Nadere regelgeving:
- Besluit
brandstoffen luchtverontreiniging
- Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A
- Besluit kwaliteitseisen brandstoffen wegverkeer
(vervallen)
- Besluit verbranden afvalstoffen
- Besluit zwavelgehalte brandstoffen
(vervallen)
WET van 26 november 1970, houdende
regelen in het belang van het voorkomen of beperken van
luchtverontreiniging
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is regelen te
stellen in het belang van het voorkomen of beperken van
luchtverontreiniging;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt
verstaan onder:
luchtverontreiniging: de aanwezigheid in de buitenlucht van
verontreinigende stoffen;
verontreinigende stoffen: vaste, vloeibare of gasvormige stoffen,
niet zijnde splijtstoffen, ertsen of radio-actieve stoffen in de zin van
de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82), die in de lucht, op zichzelf dan wel
tezamen of in verbinding met andere stoffen, hetzij nadeel voor de
gezondheid van de mens of hinder voor de mens kunnen opleveren, hetzij
schade kunnen toebrengen aan dieren, planten of goederen;
brandstof: een stof - met inbegrip van alle daaraan toegevoegde
stoffen - dienende voor verbranding met het doel de daarbij ontstane
energie te benutten, bij welke verbranding verontreinigende stoffen in
de buitenlucht kunnen geraken;
toestel: een toestel of met een toestel uitgerust vervoermiddel van
waaruit verontreinigende stoffen in de buitenlucht kunnen geraken, een
en ander - voorzover dit bij algemene maatregel van bestuur is bepaald -
met inbegrip van de daaraan verbonden uitlaatleidingen;
vervoermiddel: een vaartuig, rij- of voertuig of luchtvaartuig;
verontreinigende handeling: gedraging waardoor één of meer
verontreinigende stoffen in de buitenlucht kunnen geraken, die niet
voortvloeit uit het normale gebruik van een toestel of brandstof en niet
wordt verricht in een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning voor
een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist is;
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaar.
Artikel 2 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 3 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 4 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 5 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 6 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 7 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 8 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 9 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 10 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 11 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 12 [Vervallen per 01-03-1993]
Hoofdstuk III. Toestellen, brandstoffen en verontreinigende
handelingen
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 14a [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2012]
Hoofdstuk IV
Afdeling 1
Artikel 19 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 20 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 20a [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 20b [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 21 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 22 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 23 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 24 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 25 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 26 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 27 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 28 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 29 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 30 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 31 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 32 [Vervallen per 01-03-1993]
Afdeling 2
Artikel 33 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 34 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 35 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 36 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 37 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 38 [Vervallen per 01-03-1993]
Afdeling 3
Artikel 39 [Vervallen per 01-03-1993]
Afdeling 4
Artikel 40 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 41 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 42 [Vervallen per 01-03-1993]
Hoofdstuk V. Voorzieningen in het geval van bijzondere omstandigheden
Artikel 43
1.Onze commissaris in de provincie waar een inrichting geheel of in
hoofdzaak is gelegen, een toestel zich bevindt of een verontreinigende
handeling wordt verricht, kan, indien naar zijn oordeel door die
inrichting, door een deel van die inrichting, door dat toestel of door
die verontreinigende handeling de lucht zodanig is of dreigt te worden
verontreinigd dat aanmerkelijk gevaar voor de gezondheid, onduldbare
hinder of ernstige schade te duchten is, en het treffen van een andere
voorziening niet kan worden afgewacht, de betrokkene bevelen de
inrichting of het desbetreffende deel van de inrichting te sluiten,
het toestel buiten werking te stellen, onderscheidenlijk de handeling
te staken.
2.Bij het geven van een zodanig bevel wordt het tijdstip bepaald,
waarop ten aanzien van dat bevel de verplichting ingaat.
3.Onze commissaris in de provincie geeft aan het eerste lid geen
toepassing zonder aan de betrokkene de gelegenheid te hebben geboden
binnen een daartoe te stellen termijn de oorzaak van de
verontreiniging weg te nemen, tenzij naar zijn oordeel de geboden
spoed zich daartegen verzet.
Artikel 44
De burgemeester van een gemeente waar zich de luchtverontreiniging
voordoet, en de inspecteur kunnen Onze commissaris in de provincie
verzoeken aan artikel 43, eerste lid, toepassing te geven.
Artikel 45
1.Onze commissaris in de provincie geeft - tenzij naar zijn oordeel
de geboden spoed zich daartegen verzet - aan artikel 43, eerste lid,
geen toepassing en beslist niet op een verzoek als bedoeld in artikel
44 zonder aan de burgemeester van de gemeente waar de inrichting
geheel of gedeeltelijk is gelegen of het toestel zich bevindt, dan wel
de verontreinigende handeling wordt verricht, en de inspecteur de
gelegenheid te hebben geboden hem ter zake van advies te dienen.
2.Indien een der in het eerste lid genoemde organen een verzoek als
bedoeld in artikel 44 heeft gedaan, geldt te zijnen aanzien het eerste
lid niet.
Artikel 46
1.De inhoud van een krachtens artikel 43, eerste lid, genomen
besluit wordt onverwijld aan de betrokkene, alsmede aan de in artikel
45, eerste lid, bedoelde burgemeester medegedeeld. Van het besluit
wordt mededeling gedaan aan de burgemeester en aan de inspecteur.
2.Van het besluit, houdende de beslissing op een verzoek als
bedoeld in artikel 44, wordt mededeling gedaan aan de in artikel 44
genoemde organen die het verzoek niet hebben gedaan.
Artikel 47
1.Een krachtens artikel 43, eerste lid, genomen besluit vervalt
twee weken na het tijdstip waarop het in werking is getreden.
2.Onze commissaris in de provincie kan de in het eerste lid
bedoelde termijn bekorten of telkens met ten hoogste een week
verlengen.
3.Met betrekking tot een besluit krachtens het tweede lid is
artikel 46, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 48
1.In geval van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard, die
naar zijn oordeel zodanige voorziening in het belang van de openbare
gezondheid dringend noodzakelijk maken, kan Onze commissaris in de
provincie algemene voorschriften geven met betrekking tot
inrichtingen, toestellen, brandstoffen en verontreinigende
handelingen.
2.Hiertoe kunnen behoren:
a. een geheel of gedeeltelijk verbod een inrichting, deel van
een inrichting of toestel, behorende tot een bij het besluit
aangewezen categorie, in werking te hebben;
b. een geheel of gedeeltelijk verbod een brandstof, behorende
tot een bij het besluit aangewezen categorie, te gebruiken.
3.Wanneer bijzondere omstandigheden als bedoeld in het eerste lid,
op korte termijn zijn te verwachten en voorts wanneer deze zijn
aangebroken, laat Onze commissaris hiervan mededeling doen door middel
van radio en televisie of op een andere door gedeputeerde staten te
bepalen wijze. Zonodig laat hij deze mededeling vergezeld gaan van
aanbevelingen voor door veroorzakers van luchtverontreiniging of door
de bevolking te nemen maatregelen.
Artikel 49
De burgemeester van elk der betrokken gemeenten en de inspecteur
kunnen Onze commissaris in de provincie verzoeken toepassing te geven
aan artikel 48, eerste en derde lid.
Artikel 50
1.Onze commissaris in de provincie geeft aan artikel 48, eerste of
derde lid, geen toepassing zonder aan de inspecteur de gelegenheid te
hebben geboden hem ter zake van advies te dienen, tenzij naar zijn
oordeel de geboden spoed zich daartegen verzet.
2.Het eerste lid geldt niet indien de inspecteur een verzoek als
bedoeld in artikel 49 heeft gedaan.
Artikel 51
1.Een krachtens artikel 48, eerste lid, vastgesteld besluit
vervalt, behoudens eerdere intrekking, 48 uur na zijn in werking
treden. Deze termijn kan door gedeputeerde staten telkens voor ten
hoogste 48 uur worden verlengd.
2.Zodra de omstandigheden op grond waarvan toepassing is gegeven
aan artikel 48, eerste lid, tussentijds hebben opgehouden te bestaan,
trekt Onze commissaris in de provincie de krachtens dat lid gegeven
voorschriften in.
3.Ten aanzien van de verlenging en de intrekking, bedoeld in de
voorgaande leden, zijn de artikelen 49 en 50 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 52
Een krachtens artikel 48, eerste lid, of 51, eerste of tweede lid,
vastgesteld besluit wordt terstond door middel van radio en televisie
bekend gemaakt en kan onmiddellijk daarna in werking treden. Van het
besluit wordt vervolgens zo spoedig mogelijk mededeling gedaan in de
Staatscourant en zo nodig in een of meer dag- of nieuwsbladen onder
vermelding van het tijdstip van de bekendmaking daarvan.
Artikel 53
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen omtrent de uitoefening van
de in de artikelen 43 en 48 t/m 52 vervatte bevoegdheden nadere regelen
worden gesteld.
Hoofdstuk VI
Artikel 54 [Vervallen per 01-02-1986]
Artikel 55 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 56 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 57 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 58 [Vervallen per 01-03-1993]
Hoofdstuk VII. Het bepalen van luchtverontreiniging
Artikel 59
1.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald:
a. dat bij het van overheidswege verrichten van metingen en het
uitvoeren van berekeningen ter bepaling van de
luchtverontreiniging de bij de maatregel gestelde regelen moeten
worden in acht genomen;
b. dat de bij de maatregel aangewezen colleges van burgemeester
en wethouders, colleges van gedeputeerde staten, besturen van
rechtspersoonlijkheid bezittende lichamen als bedoeld in de Wet
gemeenschappelijke regelingen (Stb. 1950, K 120) of andere
openbare lichamen gehouden zijn in hun gezagsgebied met
inachtneming van de bij de maatregel gestelde regelen metingen als
bedoeld onder a te verrichten of mede te werken aan zodanige
metingen die van Rijkswege worden verricht;
c. wie verantwoordelijk is voor de onder a bedoelde metingen of
berekeningen.
2.Regelen als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, kunnen onder
meer betrekking hebben op:
a. de dichtheid van het net van meetpunten;
b. de frequentie van de metingen;
c. de toe te passen meetmethoden;
d. het doen van weerkundige waarnemingen;
e. de verwerking en registratie van de uitkomsten van metingen;
f. de bij het uitvoeren van de berekeningen toe te passen
methoden;
g. de terbeschikkingstelling van uitkomsten en de verstrekking
van inlichtingen daaromtrent aan bij de maatregel aangewezen
bestuursorganen.
3.De uitkomsten van de van Rijkswege verrichte metingen worden door
Onze Minister, en de uitkomsten van de metingen, verricht op grond van
het krachtens het eerste lid, onder b, bepaalde, worden door het
bestuur van het lichaam dat die metingen heeft verricht,
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur gestelde regelen
voor ieder bereikbaar gemaakt.
4.Onze Minister kan omtrent het krachtens de voorgaande leden
geregelde onderwerp nadere regelen stellen.
Artikel 59a
1.Het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu is belast met
de uitvoering van de verplichting, bedoeld in artikel 7, eerste lid,
juncto artikel 4, eerste lid, van richtlijn nr. 2001/81/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2001
inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende
stoffen (PbEG L 309), om jaarlijks nationale emissieprognoses op te
stellen.
2.Het opstellen van de in het eerste lid bedoelde emissieprognoses
geschiedt overeenkomstig bijlage III bij de in het eerste lid bedoelde
richtlijn.
3.De emissieprognoses bevatten informatie die noodzakelijk is voor
een goed kwantitatief begrip van de belangrijkste sociaal-economische
vooronderstellingen die voor de prognoses zijn gebruikt.
4.De emissieprognoses worden jaarlijks voor 1 november uitgebracht
aan Onze Minister.
5.Een wijziging van artikel 7, eerste lid, van de in het eerste lid
bedoelde richtlijn gaat voor de toepassing van het eerste lid gelden
met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn
uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in
de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt
vastgesteld.
6.Een wijziging van bijlage I, onderscheidenlijk bijlage III, bij
de in het eerste lid bedoelde richtlijn gaat voor de toepassing van
het eerste, onderscheidenlijk tweede, lid gelden met ingang van de dag
waarop aan de desbetreffende wijziging uitvoering moet zijn gegeven,
tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt
bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 60
1.Wanneer door het Rijk, een provincie, een gemeente, een
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als bedoeld in de Wet
gemeenschappelijke regelingen of een ander openbaar lichaam ten
behoeve van het bepalen van luchtverontreiniging duurzaam of tijdelijk
gebruik moet worden gemaakt van onroerende zaken, kan Onze Minister
aan ieder die enig recht ten aanzien van die zaken heeft, doch met wie
in voorafgaand overleg ter zake geen overeenstemming is bereikt, de
verplichting opleggen bedoeld gebruik, behoudens recht op
schadevergoeding, te gedogen, indien naar het oordeel van Onze
Minister de belangen van de rechthebbenden redelijkerwijs onteigening
niet vorderen en in hun gebruik van die zaken niet meer belemmering
wordt gebracht dan redelijkerwijs nodig is.
2.Een krachtens het eerste lid opgelegde verplichting geldt zowel
voor hem aan wie zij is opgelegd, als voor diens rechtverkrijgenden.
3.Het besluit tot het opleggen van een verplichting tot gedogen
wordt bekendgemaakt aan de rechthebbenden ten aanzien van de
onroerende zaak, voor zover dezen aan Onze Minister op dat tijdstip
bekend kunnen zijn. Het besluit treedt in werking met ingang van de
vijfde werkdag na de datum van bekendmaking.
Artikel 61
1.Ieder die enig recht heeft ten aanzien van een onroerende zaak,
ten aanzien waarvan met toepassing van artikel 60 een verplichting tot
gedogen is opgelegd, kan, binnen zes weken nadat het besluit tot het
opleggen van de verplichting tot gedogen aan hem is bekendgemaakt of
hij op andere wijze van het opleggen van de verplichting kennis had
kunnen dragen, bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het
Gerechtshof binnen welks rechtsgebied de onroerende zaak is gelegen,
vernietiging verzoeken van de beslissing waarbij die verplichting is
opgelegd.
2.Deze vernietiging kan alleen worden verzocht op grond dat bij het
opleggen der verplichting ten onrechte is geoordeeld:
a. hetzij dat de belangen van de rechthebbenden ten aanzien van
de onroerende zaak redelijkerwijs onteigening niet vorderen;
b. hetzij dat in het gebruik van die zaak, gelet op de
omstandigheden, niet meer belemmering wordt gebracht dan
redelijkerwijs voor de aanleg, de instandhouding of het gebruik
van het werk nodig is.
3.De beschikking van het Hof wordt met redenen omkleed en in het
openbaar uitgesproken. Daartegen staat generlei voorziening open.
4.Indien de beslissing van Onze Minister door het Hof wordt
vernietigd, zal voor zoveel van de betrokken onroerende zaak gebruik
is gemaakt, alles zoveel mogelijk in de vorige staat worden
teruggebracht, onverminderd het recht op schadevergoeding van de
rechthebbenden ten aanzien van die zaak.
5.Indien de beslissing van Onze Minister door het Hof wordt
vernietigd, omdat ten onrechte is geoordeeld dat de belangen van de
rechthebbenden ten aanzien van die onroerende zaak redelijkerwijs
onteigening niet vorderen, zal de verplichting te gedogen, behoudens
recht op schadevergoeding, gehandhaafd blijven gedurende een door het
Hof te bepalen termijn, welke zodanig zal worden gesteld dat
redelijkerwijs binnen die termijn tot onteigening kan zijn overgegaan.
Artikel 62
1.Tot het verkrijgen van schadevergoeding op grond van artikel 60
kunnen rechthebbenden binnen zes maanden na het ontstaan van de schade
een verzoekschrift indienen bij Onze Minister.
2.Binnen zes maanden nadat het verzoekschrift bij het betrokken
ministerie is ontvangen, doet Onze Minister een voorstel tot
vergoeding van de schade of bericht hij dat er naar zijn oordeel geen
termen voor schadevergoeding aanwezig zijn.
3.Is binnen de in het vorige lid bedoelde termijn geen voorstel of
bericht door de rechthebbenden ontvangen of stemmen zij niet met dit
voorstel of bericht in, dan kunnen zij de kantonrechter verzoeken ten
aanzien van de schadevergoeding een beslissing te nemen.
4.Wanneer de schade uiteindelijk groter blijkt te zijn dan bij het
vaststellen daarvan was te voorzien, kunnen rechthebbenden een verzoek
om aanvullende vergoeding indienen. De voorgaande leden van dit
artikel zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.
Artikel 63 [Vervallen per 01-04-1988]
Artikel 64 [Vervallen per 01-04-1988]
Artikel 65 [Vervallen per 01-04-1988]
Artikel 66 [Vervallen per 01-04-1988]
Artikel 67 [Vervallen per 01-04-1988]
Artikel 68 [Vervallen per 01-04-1988]
Hoofdstuk VIII. Beroep op de administratieve rechter
Artikel 69
Beroep op de administratieve rechter staat open overeenkomstig
hoofdstuk 20 van de Wet milieubeheer.
Artikel 70 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 71 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 72 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 73 [Vervallen per 01-09-1980]
Artikel 74 [Vervallen per 01-09-1980]
Artikel 75 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 76 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 77 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 78 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 79 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 80 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 81 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 82 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 83 [Vervallen per 01-03-1993]
Hoofdstuk IX. Verdere bepalingen
Artikel 84
Voor de toepassing van de artikelen 44 en 49 wordt onderscheidenlijk
het gebied van een bovengemeentelijk openbaar lichaam met een gemeente,
het bestuur van zodanig lichaam met burgemeester en wethouders en de
voorzitter van het bestuur van zodanig lichaam met de burgemeester
gelijk gesteld.
Artikel 85 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 86 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 87 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 88 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 88a [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 89
Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij
algemene maatregel van bestuur.
Hoofdstuk X. Handhaving
Artikel 90
1. Met betrekking tot de handhaving van het bij of krachtens deze
wet bepaalde zijn de artikelen 5.3 tot en met 5.16 en 5.18 tot en met
5.25 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.
2. Het in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht bedoelde bestuursorgaan heeft tot taak zorg te dragen
voor de bestuursrechtelijke handhaving van de op grond van het
bepaalde bij of krachtens deze wet voor degene die het project,
bedoeld in dat lid, uitvoert, geldende voorschriften.
Artikel 91
Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens artikel 43
gegeven bevel.
Artikel 92
Het is verboden te handelen in strijd met
a. het bij of krachtens artikel 48, eerste of tweede lid,
bepaalde,
b. een hem krachtens artikel 60, eerste lid, opgelegde
verplichting,
c. het krachtens artikel 89 bepaalde, voor zover zodanig handelen
daarbij uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangeduid.
Artikel 92a [Vervallen per 01-03-1989]
Artikel 93 [Vervallen per 01-04-1994]
Artikel 94 [Vervallen per 01-01-1988]
Artikel 95 [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 96 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 96a [Vervallen per 01-01-1998]
Hoofdstuk XI. Overgangs- en Slotbepalingen
Artikel 97
De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft
ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, gehandhaafd,
voor zover deze verordeningen niet met deze wet in strijd zijn.
Artikel 98 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 99
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 100
Deze wet is niet van toepassing op luchtverontreiniging welke kan
ontstaan door het lozen of het storten van stoffen, bedoeld in artikel
6.1 van de Waterwet.
Artikel 101 [Vervallen per 01-01-1984]
Artikel 102
De wet van 13 juni 1963 (Stb. 319), houdende instelling van de Raad
inzake de luchtverontreiniging, wordt ingetrokken.
Artikel 103
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet inzake de
luchtverontreiniging.
Artikel 104
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat
voor de onderscheidene artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden gesteld.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 26 november 1970.
JULIANA
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
R.J.H. Kruisinga
Uitgegeven de vierentwintigste december 1970
De Minister van Justitie a.i.,
H.K.J. Beernink
|