WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Hoofdstuk I. Instelling van een gemeente en grensbepaling
Ingesteld wordt een gemeente, genaamd Lelystad.
1. Het gebied van de gemeente Lelystad wordt als volgt bepaald:
beginnende in de zuidoostelijke hoek van het perceel, kadastraal
bekend gemeente Oostelijk Flevoland, sectie L, nummer 208, volgt de
grens van de gemeente Lelystad een lijn welke enerzijds wordt begrensd
door de percelen, kadastraal bekend gemeente Oostelijk Flevoland, sectie
L, nummers 283, 243, 515, 223, gemeente Zuidelijk Flevoland, sectie D,
nummer 4, gemeente Oostelijk Flevoland, sectie L, nummer 482, gemeente
Zuidelijk Flevoland, sectie D, nummers 27, 14, 24, 12, 22, 8, 20, sectie
W, nummers 57, 56, 54, gemeente Markerwaard, sectie V, nummers 14, 13 en
6, alsmede het niet gekadastreerde IJsselmeer en anderzijds door de
percelen, kadastraal bekend gemeente Oostelijk Flevoland, sectie L,
nummers 208, 207, 194, 426, 242, 399, 225, 224, 514, 483, sectie Z,
nummer 168, gemeente Zuidelijk Flevoland, sectie D, nummers 15, 26,
nogmaals 15, 25, 23, 21, 19, sectie W, nummer 55, gemeente Oostelijk
Flevoland, sectie L, nummer 513, sectie H, nummers 389, 390, gemeente
Markerwaard, sectie V, nummer 7, gemeente Oostelijk Flevoland, sectie H,
nummer 382, tot de zuidoostelijke hoek van laatstgenoemd perceel.
Vandaar volgt de grens de grens van de gemeente Dronten zoals deze na
toepassing van het tweede lid komt te lopen, tot het punt van uitgang.
2. De grens van de gemeente Dronten wordt nader aldus vastgesteld
dat tot het gebied van deze gemeente mede gaat behoren het gebied dat
wordt begrensd door de volgende lijn:
beginnende in de meest noordelijke hoek van het perceel, kadastraal
bekend gemeente Oostelijk Flevoland, sectie I, nummer 198, volgt de
grens welke enerzijds wordt begrensd door de percelen, kadastraal bekend
gemeente Oostelijk Flevoland, sectie I, nummers 198, 176, 177, 179, 182,
185, 343, 118, 282, 304, 130, 132, 338, 250, 341, sectie L, nummers 372,
172, 173, 174, 79, 293, 308, 517 en 519 en anderzijds door de percelen,
kadastraal bekend gemeente Oostelijk Flevoland, sectie I, nummers 196,
236, 237, 234, 235, 174, 173, 172, 162, 184, 342, 339, 340, sectie L,
nummers 208, 283, 292, 291, 294, 300, 528, 301, 302, 516 en 518 tot de
zuidwestelijke hoek van het perceel, kadastraal bekend gemeente
Oostelijk Flevoland, sectie L, nummer 519. Vandaar volgt de grens, eerst
in algemeen noordoostelijke en daarna in algemeen noord-noordwestelijke
richting de bestaande grens tussen enerzijds het openbaar lichaam
"Zuidelijke IJsselmeerpolders" en anderzijds de gemeenten
Harderwijk, Nunspeet en Dronten, tot het punt van uitgang.
De in artikel 2 omschreven gebieden houden op deel uit te maken van
het gebied van het openbaar lichaam "Zuidelijke IJsselmeerpolders".
Hoofdstuk II. Hoger gezag
De op de dag vóór die
van inwerkingtreding van deze wet voor het in het eerste
onderscheidenlijk tweede lid van artikel 2 omschreven gebied geldende
voorschriften van de Landdrost van het openbaar lichaam "Zuidelijke
IJsselmeerpolders" worden geacht te zijn vastgesteld door het
bevoegde gezag der gemeente Lelystad onderscheidenlijk der gemeente
Dronten; zij behouden hun rechtskracht voor zover dit gezag niet anders
bepaalt.
2. De bevoegdheden die bij de in het eerste lid bedoelde
voorschriften zijn toegekend aan de Landdrost, worden uitgeoefend door
het orgaan waaraan de uitoefening in een gemeente ingevolge wettelijke
voorschriften toevertrouwd is.
3. De bevoegdheden die bij de in het eerste lid bedoelde
voorschriften zijn toegekend aan ambtenaren van het openbaar lichaam
"Zuidelijke IJsselmeerpolders", worden uitgeoefend door de
overeenkomstige ambtenaren van de gemeente Lelystad onderscheidenlijk
Dronten.
Artikel 6
De op de dag vóór die van inwerkingtreding van deze wet voor het in
het eerste onderscheidenlijk tweede lid van artikel 2 omschreven gebied
ingevolge artikel 11 van de Wet openbaar lichaam "Zuidelijke
IJsselmeerpolders" geldende plannen tot regeling der bebouwing en
der bestemming van gronden worden aangemerkt als ingevolge de Wet op de
Ruimtelijke Ordening vastgestelde en goedgekeurde bestemmingsplannen.
Zij behouden hun rechtskracht zolang het bevoegde gezag niet anders
bepaalt.
Artikel 7
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 302 van de gemeentewet
wordt de bevoegdheid tot het heffen en invorderen van bestaande
plaatselijke belastingen in het in het eerste onderscheidenlijk tweede
lid van artikel 2 omschreven gebied over een belastingjaar dat vóór
de dag van inwerkingtreding van deze wet is aangevangen, uitgeoefend
door de organen en ambtenaren van de gemeente Lelystad
onderscheidenlijk Dronten.
2. Het gestelde in het eerste lid vindt geen toepassing ingeval
van de bevoegdheid tot heffing van de belastingen reeds vóór de
inwerkingtreding van deze wet gebruik is gemaakt door de organen van het
openbaar lichaam "Zuidelijke IJsselmeerpolders" doch de
verschuldigde bedragen nog niet zijn voldaan, geïnd of ingevorderd.
Hoofdstuk IV. Overgang rechten en verplichtingen
Artikel 8
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 9 gaan op de dag van
inwerkingtreding van deze wet alle rechten en verplichtingen van het
openbaar lichaam "Zuidelijke IJsselmeerpolders", uitsluitend
betrekking hebbende op het in het eerste onderscheidenlijk tweede lid
van artikel 2 omschreven gebied, over op de gemeente Lelystad
onderscheidenlijk Dronten, zonder dat daarvoor een nadere akte wordt
gevorderd.
2. Ten aanzien van de overige rechten en verplichtingen van het
openbaar lichaam "Zuidelijke IJsselmeerpolders" kan Onze
Minister van Binnenlandse Zaken, de betrokken besturen gehoord en zonder
dat daarvoor een nadere akte wordt gevorderd, bepalen dat zij geheel of
gedeeltelijk op de gemeente Lelystad overgaan.
3. Wettelijke procedures en rechtsgedingen betreffende de rechten
en verplichtingen die ingevolge de vorige leden naar de gemeente
Lelystad onderscheidenlijk Dronten overgaan, worden met ingang van de
dag van inwerkingtreding van deze wet voortgezet door of tegen de
gemeente Lelystad onderscheidenlijk Dronten. Ten aanzien van de
rechtsgedingen is het bepaalde in de artikelen 254-262 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
4. Ten aanzien van de in het eerste en tweede lid begrepen
onroerende zaken zal verandering van de tenaamstelling in de kadastrale
leggers plaatshebben. Onze Minister van Binnenlandse Zaken doet de
daartoe nodige opgave aan de desbetreffende hypotheekbewaarder.
Artikel 9
De uitkeringen die van overheidswege over de vóór de dag van
inwerkingtreding van deze wet aangevangen boekingstijdvakken,
dienstjaren of uitkeringsjaren met betrekking tot het in artikel 2
omschreven gebied verschuldigd zijn, worden gedaan aan onderscheidenlijk
door het openbaar lichaam "Zuidelijke IJsselmeerpolders".
Artikel 10
Indien in verband met het bepaalde in artikel 7, tweede lid, artikel
8, eerste en tweede lid, en artikel 9 een verrekening dient plaats te
vinden, bepaalt Onze Minister van Binnenlandse Zaken, de betrokken
besturen gehoord, het bedrag en, voor zoveel nodig, de wijze van
betaling daarvan.
Artikel 11
Tegen een besluit van Onze Minister van Binnenlandse Zaken als
bedoeld in artikel 8, tweede lid, of artikel 10 staat voor elk daarbij
betrokken bestuur binnen een maand, te rekenen van de dag van verzending
van het besluit, beroep op Ons open.
Artikel 12
1. De begroting van de inkomsten en uitgaven der gemeente
Lelystad voor het op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
aanvangende dienstjaar wordt vastgesteld binnen drie maanden na dat
tijdstip.
2. Voor het tijdvak waarin voor de gemeente Lelystad nog geen
begroting is vastgesteld, zijn burgemeester en wethouders dier gemeente
bevoegd tot het doen van de door hen nodig geachte uitgaven, voor zover
Onze Minister van Binnenlandse Zaken heeft verklaard dat daartegen geen
bezwaar bestaat.
Artikel 13
1. Wij wijzen op de voordracht van Onze Ministers van
Binnenlandse Zaken, van Verkeer en Waterstaat en van Financiën, de
raad der gemeente Lelystad onderscheidenlijk Dronten gehoord, de
rijkseigendommen aan die in eigendom, beheer en onderhoud op deze
gemeenten overgaan, en bepalen de voorwaarden en tijdstippen van
overgang.
2. Ten aanzien van de in het vorige lid begrepen onroerende zaken
is het bepaalde in het vierde lid van artikel 8 van overeenkomstige
toepassing.
Hoofdstuk V. Voorzieningen in verband met verkiezingen
Artikel 14
1. De kandidaatstelling en de eventuele stemming voor de eerste
verkiezing van de leden van de raad der gemeente Lelystad geschieden
op door Onze Minister van Binnenlandse Zaken vast te stellen dagen,
met dien verstande dat de stemming plaatsvindt uiterlijk vier maanden
na de dag waarop dit hoofdstuk in werking treedt.
2. Voor de in het eerste lid bedoelde verkiezing kan Onze
Minister van Binnenlandse Zaken besluiten tot afwijking van de in
artikel G 3 der Kieswet bedoelde termijnen inzake registratie van namen
en aanduidingen van politieke groeperingen.
3. De krachtens dit artikel te kiezen raad zal bestaan uit het
door Onze Minister van Binnenlandse Zaken met overeenkomstige toepassing
van artikel 5 der gemeentewet te bepalen aantal leden.
4. Als kiezersregister voor de eerste verkiezing van de raad
wordt aangemerkt het gedeelte van het kiezersregister van het openbaar
lichaam "Zuidelijke IJsselmeerpolders", betrekking hebbende op
degenen die op de dag der kandidaatstelling werkelijke woonplaats hebben
in het in het eerste lid van artikel 2 omschreven gebied.
Artikel 15
Voor de toepassing van artikel 21 der gemeentewet ten aanzien van het
lidmaatschap van de krachtens artikel 14 te kiezen raad worden onder
ingezetenen verstaan zij die hun werkelijke woonplaats hebben in het in
het eerste lid van artikel 2 omschreven gebied.
Artikel 16
Het indelen in stemdistricten en het benoemen van de leden en de
plaatsvervangende leden van het hoofdstembureau en van de stembureaus
voor de in artikel 14 bedoelde verkiezing geschieden vóór een door
Onze Minister van Binnenlandse Zaken te bepalen dag door de Landdrost
van het openbaar lichaam "Zuidelijke IJsselmeerpolders".
Artikel 17
Voor zover met betrekking tot de in artikel 14 bedoelde verkiezing
ingevolge enig wettelijk voorschrift medewerking moet worden verleend
door de raad, burgemeester en wethouders of de burgemeester
onderscheidenlijk door gedeputeerde staten of Onze Commissaris in de
provincie, geschiedt dit door de Landdrost van het openbaar lichaam
"Zuidelijke IJsselmeerpolders" onderscheidenlijk door
Gedeputeerde Staten van Gelderland of Onze Commissaris in die provincie.
Artikel 18
Het onderzoek van de geloofsbrieven van de overeenkomstig artikel 14
gekozen leden geschiedt vóór een door Onze Minister van Binnenlandse
Zaken te bepalen dag door de adviesraad tot bijstand van de Landdrost
van het openbaar lichaam "Zuidelijke IJsselmeerpolders" voor
het gebied "Lelystad".
Artikel 19
1. De eerste vergadering van de overeenkomstig artikel 14
gekozen raad vindt plaats op de eerste werkdag, volgende op de datum
van instelling der gemeente. In deze vergadering worden de wethouders
benoemd.
2. De gewone zittingsperiode van de leden van de in het eerste
lid bedoelde raad en de door die raad benoemde wethouders eindigt op de
eerste dinsdag van september 1982.
Hoofdstuk VI. Rechtspositie van de ambtenaren en het overig personeel
Artikel 20
Op de datum van inwerkingtreding dezer wet gaat het personeel,
verbonden aan de in het in het eerste lid van artikel 2 omschreven
gebied gevestigde openbare scholen, over in dienst van de gemeente
Lelystad op dezelfde voet als waarop en ook overigens in dezelfde
rechtstoestand als waarin het op de dag, voorafgaande aan die datum,
werkzaam was.
Artikel 21
1. De Landdrost van het openbaar lichaam "Zuidelijke
IJsselmeerpolders" bepaalt tijdig, de betrokkenen gehoord en in
overeenstemming met het dagelijks adviescollege dan wel, voor zover
het gewoonlijk door de raad te benoemen functionarissen betreft, de
adviesraad voor het gebied "Lelystad", welke overige in
dienst van het openbaar lichaam werkzame ambtenaren - daaronder
begrepen de op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzame
personen - naar de gemeente Lelystad zullen overgaan. Van de dag van
inwerkingtreding dezer wet af worden deze ambtenaren geacht in
dezelfde rang, met dezelfde bezoldiging en ook overigens op dezelfde
voet in dienst te zijn van de gemeente Lelystad.
2. In de gevallen waarin tussen de Landdrost en het dagelijks
adviescollege onderscheidenlijk de adviesraad geen overeenstemming wordt
bereikt, beslist Onze Minister van Binnenlandse Zaken.
Artikel 22
De ambtenaren die door de toepassing van artikel 21 in dienst van de
gemeente Lelystad overgaan, aanvaarden hun werkzaamheden op de dag van
inwerkingtreding dezer wet. De eden of beloften, in verband met hun ambt
afgelegd, worden geacht mede op die dienstvervulling betrekking te
hebben.
Artikel 23
Indien het bevoegde gezag besluit tot wijziging of vervanging van de
voorschriften betreffende de rechtstoestand van het gemeentepersoneel,
worden voor de bezoldiging of de wedde van de in artikel 21 bedoelde
ambtenaren ten minste de diensttijd en de bezoldigings- of wedderegeling
in aanmerking genomen welke bij of ten aanzien van het openbaar lichaam
"Zuidelijke IJsselmeerpolders" op de dag, voorafgaande aan de
datum van inwerkingtreding dezer wet, voor de berekening van hun
bezoldiging of wedde zou hebben gegolden.
Artikel 24
Uit de in artikel 21 bedoelde ambtenaren benoemt de Landdrost van het
openbaar lichaam "Zuidelijke IJsselmeerpolders" met ingang van
de datum van inwerkingtreding dezer wet een tijdelijke secretaris en een
tijdelijke functionaris, belast met de taak van een ontvanger, van de
gemeente Lelystad. Deze benoemingen worden geacht door de raad van de
gemeente Lelystad te zijn gedaan en gelden tot de dag waarop de raad
overeenkomstig de gemeentewet een definitieve voorziening heeft
getroffen.
Hoofdstuk VII. Bijzondere voorzieningen met betrekking tot de
politiezorg
Artikel 25
1. Tot het tijdstip waarop het openbaar lichaam
"Zuidelijke IJsselmeerpolders" ingevolge artikel 2, vierde
lid, der Politiewet een eigen korps gemeentepolitie heeft, wordt de
politietaak in het gebied van het openbaar lichaam uitgeoefend door de
gemeentepolitie van Lelystad.
2. De Burgemeester van Lelystad en de Landdrost van het openbaar
lichaam stellen elkaar bij voortduring op de hoogte van al hetgeen door
de gemeentepolitie van Lelystad ter uitvoering van het gestelde in het
eerste lid is of zal worden verricht.
3. De Burgemeester van Lelystad oefent zijn bevoegdheden ten
aanzien van de gemeentepolitie, voor zover dit van invloed is op het
verrichten van de politietaak in het gebied van het openbaar lichaam,
uit in overeenstemming met de Landdrost.
Hoofdstuk VIII. Voorzieningen in verband met de toepassing van enkele
wetten
Artikel 26
Zij die op de dag, voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding
dezer wet, ingeschreven zijn als leerling van een openbare lagere
onderscheidenlijk kleuterschool, gevestigd in het gebied van het
openbaar lichaam "Zuidelijke IJsselmeerpolders" of dat van de
gemeente Dronten, worden van genoemde datum af tot die school toegelaten
op dezelfde voorwaarden als voordien golden.
Artikel 27
1. Indien de datum van inwerkingtreding dezer wet op of na 1
maart valt, geldt voor de scholen, gevestigd in de nieuwe gemeente
Lelystad, als het bedrag, bedoeld in artikel 55bis, eerste lid,
der Lager-onderwijswet 1920, voor het jaar van inwerkingtreding het
bedrag dat de Landdrost van het openbaar lichaam "Zuidelijke
IJsselmeerpolders" ingevolge genoemd artikellid voor dat jaar
heeft vastgesteld of krachtens het tweede lid geacht wordt te hebben
vastgesteld. Indien de datum van inwerkingtreding vóór 1 maart ligt,
geldt voor het jaar van inwerkingtreding het door de nieuwe gemeente
Lelystad vastgestelde bedrag.
2. Voor zover op de datum van inwerkingtreding dezer wet de
vaststelling, bedoeld in artikel 55ter, eerste lid, der
Lager-onderwijswet 1920, voor de openbare lagere scholen en die, bedoeld
in artikel 47, eerste lid, der Kleuteronderwijswet, voor de openbare
kleuterscholen, gevestigd in het in artikel 2 van de onderhavige wet
omschreven gebied, voor het aan die datum voorafgaande kalenderjaar nog
niet heeft plaatsgehad, geschiedt zij door de Landdrost van het openbaar
lichaam "Zuidelijke IJsselmeerpolders".
3. Voor zover op de datum van inwerkingtreding dezer wet de
vergoedingen, bedoeld in de artikelen 101 en 101bis der
Lager-onderwijswet 1920 onderscheidenlijk artikel 73 der
Kleuteronderwijswet, toekomende aan de besturen van de bijzondere lagere
onderscheidenlijk kleuterscholen, gevestigd in het in artikel 2 van de
onderhavige wet omschreven gebied, over het aan die datum voorafgaande
kalenderjaar nog niet zijn vastgesteld krachtens artikel 103, tweede
lid, der Lager-onderwijswet 1920 onderscheidenlijk artikel 75, derde
lid, der Kleuteronderwijswet, geschiedt deze vaststelling door de
Landdrost van het openbaar lichaam "Zuidelijke IJsselmeerpolders"
en voor rekening van het openbaar lichaam.
4. Bij de toepassing van artikel 101, vierde lid, der
Lager-onderwijswet 1920 en artikel 73, derde lid, der
Kleuteronderwijswet wordt voor het op de datum van inwerkingtreding van
de onderhavige wet lopende vijfjarige tijdvak de extra vergoeding voor
de in het in artikel 2 omschreven gebied gevestigde bijzondere scholen
bepaald op de som van enerzijds de per leerling onderscheidenlijk per
lokaal en per kleuter omgerekende overschrijdingsbedragen, berekend over
de kalenderjaren vóór het jaar waarin de datum van inwerkingtreding
dezer wet valt, en anderzijds de per leerling onderscheidenlijk per
lokaal en per kleuter omgerekende overschrijdingsbedragen over de
overige jaren van dat tijdvak. De hieruit voortvloeiende uitgaven,
betrekking hebbende op de kalenderjaren vóór de datum van
inwerkingtreding dezer wet, komen ten laste van het openbaar lichaam
"Zuidelijke IJsselmeerpolders".
5. Indien de datum van inwerkingtreding dezer wet vóór 1 maart
valt, stelt de nieuwe gemeente Lelystad voor het jaar van
inwerkingtreding het aantal wekelijkse lesuren, bedoeld in artikel 101bis,
eerste lid, der Lager-Onderwijswet 1920 vast. Treedt de onderhavige wet
op of na genoemde datum in werking, dan blijven de reeds vastgestelde
getallen van kracht en vindt de vaststelling van de aan de besturen van
de bijzondere scholen uit te keren vergoeding voor beloning van
vakonderwijzers plaats op dezelfde grondslagen als voordien golden.
Artikel 28
1. Op de datum van inwerkingtreding dezer wet gaan alle
archiefbescheiden van het openbaar lichaam "Zuidelijke
IJsselmeerpolders", uitsluitend betrekking hebbend op het in het
eerste onderscheidenlijk tweede lid van artikel 2 omschreven gebied,
over naar de gemeente Lelystad onderscheidenlijk Dronten, met dien
verstande dat de overbrenging als bedoeld in artikel 12 van de
Archiefwet 1995 ( Stb. 276) ten aanzien van deze bescheiden
geschiedt als had deze overgang niet plaatsgevonden. Van de overgang
wordt een verklaring opgemaakt volgens de krachtens artikel 9 van
genoemde wet voor vervreemding van archiefbescheiden gestelde regels.
2. De besturen van de gemeenten Lelystad en Dronten hebben van de
in het eerste lid genoemde datum af het recht te allen tijde kosteloos
inzage te nemen van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam
"Zuidelijke IJsselmeerpolders" en op kosten hunner gemeente
afschriften van of uittreksels uit die archiefbescheiden te vorderen,
voor zover deze mede betrekking hebben op het in het eerste
onderscheidenlijk tweede lid van artikel 2 omschreven gebied.
Artikel 29
1. Het bepaalde in het eerste lid van artikel 28 is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de delen van het tot het
bevolkingsregister van het openbaar lichaam "Zuidelijke
IJsselmeerpolders" behorende persoons- en woningregister die
betrekking hebben op de personen en woningen welke op de datum van
inwerkingtreding dezer wet in het in het eerste onderscheidenlijk
tweede lid van artikel 2 omschreven gebied gevestigd dan wel gelegen
zijn.
2. De Landdrost van het openbaar lichaam "Zuidelijke
IJsselmeerpolders" heeft van de in het eerste lid genoemde datum af
het recht te allen tijde kosteloos inzage te nemen van de in dat lid
bedoelde delen van het persoons- en woningregister en op kosten van het
openbaar lichaam afschriften daarvan of uittreksels daaruit te vorderen.
Artikel 30
Kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 16, 17 en 18 van de
Algemene Bijstandswet ten behoeve van personen die op of vóór de datum
van inwerkingtreding dezer wet woonachtig zijn of geweest zijn in het in
het eerste onderscheidenlijk tweede lid van artikel 2 omschreven gebied,
komen met ingang van bedoelde datum ten laste van de gemeente Lelystad
onderscheidenlijk Dronten.
Artikel 31
Met betrekking tot zaken, de dienstplicht, met inbegrip van de
mobilisatieuitkeringen, alsmede de noodwachtplicht betreffende, vinden
de voorschriften, door of namens Onze Minister van Defensie
onderscheidenlijk van Binnenlandse Zaken gegeven ter zake van
verhuizing, overeenkomstige toepassing ten aanzien van de overgang van
personen van het openbaar lichaam "Zuidelijke IJsselmeerpolders"
naar de gemeente Lelystad onderscheidenlijk Dronten krachtens deze wet.
Artikel 32
Binnen een door Ons te bepalen termijn moeten de in artikel 27 der
Wegenwet bedoelde leggers zijn vastgesteld onderscheidenlijk gewijzigd.
Artikel 33
Indien vóór de datum van inwerkingtreding dezer wet een notaris
en/of een deurwaarder zijn benoemd ter standplaats Lelystad (openbaar
lichaam "Zuidelijke IJsselmeerpolders") worden deze geacht te
zijn benoemd ter standplaats de gemeente Lelystad.
Artikel 34
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 35
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 36
De door de gemeenten Lelystad en Dronten en het openbaar lichaam
"Zuidelijke IJsselmeerpolders" ten behoeve van de
Keuringsdienst van Waren over het op de datum van inwerkingtreding dezer
wet lopende en het daaropvolgende dienstjaar verschuldigde bijdrage
wordt, met afwijking van de daaromtrent krachtens artikel 13, eerste
lid, van de Warenwet gegeven regels, vastgesteld volgens het inwonertal
van die gemeenten onderscheidenlijk dat openbaar lichaam op genoemde
datum.
Artikel 37
Het door de Landdrost van het openbaar lichaam "Zuidelijke
IJsselmeerpolders" genomen besluit tot toetreding, voor zoveel
betreft het gebied van Oostelijk Flevoland, tot de gemeenschappelijke
regeling voor de bescherming van de bevolking in de B-kring Gelderland a
wordt met betrekking tot het in het eerste onderscheidenlijk tweede lid
van artikel 2 omschreven gebied met ingang van de dag van
inwerkingtreding van deze wet geacht te zijn genomen door de
Burgemeester van Lelystad onderscheidenlijk Dronten.
Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
Artikel 38
Geschillen omtrent de toepassing van deze wet, waarvan de beslissing
niet aan anderen is opgedragen, worden door Ons beslist.
Artikel 39
Deze wet treedt in werking met ingang van een door Ons te bepalen
dag, met uitzondering van Hoofdstuk V en de artikelen 21 en 24, die in
werking treden op de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin deze wet wordt geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 5 juli 1979
JULIANA
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H. Wiegel
Uitgegeven de negentiende juli 1979
De Minister van Justitie a.i.,
H. Wiegel