Nadere regelgeving:
- Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering
- Regeling Halt
- Regeling persoonsvolgend budget voor inburgering in de opvang
WET van 20 juni 1996, houdende regels
inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Justitie
alsmede wijziging van enige wetten in verband met de subsidietitel in de
derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
verstrekking van subsidies door Onze Minister van Justitie wettelijk te
regelen alsook enkele wetten aan te passen in verband met de bepalingen
over subsidies in de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK 1. INLEIDENDE BEPALINGEN
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
Onze Minister: Onze Minister van Justitie.
Artikel 2
Dit hoofdstuk is slechts van toepassing op subsidies die door Onze
Minister worden verstrekt en die:
a. op deze wet berusten, of
b. niet op een wettelijk voorschrift berusten.
Artikel 3
1.Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is
vastgesteld wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel
4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Onze Minister kan voorschotten op een subsidie verlenen. Bij
ministeriële regeling kunnen regels met betrekking tot de
bevoorschotting worden gesteld.
Artikel 4
Indien Onze Minister subsidie verstrekt voor activiteiten die mede
door andere bestuursorganen worden gesubsidieerd, kan Onze Minister
afwijken van de bij of krachtens deze wet aan de subsidie verbonden
verplichtingen, voor zover
a. dit wenselijk is met het oog op een goede afstemming met de
door die andere bestuursorganen opgelegde verplichtingen, en
b. daardoor het belang met het oog waarop die verplichtingen zijn
opgelegd, niet onevenredig wordt geschaad.
Artikel 5
1.Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet
of de Algemene wet bestuursrecht aan de subsidie-ontvanger opgelegde
verplichtingen zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen
personen.
2.De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, vermeld in
de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
4.Aan door Onze Minister verstrekte subsidies is de verplichting
verbonden dat de subsidie-ontvanger aan een toezichthouder alle
medewerking verleent die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de
uitoefening van zijn bevoegdheden.
HOOFDSTUK 2. SLACHTOFFERHULP
Afdeling 1. Begripsomschrijving
Artikel 6
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder slachtofferhulp:
a. de opvang en ondersteuning van slachtoffers en nabestaanden
van vermoedelijke strafbare feiten, bestaande uit:
1°. juridische ondersteuning;
2°. praktische ondersteuning;
3°. kortdurende emotionele ondersteuning;
4°. doorverwijzing naar niet in het bijzonder voor
slachtoffers bedoelde hulpverleningsinstellingen;
b. activiteiten ter verbetering van de positie van het
slachtoffer.
Afdeling 2. De rechtspersoon
Artikel 7
1.Onze Minister wijst een rechtspersoon aan, die is belast met de
taken, bedoeld in artikel 6.
2.Van de aanwijzing door Onze Minister wordt mededeling gedaan in
de Staatscourant.
Artikel 7a
De rechtspersoon behoeft de toestemming van Onze Minister voor de
handelingen, bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht.
Afdeling 3. Subsidiëring
Artikel 8
1.Onze Minister verstrekt per boekjaar subsidie aan de
rechtspersoon voor de werkzaamheden die door de rechtspersoon of onder
zijn verantwoordelijkheid worden verricht.
2.Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing.
3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot:
a. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit
bedrag wordt bepaald;
b. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover;
c. de vaststelling van de subsidie;
d. intrekking of wijziging van de subsidie;
e. verplichtingen van de subsidieontvanger.
Artikel 9
Onze Minister kan subsidie verstrekken voor bijzondere projecten op
het terrein van slachtofferhulp.
Artikel 10
1.De rechtspersoon vormt een egalisatiereserve als bedoeld in
artikel 4:72 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 11
1.Indien de rechtspersoon zaken ter beschikking stelt aan of
diensten verricht voor natuurlijke personen of rechtspersonen, die
niet de ondersteuning van de rechtspersoon ten doel hebben, brengt zij
een vergoeding in rekening die tenminste kostendekkend is.
2.Indien aan de rechtspersoon zaken ter beschikking worden gesteld
door een andere rechtspersoon die de ondersteuning van de
rechtspersoon ten doel heeft, betaalt zij aan deze rechtspersoon geen
hogere vergoeding dan het bedrag dat ter zake op grond van de
historische kostprijs en rekening houdende met de voor de instelling
geldende afschrijvingspercentages in redelijkheid in rekening kan
worden gebracht.
3.Indien voor de rechtspersoon diensten worden verricht door een
andere rechtspersoon, die de ondersteuning van de rechtspersoon ten
doel heeft en welke in het algemeen in eigen beheer worden verricht,
betaalt de rechtspersoon aan de andere rechtspersoon geen hogere
vergoeding dan het bedrag dat het verrichten van de diensten in eigen
beheer zou hebben gekost.
4.De rechtspersoon verstrekt desgevraagd aan Onze Minister een
beschrijving van de tussen deze rechtspersoon en andere rechtspersonen
bestaande organisatorische dan wel financiële banden alsmede van
zodanig nog in het leven te roepen of te wijzigen banden, voor zover
deze banden van invloed kunnen zijn op de bepaling van de
vergoedingen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.
Artikel 12
1.Onze Minister kan subsidie verstrekken aan de rechtspersoon die
is belast met de bemiddeling tussen de verdachte en het slachtoffer,
bedoeld in artikel 51h, van het Wetboek van Strafvordering.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 13
1.Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 4:78 van de Algemene wet
bestuursrecht, onderzoekt de accountant tevens de naleving van de aan
de subsidie verbonden verplichtingen.
2.Onze Minister stelt een aanwijzing over de reikwijdte en de
intensiteit van de controle, als bedoeld in artikel 4:79, tweede lid,
van de Algemene wet bestuursrecht, vast.
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 15
1.In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, legt Onze Minister een volledige
vergoedingsplicht op.
2.Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding worden de
activa gewaardeerd op hun actuele waarde. De waardebepaling van een
onroerende zaak geschiedt door drie deskundigen. Onze Minister
onderscheidenlijk de subsidie-ontvanger wijzen elk een deskundige aan,
die in onderling overleg een derde deskundige aanwijzen.
3.Het eerste lid is niet van toepassing, indien de activiteiten van
de subsidie-ontvanger door een derde worden voortgezet en de activa en
passiva met toestemming van Onze Minister tegen boekwaarde aan die
derde worden overgedragen.
Artikel 16 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 17 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 18 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 19 [Vervallen per 01-07-2009]
Afdeling 4 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-2009]
Afdeling 5 [Vervallen per 01-01-2009]
§ 1 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 21 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2009]
§ 2 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 26 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 27 [Vervallen per 01-01-2009]
§ 3 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 28 [Vervallen per 01-01-2009]
§ 4 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 29 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 30 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 31 [Vervallen per 01-01-2009]
HOOFDSTUK 3. CRIMINALITEITSPREVENTIE
Artikel 32
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder criminaliteitspreventie:
activiteiten gericht op:
a. het weerhouden van potentiële plegers van strafbare feiten
van het plegen daarvan;
b. het verminderen van de gelegenheid tot het plegen van
strafbare feiten, of
c. het voorkomen van slachtofferschap.
Artikel 33
1.Onze Minister kan per boekjaar subsidie verstrekken ten behoeve
van de instandhouding van rechtspersonen die zich in overwegende mate
met criminaliteitspreventie bezighouden.
2.Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing.
3.De artikelen 13 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 34
Onze Minister kan projectsubsidies verstrekken voor:
a. de bevordering van de toepassing van effectief gebleken
preventieve maatregelen;
b. de ontwikkeling van en het experimenteren met preventieve
maatregelen, of
c. de deskundigheidsbevordering en voorlichting op het gebied van
criminaliteitspreventie.
Artikel 35
1.Onze Minister kan beleidsregels vaststellen voor de verstrekking
van projectsubsidies op het gebied van criminaliteitspreventie.
2.Deze beleidsregels bevatten in ieder geval:
a. een uitwerking van de activiteiten, genoemd in artikel 32,
die voor subsidie in aanmerking komen, en
b. een nadere omschrijving van aan de subsidie verbonden
verplichtingen.
Artikel 36
Onze Minister kan een subsidieplafond vaststellen voor activiteiten
op het gebied van criminaliteitspreventie, waarvoor projectsubsidies
kunnen worden verstrekt.
Artikel 37 [Vervallen per 01-01-2009]
HOOFDSTUK 4. ONDERZOEK
§ 1. Algemeen
Artikel 38
Onze Minister kan subsidie verstrekken voor onderzoek dat naar
verwachting van belang is voor de vorming, toetsing of uitvoering van
het beleid waarvoor hij verantwoordelijkheid draagt.
Artikel 39
Onze Minister stelt binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze
wet en vervolgens om de twee jaren, beleidsregels vast met betrekking
tot het onderzoek waarvoor in die periode subsidie kan worden verstrekt.
Artikel 40
1.De subsidie bedraagt ten hoogste de kosten van het onderzoek.
2.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. de kosten die voor subsidie in aanmerking komen;
b. de wijze waarop bepaalde kosten worden berekend;
c. de subsidie die voor bepaalde kosten ten hoogste kan worden
verstrekt.
Artikel 41
De subsidie wordt slechts verstrekt indien het onderzoeksvoorstel:
a. past binnen de beleidsregels;
b. van voldoende wetenschappelijke kwaliteit is, en
c. mede gelet op de beschikbare financiële middelen, voldoende
relevant is voor het beleid van Onze Minister.
§ 2. De subsidieverlening
Artikel 42
De aanvraag tot verlening van de subsidie wordt uiterlijk acht weken
voor de aanvang van het onderzoek ingediend.
Artikel 43
1.De aanvraag omvat tenminste:
a. een onderzoeksplan, en
b. een begroting.
2.De aanvraag vermeldt voorts in ieder geval:
a. de samenstelling van een eventueel samenwerkingsverband
waarin het onderzoek wordt uitgevoerd,
b. de instelling die de personele en financiële
verantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van het onderzoek,
en
c. de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van
eventuele aanvragen om subsidie bij een of meer andere
bestuursorganen of organen van internationale organisaties, welke
dezelfde begrote uitgaven betreffen.
3.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de eisen
waaraan een onderzoeksplan en een begroting moeten voldoen.
Artikel 44
Onze Minister beslist binnen zes weken op de aanvraag tot verlening
van de subsidie.
§ 3. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger
Artikel 45
1.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
uitvoering van het onderzoek.
2.Deze regels kunnen in ieder geval betreffen:
a. de eisen die worden gesteld aan de leiding, begeleiding en
verrichting van het onderzoek;
b. de instelling van een begeleidingscommissie en de
vertegenwoordiging van Onze Minister in die commissie;
c. de rapportage;
d. de publikatie van de onderzoeksresultaten;
e. de eigendom, het gebruik en de opslag van
onderzoeksmateriaal.
3.De regels, bedoeld in het eerste lid, betreffen niet de
uitkomsten van het onderzoek.
4.Onze Minister maakt, onverminderd het bepaalde in artikel 10 van
de Wet openbaarheid van bestuur, de onderzoeksresultaten zo spoedig
mogelijk openbaar, maar in ieder geval binnen zes maanden na de
aanbieding ervan aan Onze Minister.
Artikel 46
1.De subsidie-ontvanger en alle bij de uitvoering van het onderzoek
betrokken personen zijn verplicht tot geheimhouding van in het kader
van het onderzoek verkregen persoonsgegevens of andere gegevens met
een vertrouwelijk karakter.
2.Persoonsgegevens als bedoeld in het eerste lid worden slechts
gebruikt voor het onderzoek waarvoor subsidie is verleend, tenzij Onze
Minister of degene die de gegevens heeft verstrekt toestemming geeft
voor gebruik ten behoeve van ander onderzoek.
Artikel 47
1.De subsidie-ontvanger voert een zodanig ingerichte administratie,
dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van
belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en de
ontvangsten kunnen worden nagegaan.
2.De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden
gedurende tien jaren bewaard.
§ 4. De subsidievaststelling
Artikel 48
1.De aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt binnen dertien
weken na afloop van de periode waarvoor subsidie is verleend, dan wel
binnen dertien weken na de rapportage over het onderzoek ingediend.
2.Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag tot
vaststelling.
HOOFDSTUK 4A. TOLKENCENTRA
Artikel 48a
1.Onze Minister kan aan een tolkencentrum zonder winstoogmerk per
boekjaar subsidie verstrekken voor het verlenen van tolkdiensten.
2.Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing.
3.De artikelen 10, 13 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.
4.Onze Minister kan aan een tolkencentrum zonder winstoogmerk
subsidie verstrekken voor andere activiteiten op het gebied van
tolkdiensten.
Artikel 48b [Vervallen per 01-05-2004]
HOOFDSTUK 4B. SCHULDHULPVERLENING
Artikel 48c
1.Onze Minister kan subsidie verstrekken ten behoeve van:
a. het optreden als bewindvoerder als bedoeld in artikel 287,
derde lid, van de Faillissementswet;
b. activiteiten ter ondersteuning van bewindvoerders.
2.De subsidies worden per boekjaar verstrekt.
3.Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing.
Artikel 48d
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent:
a. de personen of instellingen waaraan de subsidies kunnen
worden verstrekt;
b. de wijze waarop het bedrag van de subsidies wordt bepaald;
c. de aan de subsidies voor de ontvanger verbonden
verplichtingen voorzover niet reeds voortvloeiend uit de derde
titel van de Faillissementswet;
d. de verlening van voorschotten;
e. de vaststelling en verdeling van een of meer
subsidieplafonds.
2.Onze Minister stelt een commissie van deskundigen in. De
commissie heeft een tijdelijk karakter. De commissie adviseert over de
uitvoering van de derde titel van de Faillissementswet.
Hoofdstuk 4C. Reclassering
Artikel 48e
1.Onze Minister verstrekt per boekjaar subsidie aan een
reclasseringsinstelling of een samenwerkingsverband van
reclasseringsinstellingen voor de uitvoering van
reclasseringswerkzaamheden.
2.Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent het bepaalde in het eerste lid.
Hoofdstuk 4D. Halt-afdoeningen
Afdeling 1. Begripsomschrijving
Artikel 48f
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. Halt-afdoening: een afdoening als bedoeld in artikel 77e van
het Wetboek van Strafrecht.
b. Jeugdige: een verdachte in de leeftijd vanaf 12 tot en met 17
jaar.
c. Halt-bureau: een bureau dat in elk geval voorziet in de
coördinatie en uitvoering van Halt-afdoeningen en dat zelf een door
de minister aangewezen rechtspersoon is of onderdeel uitmaakt van
een door de minister aangewezen rechtspersoon.
d. Stop-reactie: de reactie op strafbare feiten gepleegd door
kinderen onder twaalf jaar, onder verantwoordelijkheid van het
openbaar ministerie.
Afdeling 2. Halt-bureaus
Artikel 48g
1.Onze Minister verstrekt per boekjaar subsidie aan de door Onze
Minister aangewezen Halt-bureaus.
2.Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld aan het
aanwijzen van een Halt-bureau en kan worden bepaald in welke gevallen
de aanwijzing wordt opgeschort of ingetrokken.
3.De artikelen 13 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.
4.De artikelen 11 en 13 tot en met 15 zijn van overeenkomstige
toepassing.
5.Het Halt-bureau dient binnen 16 weken na afloop van het boekjaar
een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.
Artikel 48h
1.De subsidie aan de Halt-bureaus wordt bepaald door de kostprijzen
voor de te onderscheiden categorieën Halt-afdoeningen, of
samengevoegde categorieën Halt-afdoeningen, te vermenigvuldigen met
het aantal afdoeningen voor de te onderscheiden categorieën
Halt-afdoeningen, of samengevoegde categorieën Halt-afdoeningen.
2.Bij ministeriële regeling worden verschillende categorieën
Halt-afdoeningen en de daarbij behorende kostprijzen vastgesteld.
3.Onze Minister kan bij de verlening van de subsidie bepalen dat
het subsidiebedrag van de subsidie door hem in de loop van het
boekjaar kan worden bijgesteld in verband met de ontwikkeling van het
loon- en prijspeil.
Artikel 48i
1.Het Halt-bureau verstrekt aan Onze Minister uiterlijk vier weken
na het einde van ieder trimester een opgave van het aantal
afdoeningen, uitgesplitst naar de onderscheiden categorieën
Halt-afdoeningen.
2.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke andere
verplichtingen aan de subsidieverlening zijn verbonden.
Artikel 48j
1.Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat het
definitieve aantal afdoeningen meer bedraagt dan 105 procent van de
raming, vindt een door Onze Minister te bepalen verhoging plaats van
de subsidie.
2.Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat het
definitieve aantal afdoeningen minder bedraagt dan 95 procent van de
raming, vindt een door Onze Minister te bepalen verlaging plaats van
de subsidie.
3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent het bepaalde in het eerste en tweede lid.
Artikel 48k
Voor zover het Halt-bureau geen onderdeel uitmaakt van een gemeente,
behoeft het Haltbureau de toestemming van Onze Minister voor de
handelingen, bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht.
Artikel 48l
1.Het Halt-bureau kan een egalisatiereserve vormen als bedoeld in
artikel 4:72 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Bij ministeriële regeling worden de maximale hoogte van de
jaarlijkse toevoeging en de maximale omvang van de egalisatiereserve
bepaald en kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het bepaalde in
het eerste lid.
Artikel 48m
1.Indien het Halt-bureau zaken ter beschikking stelt aan of
diensten verricht voor natuurlijke personen of rechtspersonen, die
niet de ondersteuning van het Halt-bureau ten doel hebben, brengt zij
een vergoeding in rekening die tenminste kostendekkend is.
2.Indien aan het Halt-bureau zaken ter beschikking worden gesteld
door een rechtspersoon, die de ondersteuning van het bureau ten doel
heeft, betaalt zij aan deze rechtspersoon geen hogere vergoeding dan
het bedrag dat ter zake op grond van de historische kostprijs en
rekening houdende met de voor de instelling geldende
afschrijvingspercentages in redelijkheid in rekening kan worden
gebracht.
3.Indien een rechtspersoon, die de ondersteuning van het
Halt-bureau ten doel heeft, voor dit Halt-bureau diensten verricht
welke in het algemeen in eigen beheer worden verricht, betaalt het
Halt-bureau aan de rechtspersoon geen hogere vergoeding dan het bedrag
dat het verrichten van de diensten in eigen beheer zou hebben gekost.
4.Het Halt-bureau verstrekt desgevraagd aan Onze Minister een
beschrijving van de tussen de instelling en andere rechtspersonen
bestaande organisatorische dan wel financiële banden alsmede van
zodanig nog in het leven te roepen of te wijzigen banden, voor zover
deze banden van invloed kunnen zijn op de bepaling van de
vergoedingen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.
Afdeling 3. De ondersteunende rechtspersoon
Artikel 48n
1.Onze Minister kan per boekjaar subsidie verstrekken aan een
rechtspersoon die de Halt-bureaus ondersteunt.
2.Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing.
3.De artikelen 13 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 48o
1.De ondersteunende rechtspersoon kan een egalisatiereserve vormen
als bedoeld in artikel 4:72 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.De jaarlijkse toevoeging aan de egalisatiereserve bedraagt niet
meer dan vijf procent van de op grond van artikel 48n in dat jaar
verstrekte subsidie. Bij ministeriële regeling wordt de maximale
omvang van de egalisatiereserve bepaald.
Artikel 48p
1.De ondersteunende rechtspersoon kan een voorziening groot
onderhoud en andere door Onze Minister te benoemen reserves en
voorzieningen vormen.
2.Per boekjaar wordt aan de voorziening groot onderhoud niet meer
toegevoegd dan drie procent van de op grond van artikel 48n in dat
jaar verstrekte subsidie. De voorziening groot onderhoud bedraagt niet
meer dan 15 procent van de op grond van artikel 48n in dat jaar
verstrekte subsidie. Uitgaven voor groot onderhoud dienen op de
voorziening groot onderhoud te worden afgeboekt.
Artikel 48q
1.Onze Minister kan per boekjaar subsidie verstrekken aan de op
grond van artikel 48g aangewezen Halt-bureaus ten behoeve van de
coördinatie en uitvoering van de Stop-reactie.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent het bepaalde in het eerste lid.
3.Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing.
4.De artikelen 13 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.
5.Het Halt-bureau dient binnen zestien weken na afloop van het
boekjaar een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.
6.Artikel 48h tot en met artikel 48j zijn van overeenkomstige
toepassing.
Hoofdstuk 4E. Integratie
Artikel 48r
1.Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie kan per boekjaar
subsidies verstrekken ter bevordering van de integratie van etnische
groepen in de Nederlandse samenleving en ter voorkoming van
criminaliteit door bedoelde groepen.
2.Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing.
3.De artikelen 3 tot en met 5, 13 en 15 zijn van overeenkomstige
toepassing.
4.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 48s
1.Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie kan
projectsubsidies verstrekken voor activiteiten, die:
a. de integratie van etnische groepen in de Nederlandse
samenleving bevorderen;
b. de criminaliteit van bedoelde groepen voorkomen.
2.De artikelen 3 tot en met 5 zijn van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK 5. OVERIGE SUBSIDIES
Artikel 49
1.Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing op door Onze Minister per boekjaar verstrekte subsidies die
niet op een wettelijk voorschrift berusten.
2.De artikelen 13 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.
3.Onze Minister kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het
eerste lid.
Artikel 50 [Vervallen per 01-01-2009]
HOOFDSTUK 6. WIJZIGINGEN IN ANDERE WETTEN
Artikel 51
[Wijzigt het Wetboek van Strafrecht]
Artikel 52
[Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand]
Artikel 53
[Wijzigt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden]
Artikel 54
[Wijzigt de Wet Centraal opvang asielzoekers]
Artikel 54a
[Wijzigt de Wet landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen]
Artikel 54b
[Wijzigt de Wet schadefonds geweldsmisdrijven]
HOOFDSTUK 7. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 55 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 56
Deze wet is niet van toepassing op subsidies die voor de
inwerkingtreding van deze wet zijn verleend of vastgesteld.
Artikel 57
Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad brengt Onze Minister
van Justitie de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen en
afdelingen van de Algemene wet bestuursrecht met de nieuwe nummering van
de Algemene wet bestuursrecht in overeenstemming.
Artikel 58
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 59
Deze wet wordt aangehaald als: Wet Justitie-subsidies.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 20 juni 1996
BEATRIX
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
De Staatssecretaris van Justitie,
E.M.A. Schmitz
Uitgegeven de vierde juli 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|