WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een
regeling te treffen inzake beperking van samenloop van pensioenen en
uitkeringen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet met renten en
uitkeringen ingevolge de Ongevallenwetten in verbinding met de
Liquidatiewet ongevallenwetten, bijslagen op die renten en uitkeringen
en toeslagen op renten krachtens de Invaliditeitswet;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Samenloop van uitkeringen ingevolge de Algemene Weduwen- en
Wezenwet met uitkeringen krachtens de Ongevallenwetten in verbinding met
de Liquidatiewet ongevallenwetten
Artikel 1
1. In geval van samenloop over eenzelfde tijdvak van een
wezenpensioen, een weduwenpensioen of een tijdelijke weduwenuitkering
ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet met een rente of uitkering
als bedoeld in artikel 19, onder 2°, der Ongevallenwet 1921, artikel
40, onder 2°, der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922,
onderscheidenlijk artikel 2, tweede lid, der Zeeongevallenwet 1919,
wordt die rente of uitkering alsmede de daarop verleende wettelijke
bijslag slechts uitbetaald, voorzover de rente of uitkering,
vermeerderd met de bijslag, het pensioen of de tijdelijke
weduwenuitkering ingevolge de eerstgenoemde wet overtreft.
2. Waar in deze paragraaf wordt gesproken van:
a. wettelijke bijslag, wordt bedoeld de bijslag, verleend ingevolge
de Wet tot aanvulling der ongevallenrenten en de Wet van 10 oktober
1962, Stb. 394, tot tijdelijke verdere verhoging van
ongevalsuitkeringen in verbinding met - indien de bijslag wordt
verleend over tijdvakken, gelegen na de dag, voorafgaande aan die,
waarop artikel 19 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
in werking is getreden - de Liquidatiewet ongevallenwetten;
b. een rente ingevolge de Ongevallenwet 1921 of de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922, wordt bedoeld een rente, toegekend anders
dan in verband met het bepaalde bij artikel 87 der Ongevallenwet 1921
onderscheidenlijk artikel 99 der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922
in verbinding met - indien de rente wordt verleend over tijdvakken,
gelegen na de dag, voorafgaande aan die, waarop artikel 19 van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in werking is getreden - de
Liquidatiewet ongevallenwetten;
c. een uitkering ingevolge de Zeeongevallenwet 1919 - indien de
uitkering wordt verleend over tijdvakken, gelegen na de dag,
voorafgaande aan die, waarop artikel 19 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in werking is getreden - wordt
bedoeld een uitkering ingevolge eerstgenoemde wet in verbinding met de
Liquidatiewet ongevallenwetten.
3. Wanneer een weduwe in het genot is van een weduwenpensioen als
bedoeld in artikel 19, tweede lid, der Algemene Weduwen- en Wezenwet
wordt de door een eigen of daarmede, ingevolge artikel 10 der Algemene
Weduwen- en Wezenwet, gelijkgesteld kind genoten rente of uitkering als
bedoeld in artikel 19, onder 2°, der Ongevallenwet 1921, artikel 40,
onder 2°, der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk
artikel 2, tweede lid, der Zeeongevallenwet 1919 alsmede de op die rente
of uitkering genoten wettelijke bijslag voor de toepassing van het
eerste lid geacht door de weduwe op grond van de genoemde artikelen te
zijn genoten.
Artikel 2
In de gevallen, waarin artikel 1 toepassing vindt ten aanzien van een
weduwe, die tevens in het genot is van rente ingevolge de
Invaliditeitswet, waarop zij tot het in werking treden van deze wet
ingevolge de Wet tot aanvulling van renten krachtens de Invaliditeitswet
en de wet van 3 februari 1954 (Stb. 60) toe- en bijslagen genoot,
wordt de in artikel 1 voorziene korting toegepast op het gezamenlijk
bedrag der rente of uitkering ingevolge de Ongevallenwet 1921, de Land-
en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk de Zeeongevallenwet
1919 en van de daarop verleende wettelijke bijslag, vermeerderd met de
evenbedoelde toe- en bijslagen op de rente ingevolge de
Invaliditeitswet.
Artikel 3
Het bepaalde bij het eerste lid van artikel 1 vindt overeenkomstige
toepassing in geval van samenloop van de uitkering, bedoeld in artikel
15 der Algemene Weduwen- en Wezenwet met de uitkering, bedoeld in
artikel 22 der Ongevallenwet 1921, artikel 43 der Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en artikel 2, derde lid, onder d, der
Zeeongevallenwet 1919.
Artikel 4
1. In de gevallen, waarin artikel 30, eerste lid, der Algemene
Weduwen- en Wezenwet toepassing vindt, wordt voor de toepassing van
deze paragraaf onder het weduwenpensioen of de tijdelijke
weduwenuitkering, bedoeld in artikel 1, verstaan het na toepassing van
artikel 30, eerste lid, der Algemene Weduwen- en Wezenwet van dat
pensioen of die uitkering uitbetaalde bedrag.
2. Indien het in artikel 1, eerste lid, bedoelde wezenpensioen
samenloopt met een aldaar bedoelde rente of uitkering, toegekend met
ingang van een datum, gelegen vóór het in werking treden van deze wet
en ten aanzien van de wees geen aanspraak op kinderbijslag bestaat
ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, de Kinderbijslagwet voor
loontrekkenden, of de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel
10 van laatstgenoemde wet, vindt de in artikel 1, eerste lid, voorziene
korting plaats, nadat op het wezenpensioen in mindering is gebracht het
bedrag aan kinderbijslag, dat vóór het in werking treden van deze wet
voor de wees ingevolge de Kinderbijslagwet voor invaliditeits-,
ouderdoms- en wezenrentetrekkers werd genoten.
Artikel 5
Bij de toepassing van deze paragraaf wordt een verhoging, ingevolge
artikel 21 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, van het pensioen of de
tijdelijke weduwenuitkering, bedoeld in artikel 1, welke plaatsvindt na
de dag, met ingang van welke de rente of de uitkering is toegekend, niet
op de rente of uitkering in mindering gebracht.
Artikel 6
1. De uit het bepaalde in deze paragraaf voortvloeiende
vermindering van de bedragen der uit te betalen renten of uitkeringen
en wettelijke bijslagen wordt eerst toegepast op de bedragen van die
bijslagen en vervolgens op die van de renten of uitkeringen.
2. In de gevallen, waarop artikel 1, derde lid, betrekking heeft,
wordt de in het vorige lid bedoelde vermindering eerst toegepast op de
aan de weduwe toegekende rente of uitkering en vervolgens, voorzoveel
nodig, op de aan de kinderen toegekende renten of uitkeringen, naar
evenredigheid van elk der aan de kinderen toegekende renten of
uitkeringen.
3. De Sociale Verzekeringsraad kan, onder goedkeuring van Onze
Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, ter uitvoering van het
bepaalde in de vorige leden nadere regelen stellen.
Artikel 7
1. De met toepassing van het bepaalde in deze paragraaf over
tijdvakken, gelegen vóór de dag, waarop artikel 19 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in werking is getreden, niet
uitbetaalde bedragen der renten of uitkeringen, voor zover de datum
van ingang ligt nà 30 september 1959, komen ten goede aan de
risicodragers, te wier laste deze renten of uitkeringen komen.
2. Met risicodrager wordt bedoeld:
a. wanneer het een rente ingevolge de Ongevallenwet 1921 betreft,
het Ongevallenfonds, onderscheidenlijk de in artikel 54 der
Ongevallenwet 1921 bedoelde werkgever, die is toegelaten om zelf het
risico van de wettelijke ongevallenverzekering te dragen, dan wel de
aldaar bedoelde naamloze vennootschap of vereniging, waaraan het
risico van de wettelijke ongevallenverzekering is overgedragen, al
naar gelang de rente ten laste komt van het genoemde fonds,
onderscheidenlijk de bedoelde werkgever, vennootschap of vereniging;
b. wanneer het een rente ingevolge de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 betreft, het Landbouwongevallenfonds,
onderscheidenlijk de bedrijfsvereniging in de zin van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922, al naar gelang de rente ten laste komt van
het genoemde fonds of de bedoelde bedrijfsvereniging;
c. wanneer het een uitkering ingevolge de Zeeongevallenwet 1919
betreft, de persoon of personen, dan wel de verzekeraar of andere
derde, onderscheidenlijk de Staat der Nederlanden, als bedoeld in
artikel 6 van de Zeeongevallenwet 1919, al naar gelang de uitkering
ten laste komt van de bedoelde persoon of personen, verzekeraar of
andere derde dan wel de Staat der Nederlanden.
3. De met toepassing van het bepaalde in deze paragraaf over
tijdvakken, gelegen vóór de dag, waarop artikel 19 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in werking is getreden, niet
uitbetaalde bedragen der renten en uitkeringen, voor zover de datum van
ingang ligt vóór 1 oktober 1959, alsmede de in artikel 4, tweede lid,
van de Beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Volksgezondheid van 2 september 1959, nr. 3600, bedoelde interest,
worden overgedragen aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds als bedoeld in
hoofdstuk III, § 2, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
4. Met betrekking tot de in het vorige lid bedoelde overdracht
stelt Onze Minister nadere regelen.
Artikel 7a
In de gevallen, waarin het bepaalde in deze paragraaf toepassing
heeft gevonden ten aanzien van renten, waarvan de datum van ingang ligt
nà 30 september 1959, worden bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur nadere regelen gegeven voor de berekening van de contante waarde
dier renten in verband met de toepassing van de artikelen 57, 58 en 95
der Ongevallenwet 1921 en de artikelen 25 en 103 der Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922.
§ 2. Samenloop van uitkeringen ingevolge de Algemene Weduwen- en
Wezenwet met toeslagen op renten krachtens de Invaliditeitswet
Artikel 8
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 9
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 10
De bepalingen van de Wet tot aanvulling van renten krachtens de
Invaliditeitswet en van haar uitvoeringsvoorschriften, alsmede de
bepalingen van de wet van 3 februari 1954 (Stb. 60), zoals die
bepalingen luidden op de dag, voorafgaande aan die, waarop deze wet in
werking treedt, blijven van toepassing ten aanzien van:
a. weduwenrenten krachtens de Invaliditeitswet over tijdvakken,
gelegen vóór de dag, waarop deze wet in werking treedt;
b. weduwenrenten, toegekend aan vrouwen, die op de dag,
voorafgaande aan die, waarop deze wet in werking treedt, recht
hadden op toe- en bijslagen op de weduwenrente en die geen aanspraak
kunnen maken op een weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen-
en Wezenwet, zulks tot de dag, met ingang waarvan zij wel aanspraak
op een zodanig pensioen kunnen maken.
Artikel 11
1. Aan de weduwen, die in het genot zijn van een
invaliditeitsrente krachtens de Invaliditeitswet en die aanspraak
kunnen maken op een weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en
Wezenwet, worden over de tijd, waarover aanspraak op een zodanig
pensioen bestaat, de toe- en bijslagen, bedoeld in de artikelen 1 en 2
van de Wet tot aanvulling van renten krachtens de Invaliditeitswet en
in artikel 1 van de wet van 3 februari 1954 (Stb. 60), niet
verstrekt.
2. Het bepaalde in het vorige lid blijft buiten toepassing in de
gevallen, waarin artikel 30, eerste lid, van de Algemene Weduwen- en
Wezenwet wordt toegepast, met dien verstande, dat alsdan de toe- en
bijslagen, bedoeld in de artikelen 1 en 2 van de Wet tot aanvulling van
renten krachtens de Invaliditeitswet en in artikel 1 van de wet van 3
februari 1954 (Stb. 60), slechts worden uitbetaald, voor zover
die toe- en bijslagen het na toepassing van artikel 30, eerste lid, van
de Algemene Weduwen- en Wezenwet uitbetaalde bedrag overtreffen.
Artikel 12
Aan de weduwen, die aanspraak kunnen maken op weduwenpensioen
ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, wordt over de tijd, waarover
aanspraak op een zodanig pensioen bestaat, de toeslag, bedoeld in
artikel 17, tweede lid, van de Wet tot aanvulling van renten krachtens
de Invaliditeitswet, niet verstrekt.
Artikel 13
Aan de wezen, die aanspraak kunnen maken op wezenpensioen ingevolge
de Algemene Weduwen- en Wezenwet dan wel ten aanzien van wie aanspraak
bestaat op kinderbijslag ingevolge artikel 76, tweede en vierde lid, van
die wet, wordt over de tijd, waarover aanspraak op een zodanig pensioen
of een zodanige kinderbijslag bestaat, de toeslag, bedoeld in artikel
17, vierde lid, van de Wet tot aanvulling van renten krachtens de
Invaliditeitswet, niet verstrekt.
§ 3. Slotbepalingen
Artikel 14
De Sociale Verzekeringsbank, de uitvoeringsinstellingen, bedoeld in
artikel 41, derde lid van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997
en de Vereeniging «Zee-Risico» zijn gehouden elkaar wederkerig
kosteloos de inlichtingen, welke ten behoeve van de uitvoering van deze
wet worden verlangd, te verstrekken en toe te zenden.
Artikel 15
1. Ieder is verplicht aan de College van toezicht sociale
verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, de
uitvoeringsinstellingen, bedoeld in artikel 41, derde lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 en de Vereeniging «Zee-Risico»
of aan een daartoe door of vanwege een van deze instanties aangewezen
persoon de ten behoeve van de uitvoering van deze wet van hem
verlangde inlichtingen te geven.
2. De inlichtingen moeten, indien dit wordt verzocht,
schriftelijk worden verstrekt binnen een door een in het eerste lid
bedoelde instantie of persoon schriftelijk te stellen termijn.
Artikel 16
Indien de in § 1 van deze wet voorziene korting geen toepassing
heeft gevonden als gevolg van het verstrekken van onjuiste inlichtingen
door degene, aan wie tijdelijke weduwenuitkering of pensioen ingevolge
de Algemene Weduwen- en Wezenwet is toegekend, diens wettelijke
vertegenwoordiger of de persoon, aan wie of het orgaan, aan hetwelk
ingevolge artikel 31 of artikel 32 der Algemene Weduwen- en Wezenwet
pensioen of tijdelijke weduwenuitkering wordt uitbetaald, kan hetgeen
aan rente of uitkering ingevolge de Ongevallenwet 1921, de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk de Zeeongevallenwet 1919
en aan daarop verleende wettelijke bijslag, als bedoeld in artikel 1,
tweede lid, onder a , te veel of ten onrechte is uitbetaald
worden teruggevorderd, dan wel in mindering worden gebracht op later uit
te betalen termijnen van de bedoelde rente of uitkering en wettelijke
bijslag alsmede op later uit te betalen termijnen van het pensioen of de
tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet.
Artikel 17
In de gevallen, waarin over een tijdvak, waarover reeds een rente of
uitkering ingevolge de Ongevallenwet 1921, de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk de Zeeongevallenwet 1919
werd uitbetaald, naderhand tevens een pensioen of tijdelijke
weduwenuitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet wordt
toegekend, kan hetgeen als gevolg van het bepaalde in § 1 aan zodanige
rente of uitkering en aan daarop verleende wettelijke bijslag, als
bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder a , te veel of ten
onrechte is uitbetaald, onverminderd het bepaalde in artikel 16, in
mindering worden gebracht op de uit te betalen termijnen van dat
pensioen of die tijdelijke weduwenuitkering.
Artikel 18
Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid kan ter uitvoering
van deze wet nadere regelen stellen. Daarbij kan voor gevallen, waarin
toepassing van de vorige artikelen er toe zou leiden, dat een
belanghebbende wegens een ongeval dan wel een overlijden, dat vóór het
in werking treden van deze wet heeft plaats gevonden, minder aan
inkomsten zou genieten dan vóór genoemd tijdstip, de korting, voorzien
in de vorige artikelen, naar billijkheid worden verminderd.
Artikel 18a
Waar in deze wet en in de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt
gesproken van weduwe, wordt daaronder mede verstaan de vrouw, die
ingevolge artikel 4a van de Algemene Weduwen- en Wezenwet als
weduwe wordt aangemerkt of ingevolge artikel 56a van die wet met
een weduwe wordt gelijkgesteld.
Artikel 19
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 9 april 1959
JULIANA
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid a.i.,
Beel
De Minister van Financiën a.i.,
J. Zijlstra
Uitgegeven de achtentwintigste april 1959
De Minister van Justitie a.i.,
Struycken