Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 19 juni 2003, houdende regels met
betrekking tot ernstige schendingen van het internationaal humanitair
recht (Wet internationale misdrijven)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het nodig is om, mede
gelet op het Statuut van het Internationaal Strafhof, regels te stellen
met betrekking tot ernstige schendingen van het internationaal
humanitair recht;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.In deze wet wordt verstaan onder:
a. Verdragen van Genčve:
1°. het op 12 augustus 1949 te Genčve tot stand gekomen
Verdrag (I) voor de verbetering van het lot der gewonden en
zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde (Trb.
1951, 72);
2°. het op 12 augustus 1949 te Genčve tot stand gekomen
Verdrag (II) voor de verbetering van het lot der gewonden,
zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee (Trb.
1951, 73);
3°. het op 12 augustus 1949 te Genčve tot stand gekomen
Verdrag (III) betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
(Trb. 1951, 74); en
4°. het op 12 augustus 1949 te Genčve tot stand gekomen
Verdrag (IV) betreffende de bescherming van burgers in
oorlogstijd (Trb. 1951, 75);
b. meerdere:
1°. de militaire commandant, of degene die feitelijk als
zodanig optreedt, die daadwerkelijk het bevel of gezag
uitoefent over of daadwerkelijk leiding geeft aan een of meer
ondergeschikten;
2°. degene die in een burgerlijke hoedanigheid
daadwerkelijk gezag uitoefent over of daadwerkelijk leiding
geeft aan een of meer ondergeschikten.
c. deportatie of onder dwang overbrengen van bevolking: het
onder dwang verplaatsen van personen door verdrijving of andere
dwangmaatregelen uit het gebied waarin zij zich rechtmatig
bevinden zonder dat daarvoor gronden bestaan die naar
internationaal recht zijn toegelaten;
d. marteling: het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn of
ernstig lijden, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk, bij een
persoon die zich in gevangenschap of in de macht bevindt van
degene die beschuldigd wordt, met dien verstande dat onder
marteling niet wordt verstaan pijn of lijden dat louter het gevolg
is van, inherent is aan of samenhangt met rechtmatige sancties;
e. foltering: marteling van een persoon met het oogmerk om van
hem of van een derde inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen,
hem te bestraffen voor een handeling die hij of een derde heeft
begaan of waarvan hij of een derde wordt verdacht, of hem of een
derde vrees aan te jagen of te dwingen iets te doen of te dulden,
dan wel om enigerlei reden gebaseerd op discriminatie uit welke
grond dan ook, van overheidswege gepleegd;
f. gedwongen zwangerschap: de onrechtmatige gevangenschap van
een vrouw die onder dwang zwanger is gemaakt, met de opzet de
etnische samenstelling van een bevolking te beďnvloeden of andere
ernstige schendingen van internationaal recht te plegen;
g. apartheid: onmenselijke handelingen van een vergelijkbare
aard als de in artikel 4, eerste lid, bedoelde handelingen,
gepleegd in het kader van een geďnstitutionaliseerd regime van
systematische onderdrukking en overheersing door een groep van een
bepaald ras van een of meer groepen van een ander ras en begaan
met de opzet dat regime in stand te houden.
2.De uitdrukking ambtenaar heeft in deze wet dezelfde betekenis als
in het Wetboek van Strafrecht, met dien verstande dat voor de
toepassing van de Nederlandse strafwet onder ambtenaar mede wordt
begrepen degene die ten dienste van een vreemde staat een openbaar
ambt bekleedt.
3.De uitdrukkingen samenspanning en zwaar lichamelijk letsel hebben
in deze wet dezelfde betekenis als in het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2
1. Onverminderd het te dien aanzien in het Wetboek van Strafrecht
en het Wetboek van Militair Strafrecht bepaalde is de Nederlandse
strafwet toepasselijk:
a. op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een
van de in deze wet omschreven misdrijven, wanneer de verdachte
zich in Nederland of in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba bevindt;
b. op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een
van de in deze wet omschreven misdrijven, wanneer het feit is
begaan tegen een Nederlander;
c. op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt
aan een van de in deze wet omschreven misdrijven.
2. Met «een van de in deze wet omschreven misdrijven» als bedoeld
in het eerste lid wordt gelijkgesteld een misdrijf, omschreven in een
der artikelen 131 tot en met 134, 140, 189, 416 tot en met 417bis en
420bis tot en met 420quater van het Wetboek van Strafrecht, indien het
strafbare feit of het misdrijf waarvan in die artikelen gesproken
wordt, is een misdrijf als in deze wet omschreven.
3. De vervolging op grond van het eerste lid, onder c, kan ook
plaatshebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het misdrijf
Nederlander wordt.
§ 2. Strafbepalingen
Artikel 3
1.Hij die met het oogmerk om een nationale, etnische of
godsdienstige groep, dan wel een groep behorend tot een bepaald ras,
geheel of gedeeltelijk, als zodanig te vernietigen:
a. leden van de groep doodt;
b. leden van de groep zwaar lichamelijk of geestelijk letsel
toebrengt;
c. opzettelijk aan de groep levensomstandigheden oplegt die op
haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging zijn
gericht;
d. maatregelen neemt, welke tot doel hebben geboorten binnen de
groep te voorkomen; of
e. kinderen van de groep onder dwang overbrengt naar een andere
groep,
wordt als schuldig aan genocide gestraft met levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of
geldboete van de zesde categorie.
2.De samenspanning en de opruiing tot genocide die in het openbaar,
mondeling of bij geschrift of afbeelding, plaatsvindt, worden gestraft
gelijk de poging.
Artikel 4
1. Als schuldig aan een misdrijf tegen de menselijkheid wordt
gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste
dertig jaren of geldboete van de zesde categorie, hij die een van de
volgende handelingen begaat, indien gepleegd als onderdeel van een
wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een
burgerbevolking, met kennis van de aanval:
a. opzettelijk doden;
b. uitroeiing;
c. slavernij;
d. deportatie of onder dwang overbrengen van bevolking;
e. gevangenneming of andere ernstige beroving van de
lichamelijke vrijheid in strijd met fundamentele regels van
internationaal recht;
f. marteling;
g. verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie,
gedwongen zwangerschap, gedwongen sterilisatie, of enige andere
vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst;
h. vervolging van een identificeerbare groep of collectiviteit
op politieke gronden, omdat deze tot een bepaald ras of een
bepaalde nationaliteit behoort, op etnische, culturele of
godsdienstige gronden, op grond van geslacht of op andere gronden
die universeel zijn erkend als ontoelaatbaar krachtens
internationaal recht, in verband met een in dit lid bedoelde
handeling of enig ander misdrijf omschreven in deze wet;
i. gedwongen verdwijning van een persoon;
j. apartheid;
k. andere onmenselijke handelingen van vergelijkbare aard
waardoor opzettelijk ernstig lijden of ernstig lichamelijk letsel
of schade aan de geestelijke of lichamelijke gezondheid wordt
veroorzaakt.
2. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. aanval gericht tegen een burgerbevolking: een wijze van
optreden die met zich brengt het meermalen plegen van in het
eerste lid bedoelde handelingen tegen een burgerbevolking ter
uitvoering of voortzetting van het beleid van een staat of
organisatie, dat het plegen van een dergelijke aanval tot doel
heeft;
b. slavernij: de uitoefening op een persoon van een of alle
bevoegdheden verbonden aan het recht van eigendom, met inbegrip
van de uitoefening van dergelijke bevoegdheid bij mensenhandel, in
het bijzonder handel in vrouwen en kinderen;
c. vervolging: het opzettelijk en in ernstige mate ontnemen van
fundamentele rechten in strijd met het internationaal recht op
grond van de identiteit van de groep of collectiviteit;
d. gedwongen verdwijning van een persoon: het arresteren,
gevangen houden, afvoeren of elke andere vorm van
vrijheidsontneming van een persoon door of met de machtiging,
ondersteuning of bewilliging van een staat of politieke
organisatie, gevolgd door een weigering een dergelijke
vrijheidsontneming te erkennen of informatie te verstrekken over
het lot of de verblijfplaats van die persoon of door verhulling
van dat lot of die verblijfplaats, waardoor deze buiten de
bescherming van de wet wordt geplaatst.
3. Onder «uitroeiing» wordt in dit artikel mede verstaan: het
opzettelijk opleggen van levensomstandigheden, onder andere de
onthouding van toegang tot voedsel en geneesmiddelen, gericht op de
vernietiging van een deel van een bevolking.
Artikel 5
1.Hij die zich in geval van een internationaal gewapend conflict
schuldig maakt aan een van de ernstige inbreuken op de Verdragen van
Genčve, te weten de volgende feiten indien begaan tegen door genoemde
verdragen beschermde personen:
a. opzettelijk doden;
b. marteling of onmenselijke behandeling, met inbegrip van
biologische experimenten;
c. opzettelijk veroorzaken van ernstig lijden, zwaar
lichamelijk letsel of ernstige schade aan de gezondheid;
d. grootschalige opzettelijke en wederrechtelijke vernietiging
en toe-eigening van goederen zonder militaire noodzaak;
e. een krijgsgevangene of andere beschermde persoon dwingen
dienst te nemen bij de strijdkrachten van een vijandige
mogendheid;
f. een krijgsgevangene of andere beschermde persoon opzettelijk
het recht op een eerlijke en rechtmatige berechting onthouden;
g. wederrechtelijke deportatie of verplaatsing of
wederrechtelijke opsluiting; of
h. het nemen van gijzelaars,
wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van
ten hoogste dertig jaren of geldboete van de zesde categorie .
2.Hij die zich in geval van een internationaal gewapend conflict
schuldig maakt aan een van de ernstige inbreuken op het op 12 december
1977 te Bern tot stand gekomen Aanvullende Protocol (I) bij de
Verdragen van Genčve van 12 augustus 1949, betreffende de bescherming
van slachtoffers van internationale gewapende conflicten, (Trb. 1980,
87), te weten:
a. de in het eerste lid bedoelde feiten, indien begaan tegen
een door het Aanvullende Protocol (I) beschermde persoon;
b. ieder opzettelijk handelen of nalaten dat de gezondheid in
gevaar brengt van enige persoon die zich in de macht bevindt van
een andere partij dan de partij waartoe hij behoort, en dat:
1°. een medische behandeling inhoudt die niet noodzakelijk
is als gevolg van de gezondheidstoestand van de betrokken
persoon en die niet in overeenstemming is met de algemeen
aanvaarde medische normen welke onder gelijke medische
omstandigheden zouden worden toegepast ten aanzien van
personen die onderdaan zijn van de voor de handelingen
verantwoordelijke partij en op geen enkele wijze van hun
vrijheid zijn beroofd;
2°. het uitvoeren op de betrokken persoon inhoudt, zelfs
met diens toestemming, van lichamelijke verminkingen;
3°. het uitvoeren op de betrokken persoon inhoudt, zelfs
met diens toestemming, van medische of wetenschappelijke
experimenten; of
4°. het uitvoeren op de betrokken persoon inhoudt, zelfs
met diens toestemming, van verwijdering van weefsel of organen
voor transplantatie;
c. de volgende feiten, wanneer zij opzettelijk en in strijd met
de desbetreffende bepalingen van het Aanvullende Protocol (I)
worden begaan en de dood of ernstig lichamelijk letsel met zich
brengen dan wel de gezondheid in ernstige mate benadelen:
1°. het doen van aanvallen op de burgerbevolking of
individuele burgers;
2°. het uitvoeren van een niet-onderscheidende aanval
waardoor de burgerbevolking of burgerobjecten worden
getroffen, in de wetenschap dat een zodanige aanval
buitensporig verlies van mensenlevens, verwondingen van
burgers of schade aan burgerobjecten zal veroorzaken;
3°. het uitvoeren van een aanval tegen werken of
installaties die gevaarlijke krachten bevatten, in de
wetenschap dat een zodanige aanval buitensporig verlies van
mensenlevens, verwondingen van burgers of schade aan
burgerobjecten zal veroorzaken;
4°. het doen van aanvallen op onverdedigde plaatsen of
gedemilitariseerde zones;
5°. het doen van aanvallen op een persoon in de wetenschap
dat hij buiten gevecht verkeert; of
6°. het perfide gebruik, in strijd met artikel 37 van het
Aanvullende Protocol (I), van het embleem van het rode kruis,
de rode halve maan of van andere door de Verdragen van Genčve
of het Aanvullende Protocol (I) erkende beschermende tekens;
of
d. de volgende feiten, wanneer zij opzettelijk en in strijd met
de Verdragen van Genčve en het Aanvullende Protocol (I) worden
begaan:
1°. het overbrengen door de bezettende mogendheid van
gedeelten van haar eigen burgerbevolking naar het door haar
bezette gebied of de overbrenging van de gehele bevolking van
het bezette gebied of van een deel daarvan binnen of buiten
dat gebied in strijd met artikel 49 van het Vierde Verdrag van
Genčve;
2°. ongerechtvaardigde vertraging bij de repatriëring van
krijgsgevangenen of burgers;
3°. praktijken van apartheid of andere onmenselijke en
onterende praktijken die een aanslag op de menselijke
waardigheid vormen en zijn gebaseerd op rassendiscriminatie;
4°. het doen van aanvallen op duidelijk als zodanig
herkenbare historische monumenten, kunstwerken of plaatsen van
godsdienstige verering die het culturele of geestelijke
erfdeel van de volkeren vormen en waaraan bijzondere
bescherming is verleend door een speciale regeling,
bijvoorbeeld in het kader van een bevoegde internationale
organisatie, wanneer daarvan verwoesting op grote schaal het
gevolg is, er geen bewijs bestaat van schending door de
tegenpartij van artikel 53, letter b, van het Aanvullende
Protocol (I) en wanneer zodanige historische monumenten,
kunstwerken of plaatsen waar godsdienstoefeningen worden
gehouden niet in de onmiddellijke nabijheid van militaire
doelen zijn gelegen; of
5°. het ontnemen van het recht van een persoon die door de
Verdragen van Genčve of artikel 85, tweede lid, van het
Aanvullende Protocol (I) wordt beschermd om eerlijk en volgens
de toepasselijke regels te worden berecht,
wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van
ten hoogste dertig jaren of geldboete van de zesde categorie.
3.Hij die zich in geval van een internationaal gewapend conflict
schuldig maakt aan een van de volgende feiten:
a. verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie,
gedwongen sterilisatie of elke andere vorm van seksueel geweld die
even ernstig kan worden geacht als een ernstige inbreuk op de
Verdragen van Genčve;
b. gedwongen zwangerschap;
c. personen die zich in de macht van een tegenpartij bevinden
onderwerpen aan lichamelijke verminking of medische of
wetenschappelijke experimenten, van welke aard ook, die niet
worden gerechtvaardigd door de geneeskundige of tandheelkundige
behandeling van de betrokken persoon of door diens behandeling in
het ziekenhuis, noch in zijn belang worden uitgevoerd, en die de
dood ten gevolge hebben of de gezondheid van die persoon of
personen ernstig in gevaar kan brengen;
d. op verraderlijke wijze doden of verwonden van personen die
behoren tot de vijandige natie of het vijandige leger;
e. een combattant doden of verwonden die in de macht van de
tegenpartij is, duidelijk aangeeft zich te willen overgeven, of
buiten bewustzijn is of op andere wijze door verwondingen of
ziekte is uitgeschakeld en daarom niet in staat is zich te
verdedigen, mits hij zich in alle genoemde gevallen onthoudt van
iedere vijandelijke handeling en niet tracht te ontvluchten; of
f. op zodanig ongepaste wijze gebruik maken van een witte vlag,
van de vlag of militaire onderscheidingstekens en uniform van de
vijand of van de Verenigde Naties, of van emblemen van de
Verdragen van Genčve, dat dit de dood of ernstig lichamelijk
letsel ten gevolge heeft,
wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van
ten hoogste dertig jaren of geldboete van de zesde categorie.
4.Met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete
van de vijfde categorie wordt gestraft hij die zich in geval van een
internationaal gewapend conflict opzettelijk en wederrechtelijk
schuldig maakt aan een van de volgende feiten:
a. een cultureel goed onder versterkte bescherming als bedoeld
in de artikelen 10 en 11 van het op 26 maart 1999 te Den Haag tot
stand gekomen Tweede Protocol bij het Haagse Verdrag van 1954
inzake de bescherming van culturele goederen in het geval van een
gewapend conflict (Trb. 1999, 107) het voorwerp van een aanval
maken;
b. een cultureel goed onder versterkte bescherming als bedoeld
in onderdeel a of de onmiddellijke omgeving daarvan gebruiken ter
ondersteuning van militair optreden;
c. culturele goederen onder bescherming van het op 14 mei 1954
te Den Haag tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van
culturele goederen in het geval van een gewapend conflict (Trb.
1955, 47) of het bij dat Verdrag behorende Tweede Protocol op
grote schaal vernietigen of zich toe-eigenen;
d. een cultureel goed onder bescherming als bedoeld in
onderdeel c het voorwerp van een aanval maken; of
e. diefstal, plundering of ontvreemding van, of daden van
vandalisme gericht tegen culturele goederen onder bescherming van
het in onderdeel c genoemde verdrag.
5.Hij die zich in geval van een internationaal gewapend conflict
schuldig maakt aan een van de volgende feiten:
a. opzettelijk aanvallen richten op burgerobjecten, dat wil
zeggen objecten die geen militair doel zijn;
b. opzettelijk een aanval inzetten in de wetenschap dat een
dergelijke aanval bijkomstige verliezen aan levens of letsel onder
burgers zal veroorzaken of schade aan burgerobjecten of
omvangrijke, langdurige en ernstige schade aan het milieu zal
aanrichten, die duidelijk buitensporig zou zijn in verhouding tot
het te verwachten concrete en directe algehele militaire voordeel;
c. aanvallen of bombarderen, met wat voor middelen ook, van
steden, dorpen, woningen of gebouwen die niet worden verdedigd en
geen militair doelwit zijn;
d. rechtstreekse of indirecte verplaatsingen door de bezettende
mogendheid van delen van haar eigen burgerbevolking naar het
bezette grondgebied of de deportatie of het verplaatsen van de
gehele of een deel van de bevolking van het bezette grondgebied
binnen dat grondgebied of daarbuiten;
e. verklaren dat de rechten en handelingen van onderdanen van
de vijandelijke partij vervallen, geschorst of in rechte
niet-ontvankelijk zijn;
f. onderdanen van de vijandige partij dwingen deel te nemen aan
oorlogshandelingen gericht tegen hun eigen land, ook als zij voor
de aanvang van de oorlog in dienst van de oorlogvoerende partij
waren;
g. gebruik van gif of giftige wapens;
h. gebruik van verstikkende, giftige of andere gassen en
overige soortgelijke vloeistoffen, materialen of apparaten;
i. gebruik van kogels die in het menselijk lichaam gemakkelijk
in omvang toenemen of platter en breder worden, zoals kogels met
een harde mantel die de kern gedeeltelijk onbedekt laat of
voorzien is van inkepingen;
j. wandaden begaan tegen de persoonlijke waardigheid, in het
bijzonder vernederende en onterende behandeling;
k. gebruikmaken van de aanwezigheid van een burger of een
andere beschermde persoon teneinde bepaalde punten, gebieden of
strijdkrachten te vrijwaren van militaire operaties;
l. opzettelijk gebruikmaken van uithongering van burgers als
methode van oorlogvoering door hun voorwerpen te onthouden die
onontbeerlijk zijn voor hun overleving, waaronder het opzettelijk
belemmeren van de aanvoer van hulpgoederen zoals voorzien in de
Verdragen van Genčve;
m. opzettelijk aanvallen richten op de burgerbevolking als
zodanig of op individuele burgers die niet rechtstreeks aan
vijandelijkheden deelnemen;
n. opzettelijk aanvallen richten op gebouwen, materieel,
medische eenheden en transport, alsmede personeel dat
overeenkomstig internationaal recht gebruik maakt van de emblemen
van de Verdragen van Genčve;
o. opzettelijk aanvallen richten op personeel, installaties,
materieel, eenheden of voertuigen, betrokken bij humanitaire
hulpverlening of vredesmissies overeenkomstig het Handvest van de
Verenigde Naties, zolang deze recht hebben op de bescherming die
aan burgers of burgerobjecten wordt verleend krachtens het
internationale recht inzake gewapende conflicten;
p. opzettelijk aanvallen richten op gebouwen, bestemd voor
godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of charitatieve
doeleinden, historische monumenten, ziekenhuizen en plaatsen waar
zieken en gewonden worden samengebracht, mits deze geen militair
doelwit zijn;
q. een stad of plaats plunderen, ook wanneer deze bij een
aanval wordt ingenomen;
r. kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij de
nationale strijdkrachten of groepen onder de wapenen roepen of in
militaire dienst nemen dan wel hen gebruiken voor actieve deelname
aan vijandelijkheden;
s. verklaren dat geen kwartier zal worden verleend; of
t. vernietiging of inbeslagneming van goederen van de
tegenpartij tenzij deze vernietiging of inbeslagneming dringend
vereist is als gevolg van dwingende omstandigheden van het
conflict,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren
of geldboete van de vijfde categorie.
6.Indien een feit als bedoeld in het vierde of vijfde lid:
a. de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander ten
gevolge heeft dan wel verkrachting inhoudt;
b. geweldpleging in vereniging tegen een of meer personen dan
wel geweldpleging tegen een dode, zieke of gewonde inhoudt;
c. het in vereniging vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken
of wegmaken van enig goed dat geheel of ten dele aan een ander
toebehoort inhoudt;
d. het in vereniging een ander dwingen iets te doen, niet te
doen of te dulden inhoudt;
e. het in vereniging een stad of plaats plunderen inhoudt, ook
wanneer deze bij een aanval wordt ingenomen;
f. een schending van een gegeven belofte of een schending van
een met de tegenpartij als zodanig gesloten overeenkomst inhoudt;
of
g. misbruik van een door de wetten en gebruiken beschermde vlag
of teken dan wel van de militaire onderscheidingstekenen of het
uniform van de tegenpartij inhoudt,
wordt de schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of
tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de zesde
categorie.
7.Het tweede lid, onderdeel b, onder 4°, is niet van toepassing
indien de daarin beschreven handeling:
a. in overeenstemming is met de algemeen aanvaarde medische
normen welke onder gelijke medische omstandigheden zouden worden
toegepast ten aanzien van personen die onderdaan zijn van de voor
de handelingen verantwoordelijke partij en op geen enkele wijze
van hun vrijheid zijn beroofd; of
b. betreft het geval dat bloed wordt afgestaan voor transfusie
of huid voor transplantatie, mits dit vrijwillig en zonder enige
dwang of aandrang geschiedt, en dan nog slechts voor
therapeutische doeleinden, onder omstandigheden die beantwoorden
aan de algemeen aanvaarde medische normen en maatregelen van
toezicht, die zowel het belang van de donor als van de ontvanger
beogen.
Artikel 6
1.Hij die zich in geval van een niet-internationaal gewapend
conflict schuldig maakt aan schending van het gemeenschappelijk
artikel 3 van de Verdragen van Genčve, te weten het begaan jegens
personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met
inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft
neergelegd, of jegens personen die buiten gevecht zijn gesteld door
ziekte, verwonding, gevangenschap of enig andere oorzaak, van een van
de volgende feiten:
a. aanslagen op het leven of lichamelijke geweldpleging, in het
bijzonder het doden op welke wijze ook, verminking, wrede
behandeling of marteling;
b. het nemen van gijzelaars;
c. aanranding van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder
vernederende en onterende behandeling; of
d. het uitspreken of ten uitvoer leggen van vonnissen zonder
voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld
gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, naar algemeen
aanvaarde normen als onmisbaar erkend,
wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van
ten hoogste dertig jaren of geldboete van de zesde categorie.
2.Hij die zich in geval van een niet-internationaal gewapend
conflict schuldig maakt aan een van de volgende feiten:
a. verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie,
gedwongen sterilisatie of elke andere vorm van seksueel geweld die
even ernstig kan worden geacht als een ernstige inbreuk op de
Verdragen van Genčve;
b. gedwongen zwangerschap;
c. personen die zich in de macht van een tegenpartij bevinden
onderwerpen aan lichamelijke verminking of medische of
wetenschappelijke experimenten, van welke aard ook, die niet
worden gerechtvaardigd door de geneeskundige of tandheelkundige
behandeling van de betrokken persoon of door diens behandeling in
het ziekenhuis, noch in zijn belang worden uitgevoerd, en die de
dood ten gevolge hebben of de gezondheid van die persoon of
personen ernstig in gevaar kan brengen; of
d. op verraderlijke wijze doden of verwonden van personen die
behoren tot de vijandige natie of het vijandige leger,
wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van
ten hoogste dertig jaren of geldboete van de zesde categorie.
3.Hij die zich in geval van een niet-internationaal gewapend
conflict schuldig maakt aan een van de volgende feiten:
a. opzettelijk aanvallen richten op de burgerbevolking als
zodanig of op individuele burgers die niet rechtstreeks aan
vijandelijkheden deelnemen;
b. opzettelijk aanvallen richten op gebouwen, materieel,
medische eenheden en transport, alsmede personeel dat
overeenkomstig internationaal recht gebruik maakt van de emblemen
van de Verdragen van Genčve;
c. opzettelijk aanvallen richten op personeel, installaties,
materieel, eenheden of voertuigen, betrokken bij humanitaire
hulpverlening of vredesmissies overeenkomstig het Handvest van de
Verenigde Naties, zolang deze recht hebben op de bescherming die
aan burgers of burgerobjecten wordt verleend krachtens het
internationale recht inzake gewapende conflicten;
d. opzettelijk aanvallen richten op gebouwen, bestemd voor
godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of charitatieve
doeleinden, historische monumenten, ziekenhuizen en plaatsen waar
zieken en gewonden worden samengebracht, mits deze geen militair
doelwit zijn;
e. een stad of plaats plunderen, ook wanneer deze bij een
aanval wordt ingenomen;
f. kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij de
nationale strijdkrachten of groepen onder de wapenen roepen of in
militaire dienst nemen dan wel hen gebruiken voor actieve deelname
aan vijandelijkheden;
g. verklaren dat geen kwartier zal worden verleend;
h. vernietiging of inbeslagneming van goederen van de
tegenpartij tenzij deze vernietiging of inbeslagneming dringend
vereist is als gevolg van dwingende omstandigheden van het
conflict; of
i. opdracht geven tot de verplaatsing van de burgerbevolking om
redenen verband houdende met het conflict, anders dan verband
houdende met de veiligheid van de burgers of indien dringend
vereist om redenen van dwingende omstandigheden van het conflict,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren
of geldboete van de vijfde categorie.
4.Artikel 5, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op een
feit als bedoeld in het derde lid.
Artikel 7
1.Hij die zich in het geval van een internationaal of
niet-internationaal gewapend conflict schuldig maakt aan een schending
van de wetten en gebruiken van de oorlog anders dan bedoeld in de
artikelen 5 of 6 wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2.Gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van
de vijfde categorie wordt opgelegd:
a. indien van een feit als bedoeld in het eerste lid de dood of
zwaar lichamelijk letsel van een ander te duchten is;
b. indien een feit als bedoeld in het eerste lid inhoudt een of
meer wandaden begaan tegen de persoonlijke waardigheid, in het
bijzonder vernederende en onterende behandeling;
c. indien een feit als bedoeld in het eerste lid inhoudt het
een ander dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden; of
d. indien een feit als bedoeld in het eerste lid inhoudt een
stad of plaats plunderen, ook wanneer deze bij een aanval wordt
ingenomen.
3.Artikel 5, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op een
feit als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8
1.Foltering door een ambtenaar of anderszins ten dienste van de
overheid werkzame persoon in de uitoefening van zijn functie wordt
gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste
twintig jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2.Met gelijke straffen wordt gestraft:
a. de ambtenaar of anderszins ten dienste van de overheid
werkzame persoon die in de uitoefening van zijn functie door een
der in artikel 47, eerste lid, onder 2°, van het Wetboek van
Strafrecht vermelde middelen tot de foltering uitlokt of die
opzettelijk toelaat dat een ander die foltering pleegt;
b. hij die foltering pleegt, indien een ambtenaar of een
anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon in de
uitoefening van zijn functie zulks door een der in artikel 47,
eerste lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht vermelde
middelen heeft uitgelokt of zulks opzettelijk heeft toegelaten.
Artikel 8a
1. Hij die zich schuldig maakt aan gedwongen verdwijning van een
persoon, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel d, wordt gestraft
met een gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
2. Indien een feit als bedoeld in het eerste lid:
a. de dood of zwaar lichamelijk letsel van de persoon ten
gevolge heeft dan wel verkrachting inhoudt;
b. geweldpleging in vereniging tegen een persoon dan wel
geweldpleging tegen een zieke of gewonde inhoudt;
c. een zwangere vrouw, een minderjarige, een persoon met een
handicap of een ander bijzonder kwetsbaar persoon betreft;
d. een groep van personen betreft, wordt de schuldige gestraft
met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf van
ten hoogste dertig jaren of geldboete van de zesde categorie.
§ 3. Uitbreiding van de strafbaarheid
Artikel 9
1.Met gelijke straf als gesteld op de in § 2 bedoelde feiten wordt
gestraft de meerdere die:
a. opzettelijk toelaat dat een aan hem ondergeschikte een
zodanig feit begaat;
b. opzettelijk nalaat maatregelen te nemen, voor zover die
nodig zijn en van hem kunnen worden gevergd, indien een aan hem
ondergeschikte een zodanig feit heeft gepleegd of voornemens is te
plegen.
2.Met een straf van ten hoogste twee derde van het maximum van de
hoofdstraffen, gesteld op de in § 2 bedoelde feiten, wordt gestraft
hij die door zijn schuld verzuimt maatregelen te nemen, voor zover die
nodig zijn en van hem kunnen worden gevergd, indien een aan hem
ondergeschikte, naar hij redelijkerwijs moet vermoeden, een zodanig
feit heeft gepleegd of voornemens is te plegen.
3.Indien in het geval bedoeld in het tweede lid op het feit
levenslange gevangenisstraf is gesteld, wordt gevangenisstraf opgelegd
van ten hoogste vijftien jaren.
§ 4. Algemene bepalingen van strafrecht en strafprocesrecht
Artikel 10
De in deze wet strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
Artikel 11
1. Dat een in deze wet omschreven misdrijf is begaan ter uitvoering
van een voorschrift, gegeven door de wetgevende macht van een staat,
of ter uitvoering van een bevel van een meerdere, heft de
strafbaarheid van het betrokken feit niet op.
2. De ondergeschikte die een in deze wet omschreven misdrijf begaat
ter uitvoering van een bevel van een meerdere is niet strafbaar,
indien het bevel door de ondergeschikte te goeder trouw als bevoegd
gegeven werd beschouwd en de nakoming daarvan binnen de kring van zijn
ondergeschiktheid was gelegen.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt een bevel tot het
plegen van genocide, een misdrijf tegen de menselijkheid of gedwongen
verdwijning van een persoon geacht kennelijk onbevoegd gegeven te
zijn.
Artikel 12
De misdrijven, omschreven in deze wet, worden voor de toepassing van
de Uitleveringswet of de Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven niet
beschouwd als strafbare feiten van politieke aard.
Artikel 13
Ten aanzien van de in deze wet omschreven misdrijven – met
uitzondering van de feiten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, en, voor
zover met die feiten verband houdend, de feiten, bedoeld in artikel 9
– verjaart het recht tot strafvordering niet. De artikelen 76 en 77d,
derde lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn op die misdrijven niet
van toepassing.
Artikel 14
Bij veroordeling tot een gevangenisstraf van ten minste een jaar
wegens een der in deze wet omschreven misdrijven kan ontzetting van het
in artikel 28, eerste lid, onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht
vermelde recht worden uitgesproken.
Artikel 15
Van de misdrijven omschreven in deze wet neemt de rechtbank te
's-Gravenhage kennis, behoudens de bevoegdheid van de rechter,
aangewezen bij de Wet militaire strafrechtspraak.
Artikel 16
Strafvervolging voor een der in deze wet omschreven misdrijven is
uitgesloten ten aanzien van:
a. buitenlandse staatshoofden, regeringsleiders en ministers van
buitenlandse zaken, zolang zij als zodanig in functie zijn, alsmede
andere personen voor zover hun immuniteit door het volkenrechtelijk
gewoonterecht wordt erkend;
b. personen die over immuniteit beschikken op grond van enig
verdrag dat binnen het Koninkrijk voor Nederland geldt.
§ 4a. Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Artikel 16a
Onverminderd de overige artikelen van deze paragraaf is deze wet mede
van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 16b
In afwijking van artikel 1, tweede lid, heeft de uitdrukking
ambtenaar in deze wet dezelfde betekenis als in het Wetboek van
Strafrecht BES, met dien verstande dat voor de toepassing van het
Wetboek van Strafrecht BES onder ambtenaar mede wordt begrepen degene
die ten dienste van een vreemde staat een openbaar ambt bekleedt.
Artikel 16c
In afwijking van artikel 1, derde lid, hebben de uitdrukkingen
samenspanning en zwaar lichamelijk letsel in deze wet dezelfde betekenis
als in het Wetboek van Strafrecht BES.
Artikel 16d
Voor de toepassing van artikel 8 wordt onder de middelen waarvan in
het tweede lid, onder a en b, wordt gesproken, verstaan de middelen,
bedoeld in artikel 49, eerste lid, onder 2°, van het Wetboek van
Strafrecht BES.
Artikel 16e
In artikel 13 wordt in plaats van de tweede volzin gelezen: Artikel
78 van het Wetboek van Strafrecht BES is op die misdrijven niet van
toepassing.
Artikel 16f
Voor de toepassing van artikel 14 wordt in plaats van «het in
artikel 28 vermelde recht, eerste lid, onder 3°, van het Wetboek van
Strafrecht vermelde recht» gelezen: het recht, bedoeld in artikel 32,
van het Wetboek van Strafrecht BES.
Artikel 16g
In afwijking van artikel 15 neemt het Gerecht in eerste aanleg van
Bonaire, Sint Eustatius en Saba kennis van de misdrijven omschreven in
deze wet, voor zover het feit is begaan binnen het rechtsgebied van
Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en behoudens de bevoegdheid van de
rechter, aangewezen bij de Wet militaire strafrechtspraak. De
behandeling vindt plaats door een meervoudige kamer, bestaande uit een
lid van het Gemeenschappelijk Hof en twee rechters in de rechtbank te
’s-Gravenhage.
§ 5. Wijziging van andere wetten
Artikel 17
[Wijzigt de Wet Oorlogsstrafrecht]
Artikel 18
[Wijzigt het Wetboek van Strafrecht]
Artikel 18a
[Wijzigt de Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven]
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 19
De Uitvoeringswet genocideverdrag wordt ingetrokken.
Artikel 20
De Uitvoeringswet folteringverdrag wordt ingetrokken.
Artikel 21
1. Wanneer op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ter
zake van genocide, foltering of een misdrijf dat overeenkomt met een
misdrijf als omschreven in de artikelen 5, 6 of 7 van deze wet,
overeenkomstig het oude recht reeds vervolging is ingesteld bij een
andere rechter dan bedoeld in artikel 15 van deze wet, wordt de zaak
bij dezelfde rechter voortgezet.
2. Artikel 13 is mede van toepassing op feiten, strafbaar gesteld
in de Uitvoeringswet folteringverdrag en gepleegd voor het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet, tenzij het feit op dat tijdstip
reeds is verjaard.
3. Artikel 16g is mede van toepassing op feiten, ter uitvoering van
het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende
behandeling of bestraffing ( Trb. 1985, 69) strafbaar gesteld op grond
van de Nederlands-Antilliaanse strafwet en gepleegd voor het tijdstip
van transitie bedoeld in artikel 1, onder a, van de Invoeringswet
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, tenzij het feit op
dat tijdstip reeds is verjaard.
Artikel 22
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 23
Deze wet wordt aangehaald als: Wet internationale misdrijven.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 19 juni 2003
BEATRIX
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
De Minister van Defensie,
H.G.J. Kamp
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J.G. de Hoop Scheffer
Uitgegeven de derde juli 2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|