| |
|
|
|
|
vorige
WET
FOETAAL WEEFSEL
Tekst zoals deze geldt op
17 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 8 november 2001, houdende regels
betreffende terbeschikkingstelling en gebruik van foetaal weefsel (Wet
foetaal weefsel)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen
te stellen omtrent de voorwaarden waaronder terbeschikkingstelling en
gebruik van foetaal weefsel toelaatbaar is;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. In deze wet
wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
b. menselijke vrucht: resultaat van de samensmelting van menselijke
geslachtscellen;
c. foetaal weefsel: bestanddelen die deel uitmaken van een na een
zwangerschap van minder dan vier en twintig weken ter wereld gekomen,
niet meer in leven zijnde menselijke vrucht of van delen daarvan;
d. vrouw: de vrouw uit wie de menselijke vrucht ter wereld is
gekomen.
2. Deze wet is niet van toepassing op het bewaren en gebruiken
van foetaal weefsel voor pathologisch-anatomisch onderzoek ten behoeve
van de vrouw.
Artikel 2
1. Het bewaren en gebruiken van foetaal weefsel is slechts
toegestaan ten behoeve van geneeskundige doeleinden, medisch- en
biologisch-wetenschappelijk onderzoek en medisch- en
biologisch-wetenschappelijk onderwijs.
2. Gebruik van foetaal weefsel is niet toegestaan voor
geneeskundige behandeling van door de vrouw aangewezen personen.
Artikel 3
1. Voor het bewaren en gebruiken van foetaal weefsel is de
toestemming vereist van de vrouw. De toestemming wordt vooraf verleend
bij een verklaring die ten minste eigenhandig is gedagtekend en
ondertekend.
2. Is de vrouw minderjarig en heeft zij de leeftijd van twaalf
maar die van zestien jaar nog niet bereikt, dan is mede toestemming
vereist van degenen die het gezag over haar uitoefenen.
3. Is zij twaalf jaar of ouder en niet in staat tot een redelijke
waardering van haar belangen ter zake, dan is toestemming vereist van
degenen die het gezag over haar uitoefenen dan wel indien zij
meerderjarig is, van de wettelijke vertegenwoordiger of, indien deze
ontbreekt, van haar echtgenoot, geregistreerde partner of andere
levensgezel.
4. Het bewaren en gebruiken van het foetaal weefsel vindt geen
doorgang indien daartegen bezwaar is gemaakt door de echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel. Indien blijkt dat degene
van wie de zaadcellen afkomstig zijn, een ander is dan de echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel van de vrouw, vindt
bewaring of gebruik van het foetaal weefsel geen doorgang indien hij dat
verzoekt.
Artikel 4
1. Alvorens toestemming wordt gevraagd, wordt de persoon wiens
toestemming is vereist, ingelicht over de aard en het doel van het
voorgenomen gebruik van het foetaal weefsel.
2. Het geven van de inlichtingen en het vragen van de toestemming
geschiedt door de zorg van de behandelend arts en niet voordat vaststaat
dat het foetaal weefsel ter beschikking zal komen. De behandelend arts,
die niet bij de uitvoering van het beoogde gebruik van het foetaal
weefsel mag zijn betrokken, draagt er tevens zorg voor dat de
inlichtingen worden verstrekt op een wijze die waarborgt dat de vrouw in
vrijheid kan beslissen.
3. De inlichtingen worden op een zodanige wijze verstrekt dat
redelijkerwijs zeker is dat degenen wier toestemming is vereist, deze
naar haar inhoud hebben begrepen. In het geval, bedoeld in artikel 3,
derde lid, wordt de vrouw ingelicht op een wijze die past bij haar
bevattingsvermogen.
4. De inlichtingen omvatten in ieder geval de informatie, bedoeld
in de bijlage bij richtlijn 2004/23/EG van het Europees Parlement en de
Raad van 31 maart
2004 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het
doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van
menselijke weefsels en cellen (PbEU L 102).
5. Een wijziging van de in het vierde lid genoemde richtlijn gaat
voor de toepassing van dit artikel gelden met ingang van de dag waarop
aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 5
1. Door de zorg van de instelling waar foetaal weefsel ter
beschikking komt, wordt van de verleende toestemming en een gemaakt
bezwaar aantekening gemaakt in het dossier van de vrouw.
2. De vrouw, dan wel degene die in haar plaats toestemming heeft
gegeven, kan de toestemming te allen tijde, zonder opgaaf van redenen,
intrekken met dien verstande dat de intrekking geen gevolgen heeft voor
zover het foetaal weefsel reeds is gebruikt. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing.
3. Is de toestemming geweigerd, dan wordt het desbetreffende
foetaal weefsel niet langer bewaard. Hetzelfde geldt indien de
toestemming wordt ingetrokken, bezwaar is gemaakt of een verzoek is
gedaan als bedoeld in de tweede volzin van artikel 3, vierde lid, tenzij
het foetaal weefsel niet meer kan worden herleid tot degene die het ter
beschikking heeft gesteld.
Artikel 6
1. Een instelling waar foetaal weefsel ter beschikking komt,
stelt een reglement vast betreffende de wijze waarop in de instelling
toepassing wordt gegeven aan deze wet. Het reglement heeft in ieder
geval betrekking op de volgende onderwerpen:
a. de keuze van de vrouwen aan wie toestemming voor het gebruik van
foetaal weefsel wordt gevraagd;
b. de wijze waarop de noodzakelijke inlichtingen worden gegeven en
de toestemming wordt gevraagd;
c. de wijze waarop en de voorwaarden waaronder het foetaal weefsel
aan de gebruiker ter beschikking wordt gesteld;
d. de openbare verslaglegging over toepassing van de onderdelen a,
b en c.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent de inhoud van het in het eerste lid
bedoelde reglement. Een krachtens de eerste volzin vast te stellen
algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht
weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is
geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de
beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 7
1. Foetaal weefsel wordt, tenzij dat in verband met de aard van
het voorgenomen gebruik noodzakelijk is, niet zodanig bewaard dat het
herleid kan worden tot de vrouw of haar echtgenoot, geregistreerde
partner of andere levensgezel. Indien de echtgenoot, geregistreerde
partner of andere levensgezel niet in de gelegenheid is gesteld
gebruik te maken van de in artikel 3, vierde lid, bedoelde
bevoegdheid, wordt het foetaal weefsel zodanig bewaard dat het niet
tot de vrouw of haar echtgenoot, geregistreerde partner of andere
levensgezel herleidbaar is. Blijkt dat degene van wie de zaadcellen
afkomstig zijn, een ander is dan de echtgenoot, geregistreerde partner
of andere levensgezel van de vrouw, dan wordt het foetaal weefsel op
zijn verzoek zodanig bewaard dat het niet tot hem herleidbaar is.
2. Een instelling of persoon die in de uitoefening van een
geneeskundig beroep of bedrijf foetaal weefsel voorhanden heeft, stelt
een reglement vast betreffende de wijze waarop en de termijn gedurende
welke foetaal weefsel wordt bewaard.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld betreffende de inhoud en wijze van totstandkoming van het in het
tweede lid bedoelde reglement.
Artikel 8
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de ambtenaren van het Staatstoezicht op de
volksgezondheid.
Artikel 9
Het is verboden een vergoeding te geven of te ontvangen voor het ter
beschikking stellen van foetaal weefsel voor bewaring of gebruik.
Artikel 10
Het is verboden geslachtscellen en andere bestanddelen afkomstig van
een menselijke vrucht te bewaren en te gebruiken voor
voortplantingsdoeleinden en niet-geneeskundige doeleinden.
Artikel 11
Het is verboden uit foetaal weefsel in kweek gebrachte cellen te
gebruiken voor andere doeleinden dan geneeskundige doeleinden, medisch-
en biologisch-wetenschappelijk onderzoek of medisch- en
biologisch-wetenschappelijk onderwijs.
Artikel 12
Het is verboden met het oog op het voorgenomen gebruik van foetaal
weefsel bestanddelen uit een ter wereld gekomen nog in leven zijnde
menselijke vrucht te verwijderen.
Artikel 13
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de vierde categorie wordt gestraft degene die opzettelijk in
strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2, 3, 4,
6, 9, 10 en 12.
2. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft degene die handelt in strijd met het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 5, 6 en 11.
3. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn
misdrijven; de in het tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Artikel 14
[Wijzigt de Wet op de orgaandonatie.]
Artikel 15
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 16
Deze wet wordt aangehaald als: Wet foetaal weefsel.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 8 november 2001
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de vierde december 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|