Nadere regelgeving:
- Regeling merkstoffen kneedspringstoffen
WET van 26 februari 1998 tot uitvoering
van het op 1 maart 1991 te Montreal tot stand gekomen Verdrag inzake het
merken van kneedspringstoffen ten behoeve van de opsporing ervan (Wet
inzake het merken van kneedspringstoffen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels
te stellen ter uitvoering van het op 1 maart 1991 te Montreal tot stand
gekomen Verdrag inzake het merken van kneedspringstoffen ten behoeve van
de opsporing ervan (Trb. 1991, 127, en 1992, 80);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. In deze wet wordt verstaan onder:
a. het verdrag: het op 1 maart 1991 te Montreal tot stand
gekomen Verdrag inzake het merken van kneedspringstoffen ten
behoeve van de opsporing ervan;
b. binnenkomen en uitgaan: het binnen het grondgebied van
Nederland komen, respectievelijk het verlaten van het grondgebied
van Nederland.
2. De in deze wet voorkomende uitdrukkingen hebben dezelfde
betekenis als in het verdrag.
Artikel 2
Het is verboden springstoffen, die niet zijn gemerkt met een bij
regeling van Onze Ministers van Justitie en van Defensie aangewezen
opsporingsmiddel:
a. te vervaardigen;
b. te doen binnenkomen of te doen uitgaan;
c. op te slaan, te gebruiken, over te brengen of te verhandelen.
Artikel 3
Indien daartoe een erkenning als bedoeld in artikel 17 van de Wet
explosieven voor civiel gebruik is verleend, is artikel 2 niet van
toepassing met betrekking tot springstoffen in beperkte hoeveelheden,
uitsluitend voor:
a. onderzoek naar, ontwikkeling van of het doen van proeven met
nieuwe of gewijzigde springstoffen;
b. opleidingen in het opsporen van springstoffen en ontwikkeling
van of het doen van proeven met gereedschap voor het opsporen van
springstoffen; of
c. forensische wetenschappelijke doeleinden.
Artikel 4
Artikel 2, aanhef en onder c, is gedurende drie jaar na
inwerkingtreding van deze wet niet van toepassing op de houder van een
erkenning als bedoeld in artikel 17 van de Wet explosieven voor civiel
gebruik met betrekking tot springstoffen die voor de inwerkingtreding
van deze wet zijn vervaardigd of binnengekomen.
Artikel 5
1. Artikel 2, aanhef en onder b en c, is gedurende vijftien jaar na
inwerkingtreding van deze wet niet van toepassing op de politie en de
krijgsmacht met betrekking tot springstoffen die voor de
inwerkingtreding van deze wet zijn vervaardigd of binnengekomen.
2. Artikel 2, aanhef en onder b en c, is niet van toepassing op de
politie en de krijgsmacht met betrekking tot springstoffen die op het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet onderdeel vormen van de
officiële militaire instrumenten.
Artikel 6
1. Artikel 2, aanhef en onder b, is gedurende vijftien jaar na
inwerkingtreding van het verdrag ten aanzien van een staat niet van
toepassing op de politie en de krijgsmacht van die staat met
betrekking tot springstoffen die voor de inwerkingtreding van het
verdrag ten aanzien van die staat aldaar zijn vervaardigd of
binnengekomen.
2. Artikel 2, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de
politie en de krijgsmacht van een staat die partij is bij het verdrag
met betrekking tot springstoffen die op het tijdstip van
inwerkingtreding van het verdrag ten aanzien van die staat onderdeel
vormen van de officiële militaire instrumenten.
Artikel 7
Met betrekking tot het toezicht op de naleving van deze wet is
Hoofdstuk IV van de Wet explosieven voor civiel gebruik van toepassing.
Artikel 8
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van
de vijfde categorie wordt gestraft hij die handelt in strijd met
artikel 2.
2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
Artikel 8a
Deze wet is mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba, met dien verstande dat:
a. in afwijking van de artikelen 3 en 4 de erkenning voor het
mogen vervaardigen, opslaan, gebruiken, overbrengen of verhandelen
van explosieven is verleend door de door Onze Minister van Justitie
en de Minister van Economische Zaken aangewezen autoriteiten. Van
dit besluit tot aanwijzing wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant;
b. in afwijking van artikel 7:
1°. met controle op de naleving van deze wet zijn belast:
– de bij of krachtens artikel 184 van het Wetboek van
Strafvordering BES aangewezen ambtenaren;
– de door Onze Minister van Justitie, in
overeenstemming met Onze andere Ministers, wie het aangaat,
aangewezen ambtenaren;
– de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd
inzake douane, en
2°. de onder a bedoelde ambtenaren – voor zover dat
redelijkerwijs voor de vervulling van voornoemde controlerende
taak nodig is – bevoegd zijn:
– inzage te vorderen van gegevens en bescheiden alsmede
daarvan kopieën te maken;
– elke plaats te betreden;
– zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en
daarvan monsters te nemen en daartoe verpakkingen te openen;
– vervoermiddelen en daarmee vervoerde lading te
onderzoeken.
Artikel 9
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 10
Deze wet wordt aangehaald als: Wet inzake het merken van
kneedspringstoffen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 26 februari 1998
BEATRIX
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
De Minister van Defensie,
J.J.C. Voorhoeve
Uitgegeven de tiende maart 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|