WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen
te stellen omtrent het houden van legkippen en daarbij tevens regelen te
stellen omtrent het vervangen van het huidige systeem van legbatterijen
door een meer op het welzijn van legkippen gericht huisvestingssysteem;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Landbouw en Visserij;
b. legkip: de legrijpe hen van de soort Gallus Gallus die
gehouden wordt ten behoeve van de produktie van consumptie-eieren;
c. kooi: ruimte bestemd voor het houden van een of meer
legkippen;
d. kooi-oppervlakte: de oppervlakte van het door de wanden van de
kooi of het denkbeeldig verlengde ervan begrensde horizontale vlak
dat het vloer- of grondvlak in de kooi op het hoogste punt raakt;
e. voederbaklengte: de lengte van de voor een legkip in of vanuit
de kooi toegankelijke zijde of zijden van de voederbak.
Artikel 2
1. Met ingang van 1 januari 1985 tot 1 juli 1994 is het houden
van één of meer legkippen in een kooi slechts toegestaan indien:
a. de kooi-oppervlakte tenminste 425 cm2 per legkip bedraagt;
b. de voederbaklengte, in geval de kooi minder dan 100 cm diep is,
tenminste 9,6 cm per legkip bedraagt.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en
onder a, mag de kooi-oppervlakte 400 cm2 per legkip bedragen,
indien de voederbaklengte tenminste 10 cm per legkip bedraagt.
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en
onder a en b, mag de kooi-oppervlakte 400 cm2 per legkip
bedragen, indien het betreft kooien die op 1 januari 1985 in gebruik
zijn en voor zolang ten genoegen van Onze Minister wordt aangetoond dat
die kooien nog geen 10 jaar oud zijn.
4. Onze Minister stelt bij in de
Nederlandse Staatscourant bekend te maken beschikking regelen omtrent de wijze waarop dient te
worden aangetoond dat een kooi nog geen 10 jaar oud is.
Artikel 3
1. Tenzij het bepaalde in de laatste volzin van het vierde lid
toepassing vindt, is het vanaf 1 juli 1994 verboden om één of meer
legkippen te houden in strijd met de bij algemene maatregel van
bestuur vóór 1 januari 1990 te geven voorschriften omtrent het
houden van legkippen.
2. De krachtens het eerste lid gegeven voorschriften kunnen onder
meer betrekking hebben op:
- kooi-afmetingen en -uitvoeringen;
- de vormgeving van kooien;
- de aard van de wanden en van het vloer- of grondoppervlak van
kooien;
- de lichtdoorlatende oppervlakte van kooien en stallen waarin
kooien staan opgesteld;
- de temperatuur en de ventilatie in kooien;
- de bezettingsdichtheid in kooien;
- de aanwezigheid van zitstokken en legnesten;
- de voeder- en drinkbaklengte.
3. Een krachtens het eerste lid vastgestelde maatregel wordt aan
de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt in
werking met ingang van een door Ons, met inachtneming van het eerste
lid, te bepalen tijdstip, dat niet eerder gelegen zal zijn dan nadat
dertig dagen na de overlegging zijn verstreken, indien gedurende die
termijn niet door of namens één der Kamers of door tenminste één
vijfde van het grondwettelijk aantal leden van één der Kamers de wens
wordt te kennen gegeven, dat de inwerkingtreding van de maatregel bij de
wet zal worden geregeld. Indien zodanige wens te kennen is gegeven,
dienen Wij zo spoedig mogelijk een desbetreffend wetsontwerp in.
Artikel 4
1. De krachtens artikel 3, eerste lid, gegeven voorschriften
zijn niet van toepassing op het houden van legkippen in op 1 juli 1994
in gebruik zijnde kooien, voor zolang ten genoegen van Onze Minister
wordt aangetoond dat die kooien nog geen 10 jaar oud zijn en voor
zover:
a. de kooi-oppervlakte per legkip tenminste een bij algemene
maatregel van bestuur vast te stellen omvang heeft;
b. de kooi voldoet aan andere eisen welke bij algemene maatregel
van bestuur kunnen worden vastgesteld.
2. De in het eerste lid, onder a, bedoelde omvang wordt
zodanig vastgesteld dat degenen die legkippen houden met gebruikmaking
van de in het eerste lid bedoelde overgangsbepaling geen gunstiger
concurrentievoorwaarden genieten dan degenen die legkippen houden met
inachtneming van de krachtens artikel 3, eerste lid, gegeven
voorschriften.
3. Onze Minister stelt bij in de Staatscourant bekend te
maken beschikking regelen omtrent de wijze waarop dient te worden
aangetoond dat een kooi nog geen 10 jaar oud is.
4. In afwijking van het bepaalde in artikel 2 en in het eerste
lid van het onderhavige artikel, zijn de aldaar gegeven voorschriften
slechts van toepassing tot de inwerkingtreding van stringentere
voorschriften dienaangaande gegeven bij of krachtens enige andere wet.
Artikel 5
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister
aangewezen ambtenaren.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 9
1. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet houdende
vaststelling van minimumeisen voor het houden van legkippen.
2. Zij treedt in werking met ingang van 1 juli 1984.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 25 juni 1984
BEATRIX
De Staatssecretaris van Landbouw en Visserij,
A. Ploeg
Uitgegeven de negenentwintigste juni 1984
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes