WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
bepalingen inzake de vrijwillige verzekering krachtens de Algemene
Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet meer in overeenstemming te
brengen met de oorspronkelijke doelstelling van de vrijwillige
verzekering, te weten een verzekering van tijdelijke aard, en dat het
wenselijk is het overgangsrecht met betrekking tot de uitkering op grond
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in het
buitenland te herstellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
ARTIKEL I. Wijziging van de Algemene Ouderdomswet
[Wijzigt de Algemene Ouderdomswet]
ARTIKEL II. Wijziging hoofdstuk IX van de Algemene Ouderdomswet
[Wijzigt de Algemene Ouderdomswet]
ARTIKEL III. Wijziging van de Algemene nabestaandenwet
[Wijzigt de Algemene nabestaandenwet]
ARTIKEL IV. Wijziging van de Wet financiering volksverzekeringen
[Wijzigt de Wet financiering volksverzekeringen]
ARTIKEL V. Wijziging van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen
[Wijzigt de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen]
ARTIKEL VI. Wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten
[Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten]
ARTIKEL VII. Overgangsbepaling
De perioden van maximaal tien jaar, bedoeld in de artikelen 35,
eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet en 63a, eerste lid, van de
Algemene nabestaandenwet, zijn niet van toepassing op degene die voor de
datum van inwerkingtreding van deze wet reeds vrijwillig verzekerd was
voor de Algemene Ouderdomswet of de Algemene nabestaandenwet ten aanzien
van de op die datum bestaande vrijwillige verzekering.
ARTIKEL VIII. Verruiming grondslag regeling aanwijzing
ontwikkelingsorganisaties BEU en regeling van 6 juni 1989 (Stcrt. 121)
1. Na de inwerkingtreding van deze wet berust de Regeling
aanwijzing ontwikkelingsorganisaties BEU mede op artikel 35, derde
lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet en artikel 63a, derde
lid, onderdeel b, van de Algemene nabestaandenwet.
2. Na de inwerkingtreding van deze wet berust de regeling van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de
Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister
van Binnenlandse Zaken van 6 juni 1989, nr. SZ/SVV/89/3050,
houdende aanwijzing van volkenrechtelijke organisaties in het buitenland
(Stcrt. 121) mede op artikel 35, derde lid, onderdeel c, van de Algemene
Ouderdomswet en artikel 63a, derde lid, onderdeel c, van de Algemene
nabestaandenwet.
ARTIKEL IX. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2001. Indien
het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na
1 januari 2001, treedt zij in werking met ingang van de dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en
werkt zij terug tot en met 1 januari 2001.
ARTIKEL X. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet herziening vrijwillige verzekering
AOW en ANW.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 26 april 2001
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de achtste mei 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals