Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 8 juni 1977, houdende bepalingen
betreffende het giraal effectenverkeer
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is wettelijke
bepalingen vast te stellen betreffende het giraal effectenverkeer;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
aangesloten instelling: rechtspersoon die als zodanig door het
centraal instituut is toegelaten;
centraal instituut: als zodanig door Onze Minister aangewezen
rechtspersoon;
effect: financieel instrument als bedoeld in onderdeel a, b of c
van de definitie van financieel instrument in artikel 1:1 van de Wet
op het financieel toezicht en een ander financieel instrument
waarvan het centraal instituut heeft bepaald dat het tot een
girodepot kan behoren;
intermediair: aangesloten instelling, beleggingsonderneming of
bank in de zin van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht
waaraan het op grond van die wet is toegestaan beleggingsdiensten te
verlenen respectievelijk het bedrijf van bank uit te oefenen en die
in Nederland ten name van cliënten rekeningen in effecten
administreert;
Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
verzamelbewijs: document waarin effecten aan toonder van één
soort zijn belichaamd die tot een verzameldepot of een girodepot
behoren.
Artikel 2
1. Vanwege Onze Minister wordt toezicht uitgeoefend op het centraal
instituut. De toezichthouder wordt door Onze Minister benoemd en
ontslagen.
2. De toezichthouder heeft het recht de vergaderingen van de
organen van het centraal instituut bij te wonen en aldaar een
raadgevende stem uit te brengen.
3. Het bestuur van het centraal instituut is gehouden aan de
toezichthouder al die inlichtingen te verstrekken welke deze tot een
behoorlijke uitoefening van het toezicht nodig acht.
4. Onze Minister kan nadere regels vaststellen betreffende dit
toezicht. Deze regels worden bekend gemaakt in de Nederlandse
Staatscourant.
5. De toezichthouder brengt de kosten van de werkzaamheden die hij
verricht in verband met de uitvoering van zijn taak op grond van deze
wet in rekening bij het centraal instituut. De kosten worden gebaseerd
op de begroting. Artikel 1:40 van de Wet op het financieel toezicht is
van overeenkomstige toepassing.
6. Wijziging van de statuten van het centraal instituut behoeft de
voorafgaande instemming van Onze Minister.
Artikel 3
1. Onze Minister kan op voordracht van de toezichthouder besluiten
van organen van het centraal instituut vernietigen wegens strijd met
de statuten, met de in artikel 4 bedoelde regels of met de eisen van
een behoorlijk giraal effectenverkeer.
2. Een voordracht tot vernietiging moet worden gedaan binnen tien
dagen na die waarop de toezichthouder van het besluit heeft kennis
gekregen. Hangende de beslissing op de voordracht is het besluit
geschorst.
3. Onze Minister geeft zijn beschikking binnen zestig dagen na die
waarop de voordracht tot vernietiging is gedaan. Is binnen die termijn
geen beschikking gegeven, dan neemt de schorsing van het besluit een
einde en kan het besluit niet meer door Onze Minister worden
vernietigd. Onze Minister kan zijn beslissing ten hoogste tweemaal
voor zestig dagen verdagen. Van iedere verdaging wordt vóór de
afloop van de termijn schriftelijk aan het centraal instituut en de
toezichthouder kennis gegeven.
4. De toezichthouder geeft van een voordracht tot vernietiging
onverwijld kennis aan het centraal instituut. Onze Minister geeft van
zijn beschikking onverwijld kennis aan de toezichthouder en aan het
centraal instituut.
Artikel 4
Het centraal instituut stelt regels vast betreffende de toelating als
aangesloten instelling en betreffende de intrekking van zodanige
toelating. Deze regels behoeven de instemming van Onze Minister waarna
het centraal instituut van deze regels mededeling doet in de
Staatscourant.
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 7
Indien een vergunning van een beleggingsonderneming als bedoeld in de
definitie van intermediair is ingetrokken geldt deze wet alsof de
beleggingsonderneming nog intermediair in de zin van deze wet is voor
zover dit nodig is voor de afwikkeling van de verzameldepots die op het
tijdstip van de intrekking reeds bestonden.
Artikel 8
1. Effecten aan toonder behoren per soort slechts tot een
verzameldepot of een girodepot indien zij:
a. door middel van een verzamelbewijs in bewaring worden
gegeven bij een intermediair onderscheidenlijk het centraal
instituut; of
b. ten name van een intermediair worden bewaard door een
instelling in het buitenland waaraan het op grond van het op die
instelling van toepassing zijnde recht is toegestaan ten name van
cliënten rekeningen in effecten te administreren
onderscheidenlijk ten name van het centraal instituut worden
bewaard door een zodanige instelling in het buitenland.
2. In afwijking van het eerste lid behoren effecten aan toonder die
anders dan door middel van een verzamelbewijs in bewaring worden
gegeven bij een intermediair eveneens tot een verzameldepot uiterlijk
tot 1 januari 2013.
3. In afwijking van de voorgaande leden zullen indien een
buitenlands recht van toepassing is op effecten die behoren tot een
verzameldepot niet voorziet in de mogelijkheid van omzetting, de
effecten blijven behoren tot het desbetreffende verzameldepot.
Artikel 8a
Tot een verzameldepot en een girodepot kunnen niet behoren effecten
op naam voor de levering waarvan een notariële akte is voorgeschreven
en waarvan tevens de overdraagbaarheid bij de statuten respectievelijk
de voorwaarden van uitgifte is beperkt of uitgesloten, tenzij deze zijn
toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een
multilaterale handelsfaciliteit als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op
het financieel toezicht als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht.
Artikel 8b
Indien effecten op naam zijn geleverd aan een intermediair of aan het
centraal instituut, kan in het desbetreffende register van de uitgevende
instelling, de naam en het adres van de intermediair onderscheidenlijk
het centraal instituut worden opgenomen, met vermelding van de datum
waarop die aandelen zijn gaan behoren tot het verzameldepot
onderscheidenlijk girodepot, de datum van de erkenning of betekening,
alsmede van het op ieder aandeel gestorte bedrag.
Hoofdstuk 2. Verzameldepot
Titel 1. Algemeen
Artikel 9
1. Alleen een intermediair kan een verzameldepot in de zin van deze
wet houden.
2. Ten aanzien van iedere soort effecten bestaat een afzonderlijk
verzameldepot.
Artikel 10
Tot een verzameldepot behoren:
a. alle effecten van de betreffende soort die onder de
intermediair berusten, voor de intermediair worden bewaard of aan de
intermediair zijn geleverd, met uitzondering van effecten aan
toonder ten aanzien waarvan de intermediair tot afzonderlijke
bewaring verplicht is;
b. het ten name van de intermediair staande aandeel in het
verzameldepot van effecten van de betreffende soort bij een andere
intermediair;
c. het ten name van de aangesloten instelling staande aandeel in
het in hoofdstuk 3 bedoelde girodepot van effecten van de
betreffende soort;
d. het ten name van de intermediair staande tegoed terzake van
effecten van de betreffende soort, die berusten onder of bewaard
worden voor instellingen in het buitenland;
e. in het geval dat effecten als bedoeld onder a verloren zijn
gegaan, de rechten daaruit of de daarvoor in de plaats getreden
vorderingen tot vergoeding, alsmede hetgeen uit hoofde daarvan is
ontvangen;
f. alle overige goederen die geacht moeten worden in de plaats te
zijn getreden van onder a bedoelde effecten, van een onder b of c
bedoeld aandeel of van een onder d bedoeld tegoed.
Artikel 11
1. De intermediair is belast met het beheer van het verzameldepot.
2. Hij kan tegenover derden de rechten van degenen aan wie het
verzameldepot toebehoort, uitoefenen, indien dit voor een goed beheer
dienstig kan zijn.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op het recht tot
bijeenroeping van een vergadering van aandeelhouders of houders van
andere effecten, tot het bijwonen van en het woordvoeren in een
zodanige vergadering, tot het uitoefenen van stemrecht en tot het doen
instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van
een rechtspersoon als bedoeld in artikel 345 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek.
4. De intermediair is bevoegd tot een door hem gehouden
verzameldepot behorende toonderstukken, te vervangen door een door de
instelling die de effecten heeft uitgegeven terzake van die effecten
af te geven verzamelbewijs. Op het verzamelbewijs wordt, indien van
toepassing, vermeld dat de intermediair door een aantekening op het
verzamelbewijs te plaatsen dit mede betrekking kan doen hebben op
andere effecten van dezelfde soort, en kan bewerkstelligen dat het
verzamelbewijs niet langer betrekking heeft op een of meer effecten
waarop het voorafgaand aan de plaatsing van de aantekening betrekking
had.
5. De intermediair is bevoegd effecten aan toonder als bedoeld in
het vierde lid op naam te doen stellen.
6. De intermediair oefent de in het vierde en vijfde lid genoemde
bevoegdheden uitsluitend uit met instemming van de instelling die de
effecten heeft uitgegeven.
Artikel 12
1. Bewaargeving van effecten aan toonder aan een intermediair of
levering van effecten op naam aan een intermediair ter opname in het
verzameldepot heeft tot gevolg dat degene aan wie de effecten
toebehoorden op het tijdstip waarop zij door de intermediair ter
bewaring in ontvangst zijn genomen dan wel aan de intermediair zijn
geleverd, alsdan in het verzameldepot gerechtigd wordt als deelgenoot
gezamenlijk met hen die daarin op dat tijdstip reeds gerechtigd waren.
Voor zover de effecten bezwaard waren met een beperkt recht, komt dit
op zijn aandeel te rusten.
2. Levering van effecten door de instelling die de effecten heeft
uitgegeven aan eenintermediairter opname van die effecten in een
verzameldepot, heeft tot gevolg dat degene ten gunste van wie de
effecten worden uitgegeven in het verzameldepot gerechtigd wordt als
deelgenoot,gezamenlijk met hen die daarin op dat tijdstip reeds
gerechtigd waren.
3. Het aandeel wordt berekend naar evenredigheid van de hoeveelheid
van de in bewaring gegeven of geleverde effecten.
4. De vorige leden zijn ten aanzien van effecten aan toonder niet
van toepassing indien de intermediair zich tot afzonderlijke bewaring
heeft verplicht.
Artikel 13
Indien effecten aan toonder uit anderen hoofde dan bewaargeving aan
een intermediair worden toevertrouwd, zijn de bepalingen betreffende de
in het eerste lid van het vorige artikel bedoelde bewaargeving van
overeenkomstige toepassing, tenzij de rechtsverhouding meebrengt dat de
intermediair tot afzonderlijke bewaring verplicht is.
Artikel 14
1. Verkrijging van effecten door een intermediair uit hoofde van
een levering door een beschikkingsonbevoegde heeft tot gevolg dat
degene aan wie de effecten toebehoorden op het tijdstip waarop zij aan
de intermediair zijn geleverd, alsdan in het verzameldepot gerechtigd
wordt als deelgenoot gezamenlijk met hen die daarop op dat tijdstip
reeds gerechtigd waren. Voor zover de effecten bezwaard waren met een
beperkt recht, komt dit op zijn aandeel te rusten.
2. Indien de effecten aan toonder luiden en de intermediair de
effecten te goeder trouw verkregen heeft, is het eerste lid niet van
toepassing en is de overdracht van de effecten aan de intermediair
geldig.
3. Indien de effecten op naam luiden is het eerste lid niet van
toepassing en is de overdracht van de effecten aan de intermediair
geldig indien de intermediair de effecten te goeder trouw heeft
verkregen en de onbevoegdheid voortvloeit uit de ongeldigheid van een
vroegere overdracht die niet het gevolg was van onbevoegdheid van de
toenmalige overdrager.
Artikel 15
De intermediair draagt desgewenst zorg dat de deelgenoten het aan de
effecten verbonden stemrecht, ieder tot de hoeveelheid waarvoor hij in
de aanwezige effecten deelgenoot is, kunnen uitoefenen.
Titel 2. Vervreemding en bezwaring
Artikel 16
1. Behoort een verzameldepot toe aan twee of meer deelgenoten, dan
kan ieder over zijn aandeel daarin beschikken. Een deelgenoot kan met
instemming van de intermediair ook beschikken over een gedeelte van
zijn aandeel, met dien verstande dat uitoefening van aan het aandeel
verbonden stemrechten niet mogelijk is voor zover zijn aandeel niet
overeenkomt met een of meer effecten.
2. Een deelgenoot kan niet beschikken over zijn aandeel in een tot
een verzameldepot behorend goed afzonderlijk.
Artikel 17
Levering van een aandeel in een verzameldepot geschiedt door
bijschrijving op naam van de verkrijger in het daartoe bestemde deel van
de administratie van de intermediair.
Artikel 18
Voor zover een bijschrijving van effecten geschiedt tot een grotere
hoeveelheid dan waarover de intermediair bevoegd was te beschikken,
maakt hij de verkrijger geen deelgenoot in het verzameldepot. Was de
verkrijger te goeder trouw op het tijdstip dat hij van de bijschrijving
kennis kreeg, dan wordt hij niettemin deelgenoot naar evenredigheid van
de bijgeschreven hoeveelheid.
Artikel 19
1. Een overdracht van een aandeel aan de intermediair is ondanks
onbevoegdheid van de vervreemder geldig, indien de intermediair te
goeder trouw was op het tijdstip van de bijschrijving op zijn naam.
2. Een overdracht van een aandeel aan een ander dan de intermediair
in opdracht van de in het vorige lid bedoelde vervreemder is geldig,
indien de verkrijger te goeder trouw was op het tijdstip dat hij van
de bijschrijving kennis kreeg.
Artikel 20
1. Vestiging van een pandrecht op een aandeel in een verzameldepot
ten behoeve van een ander dan de intermediair geschiedt door
bijschrijving ten name van de pandhouder in de administratie van de
intermediair.
2. Ondanks onbevoegdheid van de pandgever is de vestiging van het
pandrecht geldig, indien de pandhouder op het tijdstip dat hij van de
bijschrijving kennis kreeg, te goeder trouw was.
Artikel 21
1. Vestiging van een pandrecht op een aandeel in een verzameldepot
ten behoeve van de intermediair geschiedt door overeenkomst tussen de
pandgever en de instelling.
2. Ondanks de onbevoegdheid van de pandgever is de vestiging van
het pandrecht geldig, indien de pandhouder op het tijdstip van het
ontstaan te goeder trouw was.
Artikel 22
Onverminderd het bepaalde in artikel 54 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek, is de pandhouder in geval van verzuim van de schuldenaar
bevoegd effecten van de desbetreffende soort en hoeveelheid,
overeenkomstig de op de uitoefening van pandrecht op de betreffende
soort effecten toepasselijke wettelijke bepalingen, te doen verkopen en
vervolgens het daarmee corresponderende aandeel in het verzameldepot te
doen leveren door bijschrijving als in deze wet bedoeld.
Artikel 23
Vestiging van een vruchtgebruik op een aandeel in een verzameldepot
geschiedt door bijschrijving ten name van de vruchtgebruiker in de
administratie van de intermediair.
Artikel 24
Indien onder een intermediair executoriaal derdenbeslag is gelegd op
het aandeel van een deelgenoot in een verzameldepot, is de beslaglegger
bevoegd effecten van de desbetreffende soort en hoeveelheid,
overeenkomstig de op de executie van een beslag op de betreffende
effecten toepasselijke wettelijke bepalingen, te doen verkopen en
vervolgens het daarmee corresponderende aandeel in het verzameldepot te
doen leveren door bijschrijving als in deze wet bedoeld.
Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2011]
Titel 3. Uitlevering en verdeling
Artikel 26
1. Voor zover uitlevering op grond van het derde lid en het vierde
lid mogelijk is, heeft een deelgenoot recht op uitlevering van de
hoeveelheid effecten waarvoor hij deelgenoot is. Uitlevering van een
gedeelte van een effect is niet mogelijk.
2. Is het verzameldepot niet toereikend om aan iedere deelgenoot de
in het eerste lid bedoelde hoeveelheid effecten uit te leveren, dan
levert de intermediair aan een deelgenoot slechts zoveel effecten uit
als in verband met de rechten van de andere deelgenoten mogelijk is.
3. Effecten worden uit een verzameldepot slechts uitgeleverd:
a. ter opname in een depot van een buitenlandse instelling met
een functie vergelijkbaar met die van het centraal instituut; of
b. ter opname in een verzameldepot van een andere intermediair
of, indien de instelling die de effecten heeft uitgegeven daarmee
heeft ingestemd, een depot van een cliënt van een instelling als
bedoeld onder a, indien alle effecten van de desbetreffende soort
worden uitgeleverd.
4. In afwijking van het derde lid worden effecten op verzoek van
een deelgenoot uit een verzameldepot uitgeleverd indien de uitlevering
noodzakelijk is voor de deelgenoot om een aan de effecten verbonden
recht uit te kunnen oefenen. De effecten worden onverwijld
teruggeleverd ter opname in het verzameldepot zodra het niet langer
noodzakelijk is voor de betreffende deelgenoot de effecten in eigen
naam te houden voor het uitoefenen van het hiervoor bedoelde recht.
Artikel 27
1. De verdeling van een verzameldepot dat niet toereikend is om aan
iedere deelgenoot de hoeveelheid effecten, waarvoor hij deelgenoot is,
te leveren, geschiedt overeenkomstig de volgende regels.
2. Aan ieder der deelgenoten worden naar evenredigheid van zijn
aandeel zoveel effecten geleverd als in verband met de rechten van de
andere deelgenoten mogelijk is. Blijft een hoeveelheid effecten over
die voor een zodanige verdeling te klein is, dan worden zij, tenzij de
deelgenoten anders overeenkomen en voor zover mogelijk, verkocht op
een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit, als
bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een
met een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit
vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is als bedoeld
in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht en wordt de
opbrengst onder de deelgenoten naar evenredigheid van ieders aandeel
verdeeld.
3. Andere tot het verzameldepot behorende goederen worden op de
daartoe meest geschikte wijze te gelde gemaakt en de opbrengst wordt
onder de deelgenoten naar evenredigheid van ieders aandeel verdeeld.
Artikel 28
1. Indien de intermediair die het verzameldepot houdt, zelf
deelgenoot is, wordt hem bij toepassing van het voorgaande artikel
slechts toegedeeld hetgeen overblijft, nadat de andere deelgenoten
zoveel hebben ontvangen, dat zij niets meer uit hoofde van hun aandeel
hebben te vorderen.
2. Het eerste lid geldt niet, indien de intermediair bewijst dat
het tekort is ontstaan door omstandigheden die hem niet kunnen worden
toegerekend.
Artikel 29
Levert de intermediair aan een deelgenoot meer effecten uit dan
waartoe hij ingevolge de drie voorgaande artikelen bevoegd is, dan kan
het teveel uitgeleverde door de intermediair worden teruggevorderd,
tenzij de deelgenoot op het tijdstip van de uitlevering te goeder trouw
was.
Artikel 30
1. De intermediair is tot uitlevering bevoegd zonder medewerking
van de andere deelgenoten.
2. Uitlevering van effecten aan toonder geschiedt door
terbeschikkingstelling van de effecten aan de deelgenoot. Uitlevering
van effecten op naam geschiedt door levering ter uitlevering uit het
verzameldepot.
Artikel 31
1. Voor zover uitlevering op grond van artikel 26 mogelijk is, komt
bij de uitlevering van effecten uit hoofde van een aandeel waarop een
beperkt recht of beslag rust dit beperkte recht of beslag mede op de
uitgeleverde effecten te rusten.
2. Het eerste lid is bij uitkering als bedoeld in artikel 27,
tweede lid, tweede volzin en derde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 32
Degene die overeenkomstig artikel 12, eerste lid, een hoeveelheid
effecten in bewaring heeft gegeven of heeft geleverd maar daarvoor geen
deelgenoot is, wordt vermoed bevoegd te zijn de rechten van de
deelgenoot uit de artikelen 15, 26 en 27 uit te oefenen.
Titel 4. Faillissement
Artikel 33
1. In geval van faillissement van de intermediair is de curator
belast met het beheer van het verzameldepot. Hij brengt het
verzameldepot tot verdeling met inachtneming van de bepalingen van
deze wet. Indien het bedrijf van de gefailleerde instelling
overeenkomstig artikel 98 van de Faillissementswet wordt voortgezet,
is de curator bevoegd tot verdeling van het verzameldepot over te
gaan.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ingeval de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van de
intermediair van toepassing is, met dien verstande dat in de plaats
van artikel 98 van de Faillissementswet wordt gelezen artikel 311 van
die wet.
Hoofdstuk 3. Girodepot
Titel 1. Algemeen
Artikel 34
1. Alleen het centraal instituut kan girodepots in de zin van deze
wet houden.
2. Het centraal instituut bepaalt welke effecten tot een girodepot
kunnen behoren.
3. Het centraal instituut bepaalt welke effecten die tot een
girodepot kunnen behoren, voor de toepassing van deze wet als effecten
van dezelfde soort worden beschouwd.
4. Ten aanzien van iedere soort effecten die tot een girodepot
kunnen behoren bestaat een afzonderlijk girodepot.
5. Een aangesloten instelling is bevoegd tot bewaargeving of
levering ter opname in het girodepot van tot een verzameldepot
behorende effecten aan het centraal instituut zonder de medewerking
van de andere deelgenoten.
Artikel 35
Tot een girodepot behoren:
a. alle effecten van de betreffende soort die onder het centraal
instituut berusten, voor het centraal instituut worden bewaard of
aan het centraal instituut zijn geleverd;
b. het ten name van het centraal instituut staande tegoed terzake
van effecten van de betreffende soort, die berusten onder of bewaard
worden voor instellingen in het buitenland, die op verzoek van het
centraal instituut door Onze Minister zijn aangewezen;
c. in het geval dat effecten als bedoeld onder a verloren zijn
gegaan, de rechten daaruit of de daarvoor in de plaats getreden
vorderingen tot vergoeding, alsmede hetgeen uit hoofde daarvan is
ontvangen;
d. alle overige goederen die geacht moeten worden in de plaats te
zijn getreden van onder a bedoelde effecten of van een onder b
bedoeld tegoed.
Artikel 36
1. Het centraal instituut is belast met het beheer van de
girodepots.
2. Het centraal instituut kan tegenover derden de rechten van
degenen aan wie een girodepot toebehoort, uitoefenen, indien dit voor
een goed beheer dienstig kan zijn.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op het recht tot
bijeenroeping van een vergadering van aandeelhouders of houders van
andere effecten, tot het bijwonen van en het woord voeren in een
zodanige vergadering, tot het uitoefenen van stemrecht en tot het doen
instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van
een rechtspersoon, als bedoeld in artikel 345 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek.
4. Het centraal instituut is bevoegd effecten aan toonder die tot
een girodepot behoren te vervangen door een verzamelbewijs. Het
centraal instituut kan bepalen dat in de tekst van een aldus door hem
te verkrijgen verzamelbewijs een regeling is opgenomen als bedoeld in
het vijfde lid.
5. Indien in de tekst van een verzamelbewijs dat tot een girodepot
behoort een daartoe strekkende regeling is opgenomen, kan het centraal
instituut door een aantekening op het stuk te plaatsen dit mede
betrekking doen hebben op een of meer andere effecten van dezelfde
soort, dan wel bewerkstelligen dat het stuk niet langer betrekking
heeft op een of meer van de effecten waarop het voorafgaand aan de
plaatsing van de aantekening betrekking had.
6. Het centraal instituut is bevoegd tot een girodepot behorende
effecten die aan toonder luiden, op naam te doen stellen.
7. Het centraal instituut oefent de in het vierde tot en met zesde
lid genoemde bevoegdheden uitsluitend uit met instemming van de
instelling die de effecten heeft uitgegeven.
Artikel 37
1. Alleen een aangesloten instelling kan effecten in bewaring
hebben of aanhouden bij het centraal instituut.
2. De rechten jegens het centraal instituut worden door de
aangesloten instelling op eigen naam uitgeoefend voor hen aan wie de
effecten toebehoren.
Artikel 38
1. Zij aan wie de in bewaring gegeven effecten aan toonder of ter
opname in een girodepot geleverde effecten op naam toebehoorden op het
tijdstip waarop zij door het centraal instituut ter bewaring in
ontvangst zijn genomen dan wel aan het centraal instituut zijn
geleverd, worden vanaf dat tijdstip in het girodepot gerechtigd als
deelgenoten, gezamenlijk met hen die in dat girodepot op het tijdstip
van de bewaargeving of levering reeds gerechtigd waren.
2. Levering van effecten door de instelling die de effecten heeft
uitgegeven aan het centraal instituut ter opname van die effecten in
een girodepot, heeft tot gevolg dat de aangesloten instelling ten
gunste van wie de effecten worden bijgeschreven, alsdan in het
girodepot gerechtigd wordt als deelgenoot, gezamenlijk met hen die
daarinop dat tijdstip reeds gerechtigd waren. De effecten makenvanaf
het moment van opname in het girodepot deel uit van de verzameldepots
van de desbetreffende aangesloten instellingen.
3. Het aandeel in een girodepot staat op naam van de aangesloten
instelling.
4. Het aandeel wordt berekend naar evenredigheid van de hoeveelheid
van de door de aangesloten instelling ingebrachte of geleverde
effecten, dan wel door de instelling die de effecten heeft uitgegeven
overeenkomstig het tweede lid geleverde effecten.
Artikel 39
Het centraal instituut draagt zorg dat de aangesloten instellingen
kunnen voldoen aan hun in artikel 15 bedoelde verplichting ten aanzien
van het aan de effecten verbonden stemrecht.
Titel 2. Vervreemding en bezwaring
Artikel 40
1. Het ten name van een aangesloten instelling staande aandeel in
een girodepot is overdraagbaar. Een gedeelte van zodanig aandeel is
eveneens overdraagbaar.
2. Het aandeel in een tot een girodepot behorend goed afzonderlijk
is niet overdraagbaar.
Artikel 41
1. Levering tussen aangesloten instellingen van een aandeel in een
girodepot geschiedt door bijschrijving op naam van de verkrijgende
instelling in het daartoe bestemde deel van de administratie van het
centraal instituut.
2. Ondanks onbevoegdheid van die instelling is een overdracht van
een aandeel geldig, indien de verkrijgende instelling op het tijdstip
dat zij van de bijschrijving kennis kreeg, te goeder trouw was.
Artikel 42
1. Vestiging van een pandrecht ten behoeve van een andere
aangesloten instelling op een aandeel in een girodepot geschiedt door
bijschrijving ten name van de andere instelling in de administratie
van het centraal instituut.
2. Artikel 20, tweede lid, en artikel 22 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 43
1. Het centraal instituut is verplicht van een door hem verrichte
bijschrijving terstond een kennisgeving te zenden aan de aangesloten
instelling op wier naam de bijschrijving heeft plaatsgevonden.
2. Van het voorgaande lid kan niet bij overeenkomst worden
afgeweken.
Artikel 44
Beslag onder het centraal instituut op een ten name van een
aangesloten instelling staand aandeel in een girodepot is niet
toegelaten.
Titel 3. Uitlevering en verdeling
Artikel 45
1. Voor zover uitlevering op grond van het derde lid en het vierde
lid mogelijk is, heeft een aangesloten instelling recht op uitlevering
van de haar toekomende hoeveelheid effecten. Uitlevering van een
gedeelte van een effect is niet mogelijk.
2. Is het girodepot niet toereikend om aan iedere aangesloten
instelling de in het eerste lid bedoelde hoeveelheid effecten uit te
leveren, dan levert het centraal instituut aan een aangesloten
instelling slechts zoveel effecten uit als in verband met de rechten
van de andere aangesloten instellingen mogelijk is.
3. Effecten worden uit een girodepot slechts uitgeleverd:
a. ter opname in een depot van een buitenlandse instelling met
een functie vergelijkbaar met die van het centraal instituut; of
b. ter opname in een verzameldepot van een andere intermediair
of indien de instelling die de effecten heeft uitgegeven daarmee
heeft ingestemd, een depot van een cliënt van een instelling als
bedoeld onder a, indien alle effecten van de desbetreffende soort
worden uitgeleverd.
4. In afwijking van het derde lid worden effecten op verzoek van
een aangesloten instelling uit een girodepot uitgeleverd indien de
uitlevering noodzakelijk is voor de deelgenoot om een aan de effecten
verbonden recht uit te kunnen oefenen. De effecten worden onverwijld
teruggeleverd ter opname in het verzameldepot zodra het niet langer
noodzakelijk is voor de betreffende deelgenoot de effecten in eigen
naam te houden voor het uitoefenen van het hiervoor bedoelde recht.
Artikel 46
De verdeling van een girodepot dat niet toereikend is om aan iedere
instelling de haar toekomende hoeveelheid effecten uit te leveren,
geschiedt door overeenkomstige toepassing van artikel 27, tweede en
derde lid.
Artikel 47
Levert het centraal instituut aan een instelling meer effecten uit
dan waartoe het ingevolge de vorige twee artikelen bevoegd is, dan kan
het teveel uitgeleverde door het centraal instituut worden
teruggevorderd, tenzij de instelling op het tijdstip van de uitlevering
te goeder trouw was.
Artikel 48
Het centraal instituut is tot uitlevering bevoegd zonder medewerking
van de andere instellingen op wier naam aandelen in het girodepot staan.
Artikel 49
1. Bij uitlevering van effecten uit hoofde van een aandeel waarop
een pandrecht rust, komt dit pandrecht mede op de uitgeleverde
effecten te rusten.
2. Het eerste lid is bij uitkeringen als bedoeld in artikel 27,
tweede lid, tweede zin, en derde lid van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 50 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 50a [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 50b
1. Indien ten aanzien vaneffecten een verzameldepot kan bestaan, en
zodanige effecten op dat tijdstip worden bewaard door een
bewaarbedrijf, is dit bewaarbedrijf bevoegd deze effecten aan de
bewaargever uit te leveren door ze namens hem in bewaring te geven aan
de met het bewaarbedrijf verbonden intermediair.
2. Beperkte rechten die rusten op de vordering van de bewaargever
op hetbewaarbedrijf tot uitlevering van niet afzonderlijk voor de
bewaargever bewaarde effecten, komen te rusten op de overeenkomstig
het eerste lid uitgeleverde effecten. Is op een zodanige vordering
beslag gelegd, dan is het bewaarbedrijf niet bevoegd tot uitlevering
van effecten overeenkomstig het eerste lid.
3. In dit artikel wordt onder een bewaarbedrijf verstaan een
rechtspersoon die krachtens haar statuten uitsluitend of hoofdzakelijk
ten doel heeft de bewaring van financiële instrumenten als bedoeld in
artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht.
Artikel 50c
In afwijking van artikel 26 of 45 kunnen effecten tot uiterlijk zes
maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze bepaling worden
uitgeleverd aan een deelgenoot onderscheidenlijk een aangesloten
instelling, met inachtneming van het op het tijdstip voorafgaande aan de
inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot uitlevering bepaalde.
Artikel 50d
1. Indien effecten aan toonder behoren tot een verzameldepot of een
girodepot, maar niet zijn belichaamd in een verzamelbewijs, kunnen de
met deze effecten corresponderende aandelen in een verzameldepot of
girodepot vanaf 1 januari 2013 niet meer worden geleverd op grond van
artikel 17 of artikel 41.
2. Een instelling die effecten aan toonder heeft uitgegeven die
zijn opgenomen in een verzameldepot of een girodepot zet deze effecten
voor 1 januari 2013 om in een verzamelbewijs of in effecten op naam.
3. Indien de voorwaarden waaronder effecten aan toonder zijn
uitgegeven niet voorzien in de mogelijkheid die effecten om te zetten
in verzamelbewijzen of een procedure om de voorwaarden aan te passen,
kan de uitgevende instelling van die effecten eenzijdig de voorwaarden
wijzigen om een omzetting als bedoeld in het tweede lid mogelijk te
maken.
4. Indien een buitenlands recht dat op effecten van toepassing is
niet voorziet in de mogelijkheid van omzetting, zullen de effecten in
afwijking van het eerste lid wel geleverd kunnen worden op grond van
artikel 17 of artikel 41.
Artikel 51
1. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
2. Zij kan worden aangehaald als: Wet giraal effectenverkeer.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 8 juni 1977
JULIANA
De Minister van Justitie,
Van Agt
De Minister van Financiën,
W.F. Duisenberg
Uitgegeven de eenentwintigste juni 1977
De Minister van Justitie,
Van Agt
|