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9k
1.Met het oog op de effectiviteit
van deze wet, kan de Bank het feit ter zake waarvan de last onder
dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, het overtreden
voorschrift, alsmede de naam, het adres en de woonplaats van
degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is
opgelegd, ter openbare kennis brengen.
2.Onze Minister kan regels stellen
ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 10
Beperkende bepalingen, vervat in op
grond van deze wet gegeven voorschriften en regels, zijn niet van
toepassing op de Staat en de Bank.
Artikel 11
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 12
De Nederlandse strafwet is ook van
toepassing op overtredingen van voorschriften, gesteld bij of
krachtens deze wet, voor zover zij opzettelijk en buiten Nederland
zijn begaan.
Artikel 13
Na de inwerkingtreding van deze wet
berust het Besluit financieel verkeer strategische goederen op
artikel 5, eerste lid, en artikel 6, eerste lid, van deze wet.
Artikel 14
De Wet financiële betrekkingen
buitenland wordt ingetrokken.
Artikel 15
Deze wet treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 16
Deze wet kan worden aangehaald als:
Wet financiële betrekkingen buitenland 1994.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de
hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 25
maart 1994
BEATRIX
De Minister van Financiën,
W. Kok
Uitgegeven de
veertiende april 1994
De Minister van Justitie,
E.M.H.
Hirsch Ballin
Bijlage [Vervallen per 01-08-2009]
|