| |
|
|
|
|
vorige
WET
GELIJKE BEHANDELING OP GROND VAN
HANDICAP OF CHRONISCHE ZIEKTE
(Wgbhcz)
Tekst zoals deze geldt op
17 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 3 april 2003 tot vaststelling van
de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om, mede
in verband met artikel 1 van de Grondwet en alsmede op grond van de
Richtlijn nr. 2000/78/EG van de Raad van de Europese Unie van 27
november 2000, tot instelling van een algemeen kader voor gelijke
behandeling in arbeid en beroep (PbEG 2000, L303), ter bevordering van
de deelneming op gelijke voet aan het maatschappelijke leven bescherming
te bieden tegen discriminatie op grond van handicap of chronische ziekte
en dat het daarom wenselijk is behoudens de door de wet genoemde
uitzonderingen onderscheid op deze grond te verbieden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Algemeen
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. onderscheid: direct en indirect onderscheid, alsmede de
opdracht daartoe;
b. direct onderscheid: indien een persoon op grond van handicap
of chronische ziekte op een andere wijze wordt behandeld dan een
ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden
behandeld;
c. indirect onderscheid: indien een ogenschijnlijk neutrale
bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een handicap of
chronische ziekte in vergelijking met andere personen bijzonder
treft.
Artikel 1a
1.Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid houdt mede in
een verbod van intimidatie.
2.Onder intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:
gedrag dat verband houdt met handicap of chronische ziekte en dat tot
doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast
en dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of
kwetsende omgeving wordt gecreëerd.
3.Op het in deze wet neergelegde verbod van intimidatie is artikel
3 niet van toepassing.
Artikel 2
Het verbod van onderscheid houdt mede in dat degene, tot wie dit
verbod zich richt, gehouden is naar gelang de behoefte doeltreffende
aanpassingen te verrichten, tenzij deze voor hem een onevenredige
belasting vormen.
Artikel 3
1.Het verbod van onderscheid geldt niet indien:
a. het onderscheid noodzakelijk is ter bescherming van de
veiligheid en de gezondheid;
b. het onderscheid een regeling, norm of praktijk betreft die
tot doel heeft specifieke voorzieningen en faciliteiten te
creëren of in stand te houden ten behoeve van personen met een
handicap of chronische ziekte;
c. het onderscheid een specifieke maatregel betreft die tot
doel heeft personen met een handicap of chronische ziekte een
bevoorrechte positie toe te kennen ten einde feitelijke nadelen
verband houdende met de gronden handicap of chronische ziekte op
te heffen of te verminderen en het onderscheid in een redelijke
verhouding staat tot dat doel.
2.Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid geldt niet ten
aanzien van indirect onderscheid indien dat onderscheid objectief
gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het
bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
§ 2. Arbeid
Artikel 4
Onderscheid is verboden bij:
a. de aanbieding van een betrekking en de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking;
b. het aangaan en het beëindigen van een arbeidsverhouding;
c. het aanstellen tot ambtenaar en het beëindigen van het
dienstverband van een ambtenaar;
d. de arbeidsbemiddeling;
e. arbeidsvoorwaarden;
f. het laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens of
voorafgaand aan een arbeidsverhouding;
g. bevordering;
h. arbeidsomstandigheden.
Artikel 5
Onderscheid is verboden met betrekking tot de voorwaarden voor en de
toegang tot het vrije beroep en de mogelijkheden tot uitoefening van en
ontplooiing binnen het vrije beroep.
Artikel 5a
Onderscheid is verboden bij het lidmaatschap van of de betrokkenheid
bij een werkgevers- of werknemersorganisatie of een vereniging van
beroepsgenoten, alsmede bij de voordelen die uit dat lidmaatschap of uit
die betrokkenheid voortvloeien.
§ 2a. Basisonderwijs en voortgezet onderwijs
Artikel 5b
Onderscheid is verboden bij het verlenen van toegang tot, het
aanbieden van, het afnemen van toetsen tijdens en het afsluiten van
onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op
het voortgezet onderwijs, voor zover niet begrepen onder artikel 6,
onder b.
§ 3. Beroepsonderwijs
Artikel 6
Onderscheid is verboden bij:
a. het verlenen van toegang tot en het geven van
loopbaanoriëntatie en beroepskeuzevoorlichting;
b. het verlenen van toegang tot, het aanbieden van, het afnemen
van toetsen tijdens en het afsluiten van onderwijs dat gericht is op
toetreding tot en functioneren op de arbeidsmarkt.
§ 3a. Wonen
Artikel 6a
In deze paragraaf wordt onder woonruimte verstaan:
a. een tot bewoning bestemde gebouwde onroerende zaak die een
zelfstandige woning vormt, of een tot zelfstandige of onzelfstandige
bewoning bestemd gedeelte van een gebouwde onroerende zaak, met
inbegrip van de daarbij behorende gemeenschappelijke ruimte;
b. een woonwagen, zijnde een voor bewoning bestemd gebouw dat is
geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan
worden verplaatst;
c. een woonschip, zijnde een schip dat uitsluitend of in
hoofdzaak gebezigd wordt of bestemd is voor bewoning;
d. een tot bewoning bestemd verblijf van een binnenschip.
Artikel 6b
Onderscheid is verboden bij:
a. het aanbieden van woonruimte ter bewoning;
b. het sluiten, uitvoeren, wijzigen of beëindigen van een
overeenkomst betreffende het huren, kopen of bewonen van woonruimte
voor eigen gebruik, waarbij onder eigen gebruik mede wordt verstaan
bewoning door een persoon tot wie de contractant, diens echtgenoot
of geregistreerde partner in een familierechtelijke betrekking staat
of met wie de contractant, diens echtgenoot of geregistreerde
partner in gezinsverband leeft;
c. het bemiddelen bij een overeenkomst als bedoeld onder b;
d. het opmaken, uitvoeren of wijzigen van een reglement als
bedoeld in artikel 111, onder d, van Boek 5 van het Burgerlijk
Wetboek;
e. het inschrijven als woningzoekende.
Artikel 6c
Artikel 2 is op deze paragraaf niet van toepassing, indien het een
bouwkundige- of woontechnische aanpassing in of aan de woonruimte
betreft.
§ 4. Openbaar vervoer
Artikel 7 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
In artikel 8 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer
volgens een dienstregeling met een bus, trein, metro, tram of een
via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;
b. reisinformatie: informatie over de dienstregeling met de
geldigheidsduur daarvan, gegarandeerde overstapmogelijkheden binnen
de dienstregeling, wijzigingen van de dienstregeling en over
tarieven en de daarbij behorende zone-indeling.
Artikel 7a [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 8 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Onderscheid is verboden bij:
a. het verlenen van de voor het reizen vereiste toegang tot de
bij het openbaar vervoer behorende gebouwen en infrastructuur;
b. het aanbieden van openbaar-vervoersdiensten en
reisinformatie;
c. het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten met
betrekking tot openbaar vervoer.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over de ingevolge het eerste lid, in samenhang met artikel 2,
te verrichten aanpassingen als bedoeld in dat artikel.
§ 5. Rechtsbescherming
Artikel 9
1.Beëindiging van de arbeidsverhouding door de werkgever in strijd
met artikel 4, wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten
rechte een beroep heeft gedaan op artikel 4 of terzake bijstand heeft
verleend, is vernietigbaar.
2.Onverminderd hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht,
vervalt twee maanden na de beëindiging van de arbeidsverhouding de
bevoegdheid van de werknemer een beroep te doen op de
vernietigingsgrond, bedoeld in het eerste lid. Artikel 55 van Boek 3
van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.
3.Een rechtsvordering in verband met de vernietiging verjaart door
verloop van zes maanden na de dag waarop de arbeidsverhouding is
geëindigd.
4.De beëindiging, bedoeld in het eerste lid, maakt de werkgever
niet schadeplichtig.
Artikel 9a
Onverminderd artikel 9 is het verboden personen te benadelen wegens
het feit dat zij in of buiten rechte een beroep hebben gedaan op deze
wet of ter zake bijstand hebben verleend.
Artikel 10
1.Indien degene die meent dat te zijnen nadeel een onderscheid is
of wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, in rechte feiten aanvoert
die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, dient de wederpartij te
bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld.
2.Indien degene die meent dat te zijnen nadeel is gehandeld in
strijd met artikel 2 in rechte feiten aanvoert die kunnen doen
vermoeden dat is nagelaten doeltreffende aanpassingen te treffen,
dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met deze bepaling
is gehandeld.
3.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op
vorderingen als bedoeld in artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek en op beroepen ingesteld door belanghebbenden in de zin van
artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 11
Bedingen in strijd met deze wet zijn nietig.
Artikel 12
De Commissie gelijke behandeling, genoemd in artikel 11 van de
Algemene wet gelijke behandeling, kan onderzoeken of een onderscheid is
of wordt gemaakt als bedoeld in deze wet en of gehandeld is in strijd
met artikel 2 van deze wet. De artikelen 12, 13, 14, 15, 20, tweede lid,
en 33 van de Algemene wet gelijke behandeling zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 13
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt in
overeenstemming met Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, van Justitie, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
van Verkeer en Waterstaat, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen binnen vijf jaar
na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag
over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 14
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 15
Deze wet wordt aangehaald als: Wet gelijke behandeling op grond van
handicap of chronische ziekte.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 3 april 2003
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
K.L. Phoa
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
R.H. de Boer
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
M.J.A. van der Hoeven
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
a.i.,
J.P.H. Donner
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de tweeëntwintigste mei 2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|
|