| |
|
|
|
|
vorige
WET
GEWETENSBEZWAREN MILITAIRE DIENST (WGMD)
Tekst zoals deze geldt op
17 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit gewetensbezwaren militaire dienst
- Reglement
rechtstoestand tewerkgestelden'
WET van 27 september 1962, houdende
regeling inzake vrijstelling van de militaire dienst wegens ernstige
gewetensbezwaren
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is een
nieuwe regeling ter uitvoering van artikel 196 van de Grondwet te
treffen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
«militair»: hij, die behoort tot de krijgsmacht, ook
gedurende de tijd, dat hij niet in werkelijke dienst is;
«vervangende dienst»: de dienst die verplicht wordt vervuld
ter vervanging van de militaire dienst;
«erkende gewetensbezwaarde»: hij wiens bezwaren tegen de
persoonlijke vervulling van de militaire dienst als ernstige
gewetensbezwaren zijn erkend;
«groot verlof»: de tijd gedurende welke de erkende
gewetensbezwaarde geen vervangende dienst vervult of behoeft te
vervullen;
«tewerkgestelde»: hij die voor vervangende dienst is
opgeroepen van het ogenblik af, dat hij op de plaats van zijn
eerste bestemming is aangekomen tot het tijdstip, waarop hij met
groot verlof wordt gezonden;
«dienstplichtige»: hij die ingevolge de Kaderwet dienstplicht
geschikt is verklaard voor het vervullen van werkelijke dienst.
2.Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
gesproken van personen die ongeschikt zijn verklaard, zijn erkend als
gewetensbezwaarde, ontheven zijn van de verplichting tot het vervullen
van de vervangende dienst in gewone omstandigheden, disciplinair
gestraft of veroordeeld zijn, worden hieronder, voor zover het
tegendeel niet blijkt, verstaan degenen omtrent wie het desbetreffende
besluit of de desbetreffende uitspraak onherroepelijk is geworden.
3.Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
gesproken van het oproepen voor de vervangende dienst wordt daaronder
ten aanzien van hen die reeds de vervangende dienst vervullen verstaan
het blijven vervullen van de vervangende dienst.
Artikel 2
Ernstige gewetensbezwaren in de zin van deze wet zijn de
onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen de persoonlijke vervulling van
militaire dienst in verband met het gebruik van middelen van geweld
waarbij men door dienstvervulling in de Nederlandse krijgsmacht kan
worden betrokken.
Hoofdstuk II. Erkenning van bezwaren als ernstige gewetensbezwaren
Artikel 3
1.Op aanvraag kan Onze Minister van Defensie de bezwaren van een
dienstplichtige of een militair als ernstige gewetensbezwaren
erkennen. De aanvraag vermeldt mede het registratienummer en is met
redenen omkleed.
2.Onze Minister van Defensie doet een onderzoek instellen naar de
vraag of de bezwaren zijn aan te merken als ernstige gewetensbezwaren.
Onze Minister van Defensie kan het inwinnen van een advies achterwege
laten, indien het een hernieuwde aanvraag betreft.
Artikel 4
1.Degene die een aanvraag heeft gedaan als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, kan door Onze Minister, in afwachting van een beslissing
daarop, geheel of gedeeltelijk van dienstverrichtingen worden
vrijgesteld.
2.Ingeval tegen degene die een aanvraag heeft gedaan als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, een strafvervolging is ingesteld wegens
overtreding van artikel 139 van het Wetboek van Militair Strafrecht,
wegens ongehoorzaamheid aan enig dienstbevel of dienstvoorschrift, dan
wel wegens overtreding van artikel 36 van de Kaderwet dienstplicht kan
het openbaar ministerie besluiten deze strafvervolging, in afwachting
van een beslissing op die aanvraag, te schorsen. Ingeval van een
hernieuwde aanvraag wordt geen schorsing verleend, tenzij bijzondere
omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Artikel 5
1.Het in artikel 3, tweede lid, bedoelde onderzoek wordt verricht
door een of meer leden van een commissie van advies. De leden van de
commissie worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.
2.De commissie brengt advies uit, nadat de aanvrager in de
gelegenheid is gesteld ter zitting te worden gehoord.
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 7
1.Indien Onze Minister van Defensie van oordeel is, dat de bezwaren
zijn aan te merken als ernstige gewetensbezwaren, zal hij die bezwaren
als zodanig erkennen.
2.Indien aanvrager zonder gegronde redenen niet voor het onderzoek
ter zitting voor de commissie, bedoeld in artikel 5, is verschenen,
wordt de aanvraag in ieder geval afgewezen.
Artikel 7a
1.Indien de aanvrager bezwaar maakt tegen een besluit tot afwijzing
van de aanvraag om erkenning, beslist Onze Minister van Defensie op
dat bezwaar na advies van de commissie, bedoeld in artikel 5, eerste
lid. De commissie adviseert nadat zij met ten minste drie leden een
onderzoek heeft ingesteld.
2.In de gevallen genoemd in artikel 7:3, onder a tot en met d, van
de Algemene wet bestuursrecht wint Onze Minister van Defensie geen
advies als bedoeld in het eerste lid in.
Artikel 7b
Tegen een beschikking op grond van hoofdstuk II, met uitzondering van
artikel 4, tweede lid, kan een belanghebbende beroep instellen bij de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Artikel 7c
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
ter uitvoering van dit hoofdstuk.
Artikel 8
1.Een beschikking op grond van artikel 4 blijft van kracht totdat
de afwijzing van een aanvraag omtrent erkenning als gewetensbezwaarde
onherroepelijk is geworden.
2.Zolang de beroepstermijn niet is verstreken, dan wel op een tegen
een beschikking omtrent erkenning als gewetensbezwaarde ingesteld
beroep als bedoeld in artikel 7b niet is beslist, kan Onze Minister
van Defensie alsnog toepassing geven aan artikel 4, eerste lid.
Hoofdstuk III. Gevolgen van de erkenning
Artikel 9
1.De erkende gewetensbezwaarde is onder alle omstandigheden
vrijgesteld van de militaire dienst. Evenmin mogen hem werkzaamheden
worden opgedragen, welke naar hun aard er slechts op gericht kunnen
zijn de krijgsmacht hulp te verlenen.
2.Onverminderd het vierde lid is de dienstplichtige die als
gewetensbezwaarde is erkend, verplicht tot vervangende dienst in
gewone omstandigheden en vervangende dienst in buitengewone
omstandigheden.
3.De militair, die als gewetensbezwaarde is erkend, wordt zo
spoedig mogelijk uit de militaire dienst ontslagen.
4.De erkende gewetensbezwaarde die als dienstplichtige uitsluitend
in buitengewone omstandigheden tot het vervullen van werkelijke dienst
zou kunnen worden verplicht is alleen verplicht tot het vervullen van
vervangende dienst in buitengewone omstandigheden.
Artikel 10
Het recht tot strafvordering terzake van een delict, als bedoeld in
artikel 4, tweede lid, vervalt, zodra de gewetensbezwaren van de
verdachte zijn erkend.
Hoofdstuk IV. Vervangende dienst
Artikel 11
1.De erkende gewetensbezwaarde wordt op of zo spoedig mogelijk na
de datum, waarop hij zijn militaire dienst zou moeten aanvangen of
voortzetten, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
voor de vervangende dienst opgeroepen. Hij is verplicht aan deze
oproeping gevolg te geven.
2.Voor vervangende dienst in gewone omstandigheden worden erkende
gewetensbezwaarden ouder dan 35 jaar niet opgeroepen. In geval van
buitengewone omstandigheden vindt geen oproeping van erkende
gewetensbezwaarden ouder dan 45 jaar plaats.
Artikel 12
1.De duur van de vervangende dienst in gewone omstandigheden is een
derde langer dan die van het verplichte verblijf onder de wapenen voor
opleiding en oefening van het merendeel van de dienstplichtigen.
2.De duur van de vervangende dienst in gewone omstandigheden wordt
voor de dienstplichtige die als gewetensbezwaarde is erkend,
verminderd met de duur van de werkelijke dienst die hij reeds als
dienstplichtige in gewone omstandigheden heeft volbracht.
3.Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan de duur
van de vervangende dienst in gewone omstandigheden verkorten ten
aanzien van de dienstplichtige, die voor zijn ontslag uit de militaire
dienst, de opleiding en oefening reeds heeft volbracht.
4.De duur van de vervangende dienst in buitengewone omstandigheden
is voor de erkende gewetensbezwaarde gelijk aan de periode gedurende
welke de betrokkene als dienstplichtige in buitengewone omstandigheden
in werkelijke dienst zou zijn geweest.
5.Voor zover de erkende gewetensbezwaarde bij aanvang van de
vervulling van de vervangende dienst in buitengewone omstandigheden de
vervangende dienst in gewone omstandigheden nog niet heeft volbracht,
wordt voor hem de periode gedurende welke hij verplicht is tot
vervulling van vervangende dienst in buitengewone omstandigheden
verlengd. Voor zover als gevolg van beëindiging van de buitengewone
omstandigheden geen of geen verdere toepassing kan worden gegeven aan
de eerste volzin is de betrokkene nog verplicht tot vervulling van
vervangende dienst in gewone omstandigheden.
6.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen groepen van personen
worden aangewezen die niet of voorlopig niet tot het vervullen van
vervangende dienst in buitengewone omstandigheden worden opgeroepen.
Artikel 13
1.De vervangende dienst wordt vervuld bij overheidsdiensten, dan
wel bij, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aangewezen, voor tewerkstelling van gewetensbezwaarden geschikte
instellingen, die in het algemeen belang werkzaam zijn.
2.Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan aan de
tewerkstelling, anders dan bij overheidsdiensten, voorwaarden
verbinden.
3.Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepaalt bij
welke instantie of in wiens dienst de tewerkstelling plaats vindt.
Artikel 14
De tewerkgestelde is verplicht de opdrachten en voorschriften naar
behoren na te leven, die hem worden gegeven of voor hem zijn vastgesteld
door of vanwege Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of
degene aan wie bij de instelling of dienst van tewerkstelling de
bevoegdheid tot het geven van opdrachten of het vaststellen van
voorschriften krachtens bijzondere aanwijzing of ten aanzien van aldaar
werkzame werknemers uit hoofde van zijn functie toekomt. De
tewerkgestelde is voorts in het algemeen verplicht zich tijdens de
vervangende dienst naar behoren te gedragen.
Artikel 15
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verleent in bij
algemene maatregel van bestuur nader aangewezen categorieën van
gevallen ontheffing van de vervangende dienst in gewone omstandigheden
wegens:
a. persoonlijke onmisbaarheid;
b. de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden;
c. kostwinnerschap;
d. het bekleden van een geestelijk ambt of het volgen van een
opleiding tot een zodanig ambt; of
e. broederdienst.
Artikel 16
1.Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.
2.Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
3.Een ontheffing kan door Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid worden ingetrokken, wanneer:
a. een of meer redenen waarom de ontheffing is verleend, zijn
vervallen;
b. een of meer van de daaraan verbonden voorschriften niet
worden nageleefd; of
c. na de verlening zodanige feiten of omstandigheden bekend
zijn geworden dat, indien deze ten tijde van de verlening bekend
waren geweest, de ontheffing niet of niet in die vorm zou zijn
verleend.
Artikel 17
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld met betrekking tot de ontheffing. Een krachtens artikel 15 of
krachtens de eerste volzin vastgestelde algemene maatregel van bestuur
treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt
onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 18
Tegen een besluit ingevolge de artikelen 15 of 16 kan een
belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State.
Artikel 19 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 21 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 21a [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 22 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 23
1.Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan de
dienstplichtige die als gewetensbezwaarde is erkend, verplichten de
vervangende dienst in gewone omstandigheden bij gedeelten in twee of
meer niet aansluitende tijdvakken te vervullen.
2.Indien de in het eerste lid bedoelde verplichting wordt opgelegd
als gevolg van omstandigheden onafhankelijk van de wil van de
tewerkgestelde komt het tijdvak gelegen tussen de gedeelten van de
vervangende dienst in mindering op de duur van de vervangende dienst
in gewone omstandigheden.
Artikel 24 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 25
De vervangende dienst kan voor de tewerkgestelde, indien deze voor
groot verlof in aanmerking komt, worden verlengd:
a. gedurende evenveel dagen als hij door ongeoorloofde
afwezigheid niet aan de dagelijkse dienst heeft deelgenomen;
b. zolang het vertrek met groot verlof gevaar zou opleveren voor
de verspreiding van een heersende of geheerst hebbende besmettelijke
ziekte.
Artikel 26 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 27
1.Het verlenen van groot verlof geschiedt door Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
2.De erkende gewetensbezwaarde met groot verlof is verplicht om aan
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen
functionarissen inzage te verlenen van de aan hem ter zake van zijn
erkenning uitgereikte bescheiden alsmede om aan Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid desgevraagd alle in verband met zijn
vervangende dienst gewenste inlichtingen te verschaffen.
Artikel 28
De uit deze wet voortvloeiende verplichtingen met betrekking tot het
vervullen van vervangende dienst zijn niet langer van toepassing indien
de betrokkene:
a. blijkt daarvoor wegens ziekte of gebreken voorgoed ongeschikt
te zijn;
b. blijkens een verdrag daartoe niet is verplicht; of
c. het Nederlanderschap verliest.
Artikel 29
1.Vervreemding, verpanding of belening van het aan de
tewerkgestelde toekomende zakgeld is slechts geldig voor zover beslag
op zijn zakgeld geldig zou zijn bij ontbreken van andere inkomsten.
2.Een volmacht tot invordering van het zakgeld is slechts geldig,
indien zij schriftelijk is verleend. Zij is steeds herroepelijk.
3.Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is
nietig.
Hoofdstuk V. Tuchtrechtelijke bepalingen
Artikel 30
De tewerkgestelde die zich gedraagt in strijd met artikel 14 kan
deswege disciplinair worden gestraft door een daartoe door Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen persoon.
Artikel 31
1.De disciplinaire straffen zijn:
a. berisping;
b. geldboete, van ten minste € 2 en ten hoogste het bedrag
van het zakgeld over een halve maand;
c. verlenging van de duur van de vervangende dienst in gewone
omstandigheden met ten hoogste veertien dagen.
2.Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald dat deze geheel
of ten dele niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de
tewerkgestelde zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig
maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing
plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim.
3.Een opgelegde geldboete kan worden geïnd door inhouding van het
bedrag op het aan de tewerkgestelde toekomende zakgeld. Een geldboete
kan niet worden geïnd, indien en voor zover daardoor de som van de in
één kalendermaand te innen geldboeten, ingevolge deze wet aan de
tewerkgestelde opgelegd, het bedrag gelijk aan één derde gedeelte
van het zakgeld over één maand te boven zou gaan.
4.Bij beëindiging van de vervangende dienst in gewone
omstandigheden worden geldboeten, voor zover zij nog niet zijn geïnd,
op het nog aan de tewerkgestelde toekomende zakgeld ingehouden.
5.Geen straf van verlenging kan worden opgelegd indien en voor
zover als gevolg daarvan de krachtens artikel 12 vastgestelde duur van
de vervangende dienst in gewone omstandigheden van de tewerkgestelde
met meer dan dertig dagen zou worden verlengd.
Artikel 32
1.Geen straf wordt opgelegd of het voorwaardelijke karakter van een
opgelegde straf herroepen dan nadat de tewerkgestelde in de
gelegenheid is gesteld zich schriftelijk binnen zes maal vierentwintig
uur te verantwoorden. Bij de uitnodiging zich te verantwoorden worden
afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken meegezonden,
tenzij het belang van geheimhouding van gegevens of het belang van
derden zich daartegen verzet.
2.De tewerkgestelde die zich overeenkomstig het eerste lid heeft
verantwoord wordt op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld ten
overstaan van de strafoplegger dan wel een door deze aangewezen andere
persoon een nadere mondelinge toelichting op zijn verantwoording te
geven.
3.De strafoplegging of herroeping geschiedt schriftelijk en is met
redenen omkleed.
4.De gestrafte ontvangt van de strafoplegging of herroeping
onverwijld bericht door toezending of uitreiking van het daartoe
strekkende besluit. Daarbij wordt hem medegedeeld binnen welke termijn
en bij welke instantie hij beroep kan instellen.
Artikel 33
1. De gestrafte kan binnen vijf dagen na de ontvangst van het in
artikel 32, vierde lid, bedoelde bericht beroep instellen bij de
rechtbank te 's-Gravenhage. De straf, behalve die van berisping, wordt
niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden,
tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is
bevolen.
2. De behandeling van het beroep geschiedt door een meervoudige
kamer van de rechtbank, welke zitting houdt en beslist met drie leden,
van wie twee, onder wie de voorzitter, lid of plaatsvervangend lid
zijn van de rechtbank en één niet tot de rechterlijke macht behoort.
Laatstgenoemde en zoveel plaatsvervangers voor deze als Wij dienstig
oordelen worden door Ons benoemd op voordracht van Onze Ministers van
Justitie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de tijd van vier
jaren.
3. Aan de deskundige leden en hun plaatsvervangers wordt een
vergoeding toegekend met overeenkomstige toepassing van de regels die
gelden voor de rechters-plaatsvervangers. Op hen zijn artikel 4 en de
artikelen 46c, 46d, 46e, 46i met uitzondering van het eerste lid,
onderdeel c, 46j, 46l en 46m van de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren van overeenkomstige toepassing.
4. Op de zittende leden van de in het tweede lid bedoelde kamer
zijn de artikelen 512-523 van het Wetboek van Strafvordering van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 34
1.Het beroep wordt ingesteld door indiening van een beroepschrift
bij de griffie van de in artikel 33, eerste lid, genoemde rechtbank.
2.De rechtbank kan bij gemotiveerde beslissing verklaren, dat een
na de beroepstermijn ingediend beroepschrift geacht wordt tijdig te
zijn ingekomen indien de gestrafte redelijkerwijs niet geacht kan
worden in verzuim te zijn geweest.
Artikel 35
1.Het beroep wordt zo spoedig mogelijk behandeld. De voorzitter van
de in artikel 33, tweede lid, bedoelde kamer bepaalt de dag van
behandeling.
2.De gestrafte wordt ten minste zes dagen voor de behandeling van
het beroep door de griffier opgeroepen. Daarbij wordt de gestrafte
opmerkzaam gemaakt op de bevoegdheid zich door een raadsman te doen
bijstaan, alsmede op het recht op kennisneming van de processtukken.
Indien de gestrafte niet verschijnt en de rechtbank zijn aanwezigheid
noodzakelijk acht, kan zij de behandeling van het beroep voor bepaalde
tijd uitstellen en de oproeping van de gestrafte gelasten. Verschijnt
deze ten dienende dage wederom niet, dan kan de rechtbank het beroep
vervallen verklaren.
Artikel 36
1.De behandeling van het beroep geschiedt ter openbare
terechtzitting. De voorzitter heeft de leiding van de behandeling. Hij
kan op verzoek van de gestrafte of om redenen aan de openbare orde
ontleend gelasten dat de behandeling achter gesloten deuren
plaatsvindt.
2.De gestrafte kan zich door een raadsman doen bijstaan.
De rechtbank kan weigeren personen, die geen advocaat zijn, als
raadsman toe te laten.
3.De rechtbank is bevoegd getuigen en deskundigen schriftelijk te
bevragen of op te roepen. Vergoeding van door getuigen en deskundigen
gemaakte kosten geschiedt overeenkomstig het bepaalde krachtens de Wet
tarieven in strafzaken.
Artikel 37
1.De rechtbank beslist uiterlijk op de veertiende dag na afloop van
de behandeling van het beroep in een schriftelijke, met redenen
omklede, uitspraak.
2.De voorlezing van de uitspraak in beroep geschiedt in het
openbaar en de uitspraak wordt de gestrafte uitgereikt of toegezonden.
Een afschrift van de uitspraak wordt toegezonden aan degene die de
straf in eerste aanleg heeft opgelegd en aan Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.
3.De rechtbank bevestigt in beroep de beslissing in eerste aanleg
tot oplegging of uitvoerbaarverklaring van straf of vernietigt deze
geheel of gedeeltelijk en doet de zaak zelf af.
4.Indien bij de beslissing in beroep een reeds geheel of
gedeeltelijk ten uitvoer gelegde straf van verlenging van de duur van
de vervangende dienst in gewone omstandigheden wordt tenietgedaan of
verminderd, bepaalt de rechtbank, volgens bij algemene maatregel van
bestuur te stellen regelen, op welke wijze het door de gestrafte
geleden nadeel zal worden hersteld.
5.Tegen de beslissing van de rechtbank staat geen verdere
voorziening open.
Artikel 38
1.Het recht van strafvordering vervalt door de toepassing van
disciplinaire straf.
2.Boven de door de strafrechter uitgesproken straf zal geen
disciplinaire straf worden opgelegd.
Artikel 39 [Vervallen per 01-07-1986]
Artikel 40 [Vervallen per 01-07-1986]
Artikel 41 [Vervallen per 01-07-1986]
Artikel 42 [Vervallen per 01-07-1986]
Artikel 43 [Vervallen per 01-07-1986]
Artikel 44 [Vervallen per 01-07-1986]
Artikel 45 [Vervallen per 01-07-1986]
Artikel 46 [Vervallen per 01-07-1986]
Artikel 47 [Vervallen per 01-07-1986]
Artikel 48 [Vervallen per 01-07-1986]
Artikel 49 [Vervallen per 01-07-1986]
Artikel 50 [Vervallen per 01-07-1986]
Artikel 51 [Vervallen per 01-07-1986]
Hoofdstuk VI. Strafbepalingen
Artikel 52
1.Hij, die opzettelijk niet voldoet aan een wettige oproeping tot
het vervullen van vervangende dienst, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde
categorie.
2.Blijkt niet, dat het feit opzettelijk is gepleegd, dan wordt hij
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of
geldboete van de derde categorie.
Artikel 52a
1.Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de
tweede categorie wordt gestraft hij die niet voldoet aan de ingevolge
artikel 27, tweede lid, op hem rustende verplichtingen.
2.Met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of een geldboete
van de tweede categorie wordt gestraft hij die opzettelijk niet
voldoet aan de ingevolge artikel 27, tweede lid, op hem rustende
verplichtingen.
Artikel 53
1.De tewerkgestelde, die opzettelijk ongeoorloofd afwezig is, wordt
gestraft:
a. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de derde categorie, indien die afwezigheid langer dan vier
dagen duurt;
b. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien die afwezigheid langer dan dertig
dagen duurt dan wel de schuldige zich heeft verwijderd met het
oogmerk zich voorgoed aan zijn dienstverplichtingen te onttrekken.
2.Onder afwezig zijn wordt verstaan het afwezig zijn van die plaats
of plaatsen waar de tewerkgestelde zich ter vervulling van de op hem
rustende dienstverplichtingen behoort te bevinden; onder zich
verwijderen wordt mede begrepen het zich schuil houden, afwezig
blijven of achterblijven van die plaats of plaatsen.
Artikel 54
De tewerkgestelde die zijn dienstverplichtingen stelselmatig niet
nakomt wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar en
negen maanden of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 55
1.De duur van een vrijheidsberoving ondergaan wegens overtreding
van een van de artikelen 52, 52a, 53, eerste lid, en 54 komt in
mindering op de duur van de vervangende dienst in gewone of
buitengewone omstandigheden.
2.In gevallen waarin na toepassing van het eerste lid de
tewerkgestelde nog verplicht is tot het vervullen van vervangende
dienst gedurende één maand of minder, kan Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid hem van deze verplichting ontslaan.
Artikel 55a
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan degene, die op
grond van artikel 52, eerste lid, of wegens een misdrijf begaan tijdens
de vervangende dienst onherroepelijk is veroordeeld tot een
onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, ontslaan van de voor hem uit deze wet
voortvloeiende verplichtingen.
Artikel 55b
1.De in de artikelen 52, eerste lid, 52a, tweede lid, 53 en 54,
strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
2.De in de artikelen 52, tweede lid, en 52a, eerste lid, strafbaar
gestelde feiten zijn overtredingen.
Artikel 56
1.Met betrekking tot de voorlopige hechtenis worden misdrijven,
omschreven in deze wet, gelijkgesteld met misdrijven, waarop als
maximum een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.
2.Met het opsporen van deze feiten zijn, behalve de ambtenaren,
aangewezen bij artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast
de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen
personen.
3.Degenen, die ingevolge het voorgaande lid met de opsporing zijn
belast, kunnen hem, die zich schuldig maakt aan een feit, strafbaar
gesteld bij deze wet, na aanhouding overbrengen naar de plaats waar
hij zich voor het vervullen van zijn dienstverplichtingen behoort te
bevinden.
Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
Artikel 57
1.De voor de uitvoering van deze wet nodige regelen worden bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld, tenzij de wet
anders bepaalt.
2.Hierbij zal de rechtspositie van de dienstplichtigen die als
gewetensbezwaarden zijn erkend zoveel mogelijk op gelijke wijze worden
geregeld als die van de dienstplichtige militairen.
Artikel 58
Alle stukken, die in verband met de bepalingen van deze wet of van de
te harer uitvoering gegeven voorschriften worden gevorderd, ingediend,
overgelegd of uitgereikt, zijn vrij van legesheffing, van kosten van
legalisatie en van griffiekosten.
Artikel 59 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 60 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 60a
1.Ten aanzien van erkende gewetensbezwaarden worden de artikelen 11
tot en met 13 alsmede de artikelen 23 en 25 bij inwerkingtreding van
de Kaderwet dienstplicht opgeschort.
2.Hoofdstuk 4 van de Kaderwet dienstplicht is van overeenkomstige
toepassing.
3.De in het eerste lid bedoelde opschorting is niet van toepassing
bij de oproeping van dienstplichtigen als bedoeld in artikel 64 van de
Kaderwet dienstplicht.
Artikel 61
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet gewetensbezwaren militaire
dienst.
Artikel 62
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 27 september 1962
JULIANA
De Minister van Defensie,
S.H. Visser
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
Uitgegeven de negende oktober 1962
De Minister van Justitie a.i.,
E.H. Toxopeus
|
|
|