Nadere regelgeving:
- Regeling havenstaatcontrole
(vervallen)
- Regeling
havenstaatcontrole 2011
- Regeling
tarieven scheepvaart 2005
WET van 6 november 1997, houdende regels
betreffende het toezicht aan boord van schepen onder buitenlandse vlag
in Nederlandse havens op de naleving van internationale voorschriften op
het gebied van de veiligheid, voorkoming van verontreiniging en leef- en
werkomstandigheden (Wet havenstaatcontrole)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op
Richtlijn
nr. 95/21/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 juni 1995
betreffende de naleving, met betrekking tot de schepen die gebruik maken
van havens in de Gemeenschap en varen in de onder de jurisdictie van de
lid-staten vallende wateren, van internationale normen op het gebied van
de veiligheid van schepen, voorkoming van verontreiniging en leef- en
werkomstandigheden aan boord (havenstaatcontrole) (PbEG L 157),
noodzakelijk is, mede ter vervanging van de daarop betrekking hebbende
bepalingen in enkele wetten, algemene regels te stellen ten aanzien van
havenstaatcontrole;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
§ 1. Begripsbepaling
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat;
b. verdrag:
1°. het op 5 april 1966 te
Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de uitwatering van
schepen (Trb. 1966, 275),
2°. het op 23 juni 1969 te
Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de meting van
schepen (Trb. 1970, 122),
3°. het op 20 oktober 1972
te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake voorkoming van
aanvaringen op zee (Trb. 1974, 51),
4°. het op 2 november 1973
te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake voorkoming van
verontreiniging door schepen (Trb. 1975, 147),
5°. het op 1 november 1974
te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de beveiliging
van mensenlevens op zee (Trb. 1977, 77),
6°. het op 29 oktober 1976
te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake de minimumnormen
op koopvaardijschepen (Trb. 1977, 108),
7°. het op 7 juli 1978 te
Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de normen voor
zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst (Trb.
1981, 144),
8°. de op 11 november 1988
te Londen tot stand gekomen Protocollen inzake het onder 1°
en 5° genoemde verdrag, met bijlagen (Trb. 1990, 57),
9°. een bij de onder 1° tot
en met 7° genoemde verdragen Nederland bindend protocol,
bindende bijlage of bindend aanhangsel, of
10°. een bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen ander verdrag of
Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke
organisatie inzake de veiligheid van schepen, voorkoming van
verontreiniging door schepen of leef- en werkomstandigheden
aan boord van schepen, of een daarbij behorend Nederland
bindend protocol, bindende bijlage of bindend aanhangsel;
c. richtlijn: richtlijn nr.
2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PbEU L
131);
d. haven: een anker- of ligplaats
voor schepen, al of niet in zee, onder jurisdictie van een haven
die, tenzij anders bepaald, in Nederland ligt;
e. inspectie: een bezoek aan
boord van een schip teneinde na te gaan of wordt voldaan aan de
geldende verdragen en voorschriften waarbij ten minste de in
artikel 13, eerste lid, van de richtlijn vermelde controles
worden uitgevoerd;
f. meer gedetailleerde inspectie:
inspectie waarbij het schip, de uitrusting en de bemanning,
geheel of, voor zover van toepassing, gedeeltelijk onder de in
artikel 13, derde lid, van de richtlijn beschreven
omstandigheden worden onderworpen aan een grondig onderzoek, dat
de constructie van het schip, de uitrusting, de
personeelssterkte, de leef- en werkomstandigheden en de naleving
van de operationele voorschriften aan boord omvat;
g. uitgebreide inspectie: een
inspectie die ten minste de in bijlage VII van de richtlijn
opgesomde onderdelen omvat en in voorkomend geval tevens een
meer gedetailleerde inspectie kan omvatten indien daarvoor
gegronde redenen als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de
richtlijn zijn;
h. exploitant: de eigenaar,
rompbevrachter of ieder ander die de zeggenschap heeft over het
gebruik van het schip;
i. uitvaren: het verlaten van een
aan de buitenzijde van de lijn, bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onder a, van de Schepenwet, gelegen anker- of ligplaats
onder Nederlandse jurisdictie, of het in de richting van de zee
overschrijden van deze lijn;
j. aanhouding: het verbod voor de
kapitein van een schip om met dat schip uit te varen;
k. stopzetting van een
activiteit: het verbod voor de exploitant of de kapitein van een
schip om een activiteit voort te zetten;
l. de ambtenaren van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat: de door Onze Minister aangewezen
ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
m. havenbeheerder: degene die
ingevolge de krachtens artikel 4, eerste lid, van de
Scheepvaartverkeerswet, gestelde regels, dan wel door het
bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2 van de
Scheepvaartverkeerswet, van de desbetreffende scheepvaartweg, is
belast met de uitoefening van de bij of krachtens de
Scheepvaartverkeerswet verleende bevoegdheden ten aanzien van de
deelname aan het scheepvaartverkeer in een haven of op een
scheepvaartweg die toegang geeft tot een haven;
n. MOU: het op 26 januari 1982 te
Parijs tot stand gekomen Memorandum van overeenstemming inzake
toezicht op schepen door de havenstaat (Trb. 1996, 248);
o. schip/havenraakvlak: de
interactie die plaatsvindt wanneer een schip rechtstreeks en
onmiddellijk betrokken is bij handelingen die gepaard gaan met
de verplaatsing van personen of goederen, dan wel de verlening
van havendiensten aan of vanuit het schip;
p. klacht: informatie of rapport
ingediend door een persoon of organisatie die een legitiem
belang heeft bij de veiligheid van een schip, met inbegrip van
de veiligheids- en gezondheidsrisico’s voor de bemanning,
leef- en werkomstandigheden aan boord en de voorkoming van
verontreiniging;
q. inspectiedatabank: het
informatiesysteem dat bijdraagt tot de uitvoering van de
regeling inzake het havenstaatcontrolestelsel in de Europese
Unie en betreffende de gegevens van inspecties uitgevoerd in de
Europese Gemeenschap en in bij het MOU aangesloten havenstaten.
§ 2. Reikwijdte
Artikel 2
1. Het bij of krachtens deze wet
bepaalde is van toepassing op een schip dat niet gerechtigd is op
grond van Nederlandse rechtsregels de vlag van het Koninkrijk te
voeren, en dat, met uitzondering van de situaties, bedoeld in de
artikelen 11, 11a en 12, tweede lid, een haven aandoet om een
interactie schip/havenraakvlak te verrichten.
2. Het bij of krachtens deze wet
bepaalde is niet van toepassing op oorlogsschepen,
marinehulpschepen of andere schepen die in gebruik zijn voor de
uitvoering van de militaire taak, houten schepen van primitieve
bouw en voor andere dan handelsdoeleinden gebruikte
overheidsschepen en pleziervaartuigen.
Hoofdstuk II. Inspectie, meer
gedetailleerde inspectie en uitgebreide inspectie
Artikel 3
1. Een ambtenaar van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat kan een schip ten behoeve waarvan ingevolge
een of meer van de verdragen een certificaat of ander document is
vereist, aan een inspectie of uitgebreide inspectie onderwerpen.
2. Indien het schip niet is
voorzien van een geldig ingevolge een of meer van de verdragen
vereist certificaat of ander document of indien er gegronde
redenen zijn om aan te nemen dat de toestand van het schip, de
uitrusting, de bemanning of de leef- en werkomstandigheden aan
boord niet in overeenstemming zijn met de gegevens van het
desbetreffende vereiste certificaat of document, of met de
voorschriften van een of meer van de verdragen, onderwerpt een
ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat het schip aan een
meer gedetailleerde inspectie.
3. Na een inspectie, een meer
gedetailleerde inspectie of een uitgebreide inspectie overhandigt
de ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat in kopie een
rapport aan de kapitein van het schip dat gegevens bevat
betreffende:
a. de resultaten van de
inspectie, de meer gedetailleerde inspectie of de uitgebreide
inspectie,
b. de door de ambtenaar van de
Inspectie Verkeer en Waterstaat genomen besluiten, en
c. de door de kapitein of de
exploitant van het schip te treffen maatregelen.
Artikel 4
Voorzover artikel 3 niet van
toepassing is, kan een ambtenaar van de Inspectie Verkeer en
Waterstaat een schip ten behoeve waarvan ingevolge een of meer van
de verdragen geen certificaat of ander document is vereist, of een
schip dat de vlag voert van een staat die geen partij is bij een of
meer van de verdragen, onderwerpen aan een controle, teneinde op een
zoveel mogelijk overeenkomstige wijze als bedoeld in artikel 3 na te
gaan of de toestand van het schip, de uitrusting, de leden van de
bemanning, of de leef- en werkomstandigheden aan boord van het schip
geen gevaar vormen voor de veiligheid, de gezondheid of de
verontreiniging van het mariene milieu.
Artikel 5
1. Bij ministeriële regeling
worden met inachtneming van de richtlijn regels gesteld over de te
stellen minimumeisen, waaraan de ambtenaren, bedoeld in artikel 1,
onderdeel k, moeten voldoen en over de wijze waarop die ambtenaren
hun taak ingevolge deze wet uitoefenen.
2. In de regeling worden ten minste
regels gesteld betreffende:
a. aantallen jaarlijks te
inspecteren schepen,
b. categorieën met voorrang te
inspecteren schepen,
c. categorieën van een
inspectie uit te zonderen schepen,
d. tijdstippen waarop en
periodes waarbinnen een inspectie, een meer gedetailleerde of
een uitgebreide inspectie plaatsvindt,
e. omstandigheden waarin een
inspectie kan worden uitgesteld,
f. gegronde redenen voor een
meer gedetailleerde inspectie,
g. te controleren certificaten
en andere documenten,
h. de te stellen eisen aan het
rapport, bedoeld in artikel 3, derde lid,
i. de in acht te nemen
procedures en richtsnoeren bij een inspectie, een meer
gedetailleerde inspectie, een uitgebreide inspectie en een
controle als bedoeld in artikel 4.
3. In de regeling kan worden
bepaald dat deze geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is op
vissersvaartuigen.
Hoofdstuk III. Maatregelen volgend op
inspectie, meer gedetailleerde inspectie, uitgebreide inspectie of
controle
Artikel 6
Een ambtenaar van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat zet een activiteit stop indien bij een
inspectie, een meer gedetailleerde inspectie, een uitgebreide
inspectie of een controle als bedoeld in artikel 4, tekortkomingen
zijn geconstateerd die afzonderlijk of gezamenlijk maken dat
voortzetting van deze activiteit duidelijk gevaarlijk is voor de
veiligheid of de gezondheid dan wel schadelijk is voor het mariene
milieu.
Artikel 7
1. Een ambtenaar van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat houdt een schip aan:
a. indien wordt voldaan aan een
of meer van de criteria die ingevolge bijlage X van de
richtlijn tot de aanhouding van een schip kunnen leiden;
b. indien het niet is uitgerust
met een functionerend reisgegevens-recordersysteem, terwijl
het gebruik daarvan voor dat schip verplicht is op grond van
richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 27 juni 2002 betreffende de invoering van
een communautair monitoring- en informatiesysteem voor der
zeescheepvaart en tot intrekking van richtlijn 93/75/EEG van
de Raad (PbEG L 208);
c. indien de kapitein of de
bemanning niet voldoet aan operationele voorschriften, bedoeld
in een of meer van de verdragen;
d. indien andere tekortkomingen
dan bedoeld onder a zijn geconstateerd die afzonderlijk of
gezamenlijk maken dat uitvaren gevaarlijk is voor de
veiligheid of de gezondheid dan wel schadelijk is voor het
mariene milieu; of
e. indien de ambtenaar wordt
belemmerd in de uitoefening van zijn taak.
2. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel a, zijn voor de aanhouding van een vissersvaartuig niet
van toepassing de bij ministeriële regeling aan te geven
onderdelen van bijlage X van de richtlijn, die ingevolge de
verdragen niet op vissersvaartuigen kunnen worden toegepast.
3. Het eerste lid, onder c, is niet
van toepassing op de aanhouding van vissersvaartuigen, met dien
verstande dat onbekendheid met operationele voorschriften een
aanhoudingsgrond voor vissersvaartuigen kan vormen, voorzover de
verdragen dat toestaan.
4. Het eerste en tweede lid zijn
van overeenkomstige toepassing op een schip als bedoeld in artikel
4.
Artikel 7a
Afdeling 5.3.1 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing op de in de artikelen 6 en 7
bedoelde bevoegdheid.
Artikel 8
1. In afwijking van artikel 3:41,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt de
bekendmaking van het besluit dat strekt tot de stopzetting van een
activiteit of de aanhouding door uitreiking van dit besluit aan de
kapitein.
2. Indien uitreiking aan de
kapitein niet mogelijk is, geschiedt de bekendmaking van het
besluit dat strekt tot stopzetting van een activiteit of de
aanhouding door uitreiking van dit besluit aan de naar het oordeel
van de ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat daarvoor
meest gerede persoon, zo spoedig mogelijk gevolgd door
kennisgeving aan de kapitein.
3. De ambtenaar van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat stelt de administratie van de desbetreffende
vlaggenstaat of de consul, of bij zijn afwezigheid, de
dichtstbijzijnde diplomatieke vertegenwoordiger, onmiddellijk
schriftelijk van de aanhouding en de omstandigheden die tot de
aanhouding hebben geleid, in kennis.
Artikel 9
1. Indien een aangehouden schip
niet in de haven van aanhouding kan worden gerepareerd of indien
het gebrek, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel b, niet
zonder meer in de haven van aanhouding kan worden verholpen, kan
de ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat het schip
toestaan naar de dichtstbijzijnde door de kapitein en de ambtenaar
van de Inspectie Verkeer en Waterstaat gekozen geschikte
reparatiewerf te vertrekken. Indien de reparatiewerf zich buiten
Nederland bevindt, geschiedt dit onder door de bevoegde autoriteit
van de vlaggenstaat vastgestelde en door de ambtenaar van de
Inspectie Verkeer en Waterstaat goedgekeurde voorwaarden.
2. Indien de reparatiewerf, bedoeld
in het eerste lid, zich buiten Nederland bevindt, stelt de
ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat de bevoegde
instantie van de staat waar de reparatiewerf zich bevindt en de
administratie van de desbetreffende vlaggenstaat, of de consul, of
bij zijn afwezigheid de dichtstbijzijnde diplomatieke
vertegenwoordiger alsmede de aangewezen inspecteurs of de erkende
organisaties die verantwoordelijk zijn voor de afgifte van de
klassecertificaten of de wettelijk voorgeschreven certificaten die
overeenkomstig de verdragen worden afgegeven, in kennis van de
voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.
3. Indien het gebrek, bedoeld in
artikel 7, eerste lid, onderdeel b, niet zonder meer in de haven
van aanhouding kan worden verholpen, kan de ambtenaar in plaats
van het schip op grond van het eerste lid toe te staan naar de
dichtstbijzijnde reparatiewerf te vertrekken, verlangen dat dit
gebrek wordt verholpen binnen een termijn van ten hoogste dertig
dagen.
4. Om havencongestie te voorkomen
kan de ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat op verzoek
van de havenbeheerder toestemming verlenen om een aangehouden
schip naar een ander deel van de haven te verplaatsen indien dat
op een veilige manier kan gebeuren.
Artikel 10
1. Een ambtenaar van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat heft de stopzetting van een activiteit op
indien geen duidelijk gevaar bestaat voor de veiligheid, de
gezondheid en het mariene milieu.
2. Een ambtenaar van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat heft de aanhouding op indien:
a. de redenen, genoemd in
artikel 7, eerste lid, onder a tot en met d, niet van
toepassing zijn, of het schip onder voorwaarden als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, mag vertrekken; en
b. de exploitant de vergoeding
voor de kosten, bedoeld in artikel 14, eerste lid, heeft
voldaan of ten genoegen van Onze Minister voldoende zekerheid
heeft gesteld voor de vergoeding voor deze kosten.
3. In afwijking van artikel 3:41
van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt de bekendmaking van
het besluit dat strekt tot opheffing van de stopzetting van een
activiteit of de aanhouding door uitreiking van dit besluit aan de
kapitein.
4. Op het besluit dat strekt tot
opheffing van de stopzetting van een activiteit of de aanhouding,
is artikel 8, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk IV. Weigering van toegang
tot een haven
Artikel 11
1. De havenbeheerder weigert de
toegang tot de haven van elk schip, dat:
a. vaart onder de vlag van een
staat met een aanhoudingsgraad die onder de zwarte lijst valt
die overeenkomstig het MOU op basis van in de
inspectiedatabank geregistreerde informatie is vastgesteld en
zoals jaarlijks door de Europese Commissie wordt
bekendgemaakt, en dat meer dan twee keer is aangehouden of
waarvan de inzet meer dan twee keer is belet in de
voorafgaande 36 maanden in een haven van een lidstaat of een
staat die het MOU heeft ondertekend, of
b. vaart onder de vlag van een
staat met een aanhoudingsgraad die onder de grijze lijst valt
die overeenkomstig het MOU op basis van in de
inspectiedatabank geregistreerde informatie is vastgesteld en
jaarlijks door de Europese Commissie wordt bekendgemaakt, en
dat meer dan twee keer is aangehouden of waarvan de inzet meer
dan twee keer is belet in de voorafgaande 24 maanden in een
haven van een lidstaat of een staat die het MOU heeft
ondertekend.
2. De weigering van toegang,
bedoeld in het eerste lid, geldt zodra een schip de haven van een
lidstaat heeft verlaten waar het voor een derde keer is
aangehouden en waar een besluit is bekendgemaakt aan de kapitein
van het schip, de verantwoordelijke rederij en de vlaggenstaat,
waarin wordt meegedeeld dat het schip de toegang tot alle havens
van de lidstaten zal worden geweigerd.
3. De havenbeheerder van een haven
weigert een schip de toegang tot zijn haven in geval van een
aanhouding van dit schip in een haven van een lidstaat nadat een
schip reeds tweemaal een weigering van toegang heeft opgelegd
gekregen.
4. De havenbeheerder weigert een
schip permanent de toegang tot een haven indien:
a. een schip 24 maanden na de
uitvaardiging van de weigering van toegang als bedoeld in
artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder b, niet voldoet aan
de voorwaarden, bedoeld in artikel 11a, vierde lid, of
b. een schip is aangehouden in
een haven in een lidstaat en deze aanhouding volgt op een
derde weigering van toegang.
5. In afwijking van het bepaalde in
het eerste tot en met derde lid, kan de havenbeheerder in
overeenstemming met Onze Minister een schip toestaan zich naar een
haven te begeven ten behoeve van het uitvoeren van een hernieuwde
inspectie van het schip als bedoel in bijlage VIII van de
richtlijn.
Artikel 11a
1. Onze Minister neemt een besluit
als bedoeld in artikel 11, tweede lid, indien:
a. de derde aanhouding, bedoeld
in artikel 11, eerste lid, plaatsvindt in een haven,
b. de aanhouding, bedoeld in
artikel 11, derde lid, plaatsvindt in een haven, of
c. de aanhouding, bedoeld in
artikel 11, vierde lid, onder b, plaatsvindt in een haven,
waarbij tevens wordt meegedeeld dat de weigering van toegang
van het schip tot alle havens van de lidstaten permanent is.
2. Onze Minister trekt het besluit,
bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, in indien een
periode van drie maanden is verstreken na de bekendmaking van dit
besluit en wordt voldaan aan de punten 3 tot en met 9 van bijlage
VIII van de richtlijn.
3. Bij een tweede weigering van
toegang bedraagt de periode, bedoeld in het tweede lid, twaalf
maanden.
4. Onze Minister trekt het besluit,
bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b in na het verstrijken
van een periode van 24 maanden, indien binnen deze periode:
a. het schip vaart onder de
vlag van een staat met een aanhoudingsgraad die niet onder de
in het eerste lid bedoelde zwarte of grijze lijst valt,
b. de wettelijk voorgeschreven
certificaten en de classificatiecertificaten van het schip
zijn afgegeven door een organisatie of organisaties die is,
onderscheidenlijk zijn, erkend op grond van verordening (EG)
nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke
voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van
schepen belaste organisaties (PbEU L 131),
c. het schip wordt
geëxploiteerd door een rederij die goed presteert als bedoeld
in bijlage I, deel I.1, van de richtlijn, en
d. aan de voorwaarden van
bijlage VIII, punten 3 tot en met 9 van de richtlijn, is
voldaan.
5. Onze Minister maakt het besluit,
bedoeld in het eerste lid, bekend aan de kapitein van het schip,
de verantwoordelijke rederij en de vlaggenstaat en doet een
afschrift toekomen aan de in punt 2 van bijlage VIII van de
richtlijn genoemde organisaties.
6. Onze Minister stelt de in punten
10 en 11 van bijlage VIII van de richtlijn genoemde organisaties
schriftelijk in kennis van het in het tweede en vierde lid
bedoelde besluit.
Artikel 11b
1. De havenbeheerder weigert een
schip, met uitzondering van een vissersvaartuig, waarvoor
toestemming is verleend om naar een reparatiewerf te vertrekken,
de toegang tot de haven, indien dat schip vanuit een haven van een
lidstaat is uitgevaren of vanuit een andere bij het MOU
aangesloten havenstaat naar zee is vertrokken:
a. zonder dat voldaan is aan de
gestelde voorwaarden voor de reis, of
b. zonder zich te begeven naar
de gekozen dichtstbijzijnde reparatiewerf.
2. De havenbeheerder bevestigt een
weigering als bedoeld in het eerste lid zo spoedig mogelijk
schriftelijk.
3. In een situatie als bedoeld in
het eerste lid laat de havenbeheerder het schip toe in de haven op
het moment dat de kapitein of exploitant naar het oordeel van de
bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de tekortkoming aan het
schip is geconstateerd, heeft aangetoond dat het schip aan de
voorschriften van de verdragen voldoet.
Artikel 11c
In afwijking van het bepaalde in
artikel 11 en 11b kan de havenbeheerder in overeenstemming met Onze
Minister een schip in de haven toelaten in geval van overmacht,
prevalerende veiligheidsredenen of om het gevaar van vervuiling te
beperken of te minimaliseren of tekortkomingen te verhelpen, mits de
kapitein of de exploitant naar het oordeel van de havenbeheerder
afdoende maatregelen voor een veilige binnenkomst heeft genomen.
Artikel 11d
1. Onze Minister kan een besluit
nemen tot verwijdering van een schip uit een haven indien bij een
inspectie wordt vastgesteld dat het certificaat, bedoeld in
bijlage IV, onder 41, van de richtlijn niet aan boord is.
2. De havenbeheerder van een haven
weigert een schip de toegang tot zijn haven, indien met betrekking
tot dit schip in een haven van een lidstaat een besluit is genomen
tot verwijdering ervan vanwege het niet aan boord hebben van het
certificaat, bedoeld in bijlage IV, onder 41, van de richtlijn
totdat de exploitant kennis geeft van een dergelijk bewijs.
Hoofdstuk V. Verplichtingen en
verboden kapitein, exploitant, betrokken ambtenaren en
registerloodsen
Artikel 12
1. De kapitein en de exploitant van
een schip zijn verplicht te voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, tweede volzin.
2. Zolang een schip de toegang tot
een haven wordt geweigerd, is het de kapitein verboden het schip
die haven te doen binnenvaren.
3. De kapitein van een aangehouden
schip is verplicht dat schip na de aanhouding ligplaats te doen
nemen op een door een ambtenaar van de Inspectie Verkeer en
Waterstaat in overeenstemming met de havenbeheerder aan te wijzen
plaats.
4. Indien het de kapitein van een
schip op grond van artikel 11, vijfde lid, is toegestaan een schip
de haven binnen te varen, is het de kapitein en de exploitant
verboden ladinghandelingen uit te voeren totdat het besluit,
bedoeld in artikel 11, tweede lid, is ingetrokken.
Artikel 13
1. Het is de kapitein van een
aangehouden schip verboden dat schip te doen verplaatsen zonder
voorafgaande toestemming van een ambtenaar van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat.
2. Het is de kapitein van een
aangehouden schip verboden om met dat schip uit te varen.
3. Indien een activiteit is
stopgezet, is het de kapitein en de exploitant verboden om deze
activiteit voort te zetten, dan wel deze activiteit te hervatten.
4. Zonder voorafgaande toestemming
als bedoeld in het eerste lid, of zolang een schip is aangehouden,
weigeren alle betrokken ambtenaren en registerloodsen hun
medewerking bij de uitklaring en de verplaatsing van het schip.
Artikel 14
1. Indien een schip, met
uitzondering van een vissersvaartuig, is aangehouden, betaalt de
exploitant van dat schip aan de inspecteur-generaal een
vergoeding:
a. voor alle kosten van de
inspectie, de meer gedetailleerde inspectie, de uitgebreide
inspectie of de controle, bedoeld in artikel 4, die tot de
aanhouding heeft geleid,
b. voor alle kosten van de
inspectie, de meer gedetailleerde inspectie, de uitgebreide
inspectie of de controle, bedoeld in artikel 4, die tot de
opheffing daarvan heeft geleid, en
c. voor alle kosten in verband
met de aanhouding in de haven.
2. Indien een schip dat de toegang
tot de haven is geweigerd, aan een inspectie wordt onderworpen
alvorens het besluit, bedoeld inartikel 11, tweede lid, wordt
ingetrokken dan wel het schip op grond van artikel 11b, derde lid,
kan worden toegelaten, betaalt de exploitant van dat schip aan
Onze Minister een vergoeding voor de kosten van deze inspectie.
3. Bij ministeriële regeling
worden de tarieven vastgesteld voor de vergoedingen, bedoeld in
het eerste en het tweede lid.
Hoofdstuk VI. Toezicht
Artikel 15
1. Onze Minister kan voor bepaalde
door hem aan te wijzen taken verband houdende met de inspectie, de
meer gedetailleerde inspectie, de uitgebreide inspectie of de
controle, bedoeld in artikel 4, ambtenaren van andere diensttakken
ter beschikking stellen van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
Indien de terbeschikkingstelling ambtenaren betreft ressorterende
onder een ander ministerie dan dat van Onze Minister, wordt het
desbetreffende besluit genomen in overeenstemming met de minister
van het andere ministerie.
2. Van het besluit, bedoeld in het
eerste lid, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 16
Met het toezicht op de naleving van
de hoofdstukken IV en V zijn belast de ambtenaren van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat.
Artikel 17
1. De artikelen 5:12, 5:13 en 5:15
tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, zijn van
overeenkomstige toepassing op een ambtenaar van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat bij de uitoefening van taken, verband
houdende met de inspectie, de meer gedetailleerde inspectie, de
uitgebreide inspectie of de controle, bedoeld in artikel 4, en op
een ter beschikking gestelde ambtenaar als bedoeld in artikel 15,
eerste lid.
2. Een ambtenaar van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat draagt, voorzover nodig in afwijking van
artikel 5:12, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een
legitimatiebewijs bij zich, overeenkomstig het model, bedoeld in
artikel 22, vierde lid, van de richtlijn.
Artikel 18
Een ambtenaar van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat en een ter beschikking gestelde ambtenaar als
bedoeld in artikel 15, eerste lid, zijn bevoegd, met medeneming van
de benodigde apparatuur, woongedeelten van schepen binnen te treden
zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 19
Een ambtenaar van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat is bevoegd leden van de bemanning te
onderwerpen aan een onderzoek inzake hun vakbekwaamheid, met
inbegrip van hun bekwaamheid in het verrichten van operationele
handelingen.
Artikel 20 [Vervallen per 01-06-1998]
Artikel 21 [Vervallen per 01-06-1998]
Artikel 22 [Vervallen per 01-06-1998]
Artikel 23 [Vervallen per 01-06-1998]
Artikel 24 [Vervallen per 01-06-1998]
Artikel 25 [Vervallen per 01-06-1998]
Hoofdstuk VII. Beroep en klachten
Artikel 26
1. Tegen besluiten van een
ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat of een
havenbeheerder kan iedere belanghebbende beroep instellen bij Onze
Minister.
2. Het beroepschrift is gesteld in
de Nederlandse of de Engelse taal.
3. Indien het beroepschrift
telegrafisch of per telex wordt ingediend, kan de ondertekening,
in afwijking van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht,
achterwege blijven.
4. Indien onverwijlde spoed, gelet
op de betrokken belangen, dat vereist, kan Onze Minister bepalen
dat het beroep de werking schorst van het besluit waartegen het is
gericht, met uitzondering van het besluit dat strekt tot de
aanhouding of de weigering van toegang van een schip.
Artikel 26a
1. Onze Minister draagt zorg voor
de behandeling van alle klachten die worden ingediend.
2. Bij ministeriële regeling
worden regels gesteld met betrekking tot de behandeling van
klachten als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 27
De exploitant die zich bij beroep bij
de rechtbank beroept op een onnodige aanhouding of onnodig
oponthoud, draagt de bewijslast daarvan.
Hoofdstuk VIII. Overige bepalingen
Artikel 28 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 29
Bij ministeriële regeling worden ter
uitvoering van de hoofdstukken II tot en met V en met inachtneming
van de artikelen 19, 21 en 23, eerste en tweede lid, van de
richtlijn regels gesteld inzake de instanties:
a. met wie en op welke wijze een
ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat overleg moet
voeren, dan wel door wie en op welke wijze met hem overleg moet
worden gevoerd; of
b. aan wie een ambtenaar van de
Inspectie Verkeer en Waterstaat gegevens kan of moet melden, dan
wel door wie aan hem gegevens kunnen of moeten worden gemeld.
Hoofdstuk IX. Uitvoering en
implementatie internationale voorschriften
Artikel 30
Ter uitvoering van internationale
afspraken of besluiten van volkenrechtelijke organisaties inzake
onderwerpen waarop deze wet van toepassing is, kunnen bij
ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.
Artikel 31
1. Een wijziging van bijlage X van
de richtlijn, van het model bedoeld in artikel 22, vierde lid, van
de richtlijn of van de artikelen 19, 21 en 23, eerste en tweede
lid, van de richtlijn, gaat voor de toepassing van de artikelen 7,
eerste lid, onder a, en tweede lid, 17, tweede lid, en29 gelden
met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn
uitvoering moet zijn gegeven.
2. Een wijziging van de verdragen
gaat voor de toepassing van de artikelen 3, 4, 7, eerste lid,
onder c, en derde lid, en artikel 11a, derde lid, gelden met
ingang van de dag waarop de betrokken wijziging door Nederland is
aanvaard en internationaal in werking is getreden.
3. Een wijziging van bijlage 2 van
het MOU gaat voor de toepassing van artikel 9, tweede lid, gelden
met ingang van de dag waarop de wijziging in werking treedt.
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-2011]
Hoofdstuk X. Strafbepalingen
Artikel 33
1. Overtreding van artikel 12, tweede lid, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde
categorie.
2. Het in het eerste lid strafbaar gestelde feit is een overtreding.
Artikel 34
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Hoofdstuk XI. Slotbepalingen
Artikel 35
[Wijzigt de Wet voorkoming verontreiniging door schepen]
Artikel 36
[Wijzigt de Meetbrievenwet 1981]
Artikel 37
[Wijzigt deze wet]
Artikel 38
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 39
Deze wet wordt aangehaald als: Wet havenstaatcontrole.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 6 november 1997
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de zevenentwintigste november 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|