Artikel 5
Deze wet treedt in werking met ingang van den dag volgende op dien
harer afkondiging.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle Ministerieele Departementen,
Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, den 31sten Mei 1937.
WILHELMINA
De Minister van Waterstaat,
Van Lidth de Jeude
De Minister van Staat, Minister van Defensie a.i.,
H. Colijn
De Minister van Staat, Minister van Koloniën,
H. Colijn
De Minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart,
H. Gelissen
De Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen,
J.R. Slotemaker de Bruïne
De Minister van Financiën,
Oud
Uitgegeven den vierden Juni 1937
De Minister van Justitie,
Van Schaik
Akte van oprichting van de Stichting Nationaal Luchtvaartlaboratorium
1. De Heeren, te dezen onderscheidenlijk vertegenwoordigende de
Ministers van Waterstaat, van Defensie, van Koloniën, van Handel,
Nijverheid en Scheepvaart, van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en
van Financiën, die te dezen handelen namens het Rijk;
2. de Heeren en , te dezen handelende voor en namens de Vereeniging
van Nederlandsche Vliegtuigfabrikanten, gevestigd te ’s-Gravenhage;
3. De Heer , te dezen handelende voor en namens de N. V. Koninklijke
Luchtvaart Maatschappij voor Nederland en Koloniën, gevestigd te ’s-Gravenhage;
4. De Heer , te dezen handelende voor en namens de N. V. Koninklijke
Nederlandsch-Indische Luchtvaartmaatschappij, gevestigd te Amsterdam;
5. De Heer , te dezen handelende voor en namens de Koninklijke
Nederlandsche Vereeniging voor Luchtvaart, gevestigd te ’s-Gravenhage,
verklaren over te gaan tot het in het leven roepen eener stichting en
tot dat doel te storten een bedrag van duizend gulden, waarin door het
Rijk voor f 600 wordt deelgenomen.
Voor deze stichting zullen gelden de navolgende bepalingen:
Artikel 1
De Stichting draagt den naam: "Nationaal
Luchtvaartlaboratorium" en is gevestigd te ’s-Gravenhage.
Artikel 2
De Stichting heeft ten doel:
1°. het beheeren van het Nationaal Luchtvaartlaboratorium,
waarvan de bestemming is: onderzoekingen te doen en proeven te nemen
op het gebied van de luchtvaart, adviezen te geven over luchtvaart
en aanverwante onderwerpen in opdracht van Regeeringslichamen of op
aanvrage van particulieren, gelegenheid te geven voor het doen van
onderzoekingen en proeven op dit gebied;
2°. het na daartoe ontvangen opdracht verleenen van medewerking
ten aanzien van de uitoefening van de overheidscontrôle op de
luchtwaardigheid van luchtvaartuigen.
Artikel 3
1. Het beheer van het in het voorgaande artikel bedoelde laboratorium
geschiedt door het bestuur van de Stichting ingevolge een met het Rijk
te sluiten overeenkomst met inachtneming van de voorwaarden en
bepalingen van die overeenkomst.
2. Onder het gezag en het toezicht van het bestuur berust de
dagelijksche leiding van zaken in het Nationaal Luchtvaartlaboratorium
bij een of meer directeuren. In geval meer dan één directeur wordt
benoemd, wordt de verdeeling der werkzaamheden tusschen hen door het
Bestuur geregeld.
Artikel 4
De geldmiddelen van de Stichting bestaan uit het stichtingskapitaal
en worden verder verkregen door bijdragen ineens en jaarlijksche
bijdragen, door vergoedingen voor onderzoekingen of voor het gelegenheid
geven daartoe en voor adviezen, door schenkingen, erfstellingen en
legaten, door gekweekte renten en uit anderen hoofde.
Artikel 5
1. Het bestuur is als volgt samengesteld:
a. de Minister van Waterstaat benoemt één lid, bij de keuze
waarvan gelet wordt op een goed verband tusschen het bestuur der
Stichting en den Luchtvaartdienst;
b. de Minister van Defensie benoemt twee leden, bij de keuze
waarvan gelet wordt op een goed verband tusschen het bestuur en de
Luchtvaart van het Leger en den Marineluchtvaartdienst;
c. de Minister van Koloniën benoemt één lid, bij de keuze
waarvan gelet wordt op een goed verband tusschen het bestuur en de
afdeeling van het Departement van dezen Minister, welke belast is
met de aanschaffing, keuring en verzending van oorlogsmaterieel voor
de overzeesche gewesten;
d. de Minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart benoemt
één lid, bij de keuze waarvan gelet wordt op een goed verband
tusschen het bestuur en de afdeeling van het Departement van dezen
Minister, waaraan de behartiging van de belangen van de nijverheid
is opgedragen;
e. de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen benoemt
één lid, bij de keuze waarvan gelet wordt op een goed verband
tusschen het bestuur en de universiteiten en hoogescholen;
f. de Vereeniging van Nederlandsche Vliegtuigfabrikanten benoemt
twee leden;
g. de N. V. Koninklijke Luchtvaart Maatschappij voor Nederland en
Koloniën benoemt één lid;
h. de Koninklijke Nederlandsch-Indische Luchtvaartmaatschappij
benoemt één lid;
i. de Koninklijke Nederlandsche Vereeniging voor Luchtvaart
benoemt één lid. Ieder der bovengenoemde Ministers en lichamen
benoemt voor het door hem benoemde lid tevens een plaatsvervanger,
die dat lid bij verhindering, afwezigheid of ontstentenis vervangt.
j. de Minister van Waterstaat benoemt bovendien één lid en een
plaatsvervanger voor dat lid uit voordrachten van tenminste twee
personen, op te maken door de Nederlandsche Organisatie voor
toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek ten behoeve van
Nijverheid, Handel en Verkeer (verder aangeduid met
Nijverheidsorganisatie T.N.O.).
2. Voor de eerste maal is het bestuur als volgt samengesteld:
a. ......, plaatsvervanger ......;
b. 1°. ......; 2°. ......; plaatsvervangers: 1°. ......; 2°.
......;
c. ......, plaatsvervanger ......;
d. ......, plaatsvervanger ......;
e. ......, plaatsvervanger ......;
f. 1°. ......; 2°. ......; plaatsvervangers: 1°. ......; 2°.
......;
g. ......, plaatsvervanger ......;
h. ......, plaatsvervanger ......;
i. ......, plaatsvervanger ......;
j. ......, plaatsvervanger .......
Hiervan treden af op 1 Januari 1939 de sub b, 1°., c, e,
f 2°., h en j van dit lid genoemde leden en op
1 Januari 1941 de sub a, b, 2°., d, f,
1°., g
en i genoemde leden.
De sub a, b, c, d, e en j
van dit lid genoemde leden en plaatsvervangende leden worden geacht
benoemd te zijn door den Minister, respectievelijk genoemd sub a,
b, c, d, e en j van lid 1, de sub f,
g, h en i genoemde leden en plaatsvervangende
leden door de lichamen, respectievelijk genoemd sub f, g, h
en i van lid 1.
3. Onder voorbehoud van eerder ontslag door dengene die hen heeft
benoemd en behoudens het bepaalde in het vorig lid, hebben de leden en
plaatsvervangende leden van het bestuur zitting voor een tijdvak van
vier jaren en zijn aanstonds weder benoembaar.
4. Zoolang in een vacature niet voorzien is, vormen de overblijvende
leden het bestuur.
5. De voorziening in een vacature zal op overeenkomstige wijze
geschieden als waarop de benoeming van het lid of plaatsvervangend lid,
dat de vaceerende plaats innam, geschiedde.
Artikel 6
1. De voorzitter van het bestuur wordt, behalve bij de instelling van
de Stichting, uit de leden van het bestuur, uit een voordracht van dit
college van ten minste twee personen, benoemd door den Minister van
Waterstaat.
2. Het bestuur wijst uit zijn midden een ondervoorzitter aan, die den
voorzitter bij diens verhindering, afwezigheid of ontstentenis vervangt.
Het bestuur kan aan den ondervoorzitter als zoodanig ontslag verleenen.
3. Voor de eerste maal treedt als voorzitter op ......
Artikel 7
Het bestuur voorziet in het secretariaat en het penningmeesterschap.
Artikel 8
Een of meer uit en door het bestuur aan te wijzen leden oefenen naar
door het bestuur te stellen regelen onder zijn verantwoordelijkheid een
deel der bevoegdheden van het bestuur uit. Hiertoe behoort in ieder
geval het lid, bedoeld in artikel 5, lid 1, sub a.
Het bestuur kan aan het (de) hierboven bedoelde lid (leden) voor zijn
(hun) werkzaamheden ingevolge dit artikel een door het bestuur vast te
stellen vergoeding toekennen.
Artikel 9
Het bestuur vertegenwoordigt de Stichting in en buiten rechte.
Tegenover derden blijkt van de medewerking van het bestuur voldoende
door de medewerking van den voorzitter, zoomede van het lid, bedoeld in
artikel 5, lid 1, sub a.
Artikel 10
1. Het bestuur vergadert ten minste twee malen per jaar en verder zoo
dikwijls als de voorzitter het noodig acht of ten minste twee leden van
het bestuur hem daartoe schriftelijk hun verlangen te kennen geven met
opgave van de punten, welke zij behandeld wenschen te zien.
2. Met instemming van den voorzitter kunnen de leden zich in de
bestuursvergadering, tijdens de behandeling van eenig onderwerp, doen
bijstaan door personen, wier tegenwoordigheid in verband met de
behandeling van het betreffende onderwerp door hen wenschelijk geacht
wordt.
3. Besluiten worden genomen met volstrekte meerderheid van stemmen.
Bij staking van stemmen beslist de voorzitter, wanneer het personen
betreft en wordt het voorstel geacht te zijn verworpen, wanneer het
zaken betreft.
4. Geen der leden kan meer dan één stem uitbrengen. De stemming
over personen geschiedt schriftelijk; de stemming over zaken geschiedt
mondeling, tenzij de vergadering anders beslist.
Met goedkeuring van den voorzitter kan de stem ook schriftelijk
buiten vergadering worden uitgebracht.
5. De Directeur (Directeuren) woont (wonen) de vergaderingen van het
bestuur bij, tenzij het bestuur voor een bepaald geval anders beslist.
6. De Directeur van den Luchtvaartdienst of een door dezen aangewezen
ambtenaar heeft het recht de vergaderingen van het bestuur bij te wonen.
Artikel 11
1. Het in artikel 5, lid 1 onder a bedoelde lid kan verzet
aanteekenen tegen een besluit van het bestuur, dat betrekking heeft op
de veiligheid van het luchtverkeer of op de besteding van gelden, met
dien verstande, dat dit recht niet geldt ten aanzien van besluiten
betreffende besteding van gelden, welke bijzondere lichamen of personen
voor een bepaald omschreven doel ter beschikking van de Stichting hebben
gesteld en welke het bestuur voor dat doel wenscht te gebruiken.
2. Wanneer het lid van zijn in het vorig lid omschreven bevoegdheid
gebruik maakt, dient hij uiterlijk op den tweeden dag volgende op dien,
waarop het besluit is genomen, bij den voorzitter een nota in, waarin
hij tevens de beweegredenen van zijn verzet uiteenzet. Het besluit wordt
hierdoor geschorst. De voorzitter doet hiervan mededeeling aan de leden.
3. Indien verzet is aangeteekend, verzoekt de voorzitter den Minister
van Waterstaat, onder overlegging van het besluit met een toelichting en
van de in het vorige lid bedoelde nota, te beslissen of het besluit al
dan niet ten uitvoer kan worden gelegd. De Minister wordt geacht tegen
tenuitvoerlegging van het besluit geen bezwaar te hebben, indien hij
binnen veertien dagen na den dag, waarop het verzoek gedaan is, geen
andere beslissing ter kennis van den voorzitter heeft gebracht.
4. Elk der in artikel 5, lid 1, onder f, g, h
en
i bedoelde leden kan verzet aanteekenen tegen een besluit van
het bestuur, de begrooting betreffende, voor zoover door dat besluit op
het door het lid vertegenwoordigde lichaam geldelijke verplichtingen
zouden worden gelegd, welke de door dat lichaam ingevolge de in artikel
3, lid 1 bedoelde overeenkomst aanvaarde verplichtingen te boven zouden
gaan. Lid 2 van het onderhavig artikel vindt overeenkomstige toepassing.
5. De voorzitter vraagt het lichaam, welks vertegenwoordiger in het
bestuur verzet heeft aangeteekend, onder overlegging van het besluit met
een toelichting en van de ingevolge het vorige lid ingediende nota, of
het het verzet handhaaft. Het lichaam wordt geacht geen bezwaar te
hebben tegen het besluit, indien het binnen een maand na dien, waarop
het verzoek gedaan is, den voorzitter niet heeft medegedeeld het verzet
te handhaven. Deelt het lichaam den voorzitter mede het verzet te
handhaven, dan heeft het besluit ten opzichte van dat lichaam geen
rechtsgevolg.
Artikel 12
1. Onverminderd het bepaalde in lid 2 van dit artikel kan het bestuur
commissies van advies of bijstand instellen, welke naar gelang van den
aard harer taak een tijdelijk dan wel een vast karakter kunnen hebben.
In het laatste geval wordt de samenstelling, bevoegdheid en werkkring
van de commissie geregeld bij een door het bestuur vast te stellen
reglement.
2. Er wordt ingesteld een commissie, samengesteld uit personen, die
geacht kunnen worden in wetenschappelijk opzicht deskundig te zijn op
bij de luchtvaart betrokken gebieden. De wijze van benoeming,
bevoegdheid en werkkring van deze commissie, zoomede de wijze, waarop
door het bestuur met deze commissie overleg wordt gepleegd, worden
geregeld bij een reglement, dat de goedkeuring van den Minister van
Waterstaat behoeft. In dit reglement zal er in worden voorzien, dat in
elk geval verband gewaarborgd is met het Koninklijk Nederlandsch
Meteorologisch Instituut.
Artikel 13
1. Het bestuur, de in lid 2 van artikel 12 bedoelde commissie of een
door het bestuur of door deze commissie ingestelde commissie kan aan
allen, die bij een vergadering tegenwoordig zijn, geheimhouding opleggen
omtrent onderwerpen, welke in die vergadering zijn behandeld. Zij wordt
in acht genomen, totdat zij door het bestuur of door de commissie, die
haar heeft opgelegd, wordt opgeheven.
2. De leden van het bestuur, van de in lid 2 van artikel 12 bedoelde
commissie of van een door het bestuur of door deze commissie ingestelde
commissie en alle andere personen, die bij een vergadering tegenwoordig
waren, zijn tot geheimhouding verplicht ten aanzien van eenig onderwerp,
waaromtrent de daarbij betrokken Minister geheimhouding heeft opgelegd.
Zij wordt in acht genomen, totdat zij door den Minister, die haar heeft
opgelegd, wordt opgeheven.
3. De in de voorgaande twee leden bedoelde verplichting tot
geheimhouding bestaat niet voor een lid ten aanzien van den Minister,
die hem benoemd heeft.
Artikel 14
Het bestuur neemt, voor zooveel deze akte en de in artikel 3 bedoelde
overeenkomst daaromtrent geen bepalingen bevatten, een beslissing in
alle gevallen, welke de organisatie van de Stichting en de uitvoering
van de genomen besluiten betreffen.
Artikel 15
1. Het bestuur stelt jaarlijks een verslag vast omtrent de
werkzaamheden en de bereikte resultaten. De uitkomsten van de
onderzoekingen zullen, voor zoover daardoor geen belangen van deelnemers
aan de Stichting, dan wel van derden - zulks ter beoordeeling van den
voorzitter van het bestuur - zullen worden geschaad, worden nedergelegd
in verslagen, welke op de door het bestuur te bepalen wijze zullen
worden gepubliceerd.
2. Het bestuur brengt de in lid 1 bedoelde bescheiden ter kennis van
de in den aanhef dezes genoemde Ministers, van de Nijverheidsorganisatie
T.N.O., van de in artikel 5, lid 1, onder f, g, h
en i genoemde lichamen en voorts van hen, die naar het oordeel
van het bestuur daarvoor in aanmerking komen.
3. Het boekjaar loopt van den eersten Januari tot en met den een en
dertigsten December. Het eerste boekjaar loopt tot en met een en dertig
December 1937.
4. Het bestuur maakt jaarlijks een balans en een winst- en
verliesrekening op. Het zendt deze stukken telkenjare uiterlijk op een
door den Minister van Waterstaat vast te stellen tijdstip ter
goedkeuring aan dezen Minister. Een afschrift van die bescheiden wordt
tegelijkertijd gezonden aan de overige in den aanhef dezes genoemde
Ministers, aan de Nijverheidsorganisatie T.N.O. en aan de in artikel 5,
lid 1 onder f, g, h en i genoemde
lichamen.
5. Het bestuur brengt de goedgekeurde balans en winst- en
verliesrekening ter kennis van de aan het slot van het voorgaande lid
bedoelde Ministers, organisatie en lichamen.
Artikel 16
Het bestuur stelt een huishoudelijk reglement vast betreffende de
vergaderingen en de stemmingen, de bevoegdheden van den voorzitter, de
instructies voor het secretariaat en den penningmeester, de vaststelling
van het jaarverslag en het opmaken van de balans en de winst- en
verliesrekening.
Artikel 17
De in den aanhef dezes genoemde Ministers zijn bevoegd bij
gemeenschappelijke beschikking na overleg met de in artikel 5, lid 1
onder f, g, h en i genoemde lichamen, deze
akte aan te vullen of te wijzigen, dan wel tot opheffing van de
Stichting te besluiten, nadat het bestuur terzake is gehoord.
Artikel 18
1. Bij opheffing van de Stichting heeft verevening plaats volgens
regelen door de in den aanhef dezes genoemde Ministers, na overleg met
de in artikel 5, lid 1 onder f, g, h en i
genoemde lichamen, bij de beschikking tot opheffing te stellen.
2. De beschikking tot opheffing regelt tevens het tijdstip van
opheffing der Stichting en stelt, met inachtneming van hetgeen ter zake
zal zijn bepaald in de overeenkomst bedoeld in artikel 3, de bestemming
van de eventueel resteerende bezittingen vast.
Artikel 19
De kosten van deze akte en alle rechten en kosten, terzake van de
afzondering verschuldigd, komen ten laste van de Stichting.
Overeenkomst voor het beheer van het Nationaal Luchtvaartlaboratorium
De Ministers van Waterstaat en van Financiën, hieronder verder
aangeduid als "de Ministers", vertegenwoordigende het Rijk,
partij ter eene zijde en het bestuur der Stichting "Nationaal
Luchtvaartlaboratorium" te ’s-Gravenhage, hieronder verder
aangeduid als "het bestuur", partij ter andere zijde, zijn
overeengekomen als volgt.
Artikel 1
1. Gerekend van 1 Januari 1937 wordt het beheer van den
Rijksstudiedienst voor de Luchtvaart, welke in den vervolge zal heeten
"Nationaal Luchtvaartlaboratorium", overgedragen aan de
Stichting.
2. Het bestuur verbindt zich tot het verrichten van alle handelingen,
welke voor een zorgvuldig beheer van het laboratorium bevorderlijk zijn,
onder welke handelingen begrepen geacht wordt het nastreven van een
zoodanige samenwerking van het laboratorium met andere instellingen op
het gebied van het toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek, dat
zooveel mogelijk dubbel werk of dubbele outillage voorkomen wordt.
3. De Minister van Waterstaat, de Minister van Defensie, de Minister
van Koloniën en de instantie, belast met de overheidscontrôle op
luchtvaartmaterieel, kunnen bij het geven aan de Stichting van een
opdracht omtrent het doen van onderzoekingen of het nemen van proeven
dan wel omtrent het geven van adviezen met betrekking tot een
bepaaldelijk omschreven onderwerp verlangen, dat zulk een opdracht den
voorrang zal hebben boven alle andere werkzaamheden. Indien voor
verschillende opdrachten tezelfdertijd voorrang wordt verlangd stelt het
bestuur de hierbij betrokkenen onverwijld hiervan in kennis, met het
verzoek nader te worden ingelicht, aan welke opdrachten successievelijk
de voorrang moet worden gegeven. In afwachting van een beslissing
daaromtrent regelt het bestuur de werkzaamheden naar beste weten.
4. Wanneer aan een opdracht, als bedoeld in het vorige lid, niet kan
worden voldaan, zonder dat in de overige werkzaamheden hinderlijk
oponthoud ontstaat, zal omtrent de voorziening in de uitvoering van die
opdracht door het bestuur nader overleg worden gepleegd met dengene, die
de opdracht gaf, waarbij rekening zal worden gehouden met de mate,
waarin door het hierbij betrokken Departement in de kosten, aan de
uitvoering van die opdracht verbonden, zal worden bijgedragen.
Artikel 2
1. Het Rijk verleent, gerekend van 1 Januari 1937, aan de Stichting
tot wederopzegging het privaatrechtelijk gebruik van de gebouwen,
genummerd 27, 28, 29, 35, 36, 37 en 38 met het terrein op het
Marine-Etablissement, te Amsterdam, zooals een en ander tot dusver werd
gebruikt door den Rijksstudiedienst voor de Luchtvaart, tegen betaling
van een jaarlijksche vergoeding van f 5000,-.
2. De vergoeding moet telken jare vóór of op 1 Juni, voor het eerst
vóór of op 1 Juni 1937, worden betaald ten kantore van den Ontvanger
der directe belastingen te Amsterdam of ten kantore van den ambtenaar,
aan wien de inning mocht worden opgedragen.
3. Desgewenscht kan de betaling geschieden door overschrijving of
storting van het verschuldigde bedrag op de postgirorekening n°. 4892
van den voornoemden Ontvanger, in welk geval op het overschrijvings- of
stortingsbiljet de oorzaak van de betaling moet worden vermeld.
4. Wanneer de betaling niet binnen veertien dagen na den verschijndag
is geschied, wordt de vergoeding, zonder dat hiertoe eenige
inverzuimstelling noodig is, verhoogd met één ten honderd voor iedere
ingegane maand verzuim.
5. Ten aanzien van alle verschuldigde bedragen wordt beroep op
schuldvergelijking uitgesloten.
Artikel 3
1. Indien het in artikel 2, lid 1, bedoelde gebruik eindigt, zijn
over het loopende kalenderjaar zooveel twaalfde deelen van de vergoeding
verschuldigd, als er maanden van dat jaar geheel of ten deele zijn
verstreken op het oogenblik, waarop de krachtens deze overeenkomst in
gebruik zijnde Rijkseigendommen zijn opgeleverd in een staat ten
genoegen van den Minister van Financiën.
2. Onverminderd het in artikel 18, lid 1, bepaalde kan het Rijk te
allen tijde en tegen ieder gewenscht tijdstip het in artikel 2, lid 1,
bedoelde gebruik opzeggen, zonder dat de Stichting eenig recht op
schadeloosstelling kan doen gelden. In dit geval wordt hetgeen van de
vergoeding verschuldigd is, op de in het vorig lid bepaalde wijze
berekend; in elk geval dient de vergoeding te worden betaald tot den
datum, tegen welken het gebruik is opgezegd.
3. Indien het gebruik wordt opgezegd wegens niet tijdige betaling van
de bij deze overeenkomst bedongen jaarlijksche vergoeding of wegens
andere verzuimen van de zijde van de Stichting, moet de vergoeding over
het loopend kalenderjaar ten volle worden voldaan.
4. Bij het opzeggen van het in artikel 2, lid 1, bedoelde gebruik is
hetgeen van de vergoeding nog verschuldigd is, terstond opeischbaar.
Artikel 4
1. De in artikel 2 bedoelde Rijkseigendommen moeten bij het eindigen
van het gebruik binnen een alsdan te stellen termijn worden opgeleverd
in een staat ten genoegen van den Minister van Financiën.
2. Bij gebreke hiervan zullen de noodige voorzieningen vanwege het
Rijk geschieden op kosten van de Stichting, onverminderd haar
verplichting tot schadevergoeding.
Artikel 5
De op- of aanzeggingen betreffende het in artikel 2 bedoelde gebruik
kunnen rechtsgeldig bij aangeteekenden brief geschieden door of aan den
Inspecteur der Domeinen te Amsterdam.
Artikel 6
1. Het Rijk draagt alle losse inventarisgoederen, gesplitst in
gebruiksgoederen, zooals meubelen, werktuigen, instrumenten, enz., en in
verbruiksgoederen, zooals magazijnvoorraden, e.d., welke op den dag,
waarop deze overeenkomst van kracht wordt, in gebruik of opgeslagen zijn
bij den Rijksstudiedienst voor de Luchtvaart, aan de Stichting in
eigendom over, tegen nader vast te stellen bedragen. Voor de
gebruiksgoederen zal dat bedrag worden bepaald naar een op te maken
inventaris, rekening houdende met de noodige afschrijving op de goederen
sedert de aanschaffing en eventueel na nadere taxatie; voor de
verbruiksgoederen naar een op te maken staat van aanwezige goederen.
Inventaris en staat zullen door vertegenwoordigers, aan te wijzen door
partijen ter eene en ter andere zijde, worden opgemaakt. Voor deze
overdracht wordt door de Stichting een schuldbekentenis aan het Rijk
gegeven overeenkomstig een bedrag, vast te stellen door de
vertegenwoordigers, die tevens de rentevergoeding en aflossing regelen.
2. Bij het eindigen van het gebruik, bedoeld in artikel 2, lid 1,
komen alle terreinen, gebouwen, inrichtingen en goederen, welke aan de
Stichting toebehooren, zonder vergoeding aan het Rijk, voor zooverre bij
de beschikking tot opheffing niet anders wordt bepaald.
Artikel 7
Het bestuur stelt een openingsbalans vast, die de goedkeuring behoeft
van de Ministers.
Artikel 8
1. Gedurende het bestaan van de Stichting kan door het bestuur worden
overgegaan tot stichting van nieuwe gebouwen, inrichtingen, enz.,
zoomede tot uitbreiding, wijziging en verbetering en inrichting van de
in artikel 2 bedoelde gebouwen, met inbegrip van den inventaris, een en
ander teneinde de gebouwen, enz., ook verder te doen beantwoorden aan
het in artikel 2 van de akte van oprichting der Stichting, hierna te
noemen akte van oprichting, omschreven doel. Bij deze handelingen zal
het bestuur zich houden binnen de in artikel 13 van deze overeenkomst
bedoelde begrooting met werkplan, tenzij de kosten uit eigen vermogen of
uit in het bijzonder voor dat doel ter beschikking gestelde en door het
bestuur daarvoor aanvaarde bijdragen worden bestreden.
2. Voor de stichting van nieuwe gebouwen, inrichtingen, enz., op het
in artikel 2 bedoelde terrein, zoomede voor werken tot uitbreiding,
wijziging, verbetering en inrichting van de in dat artikel bedoelde
gebouwen, is de voorafgaande toestemming van den Minister van Financiën
vereischt.
Artikel 9
Het bestuur draagt voor rekening van de Stichting zorg voor het
geheele onderhoud van de gebouwen, terreinen, enz.
Artikel 10
Indien het Rijk tengevolge van het stichten of uitbreiden van
gebouwen, overeenkomstig het in artikel 8 bepaalde in de grond- of
eenige andere belasting of lasten wordt aangeslagen, is de Stichting
verplicht een gelijk bedrag als het verschuldigde aan het Rijk terug te
betalen, binnen veertien dagen na daartoe gedaan verzoek.
Artikel 11
De ambtenaren van de domeinen hebben te allen tijde vrijen toegang
tot de in artikel 2 bedoelde Rijkseigendommen en tot de daarop nog te
stichten gebouwen, inrichtingen of werken.
Artikel 12
1. Het bestuur stelt algemeene regelen vast voor het bepalen van de
vergoedingen voor de in artikel 2 van de akte van oprichting bedoelde
werkzaamheden en voor het geven van gelegenheid tot het doen van
proeven.
2. Bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde regelen zullen
zooveel mogelijk de beginselen van een commercieele berekening van de
vergoedingen in acht worden genomen.
3. Den aanvrager van een advies, als bedoeld in artikel 2 van de akte
van oprichting, wordt te voren medegedeeld, dat de Stichting terzake van
het advies geen geldelijke aansprakelijkheid aanvaardt.
Artikel 13
1. Het Rijk en de in artikel 5, lid 1, onder f, g, h en i,
van de akte van oprichting genoemde lichamen verleenen aan de Stichting
jaarlijks een subsidie tot een bedrag als noodig zal blijken te zijn om
in het verlies van de exploitatie, echter tot een maximum als genoemd in
lid 4 van dit artikel, te voorzien. Het Rijk maakt zich tegenover de
Stichting sterk, dat de hiervoren bedoelde lichamen naar een nader
tusschen het Rijk en die lichamen overeen te komen verhouding, in het
subsidie zullen bijdragen, met dien verstande, dat het Rijk tegenover de
Stichting geen aansprakelijkheid aanvaardt voor niet-nakoming door die
lichamen van de tegenover het Rijk aanvaarde verplichtingen.
2. Het bestuur verstrekt jaarlijks, uiterlijk den eersten April, aan
den Minister van Waterstaat een ontwerp-begrooting en werkplan voor het
eerstvolgend jaar, waaruit blijkt of en tot welk bedrag verlies in het
betreffende jaar verwacht wordt. Het doet daarbij een voorstel omtrent
de verdeeling van dit bedrag over de daarvoor in aanmerking komende
hoofdstukken van de Rijksbegrooting en lichamen. Een afschrift van deze
stukken wordt toegezonden aan de Nederlandsche Organisatie voor
toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek ten behoeve van Nijverheid,
Handel en Verkeer (verder aangeduid met Nijverheidsorganisatie T.N.O.).
3. Het bestuur verstrekt aan de Ministers de inlichtingen, welke zij
vragen. Zij hebben het recht de boekhouding te doen onderzoeken.
4. Na ontvangen bericht van den Minister van Waterstaat op welk
bedrag aan subsidie in maximum kan worden gerekend, stelt het bestuur de
begrooting van inkomsten en uitgaven voor het betreffende jaar vast,
waarbij de aanwijzingen worden in acht genomen, welke door dien Minister
met betrekking tot de begrooting en het werkplan werden gegeven. Een
afschrift van de begrooting wordt toegezonden aan de beide Kamers der
Staten-Generaal en aan de Algemeene Rekenkamer, zoomede aan de Ministers
en aan de Nijverheidsorganisatie T.N.O.
5. Zoo noodig zal een gedeelte van het in lid 4 bedoelde subsidie aan
de Stichting bij wijze van voorschot kunnen worden uitgekeerd.
Artikel 14
1. Voor zoover de Minister van Waterstaat niet anders bepaalt, worden
de op het tijdstip van de overdracht bij den Rijksstudiedienst voor de
Luchtvaart met vaste aanstelling in Rijksdienst werkzame personen bij de
Stichting gedetacheerd in denzelfden rang, dien zij bij de detacheering
bekleeden. Zij staan vanaf den datum van ingang van de detacheering
onder de bevelen van het bestuur der Stichting met inachtneming van het
bepaalde in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel.
2. Voor de overeenkomstig lid 1 gedetacheerde personen gelden,
behalve de algemeene voor Rijksambtenaren geldende bepalingen en
voorschriften, de nadere algemeene voorschriften, welke ingevolge
artikel 132 van het Algemeen Rijksambtenaren reglement bij Koninklijk
besluit van zijn vastgesteld.
3. In geval van geschillen, gerezen tusschen het bestuur en de in lid
1 genoemde personen, gedraagt het bestuur zich naar de beslissing van
den Minister van Waterstaat.
4. De Stichting betaalt jaarlijks vóór een door den Minister van
Waterstaat te bepalen tijdstip aan het Verkeersfonds terug de bedragen,
welke het Rijk voor het betrokken jaar uitgeeft voor bezoldiging van en
pensioensbijdragen voor de in lid 1 bedoelde personen.
5. Onverminderd het bepaalde in de vorige leden van dit artikel
kunnen bij de Stichting door de Ministers van Waterstaat en van
Defensie, na het bestuur gehoord te hebben, ambtenaren en andere
personen in Rijksdienst worden gedetacheerd. Hun verhouding tot het
bestuur zal bij hun detacheering worden geregeld.
Artikel 15
De opvolging van de ingevolge lid 1 van het voorgaande artikel bij de
Stichting gedetacheerde personen geschiedt op de wijze als nader door
den Minister van Waterstaat, gehoord het bestuur, zal worden geregeld.
Artikel 16
Het bestuur stelt een instructie vast voor alle personen, die bij de
Stichting werkzaamheden verrichten. In die instructie mogen niet
ontbreken bepalingen, welke voor zoover noodig geheimhouding waarborgen
met betrekking tot hetgeen bij de Stichting ter kennis van die personen
is gekomen, met dien verstande, dat in elk geval geheimhouding moet zijn
gewaarborgd ten aanzien van zaken, waaromtrent de daarbij betrokken
Minister geheimhouding heeft opgelegd.
Evenbedoelde bepalingen behoeven de goedkeuring van den Minister van
Waterstaat.
Artikel 17
Indien de instantie, welke met de overheidscontrôle op
luchtvaartmaterieel is belast, dit in bepaalde gevallen verlangt, is de
Stichting verplicht aan een of meer door die instantie met name
aangewezen, bij de Stichting werkzaam zijnde personen opdracht te geven
deze instantie technisch-wetenschappelijken bijstand van adviseerenden
aard te verleenen omtrent vraagstukken, welke zich naar aanleiding van
de overheidscontrôle voordoen, voor zoover deze bijstand niet bestaat
uit laboratorium-werkzaamheden.
Artikel 18
1. Behoudens het recht van de Ministers om, na overleg met de in
artikel 5, lid 1, onder f, g, h en i, van de
akte van oprichting genoemde lichamen, de overeenkomst te allen tijde te
doen eindigen geldt zij voor onbepaalden tijd, ingaande op den dag in
artikel 1 genoemd.
2. Het bestuur kan de overeenkomst doen eindigen met een
opzeggingstermijn van zes maanden.
Aldus in tweevoud opgemaakt en geteekend te ’s-Gravenhage, den