Nadere regelgeving:
- Aanwijzingsregeling
willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen
2008 (vervallen)
- Aanwijzingsregeling
willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen
2009
- Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten
- Regeling
cultuurprojecten 2004
- Regeling groenprojecten 2005
(vervallen)
- Regeling
groenprojecten 2010
- Regeling groenprojecten buitenland 2002
- Regeling sociaal-ethische projecten 2005
- Regeling
tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten
- Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
- Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001
- Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001
- Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001
WET van 11 mei 2000 tot
vaststelling van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening
2001)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden,
Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen
te weten:
Alzo Wij in overweging genomen
hebben, dat het wenselijk is om de grondslag van de
belasting op inkomen te verbreden en te versterken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van
State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Inkomstenbelasting
Onder de naam inkomstenbelasting
wordt een belasting geheven van natuurlijke personen.
Artikel 1.2. Uitbreiding en beperking
partnerregeling
1. In aanvulling op artikel 5a van
de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt voor de toepassing
van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede
verstaan degene die op hetzelfde woonadres als de
belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie
persoonsgegevens en:
a. uit wiens relatie met de
belastingplichtige een kind is geboren;
b. die een kind van de
belastingplichtige heeft erkend dan wel van wie een kind door
de belastingplichtige is erkend;
c. die voor de toepassing van
een pensioenregeling als partner van de belastingplichtige is
aangemeld;
d. die samen met de
belastingplichtige een woning heeft, die hun anders dan
tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van
eigendom, waaronder begrepen economisch eigendom, of op grond
van een recht van lidmaatschap van een coöperatie;
e. waarbij op dat woonadres
tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden
staat ingeschreven, behoudens ingeval de belastingplichtige
door middel van een schriftelijke huurovereenkomst, waaraan
bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden
gesteld, doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden
een gedeelte van de woning huurt van de ander, of
f. die in het aan het
kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar reeds partner van de
belastingplichtige was.
2. Degene die ingevolge het eerste
lid voor een deel van het kalenderjaar als partner wordt
aangemerkt, wordt ook als partner aangemerkt in de andere perioden
van het kalenderjaar, voor zover hij in die perioden op hetzelfde
woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de
basisadministratie persoonsgegevens.
3. Een persoon kan op enig moment
slechts één partner hebben. Indien de belastingplichtige op
grond van het eerste lid op dat moment meer dan één partner zou
hebben, geldt als partner van de belastingplichtige degene die
ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
op dat moment als partner wordt aangemerkt; mocht op grond van
artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op dat
moment geen persoon als partner zijn aangemerkt, geldt als partner
degene die op grond van de in het eerste lid eerstgenoemde
categorie als partner wordt aangemerkt.
4. In afwijking van artikel 5a van
de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het eerste lid wordt
niet als partner aangemerkt:
a. een bloedverwant in de
eerste graad van de belastingplichtige, tenzij beiden bij de
aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar hebben
bereikt;
b. een persoon die geen inwoner
is van Nederland en niet kiest voor behandeling als
binnenlandse belastingplichtige.
5. Personen die partners waren op
grond van het eerste lid, blijven als partners aangemerkt nadat de
in dat onderdeel bedoelde inschrijving op hetzelfde woonadres niet
langer mogelijk is als gevolg van opname in een verpleeghuis of
verzorgingshuis vanwege medische redenen of ouderdom van een van
hen, zolang na het einde van die inschrijving op hetzelfde
woonadres ten aanzien van geen van beiden een derde persoon als
partner wordt aangemerkt. De eerste volzin vindt geen toepassing
meer indien één van beiden door middel van een schriftelijke
kennisgeving aan de inspecteur laat weten dat zij niet langer als
partners willen worden aangemerkt. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering
van dit lid.
6. Voor de toepassing van deze wet
en de daarop berustende bepalingen worden twee ongehuwde personen
die met toepassing van de vorige leden en artikel 5a van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen als elkaars partners worden
aangemerkt, voor de bepaling van aanverwantschap gelijkgesteld met
gehuwden.
Artikel 1.3 [Vervallen per
01-01-2011]
Artikel 1.4. Pleegkind
Voor de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt onder een kind mede verstaan een
pleegkind, ook wat betreft bloed- en aanverwantschap.
Artikel 1.5. In belangrijke mate
onderhouden van kinderen
Voor de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen kunnen bij ministeriële regeling
regels worden gesteld op grond waarvan wordt beoordeeld of een kind
in belangrijke mate wordt onderhouden.
Artikel 1.6. Mogendheid
Voor de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen worden de landen van het Koninkrijk der
Nederlanden aangemerkt als afzonderlijke mogendheden.
Artikel 1.7. Lijfrenten en pensioenen
1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder lijfrente:
a. een aanspraak volgens een
overeenkomst vanlevensverzekering (artikel 3.117) op vaste en
gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij
overlijden, welke aanspraak niet kan worden afgekocht,
vervreemd, prijsgegeven, of formeel of feitelijk tot voorwerp
van zekerheid kan dienen, anders dan op grond van artikel
3.126, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, of ten behoeve van
uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid,
Invorderingswet 1990, alsmede de met een zodanige aanspraak
verband houdende aanspraak op winstuitkeringen;
b. een aanspraak op het tegoed
van een lijfrentespaarrekeningof op de waarde van
eenlijfrentebeleggingsrecht (artikel 3.126a), welke aanspraak
niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven, of formeel
of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen, anders dan
op grond van artikel 3.126a, tweede lid, onderdeel c, onder
2°, of ten behoeve van uitstel van betaling op grond van
artikel 25, vijfde lid, Invorderingswet 1990, alsmede de met
een zodanige aanspraak verband houdende aanspraak op
winstuitkeringen.
2. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder pensioenregeling:
a. een pensioenregeling
overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting;
b. een pensioenregeling waaraan
deelneming verplicht is op grond van de Wet verplichte
deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, de Wet op het
notarisambt of de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
c. een regeling van een andere
mogendheid, die volgens de belastingwetten van dat land, welke
naar aard en strekking overeenkomen met de Nederlandse
loonbelasting of de inkomstenbelasting, als een
pensioenregeling wordt beschouwd;
d. een pensioenregeling van een
internationale organisatie;
e. een pensioenregeling als
bedoeld in artikel 6A van de Wet loonbelasting BES.
3. Aanspraken op periodieke
uitkeringen waarvan de uitkeringen zijn ingegaan en waarvan de
hoogte van de uitkeringen niet voor de gehele uitkeringsperiode in
geldeenheden is vastgesteld, worden gelijkgesteld met aanspraken
op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen indien de
aanspraken en uitkeringen voldoen aan bij ministeriële regeling
te stellen regels.
Artikel 1.7a [Vervallen per
01-01-2011]
Artikel 1.7b. Gelijkstelling met de
premie voor een verzekering
Voor de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt met de premie voor een
verzekering gelijkgesteld de op de verzekeringnemer drukkende
uitgaven ter beloning van de assurantietussenpersoon ter zake van
het afsluiten dan wel het verlengen van de desbetreffende
verzekering of het incasseren van premies.
Artikel 1.8. Wederzijdse erkenning
Waar in deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verwezen naar Nederlandse voorschriften
of verklaringen van Nederlandse instellingen, worden voorschriften
van of verklaringen van instellingen in een van de lidstaten van de
Europese Unie die naar aard en strekking overeenkomen met
eerstbedoelde Nederlandse voorschriften of verklaringen van
Nederlandse instellingen daarmee gelijkgesteld:
a. indien ter zake regelgeving in
het kader van het Verdrag betreffende de Europese Unie (Trb.
1992, 74) is vastgesteld waaruit de overeenkomst naar aard en
strekking blijkt;
b. in overige gevallen: voorzover
dat bij ministeriële regeling is bepaald.
Artikel 1.9. Gelijkstelling met
basisadministratie persoonsgegevens
1. Voor de toepassing van deze wet
en de daarop berustende bepalingen wordt met de basisadministratie
persoonsgegevens gelijkgesteld een daarmee naar aard en strekking
overeenkomende administratie buiten Nederland.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld voor de situatie dat een
persoon niet in Nederland woont en niet is ingeschreven in een
naar aard en strekking met de basisadministratie persoonsgegevens
overeenkomende administratie buiten Nederland.
Artikel 1.10 [Vervallen per
01-01-2004]
Hoofdstuk 2. Raamwerk
Afdeling 2.1. Belastingplichtigen
Artikel 2.1. Belastingplichtigen
1. Belastingplichtigen voor de
inkomstenbelasting zijn de natuurlijke personen die:
a. in Nederland wonen
(binnenlandse belastingplichtigen) of
b. niet in Nederland wonen maar
wel Nederlands inkomen genieten (buitenlandse
belastingplichtigen).
2. Nederlands inkomen is inkomen
bedoeld in hoofdstuk 7.
Artikel 2.2. Woonplaatsfictie
1. Een persoon die ophoudt in
Nederland te wonen en binnen een jaar daarna weer in Nederland
gaat wonen zonder intussen in een andere mogendheid of op de BES
eilanden te hebben gewoond, wordt ook tijdens zijn afwezigheid
geacht in Nederland te hebben gewoond. De vorige volzin is niet
van toepassing indien de bedoelde persoon aannemelijk maakt dat
hij in een lidstaat van de Europese Unie of een bij ministeriële
regeling aangewezen mogendheid waarmee Nederland een regeling ter
voorkoming van dubbele belasting is overeengekomen die voorziet in
de uitwisseling van inlichtingen, als inwoner aan de
belastingheffing is onderworpen en de heffingsgrondslagen in die
lidstaat of andere mogendheid hoofdzakelijk gelijk zijn aan de in
artikel 2.3 genoemde heffingsgrondslagen. De eerste volzin is
evenmin van toepassing indien de bedoelde persoon aannemelijk
maakt dat hij op de BES eilanden als inwoner onderworpen is aan de
Wet inkomstenbelasting BES.
2. Een Nederlander die in
dienstbetrekking staat tot de Staat der Nederlanden, wordt steeds
geacht in Nederland te wonen indien hij is uitgezonden:
a. als lid van een
diplomatieke, permanente of consulaire vertegenwoordiging van
het Koninkrijk der Nederlanden in het buitenland; of
b. om in het kader van een
verdrag waarbij de Staat der Nederlanden partij is, in een
andere mogendheid werkzaamheden te verrichten.
3. Indien een Nederlander op grond
van het tweede lid geacht wordt in Nederland te wonen, worden de
partner en de kinderen die jonger zijn dan 27 jaar en die in
belangrijke mate door hem worden onderhouden, tevens geacht in
Nederland te wonen.
Afdeling 2.2. Heffingsgrondslagen
Artikel 2.3. Heffingsgrondslagen
De inkomstenbelasting wordt geheven
over het door de belastingplichtige in het kalenderjaar genoten:
a. belastbare inkomen uit werk en
woning;
b. belastbare inkomen uit
aanmerkelijk belang en
c. belastbare inkomen uit sparen
en beleggen.
Artikel 2.4. Bepalingen
heffingsgrondslagen
1. Het belastbare inkomen uit werk
en woning wordt bepaald:
a. voor binnenlandse
belastingplichtigen: volgens de regels van hoofdstuk 3;
b. voor buitenlandse
belastingplichtigen: volgens de regels van afdeling 7.2.
2. Het belastbare inkomen uit
aanmerkelijk belang wordt bepaald:
a. voor binnenlandse
belastingplichtigen: volgens de regels van hoofdstuk 4;
b. voor buitenlandse
belastingplichtigen: volgens de regels van afdeling 7.3.
3. Het belastbare inkomen uit
sparen en beleggen wordt bepaald:
a. voor binnenlandse
belastingplichtigen: volgens de regels van hoofdstuk 5;
b. voor buitenlandse
belastingplichtigen: volgens de regels van afdeling 7.4.
Artikel 2.5. Keuzerecht voor
buitenlandse belastingplichtigen
1. De binnenlandse
belastingplichtige die niet gedurende het gehele kalenderjaar in
Nederland woont, en de buitenlandse belastingplichtige die als
inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie, de BES
eilanden of van een bij ministeriële regeling aangewezen andere
mogendheid waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van
dubbele belasting is overeengekomen die voorziet in de
uitwisseling van inlichtingen, in de belastingheffing van die
lidstaat, de BES eilanden of die mogendheid wordt betrokken,
kunnen kiezen voor toepassing van de regels van deze wet voor
binnenlandse belastingplichtigen. Voor de toepassing van deze
bepaling kunnen bij ministeriële regeling bewijsmiddelen worden
voorgeschreven. Een persoon die niet belastingplichtig is kan
kiezen voor toepassing van de regels van deze wet voor
binnenlandse belastingplichtigen indien hij daardoor wordt
aangemerkt als partner van een belastingplichtige. De
persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 6) en de negatieve inkomsten
uit gemeenschappelijke inkomensbestanddelen als bedoeld in artikel
2.17 blijven buiten aanmerking voorzover deze bij de partner bij
de belastingheffing in de woonstaat of op de BES eilanden in
aanmerking kunnen worden genomen.
2. De keuze geldt niet voor
toepassing van de artikelen 3.60, 3.83, 3.116, vierde lid, 3.136,
4.16, eerste lid, onderdeel h, 4.17, 4.17a, 4.17b, 4.17c, 4.18,
4.25 en 9.2. De artikelen 7.2, achtste tot en met twaalfde lid, en
7.5, zevende lid, blijven van toepassing. Bij de toepassing van de
artikelen 2.7, eerste en tweede lid, en 8.1, onderdeel b, blijft
de zinsnede «na toepassing van regelingen ter voorkoming van
dubbele belasting» buiten aanmerking. Artikel 8.9, derde lid,
vindt geen toepassing.
3. Indien de belastingplichtige
niet langer kiest voor de toepassing van de regels van deze wet
voor binnenlandse belastingplichtigen, wordt in het laatste jaar
dat voorafgaat aan het eerste jaar waarin de binnenlandse
belastingplichtige die niet gedurende het gehele kalenderjaar in
Nederland woont, of de buitenlandse belastingplichtige niet heeft
gekozen voor de regels die gelden voor binnenlandse
belastingplichtigen, het inkomen vermeerderd met een bedrag dat
gelijk is aan de in de laatste acht jaar ten laste van het inkomen
gekomen negatieve bedragen die niet behoren tot het Nederlandse
inkomen volgens artikel 7.1 en die negatieve bedragen die daartoe
wel behoren maar waarover het heffingsrecht op grond van het
belastingverdrag niet aan Nederland is toegewezen. De vorige
volzin is niet van toepassing met betrekking tot negatieve
bedragen uit kalenderjaren van binnenlandse belastingplicht en de
persoonsgebonden aftrek als bedoeld in hoofdstuk 6.
4. In gevallen als bedoeld in het
derde lid, wordt de aanslag over het in dat lid bedoelde jaar
verhoogd met het bedrag van de belastingkorting voor verlies uit
aanmerkelijk belang dat in de laatste acht jaar in mindering is
gebracht op de belasting op het belastbare inkomen uit werk en
woning of de volgens artikel 10 van de Wet financiering sociale
verzekeringen berekende premie voor de volksverzekeringen.
5. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld voor de vermindering van
belasting en de verrekening van dividendbelasting voor dat deel
van het belastbare inkomen dat niet behoort tot het Nederlandse
inkomen volgens artikel 7.1, en dat deel dat wel daartoe behoort
maar waarover het heffingsrecht op grond van het belastingverdrag
niet aan Nederland is toegewezen.
Artikel 2.6. Keuzerecht voor in het
buitenland geworven deskundigen
Voor bepaalde groepen werknemers die
van buiten Nederland in dienstbetrekking worden genomen als bedoeld
in artikel 31a, tweede lid, onderdeel e, van de Wet op de
loonbelasting 1964, kunnen bij algemene maatregel van bestuur, onder
daarbij te stellen voorwaarden, regels worden gesteld volgens welke
zij kunnen kiezen voor gehele of gedeeltelijke toepassing van de
regels van deze wet voor buitenlandse belastingplichtigen.
Afdeling 2.3. Verschuldigde
inkomstenbelasting
Artikel 2.7. Verschuldigde
inkomstenbelasting; hoofdregel
1. De over een kalenderjaar
verschuldigde inkomstenbelasting is het gezamenlijke bedrag van de
over het kalenderjaar berekende belasting op:
a. het belastbare inkomen uit
werk en woning;
b. het belastbare inkomen uit
aanmerkelijk belang en
c. het belastbare inkomen uit
sparen en beleggen.
Voor belastingplichtigen die
gedurende het gehele kalenderjaar, dan wel gedurende het
kalenderjaar vanaf hun geboorte of tot aan hun overlijden,
onder de regels van deze wet voor binnenlandse
belastingplichtigen vallen, wordt het op grond van de eerste
volzin berekende gezamenlijke bedrag, na toepassing van
regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, verminderd
met het bedrag van de heffingskorting voor de
inkomstenbelasting (artikel 8.3).
2. Indien de belastingplichtige ook
premieplichtig is voor de volksverzekeringen en de volgens artikel
12, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen
berekende heffingskorting voor de volksverzekeringen niet volledig
kan worden verrekend met de volgens artikel 10 van de Wet
financiering sociale verzekeringen berekende premie voor de
volksverzekeringen, wordt het bedrag van de verschuldigde
inkomstenbelasting, na toepassing van regelingen ter voorkoming
van dubbele belasting, ook met dat niet verrekende deel
verminderd.
Artikel 2.8. Verschuldigde
inkomstenbelasting op gewone aanslag
1. Indien in het belastbare inkomen
uit werk en woning of het belastbare inkomen uit aanmerkelijk
belang te conserveren inkomen is begrepen, is de verschuldigde
belasting voorzover deze bij wege van aanslag wordt geheven de
belasting die wordt berekend over de belastbare inkomens,
verminderd met het daarin begrepen te conserveren inkomen.
2. Als te conserveren inkomen
worden aangemerkt de positieve inkomensbestanddelen die in
aanmerking zijn genomen op grond van de artikelen 3.58, eerste
lid, 3.64, eerste lid, 3.83, eerste of tweede lid, 3.116, vierde
lid, 3.133, tweede lid, onderdelen h of j, 3.136, eerste, tweede,
derde, vierde of vijfde lid, 4.16, eerste lid, onderdeel h, 7.2,
achtste lid, of 7.5, vierde, vijfde of zevende lid.
3. Op een bij de aangifte gedaan
verzoek wordt het positieve inkomensbestanddeel dat in aanmerking
is genomen op grond van artikel 3.58, eerste lid, geheel of
gedeeltelijk niet als te conserveren inkomen aangemerkt.
4. Op verzoek van de gezamenlijke
belanghebbenden wordt als te conserveren inkomen aangemerkt het
vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang wegens een overgang
krachtens huwelijksvermogensrecht op een niet in Nederland wonende
verkrijger of wegens een verdeling van een huwelijksgemeenschap
naar een zodanige verkrijger binnen twee jaren na de ontbinding
van de huwelijksgemeenschap, indien de verkregen aandelen of
winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor
zijn rekening gedreven Nederlandse onderneming als bedoeld in
artikel 7.2 en niet tot het resultaat van een werkzaamheid in
Nederland van hem behoren.
5. Op verzoek van de gezamenlijke
belanghebbenden wordt als te conserveren inkomen aangemerkt het in
de tweede volzin aangeduide gedeelte van het vervreemdingsvoordeel
uit aanmerkelijk belang wegens een overgang krachtens erfrecht
onder algemene titel of onder bijzondere titel op een natuurlijk
persoon die niet in Nederland woont. Als te conserveren inkomen
wordt aangemerkt het deel dat uitgaat boven het
vervreemdingsvoordeel dat ingevolge artikel 4.17a in aanmerking
zou zijn genomen wanneer de natuurlijk persoon, bedoeld in de
eerste volzin, in Nederland zou hebben gewoond ten tijde van de
overgang.
6. Op verzoek van de gezamenlijke
belanghebbenden wordt als te conserveren inkomen aangemerkt het in
de tweede volzin aangeduide gedeelte van het vervreemdingsvoordeel
uit aanmerkelijk belang wegens een verdeling van een nalatenschap
naar een natuurlijk persoon die niet in Nederland woont binnen
twee jaar na het overlijden van de erflater. Als te conserveren
inkomen wordt aangemerkt het deel dat uitgaat boven het
vervreemdingsvoordeel dat ingevolge artikel 4.17b in aanmerking
zou zijn genomen wanneer de natuurlijk persoon, bedoeld in de
eerste volzin, in Nederland zou hebben gewoond ten tijde van de
verdeling.
7. Op verzoek van de gezamenlijke
belanghebbenden wordt als te conserveren inkomen aangemerkt het in
de tweede volzin aangeduide gedeelte van het vervreemdingsvoordeel
uit aanmerkelijk belang wegens een vervreemding aan een natuurlijk
persoon die niet in Nederland woont en bij welke vervreemding
artikel 4.22 toepassing heeft gevonden. Als te conserveren inkomen
wordt aangemerkt het deel dat uitgaat boven het
vervreemdingsvoordeel dat ingevolge artikel 4.17c in aanmerking
zou zijn genomen wanneer de natuurlijk persoon, bedoeld in de
eerste volzin, in Nederland zou hebben gewoond ten tijde van de
vervreemding.
Artikel 2.9. Verschuldigde belasting
op conserverende aanslag
1. De over te conserveren inkomen
verschuldigde belasting is het volgens artikel 2.7 bepaalde bedrag
aan belasting verminderd met het volgens artikel 2.8 bepaalde
bedrag aan belasting, met dien verstande dat de belasting ten
minste wordt gesteld op het bedrag aan belasting dat verschuldigd
zou zijn indien het te conserveren inkomen het enige inkomen zou
zijn.
2. Indien een met toepassing van
artikel 2.8 vastgestelde belastingaanslag wordt verminderd, anders
dan ingevolge verliesverrekening, en deze vermindering gevolgen
heeft voor de over te conserveren inkomen verschuldigde belasting,
brengt de inspecteur de desbetreffende belastingaanslag daarmee in
overeenstemming bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 2.10. Tarief belastbaar
inkomen uit werk en woning
De belasting op het belastbare
inkomen uit werk en woning (afdeling 3.1 respectievelijk afdeling
7.2) wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel.
|
Bij een
belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan |
maar niet meer
dan |
bedraagt de
belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met
het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde
percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare
inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag
te boven gaat |
|
|
I |
II |
III |
IV |
|
– |
€ 18 945 |
– |
1,95% |
|
€ 18 945 |
€ 33 863 |
€ 369 |
10,80% |
|
€ 33 863 |
€ 56 491 |
€ 1 980 |
42% |
|
€ 56 491 |
– |
€ 11 483 |
52% |
Artikel 2.10a. Tarief belastbaar
inkomen uit werk en woning voor belastingplichtigen geboren vóór 1
januari 1946
In afwijking van artikel 2.10 wordt
voor de belastingplichtige die geboren is vóór 1 januari 1946 de
belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning (afdeling 3.1
respectievelijk afdeling 7.2) bepaald aan de hand van de volgende
tabel.
|
Bij een
belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan |
maar niet meer
dan |
bedraagt de
belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met
het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde
percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare
inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag
te boven gaat |
|
|
I |
II |
III |
IV |
|
– |
€ 18 945 |
– |
1,95% |
|
€ 18 945 |
€ 34 055 |
€ 369 |
10,80% |
|
€ 34 055 |
€ 56 491 |
€ 2 000 |
42% |
|
€ 56 491 |
– |
€ 11 423 |
52% |
Artikel 2.11. Overschrijding
pensioenmaximum
Voor de belastingplichtige die geen
premie voor de algemene ouderdomsverzekering verschuldigd is
ingevolge artikel 10 van de Wet financiering sociale verzekeringen
wordt de verschuldigde belasting over uitkeringen of bedragen die
zouden moeten worden uitgekeerd als bedoeld in artikel 18a, negende
lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, gesteld op de som van de
belasting en de premie voor de algemene ouderdomsverzekering die
daarover ingevolge de Wet financiering sociale verzekeringen
verschuldigd zou zijn door een persoon die wel de premie voor de
algemene ouderdomsverzekering verschuldigd is en overigens in
dezelfde omstandigheden verkeert als de belastingplichtige.
Artikel 2.11a. Verrekening
belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang
1. De belasting op het belastbare
inkomen uit werk en woning nadat de regelingen ter voorkoming van
dubbele belasting zijn toegepast, wordt verminderd op de voet van
artikel 4.53 met een nog niet in aanmerking genomen
belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang. De in de
eerste volzin bedoelde belasting op het belastbare inkomen uit
werk en woning wordt bepaald zonder rekening te houden met te
conserveren inkomen.
2. Voor de toepassing van dit
artikel wordt, indien ingevolge artikel 9.1, derde lid, de heffing
van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen geschiedt
bij wege van één aanslag, onder belasting mede verstaan de in
die aanslag te begrijpen premie voor de volksverzekeringen.
3. De vermindering van de belasting
op het belastbare inkomen uit werk en woning vindt plaats bij voor
bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur.
4. De inspecteur geeft de
beschikking gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over
het jaar waarbij de belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk
belang wordt verrekend.
5. Het bedrag van de verrekende
belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang wordt op het
aanslagbiljet afzonderlijk vermeld.
6. Rechtsmiddelen tegen de
beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing
van artikel 4.53, alsmede, indien geen belasting is verschuldigd,
tegen de grootte van het verrekende bedrag.
Artikel 2.12. Tarief belastbaar
inkomen uit aanmerkelijk belang
De belasting op het belastbare
inkomen uit aanmerkelijk belang (afdeling 4.1 respectievelijk
afdeling 7.3) bedraagt 25%.
Artikel 2.13. Tarief belastbaar
inkomen uit sparen en beleggen
De belasting op het belastbare
inkomen uit sparen en beleggen (afdeling 5.1 respectievelijk
afdeling 7.4) bedraagt 30%.
Afdeling 2.4. Toerekeningsregels
Artikel 2.14. Toerekening tussen en
binnen de belastbare inkomens
1. Indien een voordeel op grond van
meer dan een hoofdstuk, afdeling of paragraaf als bestanddeel, al
dan niet vrijgesteld, van een van de belastbare inkomens zou
kunnen worden aangemerkt, wordt het voordeel uitsluitend op grond
van het als eerste opgenomen hoofdstuk of de als eerste opgenomen
afdeling of paragraaf aangemerkt als bestanddeel van het
desbetreffende belastbare inkomen.
2. Voorzover vermogensbestanddelen
inkomen, al dan niet vrijgesteld, uit werk en woning of uit
aanmerkelijk belang genereren, worden zij niet in aanmerking
genomen voor de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en
beleggen.
3. In afwijking in zoverre van het
eerste en tweede lid worden:
a. schulden ter zake waarvan de
renten op basis van een specifieke bepaling in hoofdstuk 3 of
hoofdstuk 4 van aftrek zijn uitgesloten, in aanmerking genomen
bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en
beleggen;
b. vermogensbestanddelen, of
delen daarvan, die gedurende een periode van niet meer dan
drie achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of
aanmerkelijk belang genereren, en daaraan voorafgaand en
daaropvolgend inkomen uit sparen en beleggen genereren, tevens
in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare
inkomen uit sparen en beleggen indien in deze periode een
peildatum is gelegen als bedoeld in artikel 5.2;
c. vermogensbestanddelen, of
delen daarvan, die gedurende een periode van meer dan drie
achtereenvolgende maanden, maar niet meer dan zes
achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of uit
aanmerkelijk belang genereren, en daaraan voorafgaand en
daaropvolgend inkomen uit sparen en beleggen genereren, tevens
in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare
inkomen uit sparen en beleggen indien in deze periode een
peildatum is gelegen als bedoeld in artikel 5.2, tenzij de
belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen
zakelijke overwegingen ten grondslag liggen;
d. van een werkgever die een
met de belastingplichtige verbonden persoon is als bedoeld in
artikel 3.91, of waarin de belastingplichtige of een met hem
verbonden persoon als bedoeld in artikel 3.92 een aanmerkelijk
belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4, uitgezonderd de
artikelen 4.10 en 4.11, ontvangen vergoedingen ter zake van
kosten en lasten die verband houden met een werkruimte ten
behoeve van hemzelf in zijn woning, niet in aanmerking genomen
bij de bepaling van het belastbare loon, doch bij de bepaling
van het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en
wordt die werkruimte tot het vermogen van die werkzaamheid
gerekend, indien de werkruimte een naar verkeersopvatting
zelfstandig gedeelte van de woning vormt en:
1º. ingeval de
belastingplichtige tevens een werkruimte buiten die woning
ter beschikking heeft, hij zijn belastbaar loon
hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft, of
2º. ingeval de
belastingplichtige niet tevens een werkruimte buiten die
woning ter beschikking heeft, hij zijn belastbaar loon
hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning
verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die
woning verwerft.
4. Met betrekking tot het derde
lid, onderdeel d, is artikel 3.16, twaalfde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.14a. Toerekening
afgezonderd particulier vermogen
1. Voor de toepassing van deze wet
en de daarop berustende bepalingen worden de bezittingen en
schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd
particulier vermogen als bedoeld in het tweede lid, geacht bij
degene die dat vermogen bij leven of bij overlijden heeft
afgezonderd tot zijn bezit te behoren, onderscheidenlijk op te
komen (toerekening). Na het overlijden van de persoon, bedoeld in
de eerste volzin, worden de bezittingen en schulden alsmede de
opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen
als bedoeld in het tweede lid, toegerekend aan diens erfgenamen,
per erfgenaam in dezelfde verhouding als hij verkrijger krachtens
erfrecht is van de overledene. Vanaf het moment dat de in de
vorige volzin bedoelde erfgenaam is overleden, treden diens
erfgenamen en de daaropvolgende erfgenamen in de plaats van de
overleden erfgenaam, per erfgenaam in dezelfde verhouding als hij
erfgenaam is van de overleden erfgenaam waarvoor hij in de plaats
treedt.
2. Voor de toepassing van dit
artikel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
een afgezonderd particulier vermogen, niet zijnde een instelling
als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder 8°, van de
Successiewet 1956: een afgezonderd vermogen waarmee meer dan
bijkomstig een particulier belang wordt beoogd, tenzij tegenover
de afzondering van dit vermogen:
a. een uitreiking van aandelen,
winstbewijzen, lidmaatschapsrechten, bewijzen van
deelgerechtigdheid of daarmee vergelijkbare rechten heeft
plaatsgevonden, of
b. een economische
deelgerechtigdheid is ontstaan.
3. Voor de toepassing van dit
artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder het
afzonderen van vermogen verstaan:
a. het om niet of onder in het
maatschappelijk verkeer ongebruikelijke voorwaarden rechtens
dan wel in feite, direct of indirect afzonderen van
vermogensbestanddelen in een afgezonderd particulier vermogen;
b. het rechtens dan wel in
feite, direct of indirect, vervreemden van
vermogensbestanddelen aan een afgezonderd particulier vermogen
waarmee meer dan bijkomstig een particulier belang wordt
beoogd van de vervreemder, van zijn partner of van een of meer
van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of tot en
met de vierde graad van de zijlijn.
4. Voor de toepassing van dit
artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder een
erfgenaam mede verstaan een persoon die is onterfd en die rechtens
dan wel in feite, direct of indirect, begunstigde is van het
afgezonderd particulier vermogen of wiens partner of bloed- of
aanverwant in de rechte lijn in feite, direct of indirect,
begunstigde is van het afgezonderd particulier vermogen.
5. In afwijking van het eerste lid
worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en
uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen toegerekend aan
een persoon die rechtens dan wel in feite, direct of indirect,
begunstigde is van het afgezonderd particulier vermogen indien
degene die het vermogen heeft afgezonderd, diens partner en diens
erfgenamen niet zijn te bepalen. Ingeval er meer begunstigden
zijn, vindt naar verhouding van de mate van begunstiging de
toerekening aan de begunstigden plaats.
6. Het eerste lid, tweede en derde
volzin, is niet van toepassing met betrekking tot een erfgenaam,
ingeval blijkt dat deze persoon en diens partner niet rechtens dan
wel in feite, direct of indirect, begunstigde zijn van het
afgezonderd particulier vermogen en dit ook niet kunnen worden.
Ingeval de eerste volzin toepassing vindt, worden de bezittingen
en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van het afgezonderd
particulier vermogen toegerekend aan de overige erfgenamen in
dezelfde verhouding als zij verkrijgers krachtens erfrecht zouden
zijn geweest bij uitsluiting van de in de eerste volzin bedoelde
erfgenaam. De in het eerste lid, tweede en derde volzin, bedoelde
toerekening is niet van toepassing ingeval blijkt dat de
erfopvolging krachtens uiterste wilsbeschikking in overwegende
mate is gericht op het geheel of gedeeltelijk ontgaan of
uitstellen van de in het eerste lid, tweede en derde volzin,
bedoelde toerekening.
7. Onder de bezittingen en schulden
alsmede de opbrengsten en uitgaven, bedoeld in het eerste lid,
worden niet begrepen de bezittingen en schulden alsmede de
opbrengsten en uitgaven waarvoor het afgezonderd particulier
vermogen wordt betrokken in een belasting naar de winst die
resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing,
waarbij het afgezonderd particulier vermogen wordt geacht een
onderneming te drijven met behulp van zijn gehele vermogen.
8. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in dit
artikel bedoelde toerekening.
Artikel 2.15. Toerekening
inkomensbestanddelen, rendementsgrondslag en geheven
dividendbelasting van een minderjarig kind
1. Voor de toepassing van deze wet,
behoudens voorzover het de toepassing van artikel 2.16 betreft,
wordt geen rekening gehouden met het wettelijk vruchtgenot van het
vermogen van een minderjarig kind.
2. Het belastbare resultaat uit
overige werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste
lid, onderdelen a en b, en derde lid, en 3.92, de belastbare
inkomsten uit eigen woning, het belastbare inkomen uit
aanmerkelijk belang, de rendementsgrondslag voor het belastbare
inkomen uit sparen en beleggen en de op grond van artikel 9.2 ter
zake als voorheffing in aanmerking te nemen geheven
dividendbelasting, van een minderjarig kind worden toegerekend aan
de ouder die het gezag over het kind uitoefent.
3. Met de ouder die het gezag over
het kind uitoefent, wordt, indien niet tevens een andere ouder het
gezag uitoefent, gelijkgesteld de ouder die van het ouderlijk
gezag is ontheven volgens artikel 266 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek.
4. Indien het gezag over het kind
aan meer dan één ouder toekomt, worden de in het tweede lid
bedoelde inkomensbestanddelen, rendementsgrondslag en geheven
dividendbelasting in gelijke delen aan ieder van hen toegerekend.
Artikel 2.16. Verhaalsrecht
1. De belastingplichtige aan wie
inkomensbestanddelen van een kind zijn toegerekend en die daarvan
niet het vruchtgenot heeft, heeft verhaal op dat kind voor een
gedeelte van de door hem verschuldigde inkomstenbelasting,
voorzover deze is voldaan.
2. Het in het eerste lid bedoelde
gedeelte wordt gesteld op een evenredig gedeelte van de
verschuldigde belasting, bepaald naar de verhouding waarin de
belastbare inkomsten uit eigen woning, het inkomen uit
aanmerkelijk belang of het belastbare inkomen uit sparen en
beleggen van dat kind dat bij de vaststelling van de
belastingschuld in aanmerking is genomen, staat tot het inkomen
uit werk en woning, het inkomen uit aanmerkelijk belang
onderscheidenlijk het belastbare inkomen uit sparen en beleggen
dat tot de belastingschuld heeft geleid.
3. Indien in het belastbare inkomen
uit werk en woning of het belastbare inkomen uit aanmerkelijk
belang te conserveren inkomen is begrepen, wordt het in het eerste
lid bedoelde gedeelte bepaald met overeenkomstige toepassing van
de artikelen 2.8, eerste lid, en 2.9.
4. Van het eerste lid kan bij
overeenkomst worden afgeweken.
Artikel 2.17. Toerekening
inkomensbestanddelen, bestanddelen van de rendementsgrondslag,
geheven dividendbelasting en kortingen voor maatschappelijke
beleggingen, directe beleggingen in durfkapitaal en culturele
beleggingen van de belastingplichtige en zijn partner
1. Inkomensbestanddelen van de
belastingplichtige en zijn partner worden in aanmerking genomen
bij degene door wie de inkomensbestanddelen zijn genoten of op wie
deze drukken. Bestanddelen van de rendementsgrondslag van de
belastingplichtige en zijn partner worden in aanmerking genomen
bij degene tot wiens bezit die bestanddelen behoren.
2. Gemeenschappelijke
inkomensbestanddelen, de gezamenlijke grondslag sparen en
beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, en de op grond van
artikel 9.2 als voorheffing in aanmerking te nemen geheven
dividendbelasting, van de belastingplichtige en zijn partner
worden geacht bij hen op te komen, tot hun bezit te behoren
onderscheidenlijk als voorheffing in aanmerking te worden genomen,
in de onderlinge verhouding die zij daarvoor ieder jaar bij het
doen van aangifte kiezen. De korting voor maatschappelijke
beleggingen, bedoeld in artikel 8.19, en de korting voor directe
beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen, bedoeld in
artikel 8.20, van de belastingplichtige en zijnpartner worden
geacht bij hen op te komen in de verhouding die op grond van dit
artikel wordt toegepast voor de gezamenlijke grondslag sparen en
beleggen. Indien de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van
de belastingplichtige en zijnpartner nihil bedraagt, worden de
kortingen in aanmerking genomen bij degene met het hoogste
verzamelinkomen. Indien het verzamelinkomen van de
belastingplichtige en het verzamelinkomen van zijn partner aan
elkaar gelijk zijn en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen
van de belastingplichtige en zijn partner nihil bedraagt, worden
de kortingen in aanmerking genomen bij degene met de hoogste
leeftijd.
3. Een gemeenschappelijk
inkomensbestanddeel wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn
partner voor de helft op te komen, de gezamenlijke grondslag
sparen en beleggen wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn
partner voor de helft tot hun bezit te behoren en de geheven
dividendbelasting wordt geacht bij ieder voor de helft te zijn
geheven voorzover zij daarvoor geen onderlinge verhouding hebben
gekozen.
4. De voor een gemeenschappelijk
inkomensbestanddeel, voor de gezamenlijke grondslag sparen en
beleggen of voor de geheven dividendbelasting tot stand gekomen
onderlinge verhouding kan door de belastingplichtige en zijn
partner gezamenlijk worden gewijzigd tot het moment waarop de
aanslag, navorderingsaanslag, conserverende aanslag of
conserverende navorderingsaanslag van de belastingplichtige en
zijn partner, onherroepelijk vaststaan. In afwijking van de eerste
volzin kunnen de belastingplichtige en zijn partner de tot stand
gekomen onderlinge verhouding nog wijzigen tot zes weken na een
uitspraak van de Hoge Raad ingeval een in de eerste volzin
bedoelde aanslag vanwege die uitspraak onherroepelijk komt vast te
staan.
5. Indien de belastingplichtige
gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft, zijn
gemeenschappelijke inkomensbestanddelen:
a. belastbare inkomsten uit
eigen woning;
b. het inkomen uit aanmerkelijk
belang vóór vermindering met de persoonsgebonden aftrek;
c. de persoonsgebonden aftrek.
6. Indien een persoonsgebonden
aftrek van een belastingplichtige in aanmerking is genomen bij
zijn partner wordt een met die aftrek verband houdende negatieve
persoonsgebonden aftrek eveneens in aanmerking genomen bij die
partner, zo die persoon nog steeds kan kwalificeren als partner
van de belastingplichtige.
7. Indien de belastingplichtige
gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft wordt
hij voor de toepassing van dit artikel geacht het gehele
kalenderjaar die partner te hebben gehad indien hij daarvoor samen
met die partner kiest. De keuze wordt gemaakt bij verzoeken in
verband met voorlopige teruggaaf of bij aangifte. De eerste volzin
is niet van toepassing ingeval de belastingplichtige of zijn
partner als gevolg van emigratie of immigratie niet het gehele
kalenderjaar binnenlands belastingplichtig is en niet kiest voor
toepassing van artikel 2.5.
8. In afwijking van het vijfde lid
en artikel 5.2, tweede lid, zijn het tweede tot en met het vierde
lid ook van toepassing op de belastingplichtige en zijn partner,
bedoeld in het zevende lid, derde volzin, over de periode waarin
zij beiden binnenlands belastingplichtige zijn, mits de periode
van binnenlandse belastingplicht gelijktijdig aanvangt en eindigt.
Voor de toepassing van hoofdstuk 5 worden de belastingplichtige en
zijn partner, bedoeld in de eerste volzin, geacht het gehele
kalenderjaar dezelfde partner te hebben gehad.
9. Indien een keuze tot wijziging
van de in het vierde lid bedoelde onderlinge verhouding zou moeten
leiden tot een vermindering van een reeds onherroepelijk
vaststaande aanslag, beslist de inspecteur binnen zes weken na
ontvangst van de mededeling van die keuze bij een voor bezwaar
vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen
uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van het vierde lid.
Een beschikking als bedoeld in de eerste volzin biedt geen grond
voor het opnieuw toepassen van het vierde lid.
Afdeling 2.5. Verzamelinkomen
Artikel 2.18. Verzamelinkomen
Verzamelinkomen is het gezamenlijke
bedrag van:
a. het inkomen uit werk en
woning;
b. het inkomen uit aanmerkelijk
belang en
c. het belastbare inkomen uit
sparen en beleggen, verminderd met daarin begrepen te
conserveren inkomen
Hoofdstuk 3. Heffingsgrondslag bij
werk en woning
Afdeling 3.1. Belastbaar inkomen uit
werk en woning
Artikel 3.1. Belastbaar inkomen uit
werk en woning
1. Belastbaar inkomen uit werk en
woning is het inkomen uit werk en woning verminderd met de te
verrekenen verliezen uit werk en woning (afdeling 3.13).
2. Inkomen uit werk en woning is
het gezamenlijke bedrag van:
a. de belastbare winst uit
onderneming (afdeling 3.2);
b. het belastbare loon
(afdeling 3.3);
c. het belastbare resultaat uit
overige werkzaamheden (afdeling 3.4);
d. de belastbare periodieke
uitkeringen en verstrekkingen (afdeling 3.5);
e. de belastbare inkomsten uit
eigen woning (afdeling 3.6);
f. de negatieve uitgaven voor
inkomensvoorzieningen (afdeling 3.8) en
g. de negatieve
persoonsgebonden aftrekposten (afdeling 3.9);
verminderd met:
h. de aftrek wegens geen of
geringe eigenwoningschuld (afdeling 3.6a);
i. de uitgaven voor
inkomensvoorzieningen (afdeling 3.7) en
j. de persoonsgebonden aftrek
(hoofdstuk 6).
Afdeling 3.2. Belastbare winst uit
onderneming
Paragraaf 3.2.1. Belastbare winst uit
onderneming
Artikel 3.2. Belastbare winst uit
onderneming
Belastbare winst uit onderneming is
het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige
alsondernemer geniet uit een of meer ondernemingen (paragraaf 3.2.2)
verminderd met de ondernemersaftrek (paragraaf 3.2.4) en de
MKB-winstvrijstelling (paragraaf 3.2.5).
Artikel 3.3. Uitbreiding begrip
belastbare winst uit onderneming
1. Belastbare winst uit onderneming
is mede:
a. de winst die de
belastingplichtige, anders dan als ondernemer of
aandeelhouder, als medegerechtigde tot het vermogen van een
onderneming geniet uit een of meer ondernemingen (paragraaf
3.2.2);
b. het bedrag van de
gezamenlijke voordelen die de belastingplichtige geniet uit
hoofde van een schuldvordering op een ondernemer ten behoeve
van een voor zijn rekening gedreven onderneming, indien zich
een in het derde lid genoemde omstandigheid voordoet.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid, onderdeel a, behoeft de medegerechtigdheid zich niet
uit te strekken tot een eventueel liquidatiesaldo.
3. Een in het eerste lid, onderdeel
b, bedoelde omstandigheid is:
a. de schuldvordering is onder
zodanige voorwaarden aangegaan dat deze in feite functioneert
als vermogen van de in dat onderdeel bedoelde onderneming of
b. de vergoeding over de
schuldvordering is op het tijdstip van het aangaan van de
schuldvordering zodanig vastgesteld dat deze rechtens – dan
wel in feite – bezien over de gehele looptijd grotendeels
afhankelijk is van de winst van de in dat onderdeel bedoelde
onderneming.
4. Het eerste lid, onderdeel b, is
– in afwijking in zoverre van artikel 2.14 – niet van
toepassing op voordelen uit hoofde van een schuldvordering die
tevens als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden zouden
kunnen worden aangemerkt.
5. Indien de voorwaarden waaronder
een schuldvordering is aangegaan nadien worden gewijzigd, wordt
voor de toepassing van het derde lid de schuldvordering op het
tijdstip van het wijzigen van de voorwaarden geacht opnieuw te
zijn aangegaan.
6. De in het eerste lid, onderdeel
b, bedoelde voordelen worden bepaald alsof de schuldvordering een
onderneming vormt.
7. Dit artikel is niet van
toepassing met betrekking tot directe beleggingen in durfkapitaal
als bedoeld in artikel 5.17, voorzover het bedrag van die
belegging binnen de begrenzing van artikel 5.16 blijft en die
beleggingen voor het overige voldoen aan de ter zake gestelde
voorwaarden.
Artikel 3.4. Begrip ondernemer
In deze afdeling en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder ondernemer: de
belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt
gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen
betreffende die onderneming.
Artikel 3.5. Zelfstandig uitgeoefend
beroep
1. In deze afdeling en de daarop
berustende bepalingen wordt mede verstaan onder onderneming: het
zelfstandig uitgeoefende beroep.
2. In deze afdeling en de daarop
berustende bepalingen wordt mede verstaan onder ondernemer: de
beoefenaar van een zelfstandig beroep.
Artikel 3.6. Begrip urencriterium
1. In deze afdeling en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder urencriterium: het
gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1225 uren aan
werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de
belastingplichtige als ondernemer winst geniet, indien:
a. de tijd die in totaal wordt
besteed aan die ondernemingen en het verrichten van
werkzaamheden in de zin van de afdelingen 3.3 en 3.4,
grotendeels wordt besteed aan die ondernemingen of
b. de ondernemer in een of meer
van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid, aanhef, komen niet in aanmerking werkzaamheden ten
behoeve van een onderneming waaruit de belastingplichtige als
ondernemer winst geniet en die deel uitmaakt van een
samenwerkingsverband met een of meer met hem verbonden personen,
indien:
a. de door de
belastingplichtige verrichte werkzaamheden ten behoeve van het
samenwerkingsverband hoofdzakelijk van ondersteunende aard
zijn en het ongebruikelijk is dat een dergelijk
samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen wordt
aangegaan, of
b. het samenwerkingsverband
verband houdt met een onderneming waaruit een met de
belastingplichtige verbonden persoon als ondernemer winst
geniet, maar de belastingplichtige zelf niet.
3. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder met de belastingplichtige verbonden personen
verstaan:
a. personen die behoren tot het
huishouden van de belastingplichtige en
b. bloed- of aanverwanten in de
rechte lijn of personen die behoren tot hun huishouden.
4. Onder een samenwerkingsverband
dat verband houdt met een onderneming waaruit een met de
belastingplichtige verbonden persoon als ondernemer winst geniet
wordt mede verstaan een samenwerkingsverband dat verband houdt met
een lichaam waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden
persoon direct of indirect een aanmerkelijk belang in de zin van
afdeling 4.3 van deze wet heeft.
5. Indien de werkzaamheden, bedoeld
in het eerste lid, worden onderbroken vanwege zwangerschap van de
belastingplichtige, worden deze tijdens de periode die overeenkomt
met het zwangerschaps- en bevallingsverlof zoals dat geldt voor
werkneemsters, voor de bepaling van het aantal gewerkte uren
geacht niet te zijn onderbroken.
Artikel 3.7 [Vervallen per
01-01-2003]
Paragraaf 3.2.2. Winst uit een
onderneming
Artikel 3.8. Winst
Winst uit een onderneming (winst) is
het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in
welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming.
Artikel 3.9. Maximum verlies
1. Voorzover de winst van de
belastingplichtige, bedoeld in artikel 3.3 in het jaar, vóór
toepassing van dit lid, tezamen met de winst van alle daaraan
voorafgaande jaren waarin dat artikel op hem van toepassing was,
negatief is en in absolute zin uitgaat boven het in het tweede lid
bedoelde bedrag, wordt het verschil ten bate van de winst van het
jaar gebracht.
2. Het in het eerste lid bedoelde
bedrag betreft de boekwaarde van het vermogen van de onderneming
op het tijdstip waarop artikel 3.3 voor het eerst op de
belastingplichtige van toepassing werd, verminderd met het bedrag
van de reserves, bedoeld in artikel 3.53, op dat tijdstip. Indien
na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip door de
belastingplichtige is gestort in of onttrokken aan de onderneming,
wordt de uitkomst van de eerste volzin vermeerderd met de waarde
van die storting op het tijdstip van die storting respectievelijk
verminderd met de waarde van die onttrekking op het tijdstip van
die onttrekking.
3. Hetgeen op grond van het eerste
lid ten bate van de winst van het jaar is gebracht, wordt ten
laste van de winst van het volgende jaar gebracht indien artikel
3.3 bij de aanvang van dat volgende jaar nog op de
belastingplichtige van toepassing is.
Artikel 3.10. Verliezen uit de
aanloopfase van een onderneming
Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld volgens welke, onder te stellen voorwaarden,
de ondernemer bij het bepalen van de winst de per saldo resterende
kosten en lasten in aftrek kan brengen die zijn gemaakt in de vijf
kalenderjaren die onmiddellijk voorafgaan aan het eerste
kalenderjaar als ondernemer, verband houden met het starten van de
onderneming en niet ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en
woning kunnen of konden worden gebracht.
Artikel 3.11. Vrijstelling voor
bosbedrijf
1. Tot de winst behoren niet
voordelen uit bosbedrijf.
2. Een belastingplichtige die het
bosbedrijf uitoefent, kan de inspecteur verzoeken om het eerste
lid op hem niet van toepassing te doen zijn. Bij inwilliging van
het verzoek geldt dit tot wederopzegging door de
belastingplichtige maar ten minste voor tien jaar. Een hernieuwd
verzoek kan pas tien jaar nadat het eerste lid wederom van
toepassing is geworden, worden ingewilligd. De inspecteur beslist
op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
3. De waarde van de tot het
bosbedrijf behorende bezittingen wordt op het tijdstip met ingang
waarvan het eerste lid niet meer van toepassing is en op het
tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan dat waarop het eerste lid
weer van toepassing is, gesteld op de waarde in het economische
verkeer.
4. De voordelen die worden behaald
onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip met ingang waarvan het
eerste lid weer van toepassing is, kunnen onder bij algemene
maatregel van bestuur te stellen voorwaarden buiten aanmerking
blijven.
Artikel 3.12. Landbouwvrijstelling
1. Tot de winst behoren niet
voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van
gronden – daaronder begrepen de ondergrond van gebouwen –
voorzover de waardeverandering van de grond is toe te rekenen aan
de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij
voortzetting van de aanwending van de grond in het kader van een
landbouwbedrijf, en niet is ontstaan in de uitoefening van het
bedrijf.
2. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder landbouwbedrijf verstaan een bedrijf dat is
gericht op het voortbrengen van producten van akkerbouw, van
weidebouw of van tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt en het
kweken van bomen, bloemen, bloembollen en paddestoelen – of op
het in het kader van veehouderij fokken, mesten of houden van
dieren. Met landbouwbedrijf worden gelijkgesteld binnenvisserij en
visteelt.
Artikel 3.12a [Vervallen per
01-07-2007]
Artikel 3.13. Overige vrijstellingen
1. Tot de winst behoren niet:
a. voordelen verkregen door het
prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten door
schuldeisers, voorzover de voordelen de som van het verlies
uit werk en woning dat overigens mocht zijn geleden en de
volgens afdeling 3.13 te verrekenen verliezen uit het verleden
overtreffen; met prijsgeven van niet voor verwezenlijking
vatbare rechten wordt gelijkgesteld het niet afdwingbaar
worden van een vordering ingevolge artikel 358 van de
Faillissementswet;
b. voordelen bestaande uit
aanspraken die berusten op een pensioenregeling en leiden tot
als loon aan te merken pensioentermijnen of die uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend bestaan uit rechten op belastbare
periodieke uitkeringen en verstrekkingen;
c. voordelen bestaande uit
aanspraken op een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen of op een
bedrijfsbeëindigingsvergoeding van een door een of meer van
Onze Ministers opgerichte stichting ter bevordering van de
ontwikkeling en van de sanering binnen het bedrijfsleven,
voorzover die aanspraken bestaan uit rechten op belastbare
periodieke uitkeringen en verstrekkingen en uitsluitend zijn
toegekend ter zake van de beëindiging van de onderneming;
d. voordelen bestaande uit
uitkeringen en aanspraken op uitkeringen op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
e. voordelen op grond van een
buitenlandse regeling die naar aard en strekking overeenkomt
met een regeling als bedoeld in de onderdelen c en d;
f. uitkeringen uit een
stakingskas;
g. een door Onze Minister na
overleg met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie bij ministeriële regeling te bepalen deel,
daaronder mede begrepen het geheel, van de voordelen ingevolge
bij deze ministeriële regeling aangewezen regelingen ten
behoeve van de ontwikkeling en instandhouding van bos en
natuur alsmede aangewezen overeenkomsten die vooruitlopen op
die regelingen;
h. voordelen die op de voet van
artikel 32ab, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964
als eindheffingsbestanddeel in aanmerking zijn genomen, mits
de belastingplichtige de aldaar bedoelde schriftelijke
mededeling in zijn administratie bewaart, en
i. voordelen die worden genoten
op grond van door Onze Minister in overeenstemming met Onze
Minister van Infrastructuur en Milieu bij ministeriële
regeling aan te wijzen mobiliteitsprojecten die worden
gehouden in het kader van het project Anders betalen voor
mobiliteit of die worden gehouden in het kader van het
programma Beter Benutten.
2. Op de voordelen bedoeld in het
eerste lid, onderdeel d, en de voordelen op grond van een
buitenlandse regeling die naar aard en strekking overeenkomt met
een regeling als bedoeld in dat onderdeel, is artikel 2.14, eerste
lid, niet van toepassing.
Artikel 3.14. Van aftrek uitgesloten
algemene kosten
1. Bij het bepalen van de winst
komen niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met de
volgende posten:
a. het voeren van een zekere
staat;
b. vaartuigen die worden
gebruikt voor representatieve doeleinden;
c. geldboeten opgelegd door een
Nederlandse strafrechter en geldsommen betaald aan de Staat
ter voorkoming van strafvervolging in Nederland of ter
voldoening aan een voorwaarde verbonden aan een besluit tot
gratieverlening, bestuurlijke boeten, geldboeten opgelegd op
basis van bij wet geregeld tuchtrecht, geldboeten opgelegd
door een instelling van de Europese Unie, alsmede kosten als
bedoeld in artikel 234, zesde lid, en artikel 235, derde lid,
van de Gemeentewet;
d. misdrijven ter zake waarvan
de belastingplichtige door een Nederlandse strafrechter bij
onherroepelijke uitspraak is veroordeeld, daaronder begrepen
de misdrijven die zijn betrokken bij de bepaling van de hoogte
van de opgelegde straf en ter zake waarvan het Openbaar
Ministerie heeft verklaard te zullen afzien van vervolging;
e. misdrijven ter zake waarvan
een strafbeschikking onherroepelijk is geworden;
f. wapens en munitie, tenzij
ter zake een erkenning, consent, vergunning, verlof of
ontheffing is verleend krachtens de Wet wapens en munitie;
g. dieren die krachtens een
onherroepelijke bestuursrechtelijke of strafrechtelijke
maatregel in verband met agressie niet mogen worden gehouden,
en
h. giften, beloften of diensten
indien blijkt dat sprake is van een strafbaar feit als bedoeld
in artikel 126, eerste lid, 177, 177a, 178, 178a, 328ter,
tweede lid, of 328quater, tweede lid, van het Wetboek van
Strafrecht.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is
niet van toepassing voorzover de onderneming direct is gericht op
het vervaardigen of het verhandelen van vaartuigen die worden
gebruikt voor representatieve doeleinden, dan wel op het
verrichten van diensten in verband met die vaartuigen en die
vaartuigen respectievelijk diensten deel uitmaken van de omzet.
3. Onder bestuurlijke boete als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt verstaan: een door
een Nederlands bestuursorgaan bij beschikking opgelegde
onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom, die
is gericht op bestraffing van degene die een gedraging in strijd
met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift
pleegt of medepleegt.
4. Tot de in het eerste lid,
onderdelen d en e, bedoelde kosten en lasten behoren niet:
a. voldoening aan de Staat van
een geldbedrag of overdracht van in beslag genomen voorwerpen,
ter gehele of gedeeltelijke ontneming van wederrechtelijk
verkregen voordelen en
b. vergoeding van door het
misdrijf veroorzaakte schade.
5. Voorzover kosten en lasten die
verband houden met een misdrijf bij het bepalen van de winst in
aanmerking zijn genomen in een of meer van de vijf jaren
voorafgaande aan het jaar waarin de veroordeling, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel d, onherroepelijk is geworden, of waarin aan
de gestelde voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e,
is voldaan, wordt het bedrag ter grootte van de som van deze
kosten en lasten gerekend tot de positieve voordelen van de winst
uit onderneming van het laatstbedoelde jaar.
6. Voor de toepassing van het
eerste lid, onderdelen d en e, wordt met de belastingplichtige
gelijkgesteld degene die ten behoeve van de belastingplichtige
opdracht heeft gegeven tot het misdrijf dan wel aan het misdrijf
feitelijk leiding heeft gegeven.
7. Bij het bepalen van de winst
komen mede niet in aftrek:
a. geheven dividendbelasting en
kansspelbelasting;
b. belastingen die buiten
Nederland in enige vorm naar de winst of bestanddelen van de
winst worden geheven, indien voor de belastingplichtige ter
zake daarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting
van toepassing is.
Artikel 3.15. In aftrek beperkte
algemene kosten
1. Bij het bepalen van de winst
komen, onverminderd artikel 3.14, tot een bedrag van € 4400 niet
in aftrek kosten en lasten die verband houden met de volgende
posten:
a. voedsel, drank en
genotmiddelen;
b. representatie, daaronder
begrepen recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak en
c. congressen, seminars,
symposia, excursies, studiereizen en dergelijke.
2. Onder de in het eerste lid
bedoelde posten worden mede verstaan de desbetreffende reizen en
het desbetreffende verblijf.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de in dat lid bedoelde posten voorzover de
onderneming direct is gericht op het vervaardigen of het
verhandelen van tot die posten behorende goederen, dan wel op het
verrichten van diensten in verband met die posten en die posten
deel uitmaken van de omzet.
4. Met betrekking tot de kosten en
lasten die vallen onder het eerste lid worden, in afwijking in
zoverre van artikel 3.8, ten aanzien van de belastingplichtige
zelf geen onttrekkingen in aanmerking genomen.
5. Indien de belastingplichtige
daarvoor bij de aangifte kiest, komen, in afwijking van het eerste
lid, kosten en lasten die verband houden met de in dat lid
genoemde posten, voor 73,5% in aftrek.
6. Voor de toepassing van het
eerste, tweede en vijfde lid worden kosten en lasten die verband
houden met een tot het privé-vermogen van de belastingplichtige
behorend of door hem in privé gehuurd vervoermiddel, eerst
beperkt tot € 0,19 per kilometer.
7. Voor de toepassing van het zesde
lid worden met de belastingplichtige gelijkgesteld personen die
behoren tot zijn huishouden.
Artikel 3.16. Van aftrek uitgesloten
kosten ten behoeve van de belastingplichtige
1. Bij het bepalen van de winst
komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met
een werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, ten behoeve van
de belastingplichtige zelf in zijn niet tot zijn
ondernemingsvermogen behorende woning, tenzij de werkruimte een
naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt
en:
a. ingeval hij tevens een
werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het
gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer
ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit
overige werkzaamheden hoofdzakelijk in de werkruimte in die
woning verwerft, of
b. ingeval hij niet tevens een
werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het
gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer
ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit
overige werkzaamheden hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte
in die woning verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte
in die woning verwerft.
2. Bij het bepalen van de winst
komen mede niet in aftrek kosten en lasten ten behoeve van de
belastingplichtige zelf die verband houden met de volgende posten:
a. telefoonabonnementen met
betrekking tot telefoonaansluitingen in zijn woonruimte;
b. literatuur, met uitzondering
van vakliteratuur;
c. kleding, met uitzondering
van werkkleding;
d. persoonlijke verzorging;
e. geheven inkomensafhankelijke
bijdragen als bedoeld in paragraaf 5.2 van de
Zorgverzekeringswet, of een buitenlandse regeling die naar
aard en strekking daarmee overeenkomt en
f. reizen en verblijf in
verband met cursussen en opleidingen voor studie en beroep,
alsmede in verband met congressen, seminars, symposia,
excursies, studiereizen en dergelijke, voorzover deze meer
bedragen dan € 1500.
3. Bij het bepalen van de winst
komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met
tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorende of
door hem in privé gehuurde muziekinstrumenten, geluidsapparatuur,
gereedschappen, computers en andere dergelijke apparatuur, alsmede
beeldapparatuur.
4. Bij het bepalen van de winst
komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met
vergoeding van arbeid door de partner van de belastingplichtige,
indien de vergoeding lager is dan € 5000.
5. Voor de toepassing van het
tweede lid, onderdeel c, wordt kleding als werkkleding aangemerkt
indien zij:
a. uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend geschikt is om in het kader van de onderneming te
worden gedragen of
b. is voorzien van zodanige
uiterlijke kenmerken dat daaruit blijkt dat deze uitsluitend
is bestemd om bij het behalen van de winst te worden gedragen.
6. Bij ministeriële regeling
kunnen voor het vijfde lid, onderdelen a en b, regels worden
gesteld om te bepalen wanneer aan de in die onderdelen gestelde
voorwaarden is voldaan.
7. Het tweede lid, onderdelen c en
d, is niet van toepassing ten aanzien van de belastingplichtige
die optreedt als artiest of als presentator of die als beroep een
tak van sport beoefent.
8. Het tweede lid, onderdeel f, is
niet van toepassing indien de aard van de door de
belastingplichtige verrichte werkzaamheden noodzaakt tot het
bijwonen van de desbetreffende cursussen, opleidingen, congressen,
seminars, symposia, excursies en dergelijke respectievelijk het
maken van de desbetreffende studiereizen.
9. Bij het bepalen van de winst
komen mede niet in aftrek:
a. geheven loonbelasting en
premie voor de volksverzekeringen;
b. premies voor buitenlandse
verzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de
volksverzekeringen, tenzij de belastingplichtige
premieplichtig is voor de volksverzekeringen.
10. Bij het bepalen van de winst
komen voorts mede niet in aftrek, renten van schulden, kosten van
geldleningen daaronder begrepen, die corresponderen met
geldvorderingen als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid.
11. Voor de toepassing van dit
artikel worden met de belastingplichtige gelijkgesteld personen
die behoren tot zijn huishouden.
12. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder woning mede verstaan: een duurzaam aan een
plaats gebonden schip of woonwagen als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder f, van de Huisvestingswet, alsmede de
aanhorigheden van een schip of woonwagen.
Artikel 3.17. In aftrek beperkte
kosten ten behoeve van de belastingplichtige
1. Bij het bepalen van de winst
komen, onverminderd de artikelen 3.14, 3.15 en 3.16, kosten en
lasten die verband houden met de volgende posten, tot het bij die
posten aangegeven gedeelte in aftrek:
a. ten behoeve van de
belastingplichtige zelf:
1°. verhuizing naar een
andere woonruimte: de kosten van het overbrengen van zijn
inboedel, vermeerderd met € 7750;
2°. huisvesting buiten
zijn woonplaats: gedurende ten hoogste twee jaar;
b. tot het privé-vermogen van
de belastingplichtige behorend of door hem in privé gehuurd
vervoermiddel: € 0,19 per kilometer;
c. tot het privé-vermogen van
de belastingplichtige behorende of door hem in privé gehuurde
bezittingen, andere dan vervoermiddelen als bedoeld in
onderdeel b:
1º. indien de bezittingen
tot het privé-vermogen behoren: een gebruiksvergoeding
van ten hoogste het voordeel uit sparen en beleggen dat
ter zake van deze bezittingen in aanmerking wordt genomen,
zonder daarbij rekening te houden met het heffingvrije
vermogen bedoeld in artikel 5.5, dat kan worden
toegerekend aan de periode van het gebruik van de
bezitting in de onderneming, alsmede een evenredig deel
van de kosten die in huurverhoudingen door de huurder
plegen te worden gedragen;
2º. indien de bezittingen
in privé zijn gehuurd: een gebruiksvergoeding van ten
hoogste een evenredig deel van de huurprijs dat kan worden
toegerekend aan de periode van het gebruik van de
bezitting in de onderneming, alsmede een evenredig deel
van de kosten die in huurverhoudingen door de huurder
plegen te worden gedragen.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid, onderdeel a, onder 1°, kunnen bij ministeriële
regeling regels worden gesteld voor de beoordeling of in ieder
geval in het kader van de onderneming is verhuisd.
3. Indien een belastingplichtige
uit meer dan een onderneming of werkzaamheid als bedoeld in
afdeling 3.4 winst respectievelijk resultaat behaalt, worden de
kosten en lasten van de posten, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, gezamenlijk bij één onderneming of werkzaamheid in
aanmerking genomen.
4. Voor de toepassing van dit
artikel, behoudens het eerste lid, onderdeel c, worden met de
belastingplichtige gelijkgesteld personen die behoren tot zijn
huishouden.
Artikel 3.18 [Vervallen per
01-01-2004]
Artikel 3.19. Bijtelling
privé-gebruik woning
1. Bij het bepalen van de winst met
betrekking tot een woning die de belastingplichtige of personen
die behoren tot zijn huishouden, anders dan tijdelijk als
hoofdverblijf ter beschikking staat, wordt de waarde van de
onttrekking gesteld op het bedrag in het tweede lid.
2. De onttrekking bedraagt bij een
woningwaarde van:
|
meer dan |
maar niet meer
dan |
op jaarbasis |
|
– |
€ 12 500 |
0,80% van deze waarde |
|
€ 12 500 |
€ 25 000 |
1,00% van deze waarde |
|
€ 25 000 |
€ 50 000 |
1,15% van deze waarde |
|
€ 50 000 |
€ 75 000 |
1,25% van deze waarde |
|
€ 75 000 |
€ 1 040 000 |
1,40% van deze waarde |
|
€ 1 040 000 |
– |
€ 14 560 vermeerderd met
1,75% van de woningwaarde voor zover deze uitgaat boven€ 1
040 000 |
3. De woningwaarde is de volgens
hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die
woning vastgestelde waarde of waarden voor het kalenderjaar van
de onttrekking. Indien een woning deel uitmaakt van een
onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering
onroerende zaken, wordt de woningwaarde gesteld op het gedeelte
van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend
aan die woning.
4. Indien met betrekking tot een
woning het derde lid geen toepassing kan vinden door het
ontbreken van een op grond van hoofdstuk IV van de Wet
waardering onroerende zaken vastgestelde waarde, is de
woningwaarde de waarde van de woning die wordt bepaald met
overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 16 tot en met 18 en 20, tweede lid, van die wet en van
het derde lid, tweede volzin.
5. Voor de toepassing van dit
artikel:
a. wordt onder woning mede
verstaan: een duurzaam aan een plaats gebonden schip of
woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van
de Huisvestingswet;
b. blijft onder woning
begrepen een werkruimte waarvan de kosten en lasten, indien
die werkruimte niet tot het ondernemingsvermogen zou
behoren, ingevolge artikel 3.16, eerste lid, niet in aftrek
zouden komen.
Artikel 3.20. Bijtelling
privé-gebruik auto
1. Indien aan de belastingplichtige
ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking staat, wordt
op jaarbasis ten minste:
a. 25% van de waarde van de
auto als onttrekking in aanmerking genomen indien de auto niet
meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen;
b. 35% van de waarde van de
auto als onttrekking in aanmerking genomen indien de auto meer
dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen.
De auto wordt in ieder geval geacht
ook voor privé-doeleinden ter beschikking te staan tenzij blijkt
dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor
privé-doeleinden wordt gebruikt.
2. Indien de auto wordt aangedreven
door een motor met compressieontsteking, wordt de onttrekking,
bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, op jaarbasis verlaagd
met:
a. 11% van de waarde van de
auto indien de CO2-uitstoot niet hoger is dan 95 gram per
kilometer, en
b. 5% van de waarde van de auto
indien de CO2-uitstoot hoger is dan 95 gram per kilometer,
maar niet hoger is dan 116 gram per kilometer.
3. Indien de auto niet wordt
aangedreven door een motor met compressieontsteking, wordt de
onttrekking, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, op
jaarbasis verlaagd met:
a. 11% van de waarde van de
auto indien de CO2-uitstoot niet hoger is dan 110 gram per
kilometer, en
b. 5% van de waarde van de auto
indien de CO2-uitstoot hoger is dan 110 gram per kilometer,
maar niet hoger is dan 140 gram per kilometer.
In afwijking van de eerste volzin
wordt de onttrekking, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin,
tot 1 januari 2014 op jaarbasis verlaagd met 25% van de waarde van
de auto indien de CO2-uitstoot niet hoger is dan 50 gram per
kilometer.
4. Indien uit een rittenregistratie
of anderszins blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan
500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt de
onttrekking gesteld op nihil.
5. Voor de toepassing van dit
artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder auto
verstaan een personenauto of bestelauto als bedoeld in artikel 3
van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen
1992, met uitzondering van de bestelauto die door aard of
inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te
zijn voor vervoer van goederen.
6. Voor de toepassing van dit
artikel is de CO2-uitstoot van een auto, de CO2-uitstoot gemeten
overeenkomstig richtlijn nr. 80/1268/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 16 december 1980 betreffende de
onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het
brandstofverbruik van motorvoertuigen (PbEG L 375). Indien de
meting mede met LPG of aardgas als brandstof is uitgevoerd, wordt
de CO2-uitstoot van de auto met LPG of aardgas als brandstofsoort
gehanteerd.
7. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet
voldoen. Tevens kunnen regels worden gesteld over het anderszins
laten blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500
kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.
8. Voor de toepassing van dit
artikel wordt de waarde van de auto gesteld op de catalogusprijs
in de zin van artikel 9 van de Wet op de belasting van
personenauto’s en motorrijwielen 1992 vermeerderd met de
belasting van personenauto’s en motorrijwielen ingevolge de
artikelen 9 tot en met 9c van genoemde wet. In afwijking in
zoverre van de eerste volzin wordt de waarde van een auto die meer
dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen,
gesteld op de waarde in het economische verkeer.
9. De onttrekking wordt in
aanmerking genomen voorzover zij uitgaat boven de bedragen die de
belastingplichtige ter zake van de kosten en lasten van de auto
voor eigen rekening heeft genomen.
10. Voor de toepassing van dit
artikel wordt woon-werkverkeer geacht niet voor privé-doeleinden
plaats te vinden.
11. Indien een bestelauto als
bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet op de belasting van
personenauto’s en motorrijwielen 1992 uitsluitend zakelijk wordt
gebruikt, kan de belastingplichtige met betrekking tot deze auto
aan de inspecteur een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik
afgeven (verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto). De
ontvangst van die verklaring wordt door de inspecteur bevestigd.
12. De belastingplichtige kan de
verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto intrekken. De
mededeling van de intrekking wordt door de inspecteur bevestigd.
13. In geval van een verklaring
uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto kan de inspecteur, bij het
vermoeden van een rit voor privédoeleinden, de belastingplichtige
verzoeken te doen blijken dat de betreffende rit zakelijk was.
Slaagt de belastingplichtige niet in dit bewijs, dan wordt de
bestelauto geacht op jaarbasis voor meer dan 500 kilometer voor
privédoeleinden te worden gebruikt.
14. Indien de belastingplichtige de
verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto heeft
ingetrokken voordat hij de bestelauto ook voor privédoeleinden
gaat gebruiken, wordt de bestelauto tot het moment van de
intrekking geacht wel voor privédoeleinden ter beschikking te
staan, maar niet voor privédoeleinden te zijn gebruikt.
15. Bij algemene maatregel van
bestuur wordt bepaald op welke wijze de verklaring uitsluitend
zakelijk gebruik bestelauto wordt afgegeven en ingetrokken en in
welke gevallen de belastingplichtige de verklaring in ieder geval
moet intrekken.
16. Na een vervanging van de
CO2-uitstootgrenzen in het tweede of derde lid, blijft met
betrekking tot een auto:
a. waarvan het kenteken na 30
juni 2012 voor het eerst op naam is gesteld: voor een periode
van 60 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand
volgend op die waarin het kenteken van de auto voor het eerst
op naam is gesteld, de verlaging van toepassing ingevolge de
begrenzingen die golden op de datum van de eerste
tenaamstelling, en voor direct daaropvolgende periodes van
telkens 60 maanden, de verlaging ingevolge de begrenzingen
zoals die gelden op de laatste dag van de direct daaraan
voorafgaande periode van 60 maanden;
b. waarvan het kenteken voor
het eerst op naam is gesteld vóór 1 juli 2012 en die de
belastingplichtige al vóór en vanaf 1 juli 2012 onafgebroken
ter beschikking staat: de op 30 juni 2012 geldende verlaging
ingevolge de op die datum geldende begrenzingen van
toepassing;
c. waarvan het kenteken op naam
van de eigenaar is gesteld vóór 1 juli 2012 en die de
belastingplichtige op of na 1 juli 2012 voor het eerst ter
beschikking staat: de op 30 juni 2012 geldende verlaging
ingevolge de op die datum geldende begrenzingen van
toepassing;
d. waarvan het kenteken voor
het eerst op naam is gesteld vóór 1 juli 2012 en die op naam
van de eigenaar is gesteld op of na 1 juli 2012: voor een
periode van 60 maanden te rekenen vanaf 1 juli 2012, de
verlaging van toepassing ingevolge de begrenzingen zoals die
golden op 30 juni 2012, en voor direct daaropvolgende periodes
van telkens 60 maanden, de verlaging ingevolge de begrenzingen
zoals die gelden op de laatste dag van de direct daaraan
voorafgaande periode van 60 maanden.
17. In afwijking van het zestiende
lid, onderdeel d, heeft de eigendomsoverdracht van een auto die
aan een belastingplichtige ter beschikking staat geen gevolgen
voor de verlaging, zolang die auto aan de betreffende
belastingplichtige ter beschikking staat.
18. In afwijking van het zestiende
lid blijft na vervanging van de CO2-uitstootgrenzen in het tweede
of derde lid, met betrekking tot een auto waarvan het kenteken
voor het eerst op naam is gesteld op of na 1 januari 2012 en die
een CO2-uitstoot heeft van niet hoger dan 50 gram per kilometer
voor een periode van 60 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van
de maand volgend op die waarin het kenteken van de auto voor het
eerst op naam is gesteld, de verlaging van toepassing ingevolge de
begrenzingen die golden op de datum van de eerste tenaamstelling,
en voor direct daaropvolgende periodes van telkens 60 maanden, de
verlaging ingevolge de begrenzingen zoals die gelden op de laatste
dag van de direct daaraan voorafgaande periode van 60 maanden.
19. In afwijking van het zestiende
lid wordt de onttrekking, bedoeld in het eerste lid, eerste
volzin, met betrekking tot een auto waarvan het kenteken vóór 1
januari 2012 voor het eerst op naam is gesteld en die een
CO2-uitstoot heeft van 0 gram per kilometer, tot 1 januari 2017
verlaagd met 25% van de waarde van de auto en daarna met het
hoogste percentage aan verlaging dat op dat tijdstip in het tweede
of derde lid van dit artikel wordt genoemd.
20. In afwijking van het zestiende
lid wordt de onttrekking, bedoeld in het eerste lid, eerste
volzin, met betrekking tot een auto waarvan het kenteken vóór 1
januari 2012 voor het eerst op naam is gesteld en die een
CO2-uitstoot heeft van meer dan 0 gram per kilometer, maar niet
meer dan 50 gram per kilometer, van 1 januari 2012 tot 1 januari
2017 verlaagd met 25% van de waarde van de auto, en geldt voor
direct daaropvolgende periodes van telkens 60 maanden een
verlaging ingevolge de begrenzingen van het tweede of derde lid
van dit artikel zoals die gelden op de laatste dag van de direct
daaraan voorafgaande periode van 60 maanden.
21. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot een auto
waarvan de datum van de eerste tenaamstelling van het kenteken
niet overeenkomt met de datum van eerste toelating op de weg van
die auto.
Artikel 3.21. Bonusaandelen van
beleggingsinstellingen
Bij het bepalen van de winst wordt
mede in aanmerking genomen de nominale waarde van aandelen die
worden uitgereikt door een lichaam dat wordt aangemerkt als
beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969, voorzover niet blijkt dat storting
heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden. Bijschrijving op die
aandelen wordt met uitreiking van aandelen gelijkgesteld.
Artikel 3.22. Winst uit
zeescheepvaart aan de hand van tonnage
1. Op verzoek van de
belastingplichtige wordt, in afwijking van de artikelen 3.8 tot en
met 3.20, 3.25 tot en met 3.65, en 3.79, de winst uit
zeescheepvaart bepaald aan de hand van de tonnage van de schepen
waarmee die winst wordt behaald.
2. Het verzoek wordt gedaan in het
eerste jaar waarin de belastingplichtige uit de desbetreffende
onderneming winst uit zeescheepvaart geniet, dan wel in het tiende
jaar of een veelvoud daarvan nadien. De inspecteur beslist op het
verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
3. Bij inwilliging van het verzoek
geldt dit met ingang van het jaar waarin het verzoek is gedaan en
tot wederopzegging door de belastingplichtige, waarbij
wederopzegging alleen mogelijk is met ingang van het tiende jaar
of een veelvoud daarvan na het einde van het jaar met ingang
waarvan de winst uit zeescheepvaart wordt bepaald aan de hand van
de tonnage.
4. Voor de toepassing van dit
artikel, artikel 3.23 en artikel 3.24 wordt onder de winst uit
zeescheepvaart verstaan:
a. de winst behaald met de
exploitatie van een schip bestemd voor:
1°. het vervoer van zaken
of personen in het internationale verkeer over zee;
2°. het vervoer van zaken
of personen over zee ten behoeve van de exploratie of
exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee;
3°. de exploratie van de
zeebodem;
4°. het leggen van kabels
dan wel pijpen op de zeebodem, of
5°. het verrichten van
takel- en hefwerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld
in artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet of aan
installaties ten behoeve van de exploratie of exploitatie
van natuurlijke rijkdommen op zee;
b. de winst behaald met de
exploitatie van een schip bestemd voor:
1°. baggerwerkzaamheden op
zee waarvan de jaarlijkse bedrijfstijd grotendeels uit
zeevervoer bestaat, of
2°. het verrichten van
sleep- en hulpwerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld
in artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet, niet zijnde
een schip waarvan het geheel van werkzaamheden en
activiteiten grotendeels bestaat uit het meren, ontmeren
en verhalen van zeeschepen die gebruik maken van eigen
voortstuwing en die inkomen van of uitgaan naar zee, en
c. de winst behaald met de
werkzaamheden die direct samenhangen met de in onderdeel a en
b bedoelde exploitatie van een schip.
5. Voor de toepassing van dit
artikel, artikel 3.23 en artikel 3.24 is sprake van exploitatie
van een schip, indien de belastingplichtige:
a. in Nederland in belangrijke
mate het beheer verricht van het schip, het schip de vlag
voert van een van de lidstaten van de Europese Gemeenschap of
van de Europese Economische Ruimte en de belastingplichtige
het schip:
1°. in eigendom heeft of
mede in eigendom heeft en niet in rompbevrachting heeft
gegeven, of
2°. in rompbevrachting
houdt;
b. in Nederland hoofdzakelijk
het commerciële beheer verricht van het schip voor een ander,
mits de belastingplichtige daarnaast een of meer schepen
beheert op een wijze als bedoeld in de aanhef en onderdeel a,
waarbij schepen in mede-eigendom alleen in aanmerking worden
genomen indien die mede-eigendom ten minste 5% beloopt;
c. het schip in tijd- of
reischarter houdt, mits de belastingplichtige daarnaast een of
meer schepen beheert op een wijze als bedoeld in de aanhef en
onderdeel a, waarbij schepen in mede-eigendom alleen in
aanmerking worden genomen indien die mede-eigendom ten minste
5% beloopt, of
d. in Nederland voor een ander
het volledige bemanning- en technische beheer verricht van het
schip.
6. In afwijking van het vijfde lid,
onderdeel a, is de voorwaarde dat het schip de vlag voert van een
van de lidstaten van de Europese Gemeenschap of van de Europese
Economische Ruimte niet van toepassing indien:
a. direct voorafgaand aan het
moment van in gebruik nemen van het schip door de
belastingplichtige, de netto-tonnage van de reeds door hem
geëxploiteerde kwalificerende schepen die de vlag voeren van
een van de lidstaten van de Europese Gemeenschap of van de
Europese Economische Ruimte, als percentage van de totale
netto-tonnage van de reeds door hem geëxploiteerde
kwalificerende schepen, niet is afgenomen ten opzichte van het
overeenkomstig berekende percentage op 17 januari 2004 dan
wel, zo dit later is, het overeenkomstig berekende percentage
aan het einde van het boekjaar waarin de belastingplichtige
voor het eerst de winst uit zeescheepvaart heeft bepaald
overeenkomstig het eerste lid, of
b. direct voorafgaand aan het
moment van in gebruik nemen van het schip door de
belastingplichtige, de netto-tonnage van de reeds door hem
geëxploiteerde kwalificerende schepen die de vlag voeren van
een van de lidstaten van de Europese Gemeenschap of van de
Europese Economische Ruimte, ten minste 60 procent bedraagt
van de totale netto-tonnage van de reeds door hem
geëxploiteerde kwalificerende schepen, of
c. met betrekking tot het
kalenderjaar van het in gebruik nemen van het schip door de
belastingplichtige, voor de aanvang van dat jaar bij
ministeriële regeling is bepaald dat op landelijk niveau de
netto-tonnage van kwalificerende schepen die de vlag voeren
van een van de lidstaten van de Europese Gemeenschap of van de
Europese Economische Ruimte als percentage van de
netto-tonnage van kwalificerende schepen in een bepaalde
periode vergeleken met de daaraan voorafgaande periode, niet
is afgenomen.
7. Van de toepassing van het zesde
lid zijn uitgesloten schepen waarmee winst uit zeescheepvaart
wordt behaald als bedoeld in het vierde lid, onder b.
8. Voor de toepassing van het zesde
lid en het negende lid wordt onder kwalificerende schepen
verstaan: schepen waarvan de winst wordt bepaald overeenkomstig
het eerste lid en die in eigendom of mede-eigendom zijn van de
belastingplichtige of door hem in rompbevrachting worden gehouden.
9. Voor de toepassing van het zesde
lid, onderdeel a, worden mede in aanmerking genomen schepen die
worden geëxploiteerd door lichamen waarin de belastingplichtige
direct of indirect overwegende zeggenschap heeft als bedoeld in
artikel 1 van de Zevende Richtlijn nr. 1983/349/EEG van de Raad
van de Europese Unie van 13 juni 1983 betreffende de
geconsolideerde jaarrekening (Pb EG, nr. L 193), voorzover het
betreft kwalificerende schepen.
10. Het in het zesde lid, onderdeel
c, bedoelde percentage over een periode wordt berekend als
gemiddelde over drie aaneengesloten kalenderjaren (tijdvak),
waarbij het laatste tijdvak eindigt één jaar voor het
kalenderjaar en het daarvoor gelegen tijdvak eindigt twee jaar
vóór het kalenderjaar. De in het zesde lid, onderdeel c,
bedoelde ministeriële regeling wordt vastgesteld in
overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
11. Indien de voor rekening van de
belastingplichtige gedreven onderneming deel uitmaakt van een
samenwerkingsverband met een of meer andere natuurlijke personen
of rechtspersonen, worden voor de beoordeling of bij de
belastingplichtige sprake is van exploitatie van een schip als
bedoeld in het vijfde en zesde lid, de werkzaamheden die door die
anderen ten behoeve van het samenwerkingsverband plaatsvinden,
toegerekend aan de belastingplichtige.
12. Voor de toepassing van dit
artikel en artikel 3.23 wordt onder zee verstaan alle wateren die
zich bevinden voorbij de laagwaterlijn van de kust. Indien een
transport over zee plaatsvindt met inbegrip van transport door een
waterweg van maritieme aard in de zin van de verordening (EG) nr.
13/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschap van 8
december 2003 (Pb EU, nr. L3), wordt het transport voor het gehele
traject geacht transport over zee te zijn.
13. Voor de toepassing van dit
artikel, artikel 3.23 en artikel 3.24, kunnen bij ministeriële
regeling nadere regels worden gesteld.
Artikel 3.23. Bepaling van de winst
aan de hand van de tonnage
1. Bij inwilliging van het in
artikel 3.22, eerste lid, bedoelde verzoek wordt de in een
kalenderjaar genoten winst uit zeescheepvaart per schip
vastgesteld aan de hand van de in de volgende tabel aangegeven
bedragen per dag.
|
Bedrag per dag
per 1000 nettoton |
|
|
€9,08 |
tot en met 1000 nettoton |
|
€6,81 |
voor het meerdere tot en met 10
000 nettoton |
|
€4,54 |
voor het meerdere tot en met 25
000 nettoton |
|
€2,27 |
voor het meerdere tot en met 50
000 nettoton |
|
€0,50 |
voor het meerdere boven 50 000
nettoton |
De volgens de eerste volzin
vastgestelde winst wordt vermeerderd met€ 1,77 per dag per
1000 nettoton voor het meerdere boven 50 000 nettoton, tenzij
het schepen betreft:
a. die na 31 december 2008
voor het eerst een vlag zijn gaan voeren en waarvan de winst
die daarmee wordt behaald vanaf dat moment wordt bepaald
volgens dit artikel, of;
b. die gedurende de vijf jaar
onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip vanaf hetwelk de
winst wordt bepaald volgens dit artikel, de vlag voerden van
een land dat geen lidstaat is van de Europese Unie en geen
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte.
In geval van exploitatie van een
schip als bedoeld in artikel 3.22, vijfde lid, onderdeel d,
wordt de volgens de vorige volzinnen vastgestelde winst
verminderd met 75%.
De volgens de vorige volzinnen
vastgestelde winst wordt met betrekking tot schepen bestemd
voor:
1°. de exploratie van de
zeebodem: vermeerderd met de winst die is behaald met
werkzaamheden andere dan vervoer van zaken dan wel personen
over zee ten behoeve van de exploratie van de zeebodem;
2°. het leggen van kabels
dan wel pijpen op de zeebodem: vermeerderd met de winst die
is behaald met werkzaamheden andere dan vervoer van zaken
dan wel personen over zee ten behoeve van het leggen van
kabels dan wel pijpen op de zeebodem;
3°. het verrichten van
takel- en hefwerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld in
artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet of aan installaties
ten behoeve van de exploratie of exploitatie van natuurlijke
rijkdommen op zee: vermeerderd met de winst die is behaald
met werkzaamheden andere dan vervoer van zaken dan wel
personen over zee ten behoeve van takel- en hefwerkzaamheden
op zee;
4°. baggerwerkzaamheden op
zee: vermeerderd met de winst die is behaald met
werkzaamheden andere dan vervoer van opgebaggerd materiaal
over zee;
5°. het verrichten van
sleep- en hulpwerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld
in artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet: vermeerderd met
de winst die is behaald met werkzaamheden andere dan sleep-
en hulpverleningswerkzaamheden op zee.
2. Bij inwilliging van het
verzoek wordt tot de winst van het jaar waarin het verzoek wordt
gedaan, mede gerekend het gezamenlijke bedrag – dat is bepaald
naar de toestand op het tijdstip dat onmiddellijk aan dat jaar
voorafgaat – van:
a. de op grond van de
artikelen 3.53 en 3.54 gevormde reserves van de onderneming
die verband houden met de zeescheepvaart en
b. een bedrag ter grootte van
het positieve verschil tussen de waarde die in het
economische verkeer wordt toegekend aan de zaken die door de
onderneming worden gebruikt voor het behalen van winst uit
zeescheepvaart en de waarde waarvoor deze zaken op dat
tijdstip te boek zijn gesteld.
3. Het in het tweede lid bedoelde
gezamenlijke bedrag blijft buiten aanmerking voorzover dit het
bedrag waarvoor de belastingplichtige op het in de aanhef van
dat lid bedoelde tijdstip aanspraak kan maken op verrekening van
verliezen volgens afdeling 3.13, te boven gaat. De inspecteur
stelt het bedrag dat buiten aanmerking blijft, per onderneming
vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.
4. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van het eerste
lid, vierde volzin, alsmede ter voorkoming van cumulatie tussen
de eerste drie volzinnen en de vierde volzin van dat lid.
Artikel 3.24. Beëindiging bepaling
van de winst aan de hand van de tonnage
1. Het bedrag dat op grond van
artikel 3.23, derde lid, buiten aanmerking is gebleven, wordt
alsnog tot de winst gerekend indien de belastingplichtige –
anders dan door overlijden – binnen tien jaar na het tijdstip
met ingang waarvan de winst uit zeescheepvaart wordt bepaald aan
de hand van de tonnage, de onderneming waarmee in Nederland winst
uit zeescheepvaart wordt behaald, voor het geheel of voor een
gedeelte staakt. In geval van staking voor een gedeelte wordt het
in de vorige volzin bedoelde bedrag alleen tot de winst gerekend
voorzover dat betrekking heeft op dat gedeelte. Het bedrag dat
alsnog tot de winst wordt gerekend, wordt geacht te zijn genoten
ten tijde van de staking.
2. Een schip dat wordt gebruikt
voor het behalen van winst uit zeescheepvaart wordt, op het
tijdstip waarop de winst uit dat schip niet meer wordt bepaald aan
de hand van de tonnage, gewaardeerd op de waarde in het
economische verkeer verminderd – maar niet verder dan tot nihil
– met het bedrag dat met betrekking tot dat schip ingevolge
artikel 3.23, derde lid, buiten aanmerking is gebleven, tenzij
tien jaren na het tijdstip met ingang waarvan de winst uit dat
schip aan de hand van de tonnage wordt bepaald, zijn verstreken.
3. De zaken die worden gebruikt
voor het behalen van winst uit zeescheepvaart, worden op het
tijdstip waarop na wederopzegging artikel 3.22, eerste lid, niet
meer van toepassing is, te boek gesteld voor de waarde in het
economische verkeer.
4. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt niet als staking aangemerkt een doorschuiving bij
ontbinding van de huwelijksgemeenschap als bedoeld in artikel
3.59, een doorschuiving naar ondernemers als bedoeld in artikel
3.63 of een omzetting als bedoeld in artikel 3.65 mits de
belastingplichtige, alsmede in geval van een doorschuiving tevens
degene aan wie is overgedragen, dit verzoekt. In dat geval wordt
degene aan wie is overgedragen, respectievelijk de vennootschap
waarin de onderneming is omgezet, voor de toepassing van dit
artikel en de artikelen 3.22 en 3.23 geacht in de plaats te zijn
getreden van de belastingplichtige.
Artikel 3.25. Jaarwinst
De in een kalenderjaar genoten winst
wordt bepaald volgens goed koopmansgebruik, met inachtneming van een
bestendige gedragslijn die onafhankelijk is van de vermoedelijke
uitkomst. De bestendige gedragslijn kan alleen worden gewijzigd
indien goed koopmansgebruik dit rechtvaardigt.
Artikel 3.26. Loon- en
prijswijzigingen na afloop jaar
1. Bij het bepalen van de in een
kalenderjaar genoten winst blijven kosten en lasten voorzover
deze, al dan niet door tussenkomst van derden, rechtstreeks of
zijdelings verband houden met wijzigingen in de hoogte van lonen
of prijzen na afloop van het jaar, buiten aanmerking, ook al zou
de omvang van deze kosten en lasten reeds bij het einde van het
jaar vaststaan.
2. De in het eerste lid bedoelde
kosten en lasten komen in aanmerking bij het bepalen van de winst
van de op het kalenderjaar volgende jaren en wel naar gelang de
wijzigingen optreden.
3. Ten aanzien van een onderneming
die het schadeverzekeringsbedrijf uitoefent, is het eerste lid
niet van toepassing op kosten en lasten die betrekking hebben op
overeenkomsten van schadeverzekering, voorzover uit de
overeenkomsten verplichtingen voortvloeien ter zake van schaden
aan de gezondheid van natuurlijke personen.
Artikel 3.27. Loon- en
prijswijzigingen na afloop jaar en betaling
1. De in artikel 3.26 bedoelde
kosten en lasten worden in afwijking van dat artikel uiterlijk in
aanmerking genomen in het jaar van betaling. Daarbij wordt een
betaling vóór de aanvang van het kalenderjaar of binnen zes
maanden na afloop van het kalenderjaar gelijkgesteld met een
betaling in het jaar.
2. Het eerste lid is voor
pensioenvoorzieningen – voorzover niet uitgezonderd in het derde
lid – van toepassing indien de betalingen plaatsvinden in de
vorm van krachtens een pensioenregeling verschuldigde premies of
koopsommen aan een pensioenfonds of een verzekeringsmaatschappij.
Daarbij blijft het in de premies of koopsommen begrepen
bestanddeel voor toekomstige wijzigingen in de hoogte van lonen of
prijzen buiten aanmerking voorzover dit bestanddeel uitgaat boven
het bedrag dat nodig is om de opgebouwde pensioenrechten, ter zake
waarvan aan het fonds of de maatschappij geen premies of
koopsommen meer moeten worden betaald, te kunnen aanpassen aan een
wijziging in de hoogte van lonen of prijzen van 4% per jaar.
3. Het eerste lid is voor
pensioenvoorzieningen alleen van toepassing op betalingen die
worden verricht aan een lichaam dat:
a. een verzekeraar is als
bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;
of
b. volgens artikel 5, eerste
lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
is vrijgesteld van die belasting.
4. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld, volgens welke, zo nodig onder te
stellen voorwaarden, kan worden afgeweken van het tweede en het
derde lid.
Artikel 3.28. Loon- en
prijswijzigingen na afloop jaar en rekenrente pensioenvoorzieningen
Voor de toepassing van de artikelen
3.26 en 3.27 wordt een verband met wijzigingen in de hoogte van
lonen of prijzen na afloop van het jaar ten aanzien van kosten en
lasten die betrekking hebben op pensioenvoorzieningen, niet aanwezig
geacht, indien die kosten en lasten betrekking hebben op een
pensioengrondslag die is gebaseerd op een loon dat niet uitgaat
boven het loon bij het einde van het jaar, en bij de berekening van
die kosten en lasten in feite een rekenrente in aanmerking is
genomen van ten minste 4%.
Artikel 3.29. Waardering
pensioenverplichtingen en soortgelijke verplichtingen
De waardering van
pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen vindt
plaats met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële
grondslagen, waarbij een rekenrente in aanmerking wordt genomen van
ten minste 4%.
Artikel 3.29a. Waardering van een
belang in een vrijgestelde beleggingsinstelling
1. Een belang in een lichaam dat
ingevolge artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
is vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting, wordt
gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. De eerste
volzin is van overeenkomstige toepassing op een belang in een niet
in Nederland gevestigde beleggingsinstelling, die belegt in
financiële instrumenten als bedoeld in artikel 6a, derde lid, van
de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, die niet is onderworpen
aan een belastingheffing naar de winst en niet verplicht is om
jaarlijks de winst aan de aandeelhouders ter beschikking te
stellen, om voor de vrijstelling van de belastingheffing naar de
winst in aanmerking te komen.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot een belang in een
lichaam indien de bezittingen van dat lichaam in enigszins
belangrijke mate bestaan uit een belang in een lichaam als bedoeld
in het eerste lid.
Artikel 3.29b. Waardering onderhanden
werk en onderhanden opdrachten
1. De waardering van onderhanden
werk wordt gesteld op het gedeelte van de overeengekomen
vergoeding voor het aangenomen werk, dat is toe te rekenen aan dat
onderhanden werk.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot onderhanden
opdrachten.
Artikel 3.29c. Beperking afwaardering
op lagere bedrijfswaarde
Omstandigheden die reeds bekend zijn
ten tijde van het investeren in een bedrijfsmiddel kunnen geen
aanleiding zijn voor een afwaardering naar lagere bedrijfswaarde.
Artikel 3.30. Afschrijving op
bedrijfsmiddelen
1. De afschrijving op goederen die
voor het drijven van een onderneming worden gebruikt
(bedrijfsmiddelen), wordt jaarlijks gesteld op het gedeelte van de
nog niet afgeschreven aanschaffings- of voortbrengingskosten dat
aan het kalenderjaar kan worden toegerekend.
2. Het gedeelte van de nog niet
afgeschreven aanschaffings- of voortbrengingskosten dat aan het
kalenderjaar kan worden toegerekend bedraagt op jaarbasis met
betrekking tot goodwill ten hoogste 10% en met betrekking tot
andere bedrijfsmiddelen ten hoogste 20% van de aanschaffings- of
voortbrengingskosten van het bedrijfsmiddel.
3. De voortbrengingskosten van
immateriële activa kunnen in het kalenderjaar van voortbrenging
ineens worden afgeschreven.
4. De werkelijke aanschaffings- of
voortbrengingskosten van voorwerpen van geringe waarde, waarvan de
aanschaffings- of voortbrengingskosten gewoonlijk tot de lopende
uitgaven van een onderneming worden gerekend, worden in het
kalenderjaar van aanschaffing of voortbrenging ineens
afgeschreven.
Artikel 3.30a. Beperking afschrijving
gebouwen
1. Afschrijving op een gebouw in
een kalenderjaar is slechts mogelijk indien de boekwaarde van het
gebouw hoger is dan de bodemwaarde daarvan en bedraagt ten hoogste
het verschil daartussen.
2. Voor de afschrijving en de
afwaardering tot lagere bedrijfswaarde worden de onderdelen van
een gebouw, de daarbij behorende ondergrond en aanhorigheden als
één bedrijfsmiddel beschouwd. Werktuigen die van een gebouw
kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis
aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als
gebouwde eigendommen zijn aan te merken, worden als een
afzonderlijk bedrijfsmiddel beschouwd.
3. De bodemwaarde van een gebouw
is:
a. voor een gebouw dat bestemd
is om direct of indirect hoofdzakelijk ter beschikking te
worden gesteld aan een ander dan een met de belastingplichtige
verbonden persoon of lichaam (gebouw ter belegging): de
WOZ-waarde van het gebouw;
b. voor een ander gebouw
(gebouw in eigen gebruik): 50% van de WOZ-waarde.
4. De WOZ-waarde van een gebouw is:
a. de volgens hoofdstuk IV van
de Wet waardering onroerende zaken voor het gebouw bij één
of meer beschikkingen vastgestelde waarde voor het
kalenderjaar van de afschrijving;
b. indien een gebouw deel
uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van
de Wet waardering onroerende zaken: het gedeelte van de voor
die onroerende zaak bij beschikking vastgestelde waarde voor
het kalenderjaar van de afschrijving, dat kan worden
toegerekend aan het gebouw;
c. indien onderdeel a of b geen
toepassing vindt vanwege het ontbreken van één of meer
beschikkingen: de waarde van het gebouw voor het kalenderjaar
van de afschrijving bepaald met overeenkomstige toepassing van
het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 18 en
20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Indien de winst wordt bepaald over
een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar, wordt als
waarde genomen de waarde voor het kalenderjaar waarin het boekjaar
eindigt.
5. In geval van mede-eigendom van
een gebouw wordt de WOZ-waarde van het gebouw over de
mede-eigenaren verdeeld naar rato van de mate van mede-eigendom.
6. Indien de eigendom of
economische eigendom van de ondergrond van een gebouw geheel of
gedeeltelijk berust bij een ander dan een met de
belastingplichtige verbonden persoon of lichaam, is dit artikel
onverminderd van toepassing, met dien verstande dat alsdan als
WOZ-waarde wordt genomen de WOZ-waarde van het gebouw verminderd
met het gedeelte daarvan dat kan worden toegerekend aan de
ondergrond respectievelijk dat deel ervan dat berust bij die
ander. Grond die tot de aanhorigheden van een gebouw behoort,
wordt geacht deel uit te maken van de ondergrond van het gebouw.
7. Indien zowel de
belastingplichtige als een met de belastingplichtige verbonden
persoon of lichaam investeringen hebben verricht die als
investeringen in één gebouw zouden kwalificeren indien zij een
en dezelfde persoon zouden zijn, wordt de afschrijving en
afwaardering tot lagere bedrijfswaarde met betrekking tot die
investeringen bepaald als waren zij één en dezelfde persoon. De
aldus met toepassing van het eerste lid bepaalde afschrijving
wordt over hen verdeeld naar rato van, en ten hoogste tot het
bedrag van, de afschrijvingen met betrekking tot die investeringen
die bij hen zonder toepassing van dit artikel zouden hebben
plaatsgevonden.
8. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder een verbonden persoon verstaan:
a. de partner van de
belastingplichtige;
b. de minderjarige kinderen van
de belastingplichtige of van zijn partner.
9. Indien de belastingplichtige
minderjarig is, wordt onder een verbonden persoon mede verstaan:
een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de opgaande lijn
en degene die onder een met die bloed- of aanverwant verbonden
persoon als bedoeld in het achtste lid wordt verstaan.
10. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder een verbonden lichaam verstaan: een
vennootschap waarin de belastingplichtige of een met de
belastingplichtige verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft
als bedoeld in hoofdstuk 4 behoudens indien sprake is van een
aanmerkelijk belang op grond van artikel 4.10 of artikel 4.11.
Artikel 3.31. Willekeurige
afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen
1. De aanschaffings- of
voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen als
bedrijfsmiddelen die in het belang zijn van de bescherming van het
Nederlandse milieu (milieu-bedrijfsmiddelen) kunnen door de
belastingplichtige voor 75 percent willekeurig worden
afgeschreven. Artikel 3.30a, eerste lid, is op deze
milieu-bedrijfsmiddelen niet van toepassing.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen milieu-bedrijfsmiddelen worden aangewezen door Onze
Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met Onze
Minister en na overleg met Onze Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie.
3. Als milieu-bedrijfsmiddelen
kunnen uitsluitend worden aangewezen bedrijfsmiddelen die in
Nederland nog niet gangbaar zijn, niet eerder zijn gebruikt en er
in belangrijke mate toe kunnen bijdragen dat de nadelige gevolgen
voor het Nederlandse milieu van menselijke activiteiten –
daaronder begrepen het verbruik van grondstoffen – in de vorm
van verontreiniging, aantasting of uitputting worden voorkomen,
beperkt of ongedaan gemaakt.
4. Op milieu-bedrijfsmiddelen die
bestemd zijn om te worden gebruikt buiten Nederland, kan alleen
willekeurig worden afgeschreven indien op een door de
belastingplichtige gedaan schriftelijk verzoek door Onze Minister
in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu
is verklaard dat het gebruik van de bedrijfsmiddelen in
belangrijke mate kan bijdragen aan de bescherming van het
Nederlandse milieu. Het verzoek wordt gedaan binnen een door Onze
Minister te stellen termijn.
Artikel 3.32 [Vervallen per
01-01-2005]
Artikel 3.33 [Vervallen per
01-07-2007]
Artikel 3.34. Willekeurige
afschrijving andere aangewezen bedrijfsmiddelen
1. De aanschaffings- of
voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die door Onze Minister
in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie bij ministeriële regeling zijn aangewezen
(andere aangewezen bedrijfsmiddelen) kunnen door de
belastingplichtige willekeurig worden afgeschreven.
2. Als andere aangewezen
bedrijfsmiddelen kunnen uitsluitend worden aangewezen
bedrijfsmiddelen die in het belang zijn van de bevordering van de
economische ontwikkeling of de economische structuur, daaronder
begrepen de bevordering van het ondernemerschap.
3. In de in het eerste lid bedoelde
ministeriële regeling kan worden bepaald dat de willekeurige
afschrijving wordt beperkt tot aangewezen gebieden of tot
aangewezen groepen van belastingplichtigen. Daarbij kunnen nadere
voorwaarden worden gesteld.
Artikel 3.34a. Grondslag willekeurige
afschrijving bij afboeking herinvesteringsreserve
Voor de willekeurige afschrijving
blijft een vermindering van de aanschaffings- of
voortbrengingskosten ingevolge een herinvesteringsreserve als
bedoeld in artikel 3.54 buiten aanmerking. Daarbij wordt het bedrag
van die vermindering geacht willekeurig te zijn afgeschreven.
Artikel 3.35. Aanvang willekeurige
afschrijving
Willekeurige afschrijving is mogelijk
zodra ter zake van de verwerving of verbetering van het
bedrijfsmiddel verplichtingen zijn aangegaan of ter zake van het
bedrijfsmiddel voortbrengingskosten zijn gemaakt. Het bedrag van de
willekeurige afschrijving kan voor de ingebruikneming van het
bedrijfsmiddel niet groter zijn dan het bedrag dat ter zake van de
verplichtingen is betaald, of aan voortbrengingskosten is gemaakt.
Artikel 3.36. Administratieve
verplichtingen willekeurige afschrijving
1. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat willekeurige afschrijving alleen mogelijk is
indien de aangegane verplichtingen of de in het jaar gemaakte
voortbrengingskosten zijn aangemeld bij Onze Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste
lid, en wel
a. indien het
milieu-bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze
Minister van Infrastructuur en Milieu;
b. indien het andere aangewezen
bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister
van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
Artikel 3.37. Mogelijkheid verplichte
verklaring bij willekeurige afschrijving
1. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat de willekeurige afschrijving op andere
aangewezen bedrijfsmiddelen alleen van toepassing is indien op een
door of namens de belastingplichtige gedaan verzoek door Onze
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie is verklaard
dat sprake is van een aangewezen bedrijfsmiddel. Bij die regeling
kunnen tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
verklaring.
2. Tegen de in het eerste lid
bedoelde verklaring staat beroep open bij het College van Beroep
voor het bedrijfsleven. Tegen een uitspraak van het College van
Beroep voor het bedrijfsleven kunnen de belanghebbende en Onze
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie beroep in
cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing
van het eerste lid met betrekking tot het begrip bedrijfsmiddelen.
Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in
cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in
belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College
van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een
gerechtshof.
Artikel 3.38. Terugnemen willekeurige
afschrijving
Indien op een bedrijfsmiddel
willekeurig is afgeschreven en op enig tijdstip binnen een bij
ministeriële regeling te bepalen periode niet langer wordt voldaan
aan de bij of krachtens de artikelen 3.31 en 3.34 gestelde
voorwaarden met betrekking tot dat bedrijfsmiddel, wordt op dat
tijdstip de boekwaarde van het bedrijfsmiddel gesteld op de
boekwaarde die zou zijn bereikt indien geen willekeurige
afschrijving zou hebben plaatsgevonden.
Artikel 3.39. Toepasselijk regime
afschrijvingen
Willekeurige afschrijving op
bedrijfsmiddelen vindt plaats volgens de regels voor het tijdvak
waarin voor de verwerving of de verbetering van het bedrijfsmiddel
verplichtingen zijn aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt.
Artikel 3.40. Investeringsaftrek
Indien wordt geïnvesteerd in
bedrijfsmiddelen kan door de belastingplichtigenaast de
afschrijvingen een deel van het investeringsbedrag aanvullend ten
laste van de winst worden gebracht (investeringsaftrek).
Investeringsaftrek kan de vorm hebben van
kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, van energie-investeringsaftrek
en van milieu-investeringsaftrek.
Artikel 3.41.
Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek
1. Indien in een kalenderjaar wordt
geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen, en de belastingplichtige
daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een op de voet van het
tweede lid berekende kleinschaligheidsinvesteringsaftrek ten laste
gebracht van de winst over dat jaar.
2. Bij een investeringsbedrag in
een kalenderjaar van:
|
meer dan |
maar niet meer
dan |
bedraagt de
kleinschaligheids-
investeringsaftrek |
|
– |
€ 2 300 |
0 |
|
€ 2 300 |
€ 55 248 |
28% van het investeringsbedrag |
|
€ 55 248 |
€ 102 311 |
€ 15 470 |
|
€ 102 311 |
€ 306 931 |
€ 15 470 verminderd met 7,56%
van het gedeelte van het investeringsbedrag
dat de € 102 311 te boven gaat
|
|
€ 306 931 |
– |
0 |
3. Indien de onderneming van de
belastingplichtige deel uitmaakt van een samenwerkingsverband
met een of meer andere belastingplichtigen die daarbij winst uit
onderneming genieten of belastingplichtigen voor de
vennootschapsbelasting, worden voor de toepassing van het tweede
lid hun investeringen voor het samenwerkingsverband samengeteld.
Artikel 3.42.
Energie-investeringsaftrek
1. Indien in een kalenderjaar in
een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft,
wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met
betrekking waartoe op een door de ondernemer gedaan verzoek door
Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie is
verklaard dat sprake is van energie-investeringen, en de
ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het derde
lid aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen
ten laste gebracht van de winst over dat jaar
(energie-investeringsaftrek).
2. Energie-investeringen zijn
investeringen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en na
overleg met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu bij
ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in
het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie.
3. Bij een bedrag aan
energie-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2300
bedraagt de energie-investeringsaftrek 41,5 percent.
4. Als bedrag aan
energie-investeringen wordt ten hoogste in aanmerking genomen:
a. indien de onderneming die de
ondernemer voor eigen rekening drijft geen deel uitmaakt van
een samenwerkingsverband met een of meer andere ondernemers
die daarbij voor eigen rekening een onderneming drijven of
belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting: € 118
000 000;
b. indien de onderneming die de
ondernemer voor eigen rekening drijft wel deel uitmaakt van
een zodanig samenwerkingsverband: € 118 000 000
vermenigvuldigd met het bedrag aan energie-investeringen van
de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijke bedrag aan
energie-investeringen van de ondernemer en de bedoelde andere
deelnemers aan het samenwerkingsverband.
5. Onder de aanschaffings- of
voortbrengingskosten ter zake van een energie-investering als
bedoeld in het eerste lid, worden, indien de ondernemer daarvoor
bij de aangifte kiest, tevens begrepen de kosten van een advies
ter zake van energiebesparende maatregelen in gebouwen of bij
processen dat op die investering of mede op die investering
betrekking heeft en voldoet aan bij ministeriële regeling te
stellen eisen.
6. De energie-investeringsaftrek is
van toepassing indien de energie-investering is aangemeld bij Onze
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
7. Bij ministeriële regeling
kunnen:
a. in overeenstemming met Onze
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie regels
worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid
bedoelde verklaring en
b. regels worden gesteld met
betrekking tot het zesde lid.
8. Tegen de in het eerste lid
bedoelde verklaring staat beroep open bij het College van Beroep
voor het bedrijfsleven. Tegen een uitspraak van het College van
Beroep voor het bedrijfsleven kunnen de belanghebbende en Onze
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie beroep in
cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing
van de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen. Op dit beroep
zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen
uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken
van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep
voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof.
Artikel 3.42a.
Milieu-investeringsaftrek
1. Indien in een kalenderjaar in
een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft,
wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen die
zijn aangewezen als milieu-investeringen, en de ondernemer
daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het derde lid
aangewezen percentage van het bedrag aan milieu-investeringen in
de onderscheiden categorieën ten laste gebracht van de winst over
dat jaar (milieu-investeringsaftrek).
2. Milieu-investeringen zijn
investeringen, behorend tot categorie I, II respectievelijk III,
die door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in
overeenstemming met Onze Minister en na overleg met Onze Minister
van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie bij ministeriële
regeling zijn aangewezen in het belang van de bescherming van het
Nederlandse milieu.
3. Bij een bedrag aan
milieu-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2300
bedraagt de milieu-investeringsaftrek voor milieu-investeringen
die behoren tot categorie I 36 percent, voor milieu-investeringen
die behoren tot categorie II 27 percent en voor
milieu-investeringen die behoren tot categorie III 13,5 percent.
4. Onder de aanschaffings- of
voortbrengingskosten ter zake van een milieu-investering als
bedoeld in het eerste lid, worden, indien de ondernemer daarvoor
bij de aangifte kiest, tevens begrepen de kosten van een advies
ter zake van:
a. vermindering van emissies,
veroorzaakt door bestaande en toekomstige activiteiten in een
door de onderneming beheerd, bestaand object;
b. het ontwikkelen en aanpassen
van processen en producten die leiden tot een vermindering van
de belasting van het milieu;
mits dat advies op de aangewezen
investering of mede op de aangewezen investering betrekking heeft
en voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen.
5. Het vierde lid is slechts van
toepassing indien het advies betrekking heeft op een kleine of
middelgrote onderneming als bedoeld in bijlage I van Verordening
EG nr. 70/2001.
6. Voorzover met betrekking tot een
investering bij de aangifte wordt gekozen voor
energie-investeringsaftrek, blijft toepassing van de
milieu-investeringsaftrek achterwege.
7. De milieu-investeringsaftrek is
slechts van toepassing indien de aangegane verplichtingen of de in
het jaar gemaakte voortbrengingskosten zijn aangemeld bij Onze
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
8. Bij ministeriële regeling
kunnen in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en
Milieu nadere regels worden gesteld met betrekking tot het zevende
lid.
Artikel 3.42b [Vervallen per
01-07-2007]
Artikel 3.43. Begrip investeren
1. Onder investeren wordt verstaan
het aangaan van verplichtingen ter zake van de aanschaffing of de
verbetering van een bedrijfsmiddel, alsmede het maken van
voortbrengingskosten ter zake van een bedrijfsmiddel, voorzover
die verplichtingen en kosten op de belastingplichtige drukken.
2. Onze Minister kan bepalen dat
met investeren tot door hem vast te stellen bedragen wordt
gelijkgesteld het wijzigen van de bestemming van een
bedrijfsmiddel als bedoeld in artikel 3.45, eerste lid, onderdeel
b, onder 2°, zodanig dat het bedrijfsmiddel voortaan
hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het in Nederland drijven van een
onderneming of gedeelte van een onderneming.
Artikel 3.44. Investeringsaftrek bij
nog niet in gebruik genomen bedrijfsmiddelen
1. Indien bij het einde van het
kalenderjaar het bedrijfsmiddel nog niet in gebruik is genomen en
de investeringsaftrek zou uitgaan boven wat bij het einde van dat
kalenderjaar ter zake van de investering is betaald, wordt in
afwijking in zoverre van de artikelen 3.41, 3.42 en 3.42a een
bedrag gelijk aan de betaling in aanmerking genomen en wordt het
meerdere in aanmerking genomen in de volgende kalenderjaren en wel
voorzover betalingen plaatsvinden, maar niet later dan in het
kalenderjaar waarin het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen.
2. Bij het staken van de
onderneming en bij de eindafrekening als bedoeld in artikel 3.61
wordt de investeringsaftrek voor het geheel in aanmerking genomen
in het jaar van staking, respectievelijk eindafrekening.
Artikel 3.45. Uitgesloten
bedrijfsmiddelen voor investeringsaftrek
1. Voor de investeringsaftrek
behoren niet tot de bedrijfsmiddelen:
a. bedrijfsmiddelen waarvan het
investeringsbedrag minder bedraagt dan € 450;
b. bedrijfsmiddelen die zijn
bestemd om – direct of indirect – hoofdzakelijk te worden
gebruikt:
1°. voor de uitoefening
van het bosbedrijf als bedoeld in artikel 3.11, eerste
lid, tenzij de voordelen daaruit volgens artikel 3.11,
tweede lid, tot de winst behoren;
2°. voor het drijven van
een onderneming, of een gedeelte van een onderneming, op
de winst waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele
belasting van toepassing is;
c. gronden, met inbegrip van de
ondergrond van gebouwen, met uitzondering van verbetering van
grond indien de verbeteringskosten plegen te worden
afgeschreven;
d. woonhuizen en woonschepen,
met inbegrip van de gedeelten van andere zaken die dienen voor
bewoning;
e. personenauto's als bedoeld
in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en
motorrijwielen 1992, die niet zijn bestemd voor het
beroepsvervoer over de weg;
f. vaartuigen als bedoeld in
artikel 3.14, eerste lid, onderdeel b;
g. effecten, vorderingen,
goodwill alsmede vergunningen, ontheffingen, concessies en
andere dispensaties van publiekrechtelijke aard en
h. dieren.
2. Voor de
kleinschaligheidsinvesteringsaftrek:
a. behoren tot de
bedrijfsmiddelen mede niet bedrijfsmiddelen die zijn bestemd
om– direct of indirect – hoofdzakelijk ter beschikking te
worden gesteld aan derden, en
b. is het eerste lid, onderdeel
e, niet van toepassing met betrekking tot auto’s die voldoen
aan de eisen omtrent CO2-uitstoot, bedoeld inartikel 3.20,
tweede lid, onderdeel a, onderscheidenlijk derde lid,
onderdeel a, of tweede volzin.
3. Voor de
milieu-investeringsaftrek is het eerste lid, onderdeel e, niet van
toepassing.
4. Voor de
energie-investeringsaftrek en de milieu-investeringsaftrek behoren
tot de bedrijfsmiddelen mede niet bedrijfsmiddelen die zijn
bestemd om – direct of indirect – hoofdzakelijk ter
beschikking te worden gesteld aan:
a. niet in Nederland wonende
natuurlijke personen of gevestigde lichamen of
b. natuurlijke personen of
lichamen voor het drijven van een onderneming of een gedeelte
van een onderneming, op de winst waarvan een regeling ter
voorkoming van dubbele belasting van toepassing is.
5. Onze Minister kan bepalen dat
het eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en het vierde lid niet van
toepassing zijn.
Artikel 3.46. Uitgesloten
verplichtingen voor investeringsaftrek
1. Voor de investeringsaftrek
worden niet in aanmerking genomen verplichtingen aangegaan tussen:
a. de belastingplichtige en
personen die tot zijn huishouden behoren;
b. bloed- of aanverwanten in de
rechte lijn of personen die behoren tot hun huishouden;
c. gerechtigden tot een
nalatenschap waartoe het bedrijfsmiddel behoort of
d. degene die voor ten minste
een derde gedeelte belang heeft in een lichaam en dat lichaam.
2. Onze Minister kan bepalen dat
het eerste lid niet van toepassing is.
Artikel 3.47.
Desinvesteringsbijtelling
1. Indien in een kalenderjaar tegen
overdrachtsprijzen voor een bedrag van meer dan € 2300 aan
goederen wordt vervreemd, wordt van de overdrachtsprijzen een
gelijk percentage als ter zake van de investering in die goederen
als investeringsaftrek in aanmerking is genomen, ten bate van de
winst over dat jaar gebracht (desinvesteringsbijtelling).
2. Desinvesteringsbijtelling heeft
alleen plaats voorzover de vervreemding plaatsvindt binnen vijf
jaar na het begin van het kalenderjaar waarin de investering heeft
plaatsgevonden en wordt over geen hoger bedrag berekend dan het
investeringsbedrag voorzover daarover investeringsaftrek in
aanmerking is genomen.
3. Met vervreemding wordt
gelijkgesteld:
a. het onttrekken van een goed
aan de onderneming;
b. het wijzigen van de
bestemming van een goed zodanig dat dit gaat voldoen aan de
omschrijving van artikel 3.45, tweede lid, onderdeel a, en
vierde lid, en
c. het wijzigen van de
bestemming van een goed zodanig dat dit gaat voldoen aan de
omschrijving van artikel 3.45, eerste lid, onderdeel b, onder
2°.
4. Voor de toepassing van het derde
lid geldt de waarde in het economische verkeer van het goed als
overdrachtsprijs.
5. Indien een investering ongedaan
wordt gemaakt, of voor een investering een vermindering, teruggaaf
of vergoeding wordt genoten, geldt dat als vervreemding van een
goed en geldt het bedrag van die investering, vermindering,
teruggaaf of vergoeding als overdrachtsprijs.
6. Onder ongedaan maken van een
investering wordt mede verstaan:
a. het niet betaald zijn binnen
twaalf maanden na het aangaan van de verplichting van ten
minste 25% van het investeringsbedrag ter zake van die
verplichting, tenzij het bedrijfsmiddel binnen die periode in
gebruik is genomen en
b. het niet in gebruik genomen
zijn van een bedrijfsmiddel binnen drie jaar na het begin van
het kalenderjaar waarin de investering is gedaan.
7. Onze Minister kan bepalen dat
het derde lid, onderdeel c, of het zesde lid niet van toepassing
is.
Artikel 3.47a [Vervallen per
01-07-2007]
Artikel 3.48 [Vervallen per
01-01-2004]
Artikel 3.49 [Vervallen per
01-01-2004]
Artikel 3.50 [Vervallen per
01-01-2004]
Artikel 3.51. Toepasselijk regime
investeringsaftrek
De investeringsaftrek en de
desinvesteringsbijtelling vinden plaats volgens de regels voor het
tijdvak waarin de investering heeft plaatsgevonden.
Artikel 3.52. Wijziging willekeurige
afschrijving en investeringsaftrek
1. Bij ministeriële regeling:
a. kan de willekeurige
afschrijving in het algemeen of voor bepaalde aangewezen
bedrijfsmiddelen of bepaalde groepen van aangewezen
bedrijfsmiddelen buiten toepassing worden gesteld, of per
kalenderjaar worden beperkt, en wel:
1°. indien het
milieu-bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze
Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
2°. indien het andere
aangewezen bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
b. kunnen de in artikel 3.41,
tweede lid, derde kolom, vermelde percentages en bedragen voor
de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek en de in artikel 3.42,
derde lid, en artikel 3.42a, derde lid, vermelde percentages
voor de energie-investeringsaftrek, onderscheidenlijk
milieu-investeringsaftrek worden vervangen door andere.
2. Een regeling als bedoeld in het
eerste lid mag slechts strekken tot het bereiken van zoveel
mogelijk evenwicht tussen het gebruik van de regeling inzake de
willekeurige afschrijving, respectievelijk de investeringsaftrek
en de daarvoor uitgetrokken bedragen.
Artikel 3.52a. Aanvullende aftrek
speur- en ontwikkelingswerk
1. Bij het bepalen van de winst
komt aanvullend in aftrek een bedrag wegens kosten of uitgaven die
direct toerekenbaar zijn aan door de belastingplichtige verricht
speur- en ontwikkelingswerk, met uitzondering van loonkosten,
zoals vastgesteld in een door Onze Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie ten name van de belastingplichtige afgegeven
beschikking (RDA-beschikking). Het bedrag van de RDA-beschikking
komt ten laste van de winst op de dag van de dagtekening van die
beschikking.
2. Bij het bepalen van de winst
wordt ten bate van de winst gebracht een bedrag wegens een
correctie van een eerder ten name van de belastingplichtige
afgegeven RDA-beschikking en wel tot het bedrag zoals vastgesteld
in een door Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie ten name van de belastingplichtige afgegeven beschikking
(correctie-RDA-beschikking). Het bedrag van de
correctie-RDA-beschikking komt ten bate van de winst op de dag van
de dagtekening van die beschikking.
3. Op voordracht van Onze Minister
van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie worden bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met
betrekking tot het aanvragen en het afgeven van een
RDA-beschikking, de bepaling van de grondslag en het daarop toe te
passen percentage ter berekening van het bedrag van een
RDA-beschikking, de feiten die aanleiding zijn voor een
correctie-RDA-beschikking en het berekenen van het bedrag van een
correctie-RDA-beschikking alsmede met betrekking tot de door de
belastingplichtige bij te houden administratie ten behoeve van de
vaststelling van een RDA-beschikking.
4. Teneinde zoveel mogelijk
evenwicht te bereiken tussen de belastingderving ten gevolge van
winstverminderingen ingevolge het eerste lid en het hiervoor in de
rijksbegroting opgenomen bedrag, kan bij ministeriële regeling
van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie na
overleg met Onze Minister ter zake van kosten of uitgaven met
ingang van 1 januari van enig jaar worden bepaald dat het
percentage voor de berekening van het bedrag van de
RDA-beschikking wordt gewijzigd.
5. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder speur- en ontwikkelingswerk verstaan hetgeen
daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onderdeel n,
met inbegrip van de beperking als bedoeld in het vierde lid, van
de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen, waarvoor aan de belastingplichtige een S&O-verklaring
is verstrekt als bedoeld in artikel 23 of artikel 27 van die wet.
6. De Algemene wet inzake
rijksbelastingen, met uitzondering van de artikelen 63 en 67, is
niet van toepassing met betrekking tot de uitvoering van het
krachtens het derde lid bepaalde. Voor de toepassing van de
artikelen 63 en 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
betreffende de uitvoering van dit artikel door Onze Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie of de door hem aangewezen
ambtenaren, treedt Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw
en Innovatie in de plaats van Onze Minister. Tegen een besluit
genomen door Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie kan de belanghebbende beroep instellen bij het College
van Beroep voor het bedrijfsleven.
7. Artikel 28 van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen is van overeenkomstige toepassing bij de
uitvoering van het krachtens dit artikel bepaalde.
8. In bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen gevallen kunnen belanghebbenden worden
gehouden eigener beweging mededeling te doen aan Onze Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van onjuistheden of
onvolledigheden in de voor de RDA-beschikking van belang zijnde
gegevens en inlichtingen die hun bekend zijn geworden. Daarbij
kunnen ook regels worden gesteld met betrekking tot het uiterste
tijdstip en de wijze waarop een mededeling als bedoeld in de
eerste volzin gedaan moet worden. Het niet nakomen van de
verplichting kan in bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen gevallen worden aangemerkt als een overtreding.
9. Het verstrekken van gegevens of
bescheiden die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat het
aannemelijk is dat op de aanvraag van een RDA-beschikking een
andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling
daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend zouden zijn
geweest, kan in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
gevallen worden aangemerkt als een overtreding.
10. Voert een belanghebbende de
administratie ten behoeve van de vaststelling van de
RDA-beschikking niet overeenkomstig de krachtens het derde lid
gestelde eisen, dan kan dit in bij algemene maatregel van bestuur
aan te wijzen gevallen worden aangemerkt als een overtreding.
11. In het geval van een
overtreding als bedoeld in het achtste, negende of tiende lid, kan
Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aan de
belanghebbende een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste€
100 000 of, indien dit meer is, tweemaal het bedrag dat voor de
desbetreffende periode in de RDA-beschikking is opgenomen.
Artikel 3.53. Fiscale reserves
1. Bij het bepalen van de in een
kalenderjaar genoten winst kan worden gereserveerd:
a. tot gelijkmatige verdeling
van kosten en lasten (egalisatiereserve);
b. tot herinvestering in
bedrijfsmiddelen volgens artikel 3.54 (herinvesteringsreserve)
en
c. voor de oude dag volgens
paragraaf 3.2.3 (oudedagsreserve).
2. Met betrekking tot een in het
eerste lid, onderdeel a, bedoelde reserve is artikel 3.26, eerste
en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.54. Herinvesteringsreserve
1. Indien bij vervreemding van een
bedrijfsmiddel de opbrengst de boekwaarde van het bedrijfsmiddel
overtreft, kan bij het bepalen van de in het kalenderjaar genoten
winst het verschil gereserveerd worden en blijven tot vermindering
van de in aanmerking te nemen aanschaffings- of
voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die in het jaar van
vervreemding of in de daarop volgende drie jaren worden
aangeschaft of voortgebracht, indien en zolang het voornemen tot
herinvestering van de opbrengst bestaat (herinvesteringsreserve).
2. Afboeking van de
herinvesteringsreserve op de aanschaffings- of
voortbrengingskosten van het bedrijfsmiddel of de bedrijfsmiddelen
waarin wordt geherinvesteerd, vindt plaats voorzover het
gezamenlijke bedrag van de boekwaarden van die bedrijfsmiddelen
door die afboeking niet daalt beneden het bedrag van de boekwaarde
onmiddellijk voorafgaande aan de vervreemding van het
bedrijfsmiddel ter zake waarvan de herinvesteringsreserve is
gevormd.
3. Afboeking van een
herinvesteringsreserve die is ontstaan als gevolg van de
vervreemding van een bedrijfsmiddel waarop niet pleegt te worden
afgeschreven of waarop in meer dan tien jaren pleegt te worden
afgeschreven, behoeft slechts plaats te vinden op de aanschaffings-
of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen met eenzelfde
economische functie als de vervreemde bedrijfsmiddelen.
4. Met betrekking tot
bedrijfsmiddelen waarop niet pleegt te worden afgeschreven en
bedrijfsmiddelen waarop in meer dan tien jaren pleegt te worden
afgeschreven, vindt afboeking van een herinvesteringsreserve
slechts plaats voorzover de herinvesteringsreserve is gevormd ter
zake van de vervreemding van bedrijfsmiddelen met eenzelfde
economische functie in de onderneming als de aangeschafte of
voortgebrachte bedrijfsmiddelen.
5. Een herinvesteringsreserve wordt
uiterlijk in het derde jaar na het jaar waarin de reserve is
ontstaan, in de winst opgenomen, behalve voorzover:
a. in verband met de aard van
de aan te schaffen of voort te brengen bedrijfsmiddelen een
langer tijdvak is vereist of
b. de aanschaffing of
voortbrenging, mits daaraan een begin van uitvoering is
gegeven, door bijzondere omstandigheden is vertraagd.
6. Voor de toepassing van dit
artikel wordt met vervreemding gelijkgesteld verlies of
beschadiging van een bedrijfsmiddel. De vergoeding wegens verlies
of beschadiging wordt daarbij aangemerkt als opbrengst.
7. Voor de toepassing van dit
artikel behoren niet tot de bedrijfsmiddelen:
a. vermogensrechten die ter
belegging worden gehouden, en
b. voorwerpen van geringe
waarde als bedoeld in artikel 3.30, vierde lid.
8. Indien op het vervreemde
bedrijfsmiddel willekeurig is afgeschreven, wordt voor de
toepassing van het eerste lid als boekwaarde van dat
bedrijfsmiddel in aanmerking genomen, de boekwaarde die zonder
willekeurige afschrijving zou hebben gegolden.
9. Met betrekking tot
bedrijfsmiddelen waarop in meer dan tien jaar pleegt te worden
afgeschreven, is de beperking van het vierde lid niet van
toepassing voorzover de herinvesteringsreserve is gevormd ter zake
van de vervreemding van bedrijfsmiddelen die een gevolg is van
overheidsingrijpen.
10. Met betrekking tot
bedrijfsmiddelen waarop niet pleegt te worden afgeschreven, is de
beperking van het vierde lid niet van toepassing voorzover de
herinvesteringsreserve is gevormd ter zake van de vervreemding van
zodanige bedrijfsmiddelen die een gevolg is van
overheidsingrijpen.
11. Met betrekking tot
bedrijfsmiddelen waarop niet pleegt te worden afgeschreven en
bedrijfsmiddelen waarop in meer dan tien jaren pleegt te worden
afgeschreven, zijn de vorige leden van overeenkomstige toepassing
indien aan het voornemen tot herinvestering in een dergelijk
bedrijfsmiddel reeds vóór de vervreemding gevolg is gegeven.
12. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder overheidsingrijpen verstaan:
a. onteigening, daaronder
begrepen minnelijke onteigening en verkoop ter voorkoming van
onteigening;
b. een besluit, daaronder
begrepen een regeling, op het gebied van ruimtelijke ordening,
natuur of milieu van een publiekrechtelijke rechtspersoon dat
de mogelijkheden om de onderneming of een gedeelte daarvan op
de huidige locatie in de huidige vorm voort te zetten of uit
te breiden in belangrijke mate beperkt;
c. bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen communautaire of nationale regelgeving die
leidt tot herstructurering van een bedrijfstak.
13. Indien een besluit of regeling
als bedoeld in het twaalfde lid, onderdeel b, de mogelijkheden om
de onderneming of een gedeelte daarvan op de huidige locatie in de
huidige vorm voort te zetten of uit te breiden in belangrijke mate
beperkt, wordt voor de toepassing van het negende en tiende lid
een vervreemding van bedrijfsmiddelen van de onderneming
respectievelijk het gedeelte daarvan die plaatsvindt binnen drie
jaar nadat een dergelijk besluit of een dergelijke regeling in
werking is getreden, geacht een gevolg te zijn van
overheidsingrijpen, met dien verstande dat een latere vervreemding
ook nog geacht wordt een gevolg te zijn van overheidsingrijpen
indien deze vervreemding door bijzondere omstandigheden is
vertraagd en daaraan binnen de hiervoor bedoelde periode van drie
jaar reeds een begin van uitvoering is gegeven.
Artikel 3.54a. Terugkeerreserve
1. Indien de belastingplichtige de
onderneming van een vennootschap waarvan hij aandelen of
winstbewijzen houdt, in het kader van de ontbinding van die
vennootschap met toepassing van artikel 14c van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969, voortzet of mede voortzet, wordt op
het tijdstip van de voortzetting op de balans van de onderneming
een reserve gevormd (positieve of negatieve terugkeerreserve).
2. De terugkeerreserve wordt
gesteld op de helft van het vervreemdingsvoordeel dat op grond van
artikel 4.24a of artikel 4.42a voor de heffing buiten aanmerking
blijft, na het vervreemdingsvoordeel eerst te hebben verminderd
met het bedrag bedoeld in het derde lid. Indien deze vermindering
leidt tot een positief bedrag, ontstaat er een positieve
terugkeerreserve welke ten laste van het vermogen van de
voortgezette onderneming komt. Wanneer deze vermindering leidt tot
een negatief bedrag, ontstaat er een negatieve terugkeerreserve
ter grootte van de helft van het negatieve bedrag; een negatieve
terugkeerreserve komt in mindering op de winst bij staking van de
onderneming. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt het in
die volzin bedoelde vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen
zonder rekening te houden met de toepassing van artikel 4.24a.
3. Het bedrag waarmee het
vervreemdingsvoordeel wordt verminderd wordt gesteld op 80% van de
winst die volgens artikel 14c, eerste lid in verbinding met het
tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voor de
heffing van de vennootschapsbelasting buiten aanmerking blijft,
voorzover deze winst is toe te rekenen aan het aandeel van de
belastingplichtige in de vennootschap. Voor de toepassing van de
vorige volzin blijft buiten aanmerking het deel van de winst
waarop een vermindering ter voorkoming van internationale dubbele
belasting van toepassing zou zijn ingeval artikel 14c van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969 niet zou zijn toegepast.
4. Een positieve terugkeerreserve
wordt uiterlijk bij staking van de onderneming in de winst
opgenomen. Bij staking van een gedeelte van de voortgezette
onderneming wordt een evenredig gedeelte van de positieve
terugkeerreserve in de winst opgenomen.
5. De omvang van de
terugkeerreserve wordt door de inspecteur vastgesteld bij voor
bezwaar vatbare beschikking. De in de eerste volzin bedoelde
beschikking kan mede betrekking hebben op voorwaarden als bedoeld
in artikel 4.42a, tweede lid.
6. Indien enig feit grond oplevert
voor het vermoeden dat de omvang van de terugkeerreserve op een
onjuist bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de beschikking
herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking.
7. Een feit dat de inspecteur
bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen
grond voor herziening opleveren, behoudens in de gevallen waarin
de belastingplichtige terzake van dit feit te kwader trouw is.
Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.
8. De bevoegdheid tot herziening
vervalt door verloop van vijf jaren na de datum van vaststelling
van de beschikking.
Artikel 3.55. Aandelenfusie
1. De belastingplichtige hoeft bij
het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst het voordeel
uit de vervreemding van aandelen of winstbewijzen in het kader van
een aandelenfusie niet in aanmerking te nemen. De eerste volzin is
niet van toepassing op een in het kader van een aandelenfusie
genoten bijbetaling.
2. Een aandelenfusie wordt aanwezig
geacht indien:
a. een in Nederland gevestigde
vennootschap tegen uitreiking van eigen aandelen of
winstbewijzen, eventueel met bijbetaling, een zodanig bezit
aan aandelen in een andere in Nederland gevestigde
vennootschap verwerft dat zij meer dan de helft van de
stemrechten in de laatstgenoemde vennootschap kan uitoefenen;
b. een in een lidstaat van de
Europese Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte gevestigde vennootschap tegen
uitreiking van eigen aandelen of winstbewijzen, eventueel met
een bijbetaling, een zodanig bezit aan aandelen in een andere
in een lidstaat van de Europese Unie of een bij ministeriële
regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde
vennootschap verwerft dat zij meer dan de helft van de
stemrechten in de laatstgenoemde vennootschap kan uitoefenen
of
c. een in Nederland gevestigde
vennootschap tegen uitreiking van eigen aandelen of
winstbewijzen, eventueel met een bijbetaling, een zodanig
bezit aan aandelen in een buiten een lidstaat van de Europese
Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte gevestigde vennootschap verwerft dat zij
alle of nagenoeg alle stemrechten in de laatstgenoemde
vennootschap kan uitoefenen.
3. Een aandelenfusie wordt eveneens
aanwezig geacht indien een in het tweede lid bedoelde vennootschap
voor de uitreiking van de eigen aandelen of winstbewijzen reeds
meer dan de helft, respectievelijk nagenoeg alle stemrechten in de
aldaar bedoelde andere vennootschap kon uitoefenen en door de
uitreiking van de eigen aandelen of winstbewijzen een groter
aantal stemrechten in die andere vennootschap kan uitoefenen.
4. Een aandelenfusie wordt, in
afwijking in zoverre van het tweede en het derde lid, niet
aanwezig geacht indien:
a. een bijbetaling een tiende
gedeelte van de nominale waarde van de uitgereikte aandelen te
boven gaat of
b. de fusie in overwegende mate
is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.
De fusie wordt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt
gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het
ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien de fusie
niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals
herstructurering of rationalisering van de actieve
werkzaamheden van de bij de fusie betrokken rechtspersonen.
5. Een in een lidstaat van de
Europese Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte gevestigde vennootschap is een vennootschap
die:
1°. een van de rechtsvormen
heeft die zijn opgenomen in de bijlage I, deel A, van
Richtlijn nr. 2009/133/EG van de Raad van de Europese Unie van
19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijke fiscale
regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen,
inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot
vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de
verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van
een lidstaat naar een andere lidstaat (PbEU L 310) of een
rechtsvorm heeft die vergelijkbaar is met een van de
rechtsvormen die voor Nederland zijn opgenomen in deze
bijlage;
2°. niet wordt geacht volgens
een door de staat van vestiging met een derde staat gesloten
verdrag ter voorkoming van dubbele belasting te zijn gevestigd
buiten de Europese Unie en de bij ministeriële regeling
aangewezen staten die partij zijn bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte, en
3°. zonder keuzemogelijkheid
en zonder ervan te zijn vrijgesteld, in de staat van vestiging
is onderworpen aan de aldaar geheven belasting naar de winst,
bedoeld in bijlage I, deel B, van de onder 1° genoemde
richtlijn of aan een andere aldaar geheven belasting naar de
winst.
6. De belastingplichtige stelt,
indien het voordeel volgens het eerste lid buiten aanmerking
blijft, de in het kader van de aandelenfusie verworven aandelen of
winstbewijzen op het tijdstip van de fusie te boek voor dezelfde
waarde als waarvoor de in het kader van die fusie vervreemde
aandelen of winstbewijzen onmiddellijk voor het fusietijdstip te
boek waren gesteld.
7. De belastingplichtige die
zekerheid wenst omtrent de vraag of er sprake is van een
aandelenfusie, kan vóór de vervreemding van de aandelen of
winstbewijzen een verzoek indienen bij de hierna aangeduide
inspecteur. Indien de vennootschap die de aandelen of
winstbewijzen verwerft in Nederland is gevestigd, doet de
belastingplichtige het verzoek bij de inspecteur belast met de
aanslagregeling voor de vennootschapsbelasting van die
vennootschap; in andere gevallen bij de inspecteur belast met de
aanslagregeling van de belastingplichtige. De inspecteur beslist
op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 3.56. Juridische splitsing
1. De belastingplichtige die is
betrokken bij een overgang onder algemene titel in het kader van
een splitsing van een rechtspersoon, wordt geacht zijn aandelen in
of zijn schuldvorderingen op de splitsende rechtspersoon ten tijde
van de splitsing te hebben vervreemd.
2. De belastingplichtige hoeft bij
het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst het voordeel
uit de in het eerste lid bedoelde vervreemding niet in aanmerking
te nemen, mits de splitsende en de verkrijgende rechtspersoon in
Nederland zijn gevestigd, of in de zin van artikel 3.55, vijfde
lid, in een lidstaat van de Europese Unie of een bij ministeriële
regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd. De
eerste volzin geldt niet voor een in het kader van de splitsing
genoten bijbetaling.
3. Indien het voordeel volgens het
tweede lid niet in aanmerking wordt genomen, wordt de waarde
waarvoor de aandelen of schuldvorderingen ten tijde van de
splitsing te boek zijn gesteld, voor een evenredig gedeelte
toegerekend aan de aandelen of schuldvorderingen die de
belastingplichtige direct na de splitsing in respectievelijk op de
bij splitsing betrokken rechtspersonen heeft. Voorts treden de
schuldvorderingen die de belastingplichtige direct na de splitsing
op de bij de splitsing betrokken rechtspersonen heeft, in de
plaats van de schuldvorderingen die de belastingplichtige ten
tijde van de splitsing heeft op de splitsende rechtspersoon.
4. Het tweede lid is niet van
toepassing indien de splitsing in overwegende mate is gericht op
het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De splitsing
wordt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in
overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van
belastingheffing indien de splitsing niet plaatsvindt op grond van
zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering
van de actieve werkzaamheden van de bij de splitsing betrokken
rechtspersonen.
5. Voor de toepassing van dit
artikel:
a. wordt onder een evenredig
gedeelte verstaan een gedeelte dat evenredig is aan de
verhouding van de waarde in het economische verkeer ten tijde
van de splitsing van de vermogensbestanddelen die onder
algemene titel overgaan en van het gehele vermogen van de
splitsende rechtspersoon;
b. worden met aandelen
gelijkgesteld winstbewijzen en lidmaatschapsrechten;
c. wordt een recht om aandelen
in, winstbewijzen van of schuldvorderingen op de splitsende
rechtspersoon te verwerven aangemerkt als aandeel, winstbewijs
respectievelijk schuldvordering waarop het recht betrekking
heeft en
d. wordt, indien de
belastingplichtige ten tijde van de splitsing met de
splitsende rechtspersoon verbonden is in de zin van artikel
10a, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969,
de verkrijgende rechtspersoon direct na de splitsing eveneens
als met de belastingplichtige verbonden aangemerkt.
6. De vorige leden zijn van
overeenkomstige toepassing indien in het kader van de splitsing
aandelen worden uitgereikt door een andere rechtspersoon dan de
rechtspersoon op wie de vermogensbestanddelen onder algemene titel
overgaan.
7. De belastingplichtige die
zekerheid wenst omtrent de vraag of de splitsing niet wordt geacht
in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen
van belastingheffing, kan vóór de splitsing een verzoek indienen
bij de inspecteur belast met de aanslagregeling van de splitsende
rechtspersoon, die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking
beslist.
Artikel 3.57. Juridische fusie
1. De belastingplichtige die is
betrokken bij een overgang onder algemene titel in het kader van
een fusie van een rechtspersoon, wordt geacht zijn aandelen in of
zijn schuldvorderingen op de verdwijnende rechtspersoon ten tijde
van de fusie te hebben vervreemd.
2. De belastingplichtige hoeft bij
het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst het voordeel
uit de in het eerste lid bedoelde vervreemding niet in aanmerking
te nemen mits de verdwijnende en de verkrijgende rechtspersoon in
Nederland zijn gevestigd, of in de zin van artikel 3.55, vijfde
lid, in een lidstaat van de Europese Unie of een bij ministeriële
regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd. De
eerste volzin geldt niet voor een in het kader van de fusie
genoten bijbetaling.
3. Indien het voordeel volgens het
tweede lid niet in aanmerking wordt genomen, worden de in het
kader van de fusie verworven aandelen in of schuldvorderingen op
de verkrijgende rechtspersoon direct na de fusie te boek gesteld
voor dezelfde waarde als waarvoor de aandelen in of de
schuldvorderingen op de verdwijnende rechtspersoon ten tijde van
de fusie te boek zijn gesteld. Voorts treden de schuldvorderingen
die de belastingplichtige direct na de fusie op de verkrijgende
rechtspersoon heeft, in de plaats van de schuldvorderingen die de
belastingplichtige ten tijde van de fusie heeft op de verdwijnende
rechtspersoon.
4. Het tweede lid is niet van
toepassing indien de fusie in overwegende mate is gericht op het
ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De fusie wordt, tenzij
het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende
mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van
belastingheffing indien de fusie niet plaatsvindt op grond van
zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering
van de actieve werkzaamheden van de bij de fusie betrokken
rechtspersonen.
5. Voor de toepassing van dit
artikel:
a. worden met aandelen
gelijkgesteld winstbewijzen en lidmaatschapsrechten;
b. wordt een recht om aandelen
in, winstbewijzen van of schuldvorderingen op de verdwijnende
rechtspersoon te verwerven aangemerkt als aandeel, winstbewijs
respectievelijk schuldvordering waarop het recht betrekking
heeft en
c. wordt, indien de
belastingplichtige ten tijde van de fusie met de verdwijnende
rechtspersoon verbonden is in de zin van artikel 10a, vijfde
lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de
verkrijgende rechtspersoon direct na de fusie eveneens als met
de belastingplichtige verbonden aangemerkt.
6. De vorige leden zijn van
overeenkomstige toepassing indien in het kader van de fusie
aandelen worden uitgereikt door een andere rechtspersoon dan de
rechtspersoon op wie de vermogensbestanddelen onder algemene titel
overgaan.
7. De belastingplichtige die
zekerheid wenst omtrent de vraag of de fusie niet wordt geacht in
overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van
belastingheffing, kan vóór de fusie een verzoek indienen bij de
inspecteur belast met de aanslagregeling van de verdwijnende
rechtspersoon, die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking
beslist.
Artikel 3.58. Staking door overlijden
1. Bij het staken van een
onderneming door het overlijden van de belastingplichtige, wordt,
behalve voor de toepassing van de desinvesteringsbijtelling, het
vermogen van de onderneming geacht op het onmiddellijk daaraan
voorafgaande tijdstip te zijn overgedragen aan degene aan wie het
krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht toekomt en wel tegen
de waarde die in het economische verkeer aan dat vermogen kan
worden toegekend.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt de waarde in het economische verkeer van een
woning die, anders dan tijdelijk, als hoofdverblijf ter
beschikking blijft staan van personen die bij het overlijden van
de belastingplichtige tot zijn huishouden behoren, gesteld op 60%
van de woningwaarde.
3. Indien een woning als bedoeld in
het tweede lid gaat behoren tot het vermogen van een onderneming
van een persoon die bij het overlijden van de belastingplichtige
tot zijn huishouden behoort, wordt de waarde in het economische
verkeer van die woning op dat tijdstip gesteld op 60% van de
woningwaarde.
4. Voor de toepassing van het
tweede en derde lid is artikel 3.19, derde tot en met vijfde lid,
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.59. Doorschuiving of
staking door ontbinding huwelijksgemeenschap
1. Bij ontbinding van een
huwelijksgemeenschap waartoe het vermogen van een onderneming
behoort, anders dan door het overlijden van de belastingplichtige,
wordt, behoudens voor de toepassing van de
desinvesteringsbijtelling, het aandeel in dat vermogen dat op het
onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip krachtens
huwelijksvermogensrecht toekomt aan de echtgenoot van de
belastingplichtige, geacht op dat tijdstip aan hem aan wie het
krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht toekomt, te zijn
overgedragen tegen de waarde die daaraan in het economische
verkeer kan worden toegekend.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op de bestanddelen van het vermogen van de onderneming
waarmee degene aan wie die bestanddelen krachtens erfrecht of
huwelijksvermogensrecht toekomen, de onderneming rechtstreeks
voortzet of mede voortzet. In dat geval wordt degene die de
onderneming rechtstreeks voortzet of mede voortzet voor zijn
gedeelte, voor het bepalen van de winst geacht in de plaats te
zijn getreden van degene van wie de onderneming rechtstreeks wordt
voortgezet.
3. Het tweede lid is van
overeenkomstige toepassing op de oudedagsreserve voorzover deze
overgaat naar de langstlevende echtgenoot of gewezen echtgenoot en
niet uitgaat boven het ondernemingsvermogen – in de zin van
artikel 3.71 – waarmee deze de onderneming voortzet of mede
voortzet.
Artikel 3.60. Overbrenging
vermogensbestanddelen naar het buitenland
Indien bestanddelen van het vermogen
van een in Nederland gedreven onderneming of zelfstandig gedeelte
van een onderneming, waaruit de belastingplichtige winst geniet,
worden overgebracht naar een buiten Nederland gedreven onderneming
waaruit de belastingplichtige winst geniet en de belastingplichtige
gelijktijdig of daarna ophoudt binnenlands belastingplichtig te
zijn, worden die bestanddelen op het tijdstip onmiddellijk
voorafgaande aan het ophouden van de binnenlandse belastingplicht en
voorzover zij nog behoren tot het vermogen van de onderneming,
geacht te zijn vervreemd tegen de waarde in het economische verkeer.
Artikel 3.61. Eindafrekening
Voordelen uit een onderneming die
niet reeds uit anderen hoofde in aanmerking zijn genomen, worden
gerekend tot de winst van het kalenderjaar waarin de
belastingplichtige ophoudt in Nederland uit de onderneming winst te
genieten. In dat geval worden de goederen voor de toepassing van de
desinvesteringsbijtelling geacht aan de onderneming te zijn
onttrokken.
Artikel 3.62. Doorschuiving bij
staking door overlijden
1. Artikel 3.58 vindt geen
toepassing met betrekking tot de bestanddelen van het vermogen van
een onderneming waarmee een of meer van degenen aan wie die
bestanddelen krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht
toekomen, de onderneming rechtstreeks voortzetten of mede
voortzetten, mits degenen die de onderneming voortzetten of mede
voortzetten dit bij de aangifte van de overleden
belastingplichtige verzoeken.
2. Degenen die het verzoek hebben
gedaan worden, ieder voor zijn gedeelte, voor het bepalen van de
winst geacht in de plaats te zijn getreden van degene van wie de
onderneming rechtstreeks wordt voortgezet.
3. Het eerste en tweede lid zijn
van overeenkomstige toepassing op de oudedagsreserve voorzover
deze overgaat op de partner en niet uitgaat boven het
ondernemingsvermogen – in de zin van artikel 3.71 – waarmee
deze de onderneming voortzet of mede voortzet.
Artikel 3.63. Doorschuiving naar
ondernemers
1. Indien de belastingplichtige een
onderneming waaruit hij als ondernemer of als belastingplichtige
als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, winst geniet,
overdraagt in een geval als bedoeld in het vierde lid of vijfde
lid, wordt voor het bepalen van de uit de onderneming in het
kalenderjaar van overdracht genoten winst de onderneming, behalve
voor de toepassing van artikel 3.54a, geacht niet te zijn
gestaakt, mits zowel de belastingplichtige als degene die de
onderneming voortzet dit bij de aangifte van de belastingplichtige
verzoeken.
2. In dat geval wordt degene aan
wie de onderneming is overgedragen, voor het bepalen van de winst
van de onderneming geacht in de plaats te zijn getreden van degene
die de onderneming heeft overgedragen.
3. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder overdracht van een onderneming mede begrepen
de overdracht van een gedeelte van een onderneming, ongeacht of
bij degene die overdraagt een eventueel niet overgedragen gedeelte
van de onderneming nog een onderneming is.
4. Het eerste lid is slechts van
toepassing indien de over te dragen onderneming gedurende de 36
maanden die onmiddellijk voorafgaan aan het tijdstip van de
overdracht deel uitmaakte van een samenwerkingsverband met degene
die de onderneming gaat voortzetten en degene die voortzet met
betrekking tot dat samenwerkingsverband gedurende die 36 maanden
als ondernemer winst heeft genoten.
5. Het eerste lid is voorts slechts
van toepassing indien de onderneming wordt overgedragen aan een
natuurlijk persoon die gedurende de 36 maanden die onmiddellijk
voorafgaan aan het tijdstip van de overdracht als werknemer in die
onderneming werkzaam is geweest.
6. Bij ministeriële regeling kan
onder nader te stellen voorwaarden worden bepaald dat in bij die
regeling te bepalen gevallen de in het vierde lid en vijfde lid
bedoelde termijn tot een bij die regeling te bepalen periode wordt
verkort.
7. Het eerste en tweede lid zijn
van overeenkomstige toepassing op de oudedagsreserve voor zover
deze overgaat op de partner en niet uitgaat boven het
ondernemingsvermogen – in de zin van artikel 3.71 – waarmee
deze de onderneming voortzet of mede voortzet.
Artikel 3.64. Doorschuiving via te
conserveren inkomen naar andere onderneming
1. Bij het staken van een
onderneming wordt op verzoek van de belastingplichtige bij de
aangifte de met of bij de staking behaalde winst die is toe te
rekenen aan bedrijfsmiddelen en aan herinvesteringsreserves,
afzonderlijk bepaald en behandeld als te conserveren inkomen,
voorzover aannemelijk wordt gemaakt dat die afzonderlijk bepaalde
winst in het jaar van staking, dan wel binnen een periode van 12
maanden na staking, zal worden geherinvesteerd in een onderneming
waaruit de belastingplichtige winst geniet.
2. Bij tijdige herinvestering wordt
de afzonderlijk bepaalde winst in mindering gebracht op de
aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die
door de belastingplichtige ten behoeve van een bestaande of nieuwe
onderneming worden aangeschaft of voortgebracht, als ware die
winst een herinvesteringsreserve. Daarbij is artikel 3.54 van
overeenkomstige toepassing. De inspecteur vermindert vervolgens
dienovereenkomstig de conserverende belastingaanslag bij voor
bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking
kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de
vermindering.
3. Op verzoek van de
belastingplichtige wordt de periode van 12 maanden, bedoeld in het
eerste lid, verlengd, indien:
a. in verband met de aard van
de aan te schaffen of voort te brengen bedrijfsmiddelen, voor
de herinvestering een langer tijdvak is vereist of
b. de herinvestering, mits
daaraan een begin van uitvoering is gegeven, door bijzondere
omstandigheden is vertraagd.
De inspecteur beslist op het
verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 3.65. Omzetting in een NV of
BV
1. Indien een onderneming wordt
omgezet in de vorm van een door een naamloze vennootschap of
besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gedreven
onderneming, wordt, op verzoek van de belastingplichtige, voor het
bepalen van de uit de onderneming in het kalenderjaar van
omzetting genoten winst de onderneming, behalve voor de toepassing
van artikel 3.54a, geacht niet te zijn gestaakt, mits de
oprichters van de vennootschap in het aandelenkapitaal geheel of
nagenoeg geheel in dezelfde verhouding gerechtigd zijn als in het
vermogen van de omgezette onderneming en de door Onze Minister
nader te stellen voorwaarden zijn vervuld. De eerste volzin is
niet van toepassing in situaties als bedoeld in artikel 3.3,
eerste lid, onderdeel b; in situaties als bedoeld in artikel 3.3,
eerste lid, onderdeel a, is de eerste volzin slechts van
toepassing indien de medegerechtigdheid van de belastingplichtige
de rechtstreekse voortzetting vormt van zijn gerechtigdheid of
medegerechtigdheid als ondernemer.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing met betrekking tot de oudedagsreserve.
3. Bij een omzetting op de voet van
het eerste lid vervalt, in afwijking van artikel 3.54a, tweede
lid, een negatieve terugkeerreserve zonder dat dit de winst
beïnvloedt. Onze Minister houdt bij de bepaling van de omvang van
de verkrijgingspijs van de bij de omzetting verkregen aandelen
rekening met het vervallen van de negatieve terugkeerreserve.
4. De inspecteur beslist op het
verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking waarin de in het
eerste lid bedoelde voorwaarden zijn opgenomen.
5. De in het eerste lid bedoelde
voorwaarden strekken ter verzekering van de heffing en de
invordering van de inkomstenbelasting en de
vennootschapsbelasting, die verschuldigd zouden zijn of zouden
worden indien het eerste lid buiten toepassing zou blijven. Voorts
kunnen voorwaarden worden gesteld die betrekking hebben op:
a. de grootte van het
geplaatste en gestorte aandelenkapitaal;
b. de verkrijgingsprijs,
bedoeld in artikel 4.21, van de bij de omzetting verkregen
aandelen en de boekwaarde van bij de omzetting verkregen
schuldvorderingen;
c. de berekening van de
verminderingen ter voorkoming van dubbele belasting;
d. de ingebrachte
vermogensbestanddelen die als gevolg van de omzetting gaan
behoren tot een deelneming als bedoeld in artikel 13 van de
Wet op de vennootschapsbelasting 1969, en
e. de vervreemding van de
aandelen in de opgerichte vennootschap.
Artikel 3.66. Niet met het
kalenderjaar samenvallend boekjaar
1. Indien de aard van de
onderneming dit rechtvaardigt, mag de winst worden bepaald over
een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar. In dat geval
treedt het boekjaar in de plaats van het kalenderjaar.
2. De winst van een niet met het
kalenderjaar samenvallend boekjaar wordt beschouwd als winst van
het kalenderjaar waarin het boekjaar is geëindigd.
3. Een boekjaar van meer dan twaalf
maanden wordt gesplitst in twee gedeelten waarvan het eerste
twaalf maanden omvat, mits bij deze splitsing de twee gedeelten in
verschillende kalenderjaren eindigen. Beide gedeelten worden als
een afzonderlijk boekjaar aangemerkt. De winst van het eerste
gedeelte wordt door schatting bepaald; aan het tweede gedeelte
wordt de rest van de winst van het boekjaar toegerekend.
Paragraaf 3.2.3. Oudedagsreserve
Artikel 3.67. Toegang toevoegingen
oudedagsreserve
1. De ondernemer die aan het
urencriterium voldoet en bij de aanvang van het kalenderjaar de
leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, kan bij het bepalen
van de in een kalenderjaar genoten winst over dat jaar toevoegen
aan de oudedagsreserve.
2. De voorwaarde inzake het
urencriterium geldt niet bij de extra toevoeging op de voet van
artikel 3.69, eerste lid, aanhef en onderdeel b.
Artikel 3.68. Toevoegingen
1. De toevoeging aan de reserve
over een kalenderjaar bedraagt 12% van de winst die de
belastingplichtige als ondernemer uit een onderneming geniet, maar
niet meer dan € 9542. De op grond van de eerste volzin bepaalde
toevoeging wordt verminderd met de ten laste van die winst gekomen
premies en andere bijdragen uit hoofde van pensioenregelingen.
2. De op grond van het eerste lid
berekende toevoeging bedraagt ten hoogste het bedrag waarmee het
ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar de
oudedagsreserve bij het begin van het kalenderjaar te boven gaat.
3. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder winst verstaan: de winst voor toevoeging aan
en afneming van de oudedagsreserve en vermeerderd met de premies
en andere bijdragen als bedoeld in het eerste lid, maar met
uitzondering van de winst waarop een regeling ter voorkoming van
dubbele belasting van toepassing is.
Artikel 3.69. Extra toevoegingen
1. Het bedrag dat volgens artikel
3.68, eerste lid, aan de oudedagsreserve wordt toegevoegd, kan
worden vermeerderd:
a. met het bedrag waarmee in
het voorafgaande kalenderjaar de oudedagsreserve volgens
artikel 3.70, eerste lid, aanhef en onderdeel b, geheel of
gedeeltelijk is afgenomen en waarop artikel 3.72, derde lid,
geen toepassing heeft gevonden;
b. met de belastbare periodieke
uitkeringen en verstrekkingen, bedoeld in artikel 3.100,
eerste lid, onderdeel b, en de negatieve uitgaven voor
inkomensvoorzieningen die ten aanzien van de
belastingplichtige in aanmerking worden genomen in verband met
de toepassing van artikel 14c van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 ten aanzien van de vennootschap
waarvan de belastingplichtige aandeelhouder is voorzover deze
uitkeringen, verstrekkingen en negatieve uitgaven verband
houden met een lijfrente die in het kader van de afname van
een oudedagsreserve van de belastingplichtige is gevormd.
2. Het bedrag dat na de
vermeerdering van het eerste lid, onderdeel a, aan de
oudedagsreserve kan worden toegevoegd, kan niet uitgaan boven het
verschil tussen het bedrag van het ondernemingsvermogen bij het
einde van het kalenderjaar en het bedrag van de oudedagsreserve
bij het begin van het kalenderjaar.
Artikel 3.70. Afnemingen
1. De oudedagsreserve neemt af met:
a. een door de
belastingplichtige te kiezen bedrag, maar met ten hoogste het
bedrag van de premies voor lijfrenten die in het kalenderjaar
als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden
genomen;
b. het bedrag waarmee de
oudedagsreserve het ondernemingsvermogen bij het einde van het
kalenderjaar overtreft indien:
1°. in het kalenderjaar de
onderneming of een gedeelte van de onderneming is
gestaakt;
2°. de belastingplichtige
bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 65
jaar heeft bereikt of
3°. de belastingplichtige
in het kalenderjaar en in het voorafgaande kalenderjaar
niet aan het urencriterium voldoet.
2. Het bedrag van de afnemingen
wordt in de winst opgenomen.
Artikel 3.71. Ondernemingsvermogen
Voor de toepassing van deze paragraaf
wordt onder ondernemingsvermogen verstaan de boekwaarde van het
vermogen van de onderneming verminderd met het bedrag van de
reserves bedoeld in artikel 3.53, met uitzondering van de
oudedagsreserve, verminderd met het bedrag van een positieve
terugkeerreserve als bedoeld in artikel 3.54a en vermeerderd met het
bedrag van een negatieve terugkeerreserve als bedoeld in artikel
3.54a. Daarbij blijven buiten aanmerking de vermogensbestanddelen en
reserves waarvan de waardeveranderingen respectievelijk de
wijzigingen behoren tot de winst ter zake waarvan een regeling ter
voorkoming van dubbele belasting van toepassing is.
Artikel 3.72. Meer dan één
onderneming
1. Indien de belastingplichtige als
ondernemer winst geniet uit meer dan één onderneming:
a. wordt voor de toepassing van
de artikelen 3.68 en 3.69:
1°. winst opgevat als het
gezamenlijke bedrag van de winst die met de ondernemingen
waaruit de belastingplichtigen als ondernemer winst
geniet, is behaald;
2°. ondernemingsvermogen
opgevat als het gezamenlijke bedrag van het vermogen van
de ondernemingen, bedoeld onder 1°;
3°. oudedagsreserve
opgevat als het gezamenlijke bedrag van de
oudedagsreserves van de ondernemingen, bedoeld onder 1°,
en
b. vindt de toedeling van de
toevoeging, bedoeld in artikel 3.68, aan de ondernemingen,
bedoeld in onderdeel a, onder 1°, naar keuze van de
ondernemer plaats, voorzover als gevolg van de toevoeging de
oudedagsreserve niet uitgaat boven het ondernemingsvermogen
van die onderneming bij het einde van het kalenderjaar.
2. Indien de belastingplichtige als
ondernemer of als medegerechtigde tot het vermogen van een
onderneming als bedoeld in artikel 3.3, winst geniet uit meer dan
één onderneming, geldt het bedrag van de premies voor
lijfrenten, bedoeld in artikel 3.70, eerste lid, voor de
gezamenlijke ondernemingen.
3. Indien de belastingplichtige als
ondernemer winst geniet uit meer dan één onderneming en bij een
of meer van die ondernemingen artikel 3.70, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, aanhef en onder 1°, is toegepast:
a. kan de ondernemer aan het
gezamenlijke bedrag van de oudedagsreserves bij de andere
ondernemingen waaruit de belastingsplichtige als ondernemer
winst geniet, toevoegen het gezamenlijke bedrag van de
afnemingen volgens artikel 3.70, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, aanhef en onder 1°, voorzover als gevolg van de
toevoeging het gezamenlijke bedrag van de oudedagsreserves van
die andere ondernemingen bij het einde van het kalenderjaar
niet uitgaat boven het gezamenlijke bedrag van het
ondernemingsvermogen van die andere ondernemingen bij het
einde van het kalenderjaar;
b. vindt de toedeling van die
toevoeging aan de ondernemingen waaruit de belastingsplichtige
als ondernemer winst geniet, naar keuze van de ondernemer
plaats, voorzover als gevolg van die toevoeging de
oudedagsreserve niet uitgaat boven het ondernemingsvermogen
van die onderneming bij het einde van het kalenderjaar.
Artikel 3.73. Niet met het
kalenderjaar samenvallend boekjaar
1. Indien de winst wordt bepaald
over een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar is
artikel 3.66, eerste lid, laatste volzin, niet van toepassing op
het eerstgenoemde kalenderjaar in artikel 3.67, eerste lid.
2. Indien belastingplichtige als
ondernemer of als medegerechtigde tot het vermogen van een
onderneming als bedoeld in artikel 3.3, winst geniet uit meer dan
één onderneming en de winst van die ondernemingen wordt bepaald
over onderling niet samenvallende boekjaren:
a. is artikel 3.66, eerste lid,
laatste volzin, niet van toepassing op deze paragraaf;
b. wordt voor de toepassing van
artikel 3.68, derde lid, winst opgevat in de zin van artikel
3.66, tweede lid;
c. wordt voor de toepassing van
artikel 3.72, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, voor elke
onderneming als vermogen van die onderneming aangemerkt het
ondernemingsvermogen bij het einde van het jongste boekjaar
dat voor het einde van het kalenderjaar is geëindigd,
vermeerderd of verminderd met de kapitalen die door de
ondernemer tussen het einde van het boekjaar en het einde van
het kalenderjaar aan de ondernemingen zijn toegevoegd of
onttrokken.
3. Indien de ondernemer ophoudt
binnenlands belastingplichtige te zijn, treedt voor de toepassing
van het tweede lid, het gedeelte van het kalenderjaar dat eindigt
met die belastingplicht voor het kalenderjaar in de plaats.
Paragraaf 3.2.4. Ondernemersaftrek
Artikel 3.74. Berekening
ondernemersaftrek
De ondernemersaftrek is het
gezamenlijke bedrag van:
a. de zelfstandigenaftrek;
b. de aftrek voor speur- en
ontwikkelingswerk;
c. de meewerkaftrek;
d. de startersaftrek bij
arbeidsongeschiktheid, en
e. de stakingsaftrek.
Artikel 3.75. Meer dan één
onderneming
Voor de toepassing van deze paragraaf
en de daarop rustende bepalingen wordt onder een onderneming mede
verstaan: de gezamenlijke ondernemingen.
Artikel 3.76. Zelfstandigenaftrek
1. De zelfstandigenaftrek geldt
voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet.
2. Indien de ondernemer bij het
begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
bereikt, bedraagt de zelfstandigenaftrek€ 7280.
3. Indien de ondernemer in een of
meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en
bij hem in die periode niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek
is toegepast, wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd met € 2123.
De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met
toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit
voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in
een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren.
4. Indien de ondernemer bij het
begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt,
bedraagt de zelfstandigenaftrek 50% van het bedrag van de
zelfstandigenaftrek volgens het tweede en derde lid.
5. In afwijking in zoverre van het
tweede en vierde lid bedraagt het bedrag van de
zelfstandigenaftrek niet meer dan het bedrag van de winst. De
eerste volzin is niet van toepassing op een ondernemer die in
aanmerking komt voor de verhoging van de zelfstandigenaftrek,
bedoeld in het derde lid. Indien toepassing van de eerste volzin
tot een verlaging van het bedrag van de zelfstandigenaftrek leidt,
wordt het bedrag waarmee de zelfstandigenaftrek is verlaagd
aangemerkt als niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek. Indien de
zelfstandigenaftrek ingevolge de eerste volzin op nihil wordt
gesteld, wordt er voor de toepassing van het derde lid van uit
gegaan dat de zelfstandigenaftrek in dat kalenderjaar toepassing
heeft gevonden.
6. De inspecteur stelt het bedrag
van de niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek vast bij voor
bezwaar vatbare beschikking. Dit bedrag wordt afzonderlijk op het
aanslagbiljet vermeld. Artikel 3.151, vierde, vijfde en zesde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
7. De niet gerealiseerde
zelfstandigenaftrek wordt in de volgende negen kalenderjaren
verrekend door in die jaren een verhoging van de
zelfstandigenaftrek in aanmerking te nemen. Deze verhoging
bedraagt maximaal het bedrag waarmee de winst de
zelfstandigenaftrek van dat jaar overtreft. Verrekening van niet
gerealiseerde zelfstandigenaftrek vindt plaats in de volgorde
waarin deze niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek is ontstaan.
8. Het verrekenen van niet
gerealiseerde zelfstandigenaftrek in een volgend kalenderjaar
vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking van de
inspecteur. In de beschikking wordt tevens vastgesteld welk bedrag
van de niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek wordt verrekend. De
inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen
van de aanslag over het jaar waarmee de niet gerealiseerde
zelfstandigenaftrek wordt verrekend. Het bedrag van de verrekende
niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek wordt op het aanslagbiljet
afzonderlijk vermeld.
9. Rechtsmiddelen tegen de
beschikking, bedoeld in het achtste lid, kunnen uitsluitend
betrekking hebben op de toepassing van het zevende lid.
10. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder winst verstaan het gezamenlijke bedrag van de
winst die de belastingplichtige als ondernemer uit een of meer
ondernemingen geniet.
Artikel 3.77. Aftrek speur- en
ontwikkelingswerk
1. De aftrek voor speur- en
ontwikkelingswerk geldt voor de ondernemer die aan het
urencriterium voldoet en in het kalenderjaar ten minste 500 uur
besteedt aan werk dat bij een S&O-verklaring als bedoeld in
artikel 27, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht
loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is aangemerkt
als speur- en ontwikkelingswerk. De aftrek voor speur- en
ontwikkelingswerk bedraagt € 12 310.
2. Indien de ondernemer in een of
meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en
aan hem voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee
kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven, wordt de aftrek
voor speur- en ontwikkelingswerk verhoogd met € 6157. Een S&O-verklaring
die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt
aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot
een heel kalenderjaar. De eerste volzin is niet van toepassing
voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede
voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het
kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande
kalenderjaren.
3. Artikel 3.6, vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4. Indien op grond van artikel 29
van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen de in artikel 23, derde en zevende lid, van die
wet, vermelde percentages worden verhoogd, verlaagd of op nihil
worden gesteld, kan bij ministeriële regeling van Onze Minister
van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie het in het eerste lid
vermelde bedrag in dezelfde mate worden verhoogd tot maximaal €
14 622, worden verlaagd of op nihil worden gesteld. Het nieuwe
bedrag geldt met betrekking tot de S&O-verklaringen die
betrekking hebben op een kalenderjaar dat aanvangt op of na de dag
waarop de wijziging in werking treedt.
Artikel 3.78. Meewerkaftrek
1. De meewerkaftrek geldt voor de
ondernemer die aan het urencriterium voldoet en van wie de partner
zonder enige vergoeding arbeid verricht in een onderneming waaruit
de belastingplichtige als ondernemer winst geniet.
2. Bij arbeid van de partner die
gedurende het kalenderjaar een aantal uren in beslag neemt
|
gelijk aan of
meer dan |
maar minder dan |
bedraagt de
meewerkaftrek |
|
525 |
875 |
1,25% van de winst |
|
875 |
1 225 |
2% van de winst |
|
1225 |
1 750 |
3% van de winst |
|
1 750 |
– |
4% van de winst |
3. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder winst verstaan het gezamenlijke bedrag van
de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit
ondernemingen waarin de partner zonder enige vergoeding arbeid
verricht, verminderd met:
a. winst genoten ter
vervanging van door een onteigening gederfde of te derven
voordelen uit onderneming;
b. winst behaald met of bij
het staken van een onderneming of een gedeelte van een
onderneming, daaronder mede verstaan staking door overlijden
als bedoeld in artikel 3.58 en
c. winst als gevolg van de
overbrenging van vermogensbestanddelen naar het buitenland
of als gevolg van eindafrekening bedoeld in artikel 3.60
respectievelijk 3.61.
Artikel 3.78a. Startersaftrek bij
arbeidsongeschiktheid
1. De startersaftrek bij
arbeidsongeschiktheid geldt voor de ondernemer die in een of meer
van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was, in het
kalenderjaar recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
als bedoeld in het tweede lid, of in het kalenderjaar recht heeft
op arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten, niet voldoet aan het
urencriterium maar wel aan het verlaagde-urencriterium, bedoeld in
het derde lid, en bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd
van 65 jaar nog niet heeft bereikt. De eerste volzin is niet van
toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c
van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming
voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang
heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan
voorafgaande kalenderjaren.
2. Onder een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt verstaan een uitkering op
grond van:
a. de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen;
b. de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
d. de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
e. een buitenlandse wettelijke
regeling die naar aard en strekking overeenkomt met een
regeling genoemd in de onderdelen a, b, c en d;
f. een bij ministeriële
regeling aangewezen regeling voor zover wegens
arbeidsongeschiktheid recht op die uitkering bestaat.
Onder een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt mede verstaan het genieten
van een periodieke uitkering of verstrekking uit een verzekering
ter zake van invaliditeit of ongeval.
3. Onder verlaagd-urencriterium
wordt verstaan hetgeen op de voet van artikel 3.6 onder
urencriterium zou worden verstaan bij vervanging in het eerste lid
van dat artikel van 1225 uren door 800 uren.
4. De startersaftrek bij
arbeidsongeschiktheid bedraagt:
a. indien bij de ondernemer in
de vijf voorafgaande kalenderjaren deze aftrek niet is
toegepast: € 12 000, maar niet meer dan hetgeen aan winst is
genoten;
b. indien bij de ondernemer in
de vijf voorafgaande kalenderjaren met betrekking tot één
jaar deze aftrek is toegepast: € 8000, maar niet meer dan
hetgeen aan winst is genoten;
c. indien bij de ondernemer in
de vijf voorafgaande kalenderjaren met betrekking tot twee
jaren deze aftrek is toegepast: € 4000, maar niet meer dan
hetgeen aan winst is genoten.
5. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder winst verstaan het gezamenlijke bedrag van de
winst die de belastingplichtige als ondernemer uit een of meer
ondernemingen geniet.
Artikel 3.79. Stakingsaftrek
1. De stakingsaftrek geldt voor de
ondernemer die alsondernemer in het kalenderjaar winst behaalt:
a. met of bij het staken van
een of meer gehele ondernemingen;
b. door een afneming van de
oudedagsreserve na een geruisloze doorschuiving of omzetting
als bedoeld in artikel 3.59, tweede lid, artikel 3.62, artikel
3.63, respectievelijk artikel 3.65, waarbij zonder die
geruisloze doorschuiving of omzetting sprake zou zijn van het
staken van een gehele onderneming.
2. De stakingsaftrek is gelijk aan
het bedrag van de in het eerste lid bedoelde winst, maar bedraagt
niet meer dan € 3 630.
3. De stakingsaftrek is ten aanzien
van de ondernemer die op grond van doorschuiving bij ontbinding
van de huwelijksgemeenschap als bedoeld in artikel 3.59, tweede
lid, doorschuiving bij overlijden als bedoeld in artikel 3.62 of
doorschuiving naar ondernemers als bedoeld in artikel 3.63, een
onderneming voortzet of mede voortzet, met betrekking tot de
voordelen ter zake van die doorgeschoven onderneming alleen van
toepassing indien die onderneming ten minste drie jaren voor zijn
rekening is gedreven.
4. Het in het tweede lid bedoelde
maximumbedrag van € 3 630 wordt verminderd – maar niet verder
dan tot nihil – met de in voorafgaande jaren door de ondernemer
genoten bedragen aan stakingsaftrek.
Paragraaf 3.2.5.
MKB-winstvrijstelling
Artikel 3.79a. MKB-winstvrijstelling
De MKB-winstvrijstelling bedraagt 12%
van het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige
alsondernemer geniet uit een of meer ondernemingen (paragraaf 3.2.2)
nadat dit bedrag is verminderd met de ondernemersaftrek (paragraaf
3.2.4).
Afdeling 3.3. Belastbaar loon
Paragraaf 3.3.1. Belastbaar loon
Artikel 3.80. Belastbaar loon
Belastbaar loon is loon verminderd
met de reisaftrek (paragraaf 3.3.2).
Artikel 3.81. Loon
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder loon: loon overeenkomstig de
wettelijke bepalingen van de loonbelasting, met dien verstande dat,
voorzover nodig in afwijking van die bepalingen, fooien en
dergelijke prestaties van derden in aanmerking worden genomen voor
het werkelijk genoten bedrag.
Artikel 3.82. Uitbreiding begrip loon
Tot loon wordt gerekend:
a. wat wordt genoten:
1°. ter vervanging van
gederfd of te derven loon;
2°. ter zake van het staken
of nalaten van werkzaamheden voorzover het genotene niet is
aan te merken als resultaat uit overige werkzaamheden;
b. uitkeringen op grond van een
pensioenregeling van een andere mogendheid als bedoeld in
artikel 1.7, tweede lid, onderdeel c, behoudens voorzover
aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die
pensioenregeling heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden
die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of
de inkomstenbelasting.
c. uitkeringen op grond van een
pensioenregeling van een internationale organisatie, behoudens
voorzover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die
pensioenregeling een heffing naar het inkomen heeft
plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de
loonbelasting of de inkomstenbelasting.
Artikel 3.83. Pensioen in
grensoverschrijdende situaties
1. Tot loon wordt gerekend de
waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit
een pensioenregeling, indien de belastingplichtige die werknemer
of gewezen werknemer is in de zin van de wettelijke bepalingen van
de loonbelasting en aan wie het pensioen is toegezegd, ophoudt
binnenlands belastingplichtige te zijn anders dan door overlijden,
of indien na zijn overlijden de gerechtigde tot de uitkeringen
ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn. Onder ophouden
binnenlands belastingplichtig te zijn wordt mede verstaan de
situatie waarin de belastingplichtige voor de toepassing van de
Belastingregeling voor het Koninkrijk, de Belastingregeling voor
het land Nederland of een verdrag ter voorkoming van dubbele
belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn.
2. Tot loon wordt gerekend, tenzij
het eerste lid toepassing vindt, de waarde in het economische
verkeer van opgebouwde aanspraken uit een pensioenregeling indien
de verplichtingen waarop de aanspraken berusten, geheel of
gedeeltelijk zijn ondergebracht bij een ander lichaam dan bedoeld
in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e en f, van de Wet
op de loonbelasting 1964.
3. De waarde van de opgebouwde
aanspraken wordt verminderd met de waarde van de aanspraken die
niet ten laste is gekomen van belastbaar inkomen uit werk en
woning.
4. Indien het eerste of het tweede
lid toepassing vindt met betrekking tot de waarde van aanspraken
die op grond van het eerste of tweede lid dan wel artikel 7.2,
achtste lid, onderdeel a, eveneens is begrepen in het belastbare
inkomen uit werk en woning van een vorig kalenderjaar, wordt,
onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, het
belastbare inkomen uit werk en woning van dat vorige kalenderjaar
met die waarde van de aanspraken verlaagd. De inspecteur
vermindert dienovereenkomstig de conserverende aanslag over dat
jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen
deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de
grootte van de vermindering.
5. Indien artikel 19b van de Wet op
de loonbelasting 1964 toepassing heeft gevonden, wordt het loon
verminderd met de waarde van de aanspraken die tot het loon zijn
gerekend met toepassing van het tweede lid, voorzover de belasting
ter zake van de waarde van die aanspraken is voldaan.
6. Bij algemene maatregel van
bestuur worden aanwijzingen gegeven met betrekking tot de bepaling
van de waarde in het economische verkeer van de opgebouwde
aanspraken.
7. Op verzoek van de
belastingplichtige wordt, indien de waarde van aanspraken op grond
van het eerste of tweede lid dan wel artikel 7.2, achtste lid,
onderdeel a, is begrepen in het belastbare inkomen uit werk en
woning van een vorig kalenderjaar, en
1°. wordt voldaan aan de
voorwaarden voor uitstel van betaling bedoeld in artikel 25,
vijfde lid, van de Invorderingswet 1990, en
2°. de verplichtingen waarop
de aanspraken berusten geheel zijn ondergebracht bij een
verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen
a, b, d, e of f, van de Wet op de loonbelasting 1964, het
belastbare inkomen uit werk en woning van dat vorige
kalenderjaar met die waarde van de aanspraken verlaagd. De
inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende
aanslag over dat jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend
betrekking hebben op de grootte van de vermindering.
8. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld op grond waarvan om
doelmatigheidsredenen toepassing van het eerste en tweede lid
achterwege kan blijven.
Artikel 3.84. Vrijstelling
eindheffingsbestanddelen
1. Tot loon behoren niet voordelen
waarover de belasting op grond van artikel 31 of artikel 32ab in
verbinding met artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 is
verschuldigd door de inhoudingsplichtige, evenmin als een hierdoor
voor de belastingplichtige ontstaan voordeel.
2. Ingeval een belastingplichtige
loon geniet uit een dienstbetrekking ter zake van welke
dienstbetrekking de werkgever geen inhoudingsplichtige is in de
zin van artikel 6 van de Wet op de loonbelasting 1964, behoren
niet tot het loon de in het loon van de belastingplichtige
opgenomen vergoedingen en verstrekkingen overeenkomstig artikel
31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, van de Wet op de
loonbelasting 1964, voorzover een inhoudingsplichtige daarover bij
toepassing van artikel 31a, tweede lid, van de Wet op de
loonbelasting 1964 geen belasting zou zijn verschuldigd.
Paragraaf 3.3.2. Reisaftrek
Artikel 3.85 [Vervallen per
01-01-2007]
Artikel 3.86 [Vervallen per
01-01-2003]
Artikel 3.87. Reisaftrek
1. De reisaftrek geldt bij ten
minste eenmaal per week plegen te reizen tussen de woning of
verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden waarbij
binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug wordt
gereisd en wordt in aanmerking genomen voor de per openbaar
vervoer afgelegde reisafstand, voor zover dat vervoer niet vanwege
de inhoudingsplichtige plaatsvindt.
2. In dit artikel en daarop
berustende bepalingen wordt onder reisafstand verstaan: de afstand
tussen de woning of verblijfplaats en de plaats van de
werkzaamheden gemeten langs de meest gebruikelijke weg.
3. De op basis van de volgende
leden bepaalde reisaftrek wordt verminderd met de voor de per
openbaar vervoer afgelegde reisafstand ontvangen
reiskostenvergoedingen.
4. Indien de belastingplichtige op
ten minste vier dagen per week naar dezelfde plaats van
werkzaamheden pleegt te reizen, bedraagt de reisaftrek:
|
bij een
reisafstand per openbaar vervoer |
|
|
|
van meer dan |
maar niet meer
dan |
op jaarbasis |
|
– |
10 km |
– |
|
10 km |
15 km |
€436 |
|
15 km |
20 km |
€582 |
|
20 km |
30 km |
€974 |
|
30 km |
40 km |
€1207 |
|
40 km |
50 km |
€1574 |
|
50 km |
60 km |
€1751 |
|
60 km |
70 km |
€1943 |
|
70 km |
80 km |
€2008 |
|
80 km |
– |
€2036 |
5. Indien de belastingplichtige
op drie dagen, twee dagen of één dag per week naar dezelfde
plaats van werkzaamheden pleegt te reizen, bedraagt de
reisaftrek:
a. indien de reisafstand niet
meer beloopt dan 90 kilometer: driekwart, de helft
respectievelijk een kwart van het in de tabel aangegeven
bedrag;
b. indien de reisafstand meer
beloopt dan 90 kilometer: € 0,23 per kilometer van die
reisafstand vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop
wordt gereisd, maar niet meer dan € 2036 per jaar.
6. Indien de belastingplichtige
naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen,
vinden het vierde en vijfde lid afzonderlijk toepassing met
betrekking tot het reizen naar elk van die plaatsen, waarbij de
som van de volgens deze leden bepaalde reisaftrek niet meer
bedraagt dan € 2036 per jaar.
7. Indien de belastingplichtige
op dezelfde dag naar verschillende plaatsen van werkzaamheden
pleegt te reizen, zijn de vorige leden uitsluitend van
toepassing op het reizen naar de meest bereisde plaats van
werkzaamheden. Indien de plaatsen van werkzaamheden even vaak
plegen te worden bereisd, geldt de grootste reisafstand.
8. Voor de toepassing van het
eerste lid pleegt de belastingplichtige in ieder geval ten
minste eenmaal per week te reizen indien hij in het kalenderjaar
op 40 dagen of meer van zijn woning of verblijfplaats naar de
plaats of plaatsen van werkzaamheden heeft gereisd.
9. De per openbaar vervoer
afgelegde reisafstand blijkt slechts uit een op een tijdvak van
12 maanden betrekking hebbende verklaring die is afgegeven door
de desbetreffende openbaar-vervoersonderneming (de
openbaar-vervoerverklaring) of, in die gevallen dat door de
gebruikte kaartsoort de openbaar-vervoerverklaring niet kan
worden verstrekt, een aan een openbaar-vervoerverklaring gelijk
te stellen andere tot de persoon van de belastingplichtige
herleidbare verklaring omtrent het gereisd hebben met openbaar
vervoer (de reisverklaring).
10. Bij ministeriële regeling
worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de
openbaar-vervoerverklaring en van de reisverklaring en voor de
uitvoering van dit artikel.
Artikel 3.88 [Vervallen per
01-01-2003]
Artikel 3.89 [Vervallen per
01-01-2007]
Afdeling 3.4. Belastbaar resultaat
uit overige werkzaamheden
Paragraaf 3.4.1. Belastbaar resultaat
uit overige werkzaamheden
Artikel 3.90. Belastbaar resultaat
uit overige werkzaamheden
Belastbaar resultaat uit overige
werkzaamheden is het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een
of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon
genereren verminderd met de terbeschikkingstellingsvrijstelling (§
3.4.3Terbeschikkingstellingsvrijstelling).
Artikel 3.91. Ter beschikking stellen
van vermogensbestanddelen aan een onderneming of werkzaamheid
1. Onder werkzaamheid wordt mede
verstaan:
a. het rendabel maken van
vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die
rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen –
door deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding
rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking
te stellen aan een met de belastingplichtige verbonden
persoon, voorzover die vermogensbestanddelen door die persoon
worden aangewend voor het behalen van belastbare winst uit
onderneming of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden;
b. het rendabel maken van
vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die
rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen –
voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen
vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter
beschikking worden gesteld ten behoeve van een
samenwerkingsverband waarvan een met de belastingplichtige
verbonden persoon die daarbij belastbare winst uit onderneming
of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden geniet, deel
uitmaakt;
c. het rendabel maken van
vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te
buiten gaat, zoals bij het uitponden van onroerende zaken, het
in belangrijke mate door de belastingplichtige zelf verrichten
van groot onderhoud of andere aanpassingen aan een zaak, of
het aanwenden door de belastingplichtige van voorkennis of
daarmee vergelijkbare bijzondere vormen van kennis.
2. Voor de toepassing van dit
artikel en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. met het ter beschikking
stellen van vermogensbestanddelen aan een in het eerste lid
bedoelde persoon of ten behoeve van een daar bedoeld
samenwerkingsverband gelijkgesteld:
1°. het aangaan of het
hebben van een schuldvordering alsmede het aangaan of het
hebben van rechten uit een spaarovereenkomst of uit een
daarmee verwante overeenkomst op een in dat lid bedoelde
persoon of bedoeld samenwerkingsverband;
2°. het sluiten van een
overeenkomst van levensverzekering of het hebben van
rechten uit een overeenkomst van levensverzekering waarbij
de in dat lid bedoelde persoon of bedoeld
samenwerkingsverband als verzekeraar optreedt behoudens
voorzover de uitkeringen uit die rechten anders in
aanmerking zouden worden genomen als een periodieke
uitkering of verstrekking als bedoeld in afdeling 3.5;
3°. het vestigen of het
hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat
ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde
persoon of ten behoeve van een in dat lid bedoeld
samenwerkingsverband;
4°. het overeenkomen of
het hebben van een recht een vermogensbestanddeel dat ter
beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde persoon
of ten behoeve van een in dat lid bedoeld
samenwerkingsverband, te verwerven;
5°. het verkrijgen of het
hebben van een recht of een verplichting een
vermogensbestanddeel te verwerven van een in dat lid
bedoelde persoon of bedoeld samenwerkingsverband indien de
daar tegenover staande verplichting onderscheidenlijk het
daar tegenover staande recht tot diens vermogen van een
onderneming of tot diens resultaat uit een werkzaamheid
behoort;
6°. het verkrijgen of het
hebben van een recht of een verplichting een
vermogensbestanddeel te vervreemden aan een in dat lid
bedoelde persoon of bedoeld samenwerkingsverband indien de
daar tegenover staande verplichting onderscheidenlijk het
daar tegenover staande recht tot diens vermogen van een
onderneming of tot diens resultaat uit een werkzaamheid
behoort;
b. onder een met de
belastingplichtige verbonden persoon verstaan:
1°. de partner van de
belastingplichtige;
2°. de minderjarige
kinderen van de belastingplichtige of zijn partner;
c. indien de belastingplichtige
minderjarig is, onder een met de belastingplichtige verbonden
persoon mede verstaan: een bloed- of aanverwant in de eerste
graad van de opgaande lijn en degene die onder een met die
bloed- of aanverwant verbonden persoon als bedoeld in het
tweede lid, onderdeel b, wordt verstaan;
d. een vergoeding voor het
aangaan van borgtocht voor schulden betreffende een
onderneming, werkzaamheid of samenwerkingsverband als bedoeld
in het eerste lid, aangemerkt als een voordeel uit het ter
beschikking stellen van een vermogensbestanddeel;
e. onder rechten als bedoeld in
onderdeel a, onder 4°, 5° en 6° mede verstaan: rechten
waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de
waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de
wijziging van een factor, zoals de rentestand;
f. onder verplichtingen als
bedoeld in onderdeel a, onder 5° en 6°, mede verstaan:
verplichtingen waarvan de waarde direct of indirect verband
houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of
met de wijziging van een factor, zoals de rentestand.
3. Op dezelfde wijze als het ter
beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een met de
belastingplichtige verbonden persoon wordt behandeld het ter
beschikking stellen aan een niet onder het tweede lid, onderdeel
b, begrepen bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de
belastingplichtige of van zijn partner, indien het een in het
maatschappelijke verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling
is. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor
de toepassing van dit lid, waaronder regels of sprake is van een
in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke
terbeschikkingstelling.
Artikel 3.92. Ter beschikking stellen
van vermogensbestanddelen aan een vennootschap waarin een
aanmerkelijk belang wordt gehouden
1. Voorts wordt onder werkzaamheid
mede verstaan:
a. het rendabel maken van
vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die
rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen –
voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen
vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter
beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de
belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, een
aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 behoudens
indien sprake is van een aanmerkelijk belang op grond van de
artikelen 4.10 en 4.11;
b. het rendabel maken van
vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die
rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen –
voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen
vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter
beschikking worden gesteld aan een samenwerkingsverband
waarvan een vennootschap als bedoeld in onderdeel a deel
uitmaakt.
2. Voor de toepassing van dit
artikel en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. met het ter beschikking
stellen van vermogensbestanddelen aan een in het eerste lid
bedoelde vennootschap of ten behoeve van een daar bedoeld
samenwerkingsverband gelijkgesteld:
1°. het aangaan of het
hebben van een schuldvordering alsmede het aangaan of het
hebben van rechten uit een spaarovereenkomst of uit een
daarmee verwante overeenkomst op een in dat lid bedoelde
vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;
2°. het sluiten van een
overeenkomst van levensverzekering of het hebben van
rechten uit een overeenkomst van levensverzekering waarbij
de in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld
samenwerkingsverband als verzekeraar optreedt behoudens
voorzover de uitkeringen uit die rechten anders in
aanmerking zouden worden genomen als een periodieke
uitkering of verstrekking als bedoeld in afdeling 3.5;
3°. het vestigen of het
hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat
ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde
vennootschap of ten behoeve van een in dat lid bedoeld
samenwerkingsverband;
4°. het overeenkomen of
het hebben van een recht een vermogensbestanddeel dat ter
beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde
vennootschap of ten behoeve van een in dat lid bedoeld
samenwerkingsverband, te verwerven;
5°. het verkrijgen of het
hebben van een recht, anders dan bedoeld in artikel 10a
van de Wet op de loonbelasting 1964, of een verplichting
een vermogensbestanddeel te verwerven van een in dat lid
bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;
6°. het verkrijgen of het
hebben van een recht of een verplichting een
vermogensbestanddeel te vervreemden aan een in dat lid
bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;
b. onder een met de
belastingplichtige verbonden persoon verstaan hetgeen
daaronder wordt verstaan in artikel 3.91, tweede lid,
onderdelen b en c;
c. een vergoeding voor het
aangaan van borgtocht voor schulden van een vennootschap of
betreffende een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste
lid, aangemerkt als een voordeel uit het ter beschikking
stellen van een vermogensbestanddeel;
d. met een vennootschap
gelijkgesteld een fonds voor gemene rekening als bedoeld in
artikel 4.5 en een coöperatie of vereniging op coöperatieve
grondslag;
e. onder het ter beschikking
stellen van vermogensbestanddelen niet begrepen het houden van
aandelen in een vennootschap en het houden van winstbewijzen
van een vennootschap;
f. onder rechten als bedoeld in
onderdeel a, onder 4°, 5° en 6° mede verstaan: rechten
waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de
waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de
wijziging van een factor, zoals de rentestand;
g. onder verplichtingen als
bedoeld in onderdeel a, onder 5° en 6°, mede verstaan:
verplichtingen waarvan de waarde direct of indirect verband
houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of
met de wijziging van een factor, zoals de rentestand.
3. Op dezelfde wijze als het ter
beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een vennootschap
waarin een met de belastingplichtige verbonden persoon een
aanmerkelijk belang heeft, wordt behandeld het ter beschikking
stellen aan een vennootschap waarin een niet onder artikel 3.91,
tweede lid, onderdeel b, begrepen bloed- of aanverwant in de
rechte lijn van de belastingplichtige of van zijn partner een
aanmerkelijk belang heeft, indien het een in het maatschappelijke
verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling is. Bij
ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de
toepassing van dit lid, waaronder regels of sprake is van een in
het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke
terbeschikkingstelling.
4. Indien de belastingplichtige in
algehele gemeenschap van goederen is gehuwd en tot die gemeenschap
een vermogensbestanddeel als bedoeld in het eerste lid of tweede
lid behoort, wordt dit vermogensbestanddeel voor de helft
toegerekend aan de belastingplichtige en voor de andere helft aan
zijn echtgenoot. De eerste volzin is van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot een vermogensbestanddeel als bedoeld
in het eerste of tweede lid dat behoort tot een beperkte
gemeenschap van goederen.
Artikel 3.92a. Opwaarderingsreserve
Voorts wordt onder werkzaamheid mede
verstaan het hebben van een opwaarderingsreserve als bedoeld in
artikel 3.98a.
Artikel 3.92b. Met een werkzaamheid
verband houdende lucratieve belangen
1. Voorts wordt onder werkzaamheid
mede verstaan:
a. het onmiddellijk of
middellijk houden van aandelen als bedoeld in het tweede lid,
van vorderingen als bedoeld in het derde lid of van rechten
als bedoeld in het vierde lid, indien de voordelen die met
deze aandelen, vorderingen of rechten worden behaald, gelet op
de feiten en omstandigheden waaronder deze aandelen,
vorderingen of rechten zijn verkregen, naar moet worden
aangenomen mede een beloning beogen te zijn voor werkzaamheden
van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon,
alsmede het hebben van schulden die rechtstreeks samenhangen
met deze aandelen, vorderingen of rechten;
b. het onmiddellijk of
middellijk hebben van schulden die rechtens dan wel in feite
tegemoetkomingen kennen van geheel of gedeeltelijke
kwijtschelding waarbij die tegemoetkomingen, gelet op de
feiten en omstandigheden waaronder de schulden zijn aangegaan,
naar moet worden aangenomen mede een beloning beogen te zijn
voor werkzaamheden van de belastingplichtige of een met hem
verbonden persoon.
2. Aandelen als bedoeld in het
eerste lid zijn aandelen in een vennootschap met een geheel of ten
dele in aandelen verdeeld kapitaal die verschillende soorten
aandelen heeft, indien het aandelen betreft van een soort:
a. die is achtergesteld bij
andere soorten en het totale geplaatste aandelenkapitaal van
die achtergestelde soort minder is dan 10% van het totale
geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap, of
b. met een preferentie van ten
minste 15% dividend per jaar.
3. Vorderingen als bedoeld in het
eerste lid zijn vorderingen waarvan het rendement in enigszins
belangrijke mate afhankelijk is van managementdoeleinden of
aandeelhoudersdoeleinden zoals winst, omzet, kostenvermindering,
aantrekken van financieringsbronnen, het gereed maken voor verkoop
of overname van een onderneming of onderdelen daarvan, het
aankopen of overnemen van ondernemingen of onderdelen daarvan, of
die in enigszins belangrijke mate in waarde vermeerderen bij een
verkoop of overname van een onderneming, dan wel bij een wijziging
van een belang in een onderneming.
4. Rechten als bedoeld in het
eerste lid zijn vermogensrechten die, gelet op de feiten en
omstandigheden, economisch overeenkomen of vergelijkbaar zijn met
aandelen als bedoeld in het tweede lid of vorderingen als bedoeld
in het derde lid, alsmede overige rechten of verplichtingen
waarvan het waardeverloop in enigszins belangrijke mate
afhankelijk is van managementdoeleinden of
aandeelhoudersdoeleinden zoals winst, omzet, kostenvermindering,
aantrekken van financieringsbronnen, het gereed maken voor verkoop
of overname van een onderneming of onderdelen daarvan, het
aankopen of overnemen van ondernemingen of onderdelen daarvan, of
die in enigszins belangrijke mate in waarde vermeerderen bij een
verkoop of overname van een onderneming, dan wel bij een wijziging
van een belang in een onderneming.
5. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder een met de belastingplichtige verbonden
persoon verstaan:
a. de partner van de
belastingplichtige;
b. een bloed- of aanverwant in
de rechte lijn van de belastingplichtige of van zijn partner.
Artikel 3.93. Bijzondere bepalingen
begrip werkzaamheden
1. Voor de toepassing van de
artikelen 3.91, 3.92 en 3.92b:
a. geldt een persoon niet als
aanverwant indien het huwelijk waardoor de verwantschap is
ontstaan, door echtscheiding is ontbonden;
b. wordt niet als het rendabel
maken van vermogensbestanddelen aangemerkt het ter beschikking
stellen van een werkruimte, de inrichting daaronder begrepen,
in een woning die de belastingplichtige ter beschikking staat,
indien de persoon aan wie of het lichaam waaraan ter
beschikking wordt gesteld ter zake van die
terbeschikkingstelling niet een vergoeding ten laste van de
winst of het resultaat uit overige werkzaamheden kan brengen.
2. Werkzaamheden van dezelfde aard
worden aangemerkt als een werkzaamheid.
3. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder woning mede verstaan: een duurzaam aan een
plaats gebonden schip of woonwagen als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder f, van de Huisvestingswet, alsmede de
aanhorigheden van een woning, schip of woonwagen.
Paragraaf 3.4.2. Resultaat uit een
werkzaamheid
Artikel 3.94. Resultaat uit een
werkzaamheid
Resultaat uit een werkzaamheid
(resultaat) is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder
welke naam en in welke vorm ook, worden behaald met een
werkzaamheid.
Artikel 3.95. Bepaling van het
resultaat
1. Bij de bepaling van het
resultaat zijn de artikelen 3.10, 3.13 tot en met 3.21, 3.25 tot
en met 3.30a, 3.55 tot en met 3.58, 3.59, eerste en tweede lid, en
3.60 tot en met 3.62 van overeenkomstige toepassing, alsof de
werkzaamheid een onderneming vormt.
2. Bij de bepaling van het
resultaat met betrekking tot een werkzaamheid als bedoeld in de
artikelen 3.91 en 3.92, met uitzondering van artikel 3.91, eerste
lid, onderdeel c, zijn de artikelen 3.53, eerste lid, onderdelen a
en b, en tweede lid, 3.54 en 3.64 ook van overeenkomstige
toepassing, alsof de werkzaamheid een onderneming vormt.
Artikel 3.95a. Aftrek bij het
toepassing vinden van artikel 2.14, derde lid, onderdeel d
Indien ingevolge artikel 2.14, derde
lid, onderdeel d, door de belastingplichtige genoten vergoedingen
ter zake van een werkruimte niet worden aangemerkt als loon doch als
voordeel behaald met een werkzaamheid en die werkruimte behoort tot
het vermogen van een onderneming van hem of van één met hem
verbonden persoon als bedoeld in dat artikelonderdeel, wordt voor de
berekening van het resultaat met die werkzaamheid slechts als kosten
en lasten in aftrek gebracht een evenredig deel van de op de voet
van artikel 3.19 berekende bijtelling privé-gebruik woning.
Artikel 3.95b. Aanvullende bepaling
resultaat bij lucratieve belangen
1. Ingeval op enig tijdstip een
vermogensbestanddeel tot een werkzaamheid als bedoeld in artikel
3.92b gaat behoren, wordt het op dat tijdstip te boek gesteld op
het bedrag dat is opgeofferd ter verkrijging van het bestanddeel
vermeerderd met het bedrag waarover ter zake van de verkrijging
van het bestanddeel inkomstenbelasting is geheven. Indien het in
de eerste volzin bedoelde tijdstip samenvalt met het tijdstip
waarop de belastingplichtige in Nederland gaat wonen, wordt in
afwijking van de eerste volzin het vermogensbestanddeel te boek
gesteld op de waarde die op dat tijdstip in het economische
verkeer aan dat vermogensbestanddeel kan worden toegekend.
2. Ingeval een tot een werkzaamheid
als bedoeld in artikel 3.92b behorend vermogensbestanddeel
middellijk wordt gehouden, wordt het resultaat met betrekking tot
deze werkzaamheid niet later genoten dan ingeval dit
vermogensbestanddeel onmiddellijk zou zijn gehouden.
3. Ingeval een tot een werkzaamheid
als bedoeld in artikel 3.92b behorend vermogensbestanddeel
onmiddellijk wordt gehouden en dat vermogensbestanddeel bij
dezelfde belastingplichtige met ingang van enig tijdstip
middellijk wordt gehouden, wordt het vermogensbestanddeel op het
direct daaraan voorafgaande tijdstip te boek gesteld op de waarde
ervan in het economische verkeer. De eerste volzin is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot een middellijk
gehouden vermogensbestanddeel dat met ingang van enig tijdstip
onmiddellijk wordt gehouden.
4. Indien de berekening van de in
een jaar genoten voordelen met betrekking tot middellijk gehouden
vermogensbestanddelen die tot een werkzaamheid als bedoeld in
artikel 3.92b behoren, zou leiden tot een negatief bedrag, wordt
dat negatieve bedrag niet tot het resultaat van een werkzaamheid
gerekend.
5. Ingeval de belastingplichtige
daarvoor kiest, worden de in een kalenderjaar genoten voordelen
met betrekking tot middellijk gehouden vermogensbestanddelen die
tot een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3.92b behoren, niet
tot het resultaat van een werkzaamheid gerekend, mits in dat
kalenderjaar tot een bedrag van ten minste 95% van die voordelen
inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten dat een
weerspiegeling is van die voordelen.
Artikel 3.96. Vrijstelling
Tot het resultaat behoren niet:
a. voordelen uit het deelnemen
aan kansspelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet
op de kansspelbelasting;
b. voordelen die door de
belastingplichtige worden behaald ter zake van het verrichten
van arbeid in de onderneming van zijn partner, indien bij het
bepalen van de winst uit die onderneming de kosten en lasten die
verband houden met de vergoeding voor die arbeid op grond van
artikel 3.16, vierde lid, niet in aftrek komen;
c. voordelen die door de
belastingplichtige als vrijwilliger, bedoeld in artikel 2, zesde
lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, worden behaald,
waarbij het gezamenlijke bedrag van de vergoedingen en
verstrekkingen niet meer bedraagt dan de aldaar genoemde
bedragen.
Artikel 3.97. Keuzemogelijkheid bij
het houden van kostgangers
1. Indien de belastingplichtige bij
de aangifte daarvoor kiest, worden de door hem uit het houden van
kostgangers verkregen opbrengsten voor een deel als voordelen uit
eigen woning dan wel uit een huurrecht aangemerkt. Dit keuzerecht
geldt voor het deel van de opbrengsten dat betrekking heeft op
het, anders dan voor korte duur, ter beschikking stellen aan
derden van al dan niet gestoffeerde of gemeubileerde woonruimte
die niet een zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van de
woning die de belastingplichtige tot hoofdverblijf dient.
2. Het eerste lid is alleen van
toepassing indien:
a. het deel van de opbrengsten
dat betrekking heeft op het ter beschikking stellen van de
woonruimte niet meer bedraagt dan € 4410 per jaar, en
b. zowel de belastingplichtige
als degenen aan wie ter beschikking is gesteld gedurende de
periode van de terbeschikkingstelling als ingezetenen op het
woonadres ter zake van de woning zijn ingeschreven in de
basisadministratie persoonsgegevens.
Artikel 3.98. Doorschuiving bij
ontbinding van de vennootschap
1. Indien vermogensbestanddelen als
bedoeld in artikel 3.92 niet langer door de belastingplichtige ter
beschikking worden gesteld aan de vennootschap in verband met de
toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969 maar onderdeel gaan uitmaken van de onderneming van de
vennootschap die door hem wordt voortgezet, wordt, op verzoek van
de belastingplichtige, de daarmee behaalde stakingswinst niet in
aanmerking genomen voor het bepalen van het in het jaar uit de
werkzaamheid genoten resultaat. In dat geval wordt bij de
onderneming de boekwaarde van de vermogensbestanddelen gesteld op
de boekwaarde daarvan bij de werkzaamheid.
2. Indien een vermogensbestanddeel
als bedoeld in artikel 3.92 niet langer door de belastingplichtige
ter beschikking wordt gesteld aan de vennootschap in verband met
de toepassing van artikel 14c van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 en onderdeel gaat uitmaken van de
onderneming van de vennootschap die door de echtgenoot wordt
voortgezet, wordt op verzoek van de belastingplichtige en zijn
echtgenoot de daarmee behaalde stakingswinst niet in aanmerking
genomen voor het bepalen van het in het jaar uit de werkzaamheid
genoten resultaat. In dat geval wordt bij de onderneming van de
echtgenoot de boekwaarde van het vermogensbestanddeel gesteld op
de boekwaarde daarvan bij de werkzaamheid van de
belastingplichtige.
3. Dit artikel is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot fiscale reserves als
bedoeld in artikel 3.53 alsmede voorzieningen die in
overeenstemming met artikel 3.25 zijn gevormd bij de bepaling van
het resultaat uit de werkzaamheid. Degene naar wie de reserve of
voorziening is overgegaan, wordt geacht in de plaats te zijn
getreden van degene die de reserve of voorziening heeft gevormd.
Artikel 3.98a. Omzetting van een
afgewaardeerde vordering als bedoeld in artikel 3.92
1. Indien de belastingplichtige
een schuldvordering heeft als bedoeld in artikel 3.92 en die
schuldvordering is afgewaardeerd ten laste van de winst uit een
onderneming of het resultaat uit een werkzaamheid van hem of van
een met hem verbonden persoon, wordt, indien zich een
omstandigheid voordoet als bedoeld in het tweede lid, tot het
resultaat van de belastingplichtige gerekend een bedrag gelijk
aan die afwaardering. Het in de eerste volzin bedoelde bedrag
kan gelijktijdig ten laste van het resultaat worden toegevoegd
aan een reserve (opwaarderingsreserve).
2. Van een omstandigheid als
bedoeld in het eerste lid is sprake indien:
a. de met de schuldvordering
corresponderende schuld door de schuldenaar wordt voldaan
door het uitgeven van aandelen of winstbewijzen (omzetting);
b. de met de schuldvordering
corresponderende schuld gaat functioneren als eigen vermogen
van de schuldenaar zonder dat deze daartoe aandelen of
winstbewijzen uitgeeft waarbij de schuldvordering niet meer
behoort tot het vermogen van een werkzaamheid; of
c. de schuldvordering geheel
of gedeeltelijk wordt prijsgegeven.
3. Het eerste lid is ter zake van
een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c,
niet van toepassing voor zover de in dat lid bedoelde
omstandigheid bij de schuldenaar leidt tot belastbare winst in
Nederland of meebrengt dat een voordeel bij de schuldenaar wordt
betrokken in de heffing van een belasting naar de winst die naar
Nederlandse maatstaven redelijk is.
4. De opwaarderingsreserve wordt
aan het resultaat toegevoegd voor zover het verschil tussen de
actuele waarde in het economische verkeer van de aandelen of
winstbewijzen die de belastingplichtige of een met hem verbonden
persoon direct of indirect houdt in de schuldenaar en de waarde
in het economische verkeer van die aandelen of winstbewijzen ten
tijde van de in het eerste lid bedoelde omstandigheid uitgaat
boven het bedrag waarmee de opwaarderingsreserve sinds die
omstandigheid reeds is afgenomen. Daarbij wordt de
waardestijging van de direct of indirect gehouden aandelen of
winstbewijzen van een met de belastingplichtige verbonden
persoon bij de belastingplichtige niet in aanmerking genomen,
voor zover die waardestijging bij de verbonden persoon op grond
van dit artikel reeds leidt tot een toevoeging aan het resultaat
uit een werkzaamheid.
5. Indien aandelen of
winstbewijzen van de belastingplichtige of een met hem verbonden
persoon in de schuldenaar na de in het eerste lid bedoelde
omstandigheid zijn vervreemd aan een niet met de
belastingplichtige verbonden persoon of een vennootschap waarin
de belastingplichtige noch een met hem verbonden persoon een
aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4, wordt voor
de toepassing van het vierde lid de actuele waarde in het
economische verkeer van de daar bedoelde aandelen of
winstbewijzen vermeerderd met de overdrachtsprijs van de
vervreemde aandelen of winstbewijzen. Indien de
belastingplichtige of een met hem verbonden persoon zijn
aandelenbezit of bezit van winstbewijzen in de schuldenaar na de
in het eerste lid bedoelde omstandigheid heeft uitgebreid
doordat aandelen of winstbewijzen zijn verkregen van de
schuldenaar zelf of van een niet met de belastingplichtige
verbonden persoon of een vennootschap waarin noch de
belastingplichtige noch een met hem verbonden persoon een
aanmerkelijk belang heeft als bedoeld inhoofdstuk 4, wordt voor
de toepassing van het vierde lid de actuele waarde in het
economische verkeer van de daar bedoelde aandelen of
winstbewijzen verminderd met de verkrijgingsprijs van die
uitbreiding. Onder een uitbreiding van het aandelenbezit of
bezit aan winstbewijzen als bedoeld in de tweede volzin wordt
mede begrepen een storting van kapitaal zonder uitreiking van
aandelen of winstbewijzen.
6. Indien een omstandigheid,
anders dan omschreven in het achtste lid, meebrengt dat noch de
belastingplichtige, noch een met hem verbonden persoon, meer een
aanmerkelijk belang als bedoeld in hoofdstuk 4 in de schuldenaar
heeft, wordt direct voorafgaande aan die omstandigheid het
vierde lid voor het laatst toegepast. Ingeval daarna nog een
bedrag aan opwaarderingsreserve resteert, vervalt dat restant
zonder dat dit tot een toevoeging aan het resultaat leidt.
7. In afwijking van het zesde
lid, tweede volzin, wordt het restant van de
opwaarderingsreserve wel toegevoegd aan het resultaat uit een
werkzaamheid indien de omstandigheid in overwegende mate is
gericht op het realiseren van een vrijval van de
opwaarderingsreserve die niet tot een toevoeging aan het
resultaat leidt. Een omstandigheid wordt, tenzij het tegendeel
aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn
gericht op het realiseren van een vrijval die niet tot een
toevoeging aan het resultaat leidt, indien de belastingplichtige
of een met hem verbonden persoon binnen drie jaar na die
omstandigheid opnieuw een aanmerkelijk belang in de schuldenaar
verkrijgt.
8. Indien de onderneming of een
gedeelte van de onderneming van de schuldenaar wordt vervreemd
aan de belastingplichtige of aan een met hem verbonden persoon
dan wel aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een
met hem verbonden persoon, een aanmerkelijk belang heeft als
bedoeld in hoofdstuk 4, wordt onmiddellijk daaraan voorafgaand
de opwaarderingsreserve toegevoegd aan het resultaat.
9. Voor de toepassing van dit
artikel zijn deartikelen 4.3, 4.4, 4.5 en 4.5a van
overeenkomstige toepassing.
10. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder een met de belastingplichtige verbonden
persoon verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel
3.91, tweede lid, onderdelen b en c.
Artikel 3.98b. Vervreemding van een
afgewaardeerde vordering
1. Indien de belastingplichtige een
schuldvordering heeft als bedoeld in artikel 3.91 of 3.92 en die
schuldvordering is afgewaardeerd ten laste van de winst uit een
onderneming of het resultaat uit een werkzaamheid van hem of van
een met hem verbonden persoon, wordt, indien de schuldvordering
wordt vervreemd of overgebracht als omschreven in het tweede lid,
ter zake van die vervreemding of overbrenging, tot het resultaat
van de belastingplichtige gerekend een bedrag gelijk aan die
afwaardering voorzover met betrekking tot die schuldvordering niet
reeds een bedrag op de voet van dit artikel tot het resultaat van
de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon is
gerekend.
2. Een vervreemding of overbrenging
als bedoeld in het eerste lid doet zich voor indien de
afgewaardeerde schuldvordering:
a. wordt vervreemd aan een met
de belastingplichtige verbonden persoon of aan een
vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem
verbonden persoon, een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld
in hoofdstuk 4, onderscheidenlijk
b. wordt overgebracht naar het
vermogen van een buiten Nederland gedreven onderneming, dan
wel naar het vermogen van een buiten Nederland gedreven
gedeelte van een onderneming op de winst waarvan een regeling
ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is.
3. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing indien de onderneming of een gedeelte
van de onderneming van de schuldenaar wordt vervreemd aan de
belastingplichtige of een met hem verbonden persoon of aan een
vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden
persoon een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4.
4. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder een met de belastingplichtige verbonden
persoon verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3.91,
tweede lid, onderdelen b en c.
5. Voor de toepassing van het
tweede lid, onderdeel a, en het derde lid, wordt bij vervreemding
aan een niet in Nederland wonend natuurlijk persoon of een niet in
Nederland gevestigd lichaam, die persoon onderscheidenlijk dat
lichaam geacht een met de belastingplichtige verbonden persoon te
zijn onderscheidenlijk een vennootschap te zijn waarin de
belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, een
aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4, tenzij de
belastingplichtige het tegendeel aannemelijk maakt.
Artikel 3.98c. Doorschuiving bij
overgang krachtens huwelijksvermogensrecht
1. De overgang krachtens
huwelijksvermogensrecht van een evenredig deel van een
vermogensbestanddeel van de belastingplichtige op zijn echtgenoot
wordt ten aanzien van hem niet als een staking van een
werkzaamheid aangemerkt, mits het evenredig deel bij de echtgenoot
tot een werkzaamheid behoort. De echtgenoot stelt het evenredig
deel van het vermogensbestanddeel voor de eerste keer te boek op
een evenredig deel van de laatste boekwaarde van het
vermogensbestanddeel bij de belastingplichtige. De eerste volzin
is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot fiscale
reserves als bedoeld in artikel 3.53 alsmede voorzieningen die in
overeenstemming met artikel 3.25 zijn gevormd bij de bepaling van
het resultaat uit de werkzaamheid. Degene naar wie de reserve of
voorziening is overgegaan, wordt geacht in de plaats te zijn
getreden van degene die de reserve of voorziening heeft gevormd.
2. Het eerste lid vindt geen
toepassing indien de belastingplichtige en zijn echtgenoot
daarvoor kiezen. De keuze wordt gemaakt bij de aangifte van de
belastingplichtige.
Artikel 3.98d. Doorschuiving bij
overgang krachtens verdeling van een huwelijksgemeenschap anders dan
door overlijden
1. De verdeling van een
huwelijksgemeenschap waartoe een ter beschikking gesteld
vermogensbestanddeel als bedoeld in artikel 3.92, eerste of tweede
lid, behoort binnen twee jaren na de ontbinding van de
huwelijksgemeenschap anders dan door overlijden, wordt met
betrekking tot dat vermogensbestanddeel niet als een vervreemding
aangemerkt mits het vermogensbestanddeel bij de verkrijger tot een
werkzaamheid blijft behoren. De verkrijger stelt het deel van het
vermogensbestanddeel dat hij verkrijgt te boek op de laatste
boekwaarde van dat deel van het vermogensbestanddeel bij degene
van wie het is verkregen. De eerste volzin is van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot fiscale reserves als bedoeld in
artikel 3.53 alsmede voorzieningen die in overeenstemming met
artikel 3.25 zijn gevormd bij de bepaling van het resultaat uit de
werkzaamheid. Degene naar wie de reserve of voorziening is
overgegaan, wordt geacht in de plaats te zijn getreden van degene
die de reserve of voorziening heeft gevormd.
2. Het eerste lid vindt geen
toepassing indien de beide gewezen echtgenoten hier gezamenlijk
voor kiezen. De keuze wordt schriftelijk kenbaar gemaakt aan de
inspecteur van de gewezen echtgenoot bij wie een
vervreemdingsvoordeel in aanmerking wordt genomen.
3. Deartikelen 3.98a en 3.98b zijn
bij een belastingplichtige van overeenkomstige toepassing op een
ter beschikking gestelde schuldvordering als bedoeld in artikel
3.92, eerste of tweede lid, die voorafgaande aan de verdeling van
een huwelijksgemeenschap is afgewaardeerd ten laste van het
resultaat uit een werkzaamheid van zijn gewezen echtgenoot.
Artikel 3.99. Overgang werkzaamheid
in onderneming
Indien een werkzaamheid in een
kalenderjaar uitgroeit tot een onderneming waaruit de
belastingplichtige als ondernemer winst geniet, wordt voor het
bepalen van het in het jaar uit de werkzaamheid genoten resultaat,
de werkzaamheid geacht niet te zijn gestaakt. In dat geval wordt bij
de onderneming de boekwaarde van de vermogensbestanddelen gesteld op
de boekwaarde daarvan bij de werkzaamheid.
Artikel 3.99a [Vervallen per
01-01-2011]
Paragraaf 3.4.3.
Terbeschikkingstellingsvrijstelling
Artikel 3.99b.
Terbeschikkingstellingsvrijstelling
1. De
terbeschikkingstellingsvrijstelling geldt voor de
belastingplichtige met een werkzaamheid als bedoeld in artikel
3.91 of artikel 3.92, met uitzondering van artikel 3.91, eerste
lid, onderdeel c.
2. De
terbeschikkingstellingsvrijstelling bedraagt 12% van het
gezamenlijke bedrag van het resultaat uit werkzaamheden als
bedoeld in de artikelen 3.91 en 3.92, met uitzondering van artikel
3.91, eerste lid, onderdeel c.
Afdeling 3.5. Belastbare periodieke
uitkeringen en verstrekkingen
Artikel 3.100. Belastbare periodieke
uitkeringen en verstrekkingen
1. Belastbare periodieke
uitkeringen en verstrekkingen zijn:
a. de aangewezen periodieke
uitkeringen en verstrekkingen;
b. termijnen van lijfrenten als
bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel b, en in
artikel 3.125 en andere periodieke uitkeringen en
verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid,
onderdeel c, en in artikel 3.126a;
c. uitkeringen en
verstrekkingen op grond van een buitenlandse voorziening
waarvan de strekking overeenkomt met een inkomensvoorziening
als bedoeld in afdeling 3.7, behoudens voorzover aannemelijk
is dat met de voor die voorziening betaalde premies geen
rekening is gehouden bij een heffing naar het inkomen;
d. uitkeringen op grond van
verplicht gestelde deelnemingen aan pensioenregelingen als
bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b;
verminderd met de daarop drukkende
aftrekbare kosten, bedoeld in artikel 3.108.
2. In afwijking in zoverre van
artikel 2.14 wordt de belastbaarheid van uitkeringen op grond van
buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen
met uitkeringen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet beheerst
door deze afdeling.
Artikel 3.101. Aangewezen periodieke
uitkeringen en verstrekkingen
1. Aangewezen periodieke
uitkeringen en verstrekkingen zijn de periodieke uitkeringen en
verstrekkingen die:
a. worden ontvangen op grond
van een publiekrechtelijke regeling;
b. worden ontvangen op grond
van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende
verplichting, tenzij de uitkeringen of verstrekkingen worden
ontvangen van bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in
de tweede graad van de zijlijn;
c. in rechte vorderbaar zijn en
niet de tegenwaarde voor een prestatie vormen, tenzij de
uitkeringen of verstrekkingen worden ontvangen van een bloed-
of aanverwant in de rechte lijn of in de tweede graad van de
zijlijn dan wel de genieter behoort tot het huishouden van de
schuldenaar;
d. niet in rechte vorderbaar
zijn en worden ontvangen van een rechtspersoon.
2. Indien verstrekkingen als
bedoeld in het eerste lid, onderdelen b of c, worden ontvangen in
de vorm van huisvesting ter zake van een woning of een gedeelte
van een woning, worden die verstrekkingen voorzover zij afkomstig
zijn van een beperkt gerechtigde tot die woning of gedeelte van
die woning gesteld op de huurwaarde respectievelijk een evenredig
deel van de huurwaarde berekend volgens artikel 3.112.
Artikel 3.102. Algemene uitbreidingen
aangewezen uitkeringen
1. Tot de aangewezen periodieke
uitkeringen en verstrekkingen behoort wat wordt ontvangen ter
vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen en
verstrekkingen.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing voorzover wat wordt ontvangen ter vervanging van de
gederfde of te derven periodieke uitkeringen en verstrekkingen
bestaat uit een recht op soortgelijke periodieke uitkeringen en
verstrekkingen.
3. Tot de aangewezen periodieke
uitkeringen en verstrekkingen behoort wat in het kader van
echtscheiding of scheiding van tafel en bed wordt ontvangen ter
zake van het recht op verrekening van:
a. pensioenrechten;
b. lijfrenten en andere
inkomensvoorzieningen voorzover de daarvoor betaalde premies
als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn
genomen.
4. Het derde lid is niet van
toepassing voorzover wat wordt ontvangen bestaat uit een lijfrente
of een andere inkomensvoorziening en de daarvoor betaalde premies
als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen.
5. Tot wat wordt ontvangen ter zake
van het recht op verrekening bedoeld in het derde lid, behoort
niet een recht op periodieke uitkeringen en verstrekkingen dat is
toegekend door degene die tot de verrekening verplicht is.
Artikel 3.103. Specifieke
uitbreidingen publiekrechtelijke uitkeringen
Tot de periodieke uitkeringen en
verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een
publiekrechtelijke regeling behoren:
a. uitkeringen uit vrijwillige
verzekering op grond van de artikelen 35 of 38 van de Algemene
Ouderdomswet en de artikelen 63a, 63d of 66a, derde lid, van de
Algemene nabestaandenwet;
b. uitkeringen aan
gemoedsbezwaarden op grond van artikel 48 van de Algemene
Ouderdomswet;
c. uitkeringen op grond van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
d. uitkeringen op grond van
buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen
met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a, b en c.
Artikel 3.104. Vrijstellingen
publiekrechtelijke uitkeringen
Tot de aangewezen periodieke
uitkeringen en verstrekkingen behoren niet:
a. uitkeringen en verstrekkingen
op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
b. uitkeringen op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet en het kindgebonden budget op grond
van de Wet op het kindgebonden budget;
c. uitkeringen ingevolge artikel
4.3 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
d. uitkeringen in de vorm van een
gift of een voorwaardelijke gift ingevolge de Wet
studiefinanciering 2000;
e. uitkeringen als bedoeld in de
artikelen 7.51, eerste tot en met zesde lid, en 17.10 van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
f. uitkeringen en verstrekkingen
op grond van de Wet werk en bijstand die zijn bedoeld ter
dekking van bepaalde noodzakelijke kosten, waaronder begrepen
uitkeringen als bedoeld in artikel 36 van die wet;
g. kinderopvangtoeslag en
tegemoetkomingen op grond van de Wet kinderopvang en
kwaliteitseisen peuterspeelzalen;
h. op het inkomen van de
belastingplichtige afgestemde uitkeringen die bij ministeriële
regeling worden aangewezen, voorzover zij volgens die regeling
zijn bedoeld ter dekking van:
1°. bepaalde noodzakelijke
kosten van huur van een woning of een woonwagen;
2°. bepaalde noodzakelijke
kosten in verband met de verkrijging of het behoud van een
eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, waarbij voor de
toepassing van de regeling inzake de aftrek van de op de
voordelen uit die woning drukkende kosten als bedoeld in
artikel 3.110 deze uitkering geacht wordt wel te zijn
aangewezen;
3°. bepaalde noodzakelijke
kosten in verband met opleiding of studie;
4°. bepaalde noodzakelijke
kosten die naar aard en strekking overeenkomen met kosten
als bedoeld in onderdeel f;
5°. bepaalde noodzakelijke
kosten van huishoudelijke hulp;
i. bij ministeriële regeling aan
te wijzen uitkeringen die zijn bedoeld ter dekking van
onderhoudskosten van thuiswonende gehandicapte kinderen;
j. uitkeringen krachtens artikel
44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten;
k. de zorgtoeslag op grond van de
Wet op de zorgtoeslag;
l. uitkeringen en verstrekkingen
op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning;
m. bij ministeriële regeling aan
te wijzen uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen
met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met l;
n. uitkeringen ingevolge artikel
118a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet;
o. de vaste vergoedingen voor
behandeling of verpleging, bedoeld in de algemene maatregel van
bestuur gebaseerd op artikel 11a van de Wet buitengewoon
pensioen 1940–1945, onderscheidenlijk artikel 15 van de Wet
buitengewoon pensioen Indisch verzet en artikel 3 van de Wet
buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, alsmede bij
ministeriële regeling aan te wijzen voorzieningen voor
militaire oorlogs- of dienstslachtoffers die verband houden met
invaliditeit;
p. tegemoetkomingen krachtens
artikel 2 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en
gehandicapten;
q. uitkeringen op grond van
buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen
met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met p.
Artikel 3.105. Specifieke
uitbreidingen familierechtelijke uitkeringen
1. Tot de periodieke uitkeringen en
verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een rechtstreeks
uit het familierecht voortvloeiende verplichting behoren de
periodieke uitkeringen en verstrekkingen voorzover zij zijn
overeengekomen in het kader van echtscheiding of scheiding van
tafel en bed ter verrekening van:
a. pensioenrechten;
b. lijfrenten en andere
inkomensvoorzieningen voorzover de daarvoor betaalde premies
als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn
genomen.
2. Tot de periodieke uitkeringen en
verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een rechtstreeks
uit het familierecht voortvloeiende verplichting behoren de
periodieke uitkeringen en verstrekkingen die dienen ter vervanging
van dergelijke periodieke uitkeringen en verstrekkingen.
3. Het eerste en het tweede lid
zijn uitsluitend van toepassing op periodieke uitkeringen en
verstrekkingen die worden gedaan door degene die tot de
verrekening respectievelijk de vervanging verplicht is.
Artikel 3.106. Uitbreidingen
uitkeringen uit inkomensvoorzieningen
1. Voorzover ter zake van een
lijfrente of een andere aanspraak uit een inkomensvoorziening als
bedoeld in artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b, dan wel een
aanspraak op grond van een pensioenregeling als bedoeld in artikel
3.100, eerste lid, onderdeel d, op enig moment negatieve uitgaven
voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen, behoort
op dat tijdstip mede tot de uitkeringen als bedoeld in genoemd
onderdeel b of d, de waarde in het economische verkeer van de
aanspraak voorzover deze de ter zake van de aanspraak in
aanmerking genomen negatieve uitgaven te boven gaat.
2. Tot de uitkeringen op grond van
een buitenlandse voorziening als bedoeld in artikel 3.100, eerste
lid, onderdeel c, behoort mede:
a. wat wordt genoten ter
vervanging van gederfde of te derven zodanige uitkeringen;
b. wat met betrekking tot een
recht op zodanige uitkeringen wordt genoten ter zake van
vervreemding of het onherroepelijk worden van de begunstiging.
3. Voor de toepassing van het
tweede lid, onderdeel b, wordt als op het tijdstip van
vervreemding of onherroepelijk worden van de begunstiging genoten
bedrag aangemerkt, de waarde in het economische verkeer van het in
dat onderdeel bedoelde recht. De vorige volzin is niet van
toepassing indien de verkrijger of de begunstigde een natuurlijk
persoon is en het verkregen recht geen deel uitmaakt van het
vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming. Met
vervreemding wordt gelijkgesteld het brengen in het vermogen van
een onderneming.
Artikel 3.107. Uitgezonderde
uitkeringen uit inkomensvoorzieningen
1. Tot de uitkeringen uit
inkomensvoorzieningen bedoeld in artikel 3.100, eerste lid,
onderdeel b, en de uitkeringen uit pensioenregelingen als bedoeld
in artikel 3.100, eerste lid, onderdeel d, behoren niet
uitkeringen op grond van een voorziening waarvan de waarde op
grond van artikel 3.106 in aanmerking is genomen.
2. Artikel 2.14, tweede lid, is
niet van toepassing op het recht waaruit deze uitkeringen
voortvloeien.
Artikel 3.107a. Bepaling omvang
belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen
1. Voor het bepalen van de omvang
van belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen als
bedoeld in artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b, ingevolge een
overeenkomst ter zake waarvan de belastingplichtige aannemelijk
heeft gemaakt dat de betaalde premies en bedragen geheel of
gedeeltelijk niet als uitgave voor inkomensvoorziening in
aanmerking zijn genomen, worden op de termijn of uitkering tot het
in het tweede lid aangegeven maximum in mindering gebracht de
betaalde premies en bedragen waarvan aannemelijk is dat die niet
als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen en
voor zover die in mindering te brengen premies en bedragen niet
reeds:
a. bij een eerdere termijn of
uitkering ingevolge dit lid in mindering zijn gebracht, of
b. bij een afkoop ingevolge
artikel 3.137, tweede lid, in mindering zijn gebracht.
2. Van de in een kalenderjaar
betaalde premies en bedragen die niet als uitgave voor
inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen, kan ten hoogste€
2 269 op de voet van dit artikel en artikel 3.137 in mindering
worden gebracht, met dien verstande dat ingeval in een
kalenderjaar ter zake van meerdere overeenkomsten premies en
bedragen zijn betaald die niet als uitgave voor
inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen het maximum van€
2269 geldt voor het totaal van die premies en bedragen.
Artikel 3.108. Aftrekbare kosten van
aangewezen uitkeringen en van uitkeringen uit inkomensvoorzieningen
Aftrekbare kosten van uitkeringen en
verstrekkingen zijn de daarop drukkende kosten voorzover zij zijn
gemaakt tot verwerving, inning en behoud van die uitkeringen en
verstrekkingen. De kosten kunnen in mindering worden gebracht
voorzover zij in hun totale omvang niet overtreffen wat gebruikelijk
is.
Artikel 3.109. Van aftrek uitgesloten
kosten
Tot de aftrekbare kosten van
uitkeringen en verstrekkingen behoren niet renten van schulden,
kosten van geldleningen daaronder begrepen. Artikel 3.14, zevende
lid, en 3.16, negende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3.5a. Belastbaar voordeel
uit vitaliteitssparen [Treedt in werking per 01-01-2013]
Artikel 3.109a. Belastbaar voordeel
uit vitaliteitssparen [Treedt in werking per 01-01-2013]
1. Als belastbaar voordeel uit
vitaliteitssparen worden aangemerkt:
a. bedragen die worden
overgemaakt van een vitaliteitsspaarrekening;
b. uitkeringen ingevolge een
vitaliteitsspaarverzekering, daaronder begrepen hetgeen wordt
ontvangen bij afkoop van een dergelijke verzekering;
c. opbrengsten ter zake van een
vervreemding van een vitaliteitsspaarrecht van deelneming.
2. Ingeval in een kalenderjaar na
het kalenderjaar waarin de belastingplichtige de leeftijd van 61
jaar bereikt, gezamenlijk een hoger bedrag dan€ 10 000:
a. van de
vitaliteitsspaarrekening is overgeboekt;
b. uit een
vitaliteitsspaarverzekering tot uitkering is gekomen;
c. van het
vitaliteitsspaarrecht van deelneming is vervreemd;
wordt in dat jaar als belastbaar
voordeel uit vitaliteitssparen in aanmerking genomen het tegoed
van de vitaliteitsspaarrekening, onderscheidenlijk de waarde in
het economische verkeer van de vitaliteitsspaarverzekering,
onderscheidenlijk de waarde in het economische verkeer van het
vitaliteitsspaarrecht van deelneming.
3. Ingeval niet uiterlijk op de dag
voorafgaand aan de dag waarop de belastingplichtige de leeftijd
van 65 jaar bereikt:
a. het tegoed van de
vitaliteitsspaarrekening is overgeboekt;
b. de
vitaliteitsspaarverzekering tot uitkering is gekomen;
c. het vitaliteitsspaarrecht
van deelneming is vervreemd;
wordt op de dag voorafgaand aan de
dag waarop de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt
als belastbaar voordeel uit vitaliteitssparen in aanmerking
genomen het tegoed van de vitaliteitsspaarrekening,
onderscheidenlijk de waarde in het economische verkeer van de
vitaliteitsspaarverzekering, onderscheidenlijk de waarde in het
economische verkeer van het vitaliteitsspaarrecht van deelneming.
4. Ingeval de belastingplichtige
voor het bereiken van de leeftijd van 65 overlijdt en tot het
tijdstip van overlijden:
a. het tegoed van de
vitaliteitsspaarrekening nog niet volledig is overgeboekt;
b. de
vitaliteitsspaarverzekering nog niet volledig tot uitkering is
gekomen;
c. het vitaliteitsspaarrecht
van deelneming nog niet is vervreemd;
wordt op de dag voorafgaand aan de
dag van overlijden van de belastingplichtige als belastbaar
voordeel uit vitaliteitssparen in aanmerking genomen het tegoed
van de vitaliteitsspaarrekening, onderscheidenlijk de waarde in
het economische verkeer van de vitaliteitsspaarverzekering,
onderscheidenlijk de waarde in het economische verkeer van het
vitaliteitsspaarrecht van deelneming.
5. Ingeval op enig tijdstip:
a. een regeling voor
vitaliteitssparen niet langer als zodanig is aan te merken;
b. een aanspraak ingevolge
vitaliteitssparen wordt vervreemd, anders dan bedoeld in het
eerste lid;
wordt op het onmiddellijk daaraan
voorafgaande tijdstip als belastbaar voordeel uit
vitaliteitssparen in aanmerking genomen het tegoed van de
vitaliteitsspaarrekening, onderscheidenlijk de waarde in het
economische verkeer van de vitaliteitsspaarverzekering,
onderscheidenlijk de waarde in het economische verkeer van het
vitaliteitsspaarrecht van deelneming.
6. In afwijking van het eerste lid
wordt geen belastbaar voordeel uit vitaliteitssparen in aanmerking
genomen ter zake van de omzetting van vitaliteitssparen van de
belastingplichtige in ander vitaliteitssparen van de
belastingplichtige, daaronder begrepen de overmaking van een
bedrag van een vitaliteitsspaarrekening van de belastingplichtige
naar een andere vitaliteitsspaarrekening van de
belastingplichtige.
7. Bij de toepassing van het tweede
lid blijft buiten beschouwing de omzetting van vitaliteitssparen
van de belastingplichtige in ander vitaliteitssparen van de
belastingplichtige, daaronder begrepen de overmaking van een
bedrag van een vitaliteitsspaarrekening van de belastingplichtige
naar een andere vitaliteitsspaarrekening van de
belastingplichtige.
Afdeling 3.6. Belastbare inkomsten
uit eigen woning
Artikel 3.110. Belastbare inkomsten
uit eigen woning
Belastbare inkomsten uit eigen woning
zijn de voordelen uit eigen woning vermeerderd met het voordeel uit
kapitaalverzekering eigen woning, het voordeel uit spaarrekening
eigen woning en het voordeel uit beleggingsrecht eigen woning en
verminderd met de op de voordelen uit eigen woning drukkende
aftrekbare kosten (artikel 3.120).
Artikel 3.111. Eigen woning
1. In deze afdeling en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder eigen woning: een
gebouw, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de
Huisvestingswet, of een gedeelte van een gebouw, een schip of een
woonwagen, met de daartoe behorende aanhorigheden, voorzover dat
de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden
anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op
grond van:
a. eigendom, waaronder begrepen
economische eigendom, of een recht van lidmaatschap van een
coöperatie, indien met betrekking tot die woning de
belastingplichtige of zijn partner de voordelen geniet, de
kosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner
drukken en de waardeverandering hen grotendeels aangaat;
b. een recht van vruchtgebruik,
een recht van bewoning of een recht van gebruik dat de
belastingplichtige krachtens erfrecht heeft verkregen, indien
met betrekking tot die woning de belastingplichtige de
voordelen geniet en de kosten en lasten op hem drukken.
2. Een woning wordt voor de periode
dat deze in het kalenderjaar leeg staat mede aangemerkt als eigen
woning indien de woning de belastingplichtige in het kalenderjaar
of in een van de voorafgaande drie jaren als eigen woning als
bedoeld in het eerste lid ter beschikking heeft gestaan en hij
aannemelijk maakt dat de woning bestemd is voor verkoop. Indien
een in de eerste volzin bedoelde woning vanaf enig moment in de
daar bedoelde periode inkomen uit sparen en beleggen genereert en
vervolgens vanaf enig moment weer belastbare inkomsten uit eigen
woning, wordt een en ander voor de toepassing van artikel 3.119a
niet aangemerkt als een vervreemding, onderscheidenlijk als een
verwerving. Voorts vindtartikel 2.14, derde lid, onderdelen b en
c, met betrekking tot deze woning gedurende de in de eerste volzin
bedoelde periode geen toepassing en wordt de woning ook gedurende
deze periode voor de toepassing van de artikelen 3.116 en 3.116a
aangemerkt als eigen woning.
3. Een woning wordt mede aangemerkt
als eigen woning indien de belastingplichtige aannemelijk maakt
dat de woning leeg staat of in aanbouw is en uitsluitend bestemd
is om in het kalenderjaar of in een van de daaropvolgende drie
jaren hem als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter
beschikking te staan.
4. Een woning wordt voor ten
hoogste twee jaren na het tijdstip waarop de woning de
belastingplichtige niet langer anders dan tijdelijk als
hoofdverblijf ter beschikking staat mede aangemerkt als eigen
woning indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat
gedurende die periode de woning zijn gewezen partner anders dan
tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. Voor de
toepassing van dit lid en van het achtste lid wordt onder de
gewezen partner mede verstaan de duurzaam gescheiden levende
echtgenoot.
5. Een woning wordt voor ten
hoogste twee jaren na het tijdstip waarop de woning de
belastingplichtige niet langer anders dan tijdelijk als
hoofdverblijf ter beschikking staat mede aangemerkt als eigen
woning indien de belastingplichtige gedurende die periode is
opgenomen in een verpleeg- of verzorgingshuis vanwege medische
redenen of ouderdom.
6. Een woning die de
belastingplichtige gedurende tenminste een jaar als eigen woning
als bedoeld in het eerste lid ter beschikking heeft gestaan en
sindsdien tijdelijk als hoofdverblijf niet anders dan tijdelijk
ter beschikking staat, kan op verzoek mede worden aangemerkt als
eigen woning indien gedurende die periode:
a. de woning niet aan derden
ter beschikking wordt gesteld en
b. de belastingplichtige
tezamen met zijn partner niet met betrekking tot een andere
woning belastbare inkomsten uit eigen woning geniet.
7. Het tijdelijk ter beschikking
stellen van een woning aan derden, ontneemt daaraan niet het
karakter van hoofdverblijf.
8. Bij een belastingplichtige en
zijn partner tezamen wordt niet meer dan één hoofdverblijf in
aanmerking genomen. Indien partners meer dan één woning hebben
die als hoofdverblijf kan worden aangemerkt, kunnen de
belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk bij de aangifte
kiezen welke van die woningen als zodanig wordt aangemerkt.
9. Indien de belastingplichtige en
zijn partner voor een kalenderjaar:
a. de keuze om één woning als
hoofdverblijf aan te merken hebben gemaakt, kan niet op die
keuze worden teruggekomen;
b. geen keuze hebben gemaakt,
wordt geen van de woningen als hoofdverblijf aangemerkt.
10. Onder eigen woning wordt niet
begrepen een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van een
gebouw, schip of woonwagen met de daartoe behorende aanhorigheden
dat wordt gebruikt:
1°. in een onderneming van de
belastingplichtige of persoon die tot zijn huishouden behoort
en bij de bepaling van de winst van die onderneming ter zake
van dat gebruik een bedrag ten laste van de winst kan worden
gebracht;
2°. voor resultaat uit een of
meer werkzaamheden van de belastingplichtige of persoon die
tot zijn huishouden behoort en bij de bepaling van dat
resultaat ter zake van dat gebruik een bedrag ten laste van
het resultaat kan worden gebracht, of
3°. in een vennootschap waarin
de belastingplichtige of persoon die tot zijn huishouden
behoort een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk
4, uitgezonderd de artikelen 4.10 en 4.11, en bij de bepaling
van de winst van die vennootschap ter zake van dat gebruik een
bedrag ten laste van de winst kan worden gebracht.
Artikel 3.112. Eigenwoningforfait
1. De voordelen uit eigen woning
worden bij een eigenwoningwaarde van:
|
Meer dan |
Maar niet meer
dan |
Op jaarbasis
gesteld op |
|
– |
€ 12 500 |
nihil |
|
€ 12 500 |
€ 25 000 |
0,20% van deze waarde |
|
€ 25 000 |
€ 50 000 |
0,35% van deze waarde |
|
€ 50 000 |
€ 75 000 |
0,45% van deze waarde |
|
€ 75 000 |
€1 040 000 |
0,60% van deze waarde |
|
€1 040 000 |
– |
€6240 vermeerderd met 1,30%
van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven €1
040 000. |
2. De eigenwoningwaarde is de
volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor
die woning vastgestelde waarde of waarden voor het kalenderjaar.
Indien een eigen woning deel uitmaakt van een onroerende zaak
als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende
zaken, wordt de eigenwoningwaarde gesteld op het gedeelte van de
waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegekend aan de
woning.
3. Met betrekking tot de eigen
woning ter zake waarvan het tweede lid geen toepassing kan
vinden door het ontbreken van een op grond van hoofdstuk IV van
de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde, is de
eigenwoningwaarde de waarde van de woning die wordt bepaald met
overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 16 tot en met 18 en 20, tweede lid, van die wet en van
het tweede lid, tweede volzin.
4. De voordelen uit een eigen
woning als bedoeld in artikel 3.111, tweede en derde lid, worden
gesteld op nihil.
5. De voordelen uit een eigen
woning als bedoeld in artikel 3.111, zesde lid, worden gesteld
op 1,00% van de eigenwoningwaarde. In afwijking van de eerste
volzin, worden bij een eigenwoningwaarde van meer dan € 1 040
000 de voordelen gesteld op € 10 400 vermeerderd met 1,55% van
de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1 040
000.
6. Met betrekking tot een eigen
woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, wordt de
aanvangsdatum, onderscheidenlijk de einddatum van de periode
waarover de voordelen uit die eigen woning in aanmerking worden
genomen gesteld op de aanvangsdatum, onderscheidenlijk de
einddatum waarop het adres van de desbetreffende eigen woning
als woonadres van de belastingplichtige is opgenomen in de
basisadministratie persoonsgegevens. De eerste volzin is niet
van toepassing indien registratie van de belastingplichtige op
het adres van de eigen woning in de basisadministratie
persoonsgegevens niet mogelijk is of indienartikel 3.111,
achtste lid, toepassing vindt.
Artikel 3.113. Tijdelijke verhuur
Met betrekking tot deeigen woning die
tijdelijk ter beschikking is gesteld aan derden wordt het ingevolge
artikel 3.112 als voordelen uit eigen woning in aanmerking te nemen
bedrag vermeerderd met 70 percent van de voordelen ter zake van het
ter beschikking stellen.
Artikel 3.114.
Kamerverhuurvrijstelling
1. Indien de opbrengsten uit het
anders dan voor korte duur ter beschikking stellen van al dan niet
gestoffeerde of gemeubileerde woonruimte die geen zelfstandige
woning vormt en deel uitmaakt van de woning die de
belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter
beschikking staat, niet meer bedragen dan € 4410 per jaar, wordt
die woonruimte aangemerkt als onderdeel van de eigen woning en
worden de voordelen, andere dan bedoeld in artikel 3.112, eerste
lid, niet in aanmerking genomen.
2. Voor toepassing van dit artikel
dient zowel de belastingplichtige als degene aan wie ter
beschikking is gesteld gedurende de tijd van de
terbeschikkingstelling als ingezetene op het woonadres ter zake
van de woning te zijn ingeschreven in de basisadministratie
persoonsgegevens.
Artikel 3.115. Toedeling
eigenwoningforfait
De voordelen uit een woning die voor
twee of meer belastingplichtigen die geen partner van elkaar zijn
samen een eigen woning is, worden voor elk van hen in aanmerking
genomen naar de mate waarin zij op grond van artikel 3.111, eerste
lid, tot de woning gerechtigd zijn.
Artikel 3.116. Voordeel uit
kapitaalverzekering eigen woning
1. Het voordeel uit
kapitaalverzekering eigen woning is de rente die is begrepen in
een kapitaalsuitkering uit levensverzekering die dient ter
aflossing van de eigenwoningschuld.
2. Van een kapitaalverzekering
eigen woning is sprake zolang de verzekeringnemer of zijn partner
een eigen woning heeft en:
a. in de overeenkomst is
bepaald dat de begunstigde de uitkering zal aanwenden ter
aflossing van de eigenwoningschuld;
b. in de overeenkomst is
bepaald dat ten minste 15 jaar, of tot het overlijden van de
verzekerde, jaarlijks premies ter zake van de verzekering
worden voldaan waarbij de hoogste premie niet meer bedraagt
dan het tienvoud van de laagste premie;
c. de verzekering recht geeft
op een eenmalige kapitaalsuitkering bij leven of overlijden;
d. de premies voor de
verzekering verschuldigd zijn aan een levensverzekeraar als
bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht.
3. Een kapitaalverzekering eigen
woning wordt geacht geheel tot uitkering te zijn gekomen bij de
verzekeringnemer of, in geval van onherroepelijke begunstiging,
bij de begunstigde, indien:
a. de verzekering niet meer
voldoet aan de voorwaarden van het tweede lid;
b. de verzekering wordt
afgekocht, behoudens voorzover sprake is van omzetting als
bedoeld in artikel 3 119;
c. de verzekering wordt
vervreemd, behoudens voorzover de verzekering in het kader van
het aangaan of beëindigen van een partnerschap wordt omgezet
in een of meer andere soortgelijke verzekeringen voor een of
beide partners of voormalige partners;
d. de verzekering wordt
ingebracht in het vermogen van een onderneming;
e. de verzekering gedeeltelijk
tot uitkering komt dan wel, indien de verzekering recht geeft
op eenmalige uitkeringen bij leven of overlijden van meer dan
een verzekerde, per verzekerde gedeeltelijk tot uitkering
komt;
f. niet ten minste 15 jaar, of
tot het overlijden van de verzekerde, jaarlijks premies ter
zake van de verzekering worden voldaan dan wel de hoogste
premie meer bedraagt dan het tienvoud van de laagste premie;
of
g. de verzekering een looptijd
van 30 jaar heeft overschreden.
De hoogte van de uitkering wordt
voor de toepassing van de eerste volzin gesteld op de waarde in
het economische verkeer van de verzekering.
4. Indien de verzekeringnemer of,
in geval van een onherroepelijke begunstiging, de begunstigde
anders dan door overlijden ophoudt binnenlands belastingplichtig
te zijn, wordt de kapitaalverzekering eigen woning geacht op het
onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip tot uitkering te zijn
gekomen bij de verzekeringnemer of, in geval van een
onherroepelijke begunstiging, bij de begunstigde en de hoogte van
de uitkering gesteld op de waarde in het economische verkeer van
de verzekering. Onder ophouden binnenlands belastingplichtig te
zijn wordt mede verstaan de situatie waarin de verzekeringnemer
respectievelijk de begunstigde voor de toepassing van de
Belastingregeling voor het Koninkrijk, de Belastingregeling voor
het land Nederland of een verdrag ter voorkoming van dubbele
belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn.
5. Indien bij een
belastingplichtige ingevolge het vierde lid een uitkering in
aanmerking is genomen ter zake waarvan een conserverende aanslag
is opgelegd en de belastingplichtige weer binnenlands
belastingplichtig is en in de tussentijd:
a. zich niet een omstandigheid
heeft voorgedaan waardoor de woning is opgehouden een eigen
woning te zijn in de zin van artikel 3.111;
b. de belastingplichtige niet
een voordeel heeft genoten als bedoeld in het eerste lid, en
c. zich niet een omstandigheid
heeft voorgedaan als bedoeld in het derde lid,
wordt op diens verzoek het
geconserveerde inkomen van het jaar waarin de uitkering in
aanmerking is genomen, verlaagd met de waarde van die uitkering
voorzover deze waarde tot het geconserveerde inkomen is gerekend.
De inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende
aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen
deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de
grootte van de vermindering.
6. De rente begrepen in een
uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning wordt gesteld
op het bedrag waarmee de uitkering overtreft wat ter zake van de
verzekering aan premies is voldaan.
7. Onder premies ter zake van een
kapitaalverzekering eigen woning worden mede begrepen:
a. bij een uitkering bij leven:
premies voor bij dezelfde overeenkomst verzekerde uitkeringen
bij overlijden of uitkeringen of vrijstelling van
premiebetaling bij invaliditeit, voorzover die uitkeringen
gezamenlijk niet meer bedragen dan driemaal het verzekerde
kapitaal bij leven;
b. bij een uitkering bij
overlijden: premies voor bij dezelfde overeenkomst verzekerde
uitkeringen bij leven, uitkeringen of vrijstelling van
premiebetaling bij invaliditeit of uitkeringen bij overlijden
ten gevolge van een ongeval, voorzover die uitkeringen
gezamenlijk niet meer bedragen dan driemaal het verzekerde
kapitaal bij overlijden.
8. Indien een kapitaalverzekering
eigen woning is voortgekomen uit een levensverzekering die na 14
september 1999 tot stand gekomen is en die geen
kapitaalverzekering eigen woning was wordt, op het moment dat
wordt voldaan aan de voorwaarden voor een kapitaalverzekering
eigen woning, mede als premie ter zake van de kapitaalverzekering
eigen woning aangemerkt de waarde in het economische verkeer van
de oude polis verminderd met de daarop gestorte premies
(overschot). Voor de beoordeling van de voorwaarde of de hoogste
en de laagste premie blijft binnen de in het tweede lid, onderdeel
b, bedoelde bandbreedte, blijft het overschot buiten aanmerking.
Artikel 3.116a. Voordeel uit
spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning
1. Het voordeel uit spaarrekening
eigen woning is het rendement dat op het tijdstip van deblokkering
is begrepen in het tegoed van een spaarrekening eigen woning. Het
voordeel uit beleggingsrecht eigen woning is het rendement dat op
het tijdstip van deblokkering is begrepen in de waarde van een
beleggingsrecht eigen woning.
2. Van een spaarrekening eigen
woning is sprake indien het betreft een rekening bij een bank
waarbij de volgende voorwaarden in acht worden genomen:
a. de rekeninghouder heeft een
eigen woning met een eigenwoningschuld;
b. de rekening is geblokkeerd
en wordt slechts eenmalig gedeblokkeerd ter aflossing van de
eigenwoningschuld;
c. ten minste 15 jaar, of tot
het overlijden van de rekeninghouder of zijn partner, wordt
jaarlijks een bedrag naar de rekening overgemaakt waarbij het
hoogste totaal van in een jaar overgemaakte bedragen niet meer
bedraagt dan het tienvoud van het laagste totaal van in een
jaar overgemaakte bedragen; ingeval een spaarrekening met
ingang van enig tijdstip wordt aangeduid als spaarrekening
eigen woning wordt het op dat tijdstip aanwezige tegoed
aangemerkt als eerste overmaking;
d. de op de rekening genoten
inkomsten worden bijgeboekt op de rekening; bij deblokkering
in de loop van het tijdvak waarover inkomsten worden genoten,
vindt eerst nog bijboeking van die inkomsten plaats voordat
tot deblokkering wordt overgegaan;
e. de bank is een financiële
onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in
Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen.
3. Van een beleggingsrecht eigen
woning is sprake indien het betreft bij een beheerder van een
beleggingsinstelling aangehouden rechten van deelneming in die
instelling waarbij de volgende voorwaarden in acht worden genomen:
a. de eigenaar van het
beleggingsrecht heeft een eigen woning met een
eigenwoningschuld;
b. het beleggingsrecht is
geblokkeerd en wordt slechts eenmalig gedeblokkeerd ter
aflossing van de eigenwoningschuld;
c. ten minste 15 jaar, of tot
het overlijden van de eigenaar van het beleggingsrecht of zijn
partner, wordt jaarlijks naar de beheerder een bedrag
overgemaakt ter verkrijging van rechten van deelneming waarbij
het hoogste totaal van in een jaar overgemaakte bedragen niet
meer bedraagt dan het tienvoud van het laagste totaal van in
een jaar overgemaakte bedragen; ingeval een beleggingsrecht
met ingang van enig tijdstip wordt aangeduid als
beleggingsrecht eigen woning wordt de waarde in het
economische verkeer van het recht op dat tijdstip aangemerkt
als eerste overmaking;
d. het met het beleggingsrecht
behaalde rendement wordt aangewend ter verkrijging van rechten
van deelneming die tot het beleggingsrecht gaan behoren;
e. de beheerder is een
financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel
toezicht in Nederland het bedrijf van beleggingsinstelling mag
uitoefenen.
4. Een spaarrekening eigen woning
of een beleggingsrecht eigen woning wordt geacht geheel te zijn
gedeblokkeerd indien:
a. op enig tijdstip de
spaarrekening onderscheidenlijk het beleggingsrecht niet meer
voldoet aan de voorwaarden van het tweede lid,
onderscheidenlijk van het derde lid;
b. de spaarrekening
onderscheidenlijk het beleggingsrecht wordt vervreemd of
verdeeld, behoudens voor zover sprake is van vervreemding of
verdeling in het kader van het aangaan of beëindigen van een
partnerschap en de spaarrekening onderscheidenlijk het
beleggingsrecht wordt gecontinueerd als een spaarrekening
eigen woning onderscheidenlijk beleggingsrecht eigen woning;
c. de spaarrekening
onderscheidenlijk het beleggingsrecht wordt ingebracht in het
vermogen van een onderneming;
d. de spaarrekening
onderscheidenlijk het beleggingsrecht gedeeltelijk wordt
gedeblokkeerd;
e. 30 jaren zijn verstreken na
de eerste overmaking op de spaarrekening onderscheidenlijk de
eerste overmaking naar de beheerder van de
beleggingsinstelling;
f. de rekeninghouder van de
spaarrekening onderscheidenlijk de eigenaar van het
beleggingsrecht komt te overlijden; in dat geval wordt de
deblokkering geacht te hebben plaatsgevonden op het
onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip; er wordt geen
deblokkering verondersteld bij een continuering als bedoeld in
onderdeel b.
5. Artikel 3.116, vierde en vijfde
lid, is van overeenkomstige toepassing. Daarbij wordt gelezen
voor:
a. verzekeringnemer:
rekeninghouder van een spaarrekening eigen woning,
onderscheidenlijk eigenaar van een beleggingsrecht eigen
woning;
b. kapitaalverzekering eigen
woning: spaarrekening eigen woning onderscheidenlijk
beleggingsrecht eigen woning;
c. tot uitkering te zijn
gekomen: te zijn gedeblokkeerd.
6. Het rendement begrepen in een
tegoed van een spaarrekening eigen woning wordt gesteld op het
bedrag waarmee het tegoed de naar de spaarrekening overgemaakte
bedragen overtreft. Het rendement begrepen in de waarde van een
beleggingsrecht eigen woning wordt gesteld op het bedrag waarmee
de waarde van het recht de naar de beheerder overgemaakte bedragen
overtreft.
7. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit
artikel.
Artikel 3.117. Begrip
levensverzekering
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder levensverzekering: een overeenkomst
van levensverzekering als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht.
Artikel 3.118. Vrijstelling
kapitaalverzekering eigen woning
1. Tot het voordeel uit
kapitaalverzekering eigen woning behoort niet de rente begrepen in
de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning voorzover de
uitkering niet meer bedraagt dan € 154 000 indien:
a. de uitkering heeft gediend
als aflossing van de eigenwoningschuld;
b. ter zake van de verzekering
ten minste 20 jaar, of, indien de verzekering tot uitkering
komt door eerder overlijden, tot het overlijden, jaarlijks
premies zijn voldaan en
c. de hoogste premie niet meer
heeft bedragen dan het tienvoud van de laagste.
In afwijking in zoverre van de
eerste volzin, aanhef en onderdeel b, wordt de rente die is
begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen
woning, voorzover deze uitkering niet meer bedraagt dan € 34
900, niet als voordeel uit kapitaalverzekering aangemerkt
indien ter zake van de verzekering ten minste 15 jaar
jaarlijks premies zijn voldaan.
2. De in het eerste lid, onderdelen
a en b, genoemde voorwaarden gelden niet indien:
a. de verzekeringnemer of zijn
partner geen eigen woning meer ter beschikking staat en ter
zake daarvan de verzekering tot uitkering is gekomen of wordt
geacht tot uitkering te zijn gekomen of
b. de verzekering wordt geacht
tot uitkering te zijn gekomen door het ophouden binnenlands
belastingplichtig te zijn als bedoeld in artikel 3.116, vierde
lid.
3. De bedragen bepaald op grond van
het eerste lid worden verminderd met het bedrag aan uitkering uit
een kapitaalverzekering dat eerder ten aanzien van de
belastingplichtige voor de toepassing van het eerste lid in
aanmerking is genomen, alsmede met het tegoed van een
spaarrekening eigen woning dat eerder ten aanzien van de
belastingplichtige voor de toepassing van de vrijstelling van
artikel 3.118a in aanmerking is genomen en met de waarde van een
beleggingsrecht eigen woning dat eerder ten aanzien van de
belastingplichtige voor de toepassing van de vrijstelling van
genoemd artikel in aanmerking is genomen.
4. Indien op het tijdstip van de
uitkering het bedrag van de eigenwoningschuld lager is dan het op
grond van het eerste en het derde lid bepaalde bedrag, wordt het
in het eerste lid, in verbinding met het derde lid, bepaalde
bedrag vervangen door het bedrag van de eigenwoningschuld.
5. Indien de belastingplichtige een
levensverzekering heeft die ten aanzien van hem tot enig moment
heeft voldaan aan de voorwaarden voor een kapitaalverzekering
eigen woning en ter zake van die verzekering binnen drie jaren na
dat moment wederom wordt voldaan aan de voorwaarden voor een
kapitaalverzekering eigen woning, wordt het in het eerste lid
genoemde bedrag verhoogd met een bedrag gelijk aan de in het derde
lid bedoelde vermindering wegens de eerdere toepassing van het
eerste lid op deze verzekering. De rente begrepen in de in de
eerste volzin bedoelde verhoging, komt in mindering op het
overschot, bedoeld in artikel 3.116, achtste lid.
6. Indien bij een
belastingplichtige ingevolge artikel 3.116, vierde lid, een
uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning in aanmerking
is genomen en de belastingplichtige weer binnenlands
belastingplichtig is en:
a. zich niet een omstandigheid
heeft voorgedaan waardoor de woning is opgehouden een eigen
woning te zijn in de zin van artikel 3.111;
b. de belastingplichtige
terzake van die kapitaalverzekering eigen woning niet een
voordeel heeft genoten als bedoeld in artikel 3.116, eerste
lid, en
c. ter zake van die
kapitaalverzekering zich niet een omstandigheid heeft
voorgedaan als bedoeld in artikel 3.116, derde lid,
wordt het in het eerste lid
genoemde bedrag verhoogd met een bedrag gelijk aan de in het derde
lid bedoelde vermindering wegens de eerdere toepassing van het
eerste lid op die kapitaalverzekering.
7. Indien één of meer
kapitaalverzekeringen eigen woning tot uitkering komt of komen
door het overlijden van de partner wordt het op grond van de
voorgaande leden vast te stellen bedrag ten behoeve van de
langstlevende partner verhoogd met het bedrag dat de overleden
partner ter zake van deze kapitaalverzekeringen op grond van de
voorgaande leden nog in aanmerking had kunnen nemen onmiddellijk
voorafgaande aan zijn overlijden. Deze verhoging kan niet groter
zijn dan het totale bedrag dat uit levensverzekering wordt
uitgekeerd ten gevolge van het overlijden van de partner.
8. Indien één of meer
kapitaalverzekeringen eigen woning tot uitkering komt of komen
door het overlijden van een persoon die geen partner is van de
begunstigde, geldt voor de begunstigde ten aanzien van deze
verzekeringen in plaats van het op grond van de voorgaande leden
vast te stellen bedrag het bedrag dat de overleden persoon ter
zake van deze kapitaalverzekeringen op grond van de voorgaande
leden nog in aanmerking had kunnen nemen onmiddellijk voorafgaande
aan zijn overlijden. Indien verschillende begunstigden een
uitkering als bedoeld in de eerste volzin ontvangen, geldt voor de
begunstigde onverkort hetgeen daar is bepaald met dien verstande
dat het daar bedoelde bedrag dat de overleden persoon nog in
aanmerking had kunnen nemen naar rato van de uitkeringen aan
onderscheiden begunstigden in aanmerking wordt genomen.
Artikel 3.118a. Vrijstelling
spaarrekening eigen woning en vrijstelling beleggingsrecht eigen
woning
Met betrekking tot het voordeel uit
spaarrekening eigen woning onderscheidenlijk het voordeel uit
beleggingsrecht eigen woning geldt een vrijstelling waarvan de
omvang wordt berekend met overeenkomstige toepassing van artikel
3.118, met dien verstande dat het zevende en achtste lid van dat
artikel slechts toepassing vinden bij een continuering als bedoeld
in artikel 3.116a, vierde lid, onderdeel f. Daarbij is artikel
3.116a, vijfde lid, tweede volzin, van toepassing en wordt voorts
voor premies gelezen: naar een spaarrekening eigen woning
overgemaakte bedragen onderscheidenlijk naar een beheerder van een
beleggingsrecht overgemaakte bedragen.
Artikel 3.119. Omzetting
kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning of
beleggingsrecht eigen woning
1. Voor zover een
kapitaalverzekering eigen woning, een spaarrekening eigen woning
of een beleggingsrecht eigen woning wordt omgezet in een andere
soortgelijke verzekering, een andere soortgelijke spaarrekening of
een ander soortgelijk beleggingsrecht, wordt de laatstgenoemde
verzekering, de laatstgenoemde spaarrekening of het laatstgenoemde
beleggingsrecht voor de toepassing van deze afdeling geacht een
voortzetting te zijn van de eerstgenoemde verzekering, de
eerstgenoemde spaarrekening of het eerstgenoemde beleggingsrecht.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit
artikel.
Artikel 3.119a. Eigenwoningschuld en
eigenwoningreserve
1. Voor de toepassing van deze
afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt onder
eigenwoningschuld verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden
die zijn aangegaan ter verwerving van een eigen woning doch ten
hoogste een bedrag gelijk aan de kosten ter verwerving van de
woning verminderd met het bedrag van de eigenwoningreserve direct
voorafgaande aan het moment waarop de woning ten aanzien van de
belastingplichtige als een eigen woning wordt aangemerkt en
verminderd met hetgeen met toepassing van artikel 33, onder 5° en
6°, van de Successiewet 1956 aan vrijstelling is genoten in
verband met schenking van een bedrag ter zake van de verwerving
van een eigen woning.
2. De eigenwoningschuld wordt
verhoogd met het gezamenlijke bedrag van de schulden die zijn
aangegaan ter betaling van de kosten ter verkrijging van de in het
eerste lid bedoelde eigenwoningschuld of van de in het derde lid
bedoelde schulden, waarbij afsluitprovisies in aanmerking worden
genomen tot het maximum, bedoeld in artikel 3.120, zevende lid.
3. De eigenwoningschuld wordt
verhoogd met het gezamenlijke bedrag van de schulden die zijn
aangegaan voor verbetering of onderhoud van de woning of ter
afkoop van de rechten van erfpacht, opstal of beklemming met
betrekking tot de woning voorzover die schulden uitgaan boven het
positieve bedrag van de eigenwoningreserve direct voorafgaande aan
de verbetering, het onderhoud of de afkoop.
4. Bij de vervreemding van een
eigen woning wordt het vervreemdingssaldo eigen woning toegevoegd
aan een eigenwoningreserve. Onder vervreemdingssaldo eigen woning
wordt verstaan de waarde van de tegenprestatie bij de vervreemding
van een eigen woning, verminderd met de kosten ter zake van die
vervreemding en verminderd met de eigenwoningschuld voor de
woning. Voor de toepassing van dit lid worden tot de
eigenwoningschuld mede gerekend het bedrag van de verlaging
ingevolge het negende lid, de schulden ter zake waarvan de renten
ingevolge artikel 3.120, vierde lid, onderdeel c, niet tot de
aftrekbare kosten van een eigen woning worden gerekend alsmede de
schulden, bedoeld inartikel 3.120, achtste lid.
5. Een eigenwoningreserve neemt af,
doch niet verder dan tot nihil, met:
a. een bedrag gelijk aan de
kosten ter verwerving van een eigen woning verminderd met het
bedrag dat ingevolge het eerste lid als eigenwoningschuld voor
die woning in aanmerking wordt genomen;
b. een bedrag gelijk aan het
bedrag waarmee de eigenwoningschuld van de partner op grond
van het negende lid is verlaagd, met dien verstande dat dit
bedrag weer aan de eigenwoningreserve wordt toegevoegd ingeval
het negende lid niet meer van toepassing is op de
eigenwoningschuld van de partner;
c. een bedrag gelijk aan de in
een kalenderjaar gemaakte kosten voor verbetering of onderhoud
van de woning of ter afkoop van de rechten van erfpacht,
opstal of beklemming met betrekking tot de woning.
6. De eigenwoningreserve vervalt
voorzover die is toe te rekenen aan een vervreemdingssaldo eigen
woning dat drie jaar geleden is toegevoegd.
7. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder verwerving onderscheidenlijk vervreemding van
een eigen woning verstaan een gebeurtenis waardoor de woning ten
aanzien van de belastingplichtige als een eigen woning wordt
aangemerkt, onderscheidenlijk niet meer als zodanig wordt
aangemerkt. Als verwerving wordt niet aangemerkt die krachtens
boedelmenging door voltrekking van een huwelijk of wijziging van
huwelijkse voorwaarden. Indien bij een verwerving of vervreemding
een tegenprestatie ontbreekt of is bedongen bij een niet onder
normale omstandigheden gesloten overeenkomst, wordt als
tegenprestatie aangemerkt de waarde die ten tijde van de
verwerving onderscheidenlijk de vervreemding in het economische
verkeer aan de woning kan worden toegekend.
8. Indien ten aanzien van de
belastingplichtige twee woningen gelijktijdig als eigen woning
worden aangemerkt en vervolgens één van die woningen wordt
vervreemd, wordt direct daarna de eigenwoningschuld voor de andere
woning opnieuw vastgesteld door hernieuwde toepassing van het
eerste lid, waarbij de actuele stand van de eigenwoningreserve in
de plaats komt van de stand direct voorafgaande aan het moment
waarop de woning ten aanzien van de belastingplichtige als een
eigen woning is aangemerkt. Vervolgens wordt het vijfde lid,
onderdeel a, opnieuw toegepast. Daarna wordt het negende lid
opnieuw toegepast bij de partner en wordt bij de
belastingplichtige vervolgens het vijfde lid, onderdeel b, opnieuw
toegepast. Daarna wordt het derde lid opnieuw toegepast, waarbij
de actuele stand van de eigenwoningreserve in de plaats komt van
de stand direct voorafgaande aan de verbetering, het onderhoud of
de afkoop. Daarna wordt het tweede lid opnieuw toegepast. Ten
slotte wordt het vijfde lid, onderdeel c, opnieuw toegepast.
9. Indien de belastingplichtige een
eigen woning verwerft die bestemd is om hem en zijn partner anders
dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking te staan, wordt,
indien hen voordien reeds tezamen een woning anders dan tijdelijk
als hoofdverblijf ter beschikking heeft gestaan en de partner ten
aanzien van die eerdere woning een vervreemdingssaldo heeft
behaald, de op grond van het eerste lid berekende
eigenwoningschuld van de belastingplichtige verlaagd, maar niet
verder dan tot nihil, met de eigenwoningreserve van de partner
waarbij, indien de partner de woning mede heeft verworven, wordt
uitgegaan van de eigenwoningreserve na toepassing van dit artikel
met betrekking tot de partner. De in de eerste volzin bedoelde
verlaging van de eigenwoningschuld wordt toegepast tot het moment
waarop de woning hen niet meer gezamenlijk anders dan tijdelijk
als hoofdverblijf ter beschikking staat.
10. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit
artikel.
Artikel 3.119b. Beschikking
eigenwoningreserve
1. De eigenwoningreserve kan naar
de stand van het einde van een kalenderjaar, al dan niet op
verzoek, door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking
worden vastgesteld. Indien er sprake is van een afname van de
eigenwoningreserve als bedoeld in artikel 3.119a, vijfde lid,
onderdeel b, wordt in de beschikking tevens melding gemaakt van
het bedrag van die afname.
2. Op gezamenlijk verzoek van de
belastingplichtige en zijn gewezen partner kan de
eigenwoningreserve aan elk van hen worden toegerekend naar de mate
waarin zij feitelijk gerechtigd zijn tot het vervreemdingssaldo
eigen woning. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor
bezwaar vatbare beschikking. Op het verzoek kan niet worden
teruggekomen.
3. Indien enig feit grond oplevert
voor het vermoeden dat de eigenwoningreserve te laag is
vastgesteld, kan de inspecteur de beschikking herzien. Herziening
vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking.
4. Een feit dat de inspecteur
bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, levert geen
grond voor herziening op, tenzij de belastingplichtige ter zake
van dit feit te kwader trouw is.
5. Artikel 16, tweede lid, aanhef
en onderdeel c, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op herziening.
Artikel 3.120. Aftrekbare kosten
eigen woning
1. De aftrekbare kosten met
betrekking tot een eigen woning zijn het gezamenlijke bedrag van:
a. de renten van schulden,
kosten van geldleningen daaronder begrepen, die behoren tot de
eigenwoningschuld;
b. de periodieke betalingen op
grond van de rechten van erfpacht, opstal en beklemming met
betrekking tot de eigen woning.
2. De renten van schulden als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden gedurende ten
hoogste 30 jaren in aanmerking genomen als aftrekbare kosten met
betrekking tot een eigen woning. De duur van de termijn van 30
jaren vangt aan bij het begin van het eerste tijdvak waarop de
renten van deze schulden, die als bestanddeel van het inkomen uit
werk en woning in aftrek worden gebracht, betrekking hebben en
eindigt op het tijdstip waarop de gehele schuld wordt afgelost.
Indien andere schulden worden aangegaan als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, worden de renten slechts in aanmerking genomen
voor zover de termijn van 30 jaren nog niet is verstreken tenzij
het betreft:
a. schulden die worden
aangegaan voor verbetering of onderhoud van de woning als
bedoeld in artikel 3.119a, derde lid, die behoren tot de
eigenwoningschuld, of
b. schulden die het totaal van
de hoofdsommen van alle voorgaande schulden overtreffen, voor
het gedeelte van de schulden dat het totaal van de hoofdsommen
van alle voorgaande schulden overtreft.
Voor de schulden, bedoeld in de
onderdelen a en b, vangt een termijn van 30 jaren aan bij het
begin van het eerste tijdvak waarop de renten van deze
schulden, die als bestanddeel van het inkomen uit werk en
woning in aftrek worden gebracht, betrekking hebben.
3. Indien artikel 3.111, tweede of
derde lid, van toepassing is, kunnen de renten van schulden,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, als aftrekbare kosten met
betrekking tot een eigen woning in aanmerking worden genomen,
tenzij ter zake van die schuld of een gedeelte daarvan de termijn
van 30 jaren reeds is verstreken. Voor het gedeelte van de schuld
dat overeenstemt met het totaal van de schulden, die zijn
aangegaan voor de verwerving van een eigen woning als bedoeld in
artikel 3.111, eerste lid, en waarvoor op grond van het tweede lid
een termijn van 30 jaren in aanmerking wordt genomen, heeft in
afwijking in zoverre van het tweede lid dat gedeelte geen invloed
op de duur van de termijn van 30 jaren. Voor het gedeelte van de
schuld dat het totaal van de schulden waarvoor op grond van het
tweede lid een termijn van 30 jaren in aanmerking wordt genomen,
overtreft, vangt een termijn van 30 jaren of het gedeelte van de
termijn van 30 jaren dat nog resteert aan op het tijdstip waarop
die woning wordt aangemerkt als een eigen woning op grond van
artikel 3.111, tweede of derde lid.
4. Tot de aftrekbare kosten van een
eigen woning worden niet gerekend:
a. renten van schulden, kosten
van geldlening daaronder begrepen, die zijn aangegaan ter
betaling van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde
renten met uitzondering van de daar bedoelde kosten van
geldleningen;
b. kosten voorzover in verband
met de voldoening daarvan schulden ontstaan waarvan de
verplichting tot betaling – anders dan voor het geval van
overlijden of arbeidsongeschiktheid van de belastingplichtige
– rechtens, al dan niet voorwaardelijk, of in feite, direct
of indirect is beperkt;
c. renten van schulden, kosten
van geldlening daaronder begrepen, aangegaan ter verwerving
van de eigen woning of een gedeelte daarvan, indien de eigen
woning of een gedeelte daarvan direct of indirect is verkregen
van de partner van de belastingplichtige, voorzover het totaal
van de schulden die de belastingplichtige en zijn partner zijn
aangegaan ter verwerving van de woning, na deze verkrijging
meer bedraagt dan vóór de vervreemding van de woning of een
gedeelte daarvan door zijn partner.
5. De in een kalenderjaar bij wijze
van vooruitbetaling voldane renten van schulden, kosten van
geldleningen daaronder begrepen, worden niet in aanmerking
genomen:
a. indien zij betrekking hebben
op tijdvakken die eindigen later dan zes maanden na afloop van
het kalenderjaar waarin zij zijn voldaan doch slechts
voorzover zij betrekking hebben op de periode die aanvangt na
afloop van het kalenderjaar, waarbij die renten naar
evenredigheid worden toegerekend aan kalendermaanden en
gedeelten van kalendermaanden als kalendermaand worden
aangemerkt;
b. voorzover zij betrekking
hebben op tijdvakken of delen daarvan die vallen na het
tijdstip waarop de binnenlandse belastingplicht anders dan
door overlijden eindigt.
6. Vooruitbetaalde renten, kosten
van geldleningen daaronder begrepen, die op grond van het vijfde
lid, onderdeel a, niet in aanmerking zijn genomen, worden,
behoudens indien de binnenlandse belastingplicht anders dan door
overlijden is geëindigd, geacht in gelijke delen te zijn voldaan
in elk van de op het in het vijfde lid bedoelde kalenderjaar
volgende kalenderjaren waarop de renten, kosten van geldleningen
daaronder begrepen, betrekking hebben; daarbij worden gedeelten
van kalenderjaren als kalenderjaren aangemerkt. In het jaar waarin
de belastingplichtige overlijdt, worden de renten, kosten van
geldleningen daaronder begrepen, die nog buiten aanmerking zijn
gebleven, geheel in aanmerking genomen.
7. Afsluitprovisies die zijn
voldaan ter zake van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld
worden niet gerekend tot de bij wijze van vooruitbetaling voldane
renten, mits de woning in het kalenderjaar of in de daaropvolgende
twee jaren de belastingplichtige als hoofdverblijf ter beschikking
staat, een en ander voorzover zij niet meer belopen dan 1,5% van
het bedrag van de aangegane schulden en tevens gezamenlijk een
bedrag van € 3630 niet te boven gaan.
8. Voor de toepassing van het
eerste lid, onderdeel a, worden renten van schulden die betrekking
hebben op per 31 december 1995 bestaande schulden, voorzover deze
schulden per die datum verzekerd waren door een hypotheek op een
eigen woning en zulks nog steeds zijn met betrekking tot dezelfde
woning, aangemerkt als aftrekbare kosten die verband houden met de
eigen woning waarop de hypotheek is gevestigd.
9. Het eerste lid is niet van
toepassing met betrekking tot een overeenkomst van geldlening
tussen partners.
10. Artikel 3.16, tiende lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.121. Aftrekbare kosten
gedeelde eigen woning bij gezamenlijke bewoning
De aftrekbare kosten met betrekking
tot een woning die voor twee of meer belastingplichtigen die geen
partner van elkaar zijn samen een eigen woning is, worden voor elk
van hen bepaald door de schulden die zij zijn aangegaan ter
verwerving van de woning en door de periodieke betalingen voorzover
die op hen drukken.
Artikel 3.122. Aftrekbare kosten na
eerder gebruik vrijstelling kapitaalverzekering, spaarrekening of
beleggingsrecht eigen woning
1. De schulden, bedoeld in artikel
3.120, eerste lid, onderdeel a, worden slechts in aanmerking
genomen tot ten hoogste het bedrag dat is aangewend voor de
verwerving van de eigen woning verminderd met het gedeelte van het
bedrag van de uitkeringen uit kapitaalverzekeringen eigen woning
ter zake waarvan de daarin begrepen rente eerder op grond van
artikel 3.118 niet als voordeel uit kapitaalverzekering eigen
woning is aangemerkt.
2. Indien de belastingplichtige een
eigen woning verwerft en ter zake van een kapitaalverzekering
eigen woning in een van de drie daaraan voorafgaande jaren artikel
3.118 toepassing heeft gevonden en deze verzekering bij de
verwerving een kapitaalverzekering eigen woning wordt, wordt vanaf
dat tijdstip voor de toepassing van het eerste lid artikel 3.118
geacht geen toepassing te hebben gevonden.
3. Indien bij een
belastingplichtige op grond van artikel 3.116, vierde lid, een
uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning in aanmerking
is genomen, en zolang:
a. zich niet een omstandigheid
voordoet waardoor de woning ophoudt een eigen woning te zijn
in de zin van artikel 3.111;
b. de belastingplichtige
terzake van die kapitaalverzekering eigen woning niet een
voordeel geniet als bedoeld in artikel 3.116, eerste lid, en
c. ter zake van die
kapitaalver
|