Nadere regelgeving:
- Beleidsregel
betrouwbaarheidstoetsing
- Besluit
bestuurlijke boetes financiële sector
- Regeling
bedrijfsvoering en administratieve organisatie Wet inzake de
geldtransactiekantoren
- Vrijstellingsregeling geldtransactiekantoren
(vervallen)
WET van 27 juni 2002, houdende
bepalingen inzake de geldtransactiekantoren
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden,
Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben dat het, ter bescherming
van de integriteit van het financiële stelsel in
Nederland en met het oog op het tegengaan van het
witwassen van gelden en van het financieren van
terroristische misdrijven en de uitvoering van de Wet
identificatie bij dienstverlening en de Wet melding
ongebruikelijke transacties, wenselijk is het huidige
stelsel van registratie van en toezicht op de
wisselkantoren uit te breiden tot kantoren die aanverwante
geldtransacties uitvoeren;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. geldtransactiekantoor: de
natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die beroeps-
of bedrijfsmatig ten behoeve van of op verzoek van een derde
geldtransacties uitvoert, dan wel beroeps- of bedrijfsmatig
werkzaam is bij de totstandkoming daarvan;
b. derde: de natuurlijke persoon,
rechtspersoon of vennootschap die geen onderdeel uitmaakt van
een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat indien een
natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap:
1°. via een formele of
feitelijke zeggenschapsstructuur invloed kan uitoefenen op
een of meer andere natuurlijke personen, rechtspersonen of
vennootschappen; of
2°. in een of meer andere
rechtspersonen of vennootschappen een deelneming heeft als
bedoeld in artikel 24c van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek, dan wel, voorzover het natuurlijke personen
betreft, een met een deelneming overeenkomende positie, die
natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap tezamen
met die andere natuurlijke persoon, rechtspersoon of
vennootschap dan wel natuurlijke personen, rechtspersonen of
vennootschappen wordt aangemerkt als groep;
c. geldtransactie:
1°. het wisselen van munten
of bankbiljetten;
2°. het uitbetalen van
munten of bankbiljetten op vertoon van een creditcard, tegen
inlevering van een of meer cheques of tegen inlevering van
een of meer onderdelen van het couponblad van een
waardepapier aan toonder tegen inlevering waarvan de rente
op dit waardepapier kan worden geïnd;
3°. bij algemene maatregel
van bestuur aan te wijzen andere verwante activiteit;
d. register: het openbare
register van geldtransactiekantoren dat door de zorg van Onze
Minister wordt gehouden;
e. Onze Minister: Onze Minister
van Financiën;
f. gekwalificeerde deelneming:
een rechtstreeks of middellijk belang van meer dan 5 procent van
het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming of
instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen
van meer dan 5 procent van de stemrechten in een onderneming of
instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen
van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming of
instelling.
Hoofdstuk 2. De registratie en het
toezicht
Artikel 2
1. Onze Minister draagt zorg voor
de inschrijving in het register van ieder geldtransactiekantoor
dat daarom verzoekt, tenzij Onze Minister op grond van de
beoordeling van de betrouwbaarheid van een van de in het tweede
lid, onder a, b, c of d, bedoelde personen of op grond van de
bedrijfsvoering of de administratieve organisatie:
a. van oordeel is dat hierdoor
de integriteit van het financiële stelsel wordt aangetast of
aannemelijk is dat deze zou kunnen worden aangetast. Daarvan
is in elk geval sprake indien Onze Minister een redelijk
vermoeden heeft dat het geldtransactiekantoor of een of meer
van de in het tweede lid, onder a, b, c of d, bedoelde
personen zich schuldig maken of schuldig zullen maken aan
witwassen of heling van geld dan wel betrokken zijn of zullen
zijn bij de financiering van misdrijven die uit hoofde van
internationale verplichtingen inzake terrorismebestrijding
strafbaar zijn gesteld; of
b. van oordeel is dat de
bedrijfsvoering of de administratieve organisatie onvoldoende
is om een integere bedrijfsvoering te bevorderen en te
handhaven of om aan de op het geldtransactiekantoor rustende
overige wettelijke verplichtingen te voldoen.
2. Het verzoek om inschrijving
bevat de volgende gegevens en bescheiden:
a. de identiteit en de
antecedenten van de bestuurders van het geldtransactiekantoor;
b. de identiteit en de
antecedenten van degenen die het dagelijks beleid van het
geldtransactiekantoor bepalen of mede bepalen;
c. de identiteit en de
antecedenten van de personen die rechtstreeks of middellijk
bevoegd zijn de onder a en b bedoelde personen te benoemen of
te ontslaan;
d. de identiteit van degenen
die een gekwalificeerde deelneming houden in het
geldtransactiekantoor, alsmede de omvang van de desbetreffende
gekwalificeerde deelneming;
e. de naam, het adres en de
vestigingsplaats van het geldtransactiekantoor en, indien van
toepassing, het adres en de vestigingsplaats van diens
bijkantoren;
f. de voorziene
bedrijfsvoering, waaronder begrepen de maatregelen gericht op
het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering,
en de voorziene administratieve organisatie van het
geldtransactiekantoor;
g. het nummer van inschrijving
bij de Kamer van Koophandel;
h. de geldtransacties, genoemd
in artikel 1, eerste lid, onder c, die het
geldtransactiekantoor uitvoert of voornemens is uit te voeren;
i. overige gegevens en
bescheiden die Onze Minister nodig heeft in het belang van de
beoordeling van de aanvraag.
3. In het register worden opgenomen
de naam, het adres en de vestigingsplaats van het
geldtransactiekantoor, het adres en de vestigingsplaats van de
bijkantoren, de datum van inschrijving van het
geldtransactiekantoor in het register, het nummer van inschrijving
bij de Kamer van Koophandel en het soort geldtransacties dat het
geldtransactiekantoor uitvoert of voornemens is uit te voeren.
4. Een geldtransactiekantoor dat is
ingeschreven in het register meldt iedere voorgenomen wijziging
die optreedt in de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder a, b
of c, voor zover deze het aantal of identiteit van de daar
genoemde personen betreft, of in de gegevens, bedoeld in het
tweede lid, onder h, vooraf aan Onze Minister.
5. Een wijziging als bedoeld in het
vierde lid wordt niet doorgevoerd, indien Onze Minister het
voornemen daartoe afwijst binnen zes weken na ontvangst van de
melding, bedoeld in het vierde lid, of, indien Onze Minister om
nadere gegevens of inlichtingen heeft verzocht, binnen zes weken
na ontvangst van die gegevens of inlichtingen.
6. Indien zich een wijziging
voordoet in de antecedenten, bedoeld in het tweede lid, onder a, b
of c, dan wel in de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder d,
e, f, g of i, meldt het geldtransactiekantoor deze onverwijld
schriftelijk aan Onze Minister.
Artikel 3
1. Het is verboden als
geldtransactiekantoor werkzaam te zijn.
2. Het in het eerste lid vervatte
verbod is niet van toepassing op:
a. degene die als
geldtransactiekantoor is ingeschreven in het register als
bedoeld in deze wet;
b. De Nederlandsche Bank N.V.;
c. financiële ondernemingen
die ingevolge artikel 2:11 of 2:20 van de Wet op het
financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mogen
uitoefenen;
d. financiële ondernemingen
die ingevolge 2:15 of 2:18 van de Wet op het financieel
toezicht in Nederland hun bedrijf mogen uitoefenen, voorzover
het hen op grond van artikel 3:39 is toegestaan in Nederland
werkzaamheden als geldtransactiekantoor te verrichten;
e. financiële instellingen die
ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland hun
bedrijf mogen uitoefenen, voorzover het hen op grond van
artikel 2:25, 2:26, onderscheidenlijk 3:110, van die wet is
toegestaan in Nederland werkzaamheden als
geldtransactiekantoor te verrichten.
Artikel 4
1. Onze Minister kan vrijstelling
of, op verzoek, ontheffing verlenen van het in artikel 3, eerste
lid, vervatte verbod.
2. Een ontheffing van het verbod
als geldtransactiekantoor werkzaam te zijn wordt geweigerd indien
Onze Minister op grond van de beoordeling van de betrouwbaarheid
van een van de personen bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a,
b, c of d, of op grond van de bedrijfsvoering of de
administratieve organisatie:
a. van oordeel is dat hierdoor
de integriteit van het financiële stelsel wordt aangetast of
aannemelijk is dat deze zou kunnen worden aangetast. Daarvan
is in elk geval sprake indien Onze Minister een redelijk
vermoeden heeft dat het geldtransactiekantoor of een of meer
van de in de aanhef van dit lid bedoelde personen zich
schuldig maken of schuldig zullen maken aan witwassen of
heling van geld dan wel betrokken zijn of zullen zijn bij de
financiering van misdrijven die uit hoofde van internationale
verplichtingen inzake terrorismebestrijding strafbaar zijn
gesteld; of
b. van oordeel is dat de
bedrijfsvoering of de administratieve organisatie onvoldoende
is om een integere bedrijfsvoering te bevorderen of te
handhaven of om aan de op het geldtransactiekantoor rustende
overige wettelijke verplichtingen te voldoen.
3. Aan een vrijstelling en aan een
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen
worden gesteld.
Artikel 5
1. Onze Minister haalt de
inschrijving door:
a. op verzoek van het
geldtransactiekantoor;
b. in geval van overlijden van
de natuurlijke persoon die het bedrijf van
geldtransactiekantoor uitoefent;
c. in geval het
geldtransactiekantoor of de natuurlijke persoon die het
bedrijf van geldtransactiekantoor uitoefent, in staat van
faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de
toepassing van de schuldsaneringsregeling, bedoeld in titel
III van de Faillissementswet, is uitgesproken;
d. in geval van ontbinding van
de rechtspersoon of vennootschap die het bedrijf van
geldtransactiekantoor uitoefent;
e. in geval van beëindiging
van de werkzaamheden als geldtransactiekantoor.
2. Onze Minister kan de
inschrijving doorhalen:
a. in geval het
geldtransactiekantoor kennelijk niet langer geldtransacties
uitvoert dan wel niet langer beroeps- of bedrijfsmatig
werkzaam is bij de totstandkoming daarvan;
b. in geval het
geldtransactiekantoor niet voldoet aan zijn wettelijke
verplichtingen;
c. in geval Onze Minister op
grond van de beoordeling van de betrouwbaarheid van een van de
in artikel 2, tweede lid, onder a, b, c of d, bedoelde
personen, of op grond van de bedrijfsvoering of de
administratieve organisatie:
1°. van oordeel is dat
hierdoor de integriteit van het financiële stelsel wordt
aangetast of aannemelijk is dat deze zou kunnen worden
aangetast. Daarvan is in elk geval sprake indien Onze
Minister een redelijk vermoeden heeft dat het
geldtransactiekantoor of een of meer van de in artikel 2,
tweede lid, onder a, b, c of d, bedoelde personen zich
schuldig maken of schuldig zullen maken aan witwassen of
heling van geld dan wel betrokken zijn of zullen zijn bij
de financiering van misdrijven die uit hoofde van
internationale verplichtingen inzake terrorismebestrijding
strafbaar zijn gesteld; of
2°. van oordeel is dat de
bedrijfsvoering of de administratieve organisatie
onvoldoende is om een integere bedrijfsvoering te
bevorderen en te handhaven of om aan de op het
geldtransactiekantoor rustende overige wettelijke
verplichtingen te voldoen;
d. in geval Onze Minister
informatie bekend wordt die, was zij hem bekend geweest op het
moment van het verzoek om inschrijving, ertoe zou hebben
geleid dat het verzoek niet zou zijn ingewilligd;
e. indien een der bestuurders
of degene die het dagelijks beleid van het
geldtransactiekantoor bepaalt of mede bepaalt, in staat van
faillissement is verklaard;
f. in geval Onze Minister na de
tenuitvoerlegging van de in artikel 7 bedoelde executoriale
titel, niet de ingevolge dat artikel verschuldigde betaling
heeft ontvangen.
3. Indien Onze Minister de
inschrijving doorhaalt op een moment dat het geldtransactiekantoor
in het kader van een geldtransactie gelden of geldswaarden ter
beschikking heeft gekregen en deze nog niet heeft uitbetaald of
betaalbaar gesteld, geeft Onze Minister aanwijzingen met
betrekking tot de afwikkeling van de geldtransactie. Het
geldtransactiekantoor is gehouden deze aanwijzingen op te volgen.
Artikel 6
1.Van de inschrijving in het
register dan wel van de doorhaling van de inschrijving in het
register wordt door de zorg van Onze Minister binnen twee weken na
de dag waarop deze heeft plaatsgevonden, mededeling gedaan in de
Staatscourant.
2.Onze Minister houdt een afschrift
van het register voor een ieder kosteloos ter inzage.
Artikel 7
1.Het geldtransactiekantoor is ter
zake van het verzoek om inschrijving in het register aan Onze
Minister een bedrag verschuldigd.
2.Het geldtransactiekantoor dat is
ingeschreven in het register is jaarlijks, ter zake van de dekking
van de kosten verbonden aan het toezicht op de ingeschreven
geldtransactiekantoren, aan Onze Minister een bedrag verschuldigd.
3.De hoogte van de in dit artikel
bedoelde bedragen wordt zodanig vastgesteld dat deze bedragen
gezamenlijk ten hoogste gelijk zijn aan de kosten die Onze
Minister maakt ter zake van de registratie van
geldtransactiekantoren en ter zake van het toezicht dat zij
uitoefenen op ingeschreven geldtransactiekantoren.
4.De hoogte van de in dit artikel
genoemde bedragen wordt vastgesteld door Onze Minister.
5.Het ingevolge dit artikel
verschuldigde bedrag wordt betaald binnen vier weken na
dagtekening van de brief waarbij het is opgelegd.
6.Het verschuldigde bedrag wordt
vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag
waarop de in het vorige lid bedoelde termijn is verstreken.
7.Indien het bedrag niet binnen de
gestelde termijn is betaald, stuurt Onze Minister een
schriftelijke aanmaning om binnen tien dagen na dagtekening van de
aanmaning het bedrag, verhoogd met de kosten van de aanmaning,
alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging, dat het
bedrag, voor zover deze niet binnen de gestelde termijn wordt
betaald, overeenkomstig het achtste lid zal worden ingevorderd.
8.Bij gebreke van tijdige betaling
kan Onze Minister het bedrag, verhoogd met de kosten van de
aanmaning en van de invordering, bij dwangbevel invorderen.
9.Het dwangbevel wordt op kosten
van het geldtransactiekantoor bij deurwaardersexploit betekend en
levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
10.Gedurende zes weken na de dag
van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door
dagvaarding van Onze Minister. Het verzet schorst de
tenuitvoerlegging niet, tenzij de voorzieningenrechter van de
rechtbank in kort geding desgevraagd anders beslist.
Hoofdstuk 3. Controle en inlichtingen
Artikel 8
1. Onze Minister kan bij:
a. in het register ingeschreven
geldtransactiekantoren;
b. geldtransactiekantoren
waaraan een ontheffing als bedoeld in artikel 4 is verleend;
c. geldtransactiekantoren
waarop een vrijstelling als bedoeld in artikel 4 van
toepassing is;
d. de natuurlijke persoon,
rechtspersoon of vennootschap, waarvan redelijkerwijs kan
worden vermoed dat deze handelt in strijd met de bij of
krachtens deze wet gestelde regels, alle inlichtingen inwinnen
of doen inwinnen die redelijkerwijs nodig zijn voor de
uitoefening van de taken en bevoegdheden die Onze Minister op
grond van deze wet heeft en teneinde na te gaan of de bij of
krachtens deze wet gestelde bepalingen worden nageleefd.
2. Onze Minister kan van ieder
ingeschreven geldtransactiekantoor en van iedere financiële
onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in
Nederland het bedrijf van bank of financiële instelling mag
uitoefenen, inlichtingen verlangen betreffende de door dat kantoor
of die onderneming met een geldtransactiekantoor of met een bank
of financiële instelling verrichte transacties, voorzover dat
voor de vervulling van zijn bij deze wet opgelegde taak
redelijkerwijs nodig is.
3. Degene van wie de inlichtingen,
bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verlangd, verstrekt
deze binnen de door Onze Minister te stellen redelijke termijn.
4. Voor zover de in het tweede lid
bedoelde inlichtingen gegevens betreffen die de instelling reeds
aan De Nederlandsche Bank N.V. heeft verstrekt uit hoofde van de
Wet financiële betrekkingen buitenland 1994, kan de instelling
aan de in het derde lid genoemde verplichting voldoen door die
gegevens aan te merken als verstrekt uit hoofde van deze wet. De
Nederlandsche Bank N.V. verstrekt in dat geval aan Onze Minister
de gevraagde inlichtingen.
5. Ten aanzien van de personen die
door Onze Minister zijn belast met het inwinnen van inlichtingen
of met de uitoefening van andere taken en bevoegdheden die Onze
Minister heeft op grond van het bij of krachtens deze wet
bepaalde, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20
van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9
1.Onze Minister kan, voor zover dat
noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn bij deze wet
opgelegde taak, regels stellen met betrekking tot de
bedrijfsvoering en de administratieve organisatie van
geldtransactiekantoren, daaronder begrepen de financiële
administratie en de interne controle. Onder de regels met
betrekking tot de bedrijfsvoering worden mede begrepen regels met
het oog op een integere bedrijfsvoering, waaronder in ieder geval
worden verstaan regels ter zake van:
a. het tegengaan van
verstrengeling van tegenstrijdige belangen;
b. het voorkomen van
betrokkenheid van het geldtransactiekantoor en van haar
werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in het
geldtransactiekantoor of in de financiële markten in het
algemeen schaden;
c. het voorkomen van
betrokkenheid van het geldtransactiekantoor en van haar
werknemers bij handelingen die anderszins in het
maatschappelijk verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn, dat deze
het vertrouwen in het geldtransactiekantoor of in de
financiële markten in het algemeen schaden;
d. het vaststellen van de
identiteit, de aard en de achtergrond van de cliënten van het
geldtransactiekantoor.
2.Een geldtransactiekantoor zendt
binnen een door Onze Minister te stellen redelijke termijn aan
Onze Minister een rapportage omtrent haar bedrijfsvoering en
administratieve organisatie. Onze Minister bepaalt de wijze waarop
de rapportage geschiedt en de perioden waarop de rapportage
betrekking heeft.
Artikel 10
Onze Minister kan, indien zich bij
een geldtransactiekantoor een omstandigheid voordoet als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onder a of b, of in artikel 5, tweede lid,
onder b tot en met f , aan het geldtransactiekantoor dan wel aan de
personen bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, b of c, een
aanwijzing geven om ten aanzien van met name aan te geven
onderwerpen een bepaalde gedragslijn te volgen, teneinde te bereiken
dat deze omstandigheid zich niet meer voordoet. Het
geldtransactiekantoor dan wel de persoon aan wie de aanwijzing is
gegeven, volgt deze op binnen een door Onze Minister te bepalen
termijn.
Hoofdstuk 4. Overige bepalingen
inzake uitwisseling van gegevens of inlichtingen
Artikel 11
Het is een instelling als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet ter voorkoming van
witwassen en financieren van terrorisme, met uitzondering van een
instelling als bedoeld in onderdeel 15°, verboden een zakelijke
relatie aan te gaan met of een incidentele transactie als bedoeld in
artikel 3, derde lid, onder b van die wet te verrichten ten behoeve
van een geldtransactiekantoor waarop, naar de instelling weet of
redelijkerwijs kan vermoeden, het verbod van artikel 3, eerste lid,
van toepassing is.
Artikel 12
1.Het is aan een ieder die uit
hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet
genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of
inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt, of van een instantie
als bedoeld in artikel 15 verkregen, of van gegevens of
inlichtingen, bij het onderzoek van boeken, bescheiden of andere
gegevensdragers verkregen, verder of anders bekendheid te geven
dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt
geëist.
2.Het in het eerste lid bepaalde
laat, ten aanzien van degene op wie het eerste lid van toepassing
is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek
van Strafvordering.
Artikel 13
In afwijking van artikel 12, eerste
lid, licht Onze Minister het Meldpunt ongebruikelijke transacties,
bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van
witwassen en financieren van terrorisme, in, indien hij bij de
uitoefening van zijn bij deze wet opgelegde taak feiten ontdekt die
duiden op witwassen of heling van geld.
Artikel 14
1.In afwijking van artikel 12,
eerste lid, kan Onze Minister gegevens of inlichtingen, verkregen
bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak,
verstrekken aan Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties
dan wel aan Nederlandse of buitenlandse van overheidswege
aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op
financiële markten of op natuurlijke personen, rechtspersonen en
vennootschappen die op die markten werkzaam zijn, tenzij:
a. het doel waarvoor de
gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende is
bepaald;
b. het beoogde gebruik van de
gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het
toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen,
rechtspersonen en vennootschappen die op die markten werkzaam
zijn;
c. de verstrekking van de
gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de
Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de
gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is
gewaarborgd;
e. de verstrekking van de
gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou
kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te
beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd
dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt
voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
2.Indien een buitenlandse instantie
als bedoeld in het eerste lid aan Onze Minister verzoekt om de
gegevens of inlichtingen die op grond van dat lid zijn verstrekt
te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn
verstrekt, wordt dat verzoek slechts ingewilligd:
a. indien het beoogde gebruik
niet in strijd is met het eerste lid; of
b. indien die buitenlandse
instantie op een andere wijze dan in deze wet voorzien vanuit
Nederland met inachtneming van de daarvoor geldende procedures
voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of
inlichtingen zou kunnen verkrijgen.
3.Indien het in het tweede lid
bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare
feiten, wordt dit niet ingewilligd dan na toestemming van Onze
Minister van Justitie.
Artikel 15
1.Ter uitvoering van verdragen tot
uitwisseling van gegevens of inlichtingen dan wel ter uitvoering
van bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties met
betrekking tot het toezicht op financiële markten of op
natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen die op die
markten werkzaam zijn, kan Onze Minister ten behoeve van een
instantie die werkzaam is in een Staat die met Nederland partij is
bij een verdrag of die met Nederland valt onder eenzelfde bindend
besluit van een volkenrechtelijke organisatie, en die in die Staat
is belast met de uitvoering van wettelijke regelingen inzake het
toezicht op het kredietwezen of geldtransactiekantoren,
inlichtingen vragen aan of een onderzoek instellen of doen
instellen bij ieder ingeschreven geldtransactiekantoor dat
ingevolge deze wet onder zijn toezicht valt dan wel bij een ieder
waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of
inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de
uitvoering van de wettelijke regelingen als hiervoor bedoeld.
2.Degene aan wie gegevens of
inlichtingen als bedoeld in het eerste lid worden gevraagd,
verstrekt deze gegevens of inlichtingen binnen een door Onze
Minister te stellen termijn.
3.Degene bij wie een onderzoek als
bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld, verleent aan de persoon
die het onderzoek verricht alle medewerking die nodig is voor een
goede uitvoering van dat onderzoek, met dien verstande dat degene
bij wie het onderzoek wordt ingesteld slechts kan worden verplicht
tot het verlenen van inzage in boeken, zakelijke bescheiden of
andere informatiedragers.
Artikel 16
1.Onze Minister verstrekt aan de
autoriteiten die ingevolge de Wet op het financieel toezicht of de
Wet toezicht trustkantoren belast zijn met het toezicht op
financiële ondernemingen onderscheidenlijk trustkantoren, de
gegevens of inlichtingen die hij heeft verkregen bij de vervulling
van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak en die betrekking
hebben op de betrouwbaarheid van de personen, bedoeld in artikel
2, derde lid, onder a, b, c of d, voorzover deze naar het oordeel
van Onze Minister van belang zijn of zouden kunnen zijn voor het
toezicht dat door die andere autoriteit wordt uitgeoefend.
2.De in het eerste lid bedoelde
verplichting geldt niet in het geval de gegevens of inlichtingen
zijn verkregen van een buitenlandse instantie als bedoeld in
artikel 14.
Artikel 17
1.Onze Minister kan toestaan dat
een functionaris van een buitenlandse instantie als bedoeld in
artikel 15, eerste lid, deelneemt aan de uitvoering van een
verzoek als bedoeld in dat lid.
2.De verplichting, omschreven in
het derde lid van artikel 15, geldt eveneens jegens de in het
eerste lid bedoelde functionaris.
3.De in het eerste lid bedoelde
functionaris volgt de aanwijzingen op van de persoon die met de
uitvoering van het verzoek is belast.
Hoofdstuk 5. Overdracht van toezicht
Artikel 18
1. Taken en bevoegdheden die Onze
Minister op grond van deze wet heeft, kunnen, met uitzondering van
de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 7, vierde lid,
14, derde lid, 20, derde lid, 21, tweede en derde lid en 31,
tweede lid, en met uitzondering van het verlenen van een
vrijstelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, bij algemene
maatregel van bestuur worden overgedragen aan een of meer
rechtspersonen. De verplichtingen jegens Onze Minister op grond
van deze wet gelden alsdan als verplichtingen jegens de
desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.
2. Een overdracht als bedoeld in
het eerste lid vindt slechts plaats indien de betrokken
rechtspersoon aan de volgende eisen voldoet:
a. hij dient in staat te zijn
de in het eerste lid bedoelde taken en bevoegdheden naar
behoren te vervullen;
b. de voorwaarden dienen
aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binnen de
betrokken rechtspersoon dat een onafhankelijke vervulling van
de in het eerste lid bedoelde taken en bevoegdheden zoveel
mogelijk is gewaarborgd.
3. Aan de overdracht als bedoeld in
het eerste lid kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften
worden verbonden.
4. Voor de totstandkoming,
wijziging of intrekking van een vrijstelling als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, en de door Onze Minister vast te stellen
bedragen als bedoeld in artikel 7, vierde lid, kan het advies van
de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon of rechtspersonen
worden ingewonnen. De rechtspersoon aan wie advies wordt gevraagd
is verplicht dit advies uit te brengen.
5. Eenmaal per jaar, uiterlijk op 1
mei, wordt door de rechtspersoon of rechtspersonen verslag
uitgebracht aan Onze Minister over de uitoefening van de
overgedragen taken en bevoegdheden in het voorgaande kalenderjaar.
Dit verslag wordt door de zorg van Onze Minister openbaar gemaakt,
met dien verstande dat gegevens met betrekking tot afzonderlijke
geldtransactiekantoren niet openbaar worden gemaakt zonder zijn
schriftelijke toestemming.
Hoofdstuk 6. Beroep
Artikel 19
In afwijking van artikel 8:7 van de
Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond
van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
Hoofdstuk 7. Last onder dwangsom en
bestuurlijke boete
Artikel 20
1. Onze Minister kan een last onder
dwangsom opleggen ter zake van overtreding van voorschriften,
gesteld bij of krachtens de artikelen, 2, vierde, vijfde en zesde
lid, 3, eerste lid, 4, derde lid, 5, derde lid, 8, derde en vijfde
lid, 9, 10, 11, 15, tweede en derde lid.
2. Onze Minister kan regels stellen
ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 21
1. Onze Minister kan een
bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van
voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen, 2, vierde,
vijfde en zesde lid, 3, eerste lid, 4, derde lid, 5, derde lid, 8,
derde en vijfde lid, 9, 10, 11, 15, tweede en derde lid.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitoefening
van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 22
1. Het bedrag van de bestuurlijke
boete wordt bepaald bij algemene maatregel van bestuur, met dien
verstande dat de bestuurlijke boete voor een afzonderlijke
overtreding ten hoogste € 4 000 000 bedraagt. Indien tijdens het
plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert
het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake
van eenzelfde overtreding, wordt het bedrag van de bestuurlijke
boete, bedoeld in de eerste volzin, voor een afzonderlijke
overtreding verdubbeld.
2. De algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in het eerste lid, bepaalt bij elke daarin
omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen
bestuurlijke boete. De overtredingen worden gerangschikt in
categorieën naar zwaarte van de overtreding met de daarbij
behorende basisbedragen, minimumbedragen en maximumbedragen.
Daarbij wordt de volgende indeling gebruikt:
|
Categorie |
Basisbedrag |
Minimumbedrag |
Maximumbedrag |
|
1 |
€ 10 000,– |
€ 0,– |
€ 10 000,– |
|
2 |
€ 500 000,– |
€ 0,– |
€ 1 000 000,– |
|
3 |
€ 2 000 000,– |
€ 0,– |
€ 4 000 000,– |
3. In afwijking van het eerste en
tweede lid kan de toezichthouder de hoogte van de bestuurlijke
boete vaststellen op ten hoogste twee keer het bedrag van het
voordeel dat de overtreder door de overtreding heeft verkregen
indien diens voordeel groter is dan€ 2 000 000.
Artikel 23
1. Indien tegen een besluit tot het
opleggen van een bestuurlijke boete bezwaar of beroep wordt
aangetekend, schorst dit de verplichting tot betaling van de
bestuurlijke boete totdat de beroepstermijn is verstreken of,
indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
2. De schorsing van de verplichting
tot betaling van de bestuurlijke boete schorst niet de berekening
van de wettelijke rente.
Artikel 24 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 25 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 26 [Vervallen per 01-08-2009]
Artikel 27 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 28 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 29 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 30 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 31
1.Met het oog op de bescherming van
het financiële stelsel en het tegengaan van het witwassen en
helen van geld en van het financieren van misdrijven die uit
hoofde van internationale verplichtingen inzake
terrorismebestrijding strafbaar zijn gesteld, kan Onze Minister,
in afwijking van artikel 12, het feit ter zake waarvan de last
onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, het
overtreden voorschrift, alsmede de naam, het adres en de
woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de
bestuurlijke boete is opgelegd, ter openbare kennis brengen.
2.Onze Minister kan regels stellen
ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 32
Degene jegens wie door Onze Minister
een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de
gevolgtrekking kan verbinden dat Onze Minister zijn handelen of
nalaten op grond van artikel 31 ter openbare kennis zal brengen, is
niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij
wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie
wordt gevraagd.
Artikel 33
1.Onze Minister geeft, indien hij
voornemens is op grond van artikel 31 een feit ter openbare kennis
te brengen, de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de
gronden waarop het voornemen berust.
2.In aanvulling op artikel 4:8 van
de Algemene wet bestuursrecht is Onze Minister niet gehouden de
betrokkene in de gelegenheid te stellen om zijn zienswijze naar
voren te brengen, indien van de betrokkene geen adres bekend is en
het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden
verkregen.
3.De beschikking om op grond van
artikel 31 een feit ter openbare kennis te brengen vermeldt in
ieder geval:
a. het feit dat ter openbare
kennis wordt gebracht;
b. de wijze waarop het feit ter
openbare kennis wordt gebracht; en
c. de termijn waarna het feit
ter openbare kennis wordt gebracht.
4.Tenzij de bevordering van de
naleving van deze wet geen uitstel toelaat, wordt de werking van
de beschikking om op grond van artikel 31 een feit ter openbare
kennis te brengen opgeschort totdat de beroepstermijn is
verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is
beslist.
5.In afwijking van artikel 3:40 van
de Algemene wet bestuursrecht treedt de beschikking in werking op
de dag waarop het feit ter openbare kennis is gebracht zonder dat
de werking voor de duur van de beroepstermijn of, indien beroep is
ingesteld, van het beroep wordt opgeschort, indien van de
betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een
redelijke inspanning kan worden verkregen.
Artikel 34
1.De bevoegdheid om op grond van
artikel 31 een feit ter openbare kennis te brengen vervalt indien
ter zake van het feit een strafvervolging is ingesteld en het
onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel
het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van
het Wetboek van Strafrecht.
2.Het recht tot strafvervolging met
betrekking tot een feit als bedoeld in artikel 31 vervalt, indien
Onze Minister het feit reeds ter openbare kennis heeft gebracht.
Artikel 35
1.De bevoegdheid om op grond van
artikel 31 een feit ter openbare kennis te brengen vervalt drie
jaren na de dag waarop het feit heeft plaats gehad.
2.De termijn bedoeld in het eerste
lid wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij
het feit ter openbare kennis wordt gebracht.
Artikel 36
De werkzaamheden in verband met het
op grond van artikel 31 ter openbare kennis brengen van een feit
worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij
het vaststellen van het feit en het daaraan voorafgaande onderzoek.
Hoofdstuk 8. Wijzigingen van andere
wetten
Artikel 37
[Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak
bedrijfsorganisatie]
Artikel 38
[Wijzigt de Wet toezicht
beleggingsinstellingen]
Artikel 39
[Wijzigt de Wet toezicht
effectenverkeer 1995]
Artikel 40
[Wijzigt de Wet toezicht kredietwezen
1992]
Artikel 41
[Wijzigt de Wet toezicht
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf]
Artikel 42
[Wijzigt de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993]
Artikel 43
[Wijzigt de Wet op de economische
delicten]
Hoofdstuk 9. Overgangs- en
slotbepalingen
Artikel 44
1.Een wisselkantoor dat op het
moment van inwerkingtreding van deze wet is ingeschreven in het
register, bedoeld in artikel 3 van de Wet inzake de
wisselkantoren, wordt door de zorg van Onze Minister ingeschreven
in het register, bedoeld in artikel 2 van deze wet, als een
geldtransactiekantoor dat geldtransacties verricht als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 1 en 2.
2.Het in het eerste lid bedoelde
wisselkantoor zal voor de eerste dag van de tweede kalendermaand
na de datum van inwerkingtreding van deze wet aangeven welke
geldtransacties het als geldtransactiekantoor uitvoert.
Artikel 45
Een ontheffing als bedoeld in artikel
5 van de Wet inzake de wisselkantoren wordt geacht te zijn verleend
op grond van artikel 4 van deze wet.
Artikel 46
1.Een verzoek om ontheffing van het
verbod, bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de Wet toezicht
kredietwezen 1992, voor het verrichten van handelingen als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 3°, van deze wet,
waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet door Onze
Minister is beslist, wordt aan Onze Minister overgedragen ter
behandeling als een verzoek om inschrijving op grond van deze wet.
2.Een verzoek om ontheffing of
inschrijving dat is ingediend op grond van de Wet inzake de
wisselkantoren waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet
door De Nederlandsche Bank N.V. is beslist, wordt aan Onze
Minister overgedragen ter behandeling als een verzoek om
ontheffing of inschrijving op grond van deze wet.
Artikel 47
Ingeval voor het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet beroep is ingesteld tegen een op grond
van de Wet inzake de wisselkantoren genomen besluit of tegen een
ingevolge artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 genomen
besluit terzake van een activiteit als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel c, onder 3°, van deze wet, wordt op het beroep
beslist met toepassing van het voor dat tijdstip geldende recht.
Artikel 48
1.Het verbod, bedoeld in artikel 3,
eerste lid, blijft tot de eerste dag van de derde kalendermaand na
de datum van inwerkingtreding van deze wet buiten toepassing ten
aanzien van geldtransactiekantoren die op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet beschikken over een ontheffing
ingevolge artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 voor
het uitvoeren van geldtransacties als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel c, onder 3°, van deze wet.
2.Ten aanzien van het
geldtransactiekantoor dat in de periode voorafgaande aan de in het
eerste lid bedoelde dag bij Onze Minister een verzoek tot
inschrijving heeft ingediend, blijft het verbod, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, buiten toepassing tot aan de tweede dag
nadat de beslissing op het verzoek door Onze Minister is
verzonden.
Artikel 49
De Wet inzake de wisselkantoren wordt
ingetrokken.
Artikel 50
Onder toepassing van artikel 16 van
de Tijdelijke referendumwet treedt deze wet in werking met ingang
van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
zij wordt geplaatst.
Artikel 51
Deze wet wordt aangehaald als: Wet
inzake de geldtransactiekantoren.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage,
27 juni 2002
BEATRIX
De Minister van Financiën,
G.
Zalm
Uitgegeven de achttiende juli
2002
De Minister van Justitie,
A.H.
Korthals
Bijlage
[Vervallen per 01-08-2009]
|