Nadere regelgeving:
- Besluit
etikettering energieverbruik energiegerelateerde producten
- Besluit geluidhinder
- Besluit omgevingslawaai
- Besluit omgevingsrecht
- Besluit saneringsmaatregelen industrieterreinen 1994
- Besluit uitlaatsystemen motorvoertuigen en bromfietsen
- Besluit
uitvoering Crisis- en herstelwet
- Kaderbesluit etikettering energiegebruik huishoudelijke apparatuur
(vervallen)
- Regeling geluidemissie buitenmaterieel
(vervallen)
- Regeling
omgevingslawaai
- Regeling omgevingsrecht
WET van 16 februari 1979, houdende regels
inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het belang van de
bescherming van het milieu en van de volksgezondheid noodzakelijk is
regels te stellen inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
ander geluidsgevoelig gebouw: bij algemene maatregel van bestuur als
zodanig aangewezen gebouw, niet zijnde een woning, dat vanwege de
bestemming daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, waarbij
wat betreft de bestemming wordt uitgegaan van het gebruik dat is
toegestaan op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening,
bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening, of, indien met
toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is
afgeweken, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid,
van laatstgenoemde wet;
bebouwde kom: bebouwde kom, vastgesteld krachtens de Wegenverkeerswet
1994;
bestemmingsplan: bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de
Wet ruimtelijke ordening, een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26
of 3.28 van die wet hieronder mede begrepen;
buitenstedelijk gebied: gebied buiten de bebouwde kom alsmede, voor
de toepassing van de hoofdstukken VI enVII voor zover het betreft een
autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990, het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover
liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg;
equivalent geluidsniveau: gemiddelde – te bepalen op een door Onze
Minister krachtens toepassing van artikel 110d aangegeven wijze– van
de afwisselende niveaus van het ter plaatse in de loop van een bepaalde
periode optredende geluid, vastgesteld volgens de door Onze Minister
krachtens toepassing van dat artikel gestelde regels;
etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau in dB(A) met
betrekking tot een industrieterrein: hoogste van de volgende drie
waarden:
1°. de waarde van het equivalente geluidsniveau over de periode
07.00–19.00 uur (dag);
2°. de met 5 dB(A) verhoogde waarde van het equivalente
geluidsniveau over de periode 19.00–23.00 uur (avond);
3°. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het equivalente
geluidsniveau over de periode 23.00–07.00 uur (nacht);
etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau in dB(A) met
betrekking tot een weg: hoogste van de volgende twee waarden:
1°. de waarde van het equivalente geluidsniveau over de periode
07.00–19.00 uur (dag);
2°. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het equivalente
geluidsniveau over de periode 23.00–07.00 uur (nacht);
geluid: met het menselijk oor waarneembare luchttrillingen;
geluidhinder: gevaar, schade of hinder, als gevolg van geluid;
geluidplafondkaart: kaart met daarop aangegeven de wegen en
spoorwegen, alsmede de geprojecteerde wegen en spoorwegen, waarop titel
11.3 van de Wet milieubeheer en de daarop berustende bepalingen van
toepassing zijn;
geluidsbelasting binnen een woning: geluidsbelasting binnen een
geluidsgevoelige ruimte;
geluidsbelasting in dB(A) vanwege een industrieterrein: etmaalwaarde
van het equivalente geluidsniveau in dB(A) op een bepaalde plaats,
veroorzaakt door de gezamenlijke inrichtingen op een industrieterrein;
geluidsbelasting in dB(A) vanwege een weg: etmaalwaarde van het
equivalente geluidsniveau in dB(A) op een bepaalde plaats, veroorzaakt
door het gezamenlijke wegverkeer op een bepaald weggedeelte of een
combinatie van weggedeelten;
geluidsbelasting in dB: op een geheel getal af te ronden
geluidsbelasting in Lden op een plaats en vanwege een bron over alle
perioden van 07.00–19.00 uur, van 19.00–23.00 uur en van 23.00–07.00
uur van een jaar als omschreven in bijlage I, onderdeel 1, van richtlijn
nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van
omgevingslawaai (PbEG L 189);
geluidsbelasting Lnight: geluidsbelasting op een plaats en vanwege
een bron over alle perioden van 23.00–07.00 uur van een jaar als
omschreven in bijlage I, onderdeel 2, van richtlijn nr. 2002/49/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002
inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PbEG L 189);
geluidsgevoelige ruimte: ruimte binnen een woning voor zover die
kennelijk als slaap-, woon-, of eetkamer wordt gebruikt of voor een
zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van ten minste 11 m2;
geluidsgevoelig terrein: bij algemene maatregel van bestuur als
zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming daarvan bijzondere
bescherming tegen geluid behoeft, waarbij wat betreft de bestemming
wordt uitgegaan van het gebruik dat is toegestaan op grond van het
bestemmingsplan, de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van de
Wet ruimtelijke ordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12,
eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het
bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de
omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van
laatstgenoemde wet;
geluidsniveau in dB(A): gemeten of berekende geluidsniveau,
uitgedrukt in dB(A) overeenkomstig de door de Internationale
Electrotechnische Commissie terzake opgestelde regels;
geluidsvermogen: hoeveelheid geluidsenergie die door een toestel of
inrichting per tijdseenheid naar de omgevende lucht kan worden
uitgestraald;
geprojecteerde weg: nog niet in aanleg zijnde weg, in de aanleg
waarvan door een geldend bestemmingsplan wordt voorzien;
geprojecteerde woning of gebouw: nog niet aanwezige woning of nog
niet aanwezig gebouw, waarvoor het geldende bestemmingsplan verlening
van de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht toelaat, maar deze nog niet is afgegeven;
gevel: bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw
scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak;
hoofdspoorweg: krachtens artikel 2 van de Spoorwegwet aangewezen
hoofdspoorweg, niet zijnde een spoorwegemplacement;
hoofdweg: een weg waarvoor een verbinding is aangegeven op een kaart
van indicatieve en limitatieve hoofdwegverbindingen, die behoort tot een
structuurvisie als bedoeld in artikel 2.3 van de Wet ruimtelijke
ordening;
industrieterrein: terrein waaraan in hoofdzaak een bestemming is
gegeven voor de vestiging van inrichtingen en waarvan de bestemming voor
het gehele terrein of een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van
vestiging van inrichtingen, behorende tot een bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen categorie van inrichtingen, die in belangrijke
mate geluidhinder kunnen veroorzaken;
inrichting: inrichting als aangewezen krachtens artikel 1.1, derde
lid, van de Wet milieubeheer;
inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaar;
internationaal racecircuit: TT-Circuit Assen, Circuit Park Zandvoort
of een ander bij ministeriële regeling aan te wijzen verhard circuit
voor het houden van grootschalige internationale wedstrijden voor
gemotoriseerde voertuigen;
motorvoertuig: motorvoertuig als bedoeld in het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990;
NEN: door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven
norm;
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
reconstructie van een weg: een of meer wijzigingen op of aan een
aanwezige weg ten gevolge waarvan uit akoestisch onderzoek als bedoeld
in artikel 77, eerste lid, onder a, enartikel 77, derde lid, blijkt dat
de berekende geluidsbelasting vanwege de weg in het toekomstig
maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen ten opzichte van de
geluidsbelasting die op grond vanartikel 100 dan wel het bepaalde
krachtens artikel 100b, aanhef en onder a, als de ten hoogste
toelaatbare geluidsbelasting geldt met 2 dB of meer wordt verhoogd;
rijstrook: strook van de rijbaan van een weg, welke voldoende plaats
biedt aan een enkele rij rijdende motorvoertuigen op meer dan drie
wielen, of, indien door middel van markering een bredere strook als
rijstrook is aangegeven, die strook;
spoorweg: spoorweg als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet;
stedelijk gebied: gebied binnen de bebouwde kom, doch, voor de
toepassing van de hoofdstukken VI en VIIvoor zover het betreft een
autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde
kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg;
toestel: toestel dat bij gebruik anders dan door menselijke energie
geluidhinder kan veroorzaken, een luchtvaartuig daaronder niet begrepen;
tracébesluit: tracébesluit als bedoeld in de Tracéwet;
vaststellen van een bestemmingsplan: vaststellen of herzien van een
bestemmingsplan;
weg: voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande weg of
openstaand pad, met inbegrip van de daarin liggende bruggen of duikers,
alsmede een spoorweg die niet is aangegeven op de kaart, bedoeld in
artikel 106, of de geluidplafondkaart;
wegaanlegger: opdrachtgever tot aanleg of reconstructie van een weg;
weg in aanleg: weg met de aanleg waarvan een begin van uitvoering is
gemaakt;
woning: gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan
op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening, bedoeld in
artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening, of, indien met toepassing
van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is
afgeweken, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid,
van laatstgenoemde wet;
woning of gebouw in aanbouw: nog niet aanwezige woning of nog niet
aanwezig gebouw, waarvoor de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit
als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht is afgegeven.
Artikel 1a [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 1b
1. In afwijking van artikel 1 kan bij algemene maatregel van
bestuur worden bepaald dat bij de bepaling van de geluidsbelasting
vanwege een industrieterrein, vanwege een weg of vanwege een spoorweg,
van de gevel van bij de maatregel aangegeven categorieën van andere
geluidsgevoelige gebouwen, de waarde van de geluidsbelasting over de
periode 19.00–23.00 uur (avond) of de periode 23.00–07.00 uur
(nacht) buiten beschouwing wordt gelaten voor zover genoemde gebouwen
in de betrokken periode niet overeenkomstig hun bestemming worden
gebruikt.
2. In afwijking van artikel 1 wordt in deze wet en de daarop
berustende bepalingen bij de bepaling van de geluidsbelasting in dB(A)
vanwege een industrieterrein buiten beschouwing gelaten:
a. het geluid van windturbines welke duurzame energie opwekken;
b. het geluid vanwege een internationaal racecircuit gedurende
ten hoogste 12 dagen per kalenderjaar.
3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen is de
geluidsbelasting Lnight vanwege een industrieterrein, vanwege een weg
en vanwege een spoorweg, niet van toepassing ten aanzien van de gevel
van bij algemene maatregel van bestuur aangegeven categorieën van
andere geluidsgevoelige gebouwen, voor zover genoemde gebouwen in de
betrokken periode niet overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt.
4. In afwijking van artikel 1 wordt onder een gevel in de zin van
deze wet en de daarop berustende bepalingen niet verstaan:
a. een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen
aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke
geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de
geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35
dB(A), alsmede
b. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering
te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen
aan een geluidsgevoelige ruimte.
5. In afwijking van artikel 1 wordt onder een wijziging op of aan
een weg in deze wet en de daarop berustende bepalingen niet verstaan
een wijziging die slechts bestaat uit:
a. een snelheidsverlaging;
b. de vervanging van een wegdeklaag door een wegdeklaag met
dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking, of
c. een snelheidsverhoging tot ten hoogste de maximumsnelheid,
zoals die gold vóór een tijdelijke snelheidsverlaging die als
maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel
5.12 van de Wet milieubeheer.
6. In het geval van een tijdelijke snelheidsverlaging als bedoeld
in het vijfde lid, onder c, wordt als heersende waarde aangemerkt de
waarde van de geluidsbelasting, zoals die zou zijn zonder de
tijdelijke snelheidsverlaging.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
daarbij aangegeven categorieën van gebouwen niet worden aangemerkt
als woning in de zin van deze wet.
Artikel 1c
1. De bevoegdheid tot afwijking van een milieukwaliteitsnorm op
grond van artikel 2 van de Interimwet stad-en-milieubenadering bestaat
voor de onderhavige wet slechts voor zover het de maximale waarde
betreft die bij of krachtens deze wet als de ten hoogste toelaatbare
geluidsbelasting kan worden vastgesteld.
2. Artikel 5, eerste lid, onder c, van de Interimwet
stad-en-milieubenadering wordt zo toegepast dat per woning, ander
geluidsgevoelig gebouw of geluidsgevoelig terrein de in het eerste lid
bedoelde waarde wordt vastgesteld.
Hoofdstuk II. Toestellen en geluidwerende voorzieningen
§ 1. Toestellen
Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2012]
§ 2. Geluidwerende voorzieningen
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2012]
Hoofdstuk III
Artikel 11 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 12 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 13 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 14 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 15 [Vervallen per 01-03-1993]
Hoofdstuk IV
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 16 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 17 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 18 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 19 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 20 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 21 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 22 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 23 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 24 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 25 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 26 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 27 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 28 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 29 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 30 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 31 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 32 [Vervallen per 01-03-1993]
§ 2. Het wijzigen, intrekken en vervallen van de vergunning
Artikel 33 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 34 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 35 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 36 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 37 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 38 [Vervallen per 01-03-1993]
§ 3. Overige bepalingen
Artikel 39 [Vervallen per 01-03-1993]
Hoofdstuk V. Zones rond industrieterreinen
Afdeling 1. Geluidszones
§ 1. Vaststelling, wijziging en opheffing van geluidszones
Artikel 40
Indien bij de vaststelling van een bestemmingsplan aan gronden een
zodanige bestemming wordt gegeven dat daardoor een industrieterrein
ontstaat, wordt daarbij tevens een rond het betrokken terrein gelegen
zone vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de
waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.
Artikel 41
1. Een krachtens artikel 40 vastgestelde zone kan uitsluitend
worden gewijzigd of opgeheven bij vaststelling of wijziging van een
bestemmingsplan, met dien verstande dat opheffing alleen kan
plaatsvinden wanneer de bestemming van het betrokken terrein zodanig
is gewijzigd dat het geen industrieterrein meer is.
2. Een wijziging van een zone kan er niet toe strekken dat enig
gebied waarbinnen met inachtneming van de al verleende
omgevingsvergunningen voor activiteiten met betrekking tot een
inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht en de daaraan verbonden
voorschriften een hogere geluidsbelasting, vanwege het
industrieterrein, optreedt dan 50 dB(A), ophoudt van de zone deel uit
te maken.
3. Een opgeheven zone bestaat voort zolang zich op het terrein een
of meer inrichtingen bevinden, behorende tot een bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen categorie van inrichtingen die in
belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken.
4. Onverminderd het eerste lid kan de gemeenteraad bij besluit de
begrenzing van een industrieterrein, waarop de vastgestelde zone is
gebaseerd, vastleggen.
Artikel 42
1. Bij het voorbereiden van de vaststelling of wijziging van een
zone, wordt vanwege burgemeester en wethouders een akoestisch
onderzoek ingesteld naar:
a. de geluidsbelasting die door woningen binnen de ontworpen
zone, alsmede door andere geluidsgevoelige gebouwen of door
geluidsgevoelige terreinen, vanwege het industrieterrein ten
hoogste zou kunnen worden ondervonden zonder de invloed van
maatregelen die de geluidsbelasting beperken;
b. de doeltreffendheid van de in aanmerking komende maatregelen
om te voorkomen dat de in de toekomst vanwege het industrieterrein
optredende geluidsbelasting van de onder a bedoelde objecten de
waarden die ingevolge de artikelen 44 en 47, eerste lid, als ten
hoogste toelaatbare worden aangemerkt, te boven zou gaan.
2. Indien wordt overwogen toepassing te geven aan artikel 45, 46 of
47, tweede lid, heeft het akoestisch onderzoek tevens betrekking op de
doeltreffendheid van de maatregelen om te voldoen aan de vast te
stellen hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare
geluidsbelasting.
Artikel 43 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 44
De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege het betrokken
industrieterrein, van de gevel van woningen binnen een krachtensartikel
40 vast te stellen zone is, behoudens artikel 45, 50 dB(A).
Artikel 45
1. Voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting,
bedoeld in artikel 44, kan een hogere dan de in dat artikel genoemde
waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde voor
geprojecteerde woningen 55 dB(A) en voor aanwezige of in aanbouw
zijnde woningen 60 dB(A) niet te boven mag gaan.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, enkel in bij die maatregel aan
te geven gevallen kan worden toegepast.
Artikel 46
1. Bij wijziging van een zone kan de ingevolgeartikel 44 of 45
geldende waarde voor woningen in dat gebied worden gewijzigd.
2. Een verhoging van de in het eerste lid bedoelde waarde mag ten
hoogste 5 dB(A) bedragen, met dien verstande dat:
a. degene ten behoeve van wie de waarde wordt verhoogd heeft
verklaard dat hij uiterlijk gelijktijdig met de verhoging
financiële middelen ter beschikking stelt ten behoeve van de
uitvoering van maatregelen om de geluidsbelasting vanwege het
industrieterrein, van de gevels van woningen die door de wijziging
van de zone dan wel vaststelling van het bestemmingsplan een
hogere geluidsbelasting ondervinden te beperken en te voldoen aan
artikel 111b, eerste lid, onder b, en
b. de waarde van wat ten tijde van de eerste zonevaststelling
geprojecteerde woningen betreft 55 dB(A) en wat ten tijde van de
eerste zonevaststelling aanwezige of in aanbouw zijnde woningen
betreft 60 dB(A) niet te boven mag gaan.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, enkel in bij die maatregel aan
te geven gevallen kan worden toegepast.
Artikel 47
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden waarden vastgesteld
voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege het
industrieterrein, van de gevel van andere geluidsgevoelige gebouwen
alsmede aan de grens van geluidsgevoelige terreinen binnen een zone.
2. Voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting,
bedoeld in het eerste lid, kunnen hogere dan de krachtens het eerste
lid bepaalde waarden worden vastgesteld, met dien verstande dat deze
waarden bij algemene maatregel van bestuur te stellen grenzen niet te
boven mogen gaan.
3. Bij de maatregel, bedoeld in het tweede lid, kan worden bepaald
dat de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, enkel in bij die
maatregel aan te geven gevallen kan worden toegepast.
§ 2. Gevolgen van de zonevaststelling of -wijziging ten aanzien van
bestemmingsplannen
Artikel 48
1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of van een
wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening dat geheel of
gedeeltelijk betrekking heeft op gronden die krachtens die
vaststelling gaan of blijven behoren tot een zone, worden ter zake van
de geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein, van de gevel van
woningen, van andere geluidsgevoelige gebouwen en aan de grens van
geluidsgevoelige terreinen binnen de zone de waarden in acht genomen,
die ingevolgeartikel 44, onderscheidenlijk 47, eerste lid, als de ten
hoogste toelaatbare worden aangemerkt.
2. In afwijking van het eerste lid worden bij de vaststelling van
een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als in
dat lid bedoeld hogere waarden in acht genomen, voor zover:
a. eerder bij of krachtens artikel 45, 46, 47, tweede lid, de
Experimentenwet Stad en Milieu of de Interimwet
stad-en-milieubenadering voor de vaststelling van het
bestemmingsplan of het wijzigings- of uitwerkingsplan zodanige
waarden zijn vastgesteld;
b. zodanige waarden noodzakelijk zijn als gevolg van een
vaststelling van het plan in afwijking van het ontwerp, zoals dit
ter inzage heeft gelegen, welke waarden door gedeputeerde staten
redelijkerwijs met toepassing van de artikelen 45,46 of 47, tweede
lid, zullen worden vastgesteld.
3. Deartikelen 42 en 43 zijn van overeenkomstige toepassing in
geval van vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings-
of uitwerkingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op
gronden, reeds behorende tot een krachtens artikel 40 vastgestelde
zone.
Artikel 49
Bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning waarbij
met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt
afgeweken, die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden die
behoren tot een zone, worden ter zake van de geluidsbelasting, vanwege
het industrieterrein, van de gevel van woningen, van andere
geluidsgevoelige gebouwen en aan de grens van geluidsgevoelige terreinen
binnen de zone de waarden in acht genomen, die bij of krachtens de
artikelen 44 tot en met 47, de Experimentenwet Stad en Milieu alsmede de
Interimwet stad-en-milieubenadering als de ten hoogste toelaatbare
worden aangemerkt.
§ 3. Handelingen binnen geluidszones
Artikel 50
Met betrekking tot nieuw te bouwen woningen in een gebied gelegen
binnen een zone van een industrieterrein met activiteiten die
zeehavengebonden zijn en die noodzakelijkerwijs in de openlucht
plaatsvinden, kan in afwijking van artikel 48 voor woningen waarvan de
geluidsbelasting in hoofdzaak wordt bepaald door die activiteiten, een
waarde worden vastgesteld van ten hoogste 60 dB(A), indien deze woningen
worden gebouwd in het kader van een herstructurering, of planmatige
verdichting van een bestaand woongebied, of wanneer de woningen worden
gebouwd aansluitend aan het bestaande woongebied en slechts sprake is
van een beperkte uitbreiding van het bestaande woongebied.
Artikel 51
Met betrekking tot nieuw te bouwen woningen, die dienen ter
vervanging van bestaande woningen of van andere geluidsgevoelige
gebouwen waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 47, eerste lid, kan
in afwijking vanartikel 48 een waarde worden vastgesteld van ten hoogste
65 dB(A), met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot:
a. een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige
functie of structuur;
b. een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij
toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogste 100 woningen.
Afdeling 2. Bestaande geluidszones
§ 1. Begrippen
Artikel 52
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder: bestaande zone: een zone rond een op 1 januari 2007 bestaand
industrieterrein.
§ 2. Continueren, wijzigen en opheffen van bestaande geluidszones
Artikel 53
1. Buiten een bestaande zone mag de geluidbelasting vanwege het
industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven gaan.
2. De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare
geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en
geluidsgevoelige terreinen blijven gelden.
Artikel 54
Deartikelen 41 tot en met 43 en 47 zijn van overeenkomstige
toepassing op het wijzigen of opheffen van een bestaande zone.
Artikel 55
1. Bij wijziging van een bestaande zone of bij vaststelling van een
bestemmingsplan voor gronden die krachtens die vaststelling deel
blijven uitmaken van de bestaande zone kan met betrekking tot de
woningen in dat gebied, de waarde van de op grond van artikel 53,
tweede lid, geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting worden
gewijzigd.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
bevoegdheid, bedoeld in het eerste en vierde lid, enkel in bij die
maatregel aan te geven gevallen kan worden toegepast.
3. Een verhoging van de in het eerste lid bedoelde waarde mag ten
hoogste 5 dB(A) bedragen, met dien verstande dat:
a. degene ten behoeve van wie de waarde wordt verhoogd heeft
verklaard dat hij uiterlijk gelijktijdig met de verhoging
financiële middelen ter beschikking stelt ten behoeve van de
uitvoering van maatregelen om de geluidsbelasting vanwege het
industrieterrein, van de gevels van woningen die door de wijziging
van de bestaande zone dan wel vaststelling van het bestemmingsplan
een hogere geluidsbelasting ondervinden te beperken en te voldoen
aan artikel 111b, eerste lid, onder a of b, en
b. de waarde wat ten tijde van de eerste zonevaststelling
geprojecteerde woningen betreft 55 dB(A) en wat ten tijde van de
eerste zonevaststelling aanwezige of in aanbouw zijnde woningen
betreft 60 dB(A) niet te boven mag gaan.
4. Bij wijziging van een bestaande zone, bij vaststelling van een
bestemmingsplan voor gronden die krachtens die vaststelling deel gaan
uitmaken van de bestaande zone, kan met betrekking tot geprojecteerde,
aanwezige of in aanbouw zijnde woningen in dat gebied, een hogere
waarde dan 50 dB(A) worden vastgesteld, met dien verstande dat deze
waarde voor geprojecteerde woningen de waarde 55 dB(A) en voor wat
aanwezige of in aanbouw zijnde woningen betreft 60 dB(A) niet te boven
mag gaan.
Artikel 56
1. Bij wijziging van een bestaande zone of bij vaststelling van een
bestemmingplan, geldende voor tot de zone behorende gronden, kan met
betrekking tot andere geluidsgevoelige gebouwen alsmede
geluidsgevoelige terreinen in dat gebied, de waarde van de op grond
van artikel 53, tweede lid, geldende ten hoogste toelaatbare
geluidsbelasting worden gewijzigd.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, enkel in bij die maatregel aan
te geven gevallen kan worden toegepast.
3. Een verhoging van de in het eerste lid bedoelde waarde mag ten
hoogste 5 dB(A) bedragen, met dien verstande dat:
a. degene ten behoeve van wie de waarde wordt verhoogd heeft
verklaard dat hij uiterlijk gelijktijdig met de verhoging
financiële middelen ter beschikking stelt ten behoeve van de
uitvoering van maatregelen als bedoeld in artikel 113, met
betrekking tot de andere geluidsgevoelige gebouwen of
geluidsgevoelige terreinen die door de wijziging van de bestaande
zone of vaststelling van het bestemmingsplan een hogere
geluidsbelasting ondervinden, en
b. de waarde wat ten tijde van de eerste zonevaststelling
geprojecteerde andere geluidsgevoelige gebouwen of
geluidsgevoelige terrein betreft 55 dB(A) en wat ten tijde van de
eerste zonevaststelling aanwezig of in aanbouw zijnde andere
geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen betreft 60
dB(A) niet te boven mag gaan.
§ 3. Gevolgen van de zonevaststelling of wijziging ten aanzien van
bestemmingsplannen
Artikel 57
1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of van een
wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening dat geheel of
gedeeltelijk betrekking heeft op gronden die krachtens die
vaststelling gaan of blijven behoren tot een bestaande zone worden ter
zake van de geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein
a. van de gevel van woningen, binnen de bestaande zone de
waarden in acht genomen die op het tijdstip van de vaststelling
van de bestaande zone golden. Voor ten tijde van de vaststelling
van de bestaande zone binnen de zone aanwezige, in aanbouw of
geprojecteerde woningen is dit de waarde 55 dB(A), tenzij op dat
tijdstip de geluidsbelasting van bedoelde woningen lager of gelijk
was aan 50 dB(A), in welke geval de ten hoogste toelaatbare
geluidsbelasting 50 dB(A) is. De vorige volzin geldt niet met
betrekking tot ten tijde van de vaststelling van de bestaande zone
binnen de zone aanwezige of in aanbouw zijnde woningen die op het
bedoelde tijdstip reeds een hogere geluidsbelasting, vanwege het
industrieterrein, ondervinden dan 55 dB(A).
b. van de gevel van andere geluidsgevoelige gebouwen en aan de
grens van geluidsgevoelige terreinen binnen de zone de waarden in
acht genomen die op het tijdstip van de vaststelling van de
bestaande zone bij algemene maatregel van bestuur als de ten
hoogste toelaatbare geluidsbelasting werden aangemerkt.
2. In afwijking van het eerste lid worden bij de vaststelling van
een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als in
dat lid bedoeld hogere waarden in acht genomen, voor zover:
a. deze gelden of zijn vastgesteld;
b. zodanige waarden noodzakelijk zijn als gevolg van een
vaststelling van het plan in afwijking van het ontwerp, zoals dit
ter inzage heeft gelegen, welke waarden door gedeputeerde staten
redelijkerwijs met toepassing van artikel 55, eerste en tweede
lid, zullen worden vastgesteld.
3. Deartikelen 42 en 43 zijn van overeenkomstige toepassing in
geval van vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings-
of uitwerkingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op
gronden, reeds behorende tot een bestaande zone.
Artikel 58
Bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning waarbij
met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt
afgeweken, die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden die
behoren tot een bestaande zone, worden ter zake van de geluidsbelasting,
vanwege het industrieterrein, van de gevel van woningen, van andere
geluidsgevoelige gebouwen en aan de grens van geluidsgevoelige terreinen
binnen de zone, de waarden in acht genomen, die op het tijdstip van de
vaststelling van de bestaande zone als de ten hoogste toelaatbare werden
aangemerkt.
§ 4. Handelingen binnen geluidszones
Artikel 59
1. Met betrekking tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting,
vanwege een industrieterrein, van de gevel van binnen de zone nieuw te
bouwen en nog niet geprojecteerde woningen, zijn de artikelen 44 en 45
van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de vast te
stellen waarde 55 dB(A) niet te boven mag gaan.
2. Met betrekking tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting
vanwege een industrieterrein, van de gevel van binnen de zone nieuw te
bouwen andere geluidsgevoelige gebouwen en aan de grens van binnen de
zone nieuw aan te leggen geluidsgevoelige terreinen, is artikel 47 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 60
Bij toepassing van artikel 59 met betrekking tot nieuw te bouwen
woningen in een gebied gelegen binnen een bestaande zone van een
industrieterrein met activiteiten die zeehavengebonden zijn en die
noodzakelijkerwijs in de open lucht plaatsvinden, kan voor woningen
waarvan de geluidsbelasting in hoofdzaak wordt bepaald door die
activiteiten, een waarde worden vastgesteld van ten hoogste 60 dB(A),
indien deze woningen worden gebouwd in het kader van een
herstructurering, of planmatige verdichting van een bestaand woongebied,
of wanneer de woningen worden gebouwd aansluitend aan het bestaande
woongebied en slechts sprake is van een beperkte uitbreiding van het
bestaande woongebied.
Artikel 61
Bij toepassing van artikel 59 met betrekking tot nieuw te bouwen
woningen, die dienen ter vervanging van bestaande woningen of van andere
geluidsgevoelige gebouwen waarvoor een hogere waarde dan de ten hoogste
toelaatbare waarde is vastgesteld, kan een waarde worden vastgesteld van
ten hoogste 65 dB(A), met dien verstande dat de vervanging niet zal
leiden tot:
a. een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige
functie of structuur;
b. een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij
toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogste 100 woningen.
§ 5. Sanering
Artikel 62
1. Gedeputeerde staten stellen uitsluitend ten aanzien van de
woningen die op grond van artikel 62, eerste lid, zoals dat luidde
voor 1 januari 2007 aan gedeputeerde staten zijn gemeld, met
inachtneming van de regels, gegeven krachtens het tweede lid, en gelet
op de maatregelen, in verband met andere woningen binnen de zone
voortvloeiend uit de zonevaststelling, bedoeld in afdeling 2, §§ 2
en 3, van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder zoals deze luidden op 1
januari 2007, een programma op van maatregelen die naar hun oordeel in
aanmerking komen om de geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein,
van de gevels van de in het eerste lid bedoelde woningen te beperken
tot 55 dB(A) en te voldoen aan artikel 111b, eerste lid, onder a. Bij
algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat tevens één of
meer overeenkomstige programma's dienen te worden opgesteld, gericht
op een beperking van de geluidsbelasting van de gevels van de bedoelde
woningen tot bij de maatregel aangegeven hogere waarden.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven omtrent
de aard van de maatregelen die in aanmerking komen en omstandigheden
waaronder dit het geval is, alsmede met betrekking tot de opzet van
een programma als bedoeld in het tweede lid en het tijdstip van
uitvoering daarvan. Hierbij kan tevens worden aangegeven dat
gedeputeerde staten in aangegeven categorieën van gevallen bij het
opstellen van een programma kunnen uitgaan van een geluidsbelasting
die het gevolg is van te verwachten ontwikkelingen.
Artikel 63
1. Gedeputeerde staten leggen het ingevolgeartikel 62, eerste lid,
opgestelde programma van maatregelen onverwijld voor aan Onze
Minister.
2. Onze Minister stelt voor de woningen waarop het programma
betrekking heeft, binnen zes maanden na ontvangst daarvan de ten
hoogste toelaatbare waarde van de geluidsbelasting, vanwege het
industrieterrein, van de gevel vast, met dien verstande dat deze
waarde de 65 dB(A) niet te boven mag gaan. De gelding van deze waarde
kan aan voorwaarden worden gebonden.
3. Onze Minister doet van zijn besluit mededeling aan gedeputeerde
staten en aan burgemeester en wethouders. Gelijktijdig met deze
mededeling deelt hij ten aanzien van elk der gevallen waarop het
besluit betrekking heeft en die naar zijn aanvankelijk oordeel voor
toepassing van het vierde lid in aanmerking komen, aan gedeputeerde
staten en aan burgemeester en wethouders mede in hoeverre en op welke
termijn hij overweegt aan dat lid ter zake toepassing te geven.
4. Onze Minister stelt ten aanzien van elk der daarvoor in
aanmerking komende gevallen maatregelen vast die strekken tot het
terugbrengen van de geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein,
van de gevels van de betrokken woningen tot de bij het besluit,
bedoeld in het tweede lid, vastgestelde waarde. Deze maatregelen
strekken tevens, afhankelijk van de hoogte van deze waarde, tot het
terugbrengen van de geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein,
binnen de woning. Op de door Onze Minister vastgestelde maatregelen
zijn artikel 125 en artikel 15.20, eerste lid, onder b, van de Wet
milieubeheer van toepassing. Hij doet van zijn besluit, houdende de
vaststelling van maatregelen, mededeling aan gedeputeerde staten en
aan burgemeester en wethouders.
Artikel 64
Met betrekking tot andere geluidsgevoelige gebouwen en
geluidsgevoelige terreinen worden bij algemene maatregel van bestuur
omtrent de onderwerpen die met betrekking tot woningen geregeld zijn in
deartikelen 62 en 63 regels gesteld. Daarbij kunnen bepalingen van die
artikelen van overeenkomstige toepassing worden verklaard.
Afdeling 3. Overige voorschriften
Artikel 65
Bij de toepassing van artikel 2.14, eerste lid, onder c, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht kan het bevoegd gezag, in afwijking
van de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50,51, 53 tot en met 56, 59 tot
en met 61, 63, tweede lid, of 64 de in die artikelen bedoelde waarden 2
dB(A) hoger vaststellen, indien:
a. op een of meer plaatsen binnen de zone of op de zonegrens de
geluidsbelasting gelijk is aan de ten hoogste toegestane
geluidsbelasting;
b. voorzover van toepassing, de beschikbaarheid van grond voor de
vestiging of wijziging van een inrichting, dit mogelijk maakt;
c. de geluidsbelasting in belangrijke mate wordt bepaald door
inrichtingen waartoe artikel 8.40 van de Wet milieubeheer is
toegepast, en
d. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de geluidsbelasting
binnen een afzienbare termijn teruggebracht zal worden op het niveau
van de eerder geldende waarden.
Artikel 66
Onverminderd artikel 65 kan het bevoegd gezag bij de toepassing van
artikel 2.14, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht besluiten tot afwijking van de artikelen 40, 44 tot en
met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, of
64. De artikelen 2, 4, eerste lid, onder c, en derde lid, 5 tot en met 8
en 11 tot en met 19 van de Interimwet stad-en-milieubenadering zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 67
1. Indien de geluidbelasting buiten een bestaande zone vanwege een
industrieterrein de waarde van 50 dB(A) overschrijdt of op een of meer
plaatsen binnen de zone of op de zonegrens de geluidsbelasting hoger
is dan de ten hoogste toegestane geluidsbelasting, stellen
burgemeester en wethouders voor het betreffende industrieterrein een
geluidreductieplan vast.
2. Een geluidreductieplan bevat ten minste een beschrijving van:
a. het te voeren beleid om de geluidbelasting binnen en buiten
de bestaande zone te beperken;
b. de voorgenomen in de eerstvolgende vijf jaar te treffen
maatregelen om de geluidbelasting binnen die periode voor het hele
industrieterrein te verminderen tot beneden de bedoelde
grenswaarden;
c. de wijze waarop de vermindering van de geluidsbelasting van
het betreffende industrieterrein zal worden gerealiseerd indien de
geluidsbelasting binnen de onder b genoemde periode niet is
verminderd tot beneden de grenswaarden.
3. Een geluidreductieplan wordt voorbereid met overeenkomstige
toepassing van de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
geregelde procedure, met dien verstande dat in afwijking van artikel
3:15 van de Algemene wet bestuursrecht, een ieder zienswijzen naar
voren kan brengen.
4. Burgemeester en wethouders stellen een geluidreductieplan niet
vast dan nadat de gemeenteraad een ontwerp van het geluidreductieplan
is toegezonden en deze in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en
zienswijze ter kennis van burgemeester en wethouders te brengen.
Hoofdstuk VI. Zones langs wegen
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 68 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 69 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 69a [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 70 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 71 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 72 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 73
Dit hoofdstuk is van toepassing op:
a. de aanleg en reconstructie van wegen die niet zijn aangegeven
op de geluidplafondkaart;
b. de sanering van de op grond van artikel 88, eerste lid, zoals
dat luidde voor 1 januari 2007, aan Onze Minister gemelde aanwezige
woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige
terreinen, voor zover die niet zijn gemeld vanwege de ondervonden
geluidsbelasting van wegen die zijn aangegeven op de
geluidplafondkaart;
c. de projectie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en
geluidsgevoelige terreinen binnen de zones van wegen, bedoeld in
artikel 74.
Artikel 74
1. Een weg heeft een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de weg
tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg:
a. in stedelijk gebied:
1°. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of
een of twee sporen: 200 meter;
2°. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken of
drie of meer sporen: 350 meter;
b. in buitenstedelijk gebied:
1°. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of
een of twee sporen: 250 meter;
2°. voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken of
drie of meer sporen: 400 meter;
3°. voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken:
600 meter.
2. Het eerste lid geldt niet met betrekking tot een weg:
a. die gelegen is binnen een als woonerf aangeduid gebied, of
b. waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt.
3. Voor de toepassing van artikel 76 wordt, indien het een nog aan
te leggen weg als bedoeld in het eerste of derde lid van dat artikel
betreft, de daarbij behorende zone geacht aanwezig te zijn, zodra die
weg in een ontwerp-bestemmingsplan is opgenomen.
4. De ruimte boven en onder de weg behoort tot de zone.
Artikel 75
1. De afstanden, genoemd in artikel 74, eerste lid, worden aan
weerszijden van de weg gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de
buitenste rijstrook of het buitenste spoor.
2. Indien zich langs een weg een zone bevindt die bestaat uit delen
met een onderling verschillende breedte, geldt voor de aansluiting van
de verschillende zonedelen dat het breedste zonedeel over een afstand
gelijk aan een derde van de breedte van dat zonedeel, gemeten vanaf
het punt van versmalling van de zonebreedte, nog langs de wegas
doorloopt en met een loodlijn aansluit op de smalste zone.
3. Aan de uiteinden van een weg loopt de zone door over een afstand
gelijk aan de breedte van de zone ter hoogte van het einde van de weg.
De zone loopt door langs een lijn die is gelegen in het verlengde van
de wegas. Zij behoudt de breedte die zij had ter hoogte van het einde
van de weg.
Afdeling 2. Maatregelen met betrekking tot nieuwe situaties in zones
§ 1. Bestemmingsplan
Artikel 76
1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of van een
wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening dat geheel of
gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als
bedoeld in artikel 74, worden ter zake van de geluidsbelasting,
vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen, van
andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen
binnen die zone de waarden in acht genomen, die ingevolge artikel 82
en 100 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.
2. In afwijking van het eerste lid worden bij de vaststelling van
een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als in
dat lid bedoeld hogere waarden in acht genomen, voor zover:
a. met toepassing van artikel 83, 85 of 100a voor de
vaststelling van het bestemmingsplan of het wijzigings- of
uitwerkingsplan zodanige waarden zijn vastgesteld, dan wel
b. zodanige waarden noodzakelijk zijn als gevolg van een
vaststelling van het plan in afwijking van het ontwerp, zoals dit
ter inzage heeft gelegen, welke waarden redelijkerwijs met
toepassing van artikel 83, 85 of 100a, zullen worden vastgesteld.
3. Indien op het tijdstip van de vaststelling van een
bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan een weg
reeds aanwezig of in aanleg is, gelden het eerste en tweede lid niet
met betrekking tot de daarbij in het plan of in de zone van de
betreffende weg opgenomen woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen
en geluidsgevoelige terreinen, die op dat tijdstip reeds aanwezig of
in aanbouw zijn.
Artikel 76a
Bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning waarbij
met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt
afgeweken, die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden,
behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, worden ter zake van de
geluidsbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel
van woningen, van andere geluidsgevoelige gebouwen of aan de grens van
geluidsgevoelige terreinen binnen die zone de waarden in acht genomen,
die ingevolge de artikelen 82, 83, 85, 100 en 100a als de ten hoogste
toelaatbare worden aangemerkt.
Artikel 77
1. Bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan
of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6,
eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening dat geheel
of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone
als bedoeld in artikel 74, of bij het voorbereiden van een
omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 76a, wordt vanwege
burgemeester en wethouders een akoestisch onderzoek ingesteld naar:
a. de geluidsbelasting die door woningen binnen de zone,
alsmede door andere geluidsgevoelige gebouwen of door
geluidsgevoelige terreinen, vanwege de weg zou worden ondervonden
zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting
beperken;
b. de doeltreffendheid van de in aanmerking komende
verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat de
in de toekomst vanwege de weg optredende geluidsbelasting van de
onder a bedoelde objecten de waarden die ingevolge artikel 82 of
artikel 100 als ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt, te
boven zou gaan.
2. Indien wordt overwogen toepassing te geven aanartikel 83, 85 of
100a heeft het akoestisch onderzoek tevens betrekking op de
doeltreffendheid van de maatregelen om te voldoen aan de vast te
stellen hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare
geluidsbelasting.
3. Indien de vaststelling van het bestemmingsplan of van het
wijzigings- of uitwerkingsplan of het besluit tot vrijstelling als
bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op de reconstructie van een
weg, wordt tevens akoestisch onderzoek ingesteld naar de heersende
waarde.
Artikel 78 [Vervallen per 25-02-2005]
§ 2. Aanleg van een weg buiten toepassing van de
bestemmingsplanprocedure
Artikel 79
Tot aanleg van een weg anders dan op grondslag van een overeenkomstig
de artikelen 76 en 77 vastgesteld of herzien bestemmingsplan wordt,
indien binnen de aanwezige of toekomstige zone woningen, dan wel andere
geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen aanwezig, in
aanbouw of geprojecteerd zijn, niet overgegaan dan in overeenstemming
met een besluit van burgemeester en wethouders, krachtens artikel 81
genomen naar aanleiding van een door de wegaanlegger aan burgemeester en
wethouders gedane mededeling van zijn voornemen en na een overeenkomstig
artikel 80 ingesteld onderzoek.
Artikel 80
1. Vanwege de wegaanlegger wordt binnen de zone een akoestisch
onderzoek van de in artikel 77 omschreven strekking ingesteld.
2. De resultaten van het ingestelde onderzoek worden door de
wegaanlegger aan burgemeester en wethouders overgelegd te zamen met
een beschrijving van de maatregelen die naar zijn oordeel nodig zijn
voor het in artikel 81, eerste lid, omschreven doel.
Artikel 81
1. Binnen drie maanden nadat de resultaten van het in artikel 80
bedoelde onderzoek zijn verkregen, nemen burgemeester en wethouders
een besluit, bepalende welke maatregelen nodig zijn om te voorkomen
dat de geluidsbelasting die de weg na zijn aanleg binnen de zone zal
veroorzaken, de waarden die ingevolge de artikelen 82, 83 en 85 als de
ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt, te boven zou gaan.
2. Van het besluit wordt mededeling gedaan aan de wegaanlegger.
§ 3. Ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones
Artikel 82
1. Behoudens het in de artikelen 83, 100 en100a bepaalde is de voor
woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van
de gevel, vanwege de weg, 48 dB.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden waarden vastgesteld
voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een weg, van
de gevel van andere geluidsgevoelige gebouwen, alsmede aan de grens
van geluidsgevoelige terreinen binnen een zone.
Artikel 82a [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 83
1. Voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als
bedoeld in artikel 82, eerste lid, kan een hogere dan de in dat
artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat
deze waarde, buiten de in de volgende leden bedoelde gevallen, voor
woningen in buitenstedelijk gebied 53 dB en voor woningen in stedelijk
gebied 58 dB niet te boven mag gaan.
2. Bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot in
stedelijk gebied nog te bouwen woningen die nog niet zijn
geprojecteerd, kan voor de aanwezige of te verwachten geluidsbelasting
vanwege een aanwezige weg een hogere dan de in dat lid genoemde waarde
worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 63 dB niet te
boven mag gaan.
3. Bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot woningen
die reeds aanwezig of in aanbouw zijn, kan voor de toekomstige
geluidsbelasting vanwege een weg die nog niet geprojecteerd is:
a. voor zover het woningen in stedelijk gebied betreft, een
hogere dan de in dat lid genoemde waarde worden vastgesteld, met
dien verstande dat deze waarde 63 dB niet te boven mag gaan;
b. voor zover het woningen in buitenstedelijk gebied betreft,
een hogere dan de in dat lid genoemde waarde worden vastgesteld,
met dien verstande dat deze waarde 58 dB niet te boven mag gaan.
4. Bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot in
buitenstedelijk gebied nog te bouwen woningen die nog niet zijn
geprojecteerd en die ter plaatse noodzakelijk zijn vanwege de
uitoefening van een agrarisch bedrijf, kan een hogere waarde worden
vastgesteld die de waarde van 58 dB niet te boven mag gaan.
5. Bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot in het
stedelijk gebied nog te bouwen woningen die nog niet zijn
geprojecteerd en die dienen ter vervanging van bestaande woningen of
andere geluidsgevoelige gebouwen, kan voor de te verwachten
geluidsbelasting vanwege een aanwezige weg een waarde van ten hoogste
68 dB worden vastgesteld, met dien verstande dat de vervanging niet
zal leiden tot:
a. een ingrijpende wijziging van de bestaande stedebouwkundige
functie of structuur;
b. een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij
toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogste 100 woningen.
6. Bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot binnen de
bebouwde kom nog te bouwen woningen binnen de zone langs een autoweg
of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990, die nog niet zijn geprojecteerd en die dienen ter
vervanging van bestaande woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen,
kan voor de te verwachten geluidsbelasting vanwege een aanwezige weg
een waarde van ten hoogste 63 dB worden vastgesteld, met dien
verstande dat de vervanging niet zal leiden tot:
a. een ingrijpende wijziging van de bestaande stedebouwkundige
functie of structuur;
b. een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij
toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogste 100 woningen.
7. Bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot buiten de
bebouwde kom nog te bouwen woningen die nog niet zijn geprojecteerd en
die dienen ter vervanging van bestaande woningen of andere
geluidsgevoelige gebouwen, kan voor de te verwachten geluidsbelasting
vanwege een aanwezige weg een waarde van ten hoogste 58 dB worden
vastgesteld, met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot:
a. een ingrijpende wijziging van de bestaande stedebouwkundige
functie of structuur;
b. een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij
toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogste 100 woningen.
8. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, enkel in bij die maatregel aan
te geven gevallen kan worden toegepast.
Artikel 84 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 85
1. Voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als
bedoeld in artikel 82, tweede lid, kunnen hogere dan de krachtens dat
lid bepaalde waarden worden vastgesteld, met dien verstande dat deze
waarden bij algemene maatregel van bestuur te stellen grenzen niet te
boven mogen gaan.
2. Bij de maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald
dat de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, enkel in bij die
maatregel aan te geven gevallen kan worden toegepast.
Artikel 86 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 87 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 87a [Vervallen per 25-02-2005]
Afdeling 2A [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 87b [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 87c [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 87d [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 87e [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 87f [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 87g [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 87h [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 87i [Vervallen per 01-07-2012]
Afdeling 3. Bestaande situaties
Artikel 87j
1. Afdeling 1 van hoofdstuk VIIIA is niet van toepassing op deze
afdeling.
2. Op de voorbereiding van een saneringsprogramma is afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 88 [Vervallen per 24-02-2010]
Artikel 89
1. Burgemeester en wethouders of indien toepassing wordt gegeven
aan artikel 98 burgemeester en wethouders of de wegaanlegger stellen
uitsluitend ten aanzien van de woningen die op grond van artikel 88,
eerste lid, zoals dat luidde voor 1 januari 2007 aan Onze Minister
zijn gemeld, met inachtneming van de regels, gegeven krachtens het
tweede lid, een programma op van maatregelen die naar hun oordeel in
aanmerking komen om de geluidsbelasting, vanwege de weg, van de gevels
van de op grond van artikel 88, zoals dat luidde voor 1 januari 2007
gemelde woningen zoveel mogelijk te beperken tot 48 dB en om zo nodig
te voldoen aan artikel 111b, tweede lid.
2. Met betrekking tot gevallen als bedoeld in het eerste lid worden
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gegeven omtrent
de aard van de maatregelen die in aanmerking komen, en de
omstandigheden waaronder dit het geval is, alsmede omtrent de opzet en
het tijdstip van vaststelling van een programma.
Artikel 90
1. Burgemeester en wethouders of indien toepassing wordt gegeven
aan artikel 98 burgemeester en wethouders of de wegaanlegger leggen
het ingevolge artikel 89, eerste lid, vastgestelde programma van
maatregelen onverwijld voor aan Onze Minister.
2. Behoudens het derde lid stelt Onze Minister na ontvangst van
zodanig programma voor de woningen waarop het betrekking heeft, als de
ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidsbelasting, vanwege de
weg, van de gevels een waarde van 48 dB vast. Onze Minister doet van
zijn besluit mededeling aan burgemeester en wethouders en de
wegbeheerder.
3. In bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en
volgens daarbij te stellen regels kan bij een besluit als bedoeld in
het tweede lid voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting een
hogere dan de in dat lid genoemde waarde worden vastgesteld, met dien
verstande dat deze waarde 68 dB niet te boven mag gaan.
4. In afwijking van het derde lid kan in bij algemene maatregel van
bestuur aan te geven gevallen en volgens daarbij te stellen regels
voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting een hogere dan de in
dat lid genoemde waarde worden vastgesteld.
5. Onze Minister stelt ten aanzien van elk van de daarvoor in
aanmerking komende gevallen maatregelen vast die strekken tot het
terugbrengen van de geluidsbelasting, vanwege de weg, van de gevels
van de betrokken woningen tot de bij het besluit, bedoeld in het
tweede lid, vastgestelde waarde. Deze maatregelen strekken tevens,
afhankelijk van de hoogte van deze waarde, tot het terugbrengen van de
geluidsbelasting, vanwege de weg, binnen de woning. Op de door Onze
Minister vastgestelde maatregelen is hoofdstuk X van toepassing. Hij
doet van zijn besluit, houdende vaststelling van maatregelen,
mededeling aan burgemeester en wethouders en aan de wegbeheerder of
wegaanlegger.
Artikel 91 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 92 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 93 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 94 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 95 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 96 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 97 [Vervallen per 01-03-1993]
Afdeling 4. Reconstructies
§ 1. Besluit tot reconstructie
Artikel 98
1. Ten behoeve van een reconstructie van een weg met betrekking
waartoe ingevolge artikel 88, zoals dat luidde voor 1 januari 2007 aan
Onze Minister uiterlijk twee jaar na 1 januari 2007 melding is gedaan
of is gedaan, is deze afdeling niet van toepassing en geeft Onze
Minister toepassing aan artikel 90, tweede tot en met vijfde lid.
2. In afwijking van het eerste lid, indien toepassing wordt gegeven
aan artikel 104a, eerste lid:
a. zijn de artikelen 89 en 90, eerste lid, niet van toepassing,
en
b. worden in afwijking van artikel 90, tweede en vijfde lid, de
in die leden bedoelde maatregelen en ten hoogste toelaatbare
waarden vastgesteld als onderdeel van een tracébesluit, en blijft
in het tweede lid de zinsnede «na ontvangst van zodanig
programma» buiten toepassing.
3. In afwijking van het eerste lid, indien toepassing wordt gegeven
aan artikel 104a, tweede of derde lid:
a. zijn de artikelen 89 en 90, eerste lid, niet van toepassing,
en
b. worden in afwijking van artikel 90, tweede en vijfde lid, de
in die leden bedoelde maatregelen en ten hoogste toelaatbare
waarden vastgesteld als onderdeel van een wegaanpassingsbesluit
als bedoeld in artikel 5 van de Spoedwet wegverbreding, of
geluidplan als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de Spoedwet
wegverbreding, en blijft in het tweede lid de zinsnede «na
ontvangst van zodanig programma» buiten toepassing.
Artikel 99
1. Tot reconstructie van een weg wordt, indien binnen de aanwezige
of toekomstige zone van die weg woningen, andere geluidsgevoelige
gebouwen of geluidsgevoelige terreinen aanwezig, in aanbouw of
geprojecteerd zijn, niet overgegaan dan in overeenstemming met een
bestemmingsplan of een besluit tot vrijstelling als bedoeld in artikel
19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de reconstructie
voorziet dan wel met een besluit van burgemeester en wethouders, met
overeenkomstige toepassing van artikel 81 genomen naar aanleiding van
een door de wegbeheerder aan burgemeester en wethouders gedane
mededeling van zijn voornemen en na een met overeenkomstige toepassing
van artikel 80 ingesteld onderzoek.
2. Indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de reconstructie
van een weg zal leiden tot een toename van de geluidsbelasting van 2
dB of meer vanwege andere wegen dan de te reconstrueren weg of – als
een weg gedeeltelijk wordt gereconstrueerd – vanwege de niet te
reconstrueren gedeelten daarvan, heeft het in het eerste lid bedoelde
onderzoek tevens betrekking op die andere wegen of de niet te
reconstrueren gedeelten van de betrokken weg.
3. Bij het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid
worden de waarden die ingevolge de artikelen 100, 100a en 100b als de
ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt, in acht genomen.
4. Ingeval bij de reconstructie het aantal rijstroken zal worden
verhoogd, wordt de zone in aanmerking genomen, die uit het hogere
aantal rijstroken zal voortvloeien.
Artikel 99a [Vervallen per 01-01-2007]
§ 2. Ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting bij reconstructie
Artikel 100
1. Behoudens het tweede en derde lid is de ten hoogste toelaatbare
geluidsbelasting vanwege een te reconstrueren weg, van de gevel van
woningen binnen de zone 48 dB.
2. Ingeval eerder bij of krachtens deze wet, de Experimentenwet
Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering, of de Spoedwet
wegverbreding een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare
geluidsbelasting, vanwege de te reconstrueren weg, van de gevel van
woningen binnen de zone is vastgesteld dan 48 dB, en de heersende
waarde hoger is dan 48 dB, geldt de laagste van de volgende twee
waarden als de ten hoogste toelaatbare:
a. de heersende waarde;
b. de eerder vastgestelde waarde.
3. Ingeval de weg op 1 januari 2007 aanwezig, in aanleg of
geprojecteerd was en niet eerder een hogere waarde voor de ten hoogste
toelaatbare geluidsbelasting vanwege de te reconstrueren weg is
vastgesteld dan 48 dB, en de heersende waarde hoger is dan 48 dB,
geldt als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege de te
reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone die op 1
januari 2007 aanwezig, in aanbouw of geprojecteerd waren de heersende
waarde.
Artikel 100a
1. Voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van
de gevel van woningen kan een hogere waarde dan de ingevolge artikel
100 geldende worden vastgesteld, met dien verstande dat:
a. de verhoging 5 dB niet te boven mag gaan, behoudens in
gevallen waarin:
1°. ten gevolge van de reconstructie de geluidsbelasting
van de gevel van ten minste een gelijk aantal woningen elders
met een ten minste gelijke waarde zal verminderen, en
2°. de wegbeheerder heeft verklaard dat hij financiële
middelen ter beschikking stelt uiterlijk voor afloop van de
reconstructie ten behoeve van de toepassing van artikel 90 of
artikel 111b, tweede of derde lid, met betrekking tot woningen
die door de reconstructie een hogere geluidsbelasting
ondervinden, en
b. ingeval voor de betrokken woning eerder toepassing is
gegeven aan artikel 83 of artikel 84, tweede lid, zoals dat luidde
voor 1 september 1991 of, indien geen toepassing is gegeven aan
het betrokken artikel en de heersende waarde 53 dB niet te boven
gaat, de waarde niet hoger mag worden gesteld dan:
1°. 58 dB bij een reconstructie van een weg in
buitenstedelijk gebied en
2°. 63 dB bij een reconstructie van een weg in stedelijk
gebied.
2. De krachtens het eerste lid, onder a, te stellen hogere waarde
mag niet hoger worden gesteld dan 68 dB.
3. In afwijking van het tweede lid mag de waarde ingeval eerder bij
of krachtens deze wet, de Experimentenwet Stad en Milieu of de
Interimwet stad- en milieubenadering een hogere waarde dan 68 dB is
vastgesteld, niet hoger worden gesteld dan de eerder vastgestelde
waarde.
Artikel 100b
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor andere
geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen overeenkomstige
regels worden gesteld met betrekking tot de onderwerpen die zijn
geregeld in:
a. artikel 100;
b. artikel 100a.
Artikel 101 [Vervallen per 01-03-1993]
Afdeling 5 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 102 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 103 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 6. Andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen
Artikel 104
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor andere
geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen met betrekking
tot de in deartikelen 88 tot en met 90, 98 en 99 geregelde onderwerpen
overeenkomstige regels worden gesteld.
Afdeling 7. De aanleg of wijziging van een hoofdweg met toepassing
van de Tracéwet
Artikel 104a
1. Indien de aanleg of wijziging van een hoofdweg waarop de
Tracéwet van toepassing is, leidt tot aanleg, reconstructie of
wijziging van een weg of spoorweg, en daartoe binnen het betrokken
tracé een hogere waarde vereist is voor de ten hoogste toelaatbare
geluidsbelasting vanwege die weg of spoorweg, zijn de artikelen 79 en
99, eerste lid, niet van toepassing en wordt door Onze Minister:
a. die hogere waarde, in afwijking van artikel 110a, eerste,
tweede en zevende lid, vastgesteld als onderdeel van het
tracébesluit, en
b. het akoestisch onderzoek, bedoeld in artikel 77, dan wel als
voorgeschreven op grond van artikel 107, ingesteld.
2. Indien de uitvoering van een in de bijlage bij de Spoedwet
wegverbreding, onder A, opgenomen wegaanpassingsproject, leidt tot
aanleg, reconstructie of wijziging van een weg of spoorweg, en daartoe
binnen de grens van het gebied dat is begrepen in een
wegaanpassingsbesluit een hogere waarde vereist is voor de ten hoogste
toelaatbare geluidsbelasting vanwege die weg of spoorweg, zijn de
artikelen 79 en 99, eerste lid, niet van toepassing en wordt door Onze
Minister:
a. die hogere waarde, in afwijking van artikel 110a, eerste,
tweede en zevende lid, vastgesteld als onderdeel van het
wegaanpassingsbesluit, en
b. het akoestisch onderzoek, bedoeld in artikel 77, dan wel als
voorgeschreven op grond van artikel 107, ingesteld.
3. Indien een in de bijlage bij de Spoedwet wegverbreding, onder B,
opgenomen wegaanpassingsproject, leidt tot aanleg, reconstructie of
wijziging van een weg of spoorweg, en daartoe binnen de grens van het
gebied dat is begrepen in een geluidplan een hogere waarde vereist is
voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege die weg of
spoorweg, zijn de artikelen 79 en 99, eerste lid, niet van toepassing
en wordt door Onze Minister:
a. die hogere waarde, in afwijking van artikel 110a, eerste,
tweede en zevende lid, vastgesteld als onderdeel van het
geluidplan, en
b. het akoestisch onderzoek, bedoeld in artikel 77, dan wel als
voorgeschreven op grond van artikel 107, ingesteld.
4. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt:
a. in artikel 83, eerste lid, voor «53 dB» gelezen: 58 dB;
b. in artikel 110a, zesde lid, in plaats van «geven
burgemeester en wethouders» gelezen «geeft Onze Minister» en
wordt in plaats van «naar hun oordeel» gelezen «naar zijn
oordeel»;
c. in artikel 110b, eerste lid, in plaats van «kunnen
burgemeester en wethouders» gelezen «kan Onze Minister»;
d. in artikel 110b, tweede lid, in plaats van «kunnen
gedeputeerde staten» gelezen «kan Onze Minister», en
e. in artikel 111b in plaats van «treffen burgemeester en
wethouders» gelezen «treft de beheerder».
5. Bij de toepassing van het eerste tot en met derde lid neemt het
bevoegd gezag een maatregel gericht op het terugbrengen van de
verwachte geluidsbelasting van de gevel van woningen of andere
geluidsgevoelige gebouwen, niet in aanmerking, indien het treffen
daarvan:
a. financieel niet doelmatig is met betrekking tot het beperken
van de geluidsbelasting, dan wel
b. stuit op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige,
verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische
aard.
Onze Minister stelt regels voor de toepassing van het criterium,
bedoeld onder a.
Hoofdstuk VII. Zones langs spoorwegen
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 105
In het belang van het voorkomen of beperken van geluid- of
trillinghinder, veroorzaakt door het gebruik van een spoorweg, kunnen
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur eisen worden gesteld met
betrekking tot aard, samenstelling, wijze van aanleg of gebruik van de
spoorweginfrastructuur.
Afdeling 2 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 105a [Vervallen per 01-07-2012]
Afdeling 3. Overige spoorwegen
Artikel 106
1. Deze afdeling is van toepassing op:
a. de aanleg en wijziging van spoorwegen die daartoe zijn
aangegeven op een kaart;
b. de sanering van bij algemene maatregel van bestuur
aangegeven woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en
geluidsgevoelige terreinen vanwege de ondervonden geluidsbelasting
van spoorwegen die zijn aangegeven op de kaart;
c. de projectie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen
en geluidsgevoelige terreinen binnen de zones van spoorwegen die
zijn aangegeven op de kaart, bedoeld in het eerste lid, of op de
geluidplafondkaart.
2. De kaart, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister
vastgesteld.
Artikel 107
In het belang van het voorkomen of beperken van geluidhinder vanwege
spoorwegen kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur,
omtrent de onderwerpen die ter beperking van de geluidsbelasting vanwege
wegen geregeld zijn in de hoofdstukken VI of VIIIA, regels worden
gesteld. Daarbij kunnen bepalingen van dat hoofdstuk van overeenkomstige
toepassing worden verklaard.
Hoofdstuk VIII. Andere geluidszones
Artikel 108
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan een gebied waar ernstige
geluidhinder optreedt of is te verwachten, welke niet of niet
voldoende door toepassing van de voorgaande hoofdstukken kan worden
bestreden, worden aangewezen als geluidszone. Ten aanzien van deze
zone zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing.
2. Onze Minister doet van een maatregel als bedoeld in het eerste
lid mededeling aan de raden der betrokken gemeenten en aan de staten
der betrokken provincies.
3. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid heeft geen
betrekking op het bestrijden van de geluidhinder vanwege luchthavens
waarop hoofdstuk 8, titel 8A.6 en hoofdstuk 10 van de Wet luchtvaart
van toepassing zijn.
Artikel 109
Bij intrekking of wijziging van een algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in artikel 108, eerste lid, is het tweede van dat artikel
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 110
1. Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel
108, eerste lid, worden in het belang van het voorkomen of beperken
van geluidhinder in en buiten de zone omtrent de onderwerpen die ter
beperking van de geluidsbelasting vanwege industrieterreinen, vanwege
wegen of vanwege spoorwegen geregeld zijn in de hoofdstukken V, VI of
VII, regels gesteld. Daarbij kunnen bepalingen van die hoofdstukken
van overeenkomstige toepassing worden verklaard.
2. Bij een maatregel als bedoeld in artikel 108, eerste lid, kan
tevens worden bepaald dat de hoofdstukken V, VI en VII geheel of ten
dele niet van toepassing zijn met betrekking tot het bij de maatregel
aangewezen gebied.
Hoofdstuk VIIIa. Hogere waarde en onderzoeksbepalingen
Afdeling 1. Het vaststellen en wijzigen van een hogere waarde voor de
ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting
Artikel 110a
1. Burgemeester en wethouders zijn binnen de grenzen van de
gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten
hoogste toelaatbare geluidsbelasting.
2. In afwijking van het eerste lid zijn indien ten behoeve van een
activiteit in meer dan één gemeente een hogere waarde voor de bij of
krachtens de wet genoemde ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting
dient te worden vastgesteld, burgemeester en wethouders van de
gemeente binnen wier grenzen deze activiteit zal worden uitgevoerd
bevoegd een hogere waarde vast te stellen.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde waarde kan ambtshalve of
op verzoek van degenen die daartoe bij algemene maatregel van bestuur
zijn aangewezen, worden vastgesteld.
4. De vaststelling van de in het eerste en tweede lid bedoelde
waarde vindt plaats volgens bij algemene maatregel van bestuur
gestelde regels.
5. Het eerste en tweede lid vinden slechts toepassing indien
toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de
geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, de weg of spoorweg, van
de gevel van de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen
onderscheidenlijk aan de grens van de betrokken geluidsgevoelige
terreinen tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende
doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van
stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke
of financiële aard. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat de in dit lid bedoelde bevoegdheid enkel in bij die
maatregel aan te geven gevallen kan worden toegepast.
6. Indienartikel 110f van toepassing is geven burgemeester en
wethouders slechts toepassing aan het derde en vierde lid voorzover de
gecumuleerde geluidsbelastingen na de correctie op grond van artikel
110f, derde lid, niet leiden tot een naar hun oordeel onaanvaardbare
geluidsbelasting.
7. Wanneer het besluit, bedoeld in het eerste lid, benodigd is in
verband met de aanleg of wijziging van een hoofdspoorweg of de aanleg
of reconstructie van een weg in beheer bij het Rijk of een provincie
of de vaststelling of wijziging van een zone rond een industrieterrein
dat als industrieterrein van regionaal belang is aangewezen bij
provinciale verordening krachtens de Wet milieubeheer of de Wet
ruimtelijke ordening, zijn gedeputeerde staten van de provincie
waarbinnen de weg of spoorweg dan wel het industrieterrein van
regionaal belang is gelegen bevoegd tot vaststelling van de hogere
waarde. Het tweede tot en met zesde lid is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat in het tweede en zesde lid in
plaats van «burgemeester en wethouders» moet worden gelezen
«gedeputeerde staten» en in het tweede lid in plaats van«gemeente»
telkens moet worden gelezen: provincie.
Artikel 110b
1. Wanneer de in artikel 110a, eerste lid, genoemde activiteit tot
gevolg heeft dat voor een woning, een ander geluidsgevoelig gebouw of
geluidsgevoelig terrein gelegen buiten de grenzen van de gemeente
binnen wier grenzen de activiteit wordt uitgevoerd een hogere waarde
dan de bij of krachtens deze wet genoemde ten hoogste toelaatbare
waarde dient te worden vastgesteld, kunnen burgemeester en wethouders
hiertoe slechts overgaan na overleg met burgemeester en wethouders van
de gemeente binnen wier grenzen de woning, het andere geluidsgevoelige
gebouw of geluidsgevoelige terrein is gelegen.
2. Wanneer de in artikel 110a, zevende lid, genoemde activiteit tot
gevolg heeft dat voor een woning, een ander geluidsgevoelig gebouw of
geluidsgevoelig terrein gelegen buiten de grenzen van de provincie
binnen wier grenzen de activiteit wordt uitgevoerd een hogere waarde
dan de bij of krachtens deze wet genoemde ten hoogste toelaatbare
waarde dient te worden vastgesteld, kunnen gedeputeerde staten hiertoe
slechts overgaan na overleg met gedeputeerde staten van de provincie
binnen wier grenzen de woning, het andere geluidsgevoelige gebouw of
geluidsgevoelige terrein is gelegen.
Artikel 110c
1. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 110a
is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde
procedure van toepassing, met dien verstande dat indien burgemeester
en wethouders bevoegd zijn de hogere waarde vast te stellen en het
besluit ten behoeve van de vaststelling of herziening van een
bestemmingsplan wordt genomen, het ontwerp van het besluit
tegelijkertijd met het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage
wordt gelegd.
2. [Vervallen.]
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent:
a. de bij een verzoek als bedoeld in artikel 110aover te leggen
gegevens;
b. de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel
110a.
Afdeling 2. Wijze van uitvoering onderzoek
Artikel 110d
1. Ten behoeve van de vaststelling van de geluidsbelasting vanwege
een industrieterrein, weg of spoorweg wordt voor het bepalen van het
equivalente geluidsniveau bij ministeriële regeling aangegeven:
a. op welke wijze en met inachtneming van welke bestaande of te
verwachten omstandigheden, de afwisselende niveaus van het ter
plaatse optredende geluid worden vastgesteld, en
b. op welke wijze uit de over een bepaalde periode verkregen
uitkomsten het in vorengenoemde omschrijving bedoelde gemiddelde
wordt afgeleid.
2. Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot de
vaststelling van de geluidsbelasting vanwege een weg of spoorweg die
is aangegeven op de geluidplafondkaart.
Artikel 110e
Onze Minister kan regels stellen omtrent al hetgeen betrekking heeft
op de wijze waarop de akoestische onderzoeken, bedoeld in deze wet,
worden uitgevoerd.
Artikel 110f
1. Indien een van de volgende onderdelen van deze wet of van het
krachtens deze onderdelen bepaalde:
a. Afdeling 1 en afdeling 2 van hoofdstuk V,
b. Afdeling 2, 3 en 4 van hoofdstuk VI,
c. hoofdstuk VII, en
d. hoofdstuk VIII,
van toepassing is op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en
geluidsgevoelige terreinen gelegen in twee of meer aanwezige of
toekomstige geluidszones als bedoeld in de artikelen 40, 52, 74 en
108, of als vastgesteld krachtens artikel 107, dan wel in één of
meer hiervoor genoemde geluidszones alsmede in een met het oog op de
geluidsbelasting vastgesteld beperkingengebied als bedoeld in
hoofdstuk 8, titel 8A.6 of artikel 10.17 van de Wet luchtvaart, dient
degene, die bij of krachtens deze wet verplicht is tot het verrichten
van een akoestisch onderzoek, ter plaatse van die woningen, andere
geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen,
overeenkomstig de door Onze Minister gestelde regels, tevens onderzoek
te doen naar de effecten van de samenloop van de verschillende
geluidsbronnen. Aangegeven dient te worden op welke wijze met de
samenloop rekening is gehouden bij de te treffen maatregelen.
2. Indien in een bepaald gebied een of meer van de in het eerste
lid genoemde onderdelen van deze wet of van het krachtens die
onderdelen bepaalde van toepassing zijn, terwijl voor dat gebied
tevens uit anderen hoofde van Rijkswege een saneringsprogramma ter
zake van het voorkomen of bestrijden van geluidhinder moet worden
opgesteld, draagt Onze Minister zorg voor de noodzakelijke onderlinge
afstemming en samenhang van de te treffen maatregelen.
3. Het eerste en tweede lid zijn uitsluitend van toepassing indien
voor een woning, ander geluidgevoelig gebouw of geluidgevoelig
terrein:
a. een hogere waarde zal worden vastgesteld, en
b. voor dezelfde woning, ander geluidsgevoelig gebouw of
geluidsgevoelig terrein, de geluidsbelasting, vanwege tenminste
een andere geluidsbron als bedoeld in het eerste lid, in de
toekomstige situatie de voorkeurswaarde overschrijdt.
4. Het eerste en tweede lid worden alleen toegepast ten aanzien van
geluidsbronnen als bedoeld in het eerste lid waarvan de
geluidsbelasting in de toekomstige situatie de voorkeurswaarde
overschrijdt.
5. Ten behoeve van de uitvoering van het eerste lid kan Onze
Minister bepalen, dat bij de berekening en meting van de
onderscheidene geluidsbelastingen van de gevels van de woningen en
andere geluidsgevoelige gebouwen en de grens van geluidsgevoelige
terreinen op de resultaten een door hem aan te geven correctie kan
worden toegepast.
Artikel 110g
Onze Minister stelt regels op grond waarvan telkens voor een bepaalde
periode, al naar gelang de geluidproductie van motorvoertuigen in de
betrokken periode hoger ligt dan voor de toekomst redelijkerwijs is te
verwachten, bij de berekening en meting van de geluidsbelasting van de
gevel van woningen of van andere geluidsgevoelige gebouwen of aan de
grens van geluidsgevoelige terreinen op het resultaat een door hem
bepaalde aftrek van niet meer dan 5 dB wordt toegepast.
Artikel 110h
Indien voorafgaand aan 1 januari 2007 een hogere waarde voor de ten
hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een weg of een spoorweg in
dB(A) is vastgesteld en die waarde ook na 1 januari 2007 geldt, wordt
die waarde omgerekend tot de waarde voor de geluidsbelasting Lden
overeenkomstig een bij ministeriële regeling te bepalen wijze.
Artikel 110i
1. Een bestuursorgaan doet een door hem genomen onherroepelijk
geworden besluit, houdende een beslissing tot het vaststellen van een
hogere waarde dan de bij of krachtens deze wet genoemde waarden, zo
spoedig mogelijk inschrijven in de openbare registers, bedoeld in
afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel
24, eerste lid, van Boek 3 van dat wetboek is niet van toepassing.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als een besluit
als bedoeld in het eerste lid, ingevolge een besluit of uitspraak in
rechte waarbij dat besluit is ingetrokken of gewijzigd, of anderszins
zijn waarde heeft verloren, in die zin dat op grond van de betrokken
mededeling van het bestuursorgaan de vermelding van de desbetreffende
korte aanduiding in de basisregistratie kadaster wordt verwijderd bij
de betrokken percelen.
Hoofdstuk VIIIb. Binnenwaarden van aanwezige of in aanbouw zijnde
woningen en gebouwen in zones
Artikel 111
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de binnenwaarden van
aanwezige of in aanbouw zijnde woningen en gebouwen in zones van wegen
of spoorwegen die zijn aangegeven op de geluidplafondkaart, voor zover
het betreft de geluidsbelasting vanwege die wegen of spoorwegen.
Artikel 111a [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 111b
1. Indien met betrekking tot gevels van in aanbouw zijnde of
aanwezige woningen een hogere geluidsbelasting, vanwege een
industrieterrein, als de ten hoogste toelaatbare is vastgesteld,
treffen burgemeester en wethouders met betrekking tot de geluidwering
van die gevels maatregelen om te bevorderen dat de geluidsbelasting
binnen de woning bij gesloten ramen ten hoogste bedraagt:
a. ingeval met toepassing van artikel 63, tweede lid, een
hogere geluidsbelasting dan 55 dB(A) als de ten hoogste
toelaatbare is vastgesteld: 40 dB(A);
b. in andere gevallen: 35 dB(A).
2. Indien met betrekking tot gevels van in aanbouw zijnde of
aanwezige woningen een hogere geluidsbelasting dan 48 dB vanwege een
weg, als de ten hoogste toelaatbare is vastgesteld, treffen
burgemeester en wethouders met betrekking tot de geluidwering van die
gevels, ingeval het een weg betreft die na 1 januari 1982 is of wordt
aangelegd en is opgenomen in een overeenkomstig de artikelen 76 en
77vastgesteld bestemmingsplan, dan wel na dat tijdstip ingevolge een
besluit, genomen met toepassing van de artikelen 79 tot en met 81, is
aangelegd, maatregelen om te bevorderen dat de geluidsbelasting binnen
de woning bij gesloten ramen ten hoogste 33 dB bedraagt.
3. Indien met betrekking tot de gevels van woningen waarvan de
geluidsbelasting vanwege de weg op 1 maart 1986 hoger was dan 55 dB(A)
en met toepassing van artikel 90, tweede lid, een hogere
geluidsbelasting dan 48 dB, vanwege de weg als de ten hoogste
toelaatbare is vastgesteld, treffen burgemeester en wethouders met
betrekking tot de geluidwering van die gevels maatregelen om te
bevorderen dat de geluidsbelasting binnen de woning bij gesloten ramen
ten hoogste 43 dB bedraagt.
Artikel 112
Indien met betrekking tot aanwezige of in aanbouw zijnde woningen
toepassing is gegeven aan artikel 100a treffen burgemeester en
wethouders met betrekking tot de geluidwering van de gevels van de
betrokken woningen maatregelen om te bevorderen dat de geluidsbelasting,
vanwege de weg, binnen de woning bij gesloten ramen na de reconstructie
ten hoogste bedraagt:
a. ingeval voor de betrokken woningen bij de reconstructie voor
de eerste maal een hogere waarde dan 48 dB, voor de geluidsbelasting
van de gevel, vanwege de weg, is vastgesteld: 33 dB;
b. ingeval voor de betrokken woningen eerder een hogere waarde
voor de geluidsbelasting is vastgesteld: de waarde die voor de
reconstructie ingevolge het bij of krachtens deze wet voor de
onderscheiden situaties bepaalde, dan wel ingevolge het krachtens
artikel 3 van de Woningwet bepaalde ten hoogste toelaatbaar was.
Artikel 113
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor daarbij aan te wijzen
andere geluidsgevoelige gebouwen met betrekking tot de in de artikelen
111b en 112 geregelde onderwerpen overeenkomstige regels worden gesteld.
Artikel 114
Indien toepassing wordt gegeven aan hoofdstuk VII of VIII, kunnen bij
algemene maatregel van bestuur voor aanwezige of in aanbouw zijnde
woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen met betrekking tot de in de
artikelen 111b en 112 geregelde onderwerpen overeenkomstige regels
worden gesteld.
Artikel 114a
1. Indien de rechthebbende ten aanzien van een woning of een ander
geluidsgevoelig gebouw niet heeft toegestemd mee te werken aan
maatregelen die moeten worden getroffen ingevolge het bij of krachtens
dit hoofdstuk bepaalde, vervalt de verplichting om overeenkomstig het
bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde maatregelen te treffen ten
aanzien van die woning onderscheidenlijk dat andere geluidsgevoelige
gebouw.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld ten aanzien van:
a. de wijze waarop aan de rechthebbende wordt verzocht om mee
te werken aan de realisatie van de maatregelen;
b. de wijze waarop de rechthebbende zijn toestemming verleent
of onthoudt aan de realisatie van de maatregelen;
c. de wijze waarop burgemeester en wethouders aan de
rechthebbende mededeling doen over het vervallen van de
verplichting, bedoeld in het eerste lid.
3. Artikel 110i, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk IX [Vervallen per 01-07-2012]
§ 1 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 115 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 116 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 117 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 117a [Vervallen per 01-07-2012]
§ 2 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 118 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 118a [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 119 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 120 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 121 [Vervallen per 01-07-2012]
§ 3 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 122 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 123 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 123a [Vervallen per 01-07-2012]
§ 4 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 123b [Vervallen per 01-07-2012]
Hoofdstuk X. Financiële bepalingen
Artikel 124
In afwijking van artikel 4:21, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing op subsidies die krachtens dit hoofdstuk uitsluitend worden
verstrekt aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld.
§ 1. Kosten van maatregelen in zones rond industrieterreinen in
bestaande situaties en in nieuwe situaties bij wijziging van zones
Artikel 125
1. Voor zover in de kosten van de maatregelen die in verband met de
vaststelling van een bij een industrieterrein behorende zone krachtens
of met overeenkomstige toepassing van artikel 53 zoals dat luidde op 1
januari 2007 dan wel in verband met het toepassing geven aan artikel
46 of 55, eerste lid, met het oog op de beperking van de
geluidsbelasting van woningen binnen die zone krachtens Afdeling 2,
van hoofdstuk V zijn vastgesteld, niet op andere wijze wordt voorzien,
komen deze kosten:
a. voor zover het maatregelen betreft ten behoeve van op het
tijdstip van de vaststelling van de zone al aanwezige of in
aanbouw zijnde woningen ten aanzien waarvan Afdeling 2, § 5, van
hoofdstuk V, van toepassing is: ten laste van het Rijk;
b. voor zover het maatregelen betreft ten behoeve van op het
tijdstip van de vaststelling van de zone geprojecteerde woningen:
ten laste van de exploitanten van de op het industrieterrein op
dat tijdstip al gevestigde inrichtingen en de betrokken gemeente,
ieder voor de helft, met dien verstande dat het ten laste van de
exploitanten van bedoelde inrichtingen komende gedeelte der kosten
over hen verdeeld wordt zoveel mogelijk naar evenredigheid van het
aandeel der onderscheidene inrichtingen in de geluidproduktie van
het industrieterrein op bedoeld tijdstip;
c. voor zover het maatregelen betreft ten behoeve van woningen
binnen de zone ingeval toepassing wordt gegeven aan artikel 46
of55, eerste lid: ten laste van degene ten behoeve van wie de ten
hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt verhoogd.
2. Tot de kosten, bedoeld in het eerste lid, worden mede gerekend
de kosten, voortvloeiende uit het treffen van de krachtens de
Woningwet of hoofdstuk VIII B vereiste maatregelen met betrekking tot
de geluidwering van de gevels van de in dat lid bedoelde woningen.
3. Met betrekking tot andere geluidsgevoelige gebouwen is het
eerste lid van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Kosten van maatregelen in zones langs wegen in bestaande
situaties
Artikel 126
1. Voor zover in de kosten van maatregelen die met het oog op de
beperking van de geluidsbelasting van woningen binnen zones langs
wegen als bedoeld in artikel 74 krachtens Afdeling 3 van hoofdstuk VI
zijn vastgesteld, niet op andere wijze wordt voorzien, komen deze
kosten in gevallen waarin op 1 maart 1986 de woningen aanwezig of in
aanbouw waren, terwijl de weg aanwezig was: ten laste van het Rijk.
2. Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot
maatregelen met het oog op de beperking van de geluidsbelasting van
woningen:
a. die op 1 maart 1986 een geluidsbelasting vanwege een weg
ondervonden van ten minste 65 dB(A), dan wel ten minste 60 dB(A)
indien zij deel uitmaken van een verzameling van woningen waarvan
ten minste één woning een geluidsbelasting vanwege een weg
ondervond van ten minste 65 dB(A),
b. die door het gemeentebestuur voor 1 januari 1998 op grond
van artikel 88, eerste lid, aan Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zijn
gemeld, en
c. ten aanzien waarvan het gemeentebestuur bij die gelegenheid
heeft verklaard dat het treffen van geluidwerende maatregelen de
enige oplossing is die in aanmerking komt.
3. Indien door een reconstructie de geluidsbelasting, vanwege de
gereconstrueerde weg, van de gevel van woningen binnen een zone met
meer dan 5 dB is toegenomen en voor die woningen nog niet eerder
toepassing is gegeven aan artikel 90, vierde lid, komen de kosten,
bedoeld in het eerste lid, ten laste van de wegbeheerder.
4. Met betrekking tot andere geluidsgevoelige gebouwen en
geluidsgevoelige terreinen zijn het eerste en derde lid van
overeenkomstige toepassing.
5. In afwijking van het eerste lid komen de kosten van maatregelen
in gevallen waarin op 1 maart 1986 de woningen aanwezig of in aanbouw
waren, terwijl de weg aanwezig was, maar de woningen niet tijdig
overeenkomstig artikel 88 zijn gemeld, ten laste van de gemeente
waarin de woningen zijn gelegen.
6. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 98 komt het gedeelte
van de kosten van de maatregelen dat verband houdt met de
reconstructie van de weg voor rekening van de wegaanlegger.
Artikel 126a
In afwijking van de artikelen 125 of 126 kan Onze Minister volgens
bij ministeriële regeling te stellen regels in gevallen waarin een
maatregel als bedoeld in die artikelen tevens wordt getroffen met een
ander oogmerk dan in die artikelen genoemd, de subsidies verstrekken ten
behoeve van die maatregel op basis van door hem vastgestelde
normbedragen.
Artikel 127
In geval van reconstructie van een weg komen de kosten van de
maatregelen, vastgesteld krachtens Afdeling 4 van hoofdstuk VI, voor
zover deze kosten verband houden met de reconstructie, ten laste van de
wegaanlegger.
Artikel 127a [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 128
1. Indien een wegaanlegger, onderscheidenlijk wegbeheerder, of een
gemeente zich ten gevolge van de toepassing van artikel 126 of 127
voor kosten ziet gesteld, die redelijkerwijs niet of niet geheel te
zijnen laste behoren te blijven, kan Onze Minister hem, voor zover op
andere wijze in een redelijke vergoeding niet is of kan worden
voorzien, op diens verzoek een naar billijkheid te bepalen vergoeding
toekennen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het betreft kosten
met betrekking tot maatregelen als bedoeld in artikel 126, tweede lid.
§ 3. Kosten van maatregelen als gevolg van zones, geldende krachtens
hoofdstuk VII dan wel aangewezen krachtens hoofdstuk VIII
Artikel 129
Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 107
worden regels gegeven met betrekking tot de toerekening van de kosten
welke voor de aanlegger of beheerder van de spoor- of tramweg of voor de
gemeenten binnen de zone zijn verbonden aan maatregelen ter voldoening
aan het bij of krachtens die maatregel bepaalde, en kan worden bepaald
dat de kosten van maatregelen welke met instemming van Onze Minister
worden getroffen, ten laste komen van het Rijk.
Artikel 130
Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 108
worden regels gegeven met betrekking tot de toerekening van de kosten
welke voor de gemeenten binnen de aangewezen zone zijn verbonden aan
maatregelen ter voldoening aan het bij of krachtens die maatregel
bepaalde, en kan, afhankelijk van de geluidsbronnen die aanleiding zijn
voor de aanwijzing krachtens artikel 108, worden bepaald dat de kosten
van maatregelen welke met instemming van Onze Minister worden getroffen
ter voldoening aan het bij of krachtens de algemene maatregel van
bestuur bepaalde, ten laste komen van het Rijk.
Artikel 131 [Vervallen per 01-04-1988]
Artikel 132 [Vervallen per 01-04-1988]
Artikel 133 [Vervallen per 01-04-1988]
Artikel 134 [Vervallen per 01-04-1988]
Artikel 135 [Vervallen per 01-04-1988]
Artikel 136 [Vervallen per 01-04-1988]
Artikel 137 [Vervallen per 01-04-1988]
Hoofdstuk XI
Artikel 138 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 139 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 140 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 141 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 142 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 143 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 144 [Vervallen per 01-03-1993]
Hoofdstuk XII. Beroep bij de bestuursrechter
Artikel 145
1. Indien het besluit in de zin van artikel 110a, eerste lid, wordt
genomen door burgemeester en wethouders en gepaard gaat met de
vaststelling van een bestemmingsplan vangt, in afwijking van artikel
6:8 van de Algemene wet bestuursrecht, de termijn voor het indienen
van een beroepschrift tegen dat besluit aan met ingang van de dag
waarop beroep kan worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling
van het bestemmingsplan. Indien niet binnen die termijn is beslist,
vangt de beroepstermijn aan met ingang van de dag na die waarop de
termijn is verstreken.
2. Indien het besluit in de zin van artikel 110a, eerste lid, wordt
genomen door burgemeester en wethouders en gepaard gaat met een
besluit overeenkomstig artikel 81, vangt in afwijking van artikel 6:8
van de Algemene wet bestuursrecht, de termijn voor het indienen van
een beroepschrift tegen dat besluit aan met ingang van de dag waarop
beroep kan worden ingesteld tegen het besluit overeenkomstig artikel
81.
Artikel 146 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 147 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 147a [Vervallen per 01-03-1993]
Hoofdstuk XIII. Bevoegdheden met betrekking tot de uitvoering van
deze wet
§ 1. Handhaving
Artikel 148
1. Met betrekking tot de handhaving van het bij of krachtens deze
wet bepaalde zijn de artikelen 5.3 tot en met 5.16 en 5.18 tot en met
5.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing, met
dien verstande dat met het toezicht op de naleving van het bij of
krachtens deze wet bepaalde ten aanzien van inrichtingen als bedoeld
in artikel 170, eerste lid, uitsluitend belast zijn de daartoe bij
besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2. Het in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht bedoelde bestuursorgaan heeft tot taak zorg te dragen
voor de bestuursrechtelijke handhaving van de op grond van het
bepaalde bij of krachtens deze wet voor degene die het project,
bedoeld in dat lid, uitvoert, geldende voorschriften.
Artikel 149 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 150 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 151 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 152 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 153 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 154 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 155 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 156 [Vervallen per 01-03-1993]
§ 2 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 157 [Vervallen per 01-01-2007]
§ 3 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 158 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 159 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 160 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 161 [Vervallen per 01-01-2007]
§ 4 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 162 [Vervallen per 01-01-2007]
Hoofdstuk XIV. Overige bepalingen met betrekking tot geluidzones
Artikel 163
1. Burgemeester en wethouders van de gemeente waarin een
industrieterrein geheel of in hoofdzaak is gelegen zorgen ervoor dat
er voldoende informatie beschikbaar is over de geluidsruimte binnen de
zone.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op industrieterreinen van
regionaal belang die zijn aangewezen bij provinciale verordening
krachtens de Wet milieubeheer of de Wet ruimtelijke ordening. In dat
geval dragen gedeputeerde staten voor de in het eerste lid genoemde
taken zorg.
3. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer burgemeester en
wethouders in overeenstemming met gedeputeerde staten besluiten dat
gedeputeerde staten voor de in het eerste lid genoemde taken
zorgdragen.
4. Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op
industrieterreinen waarop zich inrichtingen bevinden als bedoeld in
artikel 170, eerste lid. Voor die industrieterreinen draagt Onze
Minister voor de in het eerste lid genoemde taken zorg.
Artikel 164
Ter vervulling van de in artikel 163 bedoelde taak kan een
zonebeheerplan worden opgesteld.
Artikel 165
1. In het belang van het verkrijgen van gegevens ten behoeve van
het instellen van geluidszones rond industrieterreinen en ten behoeve
van de bepaling van binnen die geluidszones te nemen maatregelen ter
beperking van de geluidhinder aldaar kunnen burgemeester en
wethouders, binnen een door hen aan te geven termijn gegevens
betreffende de geluiduitstraling verlangen van beheerders van
inrichtingen, welke binnen een zodanige zone werkzaam zijn.
2. Onze Minister kan omtrent de bepaling en de vastlegging van de
in het eerste lid bedoelde gegevens regels stellen.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op industrieterreinen van
regionaal belang die zijn aangewezen bij provinciale verordening
krachtens de Wet milieubeheer of de Wet ruimtelijke ordening. In dat
geval hebben gedeputeerde staten de in het eerste lid genoemde
bevoegdheden.
4. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer burgemeester en
wethouders in overeenstemming met gedeputeerde staten besluiten dat
gedeputeerde staten voor de artikel 163, eerste lid, genoemde taken
zorgdragen. In dat geval hebben gedeputeerde staten de in het eerste
lid genoemde bevoegdheden.
5. Het eerste lid is niet van toepassing op industrieterreinen
waarop zich inrichtingen bevinden als bedoeld in artikel 170, eerste
lid. In dat geval heeft Onze Minister de in het eerste lid genoemde
bevoegdheden.
Artikel 166
1. In het belang van het verkrijgen van gegevens ten behoeve van
het instellen van geluidszones en ten behoeve van de bepaling van
binnen geluidszones te nemen maatregelen ter beperking van de
geluidhinder aldaar kan Onze Minister, voor zover het betreft een
geluidszone als bedoeld in hoofdstuk VIII dan wel een met het oog op
de geluidsbelasting vastgesteld beperkingengebied als bedoeld in
hoofdstuk 8, titel 8A.6 of artikel 10.17 van de Wet luchtvaart, binnen
een door hem aan te geven termijn gegevens betreffende de
geluiduitstraling verlangen van beheerders van inrichtingen, welke
binnen een zodanige zone werkzaam zijn of zullen zijn.
2. Onze Minister kan omtrent de bepaling en de vastlegging van de
in het eerste lid bedoelde gegevens regels stellen.
Hoofdstuk XV. Verdere bepalingen
Artikel 167 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 168 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 169 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 170
1. In afwijking van het bepaalde in artikel 62, tweede lid, stelt
Onze Minister het programma van aktiviteiten als omschreven in dat
artikellid op, voor zover het programma betrekking heeft op
inrichtingen, die in gebruik of mede in gebruik zijn ten behoeve van
de landsverdediging. Onze Minister stelt het programma op na overleg
met Onze Minister van Defensie.
2. Bij de vaststelling van het programma deelt Onze Minister aan
burgemeester en wethouders van de gemeente, waarin de in het derde lid
bedoelde inrichting is gelegen, en aan gedeputeerde staten mede de
geluidsbelasting vanwege die inrichting na de volledige uitvoering van
het programma.
3. Onze Minister van Defensie is ermee belast dat het programma,
bedoeld in artikel 62, ten aanzien van inrichtingen als bedoeld in het
derde lid, wordt uitgevoerd.
Artikel 171 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 172 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 173 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 173a [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 174
Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij
algemene maatregel van bestuur.
Artikel 175 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 176
Alle – anders dan met toepassing van de Algemene wet bestuursrecht,
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de Wet milieubeheer –
krachtens de onderhavige wet ter inzage te leggen, te publiceren of aan
belanghebbenden toe te zenden stukken, die in een vreemde taal zijn
gesteld en waarbij niet een vertaling in de Nederlandse taal wordt
gevoegd, of die wegens hun omvang, hun inhoud dan wel om andere redenen
niet geacht kunnen worden voor de beoordeling ervan voldoende inzicht te
geven aan een algemeen publiek, gaan vergezeld van een in de Nederlandse
taal gestelde samenvatting. Onze Minister kan nadere regels geven over
de wijze waarop deze samenvatting dient te worden opgesteld.
Artikel 177 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 178 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 179 [Vervallen per 01-03-1993]
Hoofdstuk XVI. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 180
De bevoegdheid van gemeenten en van waterschappen tot het maken van
verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet
voorziet, gehandhaafd voorzover deze verordeningen niet met het bij of
krachtens deze wet bepaalde in strijd zijn.
Artikel 181 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 182
1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de gevallen waarin
een algemene maatregel van bestuur waarbij categorieën van
inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken
worden aangewezen in werking treedt, ten aanzien van daarbij
aangewezen categorieën van inrichtingen bepaald binnen welke termijn
en volgens welke normstelling en procedures moet worden voorzien in de
vaststelling van een zone rond terreinen met een bestemming die de
mogelijkheid insluit van vestiging van inrichtingen die tot die
categorieën behoren.
2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet met betrekking tot
terreinen waaromheen op het tijdstip van het in werking treden van de
wijziging reeds een zone is tot stand gekomen.
Artikel 183 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 184
Voor de uitvoering van deze wet ten aanzien van gebieden die niet
deel uitmaken van een provincie, worden voorzover nodig bij algemene
maatregel van bestuur regels gesteld ten aanzien van de bestuursorganen
die de in deze wet vervatte bevoegdheden uitoefenen, en ten aanzien van
de bestuursorganen die bij de uitvoering dienen te worden betrokken.
Artikel 185
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet geluidhinder.
Artikel 186
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden gesteld.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 16 februari 1979
JULIANA
De Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne,
L. Ginjaar
Uitgegeven de zevenentwintigste maart 1979
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
|