WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de op 1 september 1970 te
Genève tot stand gekomen Overeenkomst inzake het internationale vervoer
van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale
vervoermiddelen bij dit vervoer (ATP), met Bijlagen, ingevolge artikel
60, tweede lid, van de Grondwet de goedkeuring der Staten-Generaal
behoeft alvorens te kunnen worden bekrachtigd;
dat zodanige bekrachtiging het stellen van regelen ter uitvoering van
de Overeenkomst vereist;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
De op 1 september 1970 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst
inzake het internationaal vervoer van aan bederf onderhevige
levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit
vervoer (ATP), met Bijlagen, waarvan de Engelse en Franse tekst en de
vertaling in het Nederlands in Tractatenblad 1972, 112 zijn
geplaatst, wordt goedgekeurd voor Nederland.
Artikel 2
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. "Overeenkomst": de in artikel 1 genoemde Overeenkomst;
b. "aan bederf onderhevige levensmiddelen": de in de
Bijlagen 2 en 3 van de Overeenkomst genoemde levensmiddelen welke
kennelijk bestemd zijn voor menselijke consumptie;
c. "grensoverschrijdend vervoer": vervoer van goederen
waarbij tenminste de grens tussen twee landen wordt overschreden van
de plaats van inlading tot de plaats van lossing van die goederen, het
laden en lossen inbegrepen;
d. "goederenwagen": een voertuig, ingericht tot het
vervoer van goederen, bestemd om langs spoorstaven te worden
voortbewogen;
e. "vrachtauto": een rij- of voertuig, ingericht tot het
vervoer van goederen, op meer dan twee wielen, bestemd om over de weg
te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische
kracht, op of aan het rij- of voertuig zelf aanwezig dan wel door
elektrische tractie met stroomtoevoer van elders;
f. "vervoermiddel": een goederenwagen, waaronder een
laadkist wordt medebegrepen, of een vrachtauto, waaronder een
laadkist, een aanhangwagen of een oplegger wordt medebegrepen.
2. Deze wet is uitsluitend van toepassing op grensoverschrijdend
vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen met vervoermiddelen
per spoor of over de weg of ten dele per spoor en ten dele over de weg.
3. In deze wet wordt onder grensoverschrijdend vervoer niet
begrepen vervoer van goederen waarbij de plaats van inlading en de
plaats van lossing in Nederland zijn gelegen.
Artikel 3
Het is verboden voor het grensoverschrijdend vervoer van aan bederf
onderhevige levensmiddelen bestemde vervoermiddelen aan te duiden als
"geïsoleerde", "niet mechanisch gekoelde",
"mechanisch gekoelde" of "verwarmde" vervoermiddelen
tenzij zij beantwoorden aan de in Bijlage 1 van de Overeenkomst
vastgelegde definities en normen.
Artikel 4
Tijdens het grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige
levensmiddelen moeten de voorschriften in de Bijlagen 2 en 3 van de
Overeenkomst worden gehandhaafd.
Artikel 5
1. Voor het verrichten van grensoverschrijdend vervoer van aan
bederf onderhevige levensmiddelen moet gebruik worden gemaakt van de
vervoermiddelen die beantwoorden aan de in Bijlage 1 van de
Overeenkomst vastgelegde definities en normen. Het voorgaande is niet
van toepassing indien de temperaturen welke kunnen worden verwacht
tijdens de gehele duur van het vervoer deze verplichting onnodig maken
voor de naleving van de in Bijlagen 2 en 3 van de Overeenkomst
vastgestelde temperatuurvoorschriften. De keuze en het gebruik van het
vervoermiddel moet in elk geval zodanig zijn dat het mogelijk is de
temperatuurvoorschriften tijdens de gehele duur van het vervoer in
acht te nemen.
2. Tevens dienen alle nodige maatregelen te worden genomen om de
voorgeschreven temperaturen tijdens het vervoer te handhaven.
Artikel 6
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in de artikelen 3, 4
en 5, alsmede bij of krachtens artikel 12, zijn belast de bij besluit
van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aangewezen
ambtenaren.
Artikel 7
1. Indien tijdens het vervoer de in artikel 4 bedoelde
voorschriften niet in acht zijn genomen dan wel redelijkerwijs moet
worden vermoed dat zulks niet is geschied, mogen de levensmiddelen
niet in het verkeer worden gebracht dan nadat door Onze Ministers van
Volksgezondheid en Milieuhygiëne en van Landbouw en Visserij daartoe
machtiging is verleend. Aan de machtiging kunnen voorwaarden worden
verbonden. Zij kan slechts worden geweigerd in het belang van de
volksgezondheid of ter voorkoming van dierziekten.
2. Onze Ministers kunnen bepalen, dat voor de behandeling van een
verzoek om machtiging een vergoeding aan het Rijk verschuldigd is. Onze
Ministers stellen de hoogte van de vergoeding alsmede de wijze van
betaling vast.
3. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet indien en voor zover
bij of krachtens enig wettelijk voorschrift de invoer of het in het
verkeer brengen van een levensmiddel als in dat lid bedoeld aan een
keuring of onderzoek is onderworpen.
Artikel 8
1. Een vervoermiddel wordt slechts geacht te beantwoorden aan
de omschrijving en normen als vastgelegd in bijlage 1 van de
overeenkomst indien dit vervoermiddel is gekeurd en ten blijke daarvan
is voorzien van een geldig keuringscertificaat, afgegeven door een
daartoe bevoegde keuringsinstelling overeenkomstig het bij of
krachtens de artikelen 9 en 10 bepaalde, of een fotocopie daarvan.
2. Als bevoegde keuringsinstelling voor goederenwagens wordt
aangemerkt een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen
keuringsinstelling.
3. Als bevoegde keuringsinstelling voor vrachtauto's wordt
aangemerkt de Dienst Wegverkeer, bedoeld in artikel 4a van de
Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 9
1. Met betrekking tot
a. de keuring door een in Nederland gevestigde keuringsinstelling;
b. de afgifte, de geldigheidsduur en het model van het
keuringscertificaat;
c. de aanduiding aan te brengen op het vervoermiddel dient het
bepaalde in de Bijlage 1, aanhangsel 1 t/m 4, van de Overeenkomst in
acht te worden genomen.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt met betrekking
tot de keuring nadere voorschriften vast.
3. De keuringsinstelling geeft het keuringscertificaat slechts af
indien het vervoermiddel overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde
bepalingen is gekeurd en goedgekeurd.
4. De keuringsinstelling kan van degene die een
keuringscertificaat onder zich heeft de teruggave daarvan vorderen
indien zich naar zijn oordeel omstandigheden voordoen of bekend zijn
geworden van dien aard dat, zo deze ten tijde van de afgifte van het
certificaat hadden bestaan of bekend waren geweest, die afgifte niet zou
hebben plaatsgehad. De betrokkene is alsdan verplicht het certificaat
onverwijld bij de instelling in te leveren.
5. Voor de behandeling van een verzoek om keuring van een
vervoermiddel is een vergoeding verschuldigd. Voor goederenwagens stelt
Onze Minister de hoogte van de vergoeding alsmede de wijze van betaling
vast. Voor vrachtauto's stelt de Dienst Wegverkeer de hoogte van de
vergoeding alsmede de wijze van betaling vast, waarbij artikel 4q,
eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 van overeenkomstige toepassing
is.
Artikel 10
Met een door de in artikel 8, tweede en derde lid, bedoelde
keuringsinstelling afgegeven keuringscertificaat wordt gelijkgesteld:
a. een keuringscertificaat, afgegeven overeenkomstig de Bijlage I
aanhangsel 1, vierde lid, van de Overeenkomst, door een bevoegde
keuringsinstelling in een van de landen, zijnde partij bij de
Overeenkomst;
b. een keuringscertificaat, afgegeven overeenkomstig de Bijlage I
aanhangsel 1 en 2 van de Overeenkomst, door een bevoegde
keuringsinstelling in een van de door Onze vorengenoemde Minister
aangewezen landen, niet zijnde partij bij de Overeenkomst.
Artikel 11
De bestuurder van een vrachtauto waarmede door een in Nederland
gevestigde ondernemer grensoverschrijdend vervoer van aan bederf
onderhevige levensmiddelen wordt verricht is verplicht in het buitenland
op eerste vordering van de in het betrokken land bevoegde ambtenaren de
vrachtauto te doen stilhouden en het keuringscertificaat voor het
desbetreffende vervoermiddel of een fotocopie daarvan behoorlijk ter
inzage af te geven.
Artikel 12
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
gegeven ter uitvoering van deze wet dan wel de Overeenkomst of
regelingen als bedoeld in artikel 7 van de Overeenkomst.
Daarbij kan worden afgeweken van de artikelen 3, 4, 7, 8, 9, eerste
lid, en 10.
Artikel 13
1. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3, 4, 5, 8, en 12
is mede van toepassing op grensoverschrijdend vervoer, dat door een in
Nederland gevestigde ondernemer geheel of ten dele in het buitenland
wordt verricht.
2. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3, 4, 5, 8, 11 en
12 is mede van toepassing tijdens vervoer over zee over een afstand van
minder dan 150 km, wanneer het vervoermiddel, waarin de goederen zich
bevinden, over een traject voorafgaand aan of aansluitend op het in het
eerste lid bedoelde vervoer, over zee wordt vervoerd, zonder
tussentijdse verlading der goederen.
3. Indien het vervoer over zee plaatsvindt over een of meer
trajecten, waarvoor het bepaalde in het vorige lid niet geldt, wordt elk
traject over land, dat voorafgaat of volgt op een traject over zee, als
een afzonderlijk traject aangemerkt.
4. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3, 4, 5, 8, 11 en
12 is niet van toepassing op vervoer over land dat zonder tussentijdse
verlading van de goederen met gebruikmaking van laadkisten geschiedt,
mits deze transporten worden voorafgegaan of gevolgd door zeereizen
anders dan die welke bedoeld in het tweede lid van dit artikel.
Artikel 14
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 15
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Wet
grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige
levensmiddelen".
Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip met
uitzondering van artikel 1 dat in werking treedt op de dag na de
uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 29 juni 1978
JULIANA
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes
De Minister van Buitenlandse Zaken,
C.A. van der Klaauw
De Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne,
L. Ginjaar
De Minister van Landbouw en Visserij,
Van der Stee
Uitgegeven de zeventiende augustus 1978
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter