Nadere regelgeving:
- Regeling voorschriften bloedvoorziening
WET van 4 december 1997, houdende regelen
met betrekking tot de organisatie van de bloedvoorziening (Wet inzake
bloedvoorziening)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet
inzake bloedtransfusie te vervangen door een Wet inzake bloedvoorziening
in verband met het instellen van één landelijke organisatie voor
bloedvoorziening;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK I. BEGRIPSBEPALING
Artikel 1
1.In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b. Bloedvoorzieningsorganisatie:
de krachtens artikel 3, eerste lid, aangewezen rechtspersoon;
c. donor: persoon die een deel
van zijn bloed of een bestanddeel van een deel van zijn bloed
afstaat voor gebruik in het kader van de geneeskundige
behandeling van andere personen of ten behoeve van
wetenschappelijk onderzoek;
d. inzamelen van bloed: het
werven, oproepen en keuren van donoren en het bij donoren
afnemen van bloed, bloedcellen of bloedplasma;
e. product: menselijk bloed,
alsmede daaruit afgescheiden bestanddelen, waaraan al dan niet
een andere substantie is toegevoegd;
f. tussenproduct: product, niet
geschikt voor toediening aan de mens;
g. bloedproduct: product,
geschikt voor toediening aan de mens;
h. bloedvoorziening: het geheel
van maatregelen en middelen terzake van onder meer het
inzamelen van bloed en het bereiden en afleveren van
tussenproducten en bloedproducten;
i. derde land: de staat die
niet lid is van de Europese Unie of die niet partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
2.Met een donor wordt gelijkgesteld
de persoon die een deel van zijn bloed of een bestanddeel van een
deel van zijn bloed laat afzonderen ten behoeve van de
geneeskundige behandeling van zichzelf.
3.De artikelen 4, eerste lid, 12,
tweede lid, 13, eerste lid, 15, eerste lid, 16, eerste lid, en 17,
eerste lid en de daarop berustende bepalingen zijn niet van
toepassing op bloed of een bestanddeel van bloed dat ofwel is
afgestaan uitsluitend ten behoeve van de geneeskundige behandeling
van een bepaalde andere persoon, ofwel is afgezonderd ten behoeve
van de geneeskundige behandeling van de donor zelf; de genoemde
artikelen zijn evenmin van toepassing op uit dat bloed bereide
bloedproducten.
HOOFDSTUK II. BLOEDVOORZIENING
Artikel 2
1.Onze Minister stelt met het oog
op een doeltreffende en doelmatige bloedvoorziening jaarlijks
vóór 1 oktober een plan vast. Uitgangspunten daarbij zijn dat
a. gestreefd wordt naar
landelijke zelfvoorziening met vrijwillig en om niet gegeven
bloed dat zonder winstoogmerk bewerkt en geleverd wordt, en
b. de organisatie ten behoeve
van zodanige voorziening moet voldoen aan hoge eisen van
veiligheid, doelmatigheid en kwaliteit.
2.Onze Minister stelt bij de
voorbereiding van het plan de bij de bloedvoorziening betrokken
instanties in de gelegenheid om hun opvattingen ter zake naar
voren te brengen.
3.Onze Minister zendt een afschrift
van het plan aan de beide Kamers der Staten-Generaal. Van de
vaststelling van het plan wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant.
Artikel 3
1.Onze Minister wijst één
rechtspersoon aan die ter uitvoering van het plan, bedoeld in
artikel 2, tot taak heeft:
a. het jaarlijks ramen van de
behoefte aan bloed, tussenproducten en bloedproducten;
b. het inzamelen van bloed;
c. het bereiden van
tussenproducten en bloedproducten uit het ingezamelde bloed,
alsmede het bewaren, verpakken, etiketteren, vervoeren en
afleveren daarvan.
2.De aanwijzing vindt slechts
plaats indien wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. de rechtspersoon is
gevestigd in Nederland;
b. de werkzaamheid van de
rechtspersoon is niet gericht op het behalen van winst;
c. de rechtspersoon is, wat
betreft zijn organisatie, personeel en materieel, in staat de
in het eerste lid bedoelde taken op verantwoorde wijze te
vervullen.
3.Onze Minister kan aan de
aanwijzing beperkingen stellen en voorschriften verbinden. Hij kan
na de aanwijzing de beperkingen en voorschriften wijzigen en
nieuwe beperkingen en voorschriften vaststellen.
4.Onze Minister kan de aanwijzing
intrekken indien
a. de rechtspersoon daarom
verzoekt;
b. de rechtspersoon een of meer
van de in het eerste lid bedoelde taken niet of niet
verantwoord vervult of het bepaalde bij of krachtens deze wet
niet naleeft;
c. naar het oordeel van Onze
Minister het belang van een doelmatige bloedvoorziening zulks
vordert; dan wel
d. een bijzondere omstandigheid
daartoe aanleiding geeft.
5.De aanwijzing alsmede de daaraan
gestelde beperkingen en verbonden voorschriften of de intrekking
van de aanwijzing worden in de Staatscourant bekendgemaakt.
Artikel 4
1.Het is aan anderen dan de
Bloedvoorzieningsorganisatie verboden bloed in te zamelen.
2.Het is verboden aan een donor
andere dan door hem in redelijkheid gemaakte kosten te vergoeden.
Artikel 5
1.De Bloedvoorzieningsorganisatie
voert de werkzaamheden betreffende het inzamelen van bloed en het
bereiden van bloedproducten, alsmede het bewaren, verpakken,
etiketteren, vervoeren en afleveren daarvan, op verantwoorde wijze
uit. Onder verantwoord wordt in ieder geval verstaan: doeltreffend
en doelmatig alsmede gericht op een zo hoog mogelijke kwaliteit
van de bloedproducten en een zo groot mogelijke veiligheid van
donor en gebruiker.
2.Onze Minister kan de
Bloedvoorzieningsorganisatie omtrent het eerste lid voorschriften
geven. Deze voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. de personen die bij de
uitvoering van de werkzaamheden zijn betrokken;
b. de ruimten waarin en de
middelen waarmee de werkzaamheden worden uitgevoerd;
c. het inzamelen van bloed;
d. het bereiden van
tussenproducten en bloedproducten uit het ingezamelde bloed,
alsmede het bewaren, verpakken, etiketteren, vervoeren en
afleveren daarvan;
e. het voeren van een
administratie en het verwerken van de geadministreerde
gegevens.
3.De voorschriften worden in de
Staatscourant bekendgemaakt.
Artikel 6
1.Het uitvoeren van artikel 5 omvat
mede de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de
kwaliteit van de werkzaamheden en het eindproduct.
2.Ter uitvoering van het eerste lid
draagt de Bloedvoorzieningsorganisatie in ieder geval zorg voor:
a. het op systematische wijze
verzamelen en registreren van gegevens betreffende de
kwaliteit van de werkzaamheden en het tussen- of bloedproduct;
b. het aan de hand van de
gegevens, bedoeld onder a, op systematische wijze toetsen in
hoeverre de wijze van uitvoering van artikel 5 leidt tot een
verantwoorde uitvoering van de werkzaamheden;
c. het op basis van de uitkomst
van de toetsing, bedoeld onder b, zo nodig veranderen van de
wijze waarop artikel 5 wordt uitgevoerd.
Artikel 7
1.De Bloedvoorzieningsorganisatie
dient jaarlijks vóór 1 december een begroting en een beleidsplan
in bij Onze Minister.
2.Onze Minister kan bij
ministeriële regeling regels stellen over de inrichting van de
begroting en het beleidsplan.
3.De begroting en het beleidsplan
behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
4.Onze Minister onthoudt zijn
goedkeuring aan de begroting of het beleidsplan indien deze in
strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens deze wet, waaronder
begrepen het plan, bedoeld in artikel 2.
Artikel 8
1.De Bloedvoorzieningsorganisatie
brengt jaarlijks vóór 1 juni verslag uit aan Onze Minister over
de vervulling van haar taken en de uitvoering van de
werkzaamheden. Onze Minister kan regels stellen over de inrichting
van het verslag.
2.Zodra de
Bloedvoorzieningsorganisatie beschikt over het definitieve
jaarverslag en de definitieve jaarrekening, stelt zij deze aan
onze Minister ter beschikking.
Artikel 9
1.De Bloedvoorzieningsorganisatie
is verplicht Onze Minister voor een goede uitvoering van deze wet
de door hem gevraagde gegevens te verstrekken.
2.De Bloedvoorzieningsorganisatie
is verplicht wijzigingen in de organisatie, het personeel of het
materieel, die ingrijpende gevolgen hebben voor het vervullen van
de in het eerste lid van artikel 3 bedoelde taken, mede te delen
aan Onze Minister.
3.De Bloedvoorzieningsorganisatie
is verplicht Onze Minister onverwijld in kennis te stellen van elk
geval van risico's voor het leven of de gezondheid van mensen,
ontstaan of te vrezen als gevolg van gebreken aan bloedproducten,
die van haar afkomstig zijn.
Artikel 10
1.Indien Onze Minister van oordeel
is dat het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5, 6, 8 of 9
niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze wordt nageleefd,
kan hij de Bloedvoorzieningsorganisatie een schriftelijke
aanwijzing geven.
2.In de aanwijzing geeft Onze
Minister met redenen omkleed aan op welke punten het bepaalde bij
of krachtens de artikelen 5, 6, 8 of 9 niet of in onvoldoende mate
of op onjuiste wijze wordt nageleefd, de in verband daarmee te
nemen maatregelen, alsmede de termijn waarbinnen de
Bloedvoorzieningsorganisatie aan de aanwijzing moet voldoen.
3.Indien het nemen van maatregelen
in verband met gevaar voor de gezondheid redelijkerwijs geen
uitstel kan leiden, kan de ingevolge artikel 20 met het toezicht
belaste ambtenaar een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft
een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door Onze Minister
telkens met eenzelfde periode kan worden verlengd zolang naar het
oordeel van Onze Minister het gevaar voor de gezondheid niet is
geweken.
4.De Bloedvoorzieningsorganisatie
is verplicht volledig en binnen de daarbij gestelde termijn aan de
aanwijzing onderscheidenlijk onmiddellijk aan het bevel te
voldoen.
5.Indien de
Bloedvoorzieningsorganisatie inzake het vierde lid in gebreke
blijft, kan de Minister een bewindvoerder over de
Bloedvoorzieningsorganisatie aanstellen.
Artikel 11
Indien Onze Minister van oordeel is
dat de Bloedvoorzieningsorganisatie haar taken, genoemd in het
eerste lid van artikel 3, niet op verantwoorde wijze vervult, kan
hij ter zake regels vaststellen.
HOOFDSTUK III. AFLEVERING
Artikel 12
1.Het is verboden bloedproducten,
niet zijnde bloedproducten die krachtens de Geneesmiddelenwet
moeten worden geregistreerd, af te leveren aan anderen dan:
a. de
Bloedvoorzieningsorganisatie;
b. krachtens artikel 5 van de
Wet toelating zorginstellingen als ziekenhuis toegelaten
instellingen, apothekers en apotheekhoudende huisartsen die in
het bezit zijn van een vergunning als bedoeld in artikel 61,
tiende of elfde lid, van de Geneesmiddelenwet;
c. door Onze Minister
aangewezen andere personen, rechts personen daaronder
begrepen.
2.Aflevering als bedoeld in het
eerste lid, onder b, is uitsluitend toegestaan aan de
Bloedvoorzieningsorganisatie.
3.Onze Minister wijst slechts de
personen aan, bedoeld in het eerste lid, onder c, indien naar zijn
oordeel het belang van een in geneeskundig opzicht doelmatige
voorziening in de behoefte aan bloedproducten zulks vordert dan
wel een bijzondere omstandigheid daartoe aanleiding geeft. Artikel
3, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Zodanige aanwijzing, alsmede wijziging of intrekking ervan, wordt
bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 13
1.Het is verboden tussenproducten
af te leveren aan anderen dan:
a. de
Bloedvoorzieningsorganisatie;
b. personen, rechtspersonen
daaronder begrepen, die in het bezit zijn van een vergunning
als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de
Geneesmiddelenwet;
c. instellingen voor
wetenschappelijk onderzoek;
d. door Onze Minister
aangewezen andere personen, rechtspersonen daaronder begrepen.
2.Aflevering als bedoeld in het
eerste lid, onder b, mag slechts geschieden voorzover de
tussenproducten zijn bereid uit plasma van vrijwillige donoren aan
wie ten hoogste een vergoeding is gegeven als bedoeld in artikel
4, tweede lid, en het bloed dat is gebruikt voor de bereiding
ervan, is onderzocht op de aanwezigheid van via bloed of
bloedplasma overdraagbare ziekteverwekkers, kwalitatief
overeenkomende met de werkwijze zoals die in Nederland wordt
gehanteerd.
3.Onze Minister wijst slechts de
personen aan, bedoeld in het eerste lid, onder d, indien naar zijn
oordeel het belang van een doelmatige voorziening in de behoefte
aan bloedproducten daardoor niet wordt geschaad, dan wel een
bijzondere omstandigheid daartoe aanleiding geeft. Artikel 3,
derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. Zodanige
aanwijzing, alsmede wijziging of intrekking ervan, wordt
bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 14
Het is verboden de aflevering van
bloedproducten en tussenproducten te laten geschieden tegen een
vergoeding die meer bedraagt dan de kosten welke ten behoeve van het
inzamelen van bloed, het bereiden of het afleveren zijn gemaakt.
HOOFDSTUK IV. IN- EN UITVOER
Artikel 15
1.Het is verboden bloedproducten en
tussenproducten uit een derde land in te voeren zonder vergunning
van Onze Minister.
2.Onze Minister verleent een
vergunning slechts indien naar zijn oordeel het belang van een in
geneeskundig opzicht doelmatige voorziening in de behoefte aan
bloedproducten zulks vordert dan wel een bijzondere omstandigheid
daartoe aanleiding geeft.
3.Indien het in het tweede lid
genoemde belang zulks vordert, onderscheidenlijk indien een
bijzondere omstandigheid daartoe aanleiding geeft, kan Onze
Minister voorschriften aan de vergunning verbinden of de
vergunning onder beperkingen verlenen. De vergunning kan worden
ingetrokken; artikel 3, vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
4.Het in het eerste lid vervatte
verbod geldt niet:
a. ten aanzien van een persoon
die bij het overschrijden van de grens in het bezit is van een
hoeveelheid van een bloedproduct, welke kennelijk voor eigen
gebruik is bestemd;
b. ten aanzien van een
instelling van wetenschappelijk onderzoek, voor zover het in
te voeren bloedproduct of tussenproduct bestemd is voor
wetenschappelijk onderzoek;
c. ten aanzien van een product
dat is bestemd om als monster te worden overgelegd bij een
aanvraag tot registratie krachtens de Geneesmiddelenwet.
Artikel 16
1.Het is verboden bloedproducten en
tussenproducten uit te voeren naar een derde land zonder
vergunning van Onze Minister.
2.Onze Minister verleent slechts
een vergunning indien naar zijn oordeel het belang van een
doelmatige voorziening in de behoefte aan bloedproducten daardoor
niet wordt geschaad.
3.Onze Minister kan aan de
vergunning voorschriften verbinden of de vergunning onder
beperkingen verlenen. De vergunning kan worden ingetrokken;
artikel 3, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.Het in het eerste lid vervatte
verbod geldt niet ten aanzien van:
a. een persoon die bij het
overschrijden van de grens in het bezit is van een hoeveelheid
van een bloedproduct, welke kennelijk voor eigen gebruik
bestemd is;
b. de vereniging «Het
Nederlandse Rode Kruis» voorzover de uitvoer geschiedt in het
kader van de hulpverlening overeenkomstig de statuten van die
vereniging.
Artikel 17
1.Het is verboden bloedproducten
als bedoeld in artikel 12, eerste lid, en tussenproducten uit te
voeren naar een staat die lid is van de Europese Unie of die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte zonder vergunning van Onze Minister.
2.Onze Minister verleent slechts
een vergunning indien naar zijn oordeel het belang van een
doelmatige voorziening in de behoefte aan bloedproducten daardoor
niet wordt geschaad.
3.Onze Minister kan aan de
vergunning voorschriften verbinden of de vergunning onder
beperkingen verlenen. De vergunning kan worden ingetrokken;
artikel 3, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.Het in het eerste lid vervatte
verbod geldt niet ten aanzien van:
a. een persoon die bij het
overschrijden van de grens in het bezit is van een hoeveelheid
van een bloedproduct, welke kennelijk voor eigen gebruik
bestemd is;
b. de vereniging «Het
Nederlandse Rode Kruis» voor zover de uitvoer geschiedt in
het kader van de hulpverlening overeenkomstig de statuten van
die vereniging;
c. de
Bloedvoorzieningsorganisatie;
d. voor wat betreft
tussenproducten, de krachtens artikel 13, eerste lid, onder d,
aangewezen personen, rechtspersonen daaronder begrepen.
HOOFDSTUK V. KOSTENVERGOEDING
Artikel 18
Bij algemene maatregel van bestuur
kan worden bepaald dat bij het indienen van een aanvraag om een
aanwijzing als bedoeld in de artikelen 12, eerste lid, onder c , en
13, eerste lid, onder d , dan wel een vergunning als bedoeld in de
artikelen 15, eerste lid, 16, eerste lid, en 17, eerste lid, een
bedrag moet worden betaald, waarvan de hoogte bij die maatregel
wordt geregeld, doch ten hoogste de kosten verbonden aan de
aanwijzing of vergunning mag bedragen. Onze Minister kan regels
stellen omtrent de wijze van betaling.
HOOFDSTUK VI. STRAFBEPALINGEN
Artikel 19
1.Hij die handelt in strijd met:
a. de artikelen 4, eerste of
tweede lid, 10, vierde lid, 12, eerste of tweede lid, 13,
eerste lid, 14, 15, eerste lid, 16, eerste lid, of 17, eerste
lid;
b. een krachtens de artikelen
12, derde lid, 13, derde lid, 15, derde lid, 16, derde lid, of
17, derde lid, aan een aanwijzing onderscheidenlijk vergunning
verbonden voorschrift; wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
2.De in het eerste lid strafbaar
gestelde feiten zijn overtredingen.
Artikel 19a
1. Onze Minister is bevoegd een
bestuurlijke boete van ten hoogste € 33 500,– op te leggen ter
zake van een gedraging die in strijd is met artikel 4, eerste of
tweede lid, 12, 13, eerste of derde lid, 14, 15, eerste of derde
lid, 16, eerste of derde lid, of 17, eerste lid.
2. Onze Minister is bevoegd een
last onder dwangsom op te leggen ter zake van een gedraging die in
strijd is met een krachtens artikel 10 gegeven aanwijzing of
bevel.
HOOFDSTUK VII. TOEZICHT EN OPSPORING
Artikel 20
1.Met het toezicht op de naleving
van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de
ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid.
2.Bij besluit van Onze Minister
kunnen andere ambtenaren geheel of gedeeltelijk worden belast met
het in het eerste lid bedoelde toezicht. Van een besluit als
bedoeld in de eerste volzin wordt mededeling gedaan door plaatsing
in de Staatscourant.
Artikel 21
1.Met de opsporing van de bij deze
wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van
het Wetboek van Strafvordering, belast de ambtenaren, aangewezen
bij besluit van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport en Onze Minister van Justitie. Deze ambtenaren zijn tevens
belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de
artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van
Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel,
vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
2.Van een besluit als bedoeld in
het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
3.Bij de uitoefening van hun taak
dragen de ambtenaren een legitimatiebewijs bij zich.
4.Onverminderd artikel 1, eerste en
tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden tonen zij hun
legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds.
5.Het legitimatiebewijs bevat een
foto van de ambtenaar en vermeldt in ieder geval diens naam en
hoedanigheid.
HOOFDSTUK VIII. OVERGANGS- EN
SLOTBEPALINGEN
Artikel 22
1.De Wet inzake bloedtransfusie
wordt ingetrokken.
2.De registratie van een
bloedproduct die heeft plaats gevonden krachtens artikel 24 van de
Wet inzake bloedtransfusie, wordt gelijkgesteld met de verlening
van een handelsvergunning of een parallelhandelsvergunning als
bedoeld in artikel 40 onderscheidenlijk 48 van de
Geneesmiddelenwet.
3.De regelingen berustend op de
artikelen 24 en 25, onderscheidenlijk 26, 27 en 29 van de Wet
inzake bloedtransfusie, blijven van kracht tot zij bij koninklijk
besluit, onderscheidenlijk bij ministeriële regeling, worden
ingetrokken. Zij kunnen tussentijds door toepassing van de
genoemde artikelen nog worden gewijzigd.
4.Een vergunning, verleend
krachtens artikel 30 of artikel 31 van de Wet inzake
bloedtransfusie, wordt gelijkgesteld met een vergunning op grond
van artikel 15 onderscheidenlijk de artikelen 16 en 17 van de
onderhavige wet.
Artikel 23
[Wijzigt de Wet op de
Geneesmiddelenvoorziening]
Artikel 24
[Wijzigt de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden]
Artikel 25
Onze Minister zendt binnen vijf jaar
na inwerkingtreding van de wet en vervolgens telkens na vier jaar,
aan de beide Kamers der Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en doelmatigheid van de wet.
Artikel 26 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 27
Deze wet treedt in werking met ingang
van 1 januari 1998.
Artikel 28
Deze wet wordt aangehaald als: Wet
inzake bloedvoorziening.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 4 december 1997
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
Uitgegeven de zestiende december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|