WET van 12 mei 2005, houdende regels voor
de financiële dienstverlening (Wet financiële dienstverlening)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te
stellen voor de financiële dienstverlening;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Reikwijdte en definities
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt – voor
zover niet anders is bepaald – verstaan onder:
a. aanbieden: het rechtstreeks of middellijk doen van een
voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartij aangaan van een
overeenkomst met een consument inzake een financieel product;
b. adviseren: het aanbevelen van een of meer specifieke
financiële producten aan een bepaalde consument;
c. adviseur: degene die adviseert, voorzover hij ten aanzien van
het aanbevolen financiële product niet tevens optreedt als
aanbieder, gevolmachtigde agent, ondergevolmachtigde agent of
bemiddelaar;
d. beleggingsobject: een zaak of een recht op een zaak welke door
een consument tegen betaling wordt verkregen, bij welke verkrijging
aan de consument door de financiële dienstverlener een rendement in
geld in het vooruitzicht wordt gesteld en waarbij het beheer van de
zaak hoofdzakelijk door de financiële dienstverlener wordt
uitgevoerd of door een derde in opdracht van de financiële
dienstverlener of de consument. Onder beleggingsobject worden niet
verstaan de financiële producten, bedoeld in onderdeel m, onder 1°
tot en met 6°, 8° en 9°;
e. bemiddelen: alle werkzaamheden gericht op het als
tussenpersoon tot stand brengen van overeenkomsten inzake
financiële producten tussen consumenten en aanbieders, of, voor
zover het overeenkomsten ten aanzien van verzekeringen of krediet
betreft, bestaande uit het assisteren bij het beheer en de
uitvoering van dergelijke overeenkomsten;
f. bijkantoor: een bijkantoor als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel k, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 of artikel
1, eerste lid, onderdeel n, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf
1993;
g. consument: de niet in de uitoefening van zijn bedrijf of
beroep handelende natuurlijke persoon aan wie een financiële
dienstverlener een financiële dienst verleent of aan wie deze
voornemens is een financiële dienst te verlenen;
h. duurzame drager: ieder hulpmiddel dat een consument in staat
stelt om persoonlijk aan hem gerichte informatie op te slaan op een
wijze die deze informatie toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik
gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de
informatie kan dienen, en die een ongewijzigde reproductie van de
opgeslagen informatie mogelijk maakt;
i. effect: een effect als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van
de Wet toezicht effectenverkeer 1995 in samenhang met artikel 2 van
die wet;
j. effectief kredietvergoedingspercentage: de bij de uitvoering
van een overeenkomst inzake krediet overeenkomstig de
betalingsregeling aan de consument in rekening te brengen
kredietvergoeding, uitgedrukt in een percentage op jaarbasis van het
uitstaand saldo, berekend op bij ministeriële regeling vast te
stellen wijze;
k. elektronisch geld: een betaalmiddel als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel p, van de Wet toezicht kredietwezen 1992,
uitgegeven door een onderneming of instelling als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel a, van die wet;
l. financiële dienst:
1°. aanbieden;
2°. adviseren, voorzover dit niet plaatsvindt door een
financiële dienstverlener die tevens optreedt als aanbieder,
bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent ten
aanzien van het aanbevolen financiële product;
3°. bemiddelen;
4°. herverzekeringsbemiddelen;
5°. het optreden als gevolmachtigde agent of als
ondergevolmachtigde agent;
m. financieel product:
1°. een betaalrekening met inbegrip van de daaraan verbonden
betaalfaciliteiten;
2°. een effect;
3°. elektronisch geld;
4°. krediet;
5°. een spaarrekening met inbegrip van de daaraan verbonden
spaarfaciliteiten;
6°. een verzekering;
7°. een beleggingsobject;
8°. een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen ander
financieel product;
9°. een combinatie van twee of meer van de onder 1° tot en
met 8° genoemde producten;
n. gemeentelijke kredietbank: een aanbieder van krediet,
opgericht door een of meer gemeenten;
o. gevolmachtigde agent: degene die als gevolmachtigd
vertegenwoordiger van een aanbieder voor diens rekening
overeenkomsten aangaat met consumenten inzake verzekeringen.
p. Groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat indien een natuurlijke
persoon, rechtspersoon of vennootschap:
1°. via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur
invloed kan uitoefenen op een of meer andere natuurlijke personen,
rechtspersonen of vennootschappen; of
2°. in een of meer andere rechtspersonen of vennootschappen
een deelneming heeft als bedoeld in artikel 24c van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, dan wel, voor zover het natuurlijke personen
betreft, een met een deelneming overeenkomende positie, die
natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap tezamen met die
andere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap dan wel
natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen wordt
aangemerkt als groep;
q. herverzekeringsbemiddelen: alle werkzaamheden gericht op het
als tussenpersoon tot stand brengen van overeenkomsten waarbij
risico’s uit overeenkomsten inzake verzekeringen worden
overgenomen, of bestaande uit het assisteren bij het beheer en de
uitvoering van dergelijke overeenkomsten;
r. krediet: geldkrediet of goederenkrediet, waarbij wordt
verstaan onder:
1°. geldkrediet: het aan een consument ter beschikking stellen
van een geldsom, waarbij de consument gehouden is ter zake een of
meer betalingen te verrichten;
2°. goederenkrediet: het aan een consument verschaffen van het
genot van een roerende zaak of een effect of het verlenen van een
bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen dienst, dan wel
het aan een consument of een derde ter beschikking stellen van een
geldsom terzake van het aan die consument verschaffen van het
genot van een roerende zaak of een effect of het verlenen van een
bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen dienst, waarbij
de consument gehouden is ter zake een of meer betalingen te
verrichten;
s. levensverzekering: de verzekering, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder b, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993;
t. lidstaat: een staat die lid is van de Europese Unie alsmede
een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij
is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
u. moederonderneming: een moederonderneming als bedoeld in
artikel 1 van de zevende richtlijn nr. 83/349/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 13 juni 1983 op de grondslag van
artikel 54, lid 3, sub g, van het Verdrag betreffende de
geconsolideerde jaarrekening (PbEG L 193);
v. onderbemiddelaar: de bemiddelaar die bemiddelt voor een andere
bemiddelaar;
w. ondergevolmachtigde agent: degene aan wie een gevolmachtigde
agent of een ondergevolmachtigde agent een ondervolmacht heeft
afgegeven;
x. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
y. overeenkomst op afstand: elke overeenkomst inzake een
financieel product tussen een financiële dienstverlener en een
consument die wordt gesloten in het kader van een door de
financiële dienstverlener georganiseerd systeem voor verkoop of
dienstverrichting op afstand, waarbij tot en met de totstandkoming
van deze overeenkomst uitsluitend gebruik gemaakt wordt van een of
meer technieken voor communicatie op afstand;
z. reclame-uitingen: iedere vorm van informatieverstrekking door,
namens of mede namens een financiële dienstverlener, gericht op
consumenten, die dient ter aanprijzing of een wervend karakter kent
ter zake van een bepaalde financiële dienst;
aa. Richtlijn verzekeringsbemiddeling: richtlijn nr. 2002/92/EG
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van
9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling (PbEG L 9);
bb. techniek voor communicatie op afstand: ieder middel dat,
zonder gelijktijdige fysieke aanwezigheid van financiële
dienstverlener en consument, kan worden gebruikt voor het verlenen
van financiële diensten tussen die partijen;
cc. toezichthouder: de Stichting Autoriteit Financiële Markten;
dd. verbonden bemiddelaar: de bemiddelaar bedoeld in artikel 12,
eerste lid.
ee. verzekering: de verbintenis tot het doen van een of meer
uitkeringen tegen het genot van een door de consument te betalen
premie, waarbij voor partijen geen zekerheid bestaat, dat, wanneer
of tot welk bedrag enige uitkering moet worden gedaan, of hoe lang
de premiebetaling zal duren en waarbij de uitkering zowel een
geldelijke als een niet-geldelijke prestatie kan zijn.
Artikel 2
1. Deze wet is niet van toepassing op financiële diensten die
niet worden verricht in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
2. Deze wet is voorts niet van toepassing op:
a. financiële diensten die worden verleend door verenigingen en
onderlinge waarborgmaatschappijen als bedoeld in artikel 9, eerste
lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf;
b. financiële diensten die worden verleend door verzekeraars als
bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en derde
lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993;
c. financiële diensten die worden verleend door
effectenbemiddelaars als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet
toezicht effectenverkeer 1995;
d. financiële diensten die worden verleend door
vermogensbeheerders als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet
toezicht effectenverkeer 1995;
e. het aanbieden van effecten bij uitgifte;
f. financiële diensten die worden verleend door
beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de
Wet toezicht beleggingsinstellingen, alsmede door beheerders als
bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van die wet, voor zover het betreft
het verrichten van financiële diensten ten aanzien van rechten van
deelneming in de betrokken beleggingsinstellingen door de
beleggingsinstellingen zelf onderscheidenlijk door de aan die
beleggingsinstellingen verbonden beheerders;
g. het bemiddelen in verzekeringen, voorzover:
1°. de verzekering slechts kennis vergt van de
verzekeringsdekking die geboden wordt;
2°. de verzekering geen levensverzekeringovereenkomst is en geen
aansprakelijkheidsrisico’s dekt;
3°. de betreffende bemiddelaar een andere
hoofdberoepswerkzaamheid heeft dan verzekeringsbemiddeling;
4°. de verzekering een aanvulling is op de levering van een zaak
of de verrichting van een dienst door de betreffende bemiddelaar,
hetgeen het geval is indien de betreffende verzekering het risico
dekt van defect, verlies of beschadiging van door die bemiddelaar
geleverde zaken dan wel het risico dekt van beschadiging of verlies
van bagage of andere risico’s die verband houden met een bij die
bemiddelaar geboekte reis, ook indien de verzekering
levensverzekering- of aansprakelijkheidsrisico’s dekt mits dat een
bijkomende dekking is ten opzichte van de hoofddekking betreffende
de met die reis verband houdende risico’s; en
5°. het bedrag van de jaarlijkse premie niet hoger is dan € 500
en de volledige looptijd van de verzekering, met inbegrip van
eventuele verlengingen, niet langer is dan een periode van vijf
jaar.
h. financiële diensten ten aanzien van verzekeringen met
betrekking tot buiten de lidstaten gesitueerde risico’s en
verplichtingen;
i. het door openbare lichamen ter uitvoering van een wettelijke
taak aanbieden van krediet;
j. financiële diensten die worden verleend door geregistreerde
geldtransactiekantoren als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de
Wet inzake de geldtransactiekantoren;
k. financiële diensten ten aanzien van krediet waarbij het
effectief kredietvergoedingspercentage op het tijdstip van aangaan van
de overeenkomst inzake het krediet niet meer bedraagt dan de
wettelijke rente, bedoeld in artikel 120, tweede lid, van Boek 6 van
het Burgerlijk Wetboek, indien geen openbaar aanbod wordt gedaan tot
het deelnemen aan die overeenkomst;
l. financiële diensten ten aanzien van krediet bestaande uit een
overeenkomst van huur en verhuur of waartoe een zodanige overeenkomst
behoort, tenzij deze betrekking heeft op bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen zaken en de strekking heeft dat het verschaffen
van het genot van de zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft, al
dan niet door verlenging van die overeenkomst of het aangaan van een
nieuwe overeenkomst, langer dan zes maanden zal duren;
m. financiële diensten ten aanzien van krediet bestaande uit het
in ontvangst nemen van roerende zaken van een consument tegen het ter
beschikking stellen van een geldsom aan de consument waarbij de
consument gehouden is terzake een of meer betalingen te verrichten,
voor zover de vordering op de consument uit hoofde van deze
betalingsverplichting teniet gaat indien de betreffende roerende zaken
door de financiële dienstverlener te gelde worden gemaakt;
n. financiële diensten ten aanzien van krediet waarbij is
overeengekomen dat geen van de terzake verschuldigde betalingen van de
consument later plaatsvindt dan drie maanden nadat de geldsom ter
beschikking is gesteld, het genot van een roerende zaak is verschaft,
dan wel een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen dienst is
verleend.
Artikel 3
1. Deze wet is niet van toepassing op financiële diensten die
kunnen worden aangemerkt als dienst van de informatiemaatschappij als
bedoeld in artikel 15d, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek, indien de dienstverlener is gevestigd in een andere lidstaat
dan Nederland.
2. Indien ter bescherming van een van de belangen, bedoeld in het
vierde lid, onder a, van artikel V van de Aanpassingswet richtlijn
inzake elektronische handel maatregelen noodzakelijk zijn, kan de
toezichthouder, zonodig met toepassing van het vijfde lid van dat
artikel, bepalen dat deze wet geheel of gedeeltelijk, in afwijking van
het eerste lid, van toepassing is op een financiële dienst als bedoeld
in dat lid.
Artikel 4
1. Hetgeen bij of krachtens de hoofdstukken 2 en 5, alsmede
artikel 28, eerste lid, is bepaald is niet van toepassing op de
financiële dienstverlening door een gemeentelijke kredietbank waarop
artikel 55 van toepassing is.
2. Hetgeen bij of krachtens de artikelen 26, eerste en tweede
lid, en 27, eerste lid, is bepaald is niet van toepassing op de
gemeentelijke kredietbank die geen rechtspersoonlijkheid bezit.
Artikel 5
Hetgeen bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3 en
hoofdstuk 4 is bepaald, is, met uitzondering van artikel 37, niet van
toepassing op herverzekeringsbemiddeling.
Artikel 6
Ingeval van financiële diensten ten aanzien van een verzekering of
ten aanzien van een financieel product dat bestaat uit een combinatie
van financiële producten waarvan een verzekering deel uitmaakt, wordt
voor de toepassing van deze wet met uitzondering van de artikelen 40 en
41 onder consument mede verstaan de in de uitoefening van zijn bedrijf
of beroep handelende natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een
financiële dienstverlener een financiële dienst verleent of aan wie
deze voornemens is een financiële dienst te verlenen.
Artikel 7
Voor de toepassing van deze wet wordt onder aanbieden van een
financieel product mede verstaan het als wederpartij aangaan, beheren of
uitvoeren van een overeenkomst met een consument inzake een financieel
product.
Artikel 8
Paragraaf 2 van hoofdstuk 3 is niet van toepassing op financiële
diensten ten aanzien van de verzekering van grote risico’s als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onder k, van de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993.
Artikel 9
1. Indien de belangen die deze wet beoogt te beschermen
anderszins voldoende worden beschermd kan bij ministeriële regeling
vrijstelling worden verleend van het in artikel 10 bedoelde verbod en
van hetgeen overigens bij of krachtens deze wet is bepaald.
2. Aan een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid kunnen
voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld.
Hoofdstuk 2. Toegang tot de markt
§ 1. Vergunningplicht en ontheffingen
Artikel 10
Het is verboden in of vanuit Nederland een financiële dienst te
verlenen zonder daartoe van de toezichthouder een vergunning te hebben
verkregen.
Artikel 11
1. De toezichthouder verleent een vergunning indien de
aanvrager heeft aangetoond te voldoen aan hetgeen bij en krachtens
paragraaf 1 van hoofdstuk 3 van deze wet is bepaald.
2. De toezichthouder vermeldt in de vergunning de financiële
producten en de financiële diensten waarvoor zij is verleend.
3. De toezichthouder kan aan een vergunning voorschriften
verbinden en beperkingen stellen met het oog op een adequaat toezicht op
de naleving van de bij en krachtens deze wet gestelde regels.
Artikel 12
1. Het verbod, bedoeld in artikel 10, is niet van toepassing op
de bemiddelaar die bemiddelt voor een aanbieder, of meerdere
aanbieders indien het niet om onderling concurrerende financiële
producten gaat, en die, ingeval het bemiddeling in verzekeringen
betreft, in naam en voor rekening van de aanbieder of aanbieders
bemiddelt zonder daarbij premies of voor de consument bestemde
bedragen te innen, indien de aanbieder voor wie de bemiddelaar
bemiddelt:
a. volledig verantwoordelijk is voor de bemiddelaar, in die zin dat
de aanbieder er voor zorg draagt dat de bemiddelaar voldoet aan
hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, en
b. de betrokken bemiddelaar als «verbonden bemiddelaar» heeft
aangemeld bij de toezichthouder.
2. De aanbieder die niet langer verantwoordelijk is als bedoeld
in het eerste lid, onder a, voor een bemiddelaar, doet daarvan
mededeling aan de toezichthouder en de betrokken bemiddelaar.
Artikel 13
1. Het verbod, bedoeld in artikel 10, is niet van toepassing
op:
a. de verzekeraar met zetel buiten Nederland, voor zover het die
verzekeraar ingevolge de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 of de
Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf is toegestaan in
Nederland werkzaamheden te verrichten;
b. de verzekeringsbemiddelaar of herverzekeringsbemiddelaar die in
een andere lidstaat is geregistreerd in de zin van artikel 3 van de
Richtlijn Verzekeringsbemiddeling en aan wie het ingevolge artikel 3,
vijfde lid, van die richtlijn is toegestaan zijn werkzaamheden in
Nederland aan te vangen, voor zover het de werkzaamheden betreft die
het deze bemiddelaar volgens het register van zijn lidstaat van
herkomst is toegestaan te verrichten;
c. de kredietinstelling of de financiële instelling met zetel in
een andere lidstaat, voor zover het die instelling ingevolge de Wet
toezicht kredietwezen 1992 is toegestaan in Nederland werkzaamheden te
verrichten, met uitzondering van het aanbieden van krediet.
2. Paragraaf 1 van hoofdstuk 3 is niet van toepassing op de
financiële dienstverleners, bedoeld in het eerste lid. In afwijking van
de vorige volzin is artikel 28 van toepassing op de financiële
dienstverlener aan wie het ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992
is toegestaan door middel van een bijkantoor in Nederland werkzaamheden
te verrichten.
Artikel 14
1. De volgende financiële dienstverleners beschikken van
rechtswege over een vergunning als bedoeld in artikel 10:
a. de kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 1° van de Wet toezicht kredietwezen 1992, die
ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a, van die wet is ingeschreven
in het in dat artikel bedoelde register;
b. de kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 2°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, die
ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a, van die wet is ingeschreven
in het in dat artikel bedoelde register, voor zover het die
kredietinstelling is toegestaan werkzaamheden als bedoeld in die wet
te verrichten;
c. de kredietinstelling of financiële instelling die ingevolge
artikel 52, tweede lid, onder b, c, d, f of g, van de Wet toezicht
kredietwezen 1992 is ingeschreven in het in dat artikel bedoelde
register, voor zover het die instelling is toegestaan krediet aan te
bieden;
d. de verzekeraar die in het bezit is van de in artikel 24, eerste
lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 bedoelde vergunning,
voor zover het die verzekeraar is toegestaan werkzaamheden als bedoeld
in die wet te verrichten;
e. de verzekeraar die in het bezit is van de in artikel 11 van de
Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf bedoelde vergunning,
voor zover het die verzekeraar is toegestaan werkzaamheden als bedoeld
in die wet te verrichten.
2. De artikelen 20, onder b, c en e, 26, 27, eerste lid, 28,
derde lid, en 29 zijn niet van toepassing op de financiële
dienstverleners, bedoeld in het eerste lid.
3. De toezichthouder stuurt de in het eerste lid bedoelde
financiële dienstverleners een bevestiging van de vergunning.
Artikel 15
1. Aan de financiële dienstverlener, bedoeld in artikel 14,
eerste lid, waarvan de vergunning is ingetrokken op grond van artikel
20, verleent de toezichthouder op verzoek een vergunning indien de
financiële dienstverlener aantoont dat de intrekkingsgrond op grond
waarvan de van rechtswege verleende vergunning is ingetrokken, niet
langer op hem van toepassing is.
2. Artikel 20, onder e, is niet van toepassing op een financiële
dienstverlener aan wie de toezichthouder op grond van het eerste lid een
vergunning heeft verleend.
Artikel 16
1. De toezichthouder kan aan een rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid een vergunning verlenen die mede strekt ten behoeve
van bij die rechtspersoon aangesloten instellingen, indien die
rechtspersoon:
a. krachtens zijn statuten en de statuten van de bij hem
aangesloten instellingen of krachtens een overeenkomst met de bij hem
aangesloten instellingen beschikt over voldoende bevoegdheden jegens
de aangesloten instellingen om een handelen van een zodanige
instelling in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde tegen
te kunnen gaan;
b. beschikt over voldoende mogelijkheden tot deskundige
ondersteuning van de aangesloten instellingen; en
c. gemachtigd is die instellingen bij de vergunningaanvraag en ook
overigens voor de toepassing van dit hoofdstuk te vertegenwoordigen.
2. Voor de toepassing van deze wet gelden handelingen van de
aangesloten instelling als handelingen van de rechtspersoon.
3. Indien na het verlenen van een vergunning als bedoeld in het
eerste lid een instelling zich aansluit bij de rechtspersoon geldt de
vergunning mede voor die instelling, indien de rechtspersoon ten aanzien
van deze instelling voldoet aan het eerste lid.
4. De houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid
maakt bij de toezichthouder onverwijld melding van de aansluiting van
een instelling als bedoeld in het derde lid en van de beëindiging van
de aansluiting van een aangesloten instelling.
Artikel 17
1. De toezichthouder stelt regels ten aanzien van de wijze
waarop de aanvraag om een vergunning wordt ingediend, de gegevens die
daarbij worden verstrekt en de bescheiden die daarbij worden
overgelegd.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de
aanmelding, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder b, en de
mededeling, bedoeld in artikel 12, tweede lid.
Artikel 18
1. De toezichthouder kan, op aanvraag, ontheffing verlenen van
het in artikel 10 bedoelde verbod, en van hetgeen overigens bij of
krachtens deze wet is bepaald, indien de doeleinden die deze wet
beoogt te bereiken anderszins voldoende worden bereikt.
2. De toezichthouder kan aan een ontheffing als bedoeld in het
eerste lid voorschriften verbinden of beperkingen stellen met het oog op
het adequaat functioneren van de financiële markten of de positie van
de consument op die markten.
§ 2. Intrekking en verval van de vergunning en ontheffing
Artikel 19
1. De vergunning of de ontheffing vervalt, behoudens het
bepaalde in het tweede lid:
a. door overlijden van de houder;
b. indien de rechtspersoon waaraan de vergunning of ontheffing is
verleend ophoudt te bestaan.
2. Indien zich een van de in het eerste lid bedoelde feiten of
omstandigheden voordoet ten aanzien van een van de aangesloten
instellingen als bedoeld in artikel 16, dan wel de aansluiting van een
dergelijke instelling is beëindigd, vervalt de werking van de
vergunning ten behoeve van de betrokken instelling. Indien zich de in
het eerste lid, onder b, bedoelde omstandigheid voordoet ten aanzien van
de in artikel 16 genoemde rechtspersoon zelf, vervalt de vergunning in
haar geheel.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de
financiële dienstverlener die beschikt over een vergunning op grond van
de artikelen 14 of 15. Een zodanige vergunning vervalt zodra:
a. de inschrijving, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a, b
of c, vervalt;
b. van het besluit tot intrekking van een vergunning als bedoeld in
artikel 14, eerste lid, onder d, mededeling is gedaan in de
Staatscourant overeenkomstig artikel 150, tweede lid, van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993;
c. van het besluit tot intrekking van een vergunning als bedoeld in
artikel 14, eerste lid, onder e, mededeling is gedaan in de
Staatscourant overeenkomstig artikel 61, tweede lid, van de Wet
toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.
4. Indien op grond van het eerste of tweede lid een vergunning,
dan wel de werking daarvan ten behoeve van een aangesloten instelling,
vervalt, en de onderneming waarvoor de vergunning werd verleend,
onderscheidenlijk waarvoor de vergunning mede geldt, aan een andere
natuurlijke persoon of rechtspersoon is overgedragen of op een andere
natuurlijke persoon of rechtspersoon is overgegaan, blijft de vergunning
voor deze andere natuurlijke persoon of rechtspersoon gelden gedurende
twee maanden na de dag waarop ingevolge het eerste of tweede lid de
vergunning, dan wel de werking daarvan, zou vervallen en, indien binnen
die periode door die natuurlijke of rechtspersoon een nieuwe vergunning
is aangevraagd, daarna tot het tijdstip waarop de beslissing op de
aanvraag onherroepelijk is geworden.
Artikel 20
De toezichthouder kan de voorschriften en beperkingen, bedoeld in de
artikelen 11, derde lid, en 18, tweede lid, wijzigen, aanvullen of
intrekken, alsnog voorschriften verbinden of beperkingen stellen aan een
vergunning of ontheffing, dan wel de vergunning of ontheffing intrekken:
a. op verzoek van de houder;
b. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter
verkrijging van de vergunning of ontheffing zodanig onjuist of
onvolledig blijken, dat de vergunning of ontheffing zou zijn
geweigerd, dan wel onder het verbinden van voorschriften of het
stellen van beperkingen zou zijn verleend, als bij de behandeling
van de aanvraag de juiste gegevens volledig bekend waren geweest;
c. indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op
grond waarvan de vergunning of ontheffing zou zijn geweigerd, dan
wel onder het verbinden van voorschriften of het stellen van
beperkingen zou zijn verleend, als deze omstandigheden of feiten op
het tijdstip waarop de vergunning of ontheffing werd verleend zich
hadden voorgedaan of bekend waren geweest;
d. indien de houder in staat van faillissement is komen te
verkeren, of indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is verklaard, of indien door een
rechterlijke beschikking één of meer goederen van de houder onder
een bewind als bedoeld in artikel 380, 409 of 431 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek zijn gesteld, of indien de ondercuratelestelling
van de houder is uitgesproken;
e. indien de houder:
1°. binnen een termijn van twaalf maanden na verlening van de
vergunning of de ontheffing geen financiële diensten heeft
verricht waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft;
2°. het verrichten van financiële diensten waarop de
vergunning of ontheffing betrekking heeft gedurende een termijn
van meer dan zes maanden heeft gestaakt; of
3°. kennelijk opgehouden heeft financiële dienstverlener te
zijn;
f. indien de houder niet voldoet aan bij of krachtens deze wet
gestelde regels.
Artikel 21
1. De toezichthouder kan aan een financiële dienstverlener als
bedoeld in artikel 13 een verbod opleggen tot het verrichten van
financiële diensten in Nederland, indien de financiële
dienstverlener niet of niet genoegzaam uitvoering heeft gegeven aan
een door de toezichthouder op grond van artikel 70 van deze wet
gegeven aanwijzing.
2. De toezichthouder stelt de toezichthoudende autoriteit van de
lidstaat van de zetel van de financiële dienstverlener in kennis van
het door hem opgelegde verbod.
Artikel 22
1. Het in artikel 10 bedoelde verbod is, voor zover het de
afwikkeling van overeenkomsten betreft, niet van toepassing op:
a. de voormalige vergunninghouder, onderscheidenlijk de voormalige
aangesloten instelling, of de curator in het faillissement van de
voormalige vergunninghouder, onderscheidenlijk de voormalige
aangesloten instelling, vanaf het tijdstip waarop de vergunning is
vervallen of ingetrokken, onderscheidenlijk de werking daarvan is
vervallen;
b. de financiële dienstverlener, bedoeld in artikel 13, waarop dat
artikel niet langer van toepassing is;
c. de financiële dienstverlener waaraan een verbod als bedoeld in
artikel 21 is opgelegd.
2. De toezichthouder kan op een daartoe strekkend verzoek, met
het oog op de voortzetting van het bedrijf van een bemiddelaar, indien
dit verantwoord is in verband met de adequate functionering van de
financiële markten en met de positie van de consument op die markten,
ontheffing verlenen van het in artikel 10 bedoelde verbod aan:
a. een der personen die met een overleden bemiddelaar tot het
tijdstip van diens overlijden een duurzame gemeenschappelijke
huishouding heeft gehad; of
b. een der niet tot de huishouding behorende kinderen van een
overleden bemiddelaar.
3. De in het tweede lid bedoelde ontheffing kan met terugwerkende
kracht worden verleend tot de datum van overlijden. De ontheffing geldt
voor ten hoogste een jaar en kan ten hoogste tweemaal met een jaar
worden verlengd.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op de gevolmachtigde
agent, indien de aanbieder ingeval van beëindiging van de volmacht
gebruik maakt van het in artikel 61, tweede lid, bedoelde recht om op
een andere wijze dan door belasting van de gevolmachtigde agent te
voorzien in het beheer en de afwikkeling van de door de gevolmachtigde
agent gevormde verzekeringsportefeuille.
5. De toezichthouder kan terzake van de afwikkeling van
overeenkomsten en de voortzetting van een bedrijf door een financiële
dienstverlener voorschriften geven met het oog op het adequaat
functioneren van de financiële markten of de positie van de consument
op die markten.
§ 3. Het register
Artikel 23
1. De toezichthouder houdt een register waarin de
vergunninghouders, verbonden bemiddelaars, financiële dienstverleners
als bedoeld in de artikelen 13, eerste lid, en 22, eerste lid, en
ontheffinghouders zijn ingeschreven, alsmede de aan de desbetreffende
vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en de daaraan
gestelde beperkingen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent de gegevens betreffende de financiële dienstverleners
die in het register worden opgenomen.
3. De toezichthouder haalt de inschrijving in het register door
zodra de vergunning of ontheffing onherroepelijk is ingetrokken of
vervallen, dan wel een mededeling als bedoeld in artikel 12, tweede lid,
is gedaan.
4. De toezichthouder brengt de nodige wijzigingen in de
ingeschreven gegevens aan indien zich de situatie, bedoeld in artikel
16, derde lid, voordoet, dan wel de werking van een vergunning voor een
aangesloten instelling als bedoeld in artikel 16, eerste lid, vervalt
ingevolge artikel 19, tweede lid.
5. De toezichthouder kan de nodige wijzigingen in de ingeschreven
gegevens aanbrengen indien haar is gebleken dat de ten aanzien van een
financiële dienstverlener ingeschreven gegevens niet overeenstemmen met
de werkelijke situatie. Hij doet hiervan aan de financiële
dienstverlener onverwijld schriftelijk mededeling.
Artikel 24
1. Het register is openbaar en ligt voor een ieder kosteloos
ter inzage.
2. De toezichthouder verstrekt aan een ieder op aanvraag
inlichtingen over, kopieën van of uittreksels uit in het register
opgenomen gegevens.
3. De toezichthouder stelt de voor de schriftelijke verstrekking
van de in het tweede lid bedoelde gegevens verschuldigde bedragen vast,
op zodanige wijze dat deze bedragen niet hoger zijn dan de werkelijke
kosten, en maakt deze bedragen openbaar.
§ 4. Vestiging bijkantoor en verrichten diensten
Artikel 25
1. De bemiddelaar in verzekeringen en de
herverzekeringsbemiddelaar aan wie een vergunning is verleend als
bedoeld in artikel 10 of die beschikt over een vergunning als bedoeld
in artikel 14, eerste lid, onder a, die voornemens is voor het eerst
in een of meer andere lidstaten te bemiddelen in verzekeringen, stelt
de toezichthouder daarvan in kennis.
2. Binnen een maand na de in het eerste lid bedoelde kennisgeving
stelt de toezichthouder de bevoegde autoriteiten van de betreffende
lidstaten van dit voornemen in kennis. De toezichthouder meldt de
bemiddelaar dat de betreffende lidstaten in kennis zijn gesteld.
3. De bemiddelaar kan één maand nadat hij de in het tweede lid
bedoelde melding van de toezichthouder heeft ontvangen zijn
bemiddelingswerkzaamheden in de betreffende lidstaat aanvangen.
4. De bemiddelaar kan zijn bemiddelingswerkzaamheden onmiddellijk
aanvangen indien van de Europese Commissie is vernomen dat de
betreffende lidstaat geen mededeling heeft gedaan als bedoeld in artikel
6, tweede lid, van de Richtlijn verzekeringsbemiddeling. Indien dit het
geval is meldt de toezichthouder dit aan de bemiddelaar.
Hoofdstuk 3
§ 1. De financiële dienstverlener
Artikel 26
1. De financiële dienstverlener draagt er zorg voor dat de
betrouwbaarheid van de personen die het beleid van de financiële
dienstverlener bepalen of medebepalen buiten twijfel staat.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere
bij financiële dienstverleners betrokken categorieën van personen
worden aangewezen ten aanzien van wie de financiële dienstverlener er
zorg voor draagt dat de betrouwbaarheid buiten twijfel staat.
Artikel 27
1. De financiële dienstverlener draagt er zorg voor dat de
personen die het dagelijks beleid van de financiële dienstverlener
bepalen deskundig zijn in verband met de bedrijfsvoering van de
financiële dienstverlener.
2. De financiële dienstverlener draagt zorg voor de
deskundigheid van zijn werknemers en van andere personen, die zich onder
zijn verantwoordelijkheid rechtstreeks bezighouden met financiële
dienstverlening. Hiertoe beschikt in ieder geval een zodanig aantal
feitelijk leidinggevenden van de financiële dienstverlener over
voldoende vakbekwaamheid dat de kwaliteit van de financiële
dienstverlening aan de consument kan worden gewaarborgd.
Artikel 28
1. De administratieve organisatie en het systeem van interne
controle van de financiële dienstverlener stellen de toezichthouder
in staat toezicht te houden op de naleving van de bij en krachtens
deze wet gestelde regels.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met het
oog op het adequaat functioneren van de financiële dienstverlener en
het toezicht op de naleving van de bij en krachtens deze wet gestelde
regels, regels worden gesteld ten aanzien van een adequate
administratieve organisatie en systeem van interne controle.
3. Met het oog op het bevorderen en handhaven van een integere
bedrijfsvoering, draagt de financiële dienstverlener zorg voor adequate
maatregelen, gericht op:
a. het voorkomen van betrokkenheid van de financiële
dienstverlener en van zijn werknemers bij strafbare feiten die het
vertrouwen in de financiële dienstverlener of in de financiële
markten in het algemeen schaden;
b. andere bij algemene maatregel van bestuur te noemen onderwerpen.
Artikel 29
De bemiddelaar in verzekeringen en de herverzekeringsbemiddelaar
beschikken over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee
vergelijkbare voorziening.
§ 2. De financiële dienstverlening
Artikel 30
1. De financiële dienstverlener draagt er zorg voor dat de
door of namens hem verstrekte informatie terzake van een financieel
product of financiële dienst, waaronder reclame-uitingen, geen
afbreuk doet aan de bij of krachtens deze wet aan de consument te
verstrekken informatie.
2. De krachtens deze wet door de financiële dienstverlener
verstrekte informatie is feitelijk juist, voor de consument begrijpelijk
en niet misleidend.
Artikel 31
1. Voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst
inzake een financieel product verstrekt de financiële dienstverlener
de consument informatie voor zover dit redelijkerwijs relevant is voor
een adequate beoordeling van dat product.
2. In afwijking van het eerste lid kan bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden bepaald dat de financiële dienstverlener
in daarbij te bepalen gevallen de in dat lid bedoelde informatie geheel
of gedeeltelijk na het aangaan van de overeenkomst verstrekt.
3. Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een
financieel product verstrekt de financiële dienstverlener de consument
tijdig informatie over:
a. wezenlijke wijzigingen in de informatie, bedoeld in het eerste
lid, voor zover deze informatie redelijkerwijs relevant is voor de
consument;
b. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
andere onderwerpen.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat de informatie, bedoeld in het derde lid, in daarbij aan te
wijzen gevallen uitsluitend op verzoek van de consument wordt verstrekt.
Artikel 32
1. Indien de financiële dienstverlener een consument
adviseert:
a. wint hij in het belang van de consument informatie in over diens
financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en
risicobereidheid, voor zover dit redelijkerwijs relevant is voor het
advies;
b. draagt hij er zorg voor dat zijn advies, voor zover
redelijkerwijs mogelijk, rekening houdt met de onder a. bedoelde
informatie;
c. licht hij de overwegingen toe die ten grondslag liggen aan het
advies, voorzover dit nodig is voor een goed begrip van het advies.
2. Indien de financiële dienstverlener bij het verlenen van een
financiële dienst aan een consument deze niet adviseert, maakt hij dat
bij aanvang van de dienstverlening aan deze kenbaar.
Artikel 33
1. Onverminderd de artikelen 31 en 32 informeert de
bemiddelaar, voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst
inzake een financieel product, de consument over de volgende
onderwerpen:
a. of hij adviseert op grond van de in het tweede lid bedoelde
verplichting tot een objectieve analyse; dan wel
b. of hij een contractuele verplichting heeft uitsluitend voor een
of meer aanbieders te bemiddelen, in welk geval hij de consument
tevens desgevraagd de namen van deze aanbieders mededeelt; dan wel
c. dat hij geen contractuele verplichting heeft uitsluitend voor
een of meer aanbieders te bemiddelen en hij niet adviseert op grond
van de in het tweede lid bedoelde verplichting tot een objectieve
analyse, in welk geval hij de consument desgevraagd tevens de namen
mededeelt van de aanbieders waarvoor hij bemiddelt of kan bemiddelen;
en
d. op welke wijze hij wordt beloond; en
e. of hij een rechtstreeks of middelijke deelneming van 10% of meer
van de stemrechten of van het kapitaal van een bepaalde aanbieder
bezit; en
f. of een bepaalde aanbieder of een bepaalde moederonderneming van
een aanbieder een rechtstreekse of middelijke deelneming van meer dan
10% van de stemrechten of van het kapitaal van de bemiddelaar bezit;
en
g. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
andere onderwerpen.
2. Indien de bemiddelaar de consument adviseert op grond van een
objectieve analyse, baseert hij zijn advies op een analyse van een
toereikend aantal op de markt verkrijgbare vergelijkbare financiële
producten, zodat hij in staat is een financieel product aan te bevelen
dat aan de behoeften van de consument voldoet.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld ter zake van een beloning of vergoeding voor het bemiddelen in
financiële producten, in welke vorm ook, alsmede ter zake van de wijze
van uitbetaling daarvan.
Artikel 34
1. Onverminderd de artikelen 31 en 32 informeert de adviseur,
voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een
financieel product, de consument over de volgende onderwerpen:
a. of hij adviseert op grond van de in het tweede lid bedoelde
verplichting tot een objectieve analyse; dan wel
b. of hij een contractuele verplichting heeft uitsluitend voor een
of meer aanbieders te adviseren, in welk geval hij de consument tevens
desgevraagd de namen van deze aanbieders mededeelt; dan wel
c. dat hij geen contractuele verplichting heeft uitsluitend voor
een of meer aanbieders te adviseren en hij niet adviseert op grond van
de in het tweede lid bedoelde verplichting tot een objectieve analyse,
in welk geval hij de consument desgevraagd tevens de namen mededeelt
van de aanbieders waarvoor hij adviseert of kan adviseren; en
d. op welke wijze hij wordt beloond; en
e. of hij een rechtstreeks of middelijke deelneming van 10% of meer
van de stemrechten of van het kapitaal van een bepaalde aanbieder
bezit; en
f. of een bepaalde aanbieder of een bepaalde moederonderneming van
een aanbieder een rechtstreekse of middelijke deelneming van meer dan
10% van de stemrechten of van het kapitaal van de bemiddelaar bezit;
en
g. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
andere onderwerpen.
2. Indien de adviseur de consument adviseert op grond van een
objectieve analyse, baseert hij zijn advies op een analyse van een
toereikend aantal op de markt verkrijgbare vergelijkbare financiële
producten, zodat hij in staat is een financieel product aan te bevelen
dat aan de behoeften van de consument voldoet.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld ter zake van een beloning of vergoeding voor het adviseren over
financiële producten, in welke vorm ook, alsmede ter zake van de wijze
van uitbetaling daarvan.
Artikel 35
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld ten aanzien van de informatievoorziening aan de consument door
de financiële dienstverlener.
Artikel 36
1. Het bij of krachtens artikel 31, eerste en derde lid,
bepaalde is niet van toepassing op de financiële dienstverlener die
een financiële dienst verleent door tussenkomst van een bemiddelaar,
een gevolmachtigde agent of een ondergevolmachtigde agent.
2. De financiële dienstverlener kan met de bemiddelaar, de
gevolmachtigde agent of de ondergevolmachtigde agent overeenkomen dat in
afwijking van het eerste lid, niet de bemiddelaar, de gevolmachtigde
agent of de ondergevolmachtigde agent maar de financiële dienstverlener
zelf aan artikel 31, eerste en derde lid, voldoet.
Artikel 37
1. De financiële dienstverlener draagt zorg voor een adequate
behandeling van klachten van consumenten over financiële producten of
financiële diensten van de financiële dienstverlener. Hiertoe:
a. beschikt de financiële dienstverlener over een interne
klachtenprocedure, gericht op een spoedige en zorgvuldige behandeling
van klachten; en
b. is de financiële dienstverlener aangesloten bij een door Onze
Minister erkende geschilleninstantie, die geschillen behandelt ten
aanzien van de financiële producten of financiële diensten van de
financiële dienstverlener.
2. De in het eerste lid onder b genoemde verplichting geldt niet
indien er geen erkende geschilleninstantie is die geschillen behandelt
ten aanzien van de financiële producten of financiële diensten van de
financiële dienstverlener.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten
aanzien van de erkenning van geschilleninstanties.
Artikel 38
1. De financiële dienstverlener houdt zich aan bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen nadere regels ten
aanzien van de bij de behandeling van de consument in acht te nemen
zorgvuldigheid.
2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te
stellen algemene maatregel van bestuur die strekt tot wijziging van een
reeds vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder
gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd, behoudens indien het vaststellen van de
algemene maatregel van bestuur naar het oordeel van Onze Minister
spoedeisend is.
Artikel 39
Indien de financiële dienstverlener werkzaamheden uitbesteedt aan
een derde, draagt hij er zorg voor dat deze derde bij de uitvoering van
die werkzaamheden de regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld
ten aanzien van die werkzaamheden naleeft. Het uitbesteden van
werkzaamheden aan een derde is niet toegestaan indien hierdoor het
toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt
gehinderd.
Artikel 40
1. De consument kan een overeenkomst op afstand zonder een
boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen ontbinden
gedurende veertien kalenderdagen met ingang van de dag waarop die
overeenkomst is aangegaan, dan wel, indien dit later is, gedurende
veertien kalenderdagen met ingang van de dag waarop de informatie die
de financiële dienstverlener hem overeenkomstig artikel 31, eerste
lid, dient te verstrekken, door hem is ontvangen.
2. In afwijking van het eerste lid kan de consument een
overeenkomst op afstand inzake een levensverzekering zonder boete en
zonder opgave van redenen ontbinden gedurende dertig kalenderdagen met
ingang van de dag waarop hij van het tot stand komen van de overeenkomst
in kennis wordt gesteld, dan wel, indien dit later is, gedurende dertig
kalenderdagen met ingang van de dag waarop de informatie die de
financiële dienstverlener hem overeenkomstig artikel 31, eerste lid,
dient te verstrekken, door hem is ontvangen.
3. Indien de consument gebruik wenst te maken van het in het
eerste of tweede lid bedoelde recht, dient hij daarvan voor het
verstrijken van de vastgestelde termijn kennis te geven aan de
financiële dienstverlener volgens de instructies voor de uitoefening
van het in eerste of tweede lid bedoelde recht die hem overeenkomstig
artikel 31, eerste lid, zijn gegeven. De kennisgeving wordt als tijdig
aangemerkt indien zij schriftelijk of op een voor de financiële
dienstverlener beschikbare en toegankelijke duurzame drager is verzonden
voor het verstrijken van de termijn.
4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op:
a. overeenkomsten inzake financiële producten waarvan de waarde
gedurende de termijn, bedoeld in het eerste of tweede lid, afhankelijk
is van ontwikkelingen op de financiële markten of andere markten;
b. overeenkomsten inzake kortetermijnverzekeringen met een looptijd
van minder dan één maand;
c. overeenkomsten die op uitdrukkelijk verzoek van de consument
volledig zijn uitgevoerd voordat de consument gebruik maakt van het in
het eerste of tweede lid genoemde recht;
d. overeenkomsten inzake krediet die zijn ontbonden als bedoeld in
de artikelen 7:46e en 7:48e van het Burgerlijk Wetboek;
e. overeenkomsten inzake krediet waarbij hypothecaire zekerheid
wordt verleend;
f. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere
overeenkomsten.
5. Indien aan de overeenkomst op afstand een andere overeenkomst
verbonden is ten aanzien van een zaak of dienst die door de financiële
dienstverlener wordt geleverd of door een derde op grond van een
overeenkomst tussen de dienstverlener en deze derde, brengt de
ontbinding van de overeenkomst op afstand overeenkomstig het eerste of
tweede lid van rechtswege en zonder dat de consument een boete
verschuldigd is, de ontbinding mee van die verbonden overeenkomst.
Artikel 41
1. Met de uitvoering van een overeenkomst op afstand wordt pas
na toestemming van de consument een begin gemaakt.
2. Indien de consument gebruik maakt van zijn in artikel 40,
eerste of tweede lid, bedoelde recht, kan de financiële dienstverlener
uitsluitend een vergoeding vragen voor het financiële product dat
krachtens de overeenkomst op afstand is geleverd. Deze vergoeding is:
a. niet hoger dan een bedrag evenredig aan de verhouding tussen het
reeds geleverde product en de volledige uitvoering van de overeenkomst
op afstand; en
b. in geen geval zo hoog dat deze als een boete kan worden opgevat.
3. De financiële dienstverlener kan slechts betaling op grond
van het tweede lid verlangen indien hij:
a. kan aantonen dat de consument overeenkomstig artikel 31, eerste
lid, is geïnformeerd over de in het tweede lid bedoelde vergoeding;
en
b. op uitdrukkelijk verzoek van de consument met de uitvoering van
de overeenkomst is begonnen voor het verstrijken van de in artikel 40,
eerste of tweede lid, genoemde ontbindingstermijn.
4. De financiële dienstverlener betaalt de consument zo spoedig
mogelijk en uiterlijk binnen 30 kalenderdagen nadat hij de kennisgeving
van de in artikel 40 bedoelde ontbinding heeft ontvangen, al hetgeen hij
krachtens de overeenkomst op afstand van hem ontvangen heeft terug,
verminderd met het in het tweede lid bedoelde bedrag.
5. De consument geeft de financiële dienstverlener onverwijld,
en uiterlijk binnen 30 kalenderdagen nadat hij de kennisgeving van de in
artikel 40 bedoelde ontbinding heeft verzonden, alle geldbedragen of
zaken terug die hij van de financiële dienstverlener heeft ontvangen.
§ 3. De verhouding tussen aanbieder en bemiddelaar
Artikel 42
1. Met uitzondering van artikel 43 is het bepaalde in deze
paragraaf met betrekking tot de verhouding tussen de aanbieder en de
bemiddelaar van overeenkomstige toepassing op:
a. de verhouding tussen de gevolmachtigde agent en de bemiddelaar;
b. de verhouding tussen de ondergevolmachtigde agent en de
bemiddelaar; en
c. de verhouding tussen de bemiddelaar en de onderbemiddelaar.
2. Het bepaalde in deze paragraaf met betrekking tot de
verhouding tussen de aanbieder en de gevolmachtigde agent is van
overeenkomstige toepassing op:
a. de verhouding tussen de gevolmachtigde agent en de
ondergevolmachtigde agent;
b. de verhouding tussen de ondergevolmachtigde agent en een andere
ondergevolmachtigde agent aan wie hij een ondervolmacht heeft
verleend.
Artikel 43
De aanbieder draagt ervoor zorg dat de verbonden bemiddelaar, via
welke hij overeenkomsten met consumenten aangaat, voldoet aan hetgeen
bij en krachtens deze wet is bepaald.
Artikel 44
1. Het is verboden te bemiddelen of als gevolmachtigde agent op
te treden voor een aanbieder waarop het verbod, bedoeld in artikel 10,
van toepassing is en die niet is ingeschreven in het register, bedoeld
in artikel 23, of voor een aanbieder als bedoeld in artikel 13 waaraan
een verbod als bedoeld in artikel 21 is opgelegd. Het verbod te
bemiddelen of op te treden als gevolmachtigde agent geldt niet voor
zover het de aanbieder is toegestaan overeenkomsten af te wikkelen op
grond van artikel 22.
2. De bemiddelingsactiviteiten en de activiteiten van de
gevolmachtigde agent hebben slechts betrekking op de financiële
producten die de aanbieder op grond van deze wet mag aanbieden.
3. Het is een aanbieder verboden financiële producten aan te
bieden door middel van een bemiddelaar of een gevolmachtigde agent die
niet is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 23, of door een
bemiddelaar als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel b, waaraan
een verbod als bedoeld in artikel 21 is opgelegd. Het verbod geldt niet
voor zover het de bemiddelaar of de gevolmachtigde agent is toegestaan
overeenkomsten af te wikkelen op grond van artikel 22.
4. Indien een aanbieder financiële producten aanbiedt door
middel van een bemiddelaar of een gevolmachtigde agent, hebben de
activiteiten van de aanbieder slechts betrekking op de financiële
producten ten aanzien waarvan het de bemiddelaar of de gevolmachtigde
agent op grond van deze wet is toegestaan te bemiddelen dan wel op te
treden als gevolmachtigde agent.
Artikel 45
1. De aanbieder die door een bemiddelaar voor de eerste maal
wordt benaderd met een voorstel tot het aangaan van een overeenkomst
inzake een financieel product gaat slechts tot behandeling van dat
voorstel over indien hij zich ervan heeft vergewist dat de bemiddelaar
voor het bemiddelen in dat financiële product is ingeschreven in het
register, bedoeld in artikel 23.
2. De aanbieder gaat eenmaal per twaalf maanden na of de
bemiddelaar via wie hij overeenkomsten inzake financiële producten
aangaat of die assisteert bij het beheer en de uitvoering van een
overeenkomst inzake een financieel product, nog voor deze activiteit in
het register, bedoeld in artikel 23, is ingeschreven.
3. De aanbieder gaat tevens na of de bemiddelaar, bedoeld in het
tweede lid, nog voor de in dat lid bedoelde activiteit is ingeschreven
in het register, bedoeld in artikel 23, indien hij in het kader van de
normale bedrijfsvoering signalen ontvangt die bij hem twijfel oproept
over deze inschrijving.
Artikel 46
1. De aanbieder gaat pas over tot het verlenen van een
volmacht, indien hij zich ervan heeft vergewist dat de gevolmachtigde
agent is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 23.
2. De aanbieder gaat eenmaal per twaalf maanden na of de
gevolmachtigde agent aan wie hij een volmacht heeft verleend, nog in het
register, bedoeld in artikel 23, is ingeschreven.
3. De aanbieder gaat tevens na of de gevolmachtigde agent aan wie
hij een volmacht heeft verleend, nog in het register, bedoeld in artikel
23, is ingeschreven, indien hij in het kader van de normale
bedrijfsvoering signalen ontvangt die bij hem twijfel oproept over deze
inschrijving.
Artikel 47
1. Indien de aanbieder in het kader van de normale
bedrijfsvoering constateert dat een bemiddelaar of een gevolmachtigde
agent het bij of krachtens paragraaf 1 van dit hoofdstuk bepaalde
overtreedt, meldt de aanbieder de geconstateerde overtreding
onverwijld aan de toezichthouder.
2. Indien de aanbieder in het kader van de normale
bedrijfsvoering constateert dat een bemiddelaar of een gevolmachtigde
agent het bij of krachtens deze wet bepaalde, met uitzondering van het
bepaalde in paragraaf 1 van dit hoofdstuk, stelselmatig overtreedt,
meldt de aanbieder de geconstateerde overtreding onverwijld aan de
toezichthouder.
Artikel 48
Degene die tot een melding op de voet van artikel 47 is overgegaan,
is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt,
tenzij gelet op alle feiten en omstandigheden in redelijkheid niet tot
melding had mogen worden overgegaan.
Artikel 49
Financiële dienstverleners stellen elkaar over en weer in staat te
voldoen aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, voor zover zij
daarvoor van elkaar afhankelijk zijn.
Artikel 50
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld ten aanzien van de in deze paragraaf geregelde verhoudingen
tussen financiële dienstverleners.
Hoofdstuk 4
§ 1. Krediet
Artikel 51
1. De aanbieder wint in het belang van de consument
voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake
krediet, informatie in over de financiële positie van de consument en
beoordeelt, ter voorkoming van overkreditering van de consument, of
het aangaan van de overeenkomst verantwoord is.
2. De aanbieder gaat geen overeenkomst inzake krediet aan met een
consument, indien dit, met het oog op voorkoming van overkreditering van
de consument, onverantwoord is.
Artikel 52
De aanbieder van krediet neemt deel aan een stelsel van
kredietregistratie.
Artikel 53
1. Het is de bemiddelaar verboden voor het verlenen van
bemiddeling terzake van krediet een beloning of vergoeding, in welke
vorm ook, te bedingen of te aanvaarden van, dan wel in rekening te
brengen aan een ander dan de aanbieder van het krediet.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, ten einde een
zorgvuldige bemiddeling in krediet te bevorderen, regels worden gesteld
ter zake van de beloning of vergoeding, bedoeld in het eerste lid,
alsmede ter zake van de wijze van uitbetaling daarvan.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op
overeenkomsten inzake krediet, bij het aangaan waarvan hypothecaire
zekerheid wordt verleend, dan wel overeenkomsten inzake krediet met
betrekking waartoe reeds hypothecaire zekerheid bestaat, mits het
krediet wordt verleend tegen een voor hypothecaire financieringen van de
betrokken aanbieder gebruikelijk effectief kredietvergoedingspercentage.
Artikel 54
Een gemeentelijke kredietbank wordt opgericht en opgeheven bij een
daartoe strekkend besluit van burgemeester en wethouders. Het besluit
wordt onderworpen aan de goedkeuring van gedeputeerde staten.
Artikel 55
1. Burgemeester en wethouders stellen voor de bedrijfsvoering
van de gemeentelijke kredietbank een reglement vast, waaruit voor het
aanbieden van krediet in het kader van het uitoefenen van de publieke
taak ten minste blijkt op welke wijze zal worden voldaan aan hetgeen
is bepaald bij of krachtens deze paragraaf, hoofdstuk 3 van deze wet
en de hoofdstukken IV en V van de Wet op het consumentenkrediet.
2. Het reglement wordt onderworpen aan de goedkeuring van
gedeputeerde staten.
3. Burgemeester en wethouders zien toe op de naleving door de
gemeentelijke kredietbank van het reglement, bedoeld in het eerste lid.
§ 2. Verzekeringen
Artikel 56
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op financiële
dienstverlening inzake verzekeringen.
Artikel 57
Het bepaalde in deze paragraaf met betrekking tot de verhouding
tussen de aanbieder en de bemiddelaar is van overeenkomstige toepassing
op:
a. de verhouding tussen de bemiddelaar en de onderbemiddelaar;
b. de verhouding tussen de gevolmachtigde agent en de
bemiddelaar; en
c. de verhouding tussen de ondergevolmachtigde agent en de
bemiddelaar.
Artikel 58
Een verzekering welke door bemiddeling van een bemiddelaar tot stand
is gekomen of naar de portefeuille van een bemiddelaar is overgeboekt
behoort in de relatie tot de betrokken aanbieder tot de portefeuille van
die bemiddelaar zolang die verzekering daaruit niet is overgeboekt.
Artikel 59
1. De aanbieder kan slechts met toestemming van de bemiddelaar
of diens rechtverkrijgenden een deel of het geheel van diens
portefeuille overboeken naar de portefeuille van een andere
bemiddelaar.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid boekt de
aanbieder op schriftelijk verzoek van een consument diens verzekering
uit de portefeuille van een bemiddelaar over naar die van een andere
bemiddelaar, tenzij de aanbieder gegronde bezwaren heeft tegen die
bemiddelaar.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
op het door een aanbieder in eigen beheer nemen van een verzekering.
4. De aanbieder verleent op schriftelijk verzoek van een
bemiddelaar zijn medewerking aan de gehele of gedeeltelijke overdracht
van de portefeuille van die bemiddelaar aan een andere bemiddelaar,
tenzij de aanbieder gegronde bezwaren heeft tegen die bemiddelaar.
Artikel 60
1. Tenzij anders wordt overeengekomen of de bemiddelaar zich
bij de verzekering tegenover de aanbieder tot betaling van premie en
kosten als eigen schuld heeft verbonden, verzorgt de bemiddelaar voor
de aanbieder het incasso van de premies. Ter zake van dit
premie-incasso is hij jegens de aanbieder te allen tijde rekening en
verantwoording schuldig.
2. Tenzij tussen een aanbieder en een bemiddelaar anders is
overeengekomen kan de aanbieder de bemiddelaar van het premie-incasso
ontheffen, indien:
a. de bemiddelaar niet meer is ingeschreven in het register,
bedoeld in artikel 23;
b. de bemiddelaar het premie-incasso in ernstige mate verwaarloost;
c. de bemiddelaar in gebreke blijft namens de aanbieder door hem
geïnde premies tijdig aan deze af te dragen; of
d. de bemiddelaar zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen, die
de vrees wettigen dat hij niet zal voldoen aan zijn uit het
premie-incasso voortvloeiende verplichtingen.
3. In de gevallen waarin in verband met het bepaalde in het
tweede lid het premie-incasso door een bemiddelaar eindigt, wordt dit
door de aanbieder overgenomen.
§ 3. Volmachten
Artikel 61
1. De beëindiging van een volmacht van een gevolmachtigde
agent heeft geen werking tegen derden tot het tijdstip waarop de
aanbieder of de gevolmachtigde agent van die beëindiging mededeling
heeft gedaan aan de toezichthouder en de toezichthouder het register
heeft aangepast.
2. Ingeval een volmacht is beëindigd, kan de aanbieder de
gevolmachtigde agent, wiens volmacht is vervallen, belasten met het
beheer en de afwikkeling van de door hem gevormde
verzekeringsportefeuille. Aan de aanbieder blijft het recht voorbehouden
op andere wijze in het beheer en de afwikkeling van die portefeuille te
voorzien.
Artikel 62
1. Het bepaalde in artikel 61 met betrekking tot de
gevolmachtigde agent is van overeenkomstige toepassing op de
ondergevolmachtigde agent.
2. Voor de toepassing van artikel 61 wordt onder de aanbieder
mede verstaan de gevolmachtigde agent in zijn kwaliteit van verlener van
ondervolmachten.
Hoofdstuk 5. Uitvoering van de wet
§ 1. De verhouding tussen Onze Minister en de toezichthouder
Artikel 63
Het toezicht op de naleving van hetgeen bij en krachtens deze wet is
bepaald, berust bij de toezichthouder.
Artikel 64
De toezichthouder verstrekt Onze Minister desgevraagd de inlichtingen
die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van
voorgenomen wettelijke voorschriften en algemene beleidsvoornemens, voor
zover deze betrekking hebben op het gedrag van financiële
dienstverleners jegens consumenten en op het adequaat functioneren van
de financiële markten.
Artikel 65
1. Onze Minister kan aan de toezichthouder de gegevens of
inlichtingen vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een
onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de
toezichthouder deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter
wille van het toezicht, bedoeld in artikel 63, nodig blijkt.
2. De toezichthouder verstrekt aan Onze Minister de in het eerste
lid bedoelde gegevens of inlichtingen. Indien Onze Minister de
toezichthouder vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken
die onder artikel 84 vallen, is de toezichthouder niet verplicht deze
gegevens of inlichtingen te verstrekken, indien:
a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een
afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met
uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of
herleidbaar zijn tot een afzonderlijke financiële dienstverlener die
in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 11 of
waarvan die vergunning is ingetrokken of vervallen, tot een
afzonderlijke verbonden bemiddelaar of tot een afzonderlijke
financiële dienstverlener als bedoeld in artikel 13, eerste lid, en
ten aanzien waarvan overeenkomstig artikel 66 van de Wet toezicht
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, artikel 156 van de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993 of artikel 71 van de Wet toezicht
kredietwezen 1992 de noodregeling is uitgesproken, surseance van
betaling is verleend of die in staat van faillissement is verklaard,
de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;
b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die
betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een aanbieder in staat
te stellen zijn bedrijf voort te zetten; of
c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 94,
eerste lid, of zijn verkregen naar aanleiding van een verificatie bij
een in een andere staat gelegen bijkantoor van een in Nederland
gevestigde financiële dienstverlener, tenzij de uitdrukkelijke
instemming is verkregen van die instantie onderscheidenlijk van de
toezichthoudende autoriteit van de staat waar de verificatie ter
plaatse is verricht.
3. Onze Minister kan een derde opdragen de gegevens of
inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te
onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister
de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of
inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van
overeenkomstige toepassing zijn.
4. Onze Minister gebruikt de gegevens of inlichtingen die hij
ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend voor het
vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze
waarop de toezichthouder deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.
5. Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn
verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede
volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. Artikel 84 is van
toepassing.
6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de
aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit
getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies
in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.
7. De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman
zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde
gegevens of inlichtingen die Onze Minister of de in zijn opdracht
werkende derde onder zich heeft.
Artikel 66
1. De toezichthouder brengt jaarlijks over zijn werkzaamheden
en bevindingen ingevolge deze wet aan Onze Minister verslag uit.
2. De toezichthouder maakt het verslag openbaar.
Artikel 67
Onze Minister kan de toezichthouder voorschriften geven ter
implementatie van richtlijnen van de Raad van de Europese Unie dan wel
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk
op het gebied van financiële dienstverlening in de zin van deze wet.
§ 2. Het verkrijgen van informatie door de toezichthouder
Artikel 68
1. De toezichthouder kan bij:
a. de aanvrager van een vergunning;
b. de vergunninghouder;
c. degene op wie een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in de
artikelen 9 onderscheidenlijk 18 van toepassing is;
d. degene die deel uitmaakt van een groep waartoe een
vergunninghouder behoort;
e. degene waarvan kan worden vermoed dat deze handelt in strijd met
de bij of krachtens deze wet gestelde regels, alle inlichtingen
inwinnen, of doen inwinnen, die redelijkerwijs geacht kunnen worden
nodig te zijn voor het toezicht op de naleving van deze wet.
2. Degene van wie de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid,
worden verlangd, verstrekt deze binnen een door de toezichthouder te
stellen termijn.
Artikel 69
Ten aanzien van de personen die door de toezichthouder zijn belast
met het inwinnen van inlichtingen of met de uitoefening van andere taken
en bevoegdheden die de toezichthouder heeft op grond van het bij of
krachtens deze wet bepaalde, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16,
5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat indien een onderzoek als bedoeld in
artikel 95 wordt ingesteld, degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld
en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden
tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.
§ 3. Corrigerende en sanctionerende bevoegdheden van de
toezichthouder
Artikel 70
1. De toezichthouder kan aan de financiële dienstverlener die
handelt in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels of
de aan een vergunning verbonden voorschriften of gestelde beperkingen,
een aanwijzing geven om ten aanzien van met name aan te geven punten
een bepaalde gedragslijn te volgen, teneinde deze strijdigheid op te
heffen. De financiële dienstverlener volgt de gegeven aanwijzing op
binnen een door de toezichthouder te stellen termijn.
2. De aanwijzing vermeldt de handelingen welke de financiële
dienstverlener naar het oordeel van de toezichthouder dient te
verrichten of na te laten.
3. Indien de toezichthouder een aanwijzing geeft aan een
instelling als bedoeld in artikel 13, stelt de toezichthouder de
toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van de zetel van de
financiële dienstverlener daarvan in kennis.
Artikel 71
1. Indien naar het oordeel van de toezichthouder niet of
onvoldoende gevolg is gegeven aan een aanwijzing als bedoeld in
artikel 70, kan de toezichthouder, indien hij dit met het oog op het
adequaat functioneren van de financiële markten en het vertrouwen van
de consument daarin noodzakelijk acht, de financiële dienstverlener
met een vergunning, bedoeld in artikel 11, schriftelijk aanzeggen, dat
vanaf een bepaald tijdstip alle of bepaalde organen van de financiële
dienstverlener hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na
goedkeuring van door een of meer door de toezichthouder aangewezen
personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen,
welke aanzegging terstond van kracht wordt.
2. De in het eerste lid bedoelde aanzegging kan ook zonder
voorafgaande aanwijzing worden gedaan indien de toezichthouder oordeelt
dat ten aanzien van de betreffende financiële dienstverlener onverwijld
maatregelen noodzakelijk zijn, nadat hij de financiële dienstverlener
in de gelegenheid heeft gesteld zijn mening over de onmiddellijke
uitvoering te geven.
3. Met betrekking tot een aanzegging, bedoeld in het eerste of
tweede lid, is het volgende van toepassing:
a. de organen van de financiële dienstverlener verlenen de door de
toezichthouder aangewezen personen alle medewerking;
b. de toezichthouder kan de betrokken organen van de financiële
dienstverlener toestaan bepaalde handelingen zonder machtiging te
verrichten;
c. de door de toezichthouder aangewezen personen oefenen hun
bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaren na de aanzegging,
bedoeld in het eerste lid, behoudens de bevoegdheid van de
toezichthouder om deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te
verlengen, welke verlenging terstond van kracht wordt;
d. de toezichthouder kan te allen tijde de door hem aangewezen
personen vervangen;
e. voor schade ten gevolge van handelingen, welke zijn verricht in
strijd met een aanzegging als bedoeld in het eerste lid, zijn degenen
die deel uit maken van het orgaan van de financiële dienstverlener
dat deze handelingen verrichtte, persoonlijk aansprakelijk tegenover
de financiële dienstverlener; de financiële dienstverlener kan de
ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij wist
dat de vereiste goedkeuring ontbrak of daarvan redelijkerwijs niet
onkundig kon zijn;
f. zodra de toezichthouder van oordeel is dat de naleving van de
regels, bedoeld in artikel 70, eerste lid, voldoende is gewaarborgd,
beslist hij dat de betrokken organen van de financiële dienstverlener
hun bevoegdheden weer onbeperkt kunnen uitoefenen.
4. Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing
op de financiële dienstverleners, bedoeld in de artikelen 13, 14 en 15.
Artikel 72
1. De toezichthouder kan een last onder dwangsom opleggen ter
zake van overtreding van de voorschriften, gesteld bij of krachtens de
artikelen 9, tweede lid, 10, 11, derde lid, 18, tweede lid, 22, vijfde
lid, 25, derde lid, 27, eerste en tweede lid, 28, eerste, tweede en
derde lid, 29, 30, eerste en tweede lid, 31, eerste, derde en vierde
lid, 32, eerste en tweede lid, 33, eerste tot en met derde lid, 34,
eerste tot en met derde lid, 35, 37, eerste lid, 38, 39, 43, 44,
eerste, tweede, derde en vierde lid, 45, eerste en tweede lid, 46,
eerste en tweede lid, 49, 50, 51, eerste en tweede lid, 52, 53, eerste
en tweede lid, 68, tweede lid, 70, eerste lid, 71, derde lid, 95,
tweede lid, 97, tweede lid en 100.
2. De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot
en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.
3. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening
van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 73
1. De toezichthouder kan een bestuurlijke boete opleggen ter
zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de
artikelen 9, tweede lid, 10, 11, derde lid, 12, tweede lid, 16, vierde
lid, 18, tweede lid, 22, vijfde lid, 25, derde lid, 26, eerste en
tweede lid , 27, eerste en tweede lid, 28, eerste, tweede en derde
lid, 29, 30, eerste en tweede lid, 31, eerste, derde en vierde, 32,
eerste en tweede lid, 33, eerste tot en met derde lid, 34, eerste tot
en met derde lid, 35, 37, eerste lid, 38, 39, 43, 44, eerste, tweede,
derde en vierde lid, 45, eerste, tweede en derde lid, 46, eerste,
tweede en derde lid, 47, eerste en tweede lid, 49, 50, 51, eerste en
tweede lid, 52, 53, eerste en tweede lid, 68, tweede lid, 70, eerste
lid, 71, derde lid, 95, tweede lid, 97, tweede lid en 100.
2. De bestuurlijke boete komt toe aan de toezichthouder.
3. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie, regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 74
1. Het bedrag van de boete wordt bepaald op de wijze als
voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de boete voor een
afzonderlijke overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt.
2. De bijlage bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het
bedrag van de deswege op te leggen boete.
3. De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden
gewijzigd.
4. De toezichthouder kan het bedrag van de boete lager stellen
dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een
bepaald geval onevenredig hoog is.
5. Voor overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens
een algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 26, tweede
lid, 28, tweede lid, 31, tweede en vierde lid, 35, 38, 50, 53, tweede
lid of 100 wordt het bedrag van de boete bepaald op de wijze als
voorzien in die algemene maatregel van bestuur. Het eerste tot en met
vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 75
Degene jegens wie door de toezichthouder een handeling is verricht
waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem
wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht
ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in
kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
Artikel 76
1. Indien de toezichthouder voornemens is een boete op te
leggen, geeft zij de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de
gronden waarop het voornemen berust.
2. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet
bestuursrecht, stelt de toezichthouder de betrokkene in de gelegenheid
om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te
brengen voordat de boete wordt opgelegd, tenzij het een overtreding
betreft die in de bijlage, bedoeld in artikel 74, is aangewezen.
Artikel 77
1. De toezichthouder legt de boete op bij beschikking.
2. De beschikking vermeldt in ieder geval:
a. het feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het
overtreden voorschrift;
b. het bedrag van de boete en de gegevens op basis waarvan dit
bedrag is bepaald; en
c. de termijn, bedoeld in artikel 79, waarbinnen de boete moet
worden betaald.
Artikel 78
1. De werking van de beschikking tot oplegging van een boete
wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien
beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de werking van de
beschikking tot oplegging van een boete voor een overtreding die op
grond van artikel 76, tweede lid, is aangewezen, opgeschort totdat de
bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het
bezwaar is beslist.
Artikel 79
1. De boete wordt betaald binnen zes weken na de
inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.
2. De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen
vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken
zijn verstreken, tenzij het een overtreding betreft die op grond van
artikel 76, tweede lid, is aangewezen.
3. Indien de boete niet tijdig is betaald, stuurt de
toezichthouder schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete,
verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning
bevat de aanzegging dat de boete, voor zover deze niet binnen de
gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het vierde lid zal worden
ingevorderd.
4. Bij gebreke van tijdige betaling kan de toezichthouder de
boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering,
bij dwangbevel invorderen.
5. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij
deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de
zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet
tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de rechtspersoon die de
boete heeft opgelegd.
7. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de
voorzieningenrechter desgevraagd anders beslist.
8. Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de boete
ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld.
Artikel 80
1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt indien ter
zake van de overtreding een strafvervolging is ingesteld en het
onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het
recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het
Wetboek van Strafrecht.
2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een
overtreding als bedoeld in artikel 72 vervalt, indien de toezichthouder
ter zake van die overtreding reeds een boete heeft opgelegd.
Artikel 81
1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt drie jaren na
de dag waarop de overtreding is begaan.
2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt gestuit door de
bekendmaking van de beschikking waarbij een boete wordt opgelegd.
Artikel 82
De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van
een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest
bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande
onderzoek.
Artikel 83
1. Met het oog op het adequaat functioneren van de financiële
markten en de positie van de consument op die markten, kan de
toezichthouder, in afwijking van artikel 84, eerste en tweede lid, het
feit ter zake waarvan de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete
is opgelegd, het overtreden voorschrift, het feit dat de last onder
dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, alsmede de naam, het
adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de
bestuurlijke boete is opgelegd, ter openbare kennis brengen.
2. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening
van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
§ 4. Geheimhouding en publicatie
Artikel 84
1. Gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens
deze wet bepaalde omtrent financiële dienstverleners zijn verstrekt
of zijn verkregen en gegevens die van een instantie als bedoeld in
artikel 95 zijn ontvangen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim.
2. Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze
wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult,
verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt, of
van een instantie als bedoeld in artikel 94 en 95 ontvangen, of van
gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van zakelijke gegevens en
bescheiden verkregen, verder of anders gebruik te maken of daaraan
verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn
taak of door deze wet wordt geëist.
3. Het eerste en tweede lid laten, ten aanzien van degene op wie
het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de
bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.
4. Het eerste en tweede lid laten evenzo, ten aanzien van degene
op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid
van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en van
artikel 66 van de Faillissementswet die betrekking hebben op het als
getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als
deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent
gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge
deze wet opgedragen taak, voor zover het gaat om gegevens of
inlichtingen omtrent een financiële dienstverlener die in staat van
faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is
ontbonden. De vorige volzin is niet van toepassing op gegevens of
inlichtingen die betrekking hebben op financiële dienstverlener die
betrokken zijn of zijn geweest bij een poging de desbetreffende
financiële dienstverlener in staat te stellen haar beroep of bedrijf
voort te zetten.
5. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de
toezichthouder met gebruikmaking van gegevens of inlichtingen verkregen
bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak,
mededelingen doen mits deze niet kunnen worden herleid tot individuele
instellingen.
Artikel 85
De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 84, teneinde de
naleving van de wet te bevorderen ter openbare kennis brengen:
a. haar weigering om een aangevraagde vergunning of ontheffing te
verlenen, wanneer deze weigering niet meer in beroep kan worden
getroffen en de aanvrager handelt als was hem de vergunning of de
ontheffing verleend;
b. het feit dat een financiële dienstverlener waarop naar haar
oordeel het verbod, bedoeld in artikel 10 van toepassing is, niet
over een vergunning beschikt en handelt als was hem een vergunning
verleend;
c. het feit dat degene op wie een vrijstelling als bedoeld in
artikel 9 van toepassing is zich niet houdt aan de voorschriften die
aan die vrijstelling zijn verbonden;
d. het feit dat een financiële dienstverlener een op grond van
artikel 70 gegeven aanwijzing niet heeft opgevolgd.
e. het feit dat aan een financiële dienstverlener bedoeld in
artikel 13 een verbod bedoeld in artikel 21 is opgelegd.
Artikel 86
Degene jegens wie door de toezichthouder een handeling is verricht
waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat de
toezichthouder zijn handelen of nalaten op grond van artikel 85 ter
openbare kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige
verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens
hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
Artikel 87
1. De toezichthouder geeft, indien hij voornemens is op grond
van artikel 85 een handelen of nalaten ter openbare kennis te brengen,
de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop
het voornemen berust.
2. In aanvulling op artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht
is de toezichthouder niet gehouden de betrokkene in de gelegenheid te
stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien van de
betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met redelijke
inspanning kan worden verkregen.
Artikel 88
De beschikking om op grond van artikel 85 een feit ter openbare
kennis te brengen vermeldt in ieder geval:
a. het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht;
b. de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht;
en
c. de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht.
Artikel 89
Tenzij de bevordering van de naleving van deze wet geen uitstel
toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 85
een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de
beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het
beroep is beslist.
Artikel 90
In afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht
treedt de beschikking in werking op de dag waarop het feit ter openbare
kennis is gebracht zonder dat de werking voor de duur van de
beroepstermijn of, indien beroep is ingesteld, van het beroep wordt
opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres
ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.
Artikel 91
1. De bevoegdheid om op grond van artikel 85 een feit ter
openbare kennis te brengen vervalt indien ter zake van het feit een
strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is
vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als
bedoeld in artikel 85 vervalt, indien de toezichthouder het feit reeds
ter openbare kennis heeft gebracht.
Artikel 92
1. De bevoegdheid om op grond van artikel 85 een feit ter
openbare kennis te brengen vervalt drie jaren na de dag waarop het
feit heeft plaats gehad.
2. De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de
bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis
wordt gebracht.
Artikel 93
De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 85 ter
openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die
niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het
daaraan voorafgaande onderzoek.
§ 5. Samenwerking nationaal en internationaal
Artikel 94
1. De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 84, eerste
lid, gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem
ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan Nederlandse of
buitenlandse overheidsinstanties dan wel aan Nederlandse of
buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn
met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen,
rechtspersonen en vennootschappen die op die markten werkzaam zijn,
tenzij:
a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden
gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in
het kader van het toezicht op financiële markten of op natuurlijke
personen, rechtspersonen en vennootschappen die op die markten
werkzaam zijn;
c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou
verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in
voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs
in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt
te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet
zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden
verstrekt.
2. Indien een buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste
lid aan de toezichthouder verzoekt om de gegevens of inlichtingen die op
grond van dat lid zijn verstrekt te mogen gebruiken voor een ander doel
dan waarvoor zij zijn verstrekt, wordt dat verzoek slechts ingewilligd:
a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste lid;
dan wel
b. indien die buitenlandse instantie op een andere wijze dan in
deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor
geldende procedures voor dat andere doel de beschikking over die
gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen.
3. Indien het in het tweede lid bedoelde verzoek betrekking heeft
op een onderzoek naar strafbare feiten wordt dit niet ingewilligd dan na
toestemming van Onze Minister van Justitie.
Artikel 95
1. Ter uitvoering van verdragen tot uitwisseling van gegevens
of inlichtingen dan wel ter uitvoering van bindende besluiten van
volkenrechtelijke organisaties met betrekking tot het toezicht op
financiële markten of op natuurlijke personen, rechtspersonen en
vennootschappen die op die markten werkzaam zijn, kan de
toezichthouder ten behoeve van een instantie die werkzaam is in een
Staat die met Nederland partij is bij een verdrag of die met Nederland
valt onder eenzelfde bindend besluit van een volkenrechtelijke
organisatie, en die in die Staat belast is met de uitvoering van
wettelijke regelingen inzake het toezicht op financiële
dienstverleners, inlichtingen vragen aan of een onderzoek instellen of
doen instellen bij iedere financiële dienstverlener die ingevolge
deze wet onder hun toezicht valt dan wel bij een ieder waarvan
redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of
inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de uitvoering
van de wettelijke regelingen als hiervoor bedoeld.
2. Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het
eerste lid worden gevraagd, verstrekt deze gegevens of inlichtingen
binnen een door de toezichthouder te stellen termijn.
Artikel 96
1. De toezichthouder verstrekt aan de autoriteiten die
ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993, de Wet toezicht
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, de Wet toezicht
beleggingsinstellingen of de Wet toezicht effectenverkeer 1995, belast
zijn met het toezicht op kredietinstellingen, verzekeraars,
beleggingsinstellingen onderscheidenlijk effectenbemiddelaars en
vermogensbeheerders, de gegevens of inlichtingen die hij heeft
verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen
taak en die betrekking hebben op de betrouwbaarheid van de personen,
bedoeld in artikel 26, voor zover deze naar het oordeel van de
toezichthouder van belang zijn of zouden kunnen zijn voor het toezicht
dat door die andere autoriteiten wordt uitgeoefend.
2. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet in het
geval de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van een buitenlandse
instantie als bedoeld in artikel 94.
Artikel 97
1. De toezichthouder kan toestaan dat een functionaris van een
buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 95, eerste lid,
deelneemt aan de uitvoering van een verzoek als bedoeld in dat lid.
2. Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in artikel 95, eerste
lid, wordt ingesteld, verleent aan de in het eerste lid bedoelde
functionaris alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van
dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt
ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts
gehouden is tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en
bescheiden.
3. De in het eerste lid bedoelde functionaris volgt de
aanwijzingen op van de persoon die met de uitvoering van het verzoek is
belast.
§ 6. Kosten toezicht
Artikel 98
De toezichthouder kan de kosten die zijn verbonden aan de uitvoering
van het toezicht op de naleving van deze wet volgens bij ministeriële
regeling te stellen regels in rekening brengen bij financiële
dienstverleners. Tot de kosten behoren tevens de kosten die hij heeft
gemaakt ter voorbereiding van de uitvoering van deze wet.
§ 7. Bezwaar en beroep
Artikel 99
In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is
voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te
Rotterdam bevoegd.
§ 8. Krachtens deze wet te stellen regels
Artikel 100
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld ten aanzien van het bepaalde in de artikelen 16, eerste lid
onder a en b, 26, eerste lid, 27, eerste en tweede lid, 28, derde lid,
aanhef en onder a, 29, 31, eerste en derde lid, 32, eerste en tweede
lid, 33, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, en tweede lid, 34,
eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, en tweede lid, 37, eerste
lid, 39, 43, 47, eerste en tweede lid, 49 en 51, eerste en tweede lid.
Artikel 101
Van hetgeen bij of krachtens de artikelen 40 en 41 is bepaald, kan
niet ten nadele van de consument worden afgeweken.
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 102
1. Het is een financiële dienstverlener die op het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet:
a. beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 9 van de Wet
op het consumentenkrediet;
b. is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 3 of
artikel 20 van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf;
c. beschikt over een ontheffing als bedoeld in artikel 5 of 21a van
de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf of de artikelen 6, derde lid, of
31, vijfde lid, of 32, vierde lid, of artikel 38, vierde lid, van de
Wet toezicht kredietwezen 1992;
d. bemiddelt in krediet en in dat verband een schriftelijke
provisieovereenkomst is aangegaan met een financiële dienstverlener
als bedoeld in onderdeel a;
e. optreedt als adviseur; of
f. overeenkomsten inzake krediet, bij het aangaan waarvan
hypothecaire zekerheid wordt verleend, dan wel met betrekking waartoe
reeds hypothecaire zekerheid bestaat, aanbiedt of daarin bemiddelt,
toegestaan zonder vergunning of ontheffing zijn werkzaamheden voort te
zetten, onder de in het tweede lid genoemde voorwaarden.
2. De financiële dienstverlener vraagt binnen een maand na
inwerkingtreding van deze wet een vergunning of ontheffing aan bij de
toezichthouder en legt binnen drie maanden na deze aanvraag de gegevens
en bescheiden, bedoeld in artikel 17, aan de toezichthouder over.
3. Het eerste lid is van toepassing op de financiële
dienstverlener totdat de toezichthouder op zijn vergunningaanvraag heeft
beslist. Indien een vergunningaanvraag door de toezichthouder is
afgewezen, is op deze financiële dienstverlener artikel 22 van
overeenkomstige toepassing.
4. De toezichthouder beslist binnen 12 maanden na
inwerkingtreding van deze wet op een aanvraag als bedoeld in het tweede
lid. Bij ministeriële regeling kan deze termijn twee maal worden
verlengd met een periode van maximaal een half jaar.
5. De financiële dienstverlener die op grond van het tweede lid
een vergunning of ontheffing heeft aangevraagd wordt ingeschreven in het
register, bedoeld in artikel 23. De toezichthouder haalt de inschrijving
door zodra hij op de aanvraag heeft beslist.
Artikel 103
[Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer.]
Artikel 104
[Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens.]
Artikel 105
[Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.]
Artikel 106
[Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.]
Artikel 107
[Wijzigt de Colportagewet.]
Artikel 108
[Wijzigt de Wet op de economische delicten.]
Artikel 109
[Wijzigt de Faillissementswet.]
Artikel 110
[Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek.]
Artikel 111
[Wijzigt de Wet identificatie bij dienstverlening.]
Artikel 112
[Wijzigt de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.]
Artikel 113
[Wijzigt de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.]
Artikel 114
[Wijzigt de Wet werk en bijstand.]
Artikel 115
[Wijzigt de Wet op het consumentenkrediet.]
Artikel 116
De Wet assurantiebemiddelingsbedrijf wordt ingetrokken.
Artikel 117
Onze Minister zendt binnen 4 jaar na de inwerkingtreding van deze wet
en vervolgens telkens na 5 jaar aan de Staten-Generaal een verslag over
de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 118
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 119
Deze wet wordt aangehaald als: Wet financiële dienstverlening.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 12 mei 2005
BEATRIX
De Minister van Financiën,
G. Zalm
Uitgegeven de vijfde juli 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Bijlage, bedoeld in
artikel 74, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening
Artikel 1
Voor de overtredingen
genoemd in tabel 1 en tabel 2, begaan na het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, zijn de boetebedragen vastgesteld als
volgt:
|
Tariefnummer:
|
Bedrag (vast
tarief):
|
|
1.
|
€ 453
|
|
2.
|
€ 907
|
|
2a.
|
€ 1 815
|
|
3.
|
€ 5 445
|
|
4.
|
€ 21 781
|
|
5.
|
€ 87 125
|
Artikel 2
Voor de toepassing van
deze bijlage worden de volgende financiële dienstverleners
onderscheiden:
| a. |
financiële
dienstverleners bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel
c, en financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 14,
eerste lid, onderdeel a, b en c, van deze wet;
|
| b. |
financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 13, eerste lid,
onderdeel a en financiële dienstverleners, bedoeld in
artikel 14, eerste lid, onderdeel d, van deze wet, die
schadeverzekeringen aanbieden;
|
| c. |
financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 13, eerste lid,
onderdeel a, van deze wet en financiële dienstverleners,
bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel d, van deze
wet, die levensverzekeringen aanbieden;
|
| d. |
financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 14, eerste lid,
onderdeel e, van deze wet;
|
| e. |
andere financiële
dienstverleners.
|
Artikel 3
| 1. |
Indien een boete
wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling als
genoemd in tabel 1, is bij de vaststelling van de hoogte van
deze boete de volgende categorie-indeling naar balanstotaal,
dan wel naar personeelsbezetting in fte’s, van toepassing
met de daarbij behorende factor:
Categorie-indeling
normgeadresseerden
Categorie I:
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, met een
balanstotaal van minder dan € 45 378 000;
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, met een
balanstotaal van minder dan € 4 538 000;
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, met een
balanstotaal van minder dan € 13 613 000;
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel d, met een
balanstotaal van minder dan € 4 538 000; en Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel e, met een
personeelsbezetting waarvan het aantal werknemers dat zich
rechtstreeks bezighoudt met financiële dienstverlening
minder dan 5 fte bedraagt; Factor: 1;
Categorie II:
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, met een
balanstotaal van ten minste € 45 378 000 maar minder
dan € 453 780 000;
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, met een
balanstotaal van ten minste € 4 538 000 maar minder
dan € 22 689 000;
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, met een
balanstotaal van ten minste € 13 613 000 maar minder
dan € 68 067 000;
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel d, met een
balanstotaal van ten minste € 4 538 000 maar minder
dan € 22 689 000;
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel e, met een
personeelsbezetting waarvan het aantal werknemers dat zich
rechtstreeks bezighoudt met financiële dienstverlening ten
minste 5 fte maar minder dan 10 fte bedraagt; Factor: 2;
Categorie III:
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, met een
balanstotaal van ten minste € 453 780 000 maar minder
dan € 4 537 800 000;
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, met een
balanstotaal van ten minste € 22 689 000 maar minder
dan € 113 445 000;
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, met een
balanstotaal van ten minste € 68 067 000 maar minder
dan € 340 335 000; en Financiële dienstverleners,
bedoeld in artikel 2, onderdeel d, met een balanstotaal van
ten minste € 22 689 000 maar minder dan € 113
445 000;
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel e, met een
personeelsbezetting waarvan het aantal werknemers dat zich
rechtstreeks bezighoudt met financiële dienstverlening ten
minste 10 fte maar minder dan 15 fte bedraagt; Factor: 3;
Categorie IV:
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, met een
balanstotaal van ten minste € 4 537 800 000 maar
minder dan € 45 378 020 000;
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, met een
balanstotaal van ten minste € 113 445 000 maar minder
dan € 453 780 000;
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, met een
balanstotaal van ten minste € 340 335 000 maar minder
dan € 1 361 340 000;
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel d, met een
balanstotaal van ten minste € 113 445 000 maar minder
dan € 453 780 000;
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel e, met een
personeelsbezetting waarvan het aantal werknemers dat zich
rechtstreeks bezighoudt met financiële dienstverlening ten
minste 15 fte maar minder dan 20 fte bedraagt; Factor: 4;
Categorie V:
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, met een
balanstotaal van ten minste € 45 378 020 000;
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, met een
balanstotaal van ten minste € 453 780 000;
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, met een
balanstotaal van ten minste € 1 361 340 000;
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel d, met een
balanstotaal van ten minste € 453 780 000;
Financiële
dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel e, met een
personeelsbezetting waarvan het aantal werknemers dat zich
rechtstreeks bezighoudt met financiële dienstverlening ten
minste 20 fte bedraagt; Factor: 5.
|
| 2. |
De boete wordt
vastgesteld door het bedrag, bedoeld in artikel 1, te
vermenigvuldigen met de factor behorende bij de categorie
naar balanstotaal, dan wel naar personeelsbezetting in
fte’s, bedoeld in het eerste lid.
|
| 3. |
Indien de gegevens
omtrent de balanstotaal of de personeelsbezetting in fte’s
niet aan de toezichthouder beschikbaar zijn gesteld, kan de
toezichthouder aan degene aan wie de boete wordt opgelegd
verzoeken deze gegevens binnen een door hem te stellen
termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de
gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de
vaststelling van de hoogte van de boete categorie V van
toepassing.
|
Artikel 4
Op grond van artikel 76,
tweede lid, van deze wet behoeft de betrokkene niet in de
gelegenheid te worden gesteld om naar keuze schriftelijk of
mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete
wordt opgelegd, indien het een overtreding betreft waarvoor
tariefnummer 1 of 2 is vastgesteld.
Tabel 1
|
Overtreding door
een financiële dienstverlener van voorschriften, gesteld
bij artikel:
|
Tariefnummer:
|
|
9, tweede lid
|
3
|
|
10
|
5
|
|
11, derde lid
|
3
|
|
12, tweede lid
|
2
|
|
16, vierde lid
|
2
|
|
18, tweede lid
|
3
|
|
22, vijfde lid
|
3
|
|
25, derde lid
|
4
|
|
26, eerste lid
|
2a
|
|
27, eerste lid
|
3
|
|
27, tweede lid
|
3
|
|
28, eerste lid
|
2a
|
|
28, derde lid
|
2a
|
|
29
|
2a
|
|
30, eerste lid
|
3
|
|
30, tweede lid
|
3
|
|
31, eerste lid
|
2a
|
|
31, derde lid
|
2a
|
|
32, eerste lid
|
2a
|
|
32, tweede lid
|
2a
|
|
33, eerste lid
|
2a
|
|
33, tweede lid
|
2a
|
|
34, eerste lid
|
2a
|
|
34, tweede lid
|
2a
|
|
37, eerste lid
|
2a
|
|
39
|
2a
|
|
43
|
2a
|
|
44, eerste lid
|
4
|
|
44, tweede lid
|
4
|
|
44, derde lid
|
4
|
|
44, vierde lid
|
4
|
|
45, eerste lid
|
2
|
|
45, tweede lid
|
2
|
|
46, eerste lid
|
2
|
|
46, tweede lid
|
2
|
|
47, eerste lid
|
3
|
|
47, tweede lid
|
3
|
|
49
|
2a
|
|
51, eerste lid
|
2a
|
|
51, tweede lid
|
2a
|
|
52
|
2
|
|
53, eerste lid
|
2
|
|
68, tweede lid
|
3
|
|
70, eerste lid,
laatste volzin
|
4
|
|
71, derde lid
|
3
|
|
95, tweede lid
|
3
|
|
97, tweede lid
|
3
|
Tabel 2
|
Overtreding door
een niet-financiële dienstverlener van voorschriften,
gesteld bij artikel:
|
Tariefnummer:
|
|
68, tweede lid
|
3
|
|
71, derde lid
|
3
|
|
95, tweede lid
|
3
|
|
97, tweede lid
|
3
|
|