Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 27 juni 1985 tot
instelling van een provincie Flevoland, indeling bij die
provincie van de gemeenten Almere, Dronten, Lelystad en
Zeewolde en overgang naar die provincie van de gemeenten
Noordoostpolder en Urk; tevens houdende wijziging van de
Provinciewet en enkele andere wetten
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een
provincie Flevoland in te stellen, de gemeenten Almere,
Dronten, Lelystad en Zeewolde en een gedeelte van het
Markermeer bij die provincie in te delen en de gemeenten
Noordoostpolder en Urk naar die provincie te doen overgaan
en de grens van het openbaar lichaam "Zuidelijke
IJsselmeerpolders" te wijzigen;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
§
I. Algemene bepalingen
Artikel
1
In deze wet
wordt verstaan onder:
- a.
- de
datum van instelling: de datum van
inwerkingtreding van artikel 2 van deze wet;
- b.
- Onze
Ministers: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
- c.
- de
provincie: de provincie Flevoland;
- d.
- ambtenaar:
tenzij deze wet anders bepaalt, degene die
krachtens aanstelling bij of krachtens
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht met het
Ministerie van Binnenlandse Zaken
onderscheidenlijk het Ministerie van Verkeer en
Waterstaat, de provincies Overijssel en Gelderland
en de gemeenten Almere, Dronten, Lelystad en
Zeewolde werkzaamheden verricht welke verband
houden met de uitoefening van provincietaken op
het grondgebied dat tot de provincie zal behoren;
- e.
- rechten
en verplichtingen: tenzij deze wet anders bepaalt,
alle rechten en verplichtingen behoudens die welke
voortvloeien uit het dienstverband van de
ambtenaren;
- f.
- overgaand
gebied: het grondgebied van de gemeenten
Noordoostpolder en Urk.
Artikel
2
- 1.
- Ingesteld
wordt een provincie genaamd Flevoland, welke
provincie het grondgebied omvat van de gemeenten
Almere, Dronten, Lelystad, Noordoostpolder, Urk en
Zeewolde alsmede van het hierna omschreven
gedeelte van het Markermeer, beginnende in het
grenssnijpunt tussen de gemeente Lelystad, de
gemeente Almere en het Markermeer:
|
X
= 145962.67
|
Y
= 494586.93
|
|
145733.81
|
494425.78
|
|
141644.23
|
492000.00
|
|
141276.47
|
492000.00
|
|
141050.00
|
492550.00
|
|
138950.00
|
497650.00
|
|
135550.00
|
502300.00
|
|
132850.00
|
510200.00
|
|
146200.00
|
517450.00
|
|
146550.00
|
521050.00
|
|
147500.00
|
521850.00
|
|
148099.31
|
522422.94
|
|
148190.00
|
522383.00
|
|
148278.40
|
522702.29
|
|
148542.52
|
522820.18
|
|
149362.81
|
522725.33
|
|
152371.31
|
521366.49
|
|
153233.97
|
520887.91
|
|
153692.94
|
520633.28
|
|
156500.00
|
518000.00
|
|
161313.89
|
509247.48
|
|
160944.43
|
508860.46
|
|
159720.04
|
508470.73
|
|
158517.09
|
507362.13
|
|
158160.16
|
506493.20
|
|
158089.75
|
506306.02
|
|
157859.18
|
505744.73
|
|
157717.06
|
505128.15
|
|
157696.25
|
504800.00
|
|
157683.20
|
504594.16
|
|
157687.08
|
504483.47
|
|
157640.58
|
504486.54
|
|
157586.99
|
504456.84
|
|
157583.61
|
504403.45
|
|
157641.88
|
504347.05
|
|
157693.41
|
504343.05
|
|
157666.11
|
504150.87
|
|
157620.84
|
503413.37
|
|
157434.95
|
502822.55
|
|
157120.11
|
502299.52
|
|
156884.63
|
502060.93
|
|
156818.47
|
502006.13
|
|
156494.04
|
501737.31
|
|
155539.52
|
500806.62
|
|
155350.79
|
500622.60
|
|
155269.72
|
500706.89
|
|
155000.00
|
500987.36
|
|
154993.07
|
500994.56
|
|
154957.80
|
501031.24
|
|
154688.17
|
500771.94
|
|
154630.32
|
500716.29
|
|
154428.16
|
500549.50
|
|
150800.59
|
497993.58
|
- 2.
- Onze
Minister van Binnenlandse Zaken dient binnen zes
maanden na de inwerkingtreding van deze wet,
gehoord de betrokken provincie- en
gemeentebesturen en de landdrost van het openbaar
lichaam "Zuidelijke IJsselmeerpolders",
de definitieve coördinaten van de in het eerste
lid bedoelde begrenzing van het Markermeer vast te
stellen.
- 3.
- Aan het
gebied van de provincie Noord-Holland wordt het
niet-provinciaal ingedeelde gebied gelegen ten
zuidwesten van de dijk Lelystad-Enkhuizen dat niet
bij de provincie wordt ingedeeld, toegevoegd.
Artikel
3
Het gebied
van het openbaar lichaam "Zuidelijke
IJsselmeerpolders" bestaat uit het in artikel 2
genoemde gedeelte van het Markermeer en is
overeenkomstig begrensd.
§
II. Verkiezingen
Artikel
4
Ten aanzien
van de eerste verkiezing van de leden van provinciale
staten van de provincie zijn de bepalingen van de Kieswet
inzake de verkiezing van de leden van provinciale
staten van toepassing, behoudens voor zover deze
paragraaf anders bepaalt.
Artikel
5
Voor de
toepassing van artikel
B1 van de Kieswet en artikel
8 van de Provinciewet worden onder ingezetenen
van de provincie verstaan degenen die hun werkelijke
woonplaats hebben in het gebied dat met ingang van de
datum van instelling het grondgebied van die provincie
vormt.
Artikel
6
- 1.
- Tot de datum van
instelling geschiedt de benoeming van de
plaatsvervangend voorzitter, de andere leden
alsmede de plaatsvervangende leden van de
hoofdstembureaus door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken.
- 2.
- De benoemingen,
bedoeld in artikel
E6 van de Kieswet, geschieden voor een
periode die eindigt op hetzelfde tijdstip als de
eerste zittingsperiode van provinciale staten van
de provincie.
Artikel
7
De
kandidaatstelling en de stemming vinden plaats op door
Onze Minister van Binnenlandse Zaken met inachtneming
van artikel I1 van
de Kieswet te bepalen dagen, met dien verstande
dat de stemming voor de datum van instelling
plaatsvindt.
Artikel
8
De
waarborgsom, bedoeld in artikel
G15 van de Kieswet, moet worden gestort in of
overgemaakt ten behoeve van 's Rijks kas. Een storting
als bedoeld in de vorige volzin vindt plaats bij Onze
Minister van Binnenlandse Zaken. Een overmaking als
bedoeld in de eerste volzin dient uiterlijk op de
veertiende dag vóór die der kandidaatstelling te
zijn ontvangen op de daartoe bestemde rekening bij de
Postcheque- en Girodienst van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken, onder vermelding van de aanduiding
"waarborgsom", alsmede van de kieskring waar
de lijst wordt ingediend.
Artikel
9
Bij de
eerste verkiezing van de leden van provinciale staten
blijft artikel H14
van de Kieswet buiten toepassing.
Artikel
10
Provinciale
staten van de provincie zullen bestaan uit het door
Onze Minister van Binnenlandse Zaken met
overeenkomstige toepassing van artikel
7, juncto artikel
3, eerste lid, van de Provinciewet te bepalen
aantal leden.
Artikel
11
Onze
Minister van Binnenlandse Zaken kan zo nodig besluiten
tot afwijking van de in artikel
G2, eerste lid, van de Kieswet bedoelde
termijnen inzake de registratie van namen en
aanduidingen van politieke groeperingen. Een zodanig
besluit wordt gepubliceerd in de Nederlandse
Staatscourant.
Artikel
12
- 1.
- In afwijking van artikel
C2, eerste lid, van de Kieswet eindigt de
eerste zittingsperiode van de leden van
provinciale staten van de provincie op het
tijdstip waarop de op de datum van instelling
zittende leden van de provinciale staten van de
overige provincies aftreden.
- 2.
- Indien de datum van
instelling valt binnen een jaar vóór de datum
waarop de verkiezingen van de leden van
provinciale staten ingevolge de Kieswet
moeten worden gehouden, vinden deze verkiezingen
in de provincie niet plaats. De zittingsperiode
van de bij de eerste verkiezing gekozen leden van
de staten van de provincie wordt in dat geval
verlengd. Deze leden treden dan af tegelijk met de
leden van de provinciale staten van de overige
provincies, gekozen bij de verkiezingen, bedoeld
in de eerste volzin.
Artikel
13
Het
onderzoek, bedoeld in artikel
U5 van de Kieswet, van de geloofsbrieven van de
benoemde leden van de staten van de provincie
geschiedt door die leden.
Artikel
14
De gekozen
leden van provinciale staten, tot wier toelating
onherroepelijk is beslist, en de benoemde commissaris
van de Koning leggen de eden (verklaringen en
beloften), genoemd in artikel 11, onderscheidenlijk 53
van de Provinciewet af zo spoedig mogelijk na
de verkiezing onderscheidenlijk de benoeming. Deze
eden (verklaringen en beloften) zijn tot de datum van
instelling tevens van overeenkomstige toepassing op
het lidmaatschap van het algemeen bestuur van het
voorbereidingslichaam, bedoeld in artikel 15,
onderscheidenlijk op het voorzitterschap van dat
bestuur.
Artikel
15
- 1.
- Voor de toepassing
van artikel 29
van de Provinciewet op het
voorbereidingslichaam, bedoeld in artikel 16 en op
de provincie tot het einde van de eerste
zittingsperiode van provinciale staten van de
provincie gelden in plaats van de getallen zes,
zeven en acht de getallen twee, drie en vier.
- 2.
- Het aantal
gedeputeerden in de provincie kan voor de tweede
onderscheidenlijk de daaropvolgende
zittingsperioden van provinciale staten van de
provincie, zolang het aantal leden van provinciale
staten minder dan 47 bedraagt, in afwijking van artikel
35 van de Provinciewet, worden vastgesteld
bij koninklijk besluit, gehoord provinciale staten
van de provincie.
§
III. Het voorbereidingslichaam
Artikel
16
- 1.
- Er is tot de datum
van instelling voor het grondgebied van de
provincie een openbaar lichaam, genaamd
voorbereidingslichaam provincie Flevoland.
- 2.
- Het bestuur van het
voorbereidingslichaam bestaat uit een algemeen
bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter.
- 3.
- Het bepaalde in de Provinciewet
inzake de inrichting en samenstelling van het
provinciaal bestuur alsmede inzake de wijze van
uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in
artikel 17, is, tenzij deze wet anders bepaalt,
van overeenkomstige toepassing op het
voorbereidingslichaam, in die zin dat de
bepalingen, betrekking hebbende op provinciale
staten, van overeenkomstige toepassing zijn op het
algemeen bestuur van het voorbereidingslichaam, de
bepalingen, betrekking hebbende op gedeputeerde
staten, van overeenkomstige toepassing zijn op het
dagelijks bestuur van het voorbereidingslichaam en
de bepalingen, betrekking hebbende op de
commissaris van de Koning, van overeenkomstige
toepassing zijn op de voorzitter van het
voorbereidingslichaam.
- 4.
- De als lid van
provinciale staten gekozenen treden, zodra zij de
eed (verklaring en belofte), bedoeld in artikel 14
hebben afgelegd, op als algemeen bestuur van het
voorbereidingslichaam; de commissaris van de
Koning in de provincie treedt, zodra hij de eed
(verklaring en belofte), genoemd in artikel
53 van de Provinciewet heeft afgelegd, op
als voorzitter van dat lichaam.
- 5.
- Het algemeen bestuur
benoemt binnen twee weken na het afleggen van de
eed (verklaring en belofte), bedoeld in artikel
14, de leden van het dagelijks bestuur. Met ingang
van de datum van instelling treedt het dagelijks
bestuur op als gedeputeerde staten.
Artikel
17
- 1.
- Het bestuur van het
voorbereidingslichaam verricht de handelingen en
neemt de besluiten die nodig zijn opdat het
bestuur van de provincie met ingang van de datum
van instelling zijn taken kan verrichten.
- 2.
- De artikelen
77, 78,
79 en 98
van de Provinciewet zijn van
overeenkomstige toepassing op het
voorbereidingslichaam.
- 3.
- Besluiten van het
bestuur van het voorbereidingslichaam worden met
ingang van de datum van instelling geacht te zijn
genomen door het bestuur van de provincie.
Artikel
18
Onze
Ministers, de provinciale besturen van Overijssel en
van Gelderland en de gemeentebesturen van Almere,
Dronten, Lelystad, Noordoostpolder, Urk en Zeewolde en
de landdrost van het openbaar lichaam "Zuidelijke
IJsselmeerpolders", verschaffen het dagelijks
bestuur van het voorbereidingslichaam, al dan niet op
verzoek van dat bestuur, de informatie die het bestuur
van het voorbereidingslichaam voor de uitoefening van
zijn taken en bevoegdheden van de desbetreffende
minister dan wel van het desbetreffende bestuur van
node heeft.
Artikel
19
Totdat het
algemeen bestuur onderscheidenlijk het dagelijks
bestuur van het voorbereidingslichaam een reglement
van orde voor hun vergaderingen hebben vastgesteld, is
op die vergaderingen van overeenkomstige toepassing
het reglement van orde voor de vergaderingen van
provinciale staten van Overijssel onderscheidenlijk
van gedeputeerde staten van Overijssel.
Artikel
20
- 1.
- De op leden van
gedeputeerde staten betrekking hebbende artikelen
van de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers zijn van
overeenkomstige toepassing op de leden van het
dagelijks bestuur van het voorbereidingslichaam.
- 2.
- De
rechtspositieregelingen voor commissarissen van de
Koning zijn van overeenkomstige toepassing op de
voorzitter van het bestuur van het
voorbereidingslichaam.
Artikel
21
Op verzoek
van het dagelijks bestuur van het
voorbereidingslichaam zullen Onze Ministers zorg
dragen voor ambtelijke ondersteuning ten behoeve van
het voorbereidingslichaam.
Artikel
22
- 1.
- Ten aanzien van
degenen die worden aangesteld in dienst van het
voorbereidingslichaam dan wel met wie het bestuur
van het voorbereidingslichaam een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht aangaat,
zijn de rechtspositieregelingen voor het
burgerlijk rijkspersoneel van overeenkomstige
toepassing.
- 2.
- Degenen die
krachtens aanstelling dan wel krachtens
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht op de
dag voorafgaande aan de datum van instelling in
dienst zijn van het voorbereidingslichaam, gaan
met ingang van die datum over in dienst van de
provincie.
Artikel
23
- 1.
- De door het
voorbereidingslichaam verworven rechten en
aangegane verplichtingen gaan met ingang van de
datum van instelling over naar de provincie,
zonder dat daarvoor een nadere akte wordt
gevorderd.
- 2.
- Indien de in het
eerste lid bedoelde rechten en verplichtingen
betrekking hebben op registergoederen, zal
verandering van de tenaamstelling in het
desbetreffende register plaatshebben. Gedeputeerde
staten van de provincie doen de daartoe nodige
opgaven aan de bewaarder van dat register.
- 3.
- Het dagelijks
bestuur van het voorbereidingslichaam treft
zodanige maatregelen dat het bestuur van de
provincie met ingang van de datum van instelling
de in het eerste lid bedoelde rechten kan
uitoefenen en aan de in dat lid bedoelde
verplichtingen kan voldoen.
Artikel
24
Wettelijke
procedures en rechtsgedingen waarbij het
voorbereidingslichaam is betrokken worden met ingang
van de datum van instelling door of tegen de provincie
voortgezet. Ten aanzien van de rechtsgedingen is het
bepaalde in de artikelen
254-262 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
§
IV. Voorschriften en andere besluiten
Artikel
25
- 1.
- De voorschriften
welke zijn gegeven krachtens onderscheidenlijk artikel
4 van de Wet van 25 maart 1971 tot instelling van
een gemeente Dronten (Stb.
342) voor het grondgebied van de gemeente Dronten,
artikel 4 van de
Wet van 5 juli 1979 tot instelling van een
gemeente Lelystad (Stb.
378) voor het grondgebied van de gemeente Lelystad
alsmede artikel
4 van de Wet van 6 juli 1983 tot instelling van de
gemeenten Almere en Zeewolde (Stb.
328) en artikel 6 van de Wet openbaar lichaam
Zuidelijke IJsselmeerpolders (Stb.
1955, 521) voor het grondgebied van de gemeenten
Almere en Zeewolde en van het openbaar lichaam
"Zuidelijke IJsselmeerpolders",
behoudens, indien en voor zover deze voorschriften
gelden op de dag voorafgaande aan de datum van
instelling, met ingang van die datum gedurende
twee jaren hun rechtskracht, voor zover het
bestuur van de provincie deze niet eerder
vervallen verklaart.
- 2.
- Het bepaalde in het
eerste lid is van overeenkomstige toepassing op
alle geldende voorschriften in de in dat lid
genoemde gebieden die zijn gegeven krachtens een
provinciale bevoegdheid, alsmede op de in
overgaand gebied geldende voorschriften van het
bestuur van de provincie Overijssel.
Artikel
26
In afwijking
van het bepaalde in artikel 25 behouden de voor de
datum van instelling genomen koninklijke besluiten en
besluiten van het provinciaal bestuur van Overijssel
betreffende de oprichting en reglementering van
waterschappen in het gebied van de provincie hun
rechtskracht zolang het bestuur van de provincie niet
anders bepaalt. Besluiten betreffende de oprichting en
reglementering van waterschappen die met ingang van de
datum van instelling in meer dan één provincie zijn
gelegen worden geacht met toepassing van artikel
63 van de Waterstaatswet 1900 te zijn
vastgesteld.
Artikel
27
Besluiten,
genomen krachtens de in artikel 25, eerste lid,
genoemde wetsartikelen, alsmede besluiten welke
genomen zijn bij de uitoefening van provinciale
bevoegdheden op het grondgebied van de provincie,
worden met ingang van de datum van instelling geacht
te zijn genomen door het bestuur van de provincie.
Artikel
28
- 1.
- Omtrent de
goedkeuring van besluiten, waarvan de bevoegdheid
tot goedkeuring overgaat op gedeputeerde staten
van de provincie, beslissen gedeputeerde staten
van de provincie vanaf de datum van instelling.
- 2.
- De in het eerste lid
bedoelde besluiten worden binnen tien dagen na de
datum van instelling toegezonden aan gedeputeerde
staten van de provincie.
- 3.
- Termijnen ter zake
van goedkeuring van besluiten als bedoeld in het
eerste lid, die aflopen na de datum van instelling
en aan de afloop waarvan rechtsgevolgen zijn
verbonden, worden met ingang van die datum geacht
te zijn aangevangen.
Artikel
29
- 1.
- Op beroepen tegen
besluiten van de besturen van in de provincie
gelegen gemeenten, welke voor de datum van
instelling bij Onze Minister van Binnenlandse
Zaken dan wel het provinciaal bestuur van
Overijssel zijn ingesteld, beslist na die datum
het bestuur van de provincie.
- 2.
- Ten aanzien van
beroepen tegen besluiten van het bestuur van
andere lichamen dan gemeenten die hun zetel hebben
in het overgaand gebied is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing.
- 3.
- Het gestelde in
artikel 28, tweede en derde lid, is van
overeenkomstige toepassing op de in het eerste en
tweede lid bedoelde beroepen.
Artikel
30
Verzoeken,
aanvragen en bezwaren verband houdend met de
bevoegdheden, bedoeld in artikel 25, eerste lid, of
met provinciale bevoegdheden welke met ingang van de
datum van instelling zijn overgegaan op het bestuur
van de provincie, worden met ingang van die datum
behandeld door het bestuur van de provincie.
Artikel
31
Met
betrekking tot de voorziening van drinkwater,
elektriciteit en gas worden de voorzieningsgebieden
gehandhaafd van de bedrijven die daarin voorzagen of
gerechtigd waren te voorzien op de dag voorafgaande
aan de datum van instelling van de provincie, voor
zover ter zake door de betrokken partijen geen nadere
regeling wordt getroffen.
§
V. De voorbereiding van de overgang van taken,
bevoegdheden, ambtenaren, rechten en verplichtingen naar
de provincie
Artikel
32
- 1.
- Onze Ministers
stellen een overzicht op van de door het Rijk
uitgeoefende provincietaken alsmede van de met de
uitoefening van die taken gemoeide ambtelijke
functies en de met de uitoefening van die taken
gemoeide rechten en verplichtingen van het Rijk.
- 2.
- Het in het eerste
lid bedoelde overzicht vermeldt de kosten van het
Rijk van de uitoefening van de in het overzicht
vermelde taken, gespecificeerd per taak,
ambtelijke functie, recht en verplichting, alsmede
de boekwaarde van de in het eerste lid bedoelde
rechten en verplichtingen.
- 3.
- Onze Ministers
zenden het in het eerste lid bedoelde overzicht
toe aan het dagelijks bestuur van het
voorbereidingslichaam op zodanig tijdstip dat dat
bestuur daarover op het tijdstip van zijn
benoeming kan beschikken.
- 4.
- Onze Ministers delen
wijzigingen in het bestand aan door hen
uitgevoerde provincietaken en in de daarmee
gemoeide ambtelijke functies en rechten en
verplichtingen welke na de in het derde lid
bedoelde datum, maar vóór de datum van
instelling optreden, terstond aan het dagelijks
bestuur van het voorbereidingslichaam mede.
Artikel
33
- 1.
- Gedeputeerde staten
van Overijssel, en van Gelderland, alsmede de
colleges van burgemeester en wethouders van
Almere, Dronten, Lelystad en Zeewolde stellen
overzichten op als bedoeld in artikel 32, eerste
lid, van de door de besturen van de desbetreffende
provincies en gemeenten uitgeoefende
provincietaken, voor zover deze betrekking hebben
op het gebied van de provincie Flevoland, alsmede
van de met de uitoefening van die taken gemoeide
ambtelijke functies en rechten en verplichtingen
van de desbetreffende besturen.
- 2.
- Artikel 32, tweede
tot en met vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing op de in het eerste lid bedoelde
overzichten.
Artikel
34
- 1.
- Het algemeen bestuur
van het voorbereidingslichaam stelt de
organisatorische vormgeving van het ambtelijk
apparaat van de provincie vast en de daarop
afgestemde personeelsformatie.
- 2.
- De
personeelsformatie, bedoeld in het eerste lid,
houdt een in bezoldigingsniveaus en aantallen
uitgedrukte en in een organisatiestructuur
vervatte opgave in van de te verwachten ambtelijke
functies bij de nieuwe provincie op het moment van
instelling.
Artikel
35
- 1.
- Die ambtelijke
functies bij de provincie die zijn gemoeid met
taken welke tot aan de datum van instelling worden
uitgeoefend door Onze Ministers onderscheidenlijk
een provinciaal bestuur onderscheidenlijk een
gemeentebestuur worden vervuld door ambtenaren die
tot de datum van instelling in dienst zijn bij
Onze Ministers onderscheidenlijk de desbetreffende
provincie onderscheidenlijk de desbetreffende
gemeente.
- 2.
- De in het eerste lid
bedoelde ambtenaren worden aangewezen door een
plaatsingscommissie bestaande uit een voorzitter
en drie leden. De voorzitter en één lid worden
aangewezen door en uit het dagelijks bestuur van
het voorbereidingslichaam. Een ander lid is een
vertegenwoordiger van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken wanneer het ambtenaren van
Binnenlandse Zaken betreft, een vertegenwoordiger
van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
wanneer het ambtenaren van Verkeer en Waterstaat
betreft, een vertegenwoordiger van het
desbetreffende college van gedeputeerde staten
wanneer het ambtenaren van een provincie betreft
en een vertegenwoordiger van het desbetreffende
college van burgemeester en wethouders wanneer het
ambtenaren van een gemeente betreft. Het derde lid
wordt aangewezen door de in artikel 52 bedoelde
Commissie voor Georganiseerd Overleg
Personeelsovergang Flevoland (C.G.O.P.F.).
- 3.
- Indien een ambtenaar
bezwaar heeft tegen een aanwijzing als bedoeld in
de eerste volzin van het tweede lid, kan hij
binnen 14 dagen tegen die aanwijzing een
bezwaarschrift indienen bij de in het vierde lid
bedoelde commissie.
- 4.
- Er is een
bezwarencommissie, bestaande uit een voorzitter en
drie leden, welke tot taak heeft te beslissen op
bezwaarschriften als bedoeld in het derde lid. De
voorzitter wordt aangewezen door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken, twee leden worden aangewezen
door de in artikel 52 bedoelde Commissie voor
Georganiseerd Overleg Personeelsovergang Flevoland
(C.G.O.P.F.). Van de bezwarencommissie maken geen
personen deel uit die zitting hebben in de in het
tweede lid bedoelde plaatsingscommissie.
Artikel
36
- 1.
- Bij koninklijk
besluit worden op voordracht van Onze Ministers en
Onze Minister van Financiën, gehoord het
dagelijks bestuur van het voorbereidingslichaam,
de onroerende rijkseigendommen aangewezen die in
het beheer of onderhoud zijn bij het Rijk en die
in onderscheidenlijk eigendom, beheer en/of
onderhoud overgaan naar de provincie. Voor zover
het rijkseigendommen betreft die voor overgang
naar waterschappen in aanmerking komen, worden
tevens de besturen van deze waterschappen gehoord.
- 2.
- Onze Ministers
wijzen, rekening houdend met de organisatorische
vormgeving, bedoeld in artikel 34, eerste lid, en
gehoord het dagelijks bestuur van het
voorbereidingslichaam, de roerende
rijkseigendommen aan die overgaan naar de
provincie.
§
VI. De overgang van ambtenaren en van rechten en
verplichtingen naar de provincie
Artikel
37
- 1.
- Met ingang van de
datum van instelling gaan de krachtens artikel 35
tweede lid aangewezen ambtenaren alsmede de
krachtens artikel 36 aangewezen rijkseigendommen
over in dienst van onderscheidenlijk naar de
provincie, zonder dat daartoe een nadere akte
wordt gevorderd.
- 2.
- De rechten en
verplichtingen van het Rijk met betrekking tot de
uitoefening door Onze Ministers van provincietaken
op het grondgebied van de provincie gaan, voor
zover niet betrekking hebbende op
rijkseigendommen, met ingang van de datum van
instelling over op de provincie, zonder dat
daartoe een nadere akte wordt gevorderd.
- 3.
- Het bestuur van de
provincie is te allen tijde bevoegd, inzage te
nemen van de archiefbescheiden van het Rijk,
betrekking hebbend op de uitoefening door Onze
Ministers van provincietaken op het grondgebied
van de provincie en daarvan duplicaten te
vorderen. De met de verstrekking van die
duplicaten gemoeide kosten komen voor de helft ten
laste van de provincie en voor de andere helft van
het Rijk.
Artikel
38
- 1.
- De rechten en
verplichtingen van de provincie Overijssel voor
zover betrekking hebbend op overgaand gebied en
van de provincie Gelderland en van de gemeenten
Almere, Dronten, Lelystad en Zeewolde, voor zover
betrekking hebbend op door die provincie en die
gemeenten uitgeoefende taken van de provincie,
gaan met ingang van de datum van instelling tegen
boekwaarde over op het bestuur van de provincie
zonder dat daartoe een nadere akte wordt
gevorderd.
- 2.
- Met ingang van de
datum van instelling gaan alle archiefbescheiden
van de provincie Overijssel, uitsluitend
betrekking hebbend op overgaand gebied, over naar
de provincie. De overbrenging, bedoeld in artikel
12 van de Archiefwet 1995 (Stb.
276), geschiedt ten aanzien van deze bescheiden
als had geen gebiedsovergang plaatsgevonden. Van
de overgang van de archiefbescheiden wordt een
verklaring opgemaakt volgens de krachtens artikel
9 van genoemde wet voor vervreemding van
archiefbescheiden gestelde regels.
- 3.
- Het bestuur van de
provincie is te allen tijde bevoegd inzage te
nemen van de overige op overgaand gebied
betrekking hebbende archiefbescheiden van de
provincie Overijssel en daarvan duplicaten te
vorderen. De met de verstrekking van die
duplicaten gemoeide kosten komen voor de helft ten
laste van de provincie en voor de andere helft van
de provincie Overijssel.
- 4.
- Het tweede en derde
lid zijn van overeenkomstige toepassing op de
archiefbescheiden van de provincie Gelderland,
betrekking hebbend op de taken van het bestuur van
de provincie die tot de datum van instelling
worden uitgeoefend door het provinciaal bestuur
van Gelderland.
- 5.
- Het bestuur van de
provincie is te allen tijde bevoegd inzage te
nemen van de archiefbescheiden van het openbaar
lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders en de
gemeenten Almere, Dronten, Lelystad en Zeewolde
voor zover deze betrekking hebben op door dat
lichaam onderscheidenlijk die gemeenten tot de
datum van instelling uitgeoefende provincietaken
en daarvan duplicaten te vorderen. De met de
verstrekking van die duplicaten gemoeide kosten
komen voor de helft ten laste van de provincie en
voor de andere helft van het openbaar lichaam
Zuidelijke IJsselmeerpolders onderscheidenlijk de
desbetreffende gemeente.
Artikel
39
Voor de
feitelijke overgang van de rechten en verplichtingen,
bedoeld in de artikelen 37 en 38, treffen Onze
Ministers onderscheidenlijk het desbetreffend
provinciaal bestuur en het desbetreffend
gemeentebestuur de vereiste maatregelen op een zodanig
tijdstip, dat de provincie met ingang van de datum van
instelling over de rechten kan beschikken en aan de
verplichtingen voldoen.
Artikel
40
Het
desbetreffende bevoegd gezag deelt iedere ambtenaar
schriftelijk mede:
- a.
- iedere
te zijnen aanzien krachtens deze wet genomen
beslissing;
- b.
- de
reden van iedere afwijking bij die beslissing van
door hem schriftelijk kenbaar gemaakte
persoonlijke wensen;
- c.
- alle
mogelijkheden van bezwaar en beroep tegen die
beslissing, waaronder die krachtens de Ambtenarenwet
1929.
Artikel
41
De ambtenaar
wiens dienstverband is geregeld in een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en die door
een bestemmingsbeslissing als bedoeld in artikel 35,
tweede lid, rechtstreeks in zijn belang is getroffen,
kan daartegen beroep instellen. Op dat beroep is Titel
II van de Ambtenarenwet 1929 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel
42
- 1.
- De ambtenaren,
bedoeld in artikel 35, tweede lid, gaan in ten
minste dezelfde salarisschaal en in een
dienstverband van dezelfde aard over in dienst van
de provincie.
- 2.
- Voor de bepaling van
de bezoldiging van de in het eerste lid bedoelde
ambtenaren wordt ten minste de salarispositie in
aanmerking genomen welke voor hen op de datum van
instelling voor de berekening van de bezoldiging
zou hebben gegolden.
Artikel
43
- 1.
- Het bevoegd gezag
van de provincie draagt er zorg voor dat zo
spoedig mogelijk na de datum van indiensttreding
maar niet later dan een half jaar na
indiensttreding aan elk der in artikel 42, tweede
lid, bedoelde ambtenaren een schriftelijke
kennisgeving wordt verstrekt vermeldende de in dat
lid genoemde elementen van zijn rechtspositie.
- 2.
- Tenzij op verzoek
dan wel met instemming van de betrokken ambtenaar
brengt het bevoegd gezag van de nieuwe provincie
gedurende een termijn van twee jaar na de datum
van indiensttreding geen wijziging in diens
positie zoals die voortvloeit uit de te zijnen
aanzien genomen beslissing.
- 3.
- Van het bepaalde in
het tweede lid kan worden afgeweken om dringende
redenen van dienstbelang.
Artikel
44
- 1.
- Het bevoegd gezag
van de provincie verleent de ambtenaar die is
overgegaan onder aanwijzing van een andere
standplaats dan die welke hem voor zijn overgang
was aangewezen, binnen twee jaar ontslag met recht
op wachtgeld onderscheidenlijk uitkering, indien
op grond van door hem kenbaar gemaakte - en door
het bevoegd gezag der provincie als geldig erkende
- bezwaren van hem in redelijkheid niet kan worden
verlangd dat hij zich naar die verplaatsing zal
voegen of zal blijven voegen en het tot
ontslagverlening bevoegde gezag het niet mogelijk
acht hem een andere standplaats toe te wijzen,
waarvoor de bedoelde bezwaren niet gelden.
- 2.
- Het bevoegd gezag
van de provincie verleent de ambtenaar die bij
zijn overgang belast is met een andere functie dan
die, welke hij tot aan de datum van
indiensttreding vervulde, binnen de in het eerste
lid genoemde termijn eervol ontslag met recht op
wachtgeld onderscheidenlijk uitkering, indien
blijkt dat de werkzaamheden verbonden aan de
nieuwe functie, gelet op de opleiding, de
ervaring, de persoonlijkheid en de omstandigheden
van de betrokkene, niet passend zijn en het
bevoegd gezag van de nieuwe provincie het niet
mogelijk acht de ambtenaar met een andere hem wel
passende functie te belasten.
- 3.
- Bij een
ontslagverlening op grond van dit artikel neemt
het bevoegd gezag een opzeggingstermijn van drie
maanden in acht.
Artikel
45
- 1.
- Het bevoegd gezag
van de provincie stelt de in de artikelen
125 en 134
van de Ambtenarenwet 1929 bedoelde
voorschriften en bepalingen vast binnen twee jaren
na de datum van instelling. Deze voorschriften en
bepalingen vormen, voordat zij worden vastgesteld,
onderwerp van georganiseerd overleg met de
centrales van verenigingen van ambtenaren.
- 2.
- Ten aanzien van de
ambtenaren die ingevolge het bepaalde in artikel
35, tweede lid, zijn overgegaan in dienst van de
provincie zijn - onverminderd hetgeen overigens
krachtens deze wet is bepaald - tot het tijdstip
waarop de ingevolge het eerste lid vastgestelde
voorschriften van kracht worden, de
rechtspositieregelingen van toepassing, die voor
hen golden op de dag voorafgaande aan de datum van
instelling. Het bevoegd gezag van de provincie
past de laatstbedoelde rechtspositievoorschriften,
zoals deze nog gelden, aan algemene wijzigingen in
de regeling der rechtspositie voor het
rijkspersoneel aan.
- 3.
- Tot het tijdstip
waarop de ingevolge het eerste lid vastgestelde
voorschriften van kracht worden, zijn ten aanzien
van andere dan in het tweede lid bedoelde in
dienst van een nieuwe provincie zijnde ambtenaren
van overeenkomstige toepassing de
rechtspositievoorschriften welke golden voor de
ambtenaren bedoeld in het tweede lid.
Artikel
46
- 1.
- Ook na de
inwerkingtreding van de in artikel 45, eerste lid,
bedoelde voorschriften, wordt voor de vaststelling
van - en wijzigingen in - de bezoldiging van de in
artikel 35, tweede lid, bedoelde ambtenaren
tenminste de salarispositie in acht genomen welke
gegolden zou hebben volgens de salarisschaal die
op hem van toepassing was op de dag voorafgaande
aan de datum van instelling.
- 2.
- Bij de bepaling van
de in het eerste lid bedoelde salarispositie wordt
deze aangepast overeenkomstig bij koninklijk
besluit in de bezoldiging van het rijkspersoneel,
te rekenen van of na de datum van instelling, aan
te brengen wijzigingen voor zover deze een
algemeen karakter hebben.
Artikel
47
- 1.
- De ambtenaar in
vaste of in tijdelijke dienst, mits dit laatste
dienstverband ten minste vijf jaren heeft geduurd
en de aanstelling niet is geschied in een
betrekking van kennelijk tijdelijke aard, die ten
gevolge van het bepaalde in artikel 44 is
ontslagen, heeft ten laste van Hoofdstuk VII van
de rijksbegroting recht op wachtgeld volgens de
regelen, vastgesteld bij de algemene maatregel van
bestuur van 23 november 1972, Stb.
671, onverminderd het bepaalde in artikel 4 van
die algemene maatregel.
- 2.
- De ambtenaar in
tijdelijke dienst wiens dienstverband minder dan
vijf jaren heeft geduurd dan wel van kennelijk
tijdelijke aard was, alsmede de werknemer in
dienst op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
recht, die ten gevolge van het bepaalde in artikel
44 is ontslagen, onderscheidenlijk wiens
dienstverband dientengevolge wordt beëindigd,
heeft ten laste van hoofdstuk VII van de
rijksbegroting recht op een uitkering volgens de
regelen, vastgesteld bij de algemene maatregel van
bestuur van 23 november 1972, Stb.
672, onverminderd het bepaalde in de artikelen 2
en 6 van die algemene maatregel.
Artikel
48
Indien een
ambtenaar, die op grond van het in artikel 44 bepaalde
is ontslagen, uit hoofde van ziekte aanspraak heeft op
doorbetaling van zijn laatstgenoten bezoldiging, komt
deze bezoldiging ten laste van Hoofdstuk VII van de
rijksbegroting.
Artikel
49
Ten aanzien
van de in de artikelen 47 en 48 bedoelde ambtenaren
komt voor de duur van de in die artikelen bedoelde
aanspraak het aandeel van de provincie in de bijdrage
voor de interprovinciale of intercommunale
ziektekostenregeling ten laste van Hoofdstuk VII van
de rijksbegroting.
Artikel
50
De eed of
belofte, afgelegd door de in artikel 35, tweede lid,
bedoelde ambtenaren in verband met hun ambt, wordt
geacht mede betrekking te hebben op de
dienstvervulling na hun overgang in dienst van de
provincie.
Artikel
51
Omtrent
ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur ter
uitvoering van deze wet, welke mede van algemeen
belang zijn voor de rechtstoestand van de ambtenaren,
pleegt Onze Minister van Binnenlandse Zaken overleg
met de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg
in Ambtenarenzaken (C.C.G.O.A.), bedoeld in artikel
105 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
Artikel
52
- 1.
- De
plaatsingscommissie, bedoeld in artikel 35
onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het
voorbereidingslichaam dan wel gedeputeerde staten
van de provincie pleegt voortdurend overleg met de
Commissie voor Georganiseerd Overleg
Personeelsovergang Flevoland (C.G.O.P.F.) over de
aangelegenheden welke de uitvoering van de bij of
krachtens deze wet gestelde regelen betreffen en
die van algemeen belang zijn voor de
rechtstoestand van ambtenaren die overgaan in
dienst van de provincie, met inbegrip van de
regels volgens welke het personeelsbeleid ter zake
van die overgang zal worden gevoerd.
- 2.
- Bij algemene
maatregel van bestuur worden regelen gesteld
omtrent de samenstelling en bevoegdheid van de in
het eerste lid bedoelde Commissie alsmede het met
die Commissie te voeren overleg.
Artikel
53
- 1.
- Indien het
voorbereidingslichaam overgaat tot de oprichting
van een of meer waterschappen, kunnen onroerende
rijkseigendommen en rechten en verplichtingen
zonder tussenkomst van de provincie naar deze
waterschappen overgaan, voor zover zulks in
overeenstemming is met de reglementaire taken en
bevoegdheden van deze waterschappen. De artikelen
36, 37 en 39 zijn van overeenkomstige toepassing.
- 2.
- Indien het
voorbereidingslichaam overgaat tot de oprichting
van een of meer waterschappen, stelt de tweede
ondergetekende ambtenaren, welke thans in
rijksdienst belast zijn met de uitoefening van de
regionale waterschapszorg, aan de besturen van
deze waterschappen voor overname door het
waterschap ter beschikking. De artikelen 35, 40,
42, 43, 44, 45 tweede lid, 46, 47 en 50 zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
voor de overeenkomstige toepassing van artikel 35,
eerste lid, tussen de woorden "worden"
en "vervuld" wordt gelezen "in
beginsel".
§
VII. Financiële en fiscale bepalingen
Artikel
54
Onze
Minister van Binnenlandse Zaken treft een voorziening
ten laste waarvan over de periode tot de datum van
instelling de kosten van voorbereiding van de
instelling van de provincie kunnen worden gebracht.
Artikel
55 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel
56
- 1.
- Het dagelijks
bestuur van het voorbereidingslichaam maakt de
begroting van inkomsten en uitgaven op voor het
eerste jaar vanaf de datum van instelling.
- 2.
- Het bepaalde in Hoofdstuk
XIII, paragraaf 1, van de Provinciewet is
van overeenkomstige toepassing tenzij daarvan bij
deze wet wordt afgeweken, met dien verstande dat
voor de periode tot aan de datum van instelling
van de provincie voor gedeputeerde staten wordt
gelezen het dagelijks bestuur van het
voorbereidingslichaam en voor provinciale staten
het algemeen bestuur van het
voorbereidingslichaam.
- 3.
- In afwijking van het
bepaalde in artikel
128 van de Provinciewet kan Onze Minister
van Binnenlandse Zaken toestemming verlenen
uitgaven te doen welke op de in het eerste lid van
dit artikel bedoelde begroting of op een besluit
tot wijziging daarvan zijn geraamd, indien Onze
goedkeuring aan deze begroting niet is verleend vóór
de aanvang van het eerste jaar vanaf de datum van
instelling.
Artikel
57
De
uitkeringen met betrekking tot het grondgebied van de
gemeenten Noordoostpolder en Urk die door,
onderscheidenlijk aan de provincie Overijssel zijn
verschuldigd over de vóór de datum van instelling
aangevangen boekingstijdvakken worden met ingang van
die datum voldaan door, onderscheidenlijk aan de
provincie.
Artikel
58
- 1.
- In afwijking van het
bepaalde in artikel 25, tweede lid, behouden de op
de dag voorafgaande aan de datum van instelling
geldende verordeningen op de heffing van
provinciale opcenten op de hoofdsom van de
motorrijtuigenbelasting als bedoeld in artikel
146 onder a van de
Provinciewet voor de gebieden omvattende de
gemeenten Noordoostpolder en Urk onderscheidenlijk
het overige gebied van de provincie hun
rechtskracht tot 1 april volgende op de datum van
instelling.
- 2.
- Voor de periode
ingaande 1 april na de datum van instelling en
eindigend 31 maart van het daarop volgende jaar
heft de provincie opcenten op de hoofdsom van de
motorrijtuigenbelasting, zonder dat een besluit
als bedoeld in artikel
145 van de Provinciewet wordt gevorderd.
Het aantal opcenten bedraagt 18.
- 3.
- De bevoegdheid tot
het heffen en invorderen van provinciale leges en
andere rechten in het grondgebied van de provincie
over een belastingtijdvak waarin de dag
voorafgaande aan de datum van instelling valt dan
wel met betrekking tot een belastbaar feit dat
zich vóór de datum van instelling heeft
voorgedaan, is voorbehouden aan het orgaan dat op
de dag voorafgaande aan de datum van instelling
tot de heffing en invordering van deze leges en
andere rechten bevoegd was.
- 4.
- In afwijking van het
bepaalde in artikel 25, tweede lid, hebben de
verordeningen inzake de heffing en invordering van
provinciale leges en andere rechten zoals deze
golden op de dag voorafgaande aan de datum van
instelling in het gebied van de gemeenten
Noordoostpolder en Urk, rechtskracht voor het
gehele gebied van de provincie.
§
VIII. Andere wetten
Artikel
59
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
60
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
61 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel
62
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
63
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
64
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
65
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
§
IX. Slotbepalingen
Artikel
66
Indien de in
deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een
goede uitvoering van de wet nadere regeling behoeven,
geschiedt zulks bij algemene maatregel van bestuur.
Artikel
67
Geschillen
omtrent de toepassing van deze wet, waarvan de
beslissing niet aan anderen is opgedragen, worden bij
koninklijk besluit beslist.
Artikel
68
- 1.
- De artikelen van
deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden gesteld. De datum van
inwerkingtreding van artikel 2 wordt op 1 januari
van een kalenderjaar bepaald.
- 2.
- Deze wet kan worden
aangehaald als Wet instelling provincie Flevoland.
Gegeven te 's-Gravenhage,
27 juni 1985
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse
Zaken,
Rietkerk
De Minister van Verkeer en
Waterstaat,
N.
Smit-Kroes
Uitgegeven de vierde juli 1985
De Minister van Justitie,
F.
Korthals Altes
|