WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, zowel voor een
efficiëntere organisatie van de wegenzorg als in het licht van het
streven naar decentralisatie, wenselijk is wijziging te brengen in de
verdeling van openbare wegen over Rijk, provincies, gemeenten en
waterschappen, dat bovendien het verschaffen van de in de Wet
Uitkeringen Wegen (Stb. 1966, 367) geregelde uitkeringen moet
worden beëindigd, en dat het wenselijk is in samenhang hiermee
wijziging te brengen in de financiële verhouding tussen deze overheden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. overgangsdatum: de krachtens artikel 10, eerste lid, van deze
wet vastgestelde datum;
c. brug: een civieltechnisch bouwwerk dat een weg door middel van
een overspanning met daarop de wegverharding of het wegdek leidt
over een weg of een oppervlaktewater;
d. tunnel: een civieltechnisch bouwwerk waarmee een weg door of
onder een weg of een oppervlaktewater wordt geleid of waarmee een
oppervlaktewater door of onder een weg wordt geleid, mits dit
bouwwerk niet tevens een weg door middel van een overspanning met
daarop de wegverharding of het wegdek leidt over een weg of een
oppervlaktewater.
Artikel 2
1. De wegen onderscheidenlijk bruggen in de zin van deze wet
zijn alleen de wegen onderscheidenlijk bruggen die in beheer zijn bij
het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap, alsmede bij
een openbaar lichaam dat onder toepassing van de Wet
gemeenschappelijke regelingen (Stb. 1984, 669) is ingesteld,
met dien verstande dat door toepassing van artikel 5, derde lid, ook
andere wegen en door toepassing van artikel 6, derde lid, ook andere
bruggen onder de werking van deze wet kunnen worden gebracht.
2. Deze wet is niet van toepassing op:
a. wegen onderscheidenlijk bruggen in beheer bij het Rijk waarvan
het beheer en onderhoud niet ten laste komt van een onder de zorg van
Onze Minister vallend fonds of van Hoofdstuk XII (Verkeer en
Waterstaat) dan wel Hoofdstuk IX B (Financiën) van de Rijksbegroting;
b. wegen die op 1 januari 1987 niet openbaar waren in de zin van de
Wegenwet (Stb. 1930, 342), tenzij
1.
a. de weg na 1 januari 1977 tot stand is gebracht, en
b. de weg gedurende het tijdvak tussen de openstelling voor het
verkeer en 1 januari 1987 voor een ieder toegankelijk is geweest,
en gedurende dat tijdvak door het Rijk, een provincie, een
gemeente of een waterschap is onderhouden, en
c. de in artikel 4, tweede lid, van de Wegenwet bedoelde
uitzondering niet van toepassing is geweest; of
2.
a. de weg na 1 januari 1987 tot stand is gebracht, en
b. de weg op de dag voor de datum van vaststelling van het
herverdelingsplan openbaar is in de zin van de Wegenwet.
Hoofdstuk II. Herverdeling wegenbeheer
Artikel 3
1. Provinciale staten stellen, uiterlijk acht weken voor de
overgangsdatum, een herverdelingsplan vast.
2. Het herverdelingsplan bevat:
a. de aanwijzing, voor zover dat krachtens de artikelen 4 en 5
noodzakelijk is, van de wegen die met ingang van de overgangsdatum in
beheer overgaan, waarbij van elk van de in beheer overgaande wegen de
oude en de nieuwe beheerder worden vermeld;
b. van elk van de krachtens onderdeel a aangewezen wegen een
zodanige nadere aanduiding met zo nodig een kaart van de weg en met zo
nodig een tekening van het dwarsprofiel dat duidelijk wordt
1. tot welke grens het overgaande weggebied zich uitstrekt,
2. welke onder de zorg van de oude beheerder vallende
bijbehorende werken en bijbehorende voorzieningen voor het
wegverkeer binnen de grens van het overgaande gebied niet onder de
zorg van de nieuwe beheerder van de weg komen te vallen, en
3. welke onder de zorg van de oude beheerder vallende
bijbehorende werken en bijbehorende voorzieningen voor het
wegverkeer buiten het overgaande gebied onder de zorg van de nieuwe
beheerder van de weg komen te vallen;
c. de aanwijzing, voor zover dat krachtens artikel 6, eerste tot en
met derde lid, noodzakelijk is, van de bruggen die met ingang van de
overgangsdatum in beheer overgaan, waarbij van elk van de in beheer
overgaande bruggen de oude en de nieuwe beheerder van de brug worden
vermeld;
d. van elk van de krachtens onderdeel c aangewezen bruggen
een zodanige nadere aanduiding met zo nodig een bijbehorende kaart en
met zo nodig een tekening dat duidelijk wordt
1. de begrenzing van het overgaande object,
2. welke onder de zorg van de oude beheerder van de brug vallende
bijbehorende werken en voorzieningen binnen de begrenzing van het
overgaande object niet onder de zorg van de nieuwe beheerder van de
brug komen te vallen, en
3. welke onder de zorg van de oude beheerder van de brug vallende
bijbehorende werken en voorzieningen buiten de begrenzing van het
overgaande object onder de zorg van de nieuwe beheerder van de brug
komen te vallen;
e. de aanwijzing, voor zover dat krachtens artikel 6, vierde lid,
noodzakelijk is, van de tunnels die met ingang van de overgangsdatum
in beheer overgaan, waarbij van elk van de in beheer overgaande
tunnels de oude en de nieuwe beheerder van de tunnel worden vermeld,
en waarbij voor de nadere aanduiding van de tunnel onderdeel d
van dit lid juncto artikel 7 van overeenkomstige toepassing is;
f. van elk van de krachtens onderdeel a, onderscheidenlijk
onderdeel c, onderscheidenlijk onderdeel e aangewezen
wegen, bruggen en tunnels met overgaande bijbehorende werken en
voorzieningen voor het wegverkeer een aanduiding van de onroerende
zaken en van de rechten waaraan onroerende zaken zijn onderworpen,
voor zover die zaken en rechten toebehoren aan de oude beheerder en na
de beheersovergang dienen over te gaan op de nieuwe beheerder.
Artikel 4
1. De in artikel 3, tweede lid, onderdeel a , bedoelde
aanwijzing geschiedt zodanig dat op de overgangsdatum
a. elk van de wegen die in de bij deze wet behorende bijlage 1 zijn
aangegeven in rood, in beheer zal zijn bij het Rijk,
b. elk van de wegen die in bijlage 1 zijn aangegeven in groen, in
beheer zal zijn bij de provincie, en
c. elk van de overige in een gemeente gelegen wegen, onverminderd
het bepaalde in artikel 2, in beheer zal zijn bij die gemeente.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, geschiedt
de in artikel 3, tweede lid, onderdeel a , bedoelde aanwijzing
zodanig dat op de overgangsdatum de overige wegen die zijn gelegen
a. buiten de bebouwde kom in de zin van de Wegenwet, waarbij de op
1 januari 1988 geldende grens van de bebouwde kom van toepassing is,
b. in een van de gemeenten die zijn opgenomen in de bij deze wet
behorende bijlage 2, en
c. in het gebied van een van de in bedoelde bijlage opgenomen
waterschappen,
in beheer zullen zijn bij het in bedoelde bijlage aangegeven
waterschap, met dien verstande dat de wegen die zijn gelegen in een
gebied dat behoort tot meer dan een van de in de bijlage genoemde
waterschappen, niet in beheer zullen zijn bij het overliggende
waterschap.
3. In afwijking van het eerste lid geschiedt de in artikel 3,
tweede lid, onderdeel a , bedoelde aanwijzing zodanig dat op de
overgangsdatum een weg die is gelegen naast een weg die
a. niet door plaatsing van het bord G1 van bijlage 1 van het
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (Stb. 459) als
autosnelweg is aangewezen, en
b. in de bij deze wet behorende bijlage 1 is aangegeven in rood
onderscheidenlijk groen,
in beheer zal zijn bij het Rijk onderscheidenlijk de provincie, als
de eerstbedoelde weg naar de mening van provinciale staten van meer
belang is waar het de vervulling van functies betreft in relatie tot de
in rood onderscheidenlijk groen aangegeven weg dan waar het de
vervulling van overige functies betreft.
4. Indien de in het eerste lid bedoelde ordening ertoe zou leiden
dat een wegvak op of onder een brug, of een wegvak in een tunnel in het
herverdelingsplan zou moeten worden opgenomen, en dat geen van de op het
bouwwerk aansluitende wegen in het herverdelingsplan moet worden
opgenomen, wordt het wegvak niet in het herverdelingsplan opgenomen,
tenzij blijkens een tijdig aan provinciale staten gezonden mededeling de
oude met de in bedoelde ordening beoogde nieuwe beheerder is
overeengekomen dat het wegvak met ingang van de overgangsdatum in beheer
zal komen bij de in bedoelde ordening beoogde nieuwe beheerder.
5. In geval een weg in beheer is bij een openbaar lichaam dat is
gevormd onder toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, en
het publiekrechtelijke lichaam bij welk krachtens het eerste tot en met
derde lid de weg in beheer zou komen, voor het beheer van wegen als de
bedoelde weg deelneemt aan de gemeenschappelijke regeling, wordt de weg
niet in het herverdelingsplan opgenomen.
6. In afwijking van het tweede lid, onderdeel c, geschiedt
de in artikel 3, tweede lid, onderdeel a , bedoelde aanwijzing
zodanig dat op de overgangsdatum de overige wegen die zijn gelegen
a. buiten de bebouwde kom in de zin van de Wegenwet, waarbij de op
1 januari 1988 geldende grens van de bebouwde kom van toepassing is,
b. in een van de gemeenten die zijn opgenomen in de bij deze wet
behorende bijlage 2,
c. in het gebied van meer dan een van de in bedoelde bijlage
opgenomen waterschappen, en
d. op een waterkering die in beheer is bij het in bedoelde bijlage
opgenomen overliggende waterschap,
in beheer zullen zijn bij het overliggende waterschap.
Artikel 5
1. Indien blijkens een tijdig aan provinciale staten gezonden
mededeling het Rijk onderscheidenlijk een provincie met een gemeente
is overeengekomen dat:
a. een gedeelte van een in de bij deze wet behorende bijlage 1 in
rood, onderscheidenlijk groen aangegeven weg, op de overgangsdatum in
beheer zal zijn bij de gemeente, of
b. een gedeelte van een weg die behoort tot de in artikel 4, eerste
lid, onderdeel c , bedoelde wegen, op de overgangsdatum in
beheer zal zijn bij het Rijk, onderscheidenlijk de provincie,
wordt deze overeenkomst bij de in artikel 3, tweede lid, onderdeel a
, bedoelde aanwijzing van in beheer overgaande wegen in afwijking van
artikel 4, eerste en derde lid, in acht genomen.
2. Indien blijkens een tijdig aan provinciale staten gezonden
mededeling het Rijk met de provincie, onderscheidenlijk een gemeente is
overeengekomen dat een weg die in beheer is bij het Rijk, en waarvan het
beheer en onderhoud niet ten laste komt van de in artikel 2, tweede lid,
onderdeel a , bedoelde begrotingen, met ingang van de
overgangsdatum in beheer zal zijn bij de provincie, onderscheidenlijk de
gemeente, wordt deze overeenkomst bij de in artikel 3, tweede lid,
onderdeel a , bedoelde aanwijzing in acht genomen, en wordt bij
de toepassing van deze wet afgeweken van het bepaalde in artikel 2,
tweede lid, onderdeel a.
3. Indien blijkens een tijdig aan provinciale staten gezonden
mededeling een ander dan het Rijk, de provincies, de gemeenten, de
waterschappen en de publiekrechtelijke lichamen die met toepassing van
de Wet gemeenschappelijke regelingen tot stand zijn gekomen, met het
Rijk, onderscheidenlijk een provincie, onderscheidenlijk een gemeente is
overeengekomen dat een weg die in beheer is bij die ander, met ingang
van de overgangsdatum in beheer zal zijn bij het Rijk, onderscheidenlijk
de provincie, onderscheidenlijk de gemeente, wordt deze overeenkomst bij
de in artikel 3, tweede lid, onderdeel a , bedoelde aanwijzing in
acht genomen, en wordt bij de toepassing van deze wet afgeweken van het
bepaalde in artikel 2, eerste lid.
4. Indien blijkens een tijdig aan provinciale staten gezonden
mededeling een waterschap dat is opgenomen in de bij deze wet behorende
bijlage 2, met een gemeente is overeengekomen dat een in die gemeente
gelegen weg met ingang van de overgangsdatum niet bij het waterschap
doch bij de gemeente in beheer zal zijn, wordt deze overeenkomst bij de
in artikel 3, tweede lid, onderdeel a , bedoelde aanwijzing in
afwijking van artikel 4, tweede lid, in acht genomen.
5. Indien een waterschap bij de in artikel 4, eerste lid,
bedoelde ordening de plaats heeft ingenomen van een gemeente, zijn het
eerste tot en met het derde lid van toepassing met dien verstande dat
voor "gemeente" wordt gelezen: waterschap. In het geval dat
overleg met een waterschap om te komen tot een overeenkomst als bedoeld
in het eerste, onderscheidenlijk tweede, onderscheidenlijk derde lid,
niet tot overeenstemming heeft geleid, is alsnog het eerste,
onderscheidenlijk tweede, onderscheidenlijk derde lid ongewijzigd van
toepassing.
Artikel 6
1. De in artikel 3, tweede lid, onderdeel c , bedoelde
aanwijzing geschiedt zodanig dat, tenzij naar de mening van
provinciale staten om redenen van praktische aard anders moet worden
besloten, op de overgangsdatum een brug die mede een functie vervult
voor een in beheer overgaande weg, in beheer zal zijn bij
a. het Rijk, als het Rijk op de overgangsdatum de weg of een van de
andere over of onder deze weg geleide wegen of oppervlaktewateren in
beheer zal hebben en de kosten wegens beheer en onderhoud ten laste
komen van hoofdstuk XII (Verkeer en Waterstaat) van de Rijksbegroting
of van een onder de zorg van Onze Minister vallend fonds, of
b. in het geval dat a niet van toepassing is, de provincie,
als de provincie op de overgangsdatum de weg of een van de andere over
of onder deze weg geleide wegen of oppervlaktewateren in beheer zal
hebben, of
c. in het geval dat a en b niet van toepassing zijn,
de gemeente waar de brug is gelegen, als
1. de gemeente, of
2. een openbaar lichaam dat onder toepassing van de Wet
gemeenschappelijke regelingen is ingesteld, met de gemeente als
deelnemer aan de desbetreffende gemeenschappelijke regeling,
op de overgangsdatum de weg of een van de andere over of onder deze
weg geleide wegen of oppervlaktewateren in beheer zal hebben.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, als een in beheer
overgaande weg krachtens artikel 5, of krachtens artikel 4, vierde lid,
in het herverdelingsplan wordt opgenomen.
3. Als een brug over een in beheer overgaande weg ligt of als op
een brug een in beheer overgaande weg ligt, en de nieuwe beheerder van
de weg met de beheerder van de brug en de andere bij de brug betrokken
beheerders van wegen en oppervlaktewateren blijkens een tijdig aan
provinciale staten gezonden mededeling is overeengekomen bij wie van hen
de brug op de overgangsdatum in beheer zal zijn, wordt bij de
vaststelling van het herverdelingsplan deze overeenkomst, zonodig in
afwijking van het eerste lid, in acht genomen, en wordt de brug zonodig
via de in artikel 3, tweede lid, onderdeel b , bedoelde nadere
aanduiding in het herverdelingsplan opgenomen of zonodig in het in
artikel 3, tweede lid, onderdeel c , bedoelde onderdeel van het
herverdelingsplan opgenomen.
4. Als een tunnel door of onder een in beheer overgaande weg ligt
of als in een tunnel een in beheer overgaande weg ligt, en de nieuwe
beheerder van de weg met de beheerder van de tunnel en de andere bij de
tunnel betrokken beheerders van wegen en oppervlaktewateren blijkens een
tijdig aan provinciale staten gezonden mededeling zijn overeengekomen
bij wie van hen de tunnel op de overgangsdatum van de weg in beheer zal
zijn, wordt deze overeenkomst in acht genomen en wordt de tunnel zonodig
via de in artikel 3, tweede lid, onderdeel b , bedoelde nadere
aanduiding in het herverdelingsplan opgenomen of zonodig in het in
artikel 3, tweede lid, onderdeel e , bedoelde onderdeel van het
herverdelingsplan opgenomen.
5. In geval een brug in beheer is bij een openbaar lichaam dat is
gevormd onder toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, en
het publiekrechtelijke lichaam bij welk krachtens het eerste lid de brug
in beheer zou komen, voor het beheer van bruggen als de bedoelde brug
deelneemt aan de gemeenschappelijke regeling, wordt de brug niet in het
herverdelingsplan opgenomen.
Artikel 7
1. De in artikel 3, tweede lid, onderdeel b , bedoelde
aanduiding geschiedt wat de in subonderdeel 2 bedoelde uitzondering en
de in de subonderdeel 3 bedoelde uitbreiding betreft, op voorstel van
de oude beheerder in overeenstemming met de nieuwe beheerder.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de in de
subonderdelen 2 en 3 van artikel 3, tweede lid, onderdeel d ,
bedoelde uitzondering en uitbreiding.
Artikel 8
Gedeputeerde staten zenden onverwijld aan de belanghebbende
beheerders, alsmede aan Onze Minister, de onderdelen die zijn bedoeld in
artikel 3, tweede lid, onderdelen a, c en e , en voorts
aan elk van de belanghebbende beheerders de op hem betrekking hebbende
overige onderdelen van het herverdelingsplan toe.
Artikel 9
Tegen het besluit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, kunnen
belanghebbende beheerders met uitzondering van de provincie binnen zes
weken na de datum van de in artikel 8 bedoelde toezending van het
besluit beroep op de Kroon instellen.
Hoofdstuk III. Beheersovergang en gevolgen
Artikel 10
1. Met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen datum
a. gaat elk van de in de herverdelingsplannen aangewezen en nader
aangeduide wegen in beheer over naar de in het herverdelingsplan
aangewezen nieuwe beheerder,
b. komen de onder de zorg van de oude beheerder vallende
bijbehorende werken en voorzieningen voor het wegverkeer binnen de
grens van het overgaande gebied te vallen onder de zorg van de nieuwe
beheerder, voor zover zij niet krachtens artikel 3, tweede lid,
onderdeel b, subonderdeel 2, zijn uitgezonderd, en
c. komen de krachtens artikel 3, tweede lid, onderdeel b,
subonderdeel 3, aangeduide bijbehorende werken en voorzieningen te
vallen onder de zorg van de nieuwe beheerder.
2. Met ingang van de, krachtens het eerste lid vastgestelde,
overgangsdatum
a. gaat elk van de in de herverdelingsplannen aangewezen en nader
aangeduide bruggen zonder de op de brug gelegen weg in beheer over
naar de in het herverdelingsplan aangewezen nieuwe beheerder van de
brug,
b. komen de onder de zorg van de oude beheerder van de brug
vallende bijbehorende werken en voorzieningen binnen de begrenzing van
het overgaande object te vallen onder de zorg van de nieuwe beheerder
van de brug, voor zover zij niet krachtens artikel 3, tweede lid,
onderdeel d , zijn uitgezonderd, en
c. komen de krachtens artikel 3, tweede lid, onderdeel d ,
aangeduide bijbehorende werken en voorzieningen te vallen onder de
zorg van de nieuwe beheerder.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de
krachtens artikel 3, tweede lid, onderdeel e , aangewezen en
nader aangeduide tunnels.
4. Met ingang van de dag voor de overgangsdatum worden de in de
herverdelingsplannen opgenomen wegen die behoren tot de in artikel 2,
tweede lid, onderdeel b , subonderdeel 1, bedoelde categorie,
openbaar in de zin van de Wegenwet, indien zij niet uit andere hoofde
inmiddels openbaar in de zin van de Wegenwet zijn geworden.
Artikel 11
1. Met ingang van de overgangsdatum gaan de rechten en plichten
die betrekking hebben op de weg en de overgaande bijbehorende werken
en voorzieningen, met uitzondering van lopende vorderingen ontstaan
voor de overgangsdatum uit een of meer overeenkomsten of krachtens de
wet, van de oude beheerder over op de nieuwe beheerder, onverminderd
het bepaalde in de artikelen 13, 14 en 16.
2. Indien niet op de oude beheerder, maar op een openbaar lichaam
dat onder toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen is
ingesteld, de plicht rust een in beheer overgaande weg te onderhouden,
en de oude beheerder aan de desbetreffende gemeenschappelijke regeling
deelneemt, komt in afwijking van het eerste lid de onderhoudsplicht van
het openbaar lichaam met ingang van de overgangsdatum te vervallen, en
gaan met ingang van de overgangsdatum de rechten en plichten van het
openbare lichaam voor zover zij betrekking hebben op het onderhoud van
de weg, over op de nieuwe beheerder.
Artikel 12
1. De oude beheerder draagt, tenzij de oude en de nieuwe
beheerder anders zijn overeengekomen, er zorg voor dat de in beheer
overgaande weg en de naar de nieuwe beheerder overgaande bijbehorende
werken en voorzieningen voor het wegverkeer op de dag voor de
overgangsdatum in voldoende staat verkeren.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld volgens welke wordt bepaald of een weg in voldoende staat van
onderhoud verkeert.
Artikel 13
1. De oude beheerder draagt de archiefbescheiden betrekking
hebbend op aangelegenheden omtrent de aanleg, het beheer en het
onderhoud van de weg en van de naar de nieuwe beheerder overgaande
bijbehorende werken en voorzieningen voor het wegverkeer, welke op de
overgangsdatum nog niet zijn afgedaan, over aan de nieuwe beheerder.
2. De nieuwe beheerder is te allen tijde bevoegd kosteloos inzage
te nemen van de overige archiefbescheiden van de oude beheerder voor
zover betrekking hebbend op de aanleg, het beheer en het onderhoud van
de weg en bijbehorende werken en voorzieningen voor het wegverkeer, en
daarvan reprodukties te vorderen. De kosten gemoeid met de vervaardiging
van deze reprodukties, komen ten laste van de oude beheerder.
Artikel 14
De oude en de nieuwe beheerder zijn verplicht binnen zesendertig
maanden na de overgangsdatum over te gaan tot onvoorwaardelijke
levering, onderscheidenlijk aanvaarding van onroerende zaken en rechten
als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f , alsmede voor
zover de verhouding tussen de oude en de nieuwe beheerder daartoe
noodzaakt, tot onvoorwaardelijke vestiging, wijziging of afstand van
rechten waaraan onroerende zaken zijn onderworpen.
Artikel 15
Ten aanzien van onroerende zaken en rechten daarop die onderwerp zijn
van een beroep als bedoeld in artikel 9, vangt de termijn, bedoeld in
artikel 14, aan op de dag van de uitspraak van de Kroon.
Artikel 16
1. De in artikel 11 bedoelde overgang van rechten en
verplichtingen en de in artikel 14 bedoelde levering en vestiging,
wijziging of afstand van rechten geschieden om niet.
2. Het batig saldo van de inkomsten en uitgaven voortvloeiende
uit de exploitatie van de in artikel 14 bedoelde onroerende zaken en
rechten waaraan onroerende zaken zijn onderworpen, in de periode tussen
de overgangsdatum en de datum van de in het eerste lid bedoelde
levering, wordt door de oude beheerder aan de nieuwe beheerder
uitgekeerd.
3. Indien de nieuwe beheerder binnen tien jaar na de
overgangsdatum ten gevolge van het bestaan of het bestaan hebben van een
verkooppunt van motorbrandstoffen schade lijdt door verontreiniging van
de bodem waarop de weg die hij in beheer heeft gekregen, of bijbehorende
werken en voorzieningen voor het wegverkeer onder zijn zorg zijn komen
te vallen, zijn aangelegd, terwijl de verontreiniging is ontstaan voor
de overgangsdatum, en het optreden van de schade hem niet kan worden
toegerekend, vergoedt, tenzij de oude en de nieuwe beheerder anders zijn
overeengekomen, de oude beheerder de schade aan de nieuwe beheerder.
Artikel 17
De artikelen 11 tot en met 16 zijn van overeenkomstige toepassing als
krachtens artikel 10, tweede lid, een brug of krachtens artikel 10,
derde lid, een tunnel in beheer overgaat.
Hoofdstuk IV. Personeel
Artikel 18
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. personeelslid: degene die op de dag voor de overgangsdatum bij
de oude beheerder in vaste of in tijdelijke dienst is aangesteld dan
wel op arbeidsovereenkomst in dienst is en die uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend werkzaam is ten behoeve van het beheer van in
beheer overgaande wegen of bruggen en wiens functie bij de oude
beheerder als gevolg van deze overgang vervalt, mits de aanstelling
in tijdelijke dienst, onderscheidenlijk de arbeidsovereenkomst een
dienstverband betreft dat bij wijze van proef, dan wel voor een
proeftijd, dan wel anders dan voor een vaste of kennelijk bepaalde
tijd tot stand is gebracht;
b. Sociaal Statuut: het op 15 augustus 1990 door Onze Minister
vastgestelde Sociaal Statuut Herverdeling Wegenbeheer;
c. provinciaal plaatsingsplan: een provinciaal plaatsingsplan als
bedoeld in de artikelen 4.2 juncto 4.3 van het Sociaal Statuut.
Artikel 19
1. De oude beheerder biedt, tenzij het provinciaal
plaatsingsplan niet voorziet in een mogelijkheid tot plaatsing bij een
van de nieuwe beheerders, namens een nieuwe beheerder het
personeelslid een functie aan bij die nieuwe beheerder.
2. Het in het eerste lid bedoelde aanbod dient een functie te
betreffen die
a. het personeelslid in verband met zijn persoonlijkheid en
omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen,
b. zoveel mogelijk overeenkomt met de functie van het personeelslid
in dienst bij de oude beheerder, en
c. wat de in de artikelen 4.22 tot en met 4.29 van het Sociaal
Statuut bedoelde arbeidsvoorwaarden betreft kan worden aangegaan onder
voorwaarden die in hun geheel beschouwd niet ongunstiger zijn dan die
welke voor het personeelslid golden uit hoofde van zijn dienstverband
bij de oude beheerder op de dag voor de overgangsdatum.
3. Als het provinciaal plaatsingsplan niet voorziet in een
mogelijkheid tot plaatsing bij een van de nieuwe beheerders, doet de
oude beheerder, mede namens de nieuwe beheerders, hiervan mededeling aan
het personeelslid.
4. Het personeelslid dat bezwaar heeft tegen het aanbod, bedoeld
in het eerste lid, of tegen de mededeling, bedoeld in het derde lid, kan
binnen dertig dagen na de dag waarop het aanbod dan wel de mededeling is
gedaan, een bezwaarschrift indienen bij de oude beheerder. De oude
beheerder neemt, in overeenstemming met de nieuwe beheerder dan wel
beheerders, over het bezwaar geen beslissing dan nadat hij advies heeft
ingewonnen bij een bezwarencommissie zoals bedoeld in artikel 4.36 van
het Sociaal Statuut.
Artikel 20
1. Het personeelslid dat niet tijdig bezwaar heeft gemaakt
tegen het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste lid, en het
personeelslid dat binnen twee weken na ontvangst van de afwijzende
beslissing op het bezwaarschrift aan de oude beheerder laat weten dat
hij het aanbod alsnog aanvaardt, gaat met ingang van de overgangsdatum
over in dienst bij de nieuwe beheerder in een dienstverband van
tenminste dezelfde aard als voor het personeelslid op de dag voor de
overgangsdatum gold.
2. Door de overgang in dienst bij de nieuwe beheerder is het
personeelslid van rechtswege eervol ontslagen uit de dienst van de oude
beheerder.
Artikel 21
1. Onze Minister stelt nadere regels betreffende het aanbieden
van functies aan personeelsleden, het in dienst overgaan, de
arbeidsvoorwaarden voor een in dienst overgaand personeelslid, de om-,
her- en bijscholing van een personeelslid en het behandelen van
bezwaren van een personeelslid.
2. Alvorens de nadere regels vast te stellen pleegt Onze Minister
overleg met het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten en de Unie van Waterschappen en met de in de Centrale
Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken
vertegenwoordigde centrales van verenigingen van ambtenaren.
Hoofdstuk V. Financiële verhouding
Artikel 22
1. Indien ingevolge artikel 4, tweede lid, of artikel 4, zesde
lid, een waterschap op de overgangsdatum wegen in beheer heeft,
verstrekt elk van de gemeenten waar door het waterschap beheerde wegen
zijn gelegen, aan het waterschap jaarlijks een bijdrage in de kosten
van de wegenzorg.
2. De bijdrage wordt, tenzij de gemeente en het waterschap anders
zijn overeengekomen, in vier zo veel mogelijk gelijke kwartaalbetalingen
uitgekeerd.
3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt de hoogte van de
bijdrage vastgesteld die de gemeente in het eerste jaar waarin de
overgangsdatum valt, moet verstrekken.
4. Met ingang van het eerste jaar na het jaar waarin de
overgangsdatum valt, wordt gedurende twintig jaar de bijdrage jaarlijks
verhoogd met een bedrag gelijk aan 3,125% van de bijdrage die in het
eerste jaar waarin de overgangsdatum valt, is verstrekt.
5. Met ingang van het eerste jaar na het jaar waarin de
overgangsdatum valt, bedraagt de bijdrage het resultaat van een
berekening waarbij het bedrag van de bijdrage in het voorgaande jaar, na
toepassing van het vorige lid, wordt verhoogd onderscheidenlijk verlaagd
met het percentage waarmee het Gemeentefonds in het uitkeringsjaar in
verband met algemene loon- en prijswijzigingen groeit onderscheidenlijk
afneemt ten opzichte van het voorgaande uitkeringsjaar.
Artikel 23
Als op de gemeente Groningen op de overgangsdatum nog de in de
Wegenwet bedoelde onderhoudsplicht rust voor een weg die is gelegen
a. buiten het gebied van de gemeente Groningen, en
b. in het gebied "Oost-Groningen en de Gronings-Drentse
Veenkoloniën", bedoeld in artikel 1 van de Herinrichtingswet
Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën (Stb.
1977, 694),
verschaft de gemeente waar de weg is gelegen, aan de gemeente
Groningen jaarlijks zo lang de onderhoudsplicht op de gemeente Groningen
rust, een bijdrage in de kosten van het onderhoud.
Artikel 24
Artikel 22, tweede lid tot en met vijfde lid, is op de in artikel 23
bedoelde bijdrage van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk VI. Overgangsbepalingen
Artikel 25
1. Wie ten tijde van de beheersovergang van een weg een gebruik
maakt dat bij de beheerregeling van de oude beheerder niet is
verboden, en bij de beheerregeling van de nieuwe beheerder niet of
slechts onder beschikking is toegestaan, mag dat gebruik in elk geval
de eerste zes maanden ongewijzigd voortzetten en, mits hij binnen die
zes maanden een beschikking heeft aangevraagd, het gebruik in elk
geval ongewijzigd voortzetten totdat de nieuwe beheerder op de
aanvraag heeft beslist.
2. De door de oude beheerder verleende beschikking voor een
gebruik van een weg waarvoor bij de beheerregeling van de nieuwe
beheerder eveneens een beschikking is vereist, staat gelijk met een door
de nieuwe beheerder verleende beschikking. De nieuwe beheerder mag de
beschikking met de daartoe behorende voorschriften in de eerste twaalf
maanden niet ambtshalve wijzigen of intrekken, tenzij wordt gehandeld in
strijd met de beschikking.
Artikel 26
Artikel 25 is van overeenkomstige toepassing als krachtens artikel
10, tweede lid, een brug of krachtens artikel 10, derde lid, een tunnel
in beheer overgaat.
Artikel 27
1. Gedeputeerde staten zorgen er voor dat binnen twee jaar na
de overgangsdatum de reserves voor het wegenbeheer worden verdeeld en
uitgekeerd.
2. Onder reserves voor het wegenbeheer als bedoeld in het eerste
lid, worden verstaan de reserves waarvan de vorming ten laste van de
uitkering ingevolge artikel 9 van de Wet Uitkeringen Wegen (Stb.
1966, 367) is verantwoord binnen hoofdstuk 3 "Verkeer en
Vervoer", paragraaf O "Uitvoering Wet Uitkeringen Wegen",
van de provinciale rekening, bedoeld in de Provinciale
Comptabiliteitsvoorschriften 1979 (Stb. 1979, 324).
Artikel 28
1. De in artikel 27, eerste lid, bedoelde verdeling betreft de
saldi van de voor verdeling in aanmerking komende reserves op 31
december van het jaar voor de overgangsdatum, na aftrek van de
bijdragen ten laste van deze reserves waartoe het provinciaal bestuur
ten laatste op 31 december 1989 heeft besloten, met dien verstande dat
het saldo van de in artikel 10, vierde lid, van de Wet Uitkeringen
Wegen bedoelde reserve voor voorzieningen ten behoeve van het
wegverkeer in drie delen wordt gesplitst, waarna deze delen worden
toegevoegd aan de reserves ten behoeve van secundaire,
onderscheidenlijk tertiaire onderscheidenlijk quartaire wegen.
2. De in het eerste lid bedoelde splitsing geschiedt
overeenkomstig de op de verdeling over de categorieën secundaire wegen,
tertiaire wegen en quartaire wegen betrekking hebbende regels van de in
het jaar voor de overgangsdatum geldende provinciale
verdelingsverordening, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet
Uitkeringen Wegen.
3. De reserve ten behoeve van in artikel 7 van de Wet Uitkeringen
Wegen bedoelde secundaire wegen wordt verdeeld naar rato van de
onderhoudsbijdragen die de onderhoudsplichtigen van secundaire wegen in
het jaar voor de overgangsdatum hebben ontvangen, en aan die
onderhoudsplichtigen uitgekeerd.
4. De reserve ten behoeve van in artikel 7 van de Wet Uitkeringen
Wegen bedoelde tertiaire wegen wordt verdeeld naar rato van de
onderhoudsbijdragen die de onderhoudsplichtigen van tertiaire wegen in
het jaar voor de overgangsdatum hebben ontvangen, en aan die
onderhoudsplichtigen uitgekeerd.
5. De reserve ten behoeve van in artikel 7 van de Wet Uitkeringen
Wegen bedoelde quartaire wegen wordt verdeeld naar rato van de
onderhoudsbijdragen die de onderhoudsplichtigen van quartaire wegen in
het jaar voor de overgangsdatum hebben ontvangen, en aan die
onderhoudsplichtigen uitgekeerd.
Artikel 29
1. Gedeputeerde staten doen binnen vier maanden na de
overgangsdatum aan Onze Minister per onderhoudsplichtige per wegvak
onderscheidenlijk per veerverbinding gespecificeerd opgave van de op
grond van de provinciale verdelingsverordening, bedoeld in artikel 10,
eerste lid, van de Wet Uitkeringen Wegen, per jaar toegezegde
bijdragen in de kosten van rente en afschrijving van kapitaaluitgaven
voor zover
a. die toezeggingen betrekking hebben op bijdragen aan andere
onderhoudsplichtigen dan de provincie te verstrekken in de periode na
de overgangsdatum,
b. de kapitaaluitgaven betrekking hebben op werkzaamheden die zijn
verricht voor de overgangsdatum, en
c. de betalingen wegens die werkzaamheden zijn gedaan voor de
overgangsdatum, of voor die datum opeisbaar zijn geworden.
2. Gedeputeerde staten voegen aan de opgave een inventarisatie
toe waarin voor elk van de in aanmerking komende gemeenten wordt
aangegeven de grootte van de per jaar en per wegvak gespecificeerde
uitkering die de gemeente aan een of meer in het eerste lid bedoelde
andere onderhoudsplichtigen heeft te doen om het voor die andere
onderhoudsplichtigen vervallen van de bijdragen in de kosten van rente
en afschrijving van kapitaaluitgaven te compenseren.
3. Gedeputeerde Staten doen binnen vier maanden na de
overgangsdatum aan Onze Minister per veerverbinding die niet is gelegen
in een wegverbinding of tussen wegen die in de bij deze wet behorende
bijlage 1 zijn aangegeven in rood of groen, gespecificeerd opgave van
het jaarlijkse gemiddelde van de op grond van de provinciale
verdelingsverordening, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet
Uitkeringen Wegen, over de laatste drie jaar voor de overgangsdatum
verleende bijdragen aan anderen voor veerverbindingen, verminderd met de
over die jaren verleende bijdragen in de kapitaallasten van die
veerverbindingen.
4. Gedeputeerde Staten voegen aan de in het derde lid bedoelde
opgave een inventarisatie toe waarin voor de in aanmerking komende
gemeenten wordt aangegeven, de grootte van de uitkering die de gemeente
in het eerste jaar na de overgangsdatum heeft te doen aan andere die de
betrokken veerverbindingen verzorgen, om het vervallen van de bijdrage
of bijdragen in de kosten van de veerverbinding met uitzondering van de
bijdragen in de kosten van rente en afschrijving van kapitaaluitgaven,
te compenseren.
Artikel 30
1. Onze Minister stelt aan de hand van de in artikel 29, eerste
lid, bedoelde opgaven een overzicht vast van de bijdragen die aan de
gemeenten zijn toegezegd.
2. Onze Minister stelt aan de hand van de in artikel 29, tweede
lid, bedoelde inventarisaties een lijst vast van de gemeenten die de in
de lijst vermelde uitkeringen zullen verschaffen aan de in de lijst
genoemde andere onderhoudsplichtigen.
3. Het in het eerste lid bedoelde overzicht en de in het tweede
lid bedoelde lijst worden niet vastgesteld dan nadat een ontwerp voor
het overzicht en voor de lijst is gepubliceerd in de Staatscourant,
de in artikel 29, eerste lid, bedoelde onderhoudsplichtigen de
gelegenheid is geboden bij Onze Minister bedenkingen tegen het ontwerp
in te brengen en over deze bedenkingen een standpunt is bepaald.
4. Onze Minister stelt aan de hand van de in artikel 29, derde
lid, bedoelde opgaven een per gemeente geordend overzicht vast van de
jaarlijkse gemiddelden van de bijdragen die de gemeenten ontvingen over
de laatste drie jaar voor de overgangsdatum in de kosten van
overzetveren, verminderd met de bijdragen in kapitaallasten voor de
veerverbindingen.
5. Onze Minister stelt aan de hand van de in artikel 29, vierde
lid, bedoelde inventarisaties een lijst vast van de gemeente die
gedurende de eerste vijf jaar na de overgangsdatum jaarlijks uitkeringen
zullen verschaffen aan de in de lijst genoemde anderen, en van de hoogte
van deze uitkeringen. Deze hoogte bedraagt in het eerste jaar na de
overgangsdatum het jaarlijkse gemiddelde van de netto-uitkeringen die de
betrokken andere dan de gemeente volgens het overzicht over de laatste
drie jaar voor de overgangsdatum ontving; deze hoogte bedraagt in het
n-de jaar na het jaar waarin de overgangsdatum valt, (5-n)/5 van van de
hoogte in het eerste jaar na de overgangsdatum.
6. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de
vaststelling van het in het vierde lid bedoelde overzicht en van de in
het vijfde lid bedoelde lijst.
Artikel 31
1. Een gemeente die op de in artikel 30, tweede lid, bedoelde
lijst voorkomt, verschaft met inachtneming van de lijst uitkeringen
aan de in de lijst genoemde andere onderhoudsplichtigen.
2. De uitkering wordt, tenzij de gemeente en de andere
onderhoudsplichtige anders zijn overeengekomen, verstrekt in vier zo
veel mogelijk gelijke kwartaalbetalingen.
3. Een gemeente die op de in artikel 30, vijfde lid, bedoelde
lijst voorkomt, verschaft met inachtneming van de lijst gedurende de
eerste vijf jaar na de overgangsdatum jaarlijks een uitkering aan degene
die een of meer van de betrokken veerverbindingen verzorgt.
4. Op de in het derde lid bedoelde uitkering is het tweede lid
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 32
1. Aan elk van de gemeenten die voorkomen in het in artikel 30,
eerste lid, bedoelde overzicht, wordt ten laste van de begroting van
het Gemeentefonds jaarlijks een uitkering gedaan die overeenkomt met
de som der aan de gemeente volgens het overzicht toegezegde bijdragen
voor het desbetreffende jaar.
2. Aan elk van de gemeenten die voorkomen op de in artikel 30,
tweede lid, bedoelde lijst, wordt ten laste van de begroting van het
Gemeentefonds jaarlijks een uitkering gedaan die overeenkomt met de som
der uitkeringen die de gemeente volgens de lijst in het desbetreffende
jaar aan andere onderhoudsplichtigen moet verschaffen.
3. Het in het eerste lid bedoelde overzicht en de in het tweede
lid bedoelde lijst, alsmede het in het vierde lid bedoelde overzicht en
de in het vijfde lid bedoelde lijst, worden opgenomen in een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 13 van de
Financiële-verhoudingswet.
4. Aan elk van de gemeenten die voorkomen in het in artikel 30,
vierde lid, bedoelde overzicht, wordt ten laste van de begroting van het
Gemeentefonds jaarlijks gedurende de eerste vijf jaar na de
overgangsdatum een uitkering gedaan. De hoogte van die uitkering
bedraagt in het eerste jaar na de overgangsdatum het jaarlijks
gemiddelde van de netto-uitkeringen die de betrokken gemeente volgens
het overzicht over de laatste drie jaar voor de overgangsdatum ontving;
de hoogte in het n-de jaar na het jaar waarin de overgangsdatum valt,
bedraagt (5-n)/5 van de hoogte in het eerste jaar na de overgangsdatum.
5. Aan elk van de gemeenten die voorkomen op de in artikel 30,
vijfde lid, bedoelde lijst, wordt ten laste van de begroting van het
Gemeentefonds jaarlijks gedurende de eerste vijf jaar na de
overgangsdatum een uitkering gedaan waarvan de hoogte overeenkomt met de
hoogte van de uitkering die de gemeente in het desbetreffende jaar
volgens de lijst aan een of meer anderen moet verschaffen.
Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
Artikel 33
De Wet Uitkeringen Wegen wordt ingetrokken.
Artikel 34
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 35
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 36
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 37
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 38
Een besluit van provinciale staten tot vaststelling van een
herverdelingsplan als bedoeld in artikel 3, dat is genomen voor de datum
van inwerkingtreding van deze wet, doch overeenkomstig de bepalingen van
deze wet, wordt met ingang van datum van inwerkingtreding van deze wet
gelijkgesteld met het besluit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, met
dien verstande dat de termijn, bedoeld in artikel 9, aanvangt op de
datum van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 39
1. Onze Minister bevordert dat na de overgangsdatum bij het
Rijk de wegen in beheer zijn die verbindingen vormen van nationaal
belang, en bij de provincies de wegen die verbindingen vormen van
bovenregionaal belang voorzover niet in beheer bij het Rijk, en de
wegen die verbindingen vormen van regionaal belang.
2. Een keer in de tien jaar zendt Onze Minister aan de Tweede
Kamer der Staten-Generaal een nota over de ontwikkelingen betreffende de
taakverdeling tussen de overheden bij het beheer van de wegen.
3. De in het tweede lid bedoelde nota wordt niet verzonden dan na
overleg met vertegenwoordigers van de andere overheden.
4. Zo de in het tweede lid bedoelde nota daartoe aanleiding
geeft, wordt een voorstel van wet aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal gezonden strekkende tot wijziging in de taakverdeling
tussen de overheden bij het beheer van de wegen en tot regeling van
daarmee samenhangende aangelegenheden.
Artikel 40
Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst,
met uitzondering van artikel 33, dat in werking treedt op de
overgangsdatum.
Artikel 41
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet herverdeling wegenbeheer.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 29 oktober 1992
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
D.IJ.W. de Graaff-Nauta
De Staatssecretaris van Financiën,
M.J.J. van Amelsvoort
Uitgegeven de derde november 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage 1 behorende bij de Wet herverdeling wegenbeheer (Stb. 1992,
563)
Wegenkaart,
in drie delen
[Raadpleeg voor de kaart de bijgevoegde kaart bij Staatsblad 1992,
563]