| |
|
|
|
|
vorige
WET
JUSTITIËLE EN STRAFVORDERLIJKE GEGEVENS
Tekst zoals deze geldt op
18 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit justitiële gegevens
- Besluit
OM-afdoening
- Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van
terrorisme
WET van 7 november 2002 tot wijziging van
de regels betreffende de verwerking van justitiële gegevens en het
stellen van regels met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens
in persoonsdossiers (Wet justitiële gegevens)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is nieuwe
regels met betrekking tot het verwerken van justitiële gegevens en het
stellen van regels met betrekking tot de verwerking van justitiële
gegevens in persoonsdossiers en de verklaring omtrent het gedrag vast te
stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Titel 1. Definities
Artikel 1
In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. justitiële gegevens of gegevens: bij algemene maatregel van
bestuur te omschrijven gegevens omtrent natuurlijke personen en
rechtspersonen inzake de toepassing van het strafrecht of de
strafvordering;
b. strafvorderlijke gegevens: gegevens over een natuurlijk
persoon of rechtspersoon die zijn verkregen in het kader van een
strafvorderlijk onderzoek en die het openbaar ministerie in een
strafdossier of langs geautomatiseerde weg verwerkt;
c. persoonsdossier: een dossier waarin zijn opgenomen de aan
rechterlijke autoriteiten uitgebrachte rapporten over onderzoeken
naar het gedrag of de levensomstandigheden van een natuurlijk
persoon in verband met tegen hem aanhangige strafzaken, de
tenuitvoerlegging van aan hem opgelegde straffen of maatregelen of
zijn reclassering;
d. rechtspersoon: een rechtspersoon als bedoeld in boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, alsmede de daarmee gelijkgestelde organisaties
als bedoeld in artikel 51, derde lid, van het Wetboek van
Strafrecht;
e. justitiële documentatie: een samenhangende verzameling van op
verschillende personen betrekking hebbende justitiële gegevens die
langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd;
f. documentatie persoonsdossiers: een samenhangende verzameling
van op verschillende personen betrekking hebbende persoonsdossiers
die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd of met het oog op een
doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is
aangelegd;
g. persoonsgegeven, verwerking van persoonsgegevens,
verantwoordelijke, betrokkene, het College bescherming
persoonsgegevens en het verstrekken van persoonsgegevens: hetgeen
daaronder wordt verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens;
h. Onze Minister: Onze Minister van Justitie.
Titel 2. De verwerking van justitiële gegevens
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 2
1.Onze Minister verwerkt in de justitiële documentatie justitiële
gegevens ten behoeve van een goede strafrechtspleging.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden de gegevens aangewezen
die als justitiële gegevens worden aangemerkt.
Artikel 3
Onze Minister treft de nodige maatregelen opdat de justitiële
gegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, juist en
nauwkeurig zijn. Hij verbetert of verwijdert de gegevens dan wel vult
deze aan of schermt deze af indien hem blijkt dat deze onjuist of
onvolledig zijn.
Artikel 4
1. Justitiële gegevens van verdachten en veroordeelden wegens
misdrijven worden vernietigd:
a. dertig jaar nadat een beslissing om niet te vervolgen is
genomen, nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351
en 352 van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met
een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld, en in het kader
van het misdrijf de justitiële gegevens zijn verwerkt of nadat
een strafbeschikking wegens het misdrijf volledig ten uitvoer is
gelegd, dan wel twintig jaar na het overlijden van betrokkene,
b. twintig jaar nadat een beslissing om niet te vervolgen is
genomen, nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351
en 352 van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met
een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van minder dan zes jaar is gesteld, en in het
kader van het misdrijf de justitiële gegevens zijn verwerkt of
nadat een strafbeschikking wegens het misdrijf volledig ten
uitvoer is gelegd, dan wel twaalf jaar na het overlijden van
betrokkene, of
c. na het vervallen van het recht tot strafvordering door
verjaring.
2. De termijn van dertig en twintig jaar, genoemd in het eerste
lid, wordt verlengd indien tegen de betrokkene een einduitspraak als
bedoeld in de artikelen 351 en 352 van het Wetboek van Strafvordering
in verband met een ander misdrijf is gedaan. In dat geval worden de
justitiële gegevens vernietigd twintig dan wel dertig jaar nadat het
vonnis is uitgesproken of de strafbeschikking volledig ten uitvoer is
gelegd, al naar gelang op het misdrijf naar de wettelijke omschrijving
minder dan zes jaar of zes jaar of meer gevangenisstraf is gesteld.
3. De termijn van dertig jaar, genoemd in het eerste lid, wordt met
twintig jaar verlengd indien de duur van de gevangenisstraf of
vrijheidsbenemende maatregel langer is dan twintig jaar. Indien de
gevangenisstraf levenslang is of de vrijheidsbenemende maatregel de
duur van veertig jaar overstijgt, worden de justitiële gegevens na
tachtig jaar vernietigd.
4. In afwijking van het eerste tot en met derde lid worden
justitiële gegevens van verdachten en veroordeelden wegens misdrijven
als bedoeld in de artikelen 240b tot en met 250 van het Wetboek van
Strafrecht na tachtig jaar vernietigd.
Artikel 5 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 6
Justitiële gegevens van verdachten en veroordeelden wegens
overtredingen worden vernietigd:
a. vijf jaar nadat een beslissing om niet te vervolgen is
genomen, nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en
352 van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een
overtreding en in het kader van de overtreding de justitiële
gegevens zijn verwerkt of een strafbeschikking wegens een
overtreding volledig ten uitvoer is gelegd,
b. tien jaar nadat een beslissing om niet te vervolgen is
genomen, nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en
352 van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een
overtreding en in het kader van de overtreding de justitiële
gegevens zijn verwerkt of een strafbeschikking wegens een
overtreding volledig ten uitvoer is gelegd, en daarbij een
vrijheidsstraf, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, of
een taakstraf is opgelegd, dan wel aan een rechtspersoon een
geldboete van de derde categorie of hoger is opgelegd,
c. twee jaar na het overlijden van betrokkene, of
d. na het vervallen van het recht tot strafvordering door
verjaring.
Artikel 7
1.Onze Minister legt passende technische en organisatorische
maatregelen ten uitvoer om de justitiële gegevens te beveiligen tegen
verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking. Deze
maatregelen garanderen, rekening houdend met de stand van de techniek
en de kosten van de tenuitvoerlegging, een passend beveiligingsniveau
gelet op de risico's die de verwerking en de aard van de justitiële
gegevens met zich brengen.
2.Artikel 49, eerste tot en met derde lid, en artikel 50, eerste
lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn van overeenkomstige
toepassing.
Afdeling 2. Het verstrekken van justitiële gegevens
Artikel 8
1.Ten behoeve van de rechtspleging worden justitiële gegevens
verstrekt aan Nederlandse rechterlijke ambtenaren en rechterlijke
ambtenaren van Aruba en de Nederlandse Antillen.
2.Ten behoeve van de strafrechtspleging worden justitiële gegevens
verstrekt aan Onze Minister.
3.Aan lichamen of personen aan wie krachtens artikel 257ba van het
Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid is toegekend een
strafbeschikking uit te vaardigen, worden ten behoeve van de
uitoefening van die bevoegdheid justitiële gegevens verstrekt met
betrekking tot de delicten waarop hun bevoegdheid betrekking heeft.
4.Justitiële gegevens worden niet voor een ander doel gebruikt dan
waarvoor zij zijn verstrekt, tenzij bij wettelijk voorschrift anders
is bepaald dan wel de uitvoering van de taak met het oog waarop de
gegevens zijn verstrekt, daartoe noodzaakt.
5.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften
worden gegeven omtrent het verstrekken van justitiële gegevens aan de
in het eerste, tweede en derde lid genoemde personen of instanties,
alsmede omtrent de daarbij te stellen voorwaarden aan het gebruik
daarvan.
6.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welke
gegevens ingevolge het internationale recht worden verstrekt aan
andere rechterlijke ambtenaren dan bedoeld in het eerste lid dan wel
aan andere autoriteiten. Het vijfde lid is van toepassing.
Artikel 8a
1.Voorzover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend
algemeen belang, kan het College van procureurs-generaal in de
gevallen waarin het ingevolge artikel 39e of 39f bevoegd is
strafvorderlijke gegevens te verstrekken, justitiële gegevens
verstrekken.
2.De artikelen 39e, derde lid, en 39f, tweede lid, onder a, en
derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9
1.Voorzover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend
algemeen belang en voor een goede taakuitoefening van degene aan wie
justitiële gegevens worden verstrekt, kunnen bij algemene maatregel
van bestuur personen of instanties die met een publieke taak zijn
belast, worden aangewezen aan wie justitiële gegevens kunnen worden
verstrekt. Daarbij kunnen nadere voorschriften worden gegeven in
verband met de verwerking en verdere verwerking.
2.Artikel 8, vierde lid, is van toepassing.
Artikel 10
1.Behoudens het bepaalde in artikel 12 worden aan de in artikel 9
bedoelde personen of instanties slechts gegevens verstrekt betreffende
onherroepelijke veroordelingen wegens misdrijf waarbij een straf, al
dan niet tezamen met een maatregel, is opgelegd, en wegens overtreding
indien daarbij vrijheidsstraf – anders dan vervangende – of een
taakstraf is opgelegd. Met een veroordeling worden gelijkgesteld een
rechterlijke beslissing waarbij een maatregel als bedoeld in artikel
37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd en een
strafbeschikking.
2.Geen gegevens worden verstrekt indien:
a. na het gegrond bevinden van de aanvraag tot herziening van
een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak deze wordt
vernietigd en geen straf of maatregel is opgelegd,
b. na het onherroepelijk worden van de uitspraak of
strafbeschikking vier jaren zijn verstreken, of
c. de veroordeling door een andere dan een Nederlandse rechter
is gewezen wegens een feit dat naar Nederlands recht geen misdrijf
oplevert, tenzij ingevolge deze veroordeling in Nederland
vrijheidsstraf – anders dan vervangende – of een taakstraf
moet worden ondergaan.
3.De termijn bedoeld in het tweede lid, onder b, beloopt acht jaren
indien bij de veroordeling een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf dan
wel een voorwaardelijke vrijheidsstraf waarvan later de gehele of
gedeeltelijke tenuitvoerlegging is bevolen, is opgelegd. Hetzelfde
geldt indien bij de veroordeling een taakstraf is opgelegd, dan wel de
tenuitvoerlegging van een bij de taakstraf opgelegde vervangende
hechtenis is bevolen.
4.De termijn wordt verlengd met de bij de uitspraak bepaalde duur
van de opgelegde vrijheidsstraf met uitzondering van de straf of het
gedeelte daarvan dat voorwaardelijk is opgelegd en ten aanzien waarvan
de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging later niet is bevolen. De
termijn wordt met zes maanden verlengd indien een taakstraf is
opgelegd.
5.De termijn wordt mede verlengd met de duur van de verlenging van
de proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling en met de termijn
van de verlenging van de terbeschikkingstelling.
6.De termijnen eindigen niet zolang de termijn met betrekking tot
enige andere onherroepelijke veroordeling als bedoeld in het eerste
lid, niet is geëindigd.
7.Ingeval van tenuitvoerlegging in Nederland van een veroordeling
door een andere dan de Nederlandse rechter gewezen vangt de in het
tweede lid, onder b, en het derde lid, bedoelde termijn aan op de dag
na die, waarop die veroordeling onherroepelijk is geworden. De duur
van de termijn wordt bepaald aan de hand van de bij de uitspraak of
beslissing, krachtens welke de bovenbedoelde veroordeling in Nederland
kan worden ten uitvoer gelegd, opgelegde of uitvoerbaar geworden straf
of maatregel.
Artikel 11
1.Aan de in artikel 9 bedoelde personen of instanties worden
gegevens verstrekt betreffende onherroepelijke veroordelingen van
rechtspersonen wegens enige overtreding, indien daarbij een geldboete
is opgelegd van de derde of een hogere categorie. Met een veroordeling
wordt gelijkgesteld een strafbeschikking.
2.Geen gegevens worden verstrekt indien:
a. na het gegrond bevinden van de aanvraag tot herziening van
een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak deze wordt
vernietigd en geen straf of maatregel is opgelegd, of
b. na het onherroepelijk worden van de uitspraak of
strafbeschikking vier jaren zijn verstreken.
3.De termijn bedoeld in het tweede lid, onder b, beloopt acht jaren
indien is veroordeeld tot onvoorwaardelijke betaling van een geldboete
dan wel tot voorwaardelijke betaling van een geldboete waarvan later
de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging is bevolen.
4.De termijn wordt mede verlengd met de duur van de verlenging van
de proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling.
5.De termijnen eindigen niet zolang de termijn met betrekking tot
enige andere onherroepelijke veroordeling als bedoeld in het eerste
lid van artikel 10 en het eerste lid van 11 niet is geëindigd.
Artikel 12
1. Met betrekking tot personen ten aanzien van wie recht is gedaan
overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van
Strafrecht, worden aan de in artikel 9 bedoelde personen of instanties
slechts gegevens verstrekt, indien de veroordeelde tijdens het begaan
van het strafbare feit de leeftijd van zestien jaren had bereikt, de
veroordeling onherroepelijk is en is gewezen wegens een misdrijf en
daarbij, al dan niet tezamen met andere straffen of maatregelen, is
opgelegd:
a. jeugddetentie, anders dan vervangende;
b. geldboete van meer dan € 113;
c. een taakstraf met een duur van meer dan veertig uren of
d. plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.
Met deze personen worden gelijkgesteld minderjarigen tegen wie een
strafbeschikking is uitgevaardigd.
2. Geen gegevens worden verstrekt indien:
a. na het gegrond bevinden van de aanvraag tot herziening van
een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak deze wordt
vernietigd en geen straf of maatregel is opgelegd,
b. de veroordeling door een andere dan een Nederlandse rechter
is gewezen wegens een feit dat naar Nederlands recht geen misdrijf
oplevert, tenzij ingevolge deze veroordeling in Nederland de in
het eerste lid genoemde straffen of maatregelen moeten worden
ondergaan, of
c. de rechter met toepassing van artikel 77x, eerste lid, van
het Wetboek van Strafrecht heeft bepaald, dat de straf of
maatregel geheel niet zal worden tenuitvoergelegd en de
tenuitvoerlegging later niet alsnog voor het geheel of een deel is
bevolen.
3. Geen gegevens worden verstrekt indien na het onherroepelijk
worden van de veroordeling of strafbeschikking twee jaren zijn
verstreken tenzij jeugddetentie, anders dan vervangende, of plaatsing
in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd. In dat geval bedraagt de
termijn vier jaren.
4. De termijn bedoeld in het derde lid, wordt verlengd met de bij
de uitspraak bepaalde duur van de opgelegde jeugddetentie met
uitzondering van de straf of het gedeelte daarvan dat voorwaardelijk
is opgelegd en ten aanzien waarvan de gehele of gedeeltelijke
tenuitvoerlegging later niet is bevolen.
5. De termijn wordt mede verlengd met de duur van de verlenging van
de proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling.
6. Onverminderd het bepaalde in het derde lid kunnen over een
veroordeling waarbij de maatregel van plaatsing in een inrichting voor
jeugdigen is opgelegd gegevens worden verstrekt zolang de plaatsing
niet onvoorwaardelijk is beëindigd.
7. De termijnen eindigen niet zolang de termijn met betrekking tot
enige andere onherroepelijke veroordeling of strafbeschikking als
bedoeld in het eerste lid, niet is geëindigd.
Artikel 13
1.Voorzover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend
algemeen belang en voor een goede taakuitoefening van degene aan wie
justitiële gegevens worden verstrekt, kunnen bij algemene maatregel
van bestuur personen of instanties als bedoeld in artikel 9 worden
aangewezen aan wie meer gegevens kunnen worden verstrekt dan genoemd
in de artikelen 10, 11 en 12. Daarbij wordt tevens bepaald welke
gegevens worden verstrekt. Tevens kunnen nadere voorschriften worden
gegeven in verband met de verwerking en verdere verwerking.
2.Artikel 8, vierde lid, is van toepassing.
Artikel 14
1.Voorzover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend
algemeen belang en voor bijzondere doeleinden, kan Onze Minister in
bijzondere gevallen toestemming geven tot het verstrekken van daartoe
omschreven justitiële gegevens overeenkomstig door hem te geven
voorschriften en onder door hem te stellen voorwaarden. Van zijn
desbetreffend besluit zendt hij een afschrift aan het College
bescherming persoonsgegevens.
2.Tenzij Onze Minister anders bepaalt, worden de justitiële
gegevens die zijn verstrekt niet voor een ander doel gebruikt dan
waarvoor zij zijn verstrekt.
3.Onze Minister kan voorschriften geven in verband met de
verwerking en verdere verwerking.
Artikel 15
1. Justitiële gegevens kunnen worden verstrekt ten behoeve van
beleidsinformatie en wetenschappelijk onderzoek en statistiek, onder
de voorwaarde dat de resultaten daarvan geen persoonsgegevens mogen
bevatten.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
over de verstrekking van justitiële gegevens, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 16 [Vervallen per 01-09-2004]
Artikel 17
Voor het verstrekken van justitiële gegevens, als bedoeld in de
artikelen 9, 13, 14 en 15, kan een kostenvergoeding worden verlangd die
niet hoger mag zijn dan een bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur vast te stellen bedrag.
Afdeling 3. Rechten van de betrokkene op kennisneming en verbetering
Artikel 18
1.Onze Minister deelt een ieder op diens verzoek binnen vier weken
mede of en zo ja welke deze persoon betreffende gegevens in de
justitiële documentatie zijn vastgelegd.
2.Hij doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm, tenzij
hij weigert een mededeling te doen.
3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent het verzoek en de wijze van kennisneming
Artikel 19
1.Elke verstrekking van justitiële gegevens overeenkomstig de
artikelen 9, 13 en 14 wordt vastgelegd en ten minste gedurende één
jaar bewaard.
2.Onze Minister deelt een ieder op diens verzoek schriftelijk
binnen vier weken mede of hem betreffende gegevens in het jaar
voorafgaande aan het verzoek overeenkomstig de artikelen 9, 13 en 14
zijn verstrekt.
Artikel 20
1.Bij de behandeling van verzoeken als bedoeld in de artikelen 18
en 19 draagt Onze Minister zorg voor een deugdelijke vaststelling van
de identiteit van de verzoeker.
2.De verzoeken worden ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd
van zestien jaren nog niet hebben bereikt, en ten aanzien van onder
curatele gestelden gedaan door hun wettelijke vertegenwoordigers. De
betrokken mededeling geschiedt eveneens aan de wettelijke
vertegenwoordigers.
3.Verzoeken ten aanzien van rechtspersonen worden gedaan door een
vertegenwoordiger van de rechtspersoon.
4.De verzoeken kunnen tevens worden gedaan door een advocaat aan
wie de betrokkene een bijzondere machtiging heeft verleend met het oog
op de uitoefening van zijn rechten krachtens deze wet en die het
verzoek uitsluitend doet met de bedoeling de belangen van zijn cliënt
te behartigen. De betrokken mededeling geschiedt aan de advocaat. Bij
ministeriële regeling kunnen aan de bijzondere machtiging nadere
eisen worden gesteld.
Artikel 21
Een mededeling als bedoeld in artikel 18, eerste lid, en artikel 19,
tweede lid, blijft achterwege voorzover dit noodzakelijk is in het
belang van de veiligheid van de staat.
Artikel 22
1.Degene aan wie overeenkomstig artikel 18 kennis is gegeven van
hem betreffende justitiële gegevens, kan Onze Minister schriftelijk
verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te
schermen, indien deze feitelijk onjuist, voor het doel van de
verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel in strijd
met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de
aan te brengen wijzigingen.
2.Onze Minister bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst
van het verzoek schriftelijk of, dan wel in hoeverre, hij daaraan
voldoet. Het eerste lid van artikel 37 Wet bescherming
persoonsgegevens is van overeenkomstige toepassing.
3.Onze Minister draagt zorg dat een beslissing tot verbetering,
aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig mogelijk wordt
uitgevoerd.
Artikel 23
1.Een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 18, 19 of 22
geldt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van
de Algemene wet bestuursrecht.
2.De artikelen 47 en 48 van de Wet bescherming persoonsgegevens
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24
1.Indien Onze Minister justitiële gegevens heeft verbeterd,
aangevuld, verwijderd of afgeschermd doet hij aan de in artikel 8,
vijfde lid, 9, 13 en 14 bedoelde personen of instanties aan wie in het
jaar voorafgaand aan het verzoek en in de sinds dat verzoek verstreken
periode de betrokken gegevens zijn verstrekt, zo spoedig mogelijk
mededeling van deze verbetering, aanvulling, verwijdering of
afscherming, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige
inspanning kost.
2.Onze Minister deelt aan de verzoeker en voorzover van toepassing
aan de wettelijk vertegenwoordiger, desgevraagd mede aan wie hij de
mededeling heeft gedaan.
Artikel 25
1.Onze Minister kan voor een mededeling als bedoeld in artikel 18
of 19 een vergoeding van kosten verlangen die niet hoger is dan een
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen
bedrag. Daarbij wordt tevens de wijze van betaling bepaald.
2.De vergoeding wordt teruggegeven ingeval Onze Minister op verzoek
van de betrokkene, op aanbeveling van het College bescherming
persoonsgegevens of op bevel van de rechter tot verbetering,
aanvulling, verwijdering of afscherming is overgegaan of wanneer het
verzoek moet worden geweigerd ingevolge artikel 21.
Artikel 26
1.Betrokkene kan bij Onze Minister verzet aantekenen wegens
bijzondere persoonlijke omstandigheden.
2.Onze Minister beoordeelt, gehoord het openbaar ministerie, binnen
vier weken na ontvangst van het verzet of het verzet gerechtvaardigd
is. Indien het verzet gerechtvaardigd is, beëindigt hij terstond de
verwerking.
3.Deartikelen 23 en 25 zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Bepalingen betreffende het toezicht
Artikel 27
1.Het College bescherming persoonsgegevens ziet toe op de
verwerking van justitiële gegevens overeenkomstig het bij en
krachtens deze wet bepaalde.
2.De artikelen 51, tweede lid, 60 en 61 van de Wet bescherming
persoonsgegevens zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 5. De verklaring omtrent het gedrag
Artikel 28
Een verklaring omtrent het gedrag is een verklaring van Onze Minister
dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken
natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor
de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd
en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van
bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.
Artikel 29
De beslissing omtrent de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag
geldt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 30
1.De aanvraag om afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van
een natuurlijk persoon wordt ingediend bij de burgemeester van de
gemeente, waar de aanvrager op het tijdstip van de aanvraag als
ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens.
In alle andere gevallen wordt de aanvraag ingediend bij Onze Minister.
2.De burgemeester en Onze Minister onderzoeken de volledigheid van
de bij de aanvraag verstrekte gegevens en verschaffen zich de nodige
zekerheid over de identiteit van de aanvrager.
3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld ter
uitvoering van het tweede lid.
4.De burgemeester zendt de aanvraag terstond door aan Onze
Minister.
Artikel 31
In afwijking van artikel 30 kan een aanvraag om afgifte van de
verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon desgewenst
rechtstreeks elektronisch worden ingediend bij Onze Minister. Artikel
30, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 34,
tweede lid, is niet van toepassing.
Artikel 32
1. De aanvraag tot het afgeven van een verklaring omtrent het
gedrag van een natuurlijk persoon bevat de voornamen en de
geboortedatum van de aanvrager, alsmede een omschrijving van het doel,
waarvoor de afgifte van de verklaring wordt gevraagd.
2. Indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtspersoon, bevat
zij de naam van de rechtspersoon en het inschrijvingsnummer van de
Kamers van Koophandel, of, indien geen inschrijving heeft
plaatsgevonden in het handelsregister, de naam, de rechtsvorm en de
statutaire, of bij ontstentenis daarvan, de feitelijke
vestigingsplaats van deze rechtspersoon alsmede de naam, het adres en
de geboortedatum van ieder van de bestuurders, vennoten, maten of
beheerders en de naam van degene die de aanvraag doet.
3. Bij de aanvraag doet degene te wiens behoeve de verklaring wordt
verzocht opgave van het risico voor de samenleving dat in het geding
is.
Artikel 33
De aanvraag wordt ingediend door degene omtrent wiens gedrag een
verklaring wordt gevraagd of door een vertegenwoordiger van de
rechtspersoon omtrent wiens gedrag een verklaring wordt gevraagd.
Artikel 34
1.Onze Minister neemt de aanvraag niet in behandeling, indien een
onderzoek naar het gedrag van de aanvrager kennelijk niet noodzakelijk
is om, gelet op het doel van de aanvraag, een risico voor de
samenleving te beperken.
2.Onze Minister stelt de burgemeester, bedoeld in artikel 30,
eerste lid, terstond in kennis van de beslissing tot het niet in
behandeling nemen van de aanvraag.
Artikel 35
1. Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het
gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de
aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet
op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het
geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt
gevraagd, in de weg zal staan.
2. Indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtspersoon betrekt
Onze Minister mede in zijn oordeel de justitiële gegevens met
betrekking tot strafbare feiten op naam van de rechtspersoon en van
ieder van de bestuurders, vennoten, maten of beheerders van die
rechtspersoon alsmede de gegevens met betrekking tot strafbare feiten
waaraan artikel 51, tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van
Strafrecht ten grondslag heeft gelegen.
3. Onze Minister betrekt niet in zijn oordeel de justitiële
gegevens met betrekking tot de strafbare feiten die zijn afgedaan met
een onherroepelijke vrijspraak.
Artikel 36
1. Onze Minister kan bij zijn onderzoek met betrekking tot de
afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk
persoon kennis nemen van op de aanvrager betrekking hebbende
justitiële gegevens alsmede van politiegegevens als bedoeld in
artikel 1, onder a, van de Wet politiegegevens, met uitzondering van
de gegevens waarover op grond van artikel 21 geen mededeling kan
worden gedaan aan de verzoeker, die gebruik maakt van zijn recht, als
bedoeld in artikel 18, eerste lid.
2. Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, kan Onze
Minister bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de
verklaring omtrent het gedrag van een rechtspersoon kennis nemen van
op de betrokkenen, bedoeld in artikel 35, betrekking hebbende
justitiële gegevens, politiegegevens, als bedoeld in artikel 1, onder
a, van de Wet politiegegevens, alsmede gegevens uit de registratie,
bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet controle op rechtspersonen.
De uitzondering, bedoeld in het eerste lid, is van toepassing.
3. Voorzover dat voor een goede oordeelsvorming noodzakelijk is,
kan Onze Minister inlichtingen omtrent betrokkene inwinnen bij het
openbaar ministerie en bij instellingen die op grond van artikel 4,
eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995 bevoegd zijn om
reclasseringswerkzaamheden te verrichten.
4. De justitiële gegevens en de gegevens uit de politieregisters
die zijn verstrekt worden niet voor een ander doel gebruikt dan
waarvoor zij zijn verstrekt.
Artikel 37
1. Onze Minister beslist op de aanvraag met betrekking tot de
afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk
persoon binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag.
2. Indien Onze Minister voornemens is afwijzend te beslissen op de
aanvraag, bedoeld in het eerste lid, beslist hij binnen acht weken na
ontvangst van de aanvraag.
3. Indien de verklaring omtrent het gedrag wordt afgegeven, zijn de
artikelen 3:8 en 3:50 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing.
Artikel 38
1. Onze Minister beslist op de aanvraag met betrekking tot de
afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een rechtspersoon
binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
2. Indien Onze Minister voornemens is afwijzend te beslissen op de
aanvraag, bedoeld in het eerste lid, beslist hij binnen twaalf weken
na ontvangst van de aanvraag.
3. Alvorens te beslissen tot weigering van de afgifte, stelt Onze
Minister degene van wie een of meer gegevens als bedoeld in het tweede
lid van artikel 36, ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing, in
de gelegenheid om binnen twee weken een verzoek als bedoeld in artikel
22 van deze wet of artikel 28 van de Wet politiegegevens dan wel
artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens te doen.
4. De termijn voor het geven van de beschikking, bedoeld in het
eerste lid, wordt opgeschort met ingang van de dag waarop Onze
Minister de gelegenheid heeft geboden tot het doen van een verzoek en
tot de dag waarop een schriftelijke mededeling is gedaan dat geen
verzoek zal worden ingediend of twee weken zijn verstreken dan wel tot
de dag waarop de procedure naar aanleiding van een verzoek is
beëindigd.
5. De aanvrager van de verklaring wordt in kennis gesteld van de
opschorting.
Artikel 39
1.Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot afgifte van
een verklaring omtrent het gedrag kunnen de burgemeester en Onze
Minister een vergoeding van kosten verlangen.
2.De kostenvergoedingen zijn niet hoger dan een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag.
3.Voorzover de aanvragen zijn ingediend bij de burgemeester, zijn
de gemeenten ter zake van de afgifte van de verklaring door Onze
Minister een bij ministeriële regeling vastgestelde vergoeding
verschuldigd aan Onze Minister.
4.Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld met
betrekking tot de wijze van afdracht van de vergoeding, bedoeld in het
derde lid.
Titel 2A. De verwerking van strafvorderlijke gegevens
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 39a
1.Het College van procureurs-generaal is verantwoordelijke voor het
verwerken van strafvorderlijke gegevens.
2.Het hoofd van een arrondissementsparket, het landelijk parket,
het functioneel parket of een ressortsparket voert het beheer over de
strafvorderlijke gegevens.
Artikel 39b
1.Het College van procureurs-generaal verwerkt slechts
strafvorderlijke gegevens, indien dit noodzakelijk is voor een goede
vervulling van de taak van het openbaar ministerie of het nakomen van
een andere wettelijke verplichting.
2.Het College van procureurs-generaal verwerkt strafvorderlijke
gegevens niet verder op een wijze die onverenigbaar is met de
doeleinden, bedoeld in het eerste lid.
3.Artikel 9, tweede en derde lid, van de Wet bescherming
persoonsgegevens is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 39c
1.De artikelen 3 en 7 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat daar waar in deze artikelen wordt gesproken over «Onze
Minister» «het College van procureurs-generaal» wordt gelezen.
2.Het College van procureurs-generaal verwerkt slechts
strafvorderlijke gegevens, voorzover het, gelet op de doeleinden
waarvoor zij worden verwerkt, toereikend, ter zake dienend en niet
bovenmatig zijn.
Artikel 39d
Strafvorderlijke gegevens worden vernietigd overeenkomstig de
termijnen, genoemd in de artikelen 4 en 6.
Afdeling 2. Het verstrekken van strafvorderlijke gegevens
Artikel 39e
1.Voorzover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend
algemeen belang, kan het College van procureurs-generaal aan de
volgende personen of instanties strafvorderlijke gegevens verstrekken:
a. Nederlandse rechterlijke ambtenaren, rechterlijke ambtenaren
van Aruba en de Nederlandse Antillen en rechterlijke ambtenaren in
het buitenland;
b. Onze Minister;
c. lichamen of personen aan wie krachtens artikel 257ba van het
Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid is toegekend een
strafbeschikking uit te vaardigen;
d. ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onder a en c, en tweede lid, van de Politiewet 1993;
e. ambtenaren als bedoeld in artikel 141, onderdeel c en d, van
het Wetboek van Strafvordering;
f. buitengewone opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel
142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering;
g. instanties die belast zijn met de tenuitvoerlegging van
rechterlijke beslissingen of handelingen, beslissingen van de
officier van justitie dan wel van vrijheidsbenemende straffen of
maatregelen;
h. verantwoordelijken voor de verwerking van politiegegevens
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet
politiegegevens;
i. bewaarders als bedoeld in artikel 118, eerste en tweede lid,
van het Wetboek van Strafvordering;
j. andere autoriteiten in het buitenland als bedoeld in
onderdeel a en instanties die ingevolge het internationaal recht
een taak hebben in het kader van de strafrechtspleging.
2.Het College van procureurs-generaal verstrekt aan de ambtenaren
die werkzaam zijn ten behoeve van de justitiële documentatie
strafvorderlijke gegevens.
3.Artikel 8, vierde tot en met zesde lid, en artikel 9, eerste lid,
tweede volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 39f
1.Voorzover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend
algemeen belang, kan het College van procureurs-generaal, onverminderd
artikel 39e, aan personen of instanties voor de volgende doeleinden
strafvorderlijke gegevens verstrekken:
a. het voorkomen en opsporen van strafbare feiten,
b. het handhaven van de orde en veiligheid,
c. het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving,
d. het nemen van een bestuursrechtelijke beslissing,
e. het beoordelen van de noodzaak tot het treffen van een
rechtspositionele of tuchtrechtelijke maatregel, of
f. het verlenen van hulp aan slachtoffers en anderen die bij
een strafbaar feit betrokken zijn.
2.Het College van procureurs-generaal kan slechts strafvorderlijke
gegevens aan personen of instanties als bedoeld in het eerste lid
verstrekken, voorzover die gegevens voor die personen of instanties:
a. noodzakelijk zijn met het oog op een zwaarwegend algemeen
belang of de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van
een recht in rechte, en
b. in zodanige vorm worden verstrekt dat herleiding tot andere
personen dan betrokkene, redelijkerwijs wordt voorkomen.
3.Deartikelen 8, vierde lid, en 9, eerste lid, tweede volzin, zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 39g
De artikelen 14 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 39h
Voor het verstrekken van strafvorderlijke gegevens als bedoeld in
artikel 39f kan een kostenvergoeding worden verlangd die niet hoger is
dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen
bedrag.
Afdeling 3. Rechten van de betrokkene op kennisneming en verbetering
Artikel 39i
1.Het College van procureurs-generaal deelt een ieder op diens
verzoek binnen vier weken mede of en zo ja welke deze persoon
betreffende strafvorderlijke gegevens zijn vastgelegd.
2.Artikel 18, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 39j
1.Elke verstrekking van strafvorderlijke gegevens overeenkomstig de
artikelen 39e en 39f wordt vastgelegd en gedurende ten minste een jaar
bewaard.
2.Het College van procureurs-generaal deelt een ieder op diens
verzoek schriftelijk binnen vier weken mede of hem betreffende
strafvorderlijke gegevens in het jaar voorafgaande aan het verzoek
overeenkomstig de artikelen 39e en 39f zijn verstrekt.
Artikel 39k
1.Bij de behandeling van verzoeken als bedoeld in de artikelen 39i,
eerste lid, en 39j, tweede lid, draagt het College van
procureurs-generaal zorg voor een deugdelijke vaststelling van de
identiteit van de verzoeker.
2.Artikel 20, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing.
Artikel 39l
Een mededeling als bedoeld in de artikelen 39i, eerste lid, en 39j,
tweede lid, blijft achterwege voorzover dit noodzakelijk is in het
belang van:
a. de veiligheid van de staat,
b. het voorkomen, opsporen en vervolgen van strafbare feiten,
c. het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften die
zijn gesteld ten behoeve van de belangen, bedoeld onder b, of
d. de bescherming van de betrokkene of van de rechten en
vrijheden van anderen.
Artikel 39m
1.Degene aan wie overeenkomstig artikel 39i kennis is gegeven van
hem betreffende strafvorderlijke gegevens, kan het College van
procureurs-generaal schriftelijk verzoeken deze te verbeteren, aan te
vullen, te verwijderen of af te schermen, indien deze feitelijk
onjuist zijn, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter
zake dienend zijn dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift
worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.
2.Artikel 22, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat daar waar in dit artikel wordt
gesproken over «Onze Minister» «het College van
procureurs-generaal» wordt gelezen.
Artikel 39n
1.Een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 39i, 39j of
39m geldt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid,
van de Algemene wet bestuursrecht.
2.De artikelen 47 en 48 van de Wet bescherming persoonsgegevens
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 39o
1.Indien het College van procureurs-generaal strafvorderlijke
gegevens heeft verbeterd, aangevuld, verwijderd of afgeschermd, doet
het aan de personen of instanties, bedoeld in de artikelen 39e, eerste
lid, en 39f, eerste lid, aan wie in het jaar voorafgaand aan het
verzoek en in de sinds dat verzoek verstreken periode de betrokken
gegevens zijn verstrekt, zo spoedig mogelijk mededeling van deze
verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming, tenzij dit
onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost.
2.Artikel 24, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat daar waar in dit artikel wordt gesproken over
«Onze Minister» «het College van procureurs-generaal» wordt
gelezen.
Artikel 39p
1.Het College van procureurs-generaal kan voor een mededeling als
bedoeld in de artikelen 39i, eerste lid, en 39j, tweede lid, een
kostenvergoeding verlangen die niet hoger is dan een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag. Daarbij wordt
tevens de wijze van betaling bepaald.
2.De vergoeding wordt teruggegeven ingeval het College van
procureurs-generaal op verzoek van betrokkene, op aanbeveling van het
College bescherming persoonsgegevens of op bevel van de rechter, tot
verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming is overgegaan of
het verzoek wordt geweigerd ingevolge artikel 39l.
Artikel 39q
1.Betrokkene kan bij het College van procureurs-generaal verzet
aantekenen wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden.
2.Het College van procureurs-generaal beoordeelt, gehoord het hoofd
van het arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel
parket of het ressortsparket, binnen vier weken na ontvangst van het
verzet of het verzet gerechtvaardigd is. Indien het verzet
gerechtvaardigd is, beëindigt het terstond de verwerking.
3.De artikelen 39n en 39p zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Bepalingen betreffende het toezicht
Artikel 39r
Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing.
Titel 3. De persoonsdossiers
Artikel 40
1.Onze Minister verwerkt persoonsgegevens in persoonsdossiers in de
documentatie persoonsdossiers met als doel de bevordering van een
juiste toepassing van het strafrecht.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de wijze
bepaald waarop de rapporten die het persoonsdossier vormen worden
verkregen.
3.De artikelen 3 en 7 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 41
1. Een rapport in een persoonsdossier wordt verwijderd na verloop
van tien jaren. De termijn vangt aan op de dag van sluiting van het
rapport.
2. Indien de straf of maatregel de duur van tien jaren te boven
gaat, is de termijn, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan de duur van
de aan de betrokken persoon in de strafzaak waarop het rapport
betrekking heeft, opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel krachtens het strafrecht.
Artikel 42
1.Onze Minister kan afschriften van de in een persoonsdossier
opgenomen rapporten gebruiken ten behoeve van de behandeling van een
gratieverzoek of met het oog op het onderzoek, bedoeld in artikel 28.
2.Onze Minister verstrekt ten behoeve van een goede rechtspleging,
de vervolging en berechting van strafbare feiten, de tenuitvoerlegging
van straffen of maatregelen en het geven van advies over een
gratieverzoek desgevraagd afschriften van de in een persoonsdossier
opgenomen rapporten aan:
a. Nederlandse rechterlijke ambtenaren;
b. rechterlijke ambtenaren van Aruba en de Nederlandse
Antillen;
c. andere dan de onder a en b genoemde rechterlijke ambtenaren,
voorzover de Minister van Justitie dat bepaalt.
3.Onze Minister verstrekt ten behoeve van de selectie of bejegening
desgevraagd afschriften van de in een persoonsdossier opgenomen
rapporten aan de selectiefunctionarissen en de hoofden van de
inrichtingen waar de aan een persoon opgelegde straf of maatregel
wordt ten uitvoer gelegd.
4.Onze Minister verstrekt ten behoeve van het voorbereiden van enig
rapport of het uitoefenen van enig toezicht desgevraagd afschriften
van de in een persoonsdossier opgenomen rapporten aan:
a. de directeuren van de stichting en de
reclasseringsinstellingen, bedoeld in artikel 1, onder b en c van
de Reclasseringsregeling 1995;
b. de reclasseringswerkers, bedoeld in artikel 6, eerste lid,
van de Reclasseringsregeling 1995;
c. de directeur of ressortsdirecteur van de raad voor de
kinderbescherming.
5.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere personen of
instanties worden aangewezen aan wie ten behoeve van een juiste
toepassing van het strafrecht afschriften van rapporten uit een
persoonsdossier kunnen worden verstrekt. Daarbij kan tevens worden
bepaald van welke rapporten afschriften worden verstrekt. Tevens
kunnen nadere voorschriften worden gegeven in verband met de
verstrekking.
6.Behoudens ontheffing van Onze Minister, kunnen ten behoeve van
wetenschappelijk onderzoek of statistiek desgevraagd afschriften uit
rapporten uit een persoonsdossier worden verstrekt in zodanige vorm
dat herleiding tot individuele natuurlijke personen redelijkerwijs
wordt voorkomen. Onze Minister kan voorwaarden verbinden aan de
verstrekking van deze gegevens.
Artikel 43
1.Onze Minister deelt een ieder op diens verzoek binnen vier weken
mede of en zo ja welke deze persoon betreffende rapporten in de
persoonsdossiers in de documentatie persoonsdossiers zijn opgenomen.
2.Hij doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm, tenzij
hij weigert een mededeling te doen.
3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent het verzoek en de wijze van kennisneming.
Artikel 44
1.Elke verstrekking van afschriften van rapporten uit
persoonsdossiers, overeenkomstig artikel 41 wordt vastgelegd en ten
minste gedurende één jaar bewaard.
2.Onze Minister deelt een ieder op diens verzoek schriftelijk
binnen vier weken mede of hem betreffende afschriften van rapporten
uit de persoonsdossiers in het jaar voorafgaande aan het verzoek
overeenkomstig artikel 42 zijn verstrekt.
Artikel 45
Op de behandeling van verzoeken als bedoeld in het eerste lid van
artikel 43 en het tweede lid van artikel 44 is artikel 20 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 46
1.Degene aan wie overeenkomstig artikel 43 kennis is gegeven van
hem betreffende rapporten, kan Onze Minister schriftelijk verzoeken de
persoonsgegevens in deze rapporten te verbeteren, aan te vullen, te
verwijderen of af te schermen, indien deze feitelijk onjuist, voor het
doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan
wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het
verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.
2.Het tweede en derde lid van artikel 22 zijn van toepassing.
Artikel 47
1.Een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 44 of 46
geldt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van
de Algemene wet bestuursrecht.
2.De artikelen 47 en 48 van de Wet bescherming persoonsgegevens
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 48
1.Indien Onze Minister persoonsgegevens in rapporten uit een
persoonsdossier heeft verbeterd, aangevuld, verwijderd of afgeschermd
doet hij aan de in artikel 42 bedoelde personen of instanties aan wie
in het jaar voorafgaand aan het verzoek en in de sinds dat verzoek
verstreken periode de betrokken persoonsgegevens zijn verstrekt, zo
spoedig mogelijk mededeling van deze verbetering, aanvulling,
verwijdering of afscherming, tenzij dit onmogelijk blijkt of een
onevenredige inspanning kost.
2.Het tweede lid van artikel 24 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 49
1.Onze Minister kan voor een mededeling als bedoeld in artikel 43
of 44 een vergoeding van kosten verlangen die niet hoger is dan een
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen
bedrag. Daarbij wordt tevens de wijze van betaling bepaald.
2.De vergoeding wordt teruggegeven ingeval Onze Minister op verzoek
van de betrokkene, op aanbeveling van de College bescherming
persoonsgegevens of op bevel van de rechter tot verbetering,
aanvulling, verwijdering of afscherming is overgegaan.
Artikel 50
1.Degene over wie één of meer persoonsgegevens in
persoonsdossiers zijn verwerkt kan bij Onze Minister verzet hiertegen
aantekenen wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden.
2.Onze Minister beoordeelt, gehoord het openbaar ministerie en de
instelling die het rapport heeft opgemaakt, binnen vier weken na
ontvangst van het verzet of het verzet gerechtvaardigd is. Indien het
verzet gerechtvaardigd is, beëindigt hij terstond de verwerking.
3.Artikel 49 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 51
Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing op de verwerking van
persoonsgegevens in persoonsdossiers.
Titel 4. Slotbepalingen
Artikel 52
1.Een ieder die krachtens deze wet de beschikking krijgt over
gegevens met betrekking tot een derde, is verplicht tot geheimhouding
daarvan, behoudens voorzover een bij of krachtens deze wet gegeven
voorschrift mededelingen toelaat, dan wel de uitvoering van de taak
met het oog waarop de gegevens zijn verstrekt tot het ter kennis
brengen daarvan noodzaakt.
2.Artikel 272, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet
van toepassing
Artikel 53
De Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent
het gedrag (Stb. 1955, 395) wordt ingetrokken.
Artikel 54
[Wijzigt de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdienste.]
Artikel 55
[Wijzigt de Advocatenwet]
Artikel 56
[Wijzigt de Wet tarieven in strafzaken]
Artikel 57
[Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs]
Artikel 58
[Wijzigt de Wet op de expertisecentra]
Artikel 59
[Wijzigt de Wet op het primair onderwijs]
Artikel 60
[Wijzigt de Wet op de erkende onderwijsinstellingen]
Artikel 61
[Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs]
Artikel 62
[Wijzigt de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's]
Artikel 63
[Wijzigt de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen]
Artikel 64
[Wijzigt de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet
onderwijs]
Artikel 65
[Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet]
Artikel 66
[Wijzigt de Wet beëedigde vertalers]
Artikel 67
[Wijzigt de Wet gebruik Friese taal in het rechtsverkeer]
Artikel 68
[Wijzigt de Wet politieregisters]
Artikel 69
[Wijzigt de Wet veiligheidsonderzoeken]
Artikel 70
[Wijzigt de Spoorwegwet]
Artikel 71
[Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens]
Artikel 72
[Wijzigt de Wet op het notarisambt]
Artikel 73
[Wijzigt deze wet, de Wet politieregisters en de Luchtvaartwet]
Artikel 74
[Wijzigt deze wet]
Artikel 75
Aan de in artikel 9 bedoelde personen of instanties worden tevens de
justitiële gegevens over minderjarigen verstrekt die overeenkomstig de
Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het
gedrag zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Wet van 7 juli
1994 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van
Strafvordering en andere wetten in verband met de herziening van het
strafrecht voor jeugdigen (Stb. 528) waren opgenomen in het
strafregister.
Artikel 76
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet
aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 77
Indien voor het moment van inwerkingtreding van deze wet een aanvraag
om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk
persoon is gedaan, zijn op de behandeling van de aanvraag en de daaruit
voortvloeiende procedures de bepalingen van toepassing zoals die luiden
voor inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 78
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 79
Deze wet wordt aangehaald als: Wet justitiële en strafvorderlijke
gegevens.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 7 november 2002
BEATRIX
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de negentiende november 2002
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|
|