WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is bij
het middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs en het middelbaar
sociaal-pedagogisch onderwijs over te gaan tot verbreding van de
onderwijsdoelstellingen en verruiming van de opleidingsmogelijkheden, en
dat het, gelet op de onderwijskundige en schoolorganisatorische
doelmatigheid, gewenst is genoemde onderwijssoorten te vervangen door
een nieuwe onderwijssoort, genaamd: middelbaar dienstverlenings- en
gezondheidszorgonderwijs;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Wijziging van de wet op het voortgezet onderwijs
Artikel 1
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Hoofdstuk II. Invoeringsregeling
Artikel 2
In dit hoofdstuk en hoofdstuk III wordt verstaan onder:
"Onze minister": Onze minister van Onderwijs en
Wetenschappen;
"nieuwe school": school voor middelbaar dienstverlenings-
en gezondheidszorgonderwijs, als bedoeld in artikel 1 onder D, van deze
wet;
"afdeling": afdeling voor middelbaar dienstverlenings- en
gezondheidszorgonderwijs, verbonden aan een nieuwe school;
"bestaande school": een op de datum van inwerkingtreding
van dit hoofdstuk op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs
bekostigde school voor huishoud- en nijverheidsonderwijs, voor zover
daaraan middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs wordt gegeven, of
een school voor middelbaar sociaal-pedagogisch onderwijs, dan wel een
scholengemeenschap waarvan een of meer van deze scholen deel uitmaken;
"bevoegd gezag": voor wat betreft:
a. een rijksschool: Onze minister;
b. een gemeentelijke school: het college van burgemeester en
wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt en, indien de
raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te
stellen regelen;
c. een bijzondere school: het schoolbestuur.
Artikel 3
1. Na overleg met de daarvoor in aanmerking komende
organisaties stelt Onze minister, de Onderwijsraad gehoord, een
invoeringsplan vast van de nieuwe scholen en afdelingen die in het
jaar 1984 voor bekostiging in aanmerking zullen worden gebracht,
alsmede een aanvullend plan van de afdelingen die in het jaar 1985
voor bekostiging in aanmerking zullen worden gebracht. Daarnaast
kunnen in het invoeringsplan en het aanvullend plan afdelingen worden
opgenomen zonder vermelding van het jaar waarin zij voor bekostiging
in aanmerking zullen worden gebracht.
2. Het invoeringsplan en het aanvullend plan, bedoeld in het
vorige lid, hebben ten doel te komen tot een evenwichtig geheel van
onderwijsvoorzieningen, mede gelet op het verlangde onderwijs in het
betrokken gebied, en tot een aantal scholen dat ten hoogste 135
bedraagt.
Artikel 4
1. Bij de samenstelling van het invoeringsplan en het
aanvullend plan, bedoeld in artikel 3, wordt uitgegaan van verzoeken,
bij Onze minister ingediend door of namens het bevoegd gezag van een
bestaande school, alsmede van de in de tweede volzin van dit lid
bedoelde deelplannen, alsmede van de door Onze minister noodzakelijk
geachte rijksscholen. Indien het verzoek namens het bevoegd gezag
wordt ingediend door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid
die zich de bevordering van het voortgezet onderwijs ten doel stelt,
is het vervat in een deelplan waarin zijn opgenomen de nieuwe scholen
en afdelingen waarvan de aanvang van de bekostiging in het jaar 1984,
alsmede de afdelingen waarvan de aanvang van de bekostiging in het
jaar 1985 door die rechtspersonen wordt voorgestaan.
2. De verzoeken worden voor 1 november 1982 bij Onze minister
ingediend. Zij zijn met redenen omkleed, vermelden de afdelingen die de
nieuwe school zal omvatten alsmede de plaats van vestiging van die
school, en gaan vergezeld van een prognose omtrent de te verwachten
omvang. Onze minister kan nadere voorschriften geven met betrekking tot
de bij het verzoek over te leggen prognose en overige bescheiden. Deze
voorschriften worden in de Nederlandse Staatscourant openbaar
gemaakt.
Artikel 5
1. Indien voor een plaats van vestiging meer dan een verzoek
wordt ingediend voor een nieuwe school waar het verlangde onderwijs
zal worden gegeven, wordt de te verwachten omvang van elke school
geacht niet groter te zijn dan het totale aantal leerlingen dat
blijkens de prognose, bedoeld in artikel 4, tweede lid, uit het
betrokken gebied kan worden verwacht, gedeeld door het aantal
verzoeken.
2. Bij de prognose omtrent de te verwachten omvang van een nieuwe
school of een afdeling worden niet in aanmerking genomen de leerlingen,
voor wie binnen redelijke afstand plaatsruimte beschikbaar zal zijn op
een gelijksoortige school waar het verlangde onderwijs zal worden
gegeven.
Artikel 6
Indien Onze minister van oordeel is, dat een andere afdeling dan
gevraagd wordt, dan wel een andere plaats van vestiging meer in
overeenstemming is met een evenwichtig geheel van
onderwijsvoorzieningen, treedt hij, alvorens het invoeringsplan of het
aanvullend plan, bedoeld in artikel 3, wordt vastgesteld, in overleg met
de aanvrager. Het bepaalde in de vorige volzin is eveneens van
toepassing, indien Onze minister voornemens is, de gevraagde afdeling
niet in het invoeringsplan of het aanvullend plan op te nemen.
Artikel 7
Een verzoek tot opneming van een nieuwe school in het invoeringsplan
leidt in elk geval tot opneming van die school in het invoeringsplan
indien:
a. redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat de school zal
worden bezocht door ten minste 500 leerlingen, en
b. de school past in een evenwichtig geheel van
onderwijsvoorzieningen, mede gelet op het verlangde onderwijs in het
betrokken gebied, alsmede
c. in een plaats van vestiging waar een nieuwe school wordt
voorzien, de aanvrager het bevoegd gezag is van alle in het
betrokken gebied bestaande scholen waar het verlangde onderwijs
wordt gegeven, en zich bereid verklaart tot samenvoeging van die
scholen tot een school op uiterlijk 31 juli 1984.
Artikel 8
1. Onze minister stelt vóór 1 maart 1983 onderscheidenlijk
vóór 1 januari 1984 het invoeringsplan en het aanvullend plan,
bedoeld in artikel 3, vast.
2. Het invoeringsplan en het aanvullend plan worden binnen een
maand na de vaststelling in de Nederlandse Staatscourant openbaar
gemaakt en aan de aanvragers toegezonden.
3. Indien aan een verzoek tot opneming van een nieuwe school of
van een afdeling geen gevolg is gegeven, worden de redenen hiervan bij
de toezending van het invoeringsplan en van het aanvullend plan aan de
aanvrager medegedeeld.
Artikel 9
1. De bekostiging van een in het invoeringsplan opgenomen
nieuwe school neemt niet eerder een aanvang dan nadat is komen vast te
staan, dat de door het bevoegd gezag in het betrokken gebied beheerde
bestaande scholen op uiterlijk 31 juli 1984 zijn samengevoegd tot een
school.
2. Zodra de bekostiging van een in het invoeringsplan opgenomen
nieuwe school of afdeling, dan wel een in het aanvullend plan opgenomen
afdeling een aanvang kan nemen, doet Onze minister daarvan mededeling
aan het bevoegd gezag en aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 4,
eerste lid.
3. De aanspraak op bekostiging vervalt, indien de voorgenomen
aanvang van de nieuwe school of de afdeling niet is verwezenlijkt binnen
twee jaar na het jaar waarin de bekostiging een aanvang had kunnen
nemen, tenzij Onze minister in bijzondere gevallen anders bepaalt.
Artikel 10
1. In het aanvullend plan worden in elk geval opgenomen de
afdelingen die in het invoeringsplan zijn opgenomen zonder vermelding
van het jaar waarin zij voor bekostiging in aanmerking zullen worden
gebracht.
2. In het krachtens artikel 65 van de Wet op het voortgezet
onderwijs vast te stellen plan van de scholen die in de jaren
1986-1987-1988 voor bekostiging in aanmerking zullen worden gebracht,
worden in elk geval opgenomen de afdelingen uit het aanvullend plan die
nog niet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht.
3. De bekostiging vangt in ieder geval aan nadat de afdeling vijf
achtereenvolgende jaren in een plan is opgenomen.
4. Op verzoek van de aanvrager dan wel indien zich naar het
oordeel van Onze minister omstandigheden hebben voorgedaan die bij de
vaststelling van een plan niet bekend waren, kan uit het plan een in een
vorig plan opgenomen afdeling vervallen.
Voor de toepassing van artikel 10, derde en vierde lid, wordt onder
plan verstaan: het invoeringsplan, het aanvullend plan, en het plan van
scholen, bedoeld in artikel 65 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Hoofdstuk III. Overgangsregelingen
Artikel 13
Een bestaande school als bedoeld in Hoofdstuk II wordt met ingang van
1 augustus 1984 een school voor middelbaar dienstverlenings- en
gezondheidszorgonderwijs, indien op de aanvraag van het bevoegd gezag
die school voor middelbaar dienstverlenings- en gezondheidszorgonderwijs
in het invoeringsplan is opgenomen. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regelen worden gegeven met betrekking tot de
rechtspositionele gevolgen van het bepaalde in de vorige volzin.
Artikel 14
De bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven
voorschriften die betrekking hebben op het middelbaar huishoud- en
nijverheidsonderwijs en op het middelbaar sociaal-pedagogisch onderwijs,
vervallen voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.
Artikel 15
1. De op 31 juli 1984 uit 's Rijks kas bekostigde scholen voor
middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs en voor middelbaar
sociaal-pedagogisch onderwijs komen voor wat het eerste leerjaar
betreft met ingang van 1 augustus 1984 niet meer voor zodanige
bekostiging in aanmerking.
2. Met betrekking tot de op 1 augustus 1984 aangevangen hogere
leerjaren blijven de op 31 juli 1984 voor het betrokken onderwijs
geldende voorschriften van toepassing, voor wat betreft het tweede
leerjaar tot 1 augustus 1985, en voor wat betreft het derde leerjaar tot
1 augustus 1986. Wij kunnen deze voorschriften wijzigen voor zover zij
bij algemene maatregel van bestuur zijn gegeven.
3. In afwijking van het eerste lid wordt de bekostiging van een
op 31 juli 1984 op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs
bekostigde afdeling couture, verbonden aan een school voor middelbaar
huishoud- en nijverheidsonderwijs, tot uiterlijk 31 juli 1986
voortgezet. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
4. Leerlingen die het eindexamen niet met goed gevolg hebben
afgelegd, kunnen het jaar, volgende op dat van het eindexamen, in de
gelegenheid worden gesteld alsnog eindexamen af te leggen volgens door
Onze minister nader te stellen regelen. Deze regelen worden in de Nederlandse
Staatscourant openbaar gemaakt.
5. Indien het in het tweede en derde lid bedoelde onderwijs onder
hetzelfde bevoegd gezag staat als een school voor middelbaar
dienstverlenings- en gezondheidszorgonderwijs, wordt dat onderwijs als
een of meer afdelingen verbonden aan laatstbedoelde school.
Artikel 16
1. Tot een nader door Onze minister te bepalen datum kan een op
grond van de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde afdeling
interim algemene schakelopleiding of afdeling vooropleiding voor hoger
beroepsonderwijs van het middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs
dan wel kunnen beide afdelingen, worden verbonden aan een in het in
artikel 3 bedoelde invoeringsplan opgenomen school.
2. In afwijking van het bepaalde in artikel 15, eerste lid
blijven op de in het eerste lid bedoelde afdelingen de op 31 juli 1984
voor het middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs geldende
voorschriften van toepassing. Wij kunnen deze voorschriften wijzigen
voor zover zij bij algemene maatregel van bestuur zijn gegeven.
Artikel 17
1. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 22,
van de Wet op het voortgezet onderwijs, kan voor zover het betreft de
scholen en afdelingen voor middelbaar dienstverlenings- en
gezondheidszorgonderwijs niet alleen voorschriften inhouden omtrent de
onderwerpen, genoemd in het tweede tot en met vierde lid van dat
artikel, maar tevens omtrent het schoolwerkplan en de onderwerpen die
dit in elk geval moet bevatten, alsmede het activiteitenplan.
2. Met betrekking tot de in het voorgaande lid bedoelde scholen
en afdelingen wordt in artikel 24 van de Wet op het voortgezet onderwijs
gelezen:
a. in het eerste lid in plaats van "het leerplan en de
lesrooster": het schoolwerkplan en het activiteitenplan.
b. in het tweede lid in plaats van "het leerplan": het
schoolwerkplan.
c. in het derde lid in plaats van "de leerplannen": de
schoolwerkplannen.
d. in het vijfde lid in plaats van "leerplannen en
lesroosters": schoolwerkplannen en activiteitenplannen.
Hoofdstuk IV. Wijziging van de bijlage van de O.W.V.O.
Artikel 18
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Hoofdstuk V. Inwerkingtreding
Artikel 19
1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 augustus 1984,
met uitzondering van hoofdstuk II dat in werking treedt met ingang van
de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze
wet wordt geplaatst.
2. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet invoering m.d.g.o.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 14 oktober 1982
BEATRIX
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
W.J. Deetman
Uitgegeven de eenentwintigste oktober 1982
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter