Nadere regelgeving:
- Besluit beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan
zijn
- Besluit
uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
WET van 1 maart 1980, houdende aanpassing
van de Nederlandse wetgeving aan de richtlijn van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 9 februari 1976 inzake de gelijke
behandeling van mannen en vrouwen
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de
Nederlandse wetgeving aan te passen met het oog op de richtlijn van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 februari 1976 inzake de
gelijke behandeling van mannen en vrouwen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Algemeen
Artikel 1
1. In deze wet wordt verstaan onder:
a. onderscheid: direct en indirect onderscheid, alsmede de
opdracht daartoe;
b. direct onderscheid: indien een persoon op grond van geslacht
op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een
vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld;
c. indirect onderscheid: indien een ogenschijnlijk neutrale
bepaling, maatstaf of handelwijze personen van een bepaald
geslacht in vergelijking met andere personen bijzonder treft.
2. Onder direct onderscheid wordt mede verstaan onderscheid op
grond van zwangerschap, bevalling en moederschap.
Artikel 1a
1.Het in deze wet neergelegde verbod van direct onderscheid houdt
mede in een verbod op intimidatie en een verbod op seksuele
intimidatie.
2.Onder intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:
gedrag dat met het geslacht van een persoon verband houdt en dat tot
doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast
en dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of
kwetsende omgeving wordt gecreëerd.
3.Onder seksuele intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt
verstaan: enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een
seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid
van de persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een
bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende
situatie wordt gecreëerd.
4.Het feit dat een persoon het in het tweede en derde lid bedoelde
gedrag afwijst of lijdzaam ondergaat, mag niet ten grondslag liggen
aan een beslissing die die persoon treft.
5.De artikelen 3, tweede lid, 4, tweede lid, en 5, eerste en tweede
lid, zijn niet van toepassing op het verbod van intimidatie en
seksuele intimidatie, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 1b
1.In de openbare dienst mag het bevoegd gezag geen onderscheid
maken bij de aanstelling tot ambtenaar of indienstneming op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, in de arbeidsvoorwaarden,
bij de arbeidsomstandigheden, bij het verstrekken van onderricht, bij
de bevordering en bij de beëindiging van het dienstverband.
2.Tot de openbare dienst, bedoeld in het eerste lid, worden
gerekend alle instellingen, diensten en bedrijven door de staat en de
openbare lichamen beheerd.
3.Van het in het eerste lid bepaalde mag worden afgeweken in de
gevallen waarin het de bescherming van de vrouw betreft, met name in
verband met zwangerschap en moederschap.
4.Het bevoegd gezag mag het dienstverband van degene die krachtens
aanstelling of arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is
in de openbare dienst niet beëindigen of betrokkene niet anderszins
benadelen wegens de omstandigheid dat deze in of buiten rechte een
beroep heeft gedaan op het in het eerste lid bepaalde of terzake
bijstand heeft verleend.
5.De beëindiging van de arbeidsovereenkomst van degene die op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is in openbare
dienst door het bevoegd gezag in strijd met deze wet, is
vernietigbaar. Artikel 647 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is
van overeenkomstige toepassing.
6.Elk beding dat strijdig is met het in het eerste lid bepaalde is
nietig.
Artikel 1c
Ingeval een natuurlijke persoon, rechtspersoon of bevoegd gezag een
ander onder zijn gezag arbeid laat verrichten, anders dan krachtens
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of ambtelijke aanstelling,
zijn de artikelen 646 en 647 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 2
1.Het is niet toegelaten onderscheid te maken met betrekking tot de
voorwaarden voor de toegang tot en de mogelijkheden tot uitoefening
van en ontplooiing binnen het vrije beroep, alsmede wat betreft
regelingen tussen beroepsgenoten inzake sociale zekerheid niet zijnde
pensioenvoorzieningen als bedoeld in artikel 12a.
2.Indien een regeling als bedoeld in het eerste lid betrekking
heeft op ziekte of arbeidsongeschiktheid mag daarin geen uitzondering
worden gemaakt voor zwangerschap en bevalling, onverminderd de
bevoegdheid bepalingen op te nemen ter voorkoming van misbruik en
oneigenlijk gebruik.
3.Elke bepaling van een regeling als bedoeld in het eerste lid, die
in strijd is met het in het eerste of tweede lid bepaalde is nietig.
Artikel 3
1.Het is niet toegelaten onderscheid te maken bij de aanbieding van
een betrekking, bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking of bij arbeidsbemiddeling.
2.Van het in het eerste lid bepaalde mag worden afgeweken in die
gevallen waarin ingevolge deze of enige andere wet bij het aanbieden
van een betrekking onderscheid mag worden gemaakt en, voor zover het
betreft een openlijke aanbieding van een betrekking, de grond voor dat
onderscheid daarbij uitdrukkelijk wordt vermeld.
3.Het aanbieden van een betrekking, bedoeld in het eerste lid,
geschiedt wat betreft tekst en vormgeving zodanig, dat duidelijk
blijkt, dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.
4.Indien voor de aangeboden betrekking een functiebenaming wordt
gebruikt, wordt of zowel de mannelijke als de vrouwelijke vorm
gebruikt, of uitdrukkelijk vermeld, dat zowel vrouwen als mannen in
aanmerking komen.
5.Wanneer iemand ter zake van een aanbieding in strijd met het in
deze wet bepaalde uit onrechtmatige daad jegens een ander
aansprakelijk is, kan de rechter hem op vordering van die ander ook
veroordelen tot openbaarmaking van een rectificatie op een door de
rechter aan te geven wijze.
Artikel 4
1.De natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een
beroepsopleiding, voortgezette beroepsopleiding of cursus voor
bijscholing of omscholing onder welke benaming dan ook in stand houdt,
dan wel de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een examen verband
houdend met de hiervoor bedoelde opleidingen of cursussen afneemt, mag
bij de toelating tot en de behandeling binnen de opleiding, dan wel
bij het afnemen van het examen, geen onderscheid maken noch ten
aanzien van de criteria noch ten aanzien van de niveaus.
2.Van het in het eerste lid van dit artikel bepaalde mag, behoudens
voor wat betreft het afnemen van het examen en mits voor leerlingen
van beide geslachten gelijkwaardige voorzieningen aanwezig zijn,
worden afgeweken indien de eigen aard van een instelling voor
bijzonder onderwijs zich tegen het in dat lid bepaalde verzet.
3.Iedere bepaling die strijdig is met het in het eerste lid
bepaalde, is nietig.
Artikel 4a
1.Het is niet toegelaten onderscheid te maken bij het lidmaatschap
van of de betrokkenheid bij een werknemers- of werkgeversorganisatie
of een vereniging van beroepsgenoten, alsmede bij de voordelen die uit
dat lidmaatschap of uit die betrokkenheid voortvloeien.
2.Iedere bepaling die in strijd is met het eerste lid is nietig.
Artikel 5
1.Van het in de artikelen 1b, 2, 3 en 4 bepaalde mag worden
afgeweken indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een
bevoorrechte positie te plaatsen teneinde nadelen op te heffen of te
verminderen en het onderscheid in een redelijke verhouding staat tot
het beoogde doel.
2.Voor zover het betreft de toegang tot beroepsactiviteiten of de
hiervoor noodzakelijke opleidingen mag van de artikelen 1b, 2, 3 en 4
worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid is gebaseerd op een
kenmerk dat verband houdt met het geslacht en dat kenmerk wegens de
aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of de context
waarin deze worden uitgevoerd, een wezenlijk en bepalend
beroepsvereiste is, mits het doel legitiem is en het vereiste
evenredig aan dat doel is.
3.Als beroepsactiviteiten en hiervoor noodzakelijke opleidingen
waarvoor een kenmerk als bedoeld in het tweede lid, een wezenlijk en
bepalend beroepsvereiste is, worden slechts beschouwd die welke
behoren tot respectievelijk opleiden voor geestelijke ambten dan wel
beroepsactiviteiten die bij algemene maatregel van bestuur zijn
aangewezen.
Artikel 6
Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid geldt niet ten
aanzien van indirect onderscheid, indien dat onderscheid objectief
gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het
bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
Artikel 6a
Indien degene die meent dat te zijnen nadeel een onderscheid is of
wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, in rechte feiten aanvoert die dat
onderscheid kunnen doen vermoeden, dient de wederpartij te bewijzen dat
niet in strijd met deze wet is gehandeld.
§ 2. Gelijke beloning voor arbeid van gelijke waarde
Artikel 7
1.Bij de toepassing van artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek wordt voor de vergelijking van de in dat artikel bedoelde
arbeidsvoorwaarden met betrekking tot het loon uitgegaan van het loon
dat in de onderneming waar de werknemer in wiens belang de
loonvergelijking wordt gemaakt werkzaam is, door een werknemer van de
andere kunne voor arbeid van gelijke waarde dan wel, bij gebreke
daarvan, voor arbeid van nagenoeg gelijke waarde pleegt te worden
ontvangen.
2.Onder loon als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de
vergoeding door de werkgever aan de werknemer verschuldigd terzake van
diens arbeid.
Artikel 8
Voor de toepassing van artikel 7 wordt arbeid gewaardeerd volgens een
deugdelijk stelsel van functiewaardering, waarbij zoveel mogelijk wordt
aangesloten bij het stelsel dat gebruikelijk is in de onderneming waarin
de belanghebbende werknemer werkzaam is. Bij gebreke van een zodanig
stelsel wordt de arbeid, gelet op de beschikbare gegevens, naar
billijkheid gewaardeerd.
Artikel 9
1.Voor de toepassing van artikel 7 wordt het loon van de
belanghebbende werknemer geacht gelijk te zijn aan het loon dat een
werknemer van de andere kunne voor arbeid van gelijke waarde pleegt te
ontvangen, indien het is berekend op grondslag van gelijkwaardige
maatstaven.
2.Voor de toepassing van artikel 7 worden andere dan geldelijke
loonbestanddelen in aanmerking genomen naar de waarde, welke daaraan
in het economisch verkeer kan worden toegekend.
3.Ingeval een arbeidsduur is overeengekomen, welke korter is dan
die welke in overeenkomstige arbeidsverhoudingen in de regel geacht
wordt een volledige dienstbetrekking te vormen, wordt het loon,
voorzover het naar tijdsduur wordt berekend, naar evenredigheid
verminderd.
Artikel 10
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden
gesteld omtrent het in de artikelen 7, 8 en 9 bepaalde.
Artikel 11 [Vervallen per 04-10-2000]
Artikel 12
Bij de toepassing van de artikelen 1b en1c van deze wet is deze
paragraaf van overeenkomstige toepassing.
§ 3. Gelijke behandeling wat betreft pensioenvoorzieningen
Artikel 12a
Voor de toepassing van het in deze paragraaf bepaalde wordt verstaan
onder pensioenvoorziening: een pensioenvoorziening ten behoeve van een
of meer personen, uitsluitend in verband met hun werkzaamheden in een
onderneming, bedrijfstak, tak van beroep of openbare dienst, in
aanvulling op een wettelijk stelsel van sociale zekerheid en, ingeval
van een voorziening ten behoeve van een persoon, anders dan door die
persoon zelf tot stand gebracht.
Artikel 12b
1.Het is ook aan anderen dan de werkgever bedoeld in artikel 646
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of het bevoegd gezag bedoeld in
artikel 1b niet toegestaan onderscheid te maken wat betreft de
bepaling van de kring van personen voor wie een pensioenvoorziening
tot stand wordt gebracht, wat betreft de bepaling van de inhoud van
een pensioenvoorziening of wat betreft de wijze van uitvoering
daarvan.
2.Bepalingen krachtens welke de verwerving van pensioenaanspraken
wordt onderbroken gedurende de periode van zwangerschaps- en
bevallingsverlof op grond van een wettelijke bepaling of overeenkomst,
worden voor de toepassing van artikel 646 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, artikel 1b en het eerste lid beschouwd als
strijdig met het verbod van ongelijke behandeling van mannen en
vrouwen.
Artikel 12c
1.In geval van een uitkeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1
van de Pensioenwet, blijft de omvang van de geldelijke bijdrage van de
werkgever voor de toepassing van artikel 646 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 1a en 12b buiten beschouwing,
voor zover dat gerechtvaardigd is in verband met voor mannen en
vrouwen verschillende actuariële berekeningselementen.
2.In geval van een premieovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van
de Pensioenwet of een kapitaalovereenkomst als bedoeld in artikel 1
van de Pensioenwet blijft de omvang van de geldelijke bijdrage van de
werkgever voor de toepassing van artikel 646 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 1a en 12b buiten beschouwing en
wordt:
a. of de omvang van de uit de premieovereenkomst of
kapitaaloverovereenkomst voortvloeiende periodieke
pensioenuitkering voor mannen en vrouwen gelijk getrokken;
b. of de door de werkgever beschikbaar gestelde premie
respectievelijk de opbouw van aanspraak op kapitaal zodanig
vastgesteld dat naar het inzicht op het tijdstip van vaststelling,
de omvang van de pensioenen voor mannen en vrouwen gelijk wordt
getrokken.
3.In geval van een uitkeringsregeling als bedoeld in artikel 1 van
de Wet verplichte beroepspensioenregeling blijft de omvang van de
geldelijke bijdrage van de beroepsgenoot voor de toepassing van
artikel 12b buiten beschouwing voor zover dat gerechtvaardigd is in
verband met voor mannen en vrouwen verschillende actuariële
berekeningselementen.
4.In geval van een premieregeling of een aanspraak op kapitaal op
basis van een kapitaalregeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling wordt de omvang van het daaruit
voortvloeiende pensioen voor mannen en vrouwen gelijk getrokken.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld omtrent het tweede en vierde lid.
Artikel 12d
In afwijking van artikel 12b zijn toegestaan bepalingen die
betrekking hebben op bescherming van de vrouw met name in verband met
zwangerschap en moederschap.
Artikel 12e
Iedere bepaling die strijdig is met het verbod van ongelijke
behandeling van mannen en vrouwen bedoeld in artikel 12b is nietig.
Artikel 12f
Het bepaalde in artikel 647 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is
van overeenkomstige toepassing bij beëindiging van de dienstbetrekking
door de werkgever wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten
rechte een beroep heeft gedaan op het bepaalde in artikel 12b.
Artikel 13 [Vervallen per 01-09-1994]
Artikel 14 [Vervallen per 01-09-1994]
Artikel 15 [Vervallen per 01-09-1994]
Artikel 16 [Vervallen per 01-09-1994]
Artikel 17 [Vervallen per 01-09-1994]
Artikel 18 [Vervallen per 01-09-1994]
Artikel 19 [Vervallen per 01-09-1994]
Artikel 20 [Vervallen per 01-09-1994]
Artikel 20a [Vervallen per 01-07-1994]
§ 4. Slotbepalingen
Artikel 21
1.Met het toezicht op de naleving van artikel 646 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek en van het bepaalde bij of krachtens deze wet,
zijn belast de bij besluit van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren. Onze Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid kan ten behoeve van dit toezicht een onderzoek doen
instellen door die ambtenaren. Voorzover het de openbare dienst
betreft kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid verzoeken een onderzoek als bedoeld
in de tweede volzin te doen instellen. Van een besluit als bedoeld in
de eerste volzin wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
2.Indien uit een onderzoek blijkt dat een onderscheid is of wordt
gemaakt als bedoeld in artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek of in deze wet doet Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid hiervan mededeling aan de natuurlijke persoon,
rechtspersoon of het bevoegde gezag dat het onderscheid heeft gemaakt
of maakt, en, indien het een onderscheid als bedoeld in artikel 646
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 1b of artikel 1c van
deze wet betreft, aan de betrokken ondernemingsraad of het daarmee
vergelijkbare medezeggenschapsorgaan, alsmede aan de daarvoor in
aanmerking komende organisaties van werkgevers, van werknemers, uit
het beroepsleven of van overheidspersoneel.
De mededeling aan de betrokken ondernemingsraad of het daarmee
vergelijkbare medezeggenschapsorgaan, alsmede aan de daarvoor in
aanmerking komende organisaties van werkgevers, van werknemers, uit
het beroepsleven of van overheidspersoneel bevat geen gegevens waaruit
de identiteit van de in het onderzoek betrokken personen ten nadele
van wie het onderscheid is of wordt gemaakt kan worden afgeleid.
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 23
De voordracht tot wijziging van een algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel c, en de voordracht voor
een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 10 wordt niet
gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan
een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag
waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van
Onze minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het
ontwerp aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd.
Artikel 24
1. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.
2. Deze wet treedt in werking met
ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te Lech, 1 maart 1980
JULIANA
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
De Minister van Sociale Zaken,
Albeda
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
A. Pais
De Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk,
J.G. Kraaijeveld-Wouters
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H. Wiegel
Uitgegeven de dertiende maart 1980
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
|