WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat in verband met het
vervallen van de accijnsheffing van alcoholvrije dranken, van suiker en
suikerhoudende produkten en van pruimtabak en snuiftabak en de
inwerkingtreding van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije
dranken en van enkele andere produkten het wenselijk is de wetten waarin
naar de accijns wordt verwezen aan te passen, alsmede
overgangsmaatregelen te treffen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel II
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel III
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel IV
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel V
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel VI
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel VII
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel VIII
De bepalingen van de Wet op de accijns blijven van toepassing met
betrekking tot feiten die leiden tot de verschuldigdheid van accijns of
de verplichting tot voldoening van accijns alsmede tot het verlenen van
teruggaaf van accijns van alcoholvrije dranken, van suiker en
suikerhoudende produkten of van pruimtabak en snuiftabak die hebben
plaatsgevonden vóór 1 januari 1993 en met betrekking tot strafbare
feiten die hebben plaatsgevonden vóór die datum.
Artikel IX
1. Op grond van de Wet op de accijns verleende vergunningen
voor een accijnsgoederenplaats voor alcoholvrije dranken, pruimtabak
of snuiftabak, met uitzondering van vergunningen voor
accijnsgoederenplaatsen waarvoor de vergunning is verleend ter zake
van het vervaardigen van alcoholvrije dranken voor gebruik ter
plaatse, worden aangemerkt als krachtens de Wet op de
verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere
produkten verleende vergunningen voor een inrichting voor die soorten
goederen.
2. De aan het eind van 31 december 1992 in een in het eerste lid
bedoelde accijnsgoederenplaats aanwezige hoeveelheid alcoholvrije
dranken, pruimtabak of snuiftabak wordt aangemerkt als aanwezig bij de
aanvang van 1 januari 1993 in de in het eerste lid bedoelde inrichting.
Artikel X
Op grond van de Wet op de accijns gestelde zekerheid voor de accijns
met betrekking tot alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak, wordt
aangemerkt als op grond van de Wet op de verbruiksbelastingen van
alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten gestelde zekerheid.
Artikel XI
1. Op grond van de Wet op de accijns verleende vergunningen
voor het met vrijstelling van accijns betrekken van alcoholvrije
dranken, pruimtabak of snuiftabak, worden aangemerkt als op grond van
hoofdstuk V van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije
dranken en van enkele andere produkten verleende vergunningen.
2. De aan het eind van 31 december 1992 aanwezige hoeveelheid
alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die op grond van een
krachtens de Wet op de accijns verleende vergunning met vrijstelling is
betrokken, wordt aangemerkt als bij de aanvang van 1 januari 1993 op
grond van een krachtens hoofdstuk V van de Wet op de
verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere
produkten verleende vergunning met vrijstelling betrokken alcoholvrije
dranken, pruimtabak of snuiftabak.
Artikel XII
1. Degene die limonade als bedoeld in artikel 9, tweede lid,
van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van
enkele andere produkten, of groentesap vervaardigt, moet uiterlijk 7
januari 1993 een verzoek als bedoeld in artikel 15 van die wet
indienen bij de inspecteur voor een vergunning voor een inrichting.
2. De in het verzoek, bedoeld in het eerste lid, vermelde plaats
wordt met ingang van 1 januari 1993 tot wederopzegging aangemerkt als
een inrichting.
3. De inspecteur onderzoekt vóór 1 april 1993 of de plaatsen
die ingevolge het tweede lid worden aangemerkt als inrichting voldoen
aan de bij of krachtens de Wet op de verbruiksbelastingen van
alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten gestelde voorwaarden
voor het verkrijgen van een vergunning voor een inrichting.
4. Met betrekking tot plaatsen waar limonade of groentesap als
bedoeld in het eerste lid voorhanden is, anders dan door vervaardiging
aldaar, waarvoor uiterlijk 7 januari 1993 een verzoek als bedoeld in
artikel 15 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije
dranken en van enkele andere produkten voor een vergunning voor een
inrichting is ingediend, zijn het tweede en derde lid van
overeenkomstige toepassing.
Artikel XIII
1. Een verzoek voor een vergunning voor het met vrijstelling
van belasting betrekken van limonade, als bedoeld in artikel 9, tweede
lid, van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en
van enkele andere produkten, of van groentesap, wordt tot
wederopzegging aangemerkt als te zijn toegewezen met ingang van 1
januari 1993, indien het verzoek daartoe uiterlijk 7 januari 1993 is
ontvangen door de inspecteur.
2. De inspecteur onderzoekt vóór 1 april 1993 of degenen die
een in het eerste lid bedoeld verzoek hebben ingediend, voldoen aan de
bij of krachtens de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije
dranken en van enkele andere produkten gestelde voorwaarden voor het
verkrijgen van de desbetreffende vergunning.
Artikel XIV
1. Limonade, als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Wet
op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele
andere produkten, en groentesap die bij de aanvang van 1 januari 1993
aanwezig zijn in of in vervoer zijn naar een opslagplaats, zijn
onderworpen aan een heffing die gelijk is aan het bedrag van de
belasting op grond van artikel 10 van genoemde wet.
2. Aan de heffing zijn niet onderworpen limonade en groentesap
als bedoeld in het eerste lid:
a. die aanwezig zijn in een entrepot, een plaats voor tijdelijke
opslag of in een inrichting als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de
verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere
produkten, dan wel in vervoer zijn daarnaar toe; of
b. waarvoor een vrijstelling geldt.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder opslagplaats
verstaan elk gebouw of terrein waar limonade of groentesap als bedoeld
in het eerste lid voor commerciële doeleinden voorhanden is.
Opslagplaatsen in gebruik bij een zelfde persoon worden te zamen als
één opslagplaats beschouwd.
4. De eigenaar van de in een opslagplaats aanwezige limonade of
groentesap als bedoeld in het eerste lid is gehouden uiterlijk 7 januari
1993 aangifte te doen van de hoeveelheid van de aan de heffing
onderworpen limonade of groentesap.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de aangifte.
6. De belasting is verschuldigd door degene die is gehouden tot
het doen van aangifte.
7. De heffing blijft achterwege voorzover de te heffen belasting
niet meer bedraagt dan f 500. Indien de te heffen belasting in zijn
geheel niet meer bedraagt dan f 500 blijft de aangifte, bedoeld in het
vierde lid, achterwege. Artikel 4 van de Wet op de verbruiksbelastingen
van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten vindt geen
toepassing met betrekking tot de voorraad waarover de heffing op grond
van deze bepaling achterwege blijft.
Artikel XV
1. Voor suiker en suikerhoudende produkten die aan het eind van
31 december 1992 aanwezig zijn in of in vervoer zijn naar een
opslagplaats wordt op verzoek teruggaaf van accijns verleend ten
bedrage van f 0,0868 per 100 kg per eenheid van het suikergetal.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels voor de
uitvoering van de teruggaaf worden gesteld. Daarbij kan worden bepaald
dat de teruggaaf naar forfaitaire maatstaven geschiedt.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder opslagplaats
verstaan elk gebouw of terrein waar suiker en suikerhoudende produkten
voor commerciële doeleinden voorhanden zijn. Opslagplaatsen in gebruik
bij een zelfde persoon worden te zamen als één opslagplaats beschouwd.
4. De inspecteur stelt het bedrag van de teruggaaf vast bij
beschikking.
5. Teruggaaf wordt niet verleend indien het terug te geven bedrag
niet meer bedraagt dan f 200.
Artikel XVI
Artikel 35 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije
dranken en van enkele andere produkten is van toepassing met betrekking
tot accijnszegels die zijn aangevraagd op de voet van de Wet op de
accijns.
Artikel XVII
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven met
betrekking tot de uitvoering van de overgang van de Wet op de accijns
naar de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van
enkele andere produkten.
Artikel XVIII
Waar in deze wet de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije
dranken en van enkele andere produkten is aangehaald met vermelding van
het Staatsblad waarin die wet is geplaatst, wordt bij plaatsing
van deze wet in het Staatsblad na "Stb. 1992,"
ingevoegd het nummer van het Staatsblad waarin de Wet op de
verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere
produkten is geplaatst.
Artikel XIX
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel XX
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel XXI
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel XXII
[Bevat wijzigingen in deze regelgeving]
Artikel XXIII
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel XXIV
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1993.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Het Oude Loo, 24 december 1992
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
M.J.J. van Amelsvoort
Uitgegeven de dertigste december 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin