Nadere regelgeving:
- Gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol
WET van 20 december 1984, houdende nieuwe
bepalingen met betrekking tot gemeenschappelijke regelingen
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, nieuwe
bepalingen vast te stellen met betrekking tot gemeenschappelijke
regelingen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Regelingen tussen
gemeenten
§ 1. Bevoegdheid tot het treffen van
een regeling
Artikel 1
1. De raden, de colleges van
burgemeester en wethouders en de burgemeesters van twee of meer
gemeenten kunnen afzonderlijk of te zamen, ieder voor zover zij
voor de eigen gemeente bevoegd zijn, een gemeenschappelijke
regeling treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen
van die gemeenten.
2. De colleges van burgemeester en
wethouders en de burgemeesters gaan niet over tot het treffen van
een regeling dan na verkregen toestemming van de gemeenteraden. De
toestemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het
recht of het algemeen belang.
3. Onder het treffen van een
regeling wordt in dit artikel mede verstaan het wijzigen van, het
toetreden tot en het uittreden uit een regeling.
§ 2. Algemene bepalingen
Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 8
1. Bij de regeling kan een openbaar
lichaam worden ingesteld. Het openbaar lichaam is rechtspersoon.
2. In daarvoor bijzonder in
aanmerking komende gevallen kan bij de regeling, in plaats van een
openbaar lichaam, een gemeenschappelijk orgaan worden ingesteld.
3. In de regeling kan worden
bepaald dat daarin omschreven bevoegdheden van bestuursorganen of
van ambtenaren van aan de regeling deelnemende gemeenten worden
uitgeoefend door bestuursorganen, onderscheidenlijk door
ambtenaren van een der deelnemende gemeenten.
Artikel 9
1. De voor onbepaalde tijd
getroffen regeling houdt bepalingen in omtrent wijziging,
opheffing, toetreding en uittreding.
2. De regeling waarbij een openbaar
lichaam wordt ingesteld houdt bepalingen in omtrent de vereffening
van het vermogen ingeval dat openbaar lichaam wordt ontbonden.
3. Het bij een regeling ingestelde
openbaar lichaam blijft na zijn ontbinding voortbestaan voorzover
dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is.
Artikel 10
1. De regeling vermeldt het belang
of de belangen ter behartiging waarvan zij is getroffen of
gewijzigd.
2. Een regeling, waarbij gebruik
wordt gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 8, eerste of
tweede lid, geeft aan welke bevoegdheden de besturen van de
deelnemende gemeenten aan het bestuur van het openbaar lichaam
onderscheidenlijk aan het gemeenschappelijk orgaan bij het aangaan
van de regeling overdragen. Een regeling als hier bedoeld kan
bepalingen inhouden omtrent de wijze waarop verandering kan worden
gebracht in de overgedragen bevoegdheden.
3. Een regeling als bedoeld in het
tweede lid houdt bepalingen in omtrent de inrichting en
samenstelling van het bestuur van het openbaar lichaam
onderscheidenlijk de samenstelling van het gemeenschappelijk
orgaan en wijst de plaats van vestiging aan.
4. Een regeling als bedoeld in
artikel 8, eerste of tweede lid, kan aangeven dat een ombudsman of
ombudscommissie van een van de deelnemers aan de
gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 81p, eerste
lid, van de Gemeentewet, artikel 79q, eerste lid, van de
Provinciewet of artikel 51b, eerste lid, van de Waterschapswet
bevoegd is tot de behandeling van verzoekschriften als bedoeld in
artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Indien een regeling de hiervoor bedoelde bevoegdheid instelt, dan
wel deze beëindigt, zendt het bestuur de regeling aan de
Nationale ombudsman.
Artikel 10a
1. De deelnemers aan een regeling
waarbij gebruik is gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel
8, eerste of tweede lid, verlenen hun medewerking aan de
uitvoering van besluiten die het bestuur van een openbaar lichaam
of het gemeenschappelijk orgaan neemt in verband met de
uitoefening van de aan dat bestuur of orgaan overgedragen
bevoegdheden.
2. Indien een deelnemer naar het
oordeel van het bestuur van een openbaar lichaam of het
gemeenschappelijk orgaan de in het eerste lid bedoelde medewerking
niet of niet in voldoende mate verleent, kan het bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan namens en ten
laste van de betrokken deelnemer een besluit uitvoeren of doen
uitvoeren.
3. Alvorens over te gaan tot
toepassing van het tweede lid, wordt het bestuur van de betrokken
deelnemer in kennis gesteld van het daarop gerichte voornemen.
Artikel 11
In de regeling kan een termijn worden
aangegeven gedurende welke een of meer van de deelnemers is of zijn
vrijgesteld van uit deze regeling voortvloeiende rechten en
verplichtingen.
Artikel 12
1. Het bestuur van het openbaar
lichaam bestaat uit een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en
een voorzitter.
2. Het algemeen bestuur staat aan
het hoofd van het openbaar lichaam.
3. De voorzitter is tevens
voorzitter van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.
Artikel 13
1. Het algemeen bestuur van een
openbaar lichaam, ingesteld bij een regeling die is getroffen of
mede is getroffen door gemeenteraden, bestaat uit leden, die per
deelnemende gemeente door de raad uit zijn midden, de voorzitter
inbegrepen, en uit de wethouders worden aangewezen. Indien de
regeling uitsluitend strekt tot behartiging van opleiding en
vorming van ambtenaren, kan in de regeling worden bepaald, dat ook
de gemeentesecretaris als lid van het algemeen bestuur kan worden
aangewezen.
2. Het lidmaatschap van het
algemeen bestuur eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt lid of
voorzitter te zijn van de raad uit wiens midden men is aangewezen
dan wel ophoudt wethouder of secretaris van de desbetreffende
deelnemende gemeente te zijn.
3. De regeling bepaalt het aantal
leden van het algemeen bestuur, dat door de raad van elke
deelnemende gemeente wordt aangewezen.
4. De regeling kan inhouden, dat:
a. de aantallen leden, die door
de raden van de deelnemende gemeenten worden aangewezen,
onderling verschillen;
b. leden, aangewezen door de
raden van bepaalde deelnemende gemeenten, meervoudig stemrecht
hebben.
c. het algemeen bestuur bij
gekwalificeerde meerderheid besluit ten aanzien van in de
regeling aangeduide besluiten.
5. De regeling kan tevens inhouden,
dat:
a. de raden van niet alle, doch
ten minste twee deelnemende gemeenten leden van het algemeen
bestuur aanwijzen;
b. de raden van twee of meer
deelnemende gemeenten gezamenlijk leden van het algemeen
bestuur aanwijzen.
6. Ingeval de regeling uitsluitend
is getroffen door colleges van burgemeester en wethouders, is het
bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid van
overeenkomstige toepassing.
7. Ingeval de regeling uitsluitend
is getroffen door burgemeesters, vormen zij het algemeen bestuur.
De regeling kan inhouden, dat burgemeesters van bepaalde gemeenten
meervoudig stemrecht hebben.
8. De regeling, bedoeld in het
zevende lid, kan tevens inhouden, dat:
a. niet alle deelnemende
burgemeesters zitting hebben in het algemeen bestuur;
b. twee of meer deelnemende
burgemeesters gezamenlijk uit hun midden een of meer leden van
het algemeen bestuur aanwijzen.
9. De voorzitter van het openbaar
lichaam wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen, met
inachtneming van het daaromtrent in de regeling bepaalde.
Artikel 14
1. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam bestaat uit de voorzitter en twee of meer andere
leden, door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen, met
inachtneming van het daaromtrent in de regeling bepaalde. De aldus
aangewezen leden van het dagelijks bestuur mogen niet allen
afkomstig zijn uit dezelfde gemeente.
2. Wanneer de aard van de regeling
daartoe aanleiding geeft, kunnen één of meer leden van het
dagelijks bestuur, niet zijnde de voorzitter, worden aangewezen
van buiten de kring van het algemeen bestuur, met dien verstande
dat op deze wijze aangewezen leden nimmer de meerderheid van het
dagelijks bestuur mogen uitmaken.
Artikel 15
Op de samenstelling van het
gemeenschappelijk orgaan, bedoeld in artikel 8, tweede lid, is
artikel 13 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16
1. De regeling houdt bepalingen in
omtrent de wijze waarop een lid van het algemeen bestuur van het
openbaar lichaam of een lid van het gemeenschappelijk orgaan aan
de raad die dit lid heeft aangewezen, de door een of meer leden
van die raad gevraagde inlichtingen dient te verstrekken.
2. De regeling houdt tevens
bepalingen in omtrent de wijze, waarop het dagelijks bestuur en
een of meer leden daarvan aan het algemeen bestuur de door een of
meer leden daarvan gevraagde inlichtingen verstrekken, alsmede
door het algemeen bestuur ter verantwoording kunnen worden
geroepen.
3. De regeling houdt bepalingen in
omtrent de wijze waarop een lid van het algemeen bestuur van het
openbaar lichaam of een lid van het gemeenschappelijk orgaan door
de raad die dit lid heeft aangewezen, ter verantwoording kan
worden geroepen voor het door hem in dat bestuur onderscheidenlijk
dat orgaan gevoerde beleid.
4. Ingeval toepassing is gegeven
aan het bepaalde in artikel 13, vijfde lid, onder a, houdt de
regeling bepalingen in omtrent de wijze waarop aan de raad die
geen lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam of van
het gemeenschappelijk orgaan aanwijst, de door een of meer leden
van die raad gevraagde inlichtingen worden verstrekt en de door
die raad gevraagde verantwoording wordt afgelegd voor het door dat
bestuur onderscheidenlijk dat orgaan gevoerde beleid.
5. De regeling houdt bepalingen in
omtrent de bevoegdheid van de raad, een door hem aangewezen lid
van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam of een door hem
aangewezen lid van het gemeenschappelijk orgaan, ontslag te
verlenen, indien dit lid het vertrouwen van de raad niet meer
bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 7:1 van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing.
6. Bij het verstrekken van
inlichtingen ingevolge het eerste of het vierde lid, of het
afleggen van verantwoording ingevolge het derde of het vierde lid,
verschaft een lid van het algemeen bestuur van het openbaar
lichaam of een lid van het gemeenschappelijk orgaan over zaken
waaromtrent krachtens artikel 23 geheimhouding is opgelegd slechts
informatie, indien krachtens artikel 25 van de Gemeentewet
geheimhouding is opgelegd. Laatstbedoelde geheimhouding kan eerst
worden opgeheven, nadat door het algemeen bestuur van het openbaar
lichaam of door het gemeenschappelijk orgaan tot opheffing van de
geheimhouding is besloten.
Artikel 17
De regeling houdt bepalingen in
omtrent de wijze waarop door het bestuur van het openbaar lichaam of
door het gemeenschappelijk orgaan aan de raden van de deelnemende
gemeenten de door een of meer leden van die raden gevraagde
inlichtingen worden verstrekt.
Artikel 18
Artikel 16 is van overeenkomstige
toepassing op regelingen die uitsluitend getroffen zijn door
colleges van burgemeester en wethouders.
Artikel 19
1. Ingeval de regeling uitsluitend
is getroffen door colleges van burgemeester en wethouders is het
bepaalde in het eerste, derde, vierde en zesde lid van artikel 16,
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de gemeenteraden
respectievelijk een of meer leden van die raden.
2. Ingeval de regeling uitsluitend
is getroffen door burgemeesters is het bepaalde in het eerste,
derde en zesde lid van artikel 16 van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van gemeenteraden respectievelijk een of meer leden
van die raden.
Artikel 20
1. Een lid van het bestuur van het
openbaar lichaam mag:
a. niet als advocaat,
gemachtigde of adviseur werkzaam zijn ten behoeve van de
wederpartij van het openbaar lichaam of ten behoeve van het
bestuur van het openbaar lichaam in geschillen;
b. niet als vertegenwoordiger
of adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het met
het openbaar lichaam aangaan van:
1e. overeenkomsten als
bedoeld in onderdeel c;
2e. overeenkomsten tot het
leveren van onroerende zaken aan het openbaar lichaam;
c. rechtstreeks noch middellijk
een overeenkomst aangaan betreffende:
1e. het aannemen van werk
ten behoeve van het openbaar lichaam;
2e. het buiten
dienstbetrekking tegen beloning doen van verrichtingen ten
behoeve van het openbaar lichaam;
3e. het leveren van
roerende zaken anders dan om niet aan het openbaar
lichaam;
4e. het verhuren aan het
openbaar lichaam van enig goed, met uitzondering van
onroerende zaken;
5e. het verwerven van
betwiste vorderingen ten laste van het openbaar lichaam;
6e. het van het openbaar
lichaam ondershands verwerven van onroerende zaken of
beperkte rechten waaraan deze zijn onderworpen;
7e. het ondershands huren
of pachten van het openbaar lichaam.
2. Van het bepaalde in het eerste
lid onder c kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen.
3. Ten aanzien van een lid van het
gemeenschappelijk orgaan is het bepaalde in het eerste lid onder a
van overeenkomstige toepassing.
4. Wanneer is gehandeld in strijd
met het bepaalde in het eerste lid, is artikel X 8, eerste tot en
met vijfde lid, van de Kieswet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 21
1. De leden van het bestuur van een
openbaar lichaam of van het gemeenschappelijk orgaan kunnen een
tegemoetkoming in de kosten en, voor zover zij niet de functie van
wethouder, burgemeester of secretaris vervullen, een vergoeding
voor hun werkzaamheden ontvangen. Deze tegemoetkoming en
vergoeding worden bij de regeling, of krachtens de regeling door
het algemeen bestuur van het openbaar lichaam of het
gemeenschappelijk orgaan, vastgesteld. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen hieromtrent nadere regels worden
gesteld. De hoogte van de vergoeding staat in redelijke verhouding
tot de aan het lidmaatschap verbonden werkzaamheden, mede rekening
houdende met de vergoeding voor werkzaamheden welke het
bestuurslid ontvangt uit hoofde van zijn lidmaatschap van de raad.
2. Met betrekking tot de in het
eerste lid bedoelde leden kan voorts bij de regeling, of krachtens
de regeling door het algemeen bestuur van een openbaar lichaam of
het gemeenschappelijk orgaan, een tegemoetkoming in of vergoeding
van bijzondere kosten en andere financiële voorzieningen worden
vastgesteld die verband houden met de vervulling van het
lidmaatschap van het bestuur van een openbaar lichaam of van het
gemeenschappelijk orgaan. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen hieromtrent nadere regels worden gesteld.
3. Een besluit van het algemeen
bestuur van het openbaar lichaam of van het gemeenschappelijk
orgaan als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid wordt aan
gedeputeerde staten gezonden.
4. Artikel 99 van de Gemeentewet is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22
1. De artikelen 16, 17, 19, 20, 22,
26 en 28 tot en met 33 van de Gemeentewet zijn, voor zover daarvan
bij deze wet niet is afgeweken, op het houden en de orde van de
vergaderingen van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam
van overeenkomstige toepassing.
2. Het algemeen bestuur van het
openbaar lichaam en het gemeenschappelijk orgaan vergaderen
jaarlijks tenminste tweemaal.
3. De vergaderingen van het
algemeen bestuur zijn openbaar.
4. De deuren worden gesloten
wanneer een vijfde gedeelte der aanwezige leden daarom verzoekt of
de voorzitter het nodig oordeelt.
5. Het algemeen bestuur beslist
vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.
Artikel 23
1. Het algemeen bestuur kan in een
besloten vergadering, op grond van de belangen, genoemd in artikel
10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in die
vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent de inhoud
van de stukken welke aan het algemeen bestuur worden overgelegd,
geheimhouding opleggen. Deze wordt door hen die bij de behandeling
aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken
kennisdragen, in acht genomen, totdat het algemeen bestuur haar
opheft.
2. Op grond van de belangen genoemd
in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur kan de
geheimhouding eveneens worden opgelegd door het dagelijks bestuur
en de voorzitter van het openbaar lichaam en door een commissie
als bedoeld in artikel 24 of 25, ieder ten aanzien van stukken die
zij aan het algemeen bestuur of aan de leden van het algemeen
bestuur overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt.
3. De krachtens het tweede lid aan
het algemeen bestuur opgelegde verplichting tot geheimhouding
vervalt, indien de oplegging niet door het algemeen bestuur in
zijn eerstvolgende vergadering, die blijkens de presentielijst
door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden, te
zamen vertegenwoordigend meer dan de helft van het aantal stemmen,
is bezocht, wordt bekrachtigd.
4. De krachtens het tweede lid aan
leden van het algemeen bestuur opgelegde verplichting tot
geheimhouding wordt door hen in acht genomen totdat het orgaan,
dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel, indien het onderwerp
waaromtrent geheimhouding is opgelegd aan het algemeen bestuur is
voorgelegd, totdat het algemeen bestuur haar opheft. Het algemeen
bestuur kan deze beslissing alleen nemen in een vergadering die
blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal
zitting hebbende leden, te zamen vertegenwoordigend meer dan de
helft van het aantal stemmen, is bezocht.
5. Het bepaalde in artikel 22 en in
het eerste lid van dit artikel is eveneens van toepassing op het
gemeenschappelijk orgaan, indien de regeling is getroffen of mede
is getroffen door gemeenteraden.
Artikel 24
1. Het algemeen bestuur van het
openbaar lichaam kan commissies van advies instellen. Het regelt
de bevoegdheden en de samenstelling. Artikel 94 van de Gemeentewet
is van overeenkomstige toepassing.
2. De instelling van vaste
commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de
voorzitter en de regeling van haar bevoegdheden en samenstelling
geschieden door het algemeen bestuur op voorstel van het dagelijks
bestuur onderscheidenlijk van de voorzitter.
3. Andere commissies van advies aan
het dagelijks bestuur of aan de voorzitter worden door het
dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter ingesteld.
4. De leden van commissies van
advies die geen burgemeester, wethouder of lid van een
gemeenteraad zijn kunnen een vergoeding voor het bijwonen van
vergaderingen van de commissie ontvangen. De artikelen 96 tot en
met 99 van de Gemeentewet, alsmede de op grond daarvan gestelde
nadere regelen, zijn alsdan van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat, wanneer daarin sprake is van een
onderverdeling in gemeenteklassen, het bepaalde voor de
gemeenteklasse van 50 001-100 000 inwoners van toepassing is.
Artikel 25
1. Het algemeen bestuur van het
openbaar lichaam kan commissies instellen met het oog op de
behartiging van bepaalde belangen indien de regeling in deze
mogelijkheid voorziet. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden
en de samenstelling. Artikel 94 en 139 tot en met 144 van de
Gemeentewet en de artikelen 21 en 23, eerste en tweede lid van
deze wet zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Het algemeen bestuur gaat niet
over tot het instellen van een commissie als bedoeld in het eerste
lid dan na verkregen toestemming van de raden van elk der
deelnemende gemeenten. De toestemming kan slechts worden onthouden
wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
3. Het algemeen bestuur kan aan een
commissie als bedoeld in het eerste lid bevoegdheden van het
algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur van het openbaar
lichaam overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich
daartegen verzet. Het algemeen bestuur kan in ieder geval niet
overdragen de bevoegdheid tot:
a. het vaststellen van de
begroting of van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34;
b. het heffen van rechten,
bedoeld in artikel 30, eerste lid, sub a;
c. het vaststellen van
verordeningen door strafbepaling of politiedwang te handhaven.
4. Bevoegdheden van het dagelijks
bestuur kunnen niet dan op voorstel van het dagelijks bestuur
worden overgedragen.
5. Ten aanzien van een commissie
als bedoeld in het eerste lid regelt het algemeen bestuur tevens
voor zover zulks in verband met aard en omvang van de overgedragen
bevoegdheden nodig is:
a. de werkwijze van de
commissie;
b. de openbaarheid van
vergaderingen;
c. de voorbereiding, de
uitvoering en de openbaarmaking van besluiten van de
commissie;
d. het toezicht van het
algemeen, respectievelijk het dagelijks bestuur op de
uitoefening van bevoegdheden van die commissie;
e. de verhouding van de
overgedragen bevoegdheden tot die van het algemeen en het
dagelijks bestuur;
f. de verantwoording aan het
algemeen bestuur.
6. Ten aanzien van de vergadering
van een commissie waaraan bevoegdheden van het algemeen bestuur
zijn overgedragen is artikel 22, derde, vierde en vijfde lid van
overeenkomstige toepassing, met inachtneming van door het algemeen
bestuur vastgestelde nadere regels.
7. Indien de commissie zich ter
zake van het behandelde waarvoor een verplichting tot
geheimhouding geldt tot het algemeen bestuur heeft gericht, wordt
de geheimhouding in acht genomen totdat het algemeen bestuur haar
opheft.
Artikel 26
1. Het gemeentebestuur dat daartoe
bij de regeling is aangewezen zendt de regeling aan gedeputeerde
staten van zijn provincie. Indien aan de regeling ook gemeenten
deelnemen die in andere provincies zijn gelegen, wordt deze tevens
toegezonden aan gedeputeerde staten van die provincies.
2. De besturen van de deelnemende
gemeenten dragen op de gebruikelijke wijze zorg voor de
bekendmaking van de regeling.
3. Het bepaalde in het eerste en
tweede lid is mede van toepassing op besluiten tot wijziging,
verlenging of opheffing van de regeling, alsmede op besluiten tot
toetreding en uittreding.
4. Het bestuur van het openbaar
lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt een besluit tot
verandering in de overgedragen bevoegdheden, dat tot stand is
gekomen met toepassing van artikel 10, tweede lid, tweede volzin,
aan gedeputeerde staten. Indien aan de regeling ook gemeenten
deelnemen die in andere provincies zijn gelegen, wordt dit besluit
tevens toegezonden aan gedeputeerde staten van die provincies.
Artikel 27
1. Burgemeester en wethouders
houden een register bij van de regelingen waaraan hun gemeente
deelneemt.
2. In de registers worden in ieder
geval vermeld:
a. de deelnemers
b. de wettelijke voorschriften
waardoor de bevoegdheden van het samenwerkingsverband worden
beheerst
c. de bevoegdheden die bij de
regeling dan wel, met toepassing van artikel 10, tweede lid
tweede volzin, krachtens de regeling zijn overgedragen
d. het adres en de plaats van
vestiging
e. of een openbaar lichaam of
een gemeenschappelijk orgaan is ingesteld.
3. De registers liggen voor een
ieder kosteloos ter inzage. Aan een ieder worden op diens verzoek
afschriften van of uittreksels uit hetgeen in de registers is
ingeschreven ter beschikking gesteld.
4. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de
inrichting van de registers.
Artikel 28
1. Geschillen omtrent de
toepassing, in de ruimste zin, van een regeling tussen besturen
van deelnemende gemeenten of tussen besturen van een of meer
gemeenten en het bestuur van het openbaar lichaam of het
gemeenschappelijk orgaan worden door gedeputeerde staten beslist,
voor zover zij niet behoren tot die, vermeld in artikel 112,
eerste lid van de Grondwet of tot die, waarvan de beslissing
krachtens artikel 112, tweede lid van de Grondwet is opgedragen
hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet
tot de rechterlijke macht behoren.
2. Gedeputeerde staten kunnen bij
de beslissing van het geschil het desbetreffende bestuur opdragen
een besluit te nemen met inachtneming van het in hun beslissing
bepaalde en binnen een daartoe te stellen termijn. Indien binnen
de gestelde termijn het besluit niet is genomen, geschiedt dit
door gedeputeerde staten.
3. In spoedeisende gevallen kunnen
gedeputeerde staten bij de beslissing van het geschil in de plaats
van het desbetreffende bestuur een besluit als bedoeld in het
tweede lid nemen.
Artikel 29
Indien de deelnemende gemeenten in
meer dan één provincie zijn gelegen, worden de bevoegdheden van
gedeputeerde staten met betrekking tot het openbaar lichaam of het
gemeenschappelijk orgaan uitgeoefend door gedeputeerde staten van de
provincie, waarin de plaats van vestiging is gelegen. Gedeputeerde
staten plegen hierbij overleg met gedeputeerde staten van elke
andere provincie waarin deelnemende gemeenten zijn gelegen.
Besluiten die aan gedeputeerde staten dienen te worden meegedeeld,
worden tevens meegedeeld aan gedeputeerde staten van elke andere
betrokken provincie.
§ 3. Bevoegdheden bij regelingen
tussen gemeenten
Artikel 30
1. Aan het bestuur van het openbaar
lichaam of aan het gemeenschappelijk orgaan kunnen bij de regeling
ten aanzien van de belangen ter behartiging waarvan zij wordt
getroffen, en voor het gebied waarvoor zij geldt, zodanige
bevoegdheden van regeling en bestuur worden overgedragen als aan
de besturen van de aan de regeling deelnemende gemeenten toekomen,
met dien verstande dat:
a. aan het bestuur van het
openbaar lichaam niet de bevoegdheid kan worden overgedragen
andere belastingen te heffen dan de belasting, bedoeld in
artikel 228 van de Gemeentewet, de rioolheffing, bedoeld in
artikel 228a van de Gemeentewet, de rechten bedoeld in artikel
229 van de Gemeentewet, de rechten waarvan de heffing
krachtens andere wetten dan de Gemeentewet geschiedt en de
belasting, bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
b. aan het gemeenschappelijk
orgaan niet de bevoegdheid kan worden overgedragen belastingen
te heffen of anderszins algemeen verbindende voorschriften te
geven.
2. Indien toepassing wordt gegeven
aan het bepaalde in het eerste lid wordt daarbij tevens de
verhouding van de overgedragen bevoegdheden tot die van de
besturen van de deelnemende gemeenten geregeld.
3. Voor zover een verordening van
het openbaar lichaam voorziet in hetzelfde onderwerp als een
verordening van een deelnemende gemeente, regelt eerstbedoelde
verordening de onderlinge verhouding. Zij kan bepalen, dat de
verordening der gemeente voor het gehele gebied dan wel voor een
gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk ophoudt te gelden.
Artikel 31
Bij de regeling kunnen beperkingen
worden aangebracht in de bevoegdheden die het openbaar lichaam van
rechtswege bezit om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen.
Artikel 32
Een verordening van het openbaar
lichaam tot heffing van een belasting regelt, voor welke colleges of
ambtenaren de bevoegdheden, bedoeld in hoofdstuk XV van de
Gemeentewet, zullen gelden.
Artikel 33
1. Ten aanzien van de bevoegdheden
van het bestuur van het openbaar lichaam of die van het
gemeenschappelijk orgaan zijn van overeenkomstige toepassing de
regels, in de ruimste zin, welke bij of krachtens de wet zijn
gesteld voor de verdeling van de bevoegdheden van de
gemeentebesturen over de gemeentelijke bestuursorganen, voor de
uitoefening van die bevoegdheden, alsmede voor het toezicht
daarop. Dit geldt niet voor zover daarvan bij of krachtens deze
wet is afgeweken.
2. De besturen van de deelnemende
gemeenten kunnen bij de regeling beperkingen aanbrengen in de
bevoegdheden die door het bestuur van het openbaar lichaam
onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan zouden kunnen
worden ontleend aan de regelen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 34
1. Het algemeen bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan stelt de
begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij
dient.
2. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder
geval vóór 15 juli van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de
begroting dient, aan gedeputeerde staten.
3. Het algemeen bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan stelt de
jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze
betrekking heeft.
4. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder
geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de
jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.
Artikel 34a
1. Indien het openbaar lichaam een
specifieke uitkering als bedoeld in artikel 15a van de
Financiële-verhoudingswet ontvangt van het Rijk of middelen
ontvangt van de deelnemende gemeenten, die afkomstig zijn uit een
specifieke uitkering, zijn de artikelen, 17a en 17b van de
Financiële-verhoudingswet op de informatie ten behoeve van de
verantwoording over deze middelen, van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat:
a. voor gedeputeerde staten en
het college van burgemeester en wethouders wordt gelezen: het
dagelijks bestuur van het openbaar lichaam;
b. de in artikel 17b, derde
lid, van de Financiële-verhoudingswet bedoelde opschorting
betrekking heeft op de betalingen op grond van artikel 15,
eerste lid, Financiële-verhoudingswet aan de gemeenten die
aan de regeling deelnemen.
2. De ingevolge artikel 186, tweede
lid, aanhef en onder b, en derde lid, van de Gemeentewet gestelde
regels, alsmede het vierde tot en met het achtste lid van dat
artikel, zijn van overeenkomstige toepassing op het openbaar
lichaam, met dien verstande dat:
a. voor het college wordt
gelezen: het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam;
b. de in artikel 186, achtste
lid, van de Gemeentewet bedoelde opschorting betrekking heeft
op de betalingen op grond van artikel 15, eerste lid,
Financiële-verhoudingswet aan de gemeenten die aan de
regeling deelnemen.
Artikel 35
1. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
ontwerp-begroting zes weken voordat zij aan het algemeen bestuur
wordt aangeboden, onderscheidenlijk zes weken voordat zij door het
gemeenschappelijk orgaan wordt vastgesteld, toe aan de raden van
de deelnemende gemeenten.
2. De ontwerp-begroting wordt door
de zorg van de besturen van de deelnemende gemeenten voor een
ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen
verkrijgbaar gesteld. Artikel 190, tweede en derde lid, van de
Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.
3. De raden van de deelnemende
gemeenten kunnen bij het dagelijks bestuur van het openbaar
lichaam onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan hun
zienswijze over de ontwerp-begroting naar voren brengen. Het
dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is
vervat bij de ontwerp-begroting, zoals deze aan het algemeen
bestuur wordt aangeboden.
4. Nadat deze is vastgesteld, zendt
het algemeen bestuur van het openbaar lichaam onderscheidenlijk
het gemeenschappelijk orgaan, zo nodig, de begroting aan de raden
van de deelnemende gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten
hun zienswijze naar voren kunnen brengen.
5. Het bepaalde in het eerste,
derde en vierde lid is mede van toepassing op besluiten tot
wijziging van de begroting. In de gemeenschappelijke regeling kan
worden bepaald ten aanzien van welke categorieën
begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken.
§ 4 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 36 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 37 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 38 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 39 [Vervallen per 01-01-2006]
Hoofdstuk II. Regelingen tussen
provincies
§ 1. Bevoegdheid tot het treffen van
een regeling
Artikel 40
1. Provinciale staten, gedeputeerde
staten en de commissarissen van de Koning van twee of meer
provincies kunnen afzonderlijk of te zamen, ieder voor zover zij
voor de eigen provincie bevoegd zijn, een gemeenschappelijke
regeling treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen
van die provincies.
2. De colleges van gedeputeerde
staten en de commissarissen van de Koning gaan niet over tot het
treffen van een regeling dan na verkregen toestemming van
provinciale staten. De toestemming kan slechts worden onthouden
wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
3. Onder het treffen van een
regeling wordt in dit artikel mede verstaan het wijzigen van, het
toetreden tot en het uittreden uit een regeling.
§ 2. Algemene bepalingen
Artikel 41
1. De artikelen 8 tot en met 27
zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel
20, vierde lid, en met dien verstande dat:
a. bij de toepassing van
artikel 16, zesde lid, voor artikel 25 van de Gemeentewet
wordt gelezen artikel 25 van de Provinciewet;
b. de ontheffing bedoeld in
artikel 20, tweede lid, wordt verleend door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken;
c. bij de toepassing van
artikel 21, vijfde lid, voor artikel 99 van de Gemeentewet
wordt gelezen artikel 96 van de Provinciewet;
d. bij de toepassing van
artikel 22, eerste lid, voor de artikelen 16, 17, 19, 20, 22,
26 en 28 tot en met 33 van de Gemeentewet worden gelezen de
artikelen 16, 17, 19, 20, 22, 26 en 28 tot en met 33 van de
Provinciewet;
e. bij de toepassing van
artikel 24, eerste lid, voor artikel 94 van de Gemeentewet
wordt gelezen artikel 92 van de Provinciewet;
f. bij de toepassing van
artikel 24, vierde lid, voor de artikelen 96 tot en met 99 van
de Gemeentewet worden gelezen de artikelen 93 tot en met 96
van de Provinciewet.
g. bij de toepassing van
artikel 25, eerste lid, voor de artikelen 94 en 139 tot en met
144 van de Gemeentewet wordt gelezen de artikelen 92 en 136
tot en met 140 van de Provinciewet;
h. bij de toepassing van
artikel 25, eerste lid jo artikel 21, vijfde lid, voor artikel
99 van de Gemeentewet wordt gelezen artikel 96 van de
Provinciewet;
i. bij de toepassing van
artikel 26, vierde lid, eerste volzin, voor gedeputeerde
staten wordt gelezen gedeputeerde staten van de provincie,
waarin de plaats van vestiging gelegen is;
j. bij de toepassing van
artikel 27, eerste lid, voor«Burgemeester en wethouders»
wordt gelezen«Gedeputeerde staten» en voor «hun gemeente»:
hun provincie.
2. Wanneer is gehandeld in strijd
met het bepaalde in het eerste lid juncto artikel 20, eerste lid,
is artikel X 7, eerste tot en met vijfde lid, van de Kieswet van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-1994]
§ 3. Bevoegdheden van openbare
lichamen en gemeenschappelijke organen
Artikel 43
1. Aan het bestuur van het openbaar
lichaam of aan het gemeenschappelijk orgaan kunnen bij de regeling
ten aanzien van de belangen ter behartiging waarvan zij wordt
getroffen en voor het gebied waarvoor zij geldt, zodanige
bevoegdheden van regeling en bestuur worden overgedragen als aan
de besturen van de deelnemende provincies toekomen, met dien
verstande dat:
a. aan het bestuur van het
openbaar lichaam niet de bevoegdheid kan worden overgedragen
andere belastingen te heffen dan de belasting, bedoeld in
artikel 222c van de Provinciewet, de rechten, bedoeld in
artikel 223 van de Provinciewet, en de rechten waarvan de
heffing krachtens bijzondere wetten geschiedt;
b. aan het gemeenschappelijk
orgaan niet de bevoegdheid kan worden overgedragen belastingen
te heffen of anderszins algemeen verbindende voorschriften te
geven.
2. Indien toepassing wordt gegeven
aan het bepaalde in het eerste lid wordt daarbij tevens de
verhouding van de overgedragen bevoegdheden tot die van de
besturen van de deelnemende provincies geregeld.
3. Voor zover een verordening van
het openbaar lichaam voorziet in hetzelfde onderwerp als een
verordening van een deelnemende provincie, regelt eerstbedoelde
verordening de onderlinge verhouding. Zij kan bepalen, dat de
verordening der provincie voor het gehele gebied, dan wel voor een
gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk ophoudt te gelden.
Artikel 44
Bij de regeling kunnen beperkingen
worden aangebracht in de bevoegdheden die het openbaar lichaam van
rechtswege bezit om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen.
Artikel 45
Een verordening van het openbaar
lichaam tot heffing van een belasting regelt, voor welke colleges of
ambtenaren de bevoegdheden, bedoeld in hoofdstuk XV van de
Provinciewet, zullen gelden.
Artikel 46
1. Ten aanzien van de bevoegdheden
van het bestuur van het openbaar lichaam of die van het
gemeenschappelijk orgaan zijn van overeenkomstige toepassing de
regels, in de ruimste zin, welke bij of krachtens de wet zijn
gesteld voor de verdeling van de bevoegdheden van de provinciale
besturen over de provinciale bestuursorganen, voor de uitoefening
van die bevoegdheden, alsmede voor het toezicht daarop. Dit geldt
niet voor zover daarvan bij of krachtens deze wet is afgeweken.
2. De besturen van de deelnemende
provincies kunnen bij de regeling beperkingen aanbrengen in de
bevoegdheden die door het bestuur van het openbaar lichaam
onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan zouden kunnen
worden ontleend aan de regels, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 47
1. Het algemeen bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan stelt de
begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij
dient.
2. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder
geval vóór 15 juli van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de
begroting dient, aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken.
3. Het algemeen bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan stelt de
jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze
betrekking heeft.
4. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder
geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de
jaarrekening betrekking heeft, aan Onze Minister van Binnenlandse
Zaken.
Artikel 47a
1. Indien het openbaar lichaam een
specifieke uitkering als bedoeld in artikel 15a van de
Financiële-verhoudingswet, ontvangt van het Rijk of middelen
ontvangt van de deelnemende provincies, die afkomstig zijn uit een
specifieke uitkering, zijn de artikelen 17a en 17b van de
Financiële-verhoudingswet op de informatie ten behoeve van de
verantwoording over deze middelen, van overeenkomstige toepassing
op het openbaar lichaam, met dien verstande dat:
a. voor gedeputeerde staten en
het college van burgemeester en wethouders wordt gelezen: het
dagelijks bestuur van het openbaar lichaam;
b. de in artikel 17b, derde
lid, van de Financiële-verhoudingswet bedoelde opschorting
betrekking heeft op de betalingen op grond van artikel 15,
eerste lid, Financiële-verhoudingswet aan de provincies die
aan de regeling deelnemen.
2. De ingevolge artikel 190, tweede
lid, aanhef en onder b, en derde lid, van de Provinciewet gestelde
regels, alsmede het vierde tot en met het achtste lid van dat
artikel, zijn van overeenkomstige toepassing op het openbaar
lichaam, met dien verstande dat:
a. voor gedeputeerde staten
wordt gelezen: het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam;
b. de in artikel 190, achtste
lid, van de Provinciewet bedoelde opschorting betrekking heeft
op de betalingen op grond van artikel 15, eerste lid,
Financiële-verhoudingswet aan de provincies die aan de
regeling deelnemen.
Artikel 48
1. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
ontwerp-begroting zes weken voordat zij aan het algemeen bestuur
wordt aangeboden, onderscheidenlijk zes weken voordat zij door het
gemeenschappelijk orgaan wordt vastgesteld, toe aan provinciale
staten van de deelnemende provincies.
2. De ontwerp-begroting wordt door
de zorg van de besturen van de deelnemende provincies voor een
ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen
verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de
verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving.
3. Provinciale staten van de
deelnemende provincies kunnen bij het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan
hun zienswijze over de ontwerp-begroting naar voren brengen. Het
dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is
vervat bij de ontwerp-begroting, zoals deze aan het algemeen
bestuur wordt aangeboden.
4. Nadat deze is vastgesteld, zendt
het algemeen bestuur van het openbaar lichaam, onderscheidenlijk
het gemeenschappelijk orgaan, zo nodig, de begroting aan
provinciale staten der deelnemende provincies, die ter zake bij
Onze Minister van Binnenlandse Zaken hun zienswijze naar voren
kunnen brengen.
5. Het bepaalde in het eerste,
derde en vierde lid is mede van toepassing op besluiten tot
wijziging van de begroting. In de gemeenschappelijke regeling kan
worden bepaald ten aanzien van welke categorieën
begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken.
Artikel 49 [Vervallen per 01-02-1990]
Hoofdstuk III. Regelingen tussen
waterschappen
§ 1. Bevoegdheid tot het treffen van
een regeling
Artikel 50
1. De algemene besturen, de
dagelijkse besturen en de voorzitters van twee of meer
waterschappen kunnen afzonderlijk of tezamen, ieder voor zover zij
voor het eigen waterschap bevoegd zijn, een gemeenschappelijke
regeling treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen
van die waterschappen.
2. De dagelijkse besturen en de
voorzitters van waterschappen gaan niet over tot het treffen van
een regeling dan na verkregen toestemming van de algemene besturen
van de waterschappen.De toestemming kan slechts worden onthouden
wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
3. Onder het treffen van een
regeling wordt in dit artikel mede verstaan het wijzigen van, het
toetreden tot en het uittreden uit een regeling.
§ 2. Algemene bepalingen
Artikel 50a
1. De artikelen 8 tot en met 24 en
26 tot en met 29 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat:
a. bij de toepassing van
artikel 16, zesde lid, voor de woorden "artikel 25 van de
Gemeentewet" wordt gelezen: het reglement van het
waterschap dat het lid heeft aangewezen;
b. bij de toepassing van
artikel 21, vijfde lid, voor de woorden "Artikel 99 van
de Gemeentewet" wordt gelezen: Hetgeen in de voor de
deelnemende waterschappen geldende reglementen overigens
omtrent vergoedingen en tegemoetkomingen is bepaald;
c. bij de toepassing van
artikel 22, eerste lid, voor de woorden "De artikelen 16,
17, 19, 20, 22, 26 en 28 tot en met 33 van de
Gemeentewet" wordt gelezen: De desbetreffende bepalingen
uit de voor de deelnemende waterschappen geldende reglementen;
d. bij de toepassing van
artikel 27, eerste lid, voor«Burgemeester en wethouders»
wordt gelezen«Gedeputeerde staten» en voor «hun gemeente»:
in hun provincie gelegen waterschappen.
2. Wanneer bij de toepassing van
voor de deelnemende waterschappen geldende reglementen als bedoeld
in het vorige lid, onderdeel b en c en in artikel 50e de
desbetreffende bepalingen in die reglementen onderling
verschillen, wordt in de regeling aangegeven welke bepalingen van
toepassing zijn.
§ 3. Bevoegdheden van openbare
lichamen en gemeenschappelijke organen
Artikel 50b
1. Aan het bestuur van het openbaar
lichaam of aan het gemeenschappelijk orgaan kunnen bij de regeling
ten aanzien van de belangen ter behartiging waarvan zij wordt
getroffen en voor het gebied waarvoor zij geldt, zodanige
bevoegdheden van regeling en bestuur worden overgedragen als aan
de besturen van de deelnemende waterschappen toekomen, met dien
verstande dat:
a. aan het bestuur van een
openbaar lichaam niet de bevoegdheid kan worden overgedragen
andere belastingen te heffen dan de rechten bedoeld in artikel
115 van de Waterschapswet (Stb. 1991, 444) alsmede de
bijdragen bedoeld in artikel 113, tweede lid, van de
Waterschapswet,
b. aan het gemeenschappelijk
orgaan niet de bevoegdheid kan worden overgedragen belastingen
te heffen of anderszins algemeen verbindende voorschriften te
geven.
2. Indien toepassing wordt gegeven
aan het eerste lid, wordt daarbij tevens de verhouding van de
overgedragen bevoegdheden tot die van de besturen van de
deelnemende waterschappen geregeld.
3. Voor zover een verordening van
het openbaar lichaam voorziet in hetzelfde onderwerp als een
verordening van een deelnemend waterschap, regelt eerstbedoelde
verordening de onderlinge verhouding. Zij kan bepalen, dat de
verordening van het waterschap voor het gehele gebied, dan wel een
gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk ophoudt te gelden.
Artikel 50c
Bij de regeling kunnen beperkingen
worden aangebracht in de bevoegdheden die het openbaar lichaam van
rechtswege bezit om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen.
Artikel 50d
Een verordening van het openbaar
lichaam tot heffing van een belasting regelt voor welke colleges of
ambtenaren de bevoegdheden, bedoeld in hoofdstuk XVIII van de
Waterschapswet, zullen gelden.
Artikel 50e
1. Ten aanzien van de bevoegdheden
van het bestuur van het openbaar lichaam of die van het
gemeenschappelijk orgaan zijn van overeenkomstige toepassing de
regels, in de ruimste zin, welke bij of krachtens de wet zijn
gesteld ten aanzien van de verdeling van de bevoegdheden van de
deelnemende waterschappen over hun bestuursorganen, voor de
uitoefening van die bevoegdheden, alsmede voor het toezicht
daarop. Dit geldt niet voor zover daarvan bij of krachtens deze
wet is afgeweken.
2. De besturen van de deelnemende
waterschappen kunnen bij de regeling beperkingen aanbrengen in de
bevoegdheden die door het bestuur van het openbaar lichaam,
onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan zouden kunnen
worden ontleend aan de regelen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 50f
1. Het algemeen bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan stelt de
begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij
dient.
2. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
begroting binnen vier weken na de vaststelling, doch in ieder
geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor
de begroting dient, aan gedeputeerde staten.
3. Het algemeen bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan stelt de
jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze
betrekking heeft.
4. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder
geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de
jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.
Artikel 50g
1. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
ontwerp-begroting zes weken voordat zij aan het algemeen bestuur
wordt aangeboden, onderscheidenlijk zes weken voordat zij door het
gemeenschappelijk orgaan wordt vastgesteld, toe aan de algemene
besturen van de deelnemende waterschappen.
2. De ontwerp-begroting wordt door
de zorg van de deelnemende waterschappen voor een ieder ter inzage
gelegd en tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gesteld.
Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling geschiedt
openbare kennisgeving.
3. De algemene besturen van de
deelnemende waterschappen kunnen bij het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan
hun zienswijze over de ontwerp-begroting naar voren brengen. Het
dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is
vervat bij de ontwerp-begroting, zoals deze aan het algemeen
bestuur wordt aangeboden.
4. Nadat deze is vastgesteld, zendt
het algemeen bestuur van het openbaar lichaam, onderscheidenlijk
het gemeenschappelijk orgaan, zo nodig, de begroting aan de
algemene besturen van de deelnemende waterschappen, die terzake
bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.
5. Het bepaalde in het eerste, het
derde en het vierde lid is mede van toepassing op besluiten tot
wijziging van de begroting. In de gemeenschappelijke regeling kan
worden bepaald ten aanzien van welke categorieën
begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken.
§ 4. Goedkeuring van regelingen
Artikel 50h
Een regeling behoeft de goedkeuring
van gedeputeerde staten indien gebruik is gemaakt van een
bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 50a juncto 8, danwel indien
één der voor de deelnemende waterschappen geldende reglementen dat
voorschrijft.
Artikel 50i
Een regeling waaraan in verschillende
provincies gelegen waterschappen deelnemen behoeft, indien gebruik
is gemaakt van een bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 50a
juncto 8, de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie,
waarin de plaats van vestiging is gelegen, de andere betrokken
colleges van gedeputeerde staten gehoord.
Artikel 50j
De in artikel 50i bedoelde
goedkeuring treedt in de plaats van de goedkeuring door gedeputeerde
staten, bedoeld in artikel 50h.
Artikel 50k
1. Op wijziging van, alsmede
uittreding uit en toetreding tot een regeling als bedoeld in
artikel 50h, zijn de artikelen 50h, 50i en 50j van overeenkomstige
toepassing.
2. Een besluit tot opheffing van
een regeling wordt aan gedeputeerde staten toegezonden.
Hoofdstuk IV. Regelingen tussen
gemeenten en provincies
§ 1. Bevoegdheid tot het treffen van
een regeling
Artikel 51
1. De raden, de colleges van
burgemeester en wethouders en de burgemeesters van een of meer
gemeenten kunnen, afzonderlijk of te zamen, met provinciale
staten, de colleges van gedeputeerde staten of de commissarissen
van de Koning, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente,
onderscheidenlijk provincie bevoegd zijn, een gemeenschappelijke
regeling treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen
van die gemeenten of provincies.
2. Een college van burgemeester en
wethouders en een burgemeester, onderscheidenlijk een college van
gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning gaat niet over
tot het treffen van een regeling dan na verkregen toestemming van
de gemeenteraad, onderscheidenlijk provinciale staten. De
toestemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het
recht of het algemeen belang.
3. Onder het treffen van een
regeling wordt in dit artikel mede verstaan het wijzigen van, het
toetreden tot en het uittreden uit een regeling.
Artikel 51a [Vervallen per
01-01-2006]
§ 2. Algemene bepalingen
Artikel 52
1. De artikelen 8 tot en met 27
zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel
20, vierde lid, en met dien verstande dat:
a. bij de toepassing van
artikel 16, zesde lid, voor de woorden "artikel 25 van de
Gemeentewet" wordt gelezen: het bepaalde voor het orgaan
dat het lid heeft aangewezen;
b. de ontheffing bedoeld in
artikel 20, tweede lid, wordt verleend door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken;
c. bij de toepassing van
artikel 21, vijfde lid, voor artikel 99 van de Gemeentewet
wordt gelezen artikel 96 van de Provinciewet;
d. bij de toepassing van
artikel 22, eerste lid, voor de artikelen 16, 17, 19, 20, 22,
26 en 28 tot en met 33 van de Gemeentewet worden gelezen de
artikelen 16, 17, 19, 20, 22, 26 en 28 tot en met 33 van de
Provinciewet;
e. bij de toepassing van
artikel 24, eerste lid, voor artikel 94 van de Gemeentewet
wordt gelezen artikel 92 van de Provinciewet;
f. bij de toepassing van
artikel 24, vierde lid, voor de artikelen 96 tot en met 99 van
de Gemeentewet worden gelezen de artikelen 93 tot en met 96
van de Provinciewet;
g. bij de toepassing van
artikel 25, eerste lid, voor de artikelen 94 en 139 tot en met
144 van de Gemeentewet wordt gelezen de artikelen 92 en 136
tot en met 140 van de Provinciewet;
h. bij de toepassing van
artikel 25, eerste lid jo artikel 21, vijfde lid, voor artikel
99 van de Gemeentewet wordt gelezen artikel 96 van de
Provinciewet;
i. bij de toepassing van
artikel 26, vierde lid, eerste volzin, voor gedeputeerde
staten wordt gelezen gedeputeerde staten van de provincie,
waarin de plaats van vestiging gelegen is;
j. bij de toepassing van
artikel 27, eerste lid, voor«Burgemeester en wethouders»
wordt gelezen«Gedeputeerde staten» en voor «hun gemeente»:
hun provincie.
2. Wanneer is gehandeld in strijd
met het bepaalde in het eerste lid juncto artikel 20, eerste lid,
is artikel X 7, eerste tot en met vijfde lid, van de Kieswet van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 53 [Vervallen per 01-01-1994]
§ 3. Bevoegdheden van openbare
lichamen en gemeenschappelijke organen
Artikel 54
1. Aan het bestuur van het openbaar
lichaam of aan het gemeenschappelijk orgaan kunnen bij de regeling
ten aanzien van de belangen ter behartiging waarvan zij is
getroffen en voor het gebied waarvoor zij geldt, zodanige
bevoegdheden van regeling en bestuur worden overgedragen, als aan
de besturen van de deelnemende gemeenten en provincies met
betrekking tot hun eigen gemeente, onderscheidenlijk provincie
toekomen, met dien verstande dat:
a. aan het bestuur van het
openbaar lichaam niet de bevoegdheid kan worden overgedragen
andere belastingen te heffen dan de rioolheffing, bedoeld in
artikel 228a van de Gemeentewet en de rechten, bedoeld in
artikel 229, eerste lid, onder a en b, van de Gemeentewet en
in artikel 223 van de Provinciewet, de belasting, bedoeld in
artikel 222c van de Provinciewet, de rechten waarvan heffing
krachtens bijzondere wetten geschiedt en de heffing bedoeld in
artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;
b. aan het gemeenschappelijk
orgaan niet de bevoegdheid kan worden overgedragen belastingen
te heffen of anderszins algemeen verbindende voorschriften te
geven.
2. Indien toepassing wordt gegeven
aan het bepaalde in het eerste lid, wordt daarbij tevens de
verhouding van de overgedragen bevoegdheden tot die van de
besturen van de deelnemende gemeenten en provincies geregeld.
3. Voor zover een verordening van
het openbaar lichaam voorziet in hetzelfde onderwerp als een
verordening van een deelnemende gemeente of provincie, regelt
eerstbedoelde verordening de onderlinge verhouding. Zij kan
bepalen, dat de verordening van de gemeente of provincie voor het
gehele gebied, dan wel voor een gedeelte daarvan geheel of
gedeeltelijk ophoudt te gelden.
Artikel 55
Bij de regeling kunnen beperkingen
worden aangebracht in de bevoegdheden die het openbaar lichaam van
rechtswege bezit om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen.
Artikel 56
Een verordening van het openbaar
lichaam tot heffing van een belasting regelt, voor welke colleges of
ambtenaren de bevoegdheden, bedoeld in hoofdstuk XV van de
Gemeentewet en die bedoeld in hoofdstuk XV van de Provinciewet,
zullen gelden.
Artikel 57
1. Ten aanzien van de bevoegdheden
van het bestuur van het openbaar lichaam of die van het
gemeenschappelijk orgaan zijn van overeenkomstige toepassing de
regels, in de ruimste zin, welke bij of krachtens de wet zijn
gesteld voor de verdeling van de bevoegdheden van de provinciale
besturen over de provinciale bestuursorganen, voor de uitoefening
van die bevoegdheden, alsmede voor het toezicht daarop. Dit geldt
niet voor zover daarvan bij of krachtens deze wet is afgeweken.
2. Indien en voor zover de in het
eerste lid bedoelde bevoegdheden van het bestuur van een openbaar
lichaam en die van een gemeenschappelijk orgaan uitsluitend door
de besturen van de deelnemende gemeenten zijn overgedragen zijn
daarop, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, van
overeenkomstige toepassing de regels, in de ruimste zin, welke bij
of krachtens de wet zijn gesteld voor de verdeling van de
bevoegdheden van de gemeentebesturen over de gemeentelijke
bestuursorganen, voor de uitoefening van die bevoegdheden, alsmede
voor het toezicht daarop.
3. Bij de regeling kunnen
beperkingen worden aangebracht in de bevoegdheden die door het
bestuur van het openbaar lichaam onderscheidenlijk het
gemeenschappelijk orgaan zouden kunnen worden ontleend aan de
regels, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 58
1. Het algemeen bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan stelt de
begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij
dient.
2. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder
geval vóór 15 juli van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de
begroting dient, aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken.
3. Het algemeen bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan stelt de
jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze
betrekking heeft.
4. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder
geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de
jaarrekening betrekking heeft, aan Onze Minister van Binnenlandse
Zaken.
Artikel 58a
1. Indien het openbaar lichaam een
specifieke uitkering als bedoeld in artikel 15a van de
Financiële-verhoudingswet ontvangt van het Rijk of middelen
ontvangt van de deelnemende provincies en gemeenten, die afkomstig
zijn uit een specifieke uitkering, zijn de artikelen 17a en 17b
van de Financiële-verhoudingswet op de informatie ten behoeve van
de verantwoording over deze middelen, van overeenkomstige
toepassing op het openbaar lichaam, met dien verstande dat:
a. voor gedeputeerde staten en
het college van burgemeester en wethouders wordt gelezen: het
dagelijks bestuur van het openbaar lichaam;
b. de in artikel 17b, derde
lid, van de Financiële-verhoudingswet bedoelde opschorting
betrekking heeft op de betalingen op grond van artikel 15,
eerste lid, Financiële-verhoudingswet aan de provincies en
gemeenten die aan de regeling deelnemen.
2. De ingevolge artikel 186, tweede
lid, aanhef en onder b, en derde lid, van de Gemeentewet gestelde
regels, alsmede het vierde tot en met het achtste lid van dat
artikel, zijn van overeenkomstige toepassing op het openbaar
lichaam, met dien verstande dat:
a. voor het college wordt
gelezen: het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam;
b. de in artikel 186, achtste
lid, van de Gemeentewet bedoelde opschorting betrekking heeft
op de betalingen op grond van artikel 15, eerste lid,
Financiële-verhoudingswet aan de provincies en gemeenten die
aan de regeling deelnemen.
Artikel 59
1. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
ontwerp-begroting zes weken voordat zij aan het algemeen bestuur
wordt aangeboden, onderscheidenlijk zes weken voordat zij door het
gemeenschappelijk orgaan wordt vastgesteld, toe aan de raden van
de deelnemende gemeenten en aan provinciale staten van de
deelnemende provincies.
2. De ontwerp-begroting wordt door
de zorg van de deelnemende gemeenten en provincies voor een ieder
ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen
verkrijgbaar gesteld. Artikel 190, tweede en derde lid, van de
Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.
3. De raad van een deelnemende
gemeente en provinciale staten van een deelnemende provincie
kunnen bij het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam
onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan hun zienswijze over
de ontwerp-begroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur
voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de
ontwerp-begroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt
aangeboden.
4. Nadat deze is vastgesteld, zendt
het algemeen bestuur van het openbaar lichaam, onderscheidenlijk
het gemeenschappelijk orgaan, zo nodig, de begroting aan de raden
der deelnemende gemeenten en de staten der deelnemende provincies,
die ter zake bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken hun
zienswijze naar voren kunnen brengen.
5. Het bepaalde in het eerste,
derde en vierde lid is mede van toepassing op besluiten tot
wijziging van de begroting. In de gemeenschappelijke regeling kan
worden bepaald ten aanzien van welke categorieën
begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken.
Artikel 60 [Vervallen per 01-02-1990]
Hoofdstuk V. Regelingen tussen
gemeenten en waterschappen
§ 1. Bevoegdheid tot het treffen van
een regeling
Artikel 61
1. De raden, de colleges van
burgemeester en wethouders en de burgemeesters van een of meer
gemeenten kunnen, afzonderlijk of te zamen, met de algemene
besturen, de dagelijkse besturen en de voorzitters van een of meer
waterschappen, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente,
onderscheidenlijk het eigen waterschap bevoegd zijn, een
gemeenschappelijke regeling treffen ter behartiging van een of
meer bepaalde belangen van die gemeenten of waterschappen.
2. Een college van burgemeester en
wethouders, en een burgemeester, onderscheidenlijk een dagelijks
bestuur en een voorzitter van een waterschap gaan niet over tot
het treffen van een regeling dan na verkregen toestemming van de
gemeenteraad, onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het
waterschap. De toestemming kan slechts worden onthouden wegens
strijd met het recht of het algemeen belang.
3. Onder het treffen van een
regeling wordt in dit artikel mede verstaan het wijzigen van, het
toetreden tot en het uittreden uit een regeling.
§ 2. Algemene bepalingen
Artikel 62
De artikelen 8 tot en met 29 zijn van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat bij de toepassing
van artikel 16, zesde lid, voor de woorden "artikel 25 van de
Gemeentewet" wordt gelezen: het bepaalde voor het orgaan dat
het lid heeft aangewezen.
§ 3. Bevoegdheden van openbare
lichamen en gemeenschappelijke organen
Artikel 63
1. Aan het bestuur van het openbaar
lichaam of aan het gemeenschappelijk orgaan kunnen bij de regeling
ten aanzien van de belangen ter behartiging waarvan zij wordt
getroffen en voor het gebied waarvoor zij geldt, zodanige
bevoegdheden van regeling en bestuur worden overgedragen als aan
de besturen van de deelnemende gemeenten en waterschappen
toekomen, met dien verstande dat:
a. aan het nieuwe bestuur van
het openbaar lichaam niet de bevoegdheid kan worden
overgedragen andere belastingen te heffen dan de rioolheffing,
bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet en de rechten,
bedoeld in artikel 229, eerste lid, onder a en b, van de
Gemeentewet en de rechten waarvan de heffing krachtens
bijzondere wetten geschiedt;
b. aan het gemeenschappelijk
orgaan niet de bevoegdheid kan worden overgedragen belastingen
te heffen of anderszins algemeen verbindende voorschriften te
geven.
2. Indien toepassing wordt gegeven
aan het bepaalde in het eerste lid wordt daarbij tevens de
verhouding van de overgedragen bevoegdheden tot die van de
besturen van de deelnemende gemeenten en waterschappen geregeld.
3. Voor zover een verordening van
het openbaar lichaam voorziet in hetzelfde onderwerp als een
verordening van een deelnemende gemeente of van een deelnemend
waterschap, regelt eerstbedoelde verordening de onderlinge
verhouding. Zij kan bepalen, dat de verordening van de gemeente of
van het waterschap voor het gehele gebied, dan wel voor een
gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk ophoudt te gelden.
Artikel 64
Bij de regeling kunnen beperkingen
worden aangebracht in de bevoegdheden die het openbaar lichaam van
rechtswege bezit om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen.
Artikel 65
Een verordening van het openbaar
lichaam tot heffing van een belasting regelt, voor welke colleges of
ambtenaren de bevoegdheden, bedoeld in hoofdstuk XV van de
Gemeentewet, zullen gelden.
Artikel 66
1. Ten aanzien van de bevoegdheden
van het bestuur van het openbaar lichaam of die van het
gemeenschappelijk orgaan zijn van overeenkomstige toepassing de
regels, in de ruimste zin, welke bij of krachtens de wet zijn
gesteld voor de verdeling van de bevoegdheden van de
gemeentebesturen over de gemeentelijke bestuursorganen, voor de
uitoefening van die bevoegdheden, alsmede voor het toezicht
daarop. Dit geldt niet voor zover daarvan bij of krachtens deze
wet is afgeweken.
2. Indien en voor zover de in het
eerste lid bedoelde bevoegdheden van het bestuur van een openbaar
lichaam en die van een gemeenschappelijk orgaan uitsluitend door
de besturen van de deelnemende waterschappen zijn overgedragen
zijn daarop, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, van
overeenkomstige toepassing de regels, in de ruimste zin, welke bij
of krachtens de wet zijn gesteld ten aanzien van de verdeling van
de bevoegdheden van de deelnemende waterschappen over hun
bestuursorganen, voor de uitoefening van die bevoegdheden, alsmede
voor het toezicht daarop.
3. De besturen van de deelnemende
gemeenten en waterschappen kunnen bij de regeling beperkingen
aanbrengen in de bevoegdheden die door het bestuur van het
openbaar lichaam, onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan
zouden kunnen worden ontleend aan de regelen, bedoeld in het
eerste en tweede lid.
Artikel 67
1. Het algemeen bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan stelt de
begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij
dient.
2. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder
geval vóór 15 juli van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de
begroting dient, aan gedeputeerde staten.
3. Het algemeen bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan stelt de
jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze
betrekking heeft.
4. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder
geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de
jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.
Artikel 68
1. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
ontwerp-begroting zes weken voordat zij aan het algemeen bestuur
wordt aangeboden, onderscheidenlijk zes weken voordat zij door het
gemeenschappelijk orgaan wordt vastgesteld, toe aan de raden van
de deelnemende gemeenten en aan de algemene besturen van de
deelnemende waterschappen.
2. De ontwerp-begroting wordt door
de zorg van de deelnemende gemeenten en waterschappen voor een
ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen
verkrijgbaar gesteld. Artikel 190, tweede en derde lid, van de
Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.
3. De raden van de deelnemende
gemeenten en de algemene besturen van de deelnemende waterschappen
kunnen bij het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam
onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan hun zienswijze over
de ontwerp-begroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur
voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de
ontwerp-begroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt
aangeboden.
4. Nadat deze is vastgesteld, zendt
het algemeen bestuur van het openbaar lichaam, onderscheidenlijk
het gemeenschappelijk orgaan, zo nodig, de begroting aan de raden
van de deelnemende gemeenten en aan de algemene besturen van de
deelnemende waterschappen, die ter zake bij gedeputeerde staten
hun zienswijze naar voren kunnen brengen.
5. Het bepaalde in het eerste,
derde en vierde lid is mede van toepassing op besluiten tot
wijziging van de begroting. In de gemeenschappelijke regeling kan
worden bepaald ten aanzien van welke categorieën
begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken.
§ 4 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 69 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 70 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 71 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 72 [Vervallen per 01-01-2006]
Hoofdstuk VI. Regelingen tussen
gemeenten, provincies en waterschappen
§ 1. Bevoegdheid tot het treffen van
een regeling
Artikel 73
1. De raden, de colleges van
burgemeester en wethouders en de burgemeesters van een of meer
gemeenten kunnen, afzonderlijk of te zamen, met provinciale
staten, de colleges van gedeputeerde staten en de commissarissen
van de Koning van een of meer provincies en de algemene besturen,
de dagelijkse besturen en de voorzitters van een of meer
waterschappen, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente, de
eigen provincie, onderscheidenlijk het eigen waterschap bevoegd
zijn, een gemeenschappelijke regeling treffen ter behartiging van
een of meer bepaalde belangen van die gemeenten, provincies of
waterschappen.
2. Een college van burgemeester en
wethouders en een burgemeester, een college van gedeputeerde
staten en een commissaris van de Koning, onderscheidenlijk een
dagelijks bestuur en een voorzitter van een waterschap gaan niet
over tot het treffen van een regeling dan na verkregen toestemming
van de gemeenteraad, provinciale staten, onderscheidenlijk het
algemeen bestuur van het waterschap. De toestemming kan slechts
worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen
belang.
3. Onder het treffen van een
regeling wordt in dit artikel mede verstaan het wijzigen van, het
toetreden tot en het uittreden uit een regeling.
Artikel 73a [Vervallen per
01-01-2006]
§ 2. Algemene bepalingen
Artikel 74
1. De artikelen 8 tot en met 27
zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel
20, vierde lid, en met dien verstande dat:
a. bij de toepassing van
artikel 16, zesde lid, voor de woorden "artikel 25 van de
Gemeentewet" wordt gelezen: het bepaalde voor het orgaan
dat het lid heeft aangewezen;
b. de ontheffing bedoeld in
artikel 20, tweede lid, wordt verleend door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken;
c. bij de toepassing van
artikel 21, vijfde lid, voor artikel 99 van de Gemeentewet
wordt gelezen artikel 96 van de Provinciewet;
d. bij de toepassing van
artikel 22, eerste lid, voor de artikelen 16, 17, 19, 20, 22,
26 en 28 tot en met 33 van de Gemeentewet worden gelezen de
artikelen 16, 17, 19, 20, 22, 26 en 28 tot en met 33 van de
Provinciewet;
e. bij de toepassing van
artikel 24, eerste lid, voor artikel 94 van de Gemeentewet
wordt gelezen artikel 92 van de Provinciewet;
f. bij de toepassing van
artikel 24, vierde lid, voor de artikelen 96 tot en met 99 van
de Gemeentewet worden gelezen de artikelen 93 tot en met 96
van de Provinciewet;
g. bij de toepassing van
artikel 25, eerste lid, voor de artikelen 94 en 139 tot en met
144 van de Gemeentewet wordt gelezen de artikelen 92 en 136
tot en met 140 van de Provinciewet;
h. bij de toepassing van
artikel 25, eerste lid jo artikel 21, vijfde lid, voor artikel
99 van de Gemeentewet wordt gelezen artikel 96 van de
Provinciewet;
i. bij de toepassing van
artikel 26, vierde lid, eerste volzin, voor gedeputeerde
staten wordt gelezen gedeputeerde staten van de provincie,
waarin de plaats van vestiging gelegen is;
j. bij de toepassing van
artikel 27, eerste lid, voor«Burgemeester en wethouders»
wordt gelezen«Gedeputeerde staten» en voor «hun gemeente»:
hun provincie.
2. Wanneer is gehandeld in strijd
met het bepaalde in het eerste lid juncto artikel 20, eerste lid,
is artikel X 7, eerste tot en met vijfde lid, van de Kieswet van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 75 [Vervallen per 01-01-1994]
§ 3. Bevoegdheden van openbare
lichamen en gemeenschappelijke organen
Artikel 76
1. Aan het bestuur van het openbaar
lichaam of aan het gemeenschappelijk orgaan kunnen bij de regeling
ten aanzien van de belangen ter behartiging waarvan zij is
getroffen en voor het gebied waarvoor zij geldt, zodanige
bevoegdheden van regeling en bestuur worden overgedragen, als aan
de besturen van de deelnemende gemeenten en provincies en van de
deelnemende waterschappen met betrekking tot hun eigen gemeente,
provincie, onderscheidenlijk waterschap toekomen, met dien
verstande dat:
a. aan het bestuur van het
openbaar lichaam niet de bevoegdheid kan worden overgedragen
andere belastingen te heffen dan de rioolheffing, bedoeld in
artikel 228a van de Gemeentewet en de rechten, bedoeld in
artikel 229, eerste lid, onder a en b, van de Gemeentewet en
artikel 223 van de Provinciewet, de belasting, bedoeld in
artikel 222c van de Provinciewet, en de rechten waarvan de
heffing krachtens bijzondere wetten geschiedt;
b. aan het gemeenschappelijk
orgaan niet de bevoegdheid kan worden overgedragen belastingen
te heffen of anderszins algemeen verbindende voorschriften te
geven.
2. Indien toepassing wordt gegeven
aan het bepaalde in het eerste lid, wordt daarbij tevens de
verhouding van de overgedragen bevoegdheden tot die van de
besturen van de deelnemende gemeenten en provincies en van de
deelnemende waterschappen geregeld.
3. Voor zover een verordening van
het openbaar lichaam voorziet in hetzelfde onderwerp als een
verordening van een deelnemende gemeente of provincie, of van een
deelnemend waterschap, regelt eerstbedoelde verordening de
onderlinge verhouding. Zij kan bepalen, dat de verordening van de
gemeente, de provincie of het waterschap, voor het gehele gebied,
dan wel voor een gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk ophoudt
te gelden.
Artikel 77
Bij de regeling kunnen beperkingen
worden aangebracht in de bevoegdheden die het openbaar lichaam van
rechtswege bezit om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen.
Artikel 78
Een verordening van het openbaar
lichaam tot heffing van een belasting regelt, voor welke colleges of
ambtenaren de bevoegdheden, bedoeld in hoofdstuk XV van de
Gemeentewet en die bedoeld in hoofdstuk XV van de Provinciewet,
zullen gelden.
Artikel 79
1. Ten aanzien van de bevoegdheden
van het bestuur van het openbaar lichaam en die van het
gemeenschappelijk orgaan zijn van overeenkomstige toepassing de
regels, in de ruimste zin, welke bij of krachtens de wet zijn
gesteld voor de verdeling van de bevoegdheden van de provinciale
besturen over de provinciale bestuursorganen, voor de uitoefening
van die bevoegdheden, alsmede voor het toezicht daarop. Dit geldt
niet voor zover daarvan bij of krachtens deze wet is afgeweken.
2. Indien en voor zover de in het
eerste lid bedoelde bevoegdheden van het bestuur van een openbaar
lichaam en die van een gemeenschappelijk orgaan uitsluitend door
de besturen van de deelnemende gemeenten onderscheidenlijk
waterschappen zijn overgedragen zijn daarop, in afwijking van het
bepaalde in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing de
regels, in de ruimste zin, welke bij of krachtens de wet zijn
gesteld voor de verdeling van de bevoegdheden van de deelnemende
gemeenten onderscheidenlijk waterschappen over hun
bestuursorganen, voor de uitoefening van die bevoegdheden, alsmede
voor het toezicht daarop.
3. Bij de regeling kunnen
beperkingen worden aangebracht in de bevoegdheden die door het
bestuur van het openbaar lichaam onderscheidenlijk het
gemeenschappelijk orgaan zouden kunnen worden ontleend aan de
regels, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 80
1. Het algemeen bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan stelt de
begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij
dient.
2. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder
geval vóór 15 juli van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de
begroting dient, aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken.
3. Het algemeen bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan stelt de
jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze
betrekking heeft.
4. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder
geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de
jaarrekening betrekking heeft, aan Onze Minister van Binnenlandse
Zaken.
Artikel 81
1. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
ontwerp-begroting zes weken voordat zij aan het algemeen bestuur
wordt aangeboden, onderscheidenlijk zes weken voordat zij door het
gemeenschappelijk orgaan wordt vastgesteld, toe aan de raden van
de deelnemende gemeenten, aan provinciale staten van de
deelnemende provincies en aan de algemene besturen van de
deelnemende waterschappen.
2. De ontwerp-begroting wordt door
de zorg van de deelnemende gemeenten, provincies en waterschappen
voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten,
algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 190, tweede en derde lid,
van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.
3. De raden van de deelnemende
gemeenten, provinciale staten van de deelnemende provincies en de
algemene besturen van de deelnemende waterschappen kunnen bij het
dagelijks bestuur van het openbaar lichaam onderscheidenlijk het
gemeenschappelijk orgaan hun zienswijze over de ontwerp-begroting
naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren
waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerp-begroting, zoals
deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.
4. Nadat deze is vastgesteld, zendt
het algemeen bestuur van het openbaar lichaam, onderscheidenlijk
het gemeenschappelijk orgaan, zo nodig, de begroting aan de raden
van de deelnemende gemeenten, aan provinciale staten van de
deelnemende provincies en aan de algemene besturen van de
deelnemende waterschappen die ter zake bij Onze Minister van
Binnenlandse Zaken hun zienswijze naar voren kunnen brengen.
5. Het bepaalde in het eerste,
derde en vierde lid is mede van toepassing op besluiten tot
wijziging van de begroting. In de gemeenschappelijke regeling kan
worden bepaald ten aanzien van welke categorieën
begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken.
Artikel 82 [Vervallen per 01-02-1990]
Hoofdstuk VII. Regelingen tussen
provincies en waterschappen
§ 1. Bevoegdheid tot het treffen van
een regeling
Artikel 83
1. Provinciale staten, de colleges
van gedeputeerde staten en de commissarissen van de Koning van een
of meer provincies kunnen, afzonderlijk of te zamen, met de
algemene besturen, de dagelijkse besturen en de voorzitters van
een of meer waterschappen, ieder voorzover zij voor de eigen
provincie, onderscheidenlijk het eigen waterschap bevoegd zijn,
een gemeenschappelijke regeling treffen ter behartiging van een of
meer bepaalde belangen van die provincies of waterschappen.
2. Een college van gedeputeerde
staten en een commissaris van de Koning, onderscheidenlijk een
dagelijks bestuur en een voorzitter van een waterschap gaan niet
over tot het treffen van een regeling dan na verkregen toestemming
van provinciale staten, onderscheidenlijk het algemeen bestuur van
het waterschap. De toestemming kan slechts worden onthouden wegens
strijd met het recht of het algemeen belang.
3. Onder het treffen van een
regeling wordt in dit artikel mede verstaan het wijzigen van, het
toetreden tot en het uittreden uit een regeling.
§ 2. Algemene bepalingen
Artikel 84
1. De artikelen 8-27 zijn van
overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 20,
vierde lid, en met dien verstande dat:
a. bij de toepassing van
artikel 16, zesde lid, voor de woorden "artikel 25 van de
Gemeentewet" wordt gelezen: het bepaalde voor het orgaan
dat het lid heeft aangewezen;
b. de ontheffing bedoeld in
artikel 20, tweede lid, wordt verleend door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken;
c. bij de toepassing van
artikel 21, vijfde lid, voor artikel 99 van de Gemeentewet
wordt gelezen artikel 96 van de Provinciewet;
d. bij de toepassing van
artikel 22, eerste lid, voor de artikelen 16, 17, 19, 20, 22,
26 en 28 tot en met 33 van de Gemeentewet worden gelezen de
artikelen 16, 17, 19, 20, 22, 26 en 28 tot en met 33 van de
Provinciewet;
e. bij de toepassing van
artikel 24, eerste lid, voor artikel 94 van de Gemeentewet
wordt gelezen artikel 92 van de Provinciewet;
f. bij de toepassing van
artikel 24, vierde lid, voor de artikelen 96 tot en met 99 van
de Gemeentewet worden gelezen de artikelen 93 tot en met 96
van de Provinciewet;
g. bij de toepassing van
artikel 25, eerste lid, voor de artikelen 94 en 139 tot en met
144 van de Gemeentewet wordt gelezen de artikelen 92 en 136
tot en met 140 van de Provinciewet;
h. bij de toepassing van
artikel 25, eerste lid jo artikel 21, vijfde lid, voor artikel
99 van de Gemeentewet wordt gelezen artikel 96 van de
Provinciewet;
i. bij de toepassing van
artikel 26, vierde lid, eerste volzin, voor gedeputeerde
staten wordt gelezen gedeputeerde staten van de provincie,
waarin de plaats van vestiging gelegen is;
j. bij de toepassing van
artikel 27, eerste lid, voor«Burgemeester en wethouders»
wordt gelezen«Gedeputeerde staten» en voor «hun gemeente»:
hun provincie.
2. Wanneer is gehandeld in strijd
met het bepaalde in het eerste lid juncto artikel 20, eerste lid,
is artikel X 7, eerste tot en met vijfde lid, van de Kieswet van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 85 [Vervallen per 01-01-1994]
§ 3. Bevoegdheden van openbare
lichamen en gemeenschappelijke organen
Artikel 86
1. Aan het bestuur van het openbaar
lichaam of aan het gemeenschappelijk orgaan kunnen bij de regeling
ten aanzien van de belangen ter behartiging waarvan zij is
getroffen en voor het gebied waarvoor zij geldt, zodanige
bevoegdheden van regeling en bestuur worden overgedragen, als aan
de besturen van de deelnemende provincies en waterschappen met
betrekking tot hun eigen provincie, onderscheidenlijk waterschap
toekomen, met dien verstande dat:
a. aan het bestuur van het
openbaar lichaam niet de bevoegdheid kan worden overgedragen
andere belastingen te heffen dan de rechten, bedoeld in
artikel 223 van de Provinciewet, de belasting, bedoeld in
artikel 222c van de Provinciewet,en de rechten waarvan de
heffing krachtens bijzondere wetten geschiedt;
b. aan het gemeenschappelijk
orgaan niet de bevoegdheid kan worden overgedragen belastingen
te heffen of anderszins algemeen verbindende voorschriften te
geven.
2. Indien toepassing wordt gegeven
aan het bepaalde in het eerste lid, wordt daarbij tevens de
verhouding van de overgedragen bevoegdheden tot die van de
besturen van de aan de regeling deelnemende provincies en
waterschappen geregeld.
3. Voor zover een verordening van
het openbaar lichaam voorziet in hetzelfde onderwerp als een
verordening van een deelnemende provincie of een deelnemend
waterschap, regelt eerstbedoelde verordening de onderlinge
verhouding. Zij kan bepalen, dat de verordening van de provincie
of van het waterschap voor het gehele gebied, dan wel voor een
gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk ophoudt te gelden.
Artikel 87
Bij de regeling kunnen beperkingen
worden aangebracht in de bevoegdheden die het openbaar lichaam van
rechtswege bezit om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen.
Artikel 88
Een verordening van het openbaar
lichaam tot heffing van een belasting regelt, voor welke colleges of
ambtenaren de bevoegdheden, bedoeld in hoofdstuk XV van de
Provinciewet, zullen gelden.
Artikel 89
1. Ten aanzien van de bevoegdheden
van het bestuur van het openbaar lichaam of die van het
gemeenschappelijk orgaan zijn van overeenkomstige toepassing de
regels, in de ruimste zin, welke bij of krachtens de wet zijn
gesteld voor de verdeling van de bevoegdheden van de provinciale
besturen over de provinciale bestuursorganen, voor de uitoefening
van die bevoegdheden, alsmede voor het toezicht daarop. Dit geldt
niet voor zover daarvan bij of krachtens deze wet is afgeweken.
2. Indien en voor zover de in het
eerste lid bedoelde bevoegdheden van het bestuur van een openbaar
lichaam en die van een gemeenschappelijk orgaan uitsluitend door
de besturen van de deelnemende waterschappen zijn overgedragen
zijn daarop, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, van
overeenkomstige toepassing de regels, in de ruimste zin, welke bij
of krachtens de wet zijn gesteld voor de verdeling van de
bevoegdheden van de deelnemende waterschappen over hun
bestuursorganen, voor de uitoefening van die bevoegdheden, alsmede
voor het toezicht daarop.
3. De besturen van de deelnemende
provincies en waterschappen kunnen bij de regeling beperkingen
aanbrengen in de bevoegdheden die door het bestuur van het
openbaar lichaam, onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan
zouden kunnen worden ontleend aan de regels, bedoeld in het eerste
en tweede lid.
Artikel 90
1. Het algemeen bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan stelt de
begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij
dient.
2. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder
geval vóór 15 juli van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de
begroting dient, aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken.
3. Het algemeen bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan stelt de
jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze
betrekking heeft.
4. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder
geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de
jaarrekening betrekking heeft, aan Onze Minister van Binnenlandse
Zaken.
Artikel 91
1. Het dagelijks bestuur van het
openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
ontwerp-begroting zes weken voordat zij aan het algemeen bestuur
wordt aangeboden, onderscheidenlijk zes weken voordat zij door het
gemeenschappelijk orgaan wordt vastgesteld, toe aan provinciale
staten van de deelnemende provincies en aan de algemene besturen
van de deelnemende waterschappen.
2. De ontwerp-begroting wordt door
de zorg van de aan de regeling deelnemende provincies en
waterschappen voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling
van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de
terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling geschiedt openbare
kennisgeving.
3. Provinciale staten van de
deelnemende provincies en de algemene besturen van de deelnemende
waterschappen kunnen bij het dagelijks bestuur van het openbaar
lichaam onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan hun
zienswijze over de ontwerp-begroting naar voren brengen. Het
dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is
vervat bij de ontwerp-begroting, zoals deze aan het algemeen
bestuur wordt aangeboden.
4. Nadat deze is vastgesteld, zendt
het algemeen bestuur van het openbaar lichaam, onderscheidenlijk
het gemeenschappelijk orgaan, zo nodig, de begroting aan
provinciale staten van de deelnemende provincies en aan de
algemene besturen van de deelnemende waterschappen, die ter zake
bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken hun zienswijze naar voren
kunnen brengen.
5. Het bepaalde in het eerste,
derde en vierde lid is mede van toepassing op besluiten tot
wijziging van de begroting. In de gemeenschappelijke regeling kan
worden bepaald ten aanzien van welke categorieën
begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken.
Artikel 92 [Vervallen per 01-02-1990]
Hoofdstuk VIII. Het deelnemen aan een
regeling door andere openbare lichamen en rechtspersonen
Artikel 93
Aan een regeling als bedoeld in de
hoofdstukken I tot en met VII kunnen, indien zij daartoe overigens
bevoegd zijn, tevens deelnemen:
a. een of meer andere openbare
lichamen dan gemeenten, provincies en waterschappen;
b. een of meer andere
rechtspersonen, indien hun bestuur bij koninklijk besluit, dat
in de Nederlandse Staatscourant wordt geplaatst, daartoe is
gemachtigd.
Artikel 94
1. Deelneming vanwege het Rijk
geschiedt bij besluit van Onze betrokken minister. Het besluit
regelt mede de gevolgen van de deelneming.
2. Indien vanwege het Rijk wordt
deelgenomen aan een regeling waarbij gebruik wordt gemaakt van een
bevoegdheid als bedoeld in artikel 8, wordt een besluit als
bedoeld in het eerste lid aan de beide kamers der Staten-Generaal
overgelegd. Het treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier
weken na de overlegging zijn verstreken bij besluit van Onze
betrokken Minister wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn
door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van
het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te
kennen wordt gegeven dat de inwerkingtreding van het besluit bij
wet wordt geregeld.
Artikel 95
Het bepaalde in de hoofdstukken I tot
en met VII is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat, wanneer het een regeling betreft met deelnemers bedoeld in de
artikelen 93, onderdeel b en 94, eerste lid, de genoemde
hoofdstukken ten aanzien van deze deelnemers zoveel mogelijk van
overeenkomstige toepassing zijn.
Hoofdstuk IX. Regelingen tussen één
gemeente, provincie of waterschap en een of meer andere openbare
lichamen en rechtspersonen
Artikel 96
De raad en het college van
burgemeester en wethouders van een gemeente, provinciale staten en
gedeputeerde staten van een provincie, onderscheidenlijk het
algemeen bestuur en het dagelijks bestuur van een waterschap kunnen,
ieder voorzover zij voor de eigen gemeente, de eigen provincie,
onderscheidenlijk het eigen waterschap bevoegd zijn, een
gemeenschappelijke regeling treffen ter behartiging van bepaalde
belangen van die gemeente, die provincie, onderscheidenlijk dat
waterschap met - indien deze daartoe overigens bevoegd zijn - de
besturen van:
a. een of meer andere openbare
lichamen dan gemeenten, provincies en waterschappen;
b. een of meer andere
rechtspersonen, indien zij bij koninklijk besluit dat in de
Nederlandse Staatscourant wordt geplaatst, daartoe zijn
gemachtigd.
Artikel 97
1. Deelneming vanwege het Rijk
geschiedt bij besluit van Onze betrokken minister. Het besluit
regelt mede de gevolgen van de deelneming.
2. Indien vanwege het Rijk wordt
deelgenomen aan een regeling waarbij gebruik wordt gemaakt van een
bevoegdheid als bedoeld in artikel 8, wordt een besluit als
bedoeld in het eerste lid aan de beide kamers der Staten-Generaal
overgelegd. Het treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier
weken na de overlegging zijn verstreken bij besluit van Onze
betrokken Minister wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn
door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van
het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te
kennen wordt gegeven dat de inwerkingtreding van het besluit bij
wet wordt geregeld.
Artikel 98
Van overeenkomstige toepassing is
hoofdstuk I, indien een gemeente de regeling aangaat, hoofdstuk II,
indien een provincie de regeling aangaat, of hoofdstuk III, indien
een waterschap de regeling aangaat. Wanneer het een regeling betreft
met deelnemers bedoeld in de artikelen 96, onderdeel b en 97, eerste
lid, zijn de genoemde hoofdstukken ten aanzien van deze deelnemers
zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk X. Verplichte samenwerking
Artikel 99
1. Op verzoek van het bestuur van
een of meer gemeenten kunnen gedeputeerde staten, indien een
zwaarwegend openbaar belang dat vereist, gemeenten aanwijzen
waarvan de besturen een gemeenschappelijke regeling moeten treffen
ter behartiging van een of meer bepaalde belangen.
2. Een aanwijzing kan ook betreffen
de verplichting tot wijziging of opheffing van een bestaande
regeling, alsmede de verplichting tot toetreding tot of uittreding
uit een bestaande regeling.
3. Alvorens een aanwijzing te
geven, plegen gedeputeerde staten overleg met de besturen van de
betrokken gemeenten. Bij een aanwijzing als bedoeld in het tweede
lid, plegen gedeputeerde staten tevens overleg met het bestuur van
het openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan dat bij de
betreffende regeling is ingesteld. Het overleg duurt ten hoogste
dertien weken, te rekenen vanaf de datum waarop gedeputeerde
staten de betrokken besturen tot het voeren van overleg in de
gelegenheid hebben gesteld.
4. Bij de aanwijzing stellen
gedeputeerde staten een termijn binnen welke een regeling ter
kennisneming aan hen dient te worden gezonden. Deze termijn
bedraagt ten hoogste zes maanden.
Artikel 99a [Vervallen per
01-07-1994]
Artikel 99b [Vervallen per
01-07-1994]
Artikel 100
1. Gedeputeerde staten leggen
uiterlijk binnen zes maanden na het verstrijken van de termijn,
bedoeld in artikel 99, vierde lid, een regeling op overeenkomstig
de aanwijzing, bedoeld in artikel 99, eerste lid, indien geen
regeling aan hen is gezonden, of indien uit de ter kennisneming
toegezonden regeling blijkt dat aan de aanwijzing onvoldoende
gevolg is gegeven.
2. Een oplegging kan ook betreffen
de oplegging van een wijziging of opheffing van een bestaande
regeling, alsmede de oplegging van een toetreding tot of
uittreding uit een bestaande regeling.
3. Alvorens een regeling op te
leggen, horen gedeputeerde staten de besturen van de betrokken
gemeenten over het ontwerp van de op te leggen regeling. Bij een
oplegging als bedoeld in het tweede lid, horen gedeputeerde staten
tevens het bestuur van het openbaar lichaam of het
gemeenschappelijk orgaan dat bij de betreffende regeling is
ingesteld.
Artikel 101
Indien het een regeling betreft
tussen gemeenten die in meer dan een provincie liggen, vindt de
toepassing van de artikelen 99 en 100 plaats bij gelijkluidende
besluiten van gedeputeerde staten van de betrokken provincies.
Artikel 102
1. Onze Minister wie het aangaat
kan, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken,
gedeputeerde staten uitnodigen tot het geven van een aanwijzing
als bedoeld in artikel 99, eerste lid.
2. Een uitnodiging wordt niet
gedaan dan nadat Onze Minister wie het aangaat gedeputeerde staten
heeft gehoord.
3. Bij de uitnodiging stelt Onze
Minister wie het aangaat een termijn binnen welke gedeputeerde
staten een aanwijzing dienen te geven.
4. Indien niet binnen de termijn,
bedoeld in het derde lid, door gedeputeerde staten een aanwijzing
is gegeven, wordt een aanwijzing gegeven door Onze Minister wie
het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse
Zaken. Artikel 99 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 103
1. Bij koninklijk besluit wordt een
regeling overeenkomstig de aanwijzing, bedoeld in artikel 102,
vierde lid, opgelegd, indien binnen zes maanden na de aanwijzing
geen regeling ter kennisneming aan Onze Minister wie het aangaat
en Onze Minister van Binnenlandse Zaken is gezonden of indien uit
de ter kennisneming toegezonden regeling blijkt dat aan de
aanwijzing onvoldoende gevolg is gegeven. Artikel 100, tweede lid,
is van overeenkomstige toepassing.
2. Alvorens een regeling wordt
opgelegd hoort Onze Minister wie het aangaat de besturen van de
betrokken gemeenten en gedeputeerde staten van de betrokken
provincie over het ontwerp van de op te leggen regeling. Artikel
100, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De voordracht tot oplegging
wordt gedaan door of mede door Onze Minister van Binnenlandse
Zaken.
4. Besluiten die geheel of
gedeeltelijk met toepassing van het eerste lid tot stand zijn
gekomen, worden ter kennisneming gezonden aan gedeputeerde staten
van de betrokken provincie.
Artikel 103a
De commissaris van de Koning treedt
voor de toepassing van de artikelen 99 tot en met 103 in de plaats
van gedeputeerde staten, indien het betreft een regeling uitsluitend
tussen burgemeesters.
Artikel 103b
De aanwijzing, bedoeld in artikel 99,
eerste lid, kan ook betreffen de deelneming van gemeenten aan een
regeling als bedoeld in hoofdstuk V en hoofdstuk VIII, voor zover
daaraan geen provincies deelnemen. De artikel 99, derde en vierde
lid, en 100 tot en met 103 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 103c
1. De aanwijzing, bedoeld in
artikel 99, eerste lid, kan ook betreffen de deelneming van
gemeenten aan een regeling als bedoeld in de hoofdstukken IV en
VI, alsmede VIII, voor zover daaraan provincies deelnemen, met
dien verstande dat de aanwijzing wordt gegeven door Onze Minister
wie het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken. Artikel 99, derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
2. Bij de aanwijzing, bedoeld in
het eerste lid, stelt Onze Minister wie het aangaat een termijn
binnen welke een regeling ter kennisneming aan hem dient te worden
gezonden. Artikel 103 is van overeenkomstige toepassing.
3. Bij toepassing van het eerste
lid pleegt Onze Minister wie het aangaat tevens overleg met de
besturen van de betrokken waterschappen, andere openbare lichamen
en rechtspersonen. Bij toepassing van het tweede lid worden deze
besturen tevens gehoord.
Artikel 103d
Voor de toepassing van de artikelen
103b en 103c wordt onder oplegging van een regeling begrepen de
oplegging van een toetreding tot en een uittreding uit een bestaande
regeling.
Artikel 103e
Voor zover in dit hoofdstuk niet
anders is bepaald, is bij de oplegging van een regeling het bepaalde
in hoofdstuk I, dan wel IV, V, VI of VIII van toepassing.
Artikel 103f
1. Tegen een besluit tot aanwijzing
als bedoeld in de artikelen 99, eerste lid, 102, vierde lid, 103b
en 103c, eerste lid, kan een belanghebbende beroep instellen bij
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2. Tegen een besluit tot oplegging
als bedoeld in de artikelen 100, eerste lid, en 103, eerste lid,
kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3. Bezwaar of beroep tegen een
besluit tot oplegging kan geen grond vinden in bezwaar of beroep
tegen het aanwijzingsbesluit.
Hoofdstuk XI. Plusregio's
§ 1. Begripsbepaling
Artikel 104
Onder«plusregio» wordt verstaan een
regionaal openbaar lichaam met wettelijke taken, dat op uitnodiging
van gedeputeerde staten door de besturen van gemeenten in een gebied
met stedelijke kenmerken bij gemeenschappelijke regeling is
ingesteld met het oog op de oplossing van de regionale
afstemmingsproblematiek.
Artikel 105
Indien een plusregio in meer dan
één provincie is gelegen, oefenen gedeputeerde staten
onderscheidenlijk provinciale staten van de provincie waarin de
plusregio is gevestigd, de bevoegdheden uit die bij of krachtens de
wet met betrekking tot plusregio’s aan gedeputeerde staten
onderscheidenlijk provinciale staten zijn toegekend. Bedoelde
organen plegen daaromtrent overleg met de desbetreffende organen van
de andere provincie en delen genomen besluiten met betrekking tot de
plusregio onverwijld mee aan deze organen.
§ 2. Totstandkoming, wijziging en
opheffing
Artikel 106
1. Op gezamenlijk verzoek van
besturen van gemeenten in een stedelijk gebied kunnen gedeputeerde
staten hen uitnodigen een plusregio in te stellen, indien
gedeputeerde staten van oordeel zijn dat instelling van een
plusregio bijzonder aangewezen is vanwege de ruimtelijke
afstemmingsproblematiek in dat gebied, ten gevolge van
beleidsopgaven terzake van volkshuisvesting, bedrijfsvestiging,
verkeer en vervoer, recreatie of stedelijk groen.
2. Bij hun verzoek kunnen de
besturen kenbaar maken welke andere gemeenten zij bij de
instelling betrokken willen zien.
3. Gedeputeerde staten kunnen wat
betreft de uit te nodigen gemeentebesturen afwijken van het
verzoek, na overleg met de besturen van de gemeenten die bij het
verzoek of de uitnodiging zijn betrokken.
4. Gedeputeerde staten maken hun
besluit omtrent het verzoek binnen 26 weken na ontvangst van het
verzoek openbaar op de in de provincie gebruikelijke wijze.
Artikel 107
Indien naar hun oordeel instelling
van een plusregio bijzonder aangewezen is, en zij geen verzoek als
bedoeld in artikel 106, eerste lid ontvangen, treden gedeputeerde
staten in overleg met de desbetreffende gemeentebesturen, waarna zij
de deelnemers aan het overleg een uitnodiging als bedoeld in artikel
106, eerste lid, kunnen doen toekomen.
Artikel 108
1. De besturen van de gemeenten die
een uitnodiging als bedoeld in artikel 106, eerste lid, hebben
ontvangen, treffen binnen 26 weken een gemeenschappelijke regeling
waarbij een plusregio wordt ingesteld.
2. De regeling wordt gezonden aan
gedeputeerde staten en aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
Artikel 109
1. Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties houdt een register van alle
gemeenschappelijke regelingen waarbij een plusregio is ingesteld
in overeenstemming met de uitnodiging, bedoeld in artikel 106,
eerste lid.
2. De regeling waarbij een
plusregio is ingesteld, treedt niet in werking dan na opneming in
het register. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties doet van de opneming in het register
mededeling in de Staatscourant.
3. In het register wordt van iedere
plusregio in ieder geval vermeld welke gemeenten daarvan deel
uitmaken, het adres en de plaats van vestiging, welke taken en
bevoegdheden bij een andere dan deze wet aan die plusregio zijn
opgedragen en welke taken en bevoegdheden bij provinciaal besluit
aan die plusregio zijn overgedragen.
Artikel 110
1. Tot toetreding tot, uittreding
uit of opheffing van een plusregio wordt niet besloten dan na een
verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten en, indien bij
wet één of meer bevoegdheden of taken aan de plusregio zijn
opgedragen, van Onze Ministers wie het aangaat.
2. De artikelen 107, 108, tweede
lid, en 109, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op
een besluit als bedoeld in het eerste lid.
§ 3. Bestuur en commissies
Artikel 111
1. In afwijking van artikel 13,
negende lid, kan het algemeen bestuur van een plusregio een
voorzitter aanwijzen van buiten de kring van het algemeen bestuur.
2. Indien toepassing wordt gegeven
aan het eerste lid, is artikel 21 op de voorzitter niet van
toepassing. Bij of krachtens regeling van het algemeen bestuur,
wordt in ieder geval de bezoldiging van de voorzitter geregeld.
3. Indien toepassing wordt gegeven
aan het eerste lid, zijn de artikelen 66, tweede tot en met vierde
lid, en 67 tot en met 71 van de Gemeentewet van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 112
1. In een regeling kan worden
bepaald dat het algemeen bestuur van de plusregio commissies kan
instellen ter behartiging van een of meer belangen van een deel
van de gemeenten in die plusregio. Het algemeen bestuur regelt de
bevoegdheden en samenstelling.
2. De artikelen 21, 23, eerste en
tweede lid, en 25, derde tot en met zevende lid, van deze wet en
de artikelen 139 tot en met 144 van de Gemeentewet zijn van
overeenkomstige toepassing.
§ 4. Het opleggen van een regeling
Artikel 113
Bij een oplegging als bedoeld in deze
paragraaf treedt artikel 114 in de plaats van hoofdstuk X.
Artikel 114
1. Indien niet binnen de termijn,
bedoeld in artikel 108, eerste lid, door de besturen van de
desbetreffende gemeenten een regeling aan gedeputeerde staten is
gezonden, kunnen gedeputeerde staten besluiten binnen 13 weken een
regeling op te leggen.
2. Gedeputeerde staten zenden een
afschrift van de opgelegde regeling aan Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
§ 5. Verplichte uitvoering
Artikel 115
1. Het bestuur van een gemeente in
een plusregio verleent zijn medewerking aan de uitvoering van
besluiten die het bestuur van de plusregio neemt in verband met de
uitoefening van de aan dat bestuur opgedragen bevoegdheden.
2. Indien het bestuur van een
gemeente naar het oordeel van het dagelijks bestuur van de
plusregio de in het eerste lid bedoelde medewerking niet of niet
in voldoende mate verleent, kan het dagelijks bestuur zelf ten
laste van de betrokken gemeente een besluit uitvoeren of doen
uitvoeren.
3. Alvorens over te gaan tot
toepassing van het tweede lid, wordt het bestuur van de betrokken
gemeente in kennis gesteld van het daarop gerichte voornemen.
Artikel 116
1. Indien naar het oordeel van
gedeputeerde staten het bestuur van een plusregio tekort schiet in
de uitoefening respectievelijk uitvoering van een aan dat bestuur
krachtens de regeling of bij of krachtens de wet op- of
overgedragen bevoegdheid of taak, kunnen zij aan dat bestuur een
aanwijzing geven die inhoudt dat het bestuur die bevoegdheid of
taak uitoefent respectievelijk uitvoert op de wijze als in de
aanwijzing bepaald.
2. De aanwijzing wordt niet gegeven
dan nadat gedeputeerde staten het bestuur van de plusregio hebben
gehoord.
3. Bij de aanwijzing stellen
gedeputeerde staten een termijn binnen welke het bestuur van de
plusregio aan de aanwijzing moet voldoen.
4. Indien het bestuur van de
plusregio niet binnen de termijn, bedoeld in het derde lid, aan de
aanwijzing voldoet, oefenen respectievelijk voeren gedeputeerde
staten de desbetreffende bevoegdheid of taak uit namens dat
bestuur en ten laste van de plusregio.
Artikel 117
1. Onze Minister wie het aangaat,
kan, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties, gedeputeerde staten uitnodigen toepassing
te geven aan artikel 116, eerste lid. De uitnodiging vermeldt de
termijn binnen welke een aanwijzing dient te worden gegeven.
2. Indien gedeputeerde staten aan
de uitnodiging geen gevolg geven, wordt de aanwijzing gegeven door
Onze Minister wie het aangaat, in overeenstemming met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel
116, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
§ 6. Taken en bevoegdheden
Artikel 118
Een regeling voorziet erin dat het
algemeen bestuur van de plusregio ter behartiging van de economische
ontwikkeling van de plusregio ten minste:
a. periodiek een
regionaal-economische ontwikkelingsstrategie opstelt;
b. het beleid aangeeft ter zake
van de uitoefening van zijn bevoegdheden met betrekking tot
bedrijventerreinen, kantoorlocaties en
detailhandelsvoorzieningen die van regionaal belang zijn,
daaronder mede begrepen de zee- en luchthavens en de daarbij
behorende bedrijfslocaties;
c. de hoofdlijnen vaststelt van
een regionaal promotie- en acquisitiebeleid gericht op
bedrijfsvestiging en toerisme.
Artikel 119
1. Een regeling voorziet in de
bevoegdheid van het algemeen bestuur van een plusregio
voorschriften te geven met betrekking tot het door de gemeenten in
die regio verwerven en uitgeven van gronden, de aanleg van
voorzieningen van openbaar nut, het verhaal van kosten daarvan,
alsmede de mate waarin de financiële gevolgen worden verdeeld
over de gemeenten in de regio.
2. Een regeling voorziet tevens in
de bevoegdheid van het algemeen bestuur van een plusregio gebieden
aan te wijzen, ten aanzien waarvan dat bestuur kan bepalen dat de
verwerving en de uitgifte van de gronden, de aanleg van
voorzieningen van openbaar nut, alsmede het verhaal van kosten
daarvan, uitsluitend door of vanwege het bestuur van die regio kan
plaatsvinden.
3. Een regeling voorziet voorts in
de bevoegdheid van het bestuur van een plusregio voorschriften te
geven met betrekking tot het onderhoud en het beheer van de in het
eerste en het tweede lid bedoelde gronden.
§ 7. Geschillen
Artikel 120
1. Een geschil omtrent de
uitnodiging van gedeputeerde staten, bedoeld inartikel 106, eerste
lid, wordt beslist door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. Indien het geschilpunt daartoe aanleiding
geeft, beslist hij in overeenstemming met Onze Ministers wie het
mede aangaat.
2. De termijn, genoemd in artikel
108, eerste lid, wordt opgeschort totdat op het geschil is
beslist.
Artikel 121
Indien het bestuur van een gemeente
in een plusregio beroep instelt tegen een besluit van het bestuur
van de plusregio, is artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing.
Artikel 122
Tegen een besluit als bedoeld in
artikel 114 en tegen een aanwijzing als bedoeld in de artikelen 116,
eerste lid, en 117, tweede lid, kan een belanghebbende beroep
instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Artikel 123
In een regeling kan worden bepaald
dat artikel 28 niet van toepassing is. In dat geval voorziet de
regeling anderszins in de beslechting van geschillen als bedoeld in
artikel 28, eerste lid.
Hoofdstuk XIa. Regelingen tussen de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
§ 1. Bevoegdheid tot treffen van een
regeling
Artikel 124
1. De eilandsraden, de
bestuurscolleges en de gezaghebbers van twee of meer openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba kunnen afzonderlijk of
tezamen, ieder voor zover zij voor het eigen openbaar lichaam
bevoegd zijn, een gemeenschappelijke regeling treffen ter
behartiging van een of meer bepaalde belangen van die openbare
lichamen.
2. De bestuurscolleges en de
gezaghebbers gaan niet over tot het treffen van een regeling dan
na verkregen toestemming van de eilandsraden. De toestemming kan
slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het
algemeen belang.
3. Onder het treffen van een
regeling wordt in dit artikel mede verstaan het wijzigen van, het
toetreden tot en het uittreden uit een regeling.
§ 2. Algemene bepalingen
Artikel 125
1. Bij de regeling kan een openbaar
lichaam onder de naam samenwerkingslichaam worden ingesteld. Het
samenwerkingslichaam is een rechtspersoon.
2. In daarvoor bijzonder in
aanmerking komende gevallen kan bij de regeling, in plaats van een
openbaar lichaam, een gemeenschappelijk orgaan worden ingesteld.
3. In een regeling kan worden
bepaald dat daarin omschreven bevoegdheden van bestuursorganen of
van ambtenaren van twee of meer aan de regeling deelnemende
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba worden
uitgeoefend door bestuursorganen, onderscheidenlijk door
ambtenaren van een van de deelnemende openbare lichamen.
Artikel 126
De artikelen 9 tot en met 28 zijn van
overeenkomstige toepassing met uitzondering van de artikelen 20,
22,24, 25 en 28, met dien verstande dat:
a. telkens in die bepalingen
wordt gelezen voor:
– gemeente: openbaar
lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
– gemeenten: openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
– gemeentebestuur:
eilandbestuur;
– gemeentebesturen:
eilandbesturen;
– gemeenteraad:
eilandsraad;
– gemeenteraden:
eilandsraden;
– raad: eilandsraad;
– raden: eilandsraden
– college van burgemeester
en wethouders: bestuurscollege
– burgemeester:
gezaghebber;
– burgemeesters:
gezaghebbers;
– wethouder:
eilandgedeputeerde;
– wethouders:
eilandgedeputeerden;
– openbaar lichaam:
samenwerkingslichaam;
– gedeputeerde staten:
Rijksvertegenwoordiger, bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder d, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba;
b. bij de toepassing van artikel
10, vierde lid, voor artikel 81p, eerste lid, van de
Gemeentewet, artikel 79q, eerste lid, van de Provinciewet of
artikel 51b eerste lid, van de Waterschapswet wordt gelezen:
artikel 107, eerste lid, van de Wet openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba;
c. bij de toepassing van artikel
14, eerste lid, voor dezelfde gemeente wordt gelezen: hetzelfde
openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
d. bij de toepassing van artikel
16, vijfde lid, voor artikel 7:1 van de Algemene wet
bestuursrecht wordt gelezen: artikel 4:8 van de Algemene wet
bestuursrecht en artikel 7, eerste lid, van de Wet
administratieve rechtspraak BES;
e. bij de toepassing van artikel
16, zesde lid, voor artikel 25 van de Gemeentewet wordt gelezen:
artikel 26 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
en Saba;
f. bij de toepassing van artikel
21, tweede lid, voor artikel 44, vijfde lid, van de Gemeentewet,
wordt gelezen: artikel 56, vijfde lid, van de Wet openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
g. bij de toepassing van artikel
21, vijfde lid, voor artikel 99 van de Gemeentewet, wordt
gelezen: artikel 123 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba;
h. bij de toepassing van artikel
23, eerste en tweede lid, voor artikel 10 van de Wet
openbaarheid van bestuur telkens wordt gelezen: artikel 11 van
de Wet openbaarheid van bestuur BES.
Artikel 127
1. Artikel 16 van de Wet openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is van overeenkomstige
toepassing op een lid van het bestuur van het
samenwerkingslichaam.
2. Ten aanzien van een lid van het
gemeenschappelijk orgaan is het bepaalde in artikel 16, eerste
lid, onder a en b, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba van overeenkomstige toepassing.
3. Wanneer is gehandeld in strijd
met het bepaalde in het eerste lid, is artikel X 8, eerste tot en
met vijfde lid, van de Kieswet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 128
1. De artikelen 17, 18, 20, 21, 23,
27, 29, 30, 31, 32, 33, 34 en 35 van de Wet openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn, voor zover daarvan bij deze
wet niet is afgeweken, op het houden en de orde van de
vergaderingen van het algemeen bestuur van het
samenwerkingslichaam van overeenkomstige toepassing.
2. Het algemeen bestuur van het
samenwerkingslichaam en het gemeenschappelijk orgaan vergaderen
jaarlijks tenminste tweemaal.
3. De vergaderingen van het
algemeen bestuur zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer
een vijfde gedeelte der aanwezige leden daarom verzoekt of de
voorzitter het nodig oordeelt.
4. Het algemeen bestuur beslist
vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.
5. De voorzitter kan vervolgens
alsnog besluiten dat de vergadering in het openbaar wordt gehouden
indien hij dit in het kader van het openbaar belang nodig acht.
6. Het algemeen bestuur regelt op
welke wijze ambtelijke bijstand wordt verleend aan de leden van
het algemeen bestuur.
7. Het eerste tot en met zesde lid
en artikel 23, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op
het gemeenschappelijk orgaan, indien de regeling is getroffen of
mede is getroffen door eilandsraden.
8. De artikelen 62, 63, 64, 65, 67,
68, 69, 70, 71 en 72 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba en artikel 23, eerste lid, van deze wet zijn,
voor zover bij deze wet niet is afgeweken, op het houden en de
orde van de vergaderingen van het gemeenschappelijk van
overeenkomstige toepassing, indien de regeling uitsluitend is
getroffen door bestuurscolleges of gezaghebbers.
Artikel 129
1. Geschillen omtrent de
toepassing, in de ruimste zin, van een regeling tussen besturen
van deelnemende openbare lichamen of tussen besturen van een of
meer deelnemende openbare lichamen en het bestuur van het
samenwerkingslichaam of het gemeenschappelijk orgaan worden door
de Rijksvertegenwoordiger beslist, voor zover zij niet behoren tot
die, vermeld in artikel 112, eerste lid, van de Grondwet of tot
die, waarvan de beslissing krachtens artikel 112, tweede lid, van
de Grondwet is opgedragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij
aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. In
eerste en enige aanleg wordt het geschil voorgelegd aan het
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint
Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2. De Rijksvertegenwoordiger kan
bij de beslissing van het geschil het desbetreffende bestuur
opdragen een besluit te nemen met inachtneming van het in hun
beslissing bepaalde en binnen een daartoe te stellen termijn.
Indien binnen de gestelde termijn het besluit niet is genomen,
geschiedt dit door de Rijksvertegenwoordiger.
3. In spoedeisende gevallen kan de
Rijksvertegenwoordiger bij de beslissing van het geschil in de
plaats van het desbetreffende bestuur een besluit als bedoeld in
het tweede lid nemen.
§ 3. Bevoegdheden bij regelingen
tussen openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Artikel 130
1. Aan het bestuur van het
samenwerkingslichaam of aan het gemeenschappelijk orgaan kunnen
bij de regeling ten aanzien van de belangen ter behartiging
waarvan zij wordt getroffen, en voor het gebied waarvoor zij
geldt, zodanige bevoegdheden van regeling en bestuur worden
overgedragen als aan de besturen van de aan de regeling
deelnemende openbare lichamen toekomen, met dien verstande dat:
a. aan het bestuur van het
samenwerkingslichaam niet de bevoegdheid kan worden
overgedragen andere belastingen te heffen dan de belasting,
bedoeld in artikel 60 van de Wet financiën openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de rechten bedoeld in artikel
62 van de Wet financiën Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de
rechten waarvan de heffing krachtens andere wetten dan de Wet
financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
geschiedt;
b. aan het gemeenschappelijk
orgaan niet de bevoegdheid kan worden overgedragen belastingen
te heffen of anderszins algemeen verbindende voorschriften te
geven.
2. Indien toepassing wordt gegeven
aan het bepaalde in het eerste lid wordt daarbij tevens de
verhouding van de overgedragen bevoegdheden tot die van de
besturen van de deelnemende openbare lichamen geregeld.
3. Voor zover een verordening van
het samenwerkingslichaam voorziet in hetzelfde onderwerp als een
verordening van een deelnemend openbaar lichaam Bonaire, Sint
Eustatius of Saba, regelt eerstbedoelde verordening de onderlinge
verhouding. Zij kan bepalen, dat de verordening van een van de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba voor het gehele
gebied dan wel voor een gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk
ophoudt te gelden.
Artikel 131
Bij de regeling kunnen beperkingen
worden aangebracht in de bevoegdheden die het samenwerkingslichaam
van rechtswege bezit om aan het maatschappelijk verkeer deel te
nemen.
Artikel 132
Een verordening van het
samenwerkingslichaam tot heffing van een belasting regelt voor welke
bestuurscolleges of ambtenaren de bevoegdheden, bedoeld in hoofdstuk
IV van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
en Saba, zullen gelden.
Artikel 133
1. Ten aanzien van de bevoegdheden
van het bestuur van het samenwerkingslichaam of die van het
gemeenschappelijk orgaan zijn van overeenkomstige toepassing de
regels, in de ruimste zin, welke bij of krachtens de wet zijn
gesteld voor de verdeling van de bevoegdheden van de
eilandsbesturen over de eilandelijke bestuursorganen, voor de
uitoefening van die bevoegdheden, alsmede voor het toezicht
daarop. Dit geldt niet voor zover daarvan bij of krachtens deze
wet is afgeweken.
2. De besturen van de deelnemende
openbare lichamen kunnen bij de regeling beperkingen aanbrengen in
de bevoegdheden die door het bestuur van het samenwerkingslichaam
onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan zouden kunnen
worden ontleend aan de regelen, bedoeld in het eerste lid.
3. Voor bij algemene maatregel van
bestuur aan te geven categorieën van gevallen, waarin
inachtneming van bepaalde regels, bedoeld in het eerste lid,
onevenredig belastend zou zijn in verhouding tot het met die
regels beoogde doel kunnen bij die maatregel daarvan afwijkende
regels worden gesteld.
Artikel 134
1. Het algemeen bestuur van het
samenwerkingslichaam of het gemeenschappelijk orgaan stelt de
begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij
dient.
2. Het algemeen bestuur van het
samenwerkingslichaam of het gemeenschappelijk orgaan stelt de
jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze
betrekking heeft.
3. Het dagelijks bestuur van het
samenwerkingslichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder
geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de
jaarrekening betrekking heeft aan het College financieel toezicht
Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 135
1. Het dagelijks bestuur van het
samenwerkingslichaam of het gemeenschappelijk orgaan zendt de
ontwerpbegroting zes weken voordat zij aan het algemeen bestuur
wordt aangeboden, onderscheidenlijk zes weken voordat zij door het
gemeenschappelijk orgaan wordt vastgesteld, toe aan de
eilandsraden van de deelnemende openbare lichamen.
2. De ontwerpbegroting wordt door
de zorg van de besturen van de deelnemende openbare lichamen voor
een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten,
algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 18, eerste lid, van de Wet
financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
voor«eilandsraad» wordt gelezen «algemeen bestuur».
3. De eilandsraden van de
deelnemende openbare lichamen kunnen bij het dagelijks bestuur van
het samenwerkingslichaam onderscheidenlijk het gemeenschappelijk
orgaan hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen.
Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze
is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen
bestuur wordt aangeboden.
4. Nadat deze is vastgesteld, zendt
het algemeen bestuur van het samenwerkingslichaam
onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan, zo nodig, de
begroting aan de raden van de deelnemende openbare lichamen, die
ter zake bij het College financieel toezicht Bonaire, Sint
Eustatius en Saba hun zienswijze naar voren kunnen brengen.
5. Het bepaalde in het eerste,
derde en vierde lid is mede van toepassing op besluiten tot
wijziging van de begroting. In de gemeenschappelijke regeling kan
worden bepaald ten aanzien van welke categorieën
begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken.
Hoofdstuk XII. Slotbepalingen
Artikel 137
Waar in enig wettelijk voorschrift in
algemene zin naar de Wet gemeenschappelijke regelingen wordt
verwezen, wordt deze verwijzing geacht te zijn geschied naar deze
wet.
Artikel 138 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 139
1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering
van deze wet.
2. Voor zover bij die uitvoering belangen zijn betrokken, welke aan
de zorg van een andere minister zijn toevertrouwd, geschiedt de
uitvoering in overeenstemming met de desbetreffende minister.
Artikel 140
Deze wet kan worden aangehaald als "Wet gemeenschappelijke
regelingen".
Artikel 141
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden gesteld.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 20 december 1984
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Rietkerk
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
Van Amelsvoort
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes
Uitgegeven de zevenentwintigste december 1984
De Minister van Justitie a.i.,
Rietkerk
|