WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede gelet op artikel
9 van het Besluit MC II/C II/26 van de Tweede Ministersconferentie,
nodig is een regeling te treffen, als bedoeld in artikel 89a van
de Comptabiliteitswet (Stb. 1927, 259), zoals deze wet
sindsdien is gewijzigd, ten aanzien van de "Stichting tot
verzorging en afwikkeling van pensioensaangelegenheden betreffende
gewezen overheidspersoneel van Indonesië en hun nagelaten
betrekkingen";
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. De overeenkomst, waarvan de inhoud overeenstemt met de in
afdruk bij deze wet gevoegde tekst, voor en namens het Rijk gesloten
door Onze Ministers voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen, van
Financiën en van Binnenlandse Zaken met de Raad van Beheer der
"Stichting tot verzorging en afwikkeling van
pensioensaangelegenheden betreffende gewezen overheidspersoneel van
Indonesië en hun nagelaten betrekkingen", wordt goedgekeurd.
2. Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën worden
gemachtigd met de Stichting overeenkomsten tot uitvoering van de in het
eerste lid bedoelde overeenkomst, alsmede tot wijziging daarvan, aan te
gaan.
3. Ministers, Hoofden van Departementen van Algemeen Bestuur,
kunnen in samenwerking met Onze in het vorige lid genoemde Ministers
overeenkomsten met de Stichting aangaan.
4. Door de zorg van Onze Minister van Binnenlandse Zaken zullen
wijzigingen in de statuten van de Stichting zomede nieuwe overeenkomsten
en wijzigingen in overeenkomsten onverwijld ter kennis worden gebracht
van de Staten-Generaal.
Artikel 2
1. Over het tijdvak 1 December 1950 tot en met 31 December 1951
en jaarlijks over de jaren 1952 tot en met 1955 wordt, behoudens
instemming van de desbetreffende posten van de Rijksbegroting, ten
laste van het Rijk aan de Stichting uitgekeerd het bedrag, waarmede
over het betrokken tijdvak de lasten van de Stichting de baten
overschrijden, voor zover mogelijk verminderd met een bedrag van f 1.6
millioen 's jaars.
2. Te rekenen van 1956 af wordt jaarlijks ten laste van het Rijk
aan de Stichting subsidie verleend tot het bedrag, waarmede over het
betrokken dienstjaar de lasten van de Stichting de baten overschrijden,
voor zover dit bedrag de som van de aflossingen en uitlotingen van het
belegd vermogen in dat jaar overtreft.
3. De uitgaven voortvloeiende uit het bepaalde in het eerste en
het tweede lid, komen tot en met die over het jaar 1952 ten laste van
Hoofdstuk XIII B en vervolgens ten laste van Hoofdstuk V der
Rijksbegroting.
Artikel 3
1. De Raad van Beheer der Stichting dient jaarlijks uiterlijk
op 1 November bij Onze in artikel 1, tweede lid, genoemde Ministers
een ontwerp-begroting van baten en lasten voor het daarop volgende
jaar in en een ontwerp-begroting van te verrichten bij- en afboekingen
op de kapitaalrekeningen der Stichting.
2. Na instemming door Onze in het eerste lid bedoelde Ministers,
welke instemming met wijziging gepaard kan gaan en uiterlijk op 31
December van het jaar van indiening wordt verleend, stelt de Raad van
Beheer de begrotingen vast.
3. Afschrift van de vastgestelde begrotingen zendt de Raad van
Beheer toe aan de Staten-Generaal, aan Onze in het eerste lid bedoelde
Ministers.
Artikel 4
1. Het jaarverslag, de balans, de rekening van baten en lasten
en de kapitaalrekening, worden na vaststelling door de Raad van Beheer
aan Onze in artikel 1, tweede lid, genoemde Ministers ingezonden.
2. Aan de door Onze in het eerste lid bedoelde Ministers aan te
wijzen ambtenaren zal, telkens wanneer zulks wordt verlangd, inzage in
de boekhouding der Stichting en in de daaraan ten grondslag liggende
bescheiden worden gegeven, zullen alle voor de contrôle nodige
inlichtingen desgevraagd worden verstrekt en zal gelegenheid worden
gegeven voor het opnemen van kasgelden en andere vermogensbestanddelen.
Artikel 5
Terzake van de overdracht door Indonesië aan Nederland van de bij
het besluit MC II/C II/26 van de Tweede Conferentie van Ministers van de
Nederlands-Indonesische Unie bedoelde vermogens, alsmede terzake van de
overdracht door Nederland aan de Stichting van kapitalen en gelden zijn
generlei rechten of belastingen verschuldigd.
Artikel 6
Handelingen vóór de inwerkingtreding van deze wet verricht worden
goedgekeurd voor zover zij in overeenstemming zijn met het bepaalde in
deze wet en de daarbij gevoegde overeenkomst.
Artikel 7
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de uitgifte van
het Staatsblad waarin zij is geplaatst en werkt terug tot 1
December 1950.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 21 April 1955
JULIANA
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Beel
De Minister van Financiën,
Van de Kieft
Uitgegeven de dertiende Mei 1955
De Minister van Justitie,
L.A. Donker
Overeenkomst voor het beheer van de "Stichting tot verzorging en
afwikkeling van pensioenaangelegenheden betreffende gewezen
overheidspersoneel van Indonesië en hun nagelaten betrekkingen"
De Ministers voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen, van Financiën
en van Binnenlandse Zaken, hieronder verder aangeduid als "de
Ministers", vertegenwoordigende het Rijk, partij ter ene zijde, en
de Raad van Beheer der "Stichting tot verzorging en afwikkeling van
pensioensaangelegenheden betreffende gewezen overheidspersoneel van
Indonesië en hun nagelaten betrekkingen", hieronder verder
aangeduid als "de Stichting", partij ter andere zijde, zijn,
onder voorbehoud van goedkeuring bij de wet, overeengekomen als volgt:
Artikel 1
1. De Stichting verbindt zich tot het verrichten van alle
handelingen, welke voor een zorgvuldige en getrouwe nakoming van de haar
bij deze overeenkomst opgelegde verplichtingen met inbegrip van het
daartoe nodige zorgvuldige beheer van de haar toevertrouwde belangen,
vereist zijn.
2. De Stichting is voor de uitvoering van haar in het eerste lid
bedoelde taak verantwoordelijk aan de Ministers.
Artikel 2
1. De Stichting verplicht zich tot de toekenning en de geregelde
voldoening ten laste van de geldmiddelen van de Stichting van:
a. de weduwenpensioenen en de wezenonderstanden aan de nagelaten
betrekkingen van gewezen overheidspersoneel van Indonesië,
daaronder begrepen gewezen personeel van het voormalig
Koninklijk-Nederlands-Indonesisch Leger en gepensionneerden op de
voet van het Indonesisch "Pensioenreglement voor bijzondere
leerkrachten", van gepensionneerde bedienaren van de
Godsdienst, van gewezen vrijwillige deelgenoten in het "Weduwen-
en Wezenfonds voor Europese burgerlijke landsdienaren in
Nederlandsch-Indië, het "Weduwen- en Wezenfonds der Europese
Officieren van het Nederlandsch-Indische Leger", het "Weduwen-
en Wezenfonds van Europese militairen beneden de rang van Officier
bij de Koloniale Troepen" of het "Pensioenfonds voor
Europese Locale Ambtenaren in Nederlandsch-Indië en van bij de
Directie van de Indische Pensioenfondsen in Nederland en haar
Vertegenwoordiging in Indonesië en bij andere rechtspersoonlijkheid
bezittende Indonesische overheidsinstellingen werkzaam geweest zijnd
personeel, voorzoveel betreft:
aa. pensioenen en onderstanden, toegekend aan op de December
1950 buiten het grondgebied van Indonesië gevestigde nagelaten
betrekkingen, zolang zij aldaar gevestigd zullen zijn;
ab. pensioenen en onderstanden, toegekend aan nagelaten
betrekkingen in Indonesië, voor zover zij niet ingevolge de
overeenkomst tussen Nederland en de Republiek Indonesië
betreffende de toescheiding van staatsburgers de Indonesische
nationaliteit bezitten of verkrijgen, dan wel van Aziatische
afkomst zijn, indien zij zich alsnog buiten Indonesië vestigen en
zolang zij buiten het grondgebied van Indonesië gevestigd zullen
zijn;
ac. pensioenen en onderstanden, toe te kennen aan na te laten
betrekkingen, gevestigd in of buiten Indonesië, voorzover zij
niet ingevolge de overeenkomst tussen Nederland en de Republiek
Indonesië betreffende de toescheiding van staatsburgers de
Indonesische nationaliteit bezitten of verkrijgen, dan wel van
Aziatische afkomst zijn en voorzover gevestigd in Indonesië,
indien zij zich alsnog buiten Indonesië vestigen, een en ander
zolang zij buiten het grondgebied van Indonesië gevestigd zullen
zijn;
b. de op de onder a bedoelde weduwenpensioenen en
wezenonderstanden volgens de op 1 Januari 1950 buiten Indonesië van
kracht zijnde dan wel nader met instemming van Nederland ingevoerde
Indonesische regelingen toegekende duurtetoeslagen.
2. De Stichting verplicht zich tot het verrichten van werkzaamheden,
verband houdende met de onder 1 bedoelde werkzaamheden.
3. De Stichting is bevoegd tot de voldoening in bijzondere
omstandigheden van uitkeringen aan nagelaten betrekkingen van gewezen
overheidspersoneel van Indonesië, die bij het eerste lid van het genot
van weduwenpensioen en wezenonderstand uitgesloten zijn, mits deze
nagelaten betrekkingen buiten het grondgebied van Indonesië gevestigd
zijn.
4. Voor zover de tot uitkering gerechtigden buiten Nederland
gevestigd zijn, zal, behoudens andere regeling door de Stichting,
uitbetaling plaats hebben aan door hen aan te wijzen gemachtigden in
Nederland.
5. De Stichting verklaart zich bereid andere haar door de Ministers
op te dragen werkzaamheden, verband houdende met de verzorging en
afwikkeling van pensioensaangelegenheden betreffende gewezen
overheidspersoneel van Indonesië, te verrichten.
Artikel 3
1. De Raad van Beheer is bij de uitoefening van zijn beheer gebonden
aan de op 1 December 1950 geldende wettelijke regelingen en
administratieve voorschriften van de Republiek Indonesië op het terrein
van de weduwenpensioenen en wezenonderstanden van de nagelaten
betrekkingen van gewezen overheidspersoneel voor zover deze onder de
veranderde omstandigheden toepassing kunnen vinden.
2. Indien en voor zover de veranderde omstandigheden daartoe naar
zijn oordeel aanleiding geven, dient de Raad van Beheer aan de Ministers
voorstellen in tot het treffen van de nodige wettelijke voorzieningen.
3. In afwachting van de tot standkoming van de in het tweede lid
bedoelde wettelijke voorzieningen is de Raad van Beheer bevoegd in
dringende gevallen bij met redenen omkleed besluit voorlopige afwijkende
voorzieningen te treffen.
4. Besluiten van de Raad van Beheer als bedoeld in het derde lid,
kunnen niet ten uitvoer worden gelegd alvorens zij ter kennis van de
Ministers zijn gebracht en bericht is ontvangen, dat daartegen geen
bezwaar bestaat.
Artikel 4
De Ministers zullen het nodige verrichten voor de overdracht aan de
Stichting van de bij artikel 8 van besluit No. MC II/C II/26 van de
Tweede Conferentie van Ministers van de Nederlands-Indonesische Unie
door de Republiek Indonesië aan Nederland overgedragen actieve en
passieve vermogensbestanddelen van:
a. het "Weduwen- en Wezenfonds voor Europese burgerlijke
landsdienaren in Nederlandsch-Indië";
b. het "Weduwen- en Wezenfonds der Europese Officieren van
het Nederlandsch-Indische Leger";
c. het "Weduwen- en Wezenfonds van Europese militairen
beneden de rang van Officier bij de Koloniale Troepen";
d. het "Pensioenfonds voor Europese Locale Ambtenaren in
Nederlandsch-Indië".
Artikel 5
1. De Ministers zullen het nodige verrichten voor de geregelde
overdracht aan de Stichting van de door de Republiek Indonesië
ingevolge artikel 4 van het in artikel 4 bedoelde besluit ter
beschikking van Nederland gestelde gewone, buitengewone en
huwelijkscontributies van verplichte en vrijwillige deelgenoten in de in
artikel 2 bedoelde fondsen.
2. De Ministers kunnen, ter uitvoering van het bepaalde in het eerste
lid, het in ontvangst nemen van de daarbedoelde contributies opdragen
aan de Stichting.
Artikel 6
1. De Ministers verbinden zich over het tijdvak 1 December 1950 tot
en met 31 December 1951 en jaarlijks over de jaren 1952 tot en met 1955
ten laste van het Rijk aan de Stichting uit te keren het nadelig
verschil over het betrokken tijdvak tussen de lasten van de Stichting en
de baten van de Stichting, verminderd met een bedrag van f 1,6 millioen
's jaars.
2. Onder de lasten, bedoeld in het eerste lid, worden verstaan:
a. de uitbetaalde weduwenpensioenen en wezenonderstanden alsmede
duurtetoeslagen daarop;
b. de kosten van beheer en administratie;
c. reserveringen ten behoeve van pensioenen, onderstanden en
wachtgelden aan het Stichtingspersoneel en zijn nagelaten
betrekkingen.
3. Onder de baten, bedoeld in het eerste lid, worden verstaan:
a. de ontvangsten ingevolge artikel 5;
b. de renten van de belegde gelden;
c. toevallige baten.
4. Aan de hand van de wetenschappelijke balansen betreffende de
financiële toestand van de Stichting wordt om de vijf jaren, voor de
eerste maal naar die per 31 December 1955, door de Ministers bepaald tot
welk bedrag over de volgende vijf jaren jaarlijks uitkeringen ten laste
van het Rijk als bedoeld in het eerste lid aan de Stichting zullen
worden gedaan.
Artikel 7
1. De sommen, waarover voor de werkzaamheden van de Stichting mag
worden beschikt, worden opgenomen in een jaarlijks door de Raad van
Beheer op te maken en door de Ministers goed te keuren begroting.
2. In afwachting van de totstandkoming van de eerste zodanige
begroting behoeft de beschikking over gelden de goedkeuring van de
Minister van Financiën.
Artikel 8
1. Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd.
2. De Ministers hebben het recht de overeenkomst te allen tijde te
doen eindigen na overleg met de Raad van Beheer, zulks echter
onverminderd de verplichting van het Rijk om de Stichting in staat te
stellen de verbintenissen, welke zij met inachtneming van het in deze
overeenkomst bepaalde heeft aangegaan, na te komen.
3. De Stichting kan de overeenkomst doen eindigen met een
opzeggingstermijn van zes maanden.
Artikel 9
De kosten op deze overeenkomst vallende, komen ten laste van de
Stichting.
Aldus in tweevoud opgemaakt en getekend te 's-Gravenhage, de
eenendertigste Mei 1900 een en vijftig.