Nadere regelgeving:
- Beleidsregels kwaliteit kinderopvang
- Besluit kinderopvangtoeslag en
tegemoetkomingen in kosten kinderopvang
- Regeling Wet kinderopvang
WET van 9 juli 2004 tot regeling met
betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang en
waarborging van de kwaliteit van kinderopvang (Wet kinderopvang)
¹
1. Redactie: ingevolge artikel
I, onderdeel BBB, van de Wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wet
kinderopvang, de Wet
op het onderwijstoezicht, de Wet
op het primair onderwijs en enkele andere wetten
in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid (Stb.
2010, 296) is de Wet kinderopvang met ingang van 1 augustus 2010
voorzien van een nieuwe citeertitel, luidende: Wet kinderopvang en
kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is om regels
te stellen met betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van
kinderopvang en om de kwaliteit van kinderopvang te waarborgen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Kinderopvang
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
1. In dit hoofdstuk en de op dit hoofdstuk rustende bepalingen wordt
verstaan onder:
beroepskracht:
1°. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een
kindercentrum en is belast met de verzorging, de opvoeding en het
bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen;
2°. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een
gastouderbureau en is belast met het tot stand brengen en begeleiden van
gastouderopvang;
beroepskracht in opleiding: degene die de beroepsbegeleidende leerweg
volgt, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, en ten behoeve
van beroepspraktijkvorming is belast met de verzorging, de opvoeding en
het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een kindercentrum of
voorziening voor gastouderopvang;
beroepskracht voorschoolse educatie: degene die als beroepskracht
werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de
opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in artikel 1.50b, onderdeel
a;
gastouder: de natuurlijke persoon van 18 jaar of ouder die
gastouderopvang biedt, met uitzondering van natuurlijke personen van wie
een of meer kinderen op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
gronden onderworpen zijn aan ondertoezichtstelling of voorlopige
ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 254, onderscheidenlijk
artikel 255, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, en met uitzondering
van de persoon die op hetzelfde woonadres als de ouder of diens partner
staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens;
gastouderbureau: een organisatie die gastouderopvang tot stand brengt en
begeleidt en door tussenkomst van wie de betaling van ouders aan
gastouders geschiedt;
gastouderopvang: kinderopvang:
a. die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd
gastouderbureau;
b. die plaatsvindt in een gezinssituatie door een ander dan degene die
als ouder op grond van artikel 1.5, eerste lid, aanspraak kan maken op
een kinderopvangtoeslag onderscheidenlijk een tegemoetkoming of diens
partner;
c. waarbij de houder in totaal niet meer dan één voorziening voor
gastouderopvang exploiteert;
d. waarbij de opvang plaatsvindt op het woonadres van de gastouder of op
het woonadres van een van de ouders; en
e. bestaande uit de gelijktijdige opvang van ten hoogste zes kinderen,
waaronder begrepen de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn
van de gastouder of zijn partner, die in belangrijke mate wordt
onderhouden door de gastouder of zijn partner en op hetzelfde woonadres
als de gastouder staat ingeschreven in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens en de leeftijd van tien jaar nog
niet heeft bereikt. Met een bloedverwant of aanverwant in de neergaande
lijn wordt gelijkgesteld een pleegkind dat de leeftijd van tien jaar nog
niet heeft bereikt;
GGD: een gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 14 van
de Wet publieke gezondheid;
houder: de rechtspersoon of natuurlijke persoon van 18 jaar of ouder die
een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een
gastouderbureau exploiteert;
kindercentrum: een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt, anders dan
gastouderopvang;
kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen,
opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag
van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint;
kinderopvangtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onder j, van de Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen in de kosten van kinderopvang;
Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
ouder: de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een
kind op wie de kinderopvang betrekking heeft, met dien verstande dat bij
de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een subsidie op grond
van de Wet op de jeugdzorg buiten beschouwing blijft;
oudercommissie: de commissie, bedoeld in artikel 1.58;
overheidswerkgever: de werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van
de Wet financiering sociale verzekeringen;
overheidswerknemer: de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel p, van
de Wet financiering sociale verzekeringen;
register kinderopvang: het register kinderopvang, bedoeld in artikel
47a;
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
uitvoeringskosten: de kosten die door een gastouderbureau in rekening
worden gebracht bij de ouder of de gastouder, niet zijnde de kosten van
gastouderopvang;
voorschoolse educatie: uitvoering van een door het college van
burgemeester en wethouders gesubsidieerd programma dat gericht is op het
verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het
basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden
toegelaten;
vrijwilliger: degene die structureel al dan niet tegen een
vrijwilligersvergoeding op regelmatige, niet incidentele, basis werkzaam
is in de kinderopvang en is belast met de verzorging, de opvoeding en
het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen;
werkgever: de werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel q, van de Wet
financiering sociale verzekeringen;
werknemer: de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Wet
financiering sociale verzekeringen.
2. Tot kinderopvang worden niet gerekend:
a. het toezichthouden op schoolgaande kinderen dat zich beperkt tot het
toezicht tijdens de middagpauze;
b. de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van
kinderen in een peuterspeelzaal als bedoeld in artikel 2.1;
c. verzorging en opvoeding die plaatsvindt in het kader van de Wet op de
jeugdzorg;
d. de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van
kinderen, anders dan gastouderopvang, die geschiedt op een plaats waar
het kind zijn hoofdverblijf heeft.
Artikel 1.1a
1. Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met
uitzondering van artikel 5, van toepassing, met dien verstande dat met
de aanwezigheid van een partner geen rekening wordt gehouden in de
kalendermaand waarin het partnerschap aanvangt of eindigt.
2. De uitvoering van het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van de
kinderopvangtoeslag is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen.
3. In afwijking in zoverre van het eerste lid zijn met betrekking tot
tegemoetkomingen van de gemeente en van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen alleen de volgende bepalingen van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen van overeenkomstige toepassing:
a. artikel 2, eerste lid, onderdelen b, g en p,
b. artikel 3,
c. artikel 4,
d. artikel 6,
e. artikel 9,
f. artikel 10,
g. artikel 44.
4. In afwijking van artikel 4, derde lid, van de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen wordt een kind voor wie de pleegouder
een subsidie ontvangt op grond van de Wet op de jeugdzorg, geacht door
die pleegouder in belangrijke mate te worden onderhouden.
Artikel 2 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 3 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 4 [Vervallen per 01-09-2005]
Afdeling 2. Kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in de kosten van
kinderopvang
Paragraaf 1. Aanspraken op kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in de
kosten van kinderopvang
Artikel 1.5
1. Een ouder heeft aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem
of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk
aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te
betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft:
a. kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum; of
b. gastouderopvang in een geregistreerde voorziening voor
gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd
gastouderbureau.
2. Een ouder en diens partner die tevens ouder is worden voor de
toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben.
3. Indien een gastouderbureau uit het register kinderopvang, bedoeld in
artikel 47a, wordt verwijderd, geldt de in het eerste lid, onderdeel b,
bedoelde voorwaarde van registratie van het gastouderbureau niet,
gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
uitlooptermijn waarbinnen de voorziening voor gastouderopvang op grond
van artikel 47a, tweede lid, onderdeel c, in het register kinderopvang
ingeschreven blijft.
Paragraaf 2. Kinderopvangtoeslag
Artikel 1.6
1. Een ouder heeft voor een berekeningsjaar aanspraak op een
kinderopvangtoeslag, indien de ouder in dat jaar:
a. tegenwoordige arbeid verricht waaruit inkomen uit werk en woning in
de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt genoten,
b. zonder enige vergoeding arbeid verricht in de onderneming van de
partner in de zin van artikel 3.78 van de Wet inkomstenbelasting 2001,
c. algemene bijstand of een uitkering ontvangt op grond van de Wet werk
en bijstand, de Wet investeren in jongeren, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen of de Algemene nabestaandenwet, en gebruik maakt van een
voorziening, gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7,
eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand, artikel 11, eerste
lid, van de Wet investeren in jongeren, artikel 34, eerste lid, onder a,
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers en artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, die de noodzaak tot kinderopvang met zich brengt,
d. een uitkering ontvangt op grond van de Wet werk en inkomen
kunstenaars, en gebruik maakt van een voorziening, gericht op
arbeidsinschakeling in het kader van de uitoefening van een gemengde
beroepspraktijk als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet werk
en inkomen kunstenaars,
e. de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, scholing of een
opleiding volgt en met toepassing van artikel 16 of artikel 18, eerste
en vierde lid, van de Wet werk en bijstand algemene bijstand ontvangt of
kan ontvangen,
f. als niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekende is geregistreerd bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, en gebruik
maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand,
g. een inburgeringsvoorziening volgt als bedoeld in artikel 19 van de
Wet inburgering, met uitzondering van de ouder die op grond van de
onderdelen c of h van dit artikellid een tegemoetkoming ontvangt,
h. recht heeft op of een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk II
van de Werkloosheidswet, en blijkens de bijlage of het plan, bedoeld in
artikel 29, tweede lid, van die wet, deelneemt aan een traject gericht
op het vergroten van de mogelijkheden tot inschakeling in het
arbeidsproces of onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld
in artikel 76a van die wet bij een werkgever verricht,
i. recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, arbeidsondersteuning op
grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of een
uitkering op grond van hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen of recht heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet:
1°. ten behoeve van wie het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen werkzaamheden, gericht op de bevordering van de
inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld in artikel 30a, achtste
lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen laat
verrichten,
2°. ten behoeve van wie de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 82 van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen werkzaamheden, gericht op de
bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld in
artikel 42 van die wet laat verrichten, of
3°. werkzaamheden op een proefplaats verricht als bedoeld in artikel
65g van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 2:24 of
3:69 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, artikel
67e van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel
37 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of artikel 52e van de
Ziektewet,
j. is ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld in paragraaf
2.2 of 2.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten
dan wel als bedoeld in de artikelen 2.8 tot en met 2.11 van de Wet
studiefinanciering 2000.
k. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]
l. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden.]
2. Een ouder die niet in Nederland woont, heeft slechts aanspraak op een
kinderopvangtoeslag indien hij in een andere lidstaat of Zwitserland
woont en, daartoe gerechtigd, in Nederland arbeid verricht of een
uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onder c, d, e, h of i,
en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde
voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
3. Een ouder met een partner heeft slechts aanspraak op een
kinderopvangtoeslag, indien de partner in Nederland, een andere lidstaat
of Zwitserland woont, en
a. in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland arbeid verricht,
b. een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onder c, d, e,
h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde
voorziening gericht op arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare
uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de
wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland,
c. werkloos wordt als bedoeld in het tweede lid en een uitkering
ontvangt als bedoeld in het tweede lid, onder a of b, of een daarmee
vergelijkbare uitkering, vastgesteld krachtens de wetgeving van een
andere lidstaat of Zwitserland, of
d. een persoon is als bedoeld in het eerste lid, onder f, g, j, k of l.
4. Voor de toepassing van deze wet wordt met inkomen uit werk en woning
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gelijkgesteld een daarmee
overeenkomend inkomen dat niet tot het verzamelinkomen van de ouder
behoort omdat het niet behoort tot het Nederlands inkomen als bedoeld in
hoofdstuk 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of is vrijgesteld op
grond van bepalingen van internationaal recht.
5. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
Artikel 1.7
1. De hoogte van de kinderopvangtoeslag is afhankelijk van:
a. de draagkracht, en
b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:
1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,
2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het
bedrag, bedoeld in het tweede lid, en
3º. de soort kinderopvang.
2. De uurprijs die bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in
het eerste lid, in aanmerking wordt genomen gaat een bij algemene
maatregel van bestuur vast te stellen bedrag niet te boven. Dat bedrag
kan per soort kinderopvang verschillend worden vastgesteld en kan voor
kinderopvang die plaatsvindt in landen die geen deel uitmaken van de
Europese Unie dan wel geen partij zijn bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte lager worden vastgesteld.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over
de redelijke verhouding tussen het aantal, al dan niet in dienstverband,
gewerkte uren van de ouder en zijn partner alsmede de in verband daarmee
benodigde reistijd, en het aantal uren kinderopvang waarvoor toeslag kan
worden aangevraagd. Desgevraagd toont de ouder ten genoegen van de
Belastingdienst/Toeslagen aan dat aan de in de eerste volzin bedoelde
regels is voldaan.
4. Het aantal uren kinderopvang dat in aanmerking wordt genomen bij de
hoogte van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in het eerste lid, gaat een
bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen maximum, dat per
soort kinderopvang of per leeftijdsgroep verschillend kan worden
vastgesteld, niet te boven.
5. De bedragen, bedoeld in het tweede lid, en de mate waarin het
toetsingsinkomen van de ouder en, indien hij een partner heeft, dat van
zijn partner een rol speelt bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag,
worden per 1 januari van ieder kalenderjaar bij regeling van Onze
Minister herzien aan de hand van een bij algemene maatregel van bestuur
aan te wijzen index ter zake van lonen of prijzen.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent de hoogte en de berekeningswijze van de
kinderopvangtoeslag, waarbij tevens tabellen worden vastgesteld, waaruit
de relatie tussen de kosten van kinderopvang en de kinderopvangtoeslag
kan worden afgelezen.
Artikel 1.8
1. Indien een ouder en diens partner tegenwoordige arbeid verrichten als
bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder a of b, wordt de
kinderopvangtoeslag vermeerderd met een bedrag dat overeenkomt met een
derde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7,
eerste lid.
2. Voor een ouder die geen partner heeft en tegenwoordige arbeid
verricht als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder a of b, wordt de
kinderopvangtoeslag vermeerderd met een bedrag dat overeenkomt met een
zesde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7,
eerste lid.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een ouder met een
partner die een persoon is als bedoeld in artikel 1.22, eerste lid,
onderdeel a, of artikel 1.29, eerste lid, onderdeel a.
4. Bij de toepassing van het eerste tot en met derde lid is artikel 1.7,
tweede en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.9
1. De financiële middelen tot dekking van de uitgaven voor de
vermeerdering van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in artikel 1.8, eerste
tot en met derde lid, voor zover toegekend aan ouders die als werknemer
of overheidswerknemer tegenwoordige arbeid verrichten als bedoeld in
artikel 1.6, eerste lid, onder a, worden verkregen door het heffen van
een opslag op de premie die ten gunste komt van het sectorfonds, bedoeld
in artikel 23, tweede lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen, onderscheidenlijk de premie, bedoeld in artikel 29 van
die wet.
2. De premieopslagen, bedoeld in het eerste lid, zijn verschuldigd door
de werkgever onderscheidenlijk de overheidswerkgever.
3. De premieopslagen worden vastgesteld bij ministeriële regeling. De
artikelen 26 onderscheidenlijk 31 van de Wet financiering sociale
verzekeringen zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Op de heffing en invordering van de premieopslagen zijn de artikelen
57, 59 en 60 van de Wet financiering sociale verzekeringen van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.10
Met het oog op toepassing van artikel 1.5, eerste lid, verstrekt de in
dat lid bedoelde ouder aan de instantie die de kinderopvangtoeslag
uitkeert, het unieke nummer, bedoeld in artikel 1.47a, derde lid. Bij
regeling van Onze Minister kunnen voorschriften worden gegeven met
betrekking tot de verstrekking.
Artikel 11 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 12 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 13 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 14 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 15 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 16 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 17 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 18 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 19 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 20 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 21 [Vervallen per 01-09-2005]
Paragraaf 3. Tegemoetkoming van de gemeente
Artikel 1.22
1. Een ouder heeft in een berekeningsjaar aanspraak op een
tegemoetkoming van de gemeente:
a. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is die een uitkering
ontvangt en gebruik maakt van een voorziening gericht op
arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder c, d
of e, of als niet-uitkeringsgerechtigde gebruik maakt van een
voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 1.6,
eerste lid, onder f, voor wie het college van burgemeester en wethouders
op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, of derde lid,
tweede zin, van de Wet werk en bijstand, artikel 11, eerste lid, van de
Wet investeren in jongeren, artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, artikel 30a, derde lid, onder a, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of artikel 72, tweede lid, van de
Werkloosheidswet, verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij
arbeidsinschakeling of die gebruik maakt van een voorziening, gericht op
arbeidsinschakeling in het kader van een gemengde beroepspraktijk als
bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet werk en inkomen
kunstenaars;
b. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel
1.6, eerste lid, onder g, j, k of l;
c. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a of
b, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere
lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in
artikel 1.6, eerste lid, onder c, d, of e, en gebruik maakt van een in
één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op
arbeidsinschakeling, voor wie het college van burgemeester en wethouders
op grond van de wetten, genoemd onder a, verantwoordelijk is voor het
ondersteunen bij arbeidsinschakeling, of een daarmee vergelijkbare
uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de
wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland, of voor zover de
partner in dat jaar een persoon is als bedoeld onder b;
d. voor zover de ouder in dat jaar een persoon als bedoeld onder a of b,
en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere
lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in
artikel 1.6, eerste lid, onder h of i, en gebruik maakt van een in één
van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling,
voor wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling of een
daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld
krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland;
e. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel
1.29, eerste lid, onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon als
bedoeld onder c;
f. voor zover de ouder in dat jaar een persoon als bedoeld onder a of b,
en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere
lidstaat of Zwitserland woont en in Nederland, een andere lidstaat of
Zwitserland arbeid verricht;
g. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel
1.6, eerste lid, onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon als
bedoeld onder c.
2. Aanspraak op een tegemoetkoming van de gemeente heeft eveneens een
ouder, voor zover de ouder in een berekeningsjaar een persoon is als
bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder a, en algemene bijstand
ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand, of een
inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren en,
indien hij een partner heeft, voor zover zijn partner een persoon is die
in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en in Nederland,
een andere lidstaat of Zwitserland arbeid verricht en algemene bijstand
ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand of een daarmee
vergelijkbare uitkering, vastgesteld krachtens de wetgeving van een
andere lidstaat of Zwitserland.
3. De aanspraak bestaat jegens de gemeente waar de ouder zijn woonplaats
heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van
het Burgerlijk Wetboek.
4. Een persoon als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, heeft
slechts aanspraak op een tegemoetkoming, indien hij geen partner heeft.
Artikel 1.23 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Het college van burgemeester en wethouders stelt op aanvraag van de
ouder vast of hij of zijn partner dan wel het kind van de ouder een
geïndiceerde persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel
k of l, en in welke mate uit dien hoofde, voor zover andere
voorzieningen geen passender oplossing kunnen bieden, kinderopvang in de
zin van deze wet noodzakelijk is.
2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend bij het
college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de ouder
zijn woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11
van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Alvorens te besluiten, wint het college van burgemeester en
wethouders ten behoeve van de vaststelling van de noodzakelijkheid van
kinderopvang als bedoeld in het eerste lid advies in van een
onafhankelijke organisatie die beschikt over adequate deskundigheid.
4. Het besluit van het college van burgemeester en wethouders vermeldt
de geldigheidsduur van de indicatie.
5. Het college van burgemeester en wethouders kan periodiek herindicatie
verrichten van personen als bedoeld in het eerste lid. De herindicatie
vindt plaats overeenkomstig het derde lid.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen:
a. nadere regels worden gesteld met betrekking tot de krachtens dit
artikel aan de gemeente opgedragen taken en de wijze van uitoefening
daarvan;
b. organisaties als bedoeld in het derde lid worden aangewezen, waarbij
tevens regels kunnen worden gesteld omtrent de door die organisaties te
hanteren werkwijze.
Artikel 1.24
1. De tegemoetkoming van de gemeente bedraagt:
a. voor een ouder als bedoeld in artikel 1.22 eerste lid, onder c,
voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste
lid, onder c, e of f, een derde deel van de kosten van kinderopvang,
verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen
bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van de
gemeente niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in
artikel 1.7, eerste lid;
b. voor een ouder als bedoeld in artikel 1.22, eerste lid, onder c, voor
zover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid,
onder d, g, j, k of l, een derde deel van de kosten van kinderopvang,
bedoeld in artikel 1.7, eerste lid.
2. De tegemoetkoming van de gemeente bedraagt:
a. voor een ouder als bedoeld in artikel 1.22, eerste lid, onder a, b,
d, e, f of g, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel
1.6, eerste lid, onder c, e of f, een zesde deel van de kosten van
kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig
vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en
tegemoetkoming van de gemeente niet meer bedraagt dan kosten van
kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid;
b. voor een ouder als bedoeld in artikel 1.22, eerste lid, onder a, b,
d, e, f of g, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel
1.6, eerste lid, onder d, g, j, k of l, een zesde deel van de kosten van
kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid.
3. De tegemoetkoming van de gemeente bedraagt voor een ouder of zijn
partner als bedoeld in artikel 1.22, tweede lid, een bij regeling van
Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan
kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van de gemeente niet meer bedraagt
dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter
voorkoming van samenloop van tegemoetkomingen ingevolge dit artikel,
voorzover de ouder en zijn partner personen zijn als bedoeld in het
eerste lid, onder a, onderscheidenlijk met tegemoetkomingen ingevolge
artikel 1.30, voorzover het gevallen betreft, waarin, ofwel de ouder
ofwel zijn partner een persoon is als bedoeld in het tweede lid, onder
a, en de ander een persoon is als bedoeld in artikel 1.30, tweede lid.
Artikel 1.25
De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast omtrent de
tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels hebben betrekking op de
verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de
tegemoetkoming.
Artikel 1.26
1. De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college van
burgemeester en wethouders.
2. De ouder doet bij de aanvraag zo mogelijk opgave van zijn
burgerservicenummer, of bij het ontbreken daarvan, zijn
sociaal-fiscaalnummer en dat van zijn partner en van het kind waarop de
tegemoetkoming betrekking heeft.
3. Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede ondertekend
door die partner.
Artikel 1.27
Het college van burgemeester en wethouders maakt bij de uitvoering van
deze wet gebruik van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, het sociaal-fiscaalnummer.
Artikel 1.28
1. De ouder verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester en
wethouders alle gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die
voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente
van belang zijn.
2. De inlichtingen en gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden
verstrekt binnen een door het college van burgemeester en wethouders te
stellen redelijke termijn.
3. Inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van
een lagere tegemoetkoming worden, onmiddellijk na het bekend worden
daarvan, door de ouder schriftelijk verstrekt aan het college van
burgemeester en wethouders.
4. De houder verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester en
wethouders alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak van een
ouder op de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn.
Paragraaf 4. Tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
Artikel 1.29
1. Een ouder heeft in een berekeningsjaar aanspraak op een
tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen:
a. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is die een uitkering
ontvangt en gebruik maakt van een voorziening gericht op
arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder h of
i, tenzij het college van burgemeester en wethouders op grond van
artikel 72, tweede lid, van de Werkloosheidswet, artikel 30a, derde lid,
onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of
op grond van artikel 7, derde lid, tweede zin, van de Wet werk en
bijstand verantwoordelijk is voor het ondersteunen van die ouder bij
arbeidsinschakeling;
b. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a,
en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere
lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in
artikel 1.6, eerste lid, onder h of i, en gebruik maakt van een in één
van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling,
tenzij het college van burgemeester en wethouders op grond van de
wetten, genoemd onder a, verantwoordelijk is voor het ondersteunen van
die partner bij arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare
uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de
wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland;
c. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a,
en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld in artikel 1.22,
eerste lid, onder c;
d. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel
1.22, eerste lid, onder a of b, en zijn partner in dat jaar een persoon
als bedoeld onder b;
e. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a,
en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere
lidstaat of Zwitserland woont en in Nederland, een andere lidstaat of
Zwitserland arbeid verricht;
f. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel
1.6, eerste lid, onder a, en zijn partner een persoon als bedoeld onder
b.
2. Een persoon als bedoeld in het eerste lid onder a heeft slechts
aanspraak op een tegemoetkoming indien hij geen partner heeft.
Artikel 1.30
1. De tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bedraagt voor een ouder als bedoeld in artikel
1.29, eerste lid, onder b, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld
in artikel 1.6, eerste lid, onder h of i, een derde deel van de kosten
van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister
zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag
en tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel
1.7, eerste lid.
2. De tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bedraagt voor de overige ouders, bedoeld in
artikel 1.29, eerste lid, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld
in artikel 1.6, eerste lid, onder h of i, een zesde deel van de kosten
van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister
zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag
en tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel
1.7, eerste lid.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter
voorkoming van samenloop van tegemoetkomingen ingevolge dit artikel,
voorzover de ouder en zijn partner personen zijn als bedoeld in het
eerste lid, onderscheidenlijk met tegemoetkomingen ingevolge artikel
1.24, voorzover het gevallen betreft, waarin, ofwel de ouder ofwel zijn
partner een persoon is als bedoeld in het tweede lid en de ander een
persoon is als bedoeld in artikel 1.24, tweede lid, onder a.
Artikel 1.31
1. De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
2. De ouder doet bij de aanvraag zo mogelijk opgave van zijn zijn
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, zijn
sociaal-fiscaalnummer en dat van zijn partner en van het kind waarop de
tegemoetkoming betrekking heeft.
3. Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede ondertekend
door die partner.
Artikel 1.32
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen maakt bij de uitvoering
van deze wet gebruik van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, het sociaal-fiscaalnummer.
Artikel 1.33
1. De ouder verstrekt desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen alle gegevens en inlichtingen van hem en zijn
partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van
het Uitvoeringsinstituut van belang zijn.
2. De inlichtingen en gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden
verstrekt binnen een door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen te stellen redelijke termijn.
3. Inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van
een lagere tegemoetkoming worden, onmiddellijk na het bekend worden
daarvan, door de ouder schriftelijk verstrekt aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
4. De houder verstrekt desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen alle gegevens en inlichtingen die voor de
aanspraak van een ouder op de tegemoetkoming van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van belang zijn.
Artikel 1.34
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de
tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Paragraaf 5. Voortzetting aanspraak tegemoetkomingen
Artikel 1.35
1. Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten dat een
ouder, die een persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder
c tot en met f, voor wie het college van burgemeester en wethouders op
grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, of derde lid, tweede
volzin, van de Wet werk en bijstand, artikel 11, eerste lid, van de Wet
investeren in jongeren, artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, artikel 30a, derde lid, onder a, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of artikel 72, tweede lid, van de
Werkloosheidswet, verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij
arbeidsinschakeling of die gebruik maakt van een voorziening, gericht op
arbeidsinschakeling in het kader van een gemengde beroepspraktijk als
bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet werk en inkomen
kunstenaars, na beëindiging van de aanspraak op grond van artikel 1.22,
in aansluiting daarop aanspraak heeft op een tegemoetkoming jegens de
gemeente. Artikel 24 is van toepassing.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan besluiten dat
een ouder, die een persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid,
onder h of i, tenzij het college van burgemeester en wethouders op grond
van artikel 72, tweede lid, van de Werkloosheidswet, artikel 30a, derde
lid, onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen of op grond van artikel 7, derde lid, tweede volzin, van de Wet
werk en bijstand verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij
arbeidsinschakeling, na beëindiging van de aanspraak op grond van
artikel 1.29, in aansluiting daarop aanspraak heeft op een
tegemoetkoming jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
artikel 1.30 is van toepassing.
3. Een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt slechts
genomen met betrekking tot een ouder of diens partner, die naar het
oordeel van het college van burgemeesters en wethouders
onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of
een met het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vergelijkbaar
bestuursorgaan in een andere lidstaat of Zwitserland, naar vermogen
tracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. In een zodanig geval
heeft de ouder eveneens aanspraak op een kinderopvangtoeslag, voor zover
hij niet reeds een aanspraak heeft op grond van artikel 1.6.
4. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de
maximale duur van aanspraken, verleend op grond van het eerste of tweede
lid.
Paragraaf 6. Invordering
Artikel 36 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 37 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 1.38
1. Bedragen door een ouder of diens partner in het kader van deze wet
verschuldigd aan de gemeente worden ingevorderd door het college van
burgemeester en wethouders. Een bedrag is invorderbaar vanaf een maand
na de dag van dagtekening van de beschikking waarbij de vordering is
ontstaan.
2. De artikelen 58 tot en met 60 van de Wet werk en bijstand zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.39
Op de invordering van bedragen door een ouder of diens partner in het
kader van deze wet verschuldigd aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen zijn de artikelen 57 tot en met 57b van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 7. Overige bepalingen
Artikel 1.40
De kinderopvangtoeslag, alsmede de tegemoetkomingen van de gemeente of
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen blijven buiten
beschouwing bij de verlening van andere op het inkomen of vermogen
afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen.
Artikel 1.41
1. De tegemoetkomingen van de gemeente of het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen zijn niet vatbaar voor vervreemding, verpanding,
belening of beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of
toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tenzij
het betreft de inning van:
a. vorderingen van houders ter zake van verleende kinderopvang;
b. vorderingen van de gemeente of het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
2. Elk beding dat strijdt met het eerste lid, is nietig.
Artikel 42 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 43 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 1.44
De ouder en zijn partner zijn ten aanzien van schulden voortvloeiend uit
vorderingen van de gemeente of het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen ingevolge deze wet, hoofdelijk aansprakelijk.
Afdeling 3. Kwaliteit kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang
en gastouderbureaus
Paragraaf 1. Aanvraag en registratie
Artikel 1.45
1. Degene die voornemens is een kindercentrum of gastouderbureau in
exploitatie te nemen, doet daarvoor een aanvraag bij het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging.
2. De houder van een gastouderbureau dient een aanvraag in voor degene
die door zijn tussenkomst voornemens is gastouderopvang te bieden. De
aanvraag, bedoeld in de eerste volzin, wordt namens de gastouder gedaan
bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van
vestiging van de voorziening voor gastouderopvang.
3. Een kindercentrum, een gastouderbureau of een voorziening voor
gastouderopvang wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek
als bedoeld in artikel 1.62 heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de
exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het
bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven over
de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste
en tweede lid, en over de wijze van verstrekking van deze gegevens,
waaronder voorschriften over de verstrekking van het burgerservicenummer
of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer.
5. In de gevallen waarin het burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, het sociaal-fiscaalnummer, dient te worden verstrekt, is degene
ten behoeve van wie een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt
gedaan gehouden dat nummer te verstrekken aan degenen, bedoeld in het
tweede lid.
Artikel 1.46
1. Uiterlijk tien weken na de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste
of tweede lid, geeft het college van burgemeester en wethouders, bedoeld
in artikel 1.45, eerste of tweede lid, een beschikking af aan de houder
van een kindercentrum of gastouderbureau.
2. Indien na een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede
lid, uit het onderzoek, bedoeld in artikel 1.62, is gebleken dat de
exploitatie van het kindercentrum, het gastouderbureau onderscheidenlijk
de voorziening voor gastouderopvang redelijkerwijs zal plaatsvinden in
overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3
van deze afdeling, draagt het college van burgemeester en wethouders van
de gemeente van vestiging zorg voor de onverwijlde inschrijving van het
kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor
gastouderopvang in het register kinderopvang.
3. Het college van burgemeester en wethouders deelt de houder van het
kindercentrum of gastouderbureau schriftelijk mee dat inschrijving van
het kindercentrum, het gastouderbureau onderscheidenlijk de voorziening
voor gastouderopvang in het register kinderopvang heeft plaatsgevonden.
4. De houder van het gastouderbureau deelt de gastouder schriftelijk mee
dat inschrijving van de voorziening voor gastouderopvang in het register
kinderopvang heeft plaatsgevonden.
5. Bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid, doet het college
van burgemeester en wethouders opgave van de gegevens die ingevolge
artikel 1.45, vierde lid, zijn verstrekt.
6. Indien in een kindercentrum voorschoolse educatie wordt aangeboden,
neemt het college van burgemeester en wethouders dit op in het register
kinderopvang.
7. Het register kinderopvang is bij de gemeentesecretarie kosteloos te
raadplegen.
Artikel 1.47
1. De houder van een kindercentrum of gastouderbureau doet van
wijzigingen in de gegevens die bij de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45,
eerste of tweede lid, zijn verstrekt, onverwijld mededeling aan het
college van burgemeester en wethouders. Het college draagt er zorg voor
dat deze wijzigingen worden doorgevoerd in het register kinderopvang.
2. Het college van burgemeester en wethouders deelt de houder van het
kindercentrum of gastouderbureau schriftelijk mee dat de wijziging in
het register kinderopvang heeft plaatsgevonden.
3. De houder van het gastouderbureau deelt de gastouder schriftelijk mee
dat de wijziging in het register kinderopvang heeft plaatsgevonden.
Artikel 1.47a
1. Onze Minister draagt zorg voor de inrichting van een register
kinderopvang ten behoeve van de waarborging van de kwaliteit en de
rechtszekerheid van de kinderopvang en gastouderopvang alsmede ten
behoeve van het toezicht op en de handhaving van de bij of krachtens
afdeling 3 gestelde regels.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent het register kinderopvang. Deze regels hebben in ieder
geval betrekking op:
a. de vorm van het register;
b. de in het register op te nemen gegevens;
c. de vastlegging van gegevens in het register en de verwijdering van
gegevens daaruit;
d. de wijze waarop verbetering van onjuistheden in het register
plaatsvindt;
e. de verstrekking van gegevens;
f. de openbaarheid van gegevens;
g. de verantwoordelijkheden van degenen die gegevens aanleveren ten
behoeve van het register.
3. Kindercentra, gastouderbureau’s en voorzieningen voor
gastouderopvang worden in het register kinderopvang geregistreerd onder
een uniek nummer.
Artikel 1.48
1. Onze Minister kan een buiten Nederland gevestigd kindercentrum, een
buiten Nederland gevestigde voorziening voor gastouderopvang of een
buiten Nederland gevestigd gastouderbureau gelijkstellen met een
geregistreerd kindercentrum, een geregistreerde voorziening voor
gastouderopvang of een geregistreerd gastouderbureau, door opneming
ervan in een door hem bij te houden register buitenlandse kinderopvang.
2. Indien een ouder voornemens is gebruik te maken van een kindercentrum
of een voorziening voor gastouderopvang door tussenkomst van een
gastouderbureau buiten Nederland, doet hij bij Onze Minister een
aanvraag om opneming van dat centrum, die voorziening voor
gastouderopvang of dat bureau in het register buitenlandse kinderopvang.
Opname in dat register vindt slechts plaats, indien aannemelijk is
gemaakt dat de kwaliteit ervan naar aard en strekking overeenkomt met de
op grond van deze wet gestelde regels.
3. Onze Minister deelt de houder en de aanvrager schriftelijk mee dat
opneming van het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang
onderscheidenlijk het gastouderbureau in het register buitenlandse
kinderopvang heeft plaatsgevonden.
4. Onze Minister maakt de opneming in en verwijdering uit het register
buitenlandse kinderopvang bekend in de Staatscourant.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent
het register buitenlandse kinderopvang en de wijze waarop verbetering
van onjuistheden in dat register plaatsvindt.
6. De houder doet van wijzigingen in de gegevens die ten behoeve van de
opneming in het register buitenlandse kinderopvang zijn verstrekt,
onverwijld mededeling aan Onze Minister.
7. Onze Minister deelt de houder schriftelijk mee dat de wijzigingen in
het register buitenlandse kinderopvang zijn aangetekend.
8. De artikelen 1.45 tot en met 1.47 en 1.49 tot en met 1.60 en de
afdelingen 4 en 5 zijn niet van toepassing op een kindercentrum of een
gastouderbureau als bedoeld in het eerste lid.
9. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. de wijze waarop aannemelijk wordt gemaakt dat een kindercentrum,
voorziening voor gastouderopvang of gastouderbureau als bedoeld in het
eerste lid voldoet aan het tweede lid;
b. het toezicht op de naleving van het achtste lid;
c. het verstrekken van gegevens en inlichtingen door de ouder en de
houder alsmede de wijze waarop deze gegevens en inlichtingen worden
verstrekt ten behoeve van dat toezicht.
10. Indien blijkt dat de kwaliteit van het kindercentrum, de voorziening
voor gastouderopvang of het gastouderbureau niet langer naar aard en
strekking overeenkomt met de op grond van deze wet gestelde regels of
dat de houder niet voldoet aan enige verplichting die op grond van deze
wet op hem rust wordt het kindercentrum, de voorziening voor
gastouderopvang of het gastouderbureau uit het register verwijderd.
Artikel 1.48a
1. Bij regeling van Onze Minister kunnen categorieën van buiten
Nederland gevestigde kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang of
gastouderbureaus worden aangewezen die worden gelijkgesteld met
geregistreerde kindercentra, geregistreerde voorzieningen voor
gastouderopvang of geregistreerde gastouderbureaus, indien deze
kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang of gastouderbureaus
voldoen aan de in het land van vestiging geldende regels met betrekking
tot de kwaliteit en deze regels naar aard en naar strekking overeenkomen
met de bij of krachtens deze wet gestelde regels.
2. Artikel 1.48 is niet van toepassing op kindercentra, voorzieningen
voor gastouderopvang en gastouderbureaus als bedoeld in het eerste lid.
Paragraaf 2. Eisen
Artikel 1.49
1. Een houder van een kindercentrum biedt verantwoorde kinderopvang aan
waaronder wordt verstaan opvang die bijdraagt aan een goede en gezonde
ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving.
2. Een gastouder biedt verantwoorde gastouderopvang aan waaronder wordt
verstaan opvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van
het kind in een veilige en gezonde omgeving.
3. Een houder van een gastouderbureau draagt zorg voor een verantwoorde
uitvoering van de werkzaamheden van het bureau, waaronder wordt
verstaan:
a. het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang die bijdraagt
aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en
gezonde omgeving;
b. het doorgeleiden van de betalingen van ouders aan gastouders.
Artikel 1.50
1. De houder van een kindercentrum organiseert de kinderopvang op
zodanige wijze, voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief, als
kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een
zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, en voert een zodanig
pedagogisch beleid dat een en ander redelijkerwijs leidt tot
verantwoorde kinderopvang. Ter uitvoering van de eerste volzin besteedt
de houder in ieder geval aantoonbaar aandacht aan het aantal
beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per
leeftijdscategorie, de groepsgrootte, de opleidingseisen van de
beroepskrachten en de voorwaarden waaronder en de mate waarin
beroepskrachten in opleiding kunnen worden belast met de verzorging en
opvang van kinderen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld omtrent de kwaliteit van kinderopvang bij een
kindercentrum. Deze regels kunnen betrekking hebben op:
a. de veiligheid en de gezondheid;
b. de opleidingseisen waaraan de beroepskrachten voldoen;
c. de inzet van beroepskrachten in opleiding;
d. het aantal beroepskrachten en vrijwilligers in relatie tot het aantal
kinderen per leeftijdscategorie;
e. de groepsgrootte;
f. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk;
g. de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor
kinderopvang;
h. de beschikbare ruimte voor kinderen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld omtrent de kwaliteit van de kinderopvang bij een
kindercentrum. Deze regels kunnen betrekking hebben op:
a. de veiligheid en de gezondheid;
b. de opleidingseisen waaraan de beroepskrachten voldoen;
c. de inzet van beroepskrachten in opleiding;
d. het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per
leeftijdscategorie;
e. de groepsgrootte;
f. de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor
kinderopvang;
g. de beschikbare ruimte voor kinderen;
h. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk.
4. De houder van een kindercentrum en de personen werkzaam bij een
kindercentrum zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag,
afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
5. De verklaring, bedoeld in het derde lid, wordt aan de houder
overgelegd, voordat een persoon als bedoeld in het derde lid zijn
werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment dat zij wordt
overgelegd, niet ouder dan twee maanden.
5. Indien de houder of de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden
dat een persoon als bedoeld in het derde lid niet langer voldoet aan de
eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt
de houder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag
overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon
legt de verklaring over binnen een door de houder vast te stellen
termijn.
Artikel 1.50a
De houder van een kindercentrum neemt deel aan het overleg tussen het
college van burgemeester en wethouders en de bevoegde gezagsorganen van
scholen over het onderwijsachterstandenbeleid, bedoeld in de artikelen
167 en 167a van de Wet op het primair onderwijs en werkt mee aan de
totstandkoming van de afspraken en de nakoming ervan.
Artikel 1.50b
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie, indien dit wordt
gesubsidieerd door het college van burgemeester en wethouders. Deze
regels hebben in ieder geval betrekking op:
a. de opleidingseisen en de scholingseisen waaraan de beroepskrachten
voorschoolse educatie voldoen;
b. het aantal beroepskrachten voorschoolse educatie in relatie tot het
aantal kinderen;
c. de groepsgrootte; en
d. de minimum omvang van de voorschoolse educatie.
Artikel 1.51
De houder voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de
gezondheid van de op te vangen kinderen in elk door hem geëxploiteerd
kindercentrum zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder legt, voor zover
hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en regelgeving,
in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico's de opvang
van kinderen met zich brengt.
Artikel 1.52
1. Kinderopvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst
tussen de houder en de ouder.
2. De overeenkomst bevat geen beding dat de ouder verplicht tot afname
en betaling van een hoger aantal uren dan een bij regeling van Onze
Minister vastgesteld aantal uren per dag.
3. Het aantal uren, bedoeld in het tweede lid, kan per soort
kinderopvang verschillend worden vastgesteld.
Artikel 1.53
Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van een goede
uitvoering van deze wet regels worden gesteld met betrekking tot de
administratie van gegevens bij kindercentra.
Artikel 1.54
De houder informeert de ouders wier kinderen in het kindercentrum worden
opgevangen over het te voeren beleid als bedoeld in deze paragraaf.
Artikel 1.55
1. Bij kinderopvang in een kindercentrum of in een voorziening voor
gastouderopvang wordt de Nederlandse taal als voertaal gebruikt. Daar
waar naast de Nederlandse taal, de Friese taal of een streektaal in
levend gebruik is, kan de Friese taal of de streektaal mede als voertaal
worden gebruikt.
2. In afwijking van het eerste lid kan mede een andere taal als voertaal
worden gebezigd, indien de herkomst van de kinderen in specifieke
omstandigheden daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door de houder
vastgestelde gedragscode.
Artikel 1.56
1. De houder van een gastouderbureau organiseert zijn werkzaamheden op
zodanige wijze, voorziet het bureau zowel kwalitatief als kwantitatief
zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige
verantwoordelijkheidstoedeling en voert een zodanig beleid, dat een en
ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde uitvoering
van die werkzaamheden.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de kwaliteit van gastouderbureaus, waaronder regels
omtrent de opleidingseisen waaraan de beroepskrachten voldoen.
3. Op de houder van een gastouderbureau en personen, werkzaam bij een
gastouderbureau, is artikel 1.50, derde, vierde en vijfde lid, van
overeenkomstige toepassing.
4. Gastouderopvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst
tussen de houder van het gastouderbureau en de ouder. Bij regeling van
Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud
van de overeenkomst.
5. Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat de
uitvoeringskosten een bij die regeling vast te stellen maximum per nader
te bepalen soort kosten niet te boven gaan.
6. Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van een goede
uitvoering van deze wet regels worden gesteld omtrent:
a. de administratie van gegevens bij gastouderbureaus;
b. het betalingsverkeer tussen gastouders, het gastouderbureau en
vraagouders.
7. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent
de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het aantal
gastouders.
Artikel 1.56a
De houder van een gastouderbureau maakt ten behoeve van een goede
uitvoering van de bij of krachtens deze afdeling gestelde regels gebruik
van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, van het
sociaal-fiscaalnummer.
Artikel 1.56b
1. De gastouder beschikt over een zodanige deskundigheid, organiseert de
gastouderopvang op zodanige wijze, voorziet de voorziening voor
gastouderopvang zodanig van materieel en voert een zodanig pedagogisch
beleid, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot
verantwoorde gastouderopvang.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld omtrent de kwaliteit van de gastouderopvang. Deze regels
kunnen betrekking hebben op:
a. de veiligheid en de gezondheid;
b. de deskundigheidseisen waaraan de houder voldoet;
c. de groepsgrootte;
d. de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor
gastouderopvang;
e. de beschikbare ruimte voor kinderen;
f. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk.
3. De gastouder en andere personen van 18 jaar of ouder die op hetzelfde
woonadres als de houder hun hoofdverblijf hebben, alsmede de daar
werkzame vrijwilligers, zijn in het bezit van een verklaring omtrent het
gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke
gegevens.
4. De verklaringen, bedoeld in het derde lid, worden door de gastouder
aan de houder van het gastouderbureau overgelegd, voordat de gastouder
zijn werkzaamheden aanvangt. De verklaringen zijn op het moment dat zij
worden overgelegd, niet ouder dan twee maanden.
5. Indien de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon
als bedoeld in het derde lid niet langer voldoet aan de eisen voor het
afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de
toezichthouder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag
overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon
legt de verklaring over binnen een door de toezichthouder vast te
stellen termijn.
6. De artikelen 1.51, 1.53, 1.54 en 1.55 zijn van overeenkomstige
toepassing op de gastouder.
Artikel 1.57
Indien de kinderopvang in een kindercentrum geschiedt uitsluitend en
onbezoldigd door ten minste een van de ouders van de in die voorziening
opgevangen kinderen worden voor de toepassing van artikel 1.50, eerste
lid, ouders gelijkgesteld met personeel en beroepskrachten. Op ouders,
bedoeld in de eerste zin, is artikel 1.50, tweede tot en met vijfde lid,
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.57a
1. Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de
artikelen 1.49, 1.50, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 1.51, 1.56,
eerste en derde lid, en 1.56b, eerste, derde, vierde, vijfde en zesde
lid, voor zover dat laatste lid betrekking heeft op artikel 1.51.
2. De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de
Staatscourant.
Paragraaf 3. Oudercommissie
Artikel 1.58
1. Een houder van een kindercentrum of een gastouderbureau stelt voor
elk door hem geëxploiteerd kindercentrum of gastouderbureau een
oudercommissie in die tot taak heeft hem te adviseren over de
aangelegenheden, genoemd in artikel 1.60.
2. De leden van de oudercommissie worden gekozen uit en door degenen
wier kinderen in het kindercentrum of door tussenkomst van het
gastouderbureau worden opgevangen.
3. Personen werkzaam bij een kindercentrum onderscheidenlijk
gastouderbureau zijn geen lid van de oudercommissie van dat
kindercentrum of gastouderbureau.
4. De oudercommissie bepaalt haar eigen werkwijze.
Artikel 1.59
1. De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau stelt binnen
zes maanden na de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste lid, voor de
oudercommissie een reglement vast.
2. Het reglement bevat in ieder geval regels omtrent:
a. het aantal leden van de oudercommissie;
b. de wijze waarop de leden van de oudercommissie worden gekozen;
c. de zittingsduur van de leden van de oudercommissie.
3. Het reglement bevat geen regels omtrent de werkwijze van de
oudercommissie.
4. De oudercommissie beslist bij meerderheid van stemmen.
5. Wijziging van het reglement behoeft instemming van de oudercommissie.
Artikel 1.60
1. De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau stelt de
oudercommissie in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen
over elk voorgenomen besluit met betrekking tot:
a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 1.50 dan wel aan
artikel 1.56;
b. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemene beleid op
het gebied van opvoeding, veiligheid of gezondheid;
c. openingstijden;
d. het beleid met betrekking tot spel- en ontwikkelingsactiviteiten ten
behoeve van de kinderen, waaronder het aanbieden van voorschoolse
educatie;
e. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling
van klachten en het aanwijzen van personen die belast worden met de
behandeling van klachten;
f. wijziging van de prijs van kinderopvang.
2. Van een advies als bedoeld in het eerste lid kan de houder slechts
afwijken indien hij schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang
van de kinderopvang zich tegen het advies verzet.
3. De oudercommissie is bevoegd de houder ook ongevraagd te adviseren
over de onderwerpen, genoemd in het eerste lid.
4. De houder verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd
schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van zijn taak
redelijkerwijs nodig heeft.
Artikel 1.60a
De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau treft een
regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een
door hem genomen besluit als bedoeld in artikel 1.60, eerste lid. De
getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van
de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder of door een
persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht
betrekking heeft. De houder brengt de getroffen regeling op passende
wijze onder de aandacht van de oudercommissie. De artikelen 2, tweede
tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid, 2a, 3c en 4 van de
Wet klachtrecht cliënten zorgsector zijn van overeenkomstige
toepassing.
Afdeling 4. Handhaving
Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
Artikel 1.61
1. Het college van burgemeester en wethouders ziet toe op de naleving
van de bij of krachtens afdeling 3 gestelde regels, onderscheidenlijk de
krachtens artikel 1.65 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens
artikel 1.66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de
krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden en de in de
bij artikel 1.50b vastgestelde algemene maatregel van bestuur
vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie.
Het college van burgemeester en wethouders wijst de directeur van de GGD
aan als toezichthouder.
2. Voor zover een kindercentrum een voorziening voor gastouderopvang of
een gastouderbureau in een woning is gevestigd, zijn de toezichthouders
ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, bevoegd zonder
toestemming van de bewoners in die woning binnen te treden.
Artikel 1.62
1. De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel
1.45, eerste of tweede lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te
stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in
overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens afdeling 3, paragrafen
2 en 3.
2. Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of
de exploitatie van elk kindercentrum, elke voorziening voor
gastouderopvang of elk gastouderbureau plaatsvindt in overeenstemming
met de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, gestelde regels,
behoudens bijzondere omstandigheden.
3. Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de
toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door
een houder van de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3,
gestelde regels. Artikel 1.63 is van overeenkomstige toepassing, tenzij
de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage
verzetten.
Artikel 1.63
1. De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek
bij een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een
gastouderbureau vast in een inspectierapport.
2. Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of
krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, gegeven voorschriften niet zijn
of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
3. Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de
houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en
daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de
zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport.
4. De toezichthouder zendt het inspectierapport onverwijld aan de
houder, die een afschrift daarvan zo spoedig mogelijk ter inzage legt op
een voor ouders en personeel toegankelijke plaats.
5. De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na
de vaststelling daarvan openbaar.
6. De toezichthouder zendt een afschrift van het inspectierapport naar
aanleiding van een onderzoek bij een kindercentrum waar voorschoolse
educatie wordt aangeboden aan het college van burgemeester en wethouders
en aan de Inspectie van het onderwijs, indien in een of meer van de
basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, bedoeld in
artikel 1.61, tekortkomingen zijn geconstateerd.
Artikel 1.64
1. Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de door de
toezichthouder te hanteren werkwijze voor een onderzoek als bedoeld in
deze paragraaf.
2. De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de
Staatscourant.
Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
Artikel 1.65
1. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin
zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een
gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2
en 3, gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de
houder een schriftelijke aanwijzing geven.
2. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college van
burgemeester en wethouders met redenen omkleed aan op welke punten de in
het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden
nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
3. De toezichthouder kan een schriftelijk bevel geven aan een
kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang
indien hij oordeelt:
a. dat de kwaliteit van de kinderopvang bij een kindercentrum of een
voorziening voor gastouderopvang zodanig tekortschiet dat het nemen van
maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden; of
b. dat de kwaliteit van een gastouderbureau zodanig tekort schiet, en
daardoor het risico bestaat dat ook de kwaliteit van de gastouderopvang
in gevaar komt, dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen
uitstel kan lijden.
4. Het bevel, bedoeld in het derde lid, heeft een geldigheidsduur van
zeven dagen, welke door het college van burgemeester en wethouders kan
worden verlengd.
5. De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing
onderscheidenlijk het bevel gestelde termijn.
Artikel 1.66
1. Het college van burgemeester en wethouders kan de houder verbieden de
exploitatie van een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang
of een gastouderbureau voort te zetten, zolang hij een bevel of
aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang
niet mogelijk is.
2. Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 blijkt dat het
kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het
gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of
krachtens afdeling 3, paragraaf 2, gegeven voorschriften zal voldoen,
kan het college van burgemeester en wethouders zolang die situatie zich
voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor
gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen.
Artikel 1.67
1. Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks op een
door Onze Minister te bepalen tijdstip een verslag vast van alle
werkzaamheden die hij en de toezichthouders in het kader van dit
hoofdstuk in het voorafgaande kalenderjaar hebben verricht. Het college
zendt het verslag aan de gemeenteraad en een afschrift daarvan aan Onze
Minister.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de in het verslag op te nemen gegevens.
Paragraaf 2a. Informatieverstrekking aan de GGD
Artikel 1.67a
De Belastingdienst/Toeslagen verstrekt aan de GGD kosteloos de gegevens
en inlichtingen waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor het
toezicht op de naleving van de bij of krachtens hoofdstuk 3 gestelde
regels.
Paragraaf 3. Rijkstoezicht op gemeentelijk toezicht en ingrijpen
Artikel 1.68
1. Onze Minister houdt toezicht op de rechtmatigheid en de
doeltreffendheid van de uitvoering van de bij of krachtens afdeling 3,
paragraaf 1, afdeling 4 en afdeling 6 gestelde regels door het college
van burgemeester en wethouders, met uitzondering van de bij artikel
1.50b gestelde regels.
2. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgeoefend door de
Inspectie van het onderwijs, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de
Wet op het onderwijstoezicht. De artikelen 3, 4, tweede lid, 7, 22 en 23
van de Wet op het onderwijstoezicht zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige
uitvoering de bij of krachtens afdeling 3, paragraaf 1, afdeling 4 en
afdeling 6 gestelde regels ernstige tekortkomingen constateert, aan het
college van burgemeester en wethouders, nadat het gedurende acht weken
in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, een
aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake
individuele gevallen. In een aanwijzing wordt een termijn opgenomen
waarbinnen het college van burgemeester en wethouders de uitvoering in
overeenstemming heeft gebracht met de aanwijzing.
Artikel 1.69
1. Het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad
verstrekken Onze Minister alle gegevens en inlichtingen die hij voor het
toezicht nodig heeft.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de wijze waarop het college van burgemeester en
wethouders de in het eerste lid bedoelde gegevens en inlichtingen
verzamelen en verstrekken.
3. De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden
kosteloos verstrekt.
Artikel 1.70
Onze Minister stelt jaarlijks een verslag vast van de werkzaamheden die
hij in het kader van dit hoofdstuk in het voorafgaande kalenderjaar
heeft verricht. Hij zendt afschrift van het verslag aan de Tweede Kamer
der Staten-Generaal.
Afdeling 5. Opsporing en sancties
Paragraaf 1. Opsporing
Artikel 71 [Vervallen per 01-09-2005]
Paragraaf 2. Bestuurlijke boeten
Artikel 1.72
1. Het college van burgemeester en wethouders kan:
a. de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens afdeling
3, een afspraak als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair
onderwijs, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in
artikel 1.65 of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet
nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 1.66,
een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000;
b. de houder die een verplichting als bedoeld in artikel 1.28, vierde
lid, niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste €
5000;
c. de ouder die een verplichting als bedoeld in artikel 1.28, eerste tot
en met derde lid, niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen van ten
hoogste € 2269.
2. In afwijking van het eerste lid kan de overtreding van de houder niet
met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding
opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de
gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft.
Artikel 73 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 74 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 75 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 76 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 77 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 78 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 79 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 1.80
Indien het college van burgemeester en wethouders voornemens is een
bestuurlijke boete op te leggen, geeft hij de overtreder daarvan kennis
onder de vermelding van de gronden waarop het voornemen berust en
overlegging van het rapport.
Artikel 81 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 82 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 83 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 84 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 85 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 1.86
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan:
a. aan de ouder die een verplichting gesteld in artikel 1.33 niet
nakomt, een bestuurlijke boete opleggen met overeenkomstige toepassing
van de artikelen 29a, en 29g van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. aan de houder die een verplichting gesteld in artikel 1.33, vierde
lid, niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen met overeenkomstige
toepassing van de artikelen 1.72, eerste lid, onder b, en 1.80.
Afdeling 6. Experimenten
Artikel 1.87
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor een periode van ten
hoogste vier jaar ten behoeve van experimenten, die ten doel hebben de
totstandkoming van innovatieve kinderopvang mogelijk te maken, vormen
van kinderopvang worden aangewezen en kunnen regels worden gesteld
omtrent:
a. de kwaliteit van de aan te wijzen vormen van kinderopvang;
b. het toezicht op de naleving van de regels, bedoeld onder a;
c. de hoogte van de kinderopvangtoeslag en de hoogte van de
tegemoetkomingen van de gemeente en van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
d. de duur van de aan te wijzen vormen van kinderopvang als experiment.
Bij die regels kan worden afgeweken van artikel 1.1, eerste lid, wat
betreft de begrippen «gastouderbureau» en «gastouderopvang», artikel
1.7, afdeling 3, met uitzondering van artikel 1.48, alsmede van afdeling
4, paragrafen 1 en 2, en afdeling 5, paragraaf 2.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid heeft een ouder
als bedoeld in de artikelen 1.6, 1.22, 1.29 en 1.35 aanspraak op een
kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten
jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de
door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de
gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
indien het betreft een experimentele vorm van kinderopvang, welke is
geregistreerd.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen experimenten als bedoeld in
het eerste lid na afloop van de looptijd worden voortgezet tot een
structurele regeling is getroffen, doch niet langer dan met een
tijdsduur van ten hoogste twee jaar. Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.88
1. Onze Minister zendt na overleg met Onze Minister van Financiën en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk zes
maanden voor de beëindiging van een experiment, als bedoeld in artikel
1.87, een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede
een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling,
anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
2. Indien een experiment als bedoeld in artikel 1.87, eerder wordt
beëindigd dan de bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
eerste lid van dat artikel, daarvoor gestelde duur, zendt Onze Minister
na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in afwijking van het eerste lid,
uiterlijk twee maanden na de beëindiging van dat experiment een verslag
over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt
inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als
experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 1.89
Een voordracht voor een krachtens dit hoofdstuk vast te stellen algemene
maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het
ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 2.1
In dit hoofdstuk en de op dit hoofdstuk rustende bepalingen wordt
verstaan onder:
beroepskracht: degene die werkzaam is bij een peuterspeelzaal, bezoldigd
is en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de
ontwikkeling van kinderen en die voldoet aan de opleidingseisen als
bedoeld in artikel 2.6, tweede lid;
beroepskracht in opleiding: degene die de beroepsbegeleidende leerweg,
bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs volgt, en ten behoeve van
beroepspraktijkvorming is belast met de verzorging, de opvoeding en het
bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een peuterspeelzaal;
beroepskracht voorschoolse educatie: degene die als beroepskracht
werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de
opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in artikel 2.8, onderdeel a;
Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
GGD: gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 17 van de
Wet publieke gezondheid;
houder: degene die een peuterspeelzaal in stand houdt;
ouder: bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een
kind op wie het peuterspeelzaalwerk betrekking heeft, met dien verstande
dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een subsidie op
grond van de Wet op de jeugdzorg buiten beschouwing blijft;
oudercommissie: commissie als bedoeld in artikel 2.15;
peuterspeelzaalwerk: de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de
ontwikkeling van kinderen uitsluitend bestemd voor kinderen vanaf de
leeftijd van twee jaar tot het tijdstip waarop die kinderen kunnen
deelnemen aan het basisonderwijs;
peuterspeelzaal: voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt,
anders dan gastouderopvang of kinderopvang in een kindercentrum;
register peuterspeelzaalwerk: het register peuterspeelzaalwerk, bedoeld
in artikel 2.3;
voorschoolse educatie: uitvoering van een door het college van
burgemeester en wethouders gesubsidieerd programma dat gericht is op het
verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het
basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden
toegelaten;
vrijwilliger: degene die structureel al dan niet tegen een
vrijwilligersvergoeding op regelmatige, niet incidentele, basis werkzaam
is bij een peuterspeelzaal en is belast met de verzorging, de opvoeding
en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en die niet voldoet
aan de opleidingseisen, bedoeld in artikel 2.6, tweede lid.
Afdeling 2. Kwaliteit peuterspeelzalen
Paragraaf 1. Aanvraag en registratie
Artikel 2.2 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen,
doet daarvan een aanvraag bij het college van burgemeester en wethouders
van de gemeente van vestiging.
2. Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen voordat een
onderzoek als bedoeld in artikel 2.20 heeft plaatsgevonden waaruit
blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in
overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3
van deze afdeling.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven over
de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste
lid, en over de wijze van verstrekking van deze gegevens.
Artikel 2.3 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Uiterlijk tien weken na de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste
lid, geeft het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in
artikel 2.2, eerste lid, een beschikking af aan de houder.
2. Indien na een aanvraag als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, uit
het onderzoek, bedoeld in artikel 2.20, is gebleken dat de exploitatie
van de peuterspeelzaal redelijkerwijs zal plaatsvinden in
overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3
van deze afdeling, draagt het college van burgemeester en wethouders van
de gemeente van vestiging zorg voor de onverwijlde inschrijving van de
peuterspeelzaal in het register peuterspeelzaalwerk. Indien in een
peuterspeelzaal voorschoolse educatie wordt aangeboden, neemt het
college van burgemeester en wethouders dit op in de in de eerste volzin
bedoelde register.
3. Het college van burgemeester en wethouders deelt de houder
schriftelijk mee dat inschrijving van de peuterspeelzaal in het register
peuterspeelzaalwerk heeft plaatsgevonden.
4. Bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid, doet het college
van burgemeester en wethouders opgave van de gegevens die ingevolge
artikel 2.2, derde lid, zijn verstrekt.
5. Het register peuterspeelzaalwerk is bij de gemeentesecretarie
kosteloos te raadplegen.
Artikel 2.4 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. De houder doet van wijzigingen in de gegevens die bij de aanvraag,
bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, zijn verstrekt, onverwijld
mededeling aan het college van burgemeester en wethouders. Het college
draagt er zorg voor dat deze wijzigingen worden doorgevoerd in het
register peuterspeelzaalwerk.
2. Het college van burgemeester en wethouders deelt de houder
schriftelijk mee dat de wijziging in het register peuterspeelzaalwerk
heeft plaatsgevonden.
Artikel 2.4a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Onze Minister draagt zorg voor de inrichting van een register
peuterspeelzaalwerk ten behoeve van de waarborging van de kwaliteit en
de rechtszekerheid van het peuterspeelzaalwerk alsmede ten behoeve van
het toezicht op en de handhaving van de bij of krachtens afdeling 2
gestelde regels.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent het register peuterspeelzaalwerk. Deze regels hebben in
elk geval betrekking op:
a. de vorm van het register;
b. de in het register op te nemen gegevens;
c. de vastlegging van gegevens in het register en de verwijdering van
gegevens daaruit;
d. de wijze waarop verbetering van onjuistheden in het register
plaatsvindt;
e. de verstrekking van gegevens;
f. de openbaarheid van gegevens;
g. de verantwoordelijkheden van degenen die gegevens aanleveren ten
behoeve van het register.
Paragraaf 2. Eisen
Artikel 2.5
Een houder biedt verantwoord peuterspeelzaalwerk aan waaronder wordt
verstaan peuterspeelzaalwerk dat bijdraagt aan en stimuleert tot een
goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde
omgeving.
Artikel 2.6
1. De houder organiseert het peuterspeelzaalwerk op zodanige wijze,
voorziet de peuterspeelzaal zowel kwalitatief, als kwantitatief zodanig
van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige
verantwoordelijkheidstoedeling, en voert een zodanig pedagogisch beleid
dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoord
peuterspeelzaalwerk. Ter uitvoering van de eerste volzin besteedt de
houder in ieder geval aantoonbaar aandacht aan het aantal
beroepskrachten en vrijwilligers in relatie tot het aantal kinderen per
leeftijdscategorie, de groepsgrootte, de opleidingseisen van de
beroepskrachten en de voorwaarden waaronder en de mate waarin
beroepskrachten in opleiding kunnen worden belast met de opvoeding en
verzorging van kinderen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld omtrent de kwaliteit van het peuterspeelzaalwerk bij een
peuterspeelzaal. Deze regels kunnen betrekking hebben op:
a. de veiligheid en de gezondheid;
b. de opleidingseisen waaraan de beroepskrachten moeten voldoen;
c. de inzet van beroepskrachten in opleiding;
d. het aantal beroepskrachten en vrijwilligers in relatie tot het aantal
kinderen per leeftijdscategorie;
e. de groepsgrootte;
f. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk.
3. Personen die op structurele basis werkzaam zijn ten behoeve van de
verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van
kinderen in een peuterspeelzaal zijn in het bezit van een verklaring
omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens.
4. De verklaring, bedoeld in het derde lid, wordt aan de houder
overgelegd, voordat een persoon als bedoeld in het derde lid zijn
werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment dat zij wordt
overgelegd, niet ouder dan twee maanden.
5. Indien de houder of de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden
dat een persoon als bedoeld in het derde lid niet langer voldoet aan de
eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt
de houder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag
overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon
legt de verklaring over binnen een door de houder vast te stellen
termijn.
Artikel 2.7
De houder van een peuterspeelzaal neemt deel aan het overleg tussen het
college van burgemeester en wethouders en de bevoegde gezagsorganen van
scholen over het onderwijsachterstandenbeleid, bedoeld in artikel 167
van de Wet op het primair onderwijs, en werkt mee aan de totstandkoming
van de samenwerkingsafspraken en de nakoming ervan.
Artikel 2.8
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie, indien dit wordt
gesubsidieerd door het college van burgemeester en wethouders. Deze
regels hebben in elk geval betrekking op:
a. de opleidingseisen en de scholingseisen waaraan de beroepskrachten
voorschoolse educatie voldoen;
b. het aantal beroepskrachten voorschoolse educatie in relatie tot het
aantal kinderen;
c. de groepsgrootte; en
d. de minimumomvang van de voorschoolse educatie.
Artikel 2.9
De houder voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de
gezondheid van de op te vangen kinderen in elke door hem in stand
gehouden peuterspeelzaal zoveel mogelijk zijn gewaarborgd. De houder
legt, voor zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet-
en regelgeving, in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke
risico’s het peuterspeelzaalwerk met zich brengt.
Artikel 2.10
Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van een goede
uitvoering van dit hoofdstuk regels worden gesteld met betrekking tot de
administratie van gegevens bij peuterspeelzalen.
Artikel 2.11
De houder informeert de ouders van wie de kinderen in de peuterspeelzaal
worden opgevangen over het te voeren beleid als bedoeld in deze
paragraaf.
Artikel 2.12
1. In een peuterspeelzaal wordt de Nederlandse taal als voertaal
gebruikt. Daar waar naast de Nederlandse taal, de Friese taal of een
streektaal in levend gebruik is, kan de Friese taal of de streektaal
mede als voertaal worden gebruikt.
2. In afwijking van het eerste lid kan mede een andere taal als voertaal
worden gebezigd, indien de herkomst van de kinderen in specifieke
omstandigheden daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door de houder
vastgestelde gedragscode.
Artikel 2.13
1. Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister voor Jeugd en
Gezin, beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de artikelen 2.5,
2.6 en 2.9.
2. De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de
Staatscourant.
Paragraaf 3. Oudercommissie
Artikel 2.14
Deze paragraaf is slechts van toepassing op niet-gesubsidieerde
peuterspeelzalen.
Artikel 2.15
1. Een houder van een peuterspeelzaal biedt voor elk door hem
geëxploiteerde peuterspeelzaal aan degenen van wie de kinderen in de
peuterspeelzaal worden opgevangen, de gelegenheid deel te nemen aan een
oudercommissie die tot taak heeft hem te adviseren over de
aangelegenheden, genoemd in artikel 2.17.
2. De leden van de oudercommissie worden gekozen uit en door degenen van
wie de kinderen in de peuterspeelzaal worden opgevangen.
3. Personen werkzaam bij een peuterspeelzaal zijn geen lid van de
oudercommissie van die peuterspeelzaal.
4. De oudercommissie bepaalt haar eigen werkwijze.
Artikel 2.16
1. De houder stelt binnen zes maanden na de aanvraag, bedoeld in artikel
2.2, eerste lid, voor de oudercommissie een reglement vast.
2. Het reglement bevat in ieder geval regels omtrent:
a. het aantal leden van de oudercommissie;
b. de wijze waarop de leden van de oudercommissie worden gekozen;
c. de zittingsduur van de leden van de oudercommissie.
3. Het reglement bevat geen regels omtrent de werkwijze van de
oudercommissie.
4. De oudercommissie beslist bij meerderheid van stemmen.
5. Wijziging van het reglement behoeft instemming van de oudercommissie.
Artikel 2.17
1. De houder stelt de oudercommissie in ieder geval in de gelegenheid
advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit van de houder met
betrekking tot:
a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 2.6;
b. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemene beleid op
het gebied van opvoeding, veiligheid of gezondheid;
c. openingstijden;
d. het beleid met betrekking tot spel- en ontwikkelingsactiviteiten ten
behoeve van de kinderen, waaronder voorschoolse educatie;
e. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling
van klachten en het aanwijzen van personen die belast worden met de
behandeling van klachten;
f. wijziging van de prijs van peuterspeelzaalwerk.
2. Van een advies als bedoeld in het eerste lid kan de houder slechts
afwijken indien hij schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang
van het peuterspeelzaalwerk zich tegen het advies verzet.
3. De oudercommissie is bevoegd de houder ook ongevraagd te adviseren
over de onderwerpen, genoemd in het eerste lid.
4. De houder verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd
schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van haar taak
redelijkerwijs nodig heeft.
Artikel 2.18
De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de
oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in artikel
2.17, eerste lid. De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling
van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de
houder of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie
die klacht betrekking heeft. De houder brengt de getroffen regeling op
passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. De artikelen 2,
tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid, 2a, 3c en 4
van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector zijn van overeenkomstige
toepassing voor de oudercommissie.
Afdeling 3. Handhaving
Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
Artikel 2.19
1. Het college van burgemeester en wethouders ziet toe op de naleving
van de bij of krachtens afdeling 2 gestelde regels, onderscheidenlijk de
krachtens artikel 2.23 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens
artikel 2.24, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de
krachtens artikel 2.24, tweede lid, uitgevaardigde verboden, en de in de
bij artikel 2.8 vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde
basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college
van burgemeester en wethouders wijst de directeur van de GGD aan als
toezichthouder.
2. Voor zover een peuterspeelzaal is gevestigd in een woning, zijn de
toezichthouders ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid,
bevoegd zonder toestemming van de bewoners in die woning binnen te
treden.
Artikel 2.20 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel
2.2, eerste lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen
termijn of de instandhouding redelijkerwijs zal plaatsvinden in
overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens afdeling 2, paragrafen
2 en 3.
2. Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of
de exploitatie van elke peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming
met de bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3, gestelde regels,
behoudens bijzondere omstandigheden.
3. Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de
toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door
een houder van de bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3,
gestelde regels. Artikel 2.21 is van overeenkomstige toepassing, tenzij
de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage
verzetten.
Artikel 2.21
1. De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek
bij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport.
2. Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of
krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3, gegeven voorschriften niet zijn
of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
3. Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de
houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en
daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de
zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport.
4. De toezichthouder zendt het inspectierapport onverwijld aan de
houder, die een afschrift daarvan zo spoedig mogelijk ter inzage legt op
een voor ouders en personeel toegankelijke plaats.
5. De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na
de vaststelling daarvan openbaar.
6. De toezichthouder zendt een afschrift van het inspectierapport naar
aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal waar voorschoolse
educatie wordt aangeboden, aan het college van burgemeester en
wethouders en aan de Inspectie van het onderwijs, indien in een of meer
van de basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, als
bedoeld in artikel 2.19, tekortkomingen zijn geconstateerd.
Artikel 2.22
1. Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de door de
toezichthouder te hanteren werkwijze voor een onderzoek als bedoeld in
deze paragraaf.
2. De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de
Staatscourant.
Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
Artikel 2.23
1. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin
zich een peuterspeelzaal bevindt die de bij of krachtens afdeling 2,
paragrafen 2 en 3, gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate
naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
2. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college van
burgemeester en wethouders met redenen omkleed aan op welke punten de in
het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden
nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
3. Indien de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van het
peuterspeelzaalwerk bij een peuterspeelzaal zodanig tekortschiet, dat
het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de
toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een
geldigheidsduur van zeven dagen, welke door het college van burgemeester
en wethouders kan worden verlengd.
4. De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing,
onderscheidenlijk het bevel, gestelde termijn.
Artikel 2.24
1. Het college van burgemeester en wethouders kan de houder verbieden de
instandhouding van een peuterspeelzaal voort te zetten, zolang hij een
bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder
bestuursdwang niet mogelijk is.
2. Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20 blijkt dat de
peuterspeelzaal naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of
krachtens afdeling 2, paragraaf 2, gegeven voorschriften zal voldoen,
kan het college van burgemeester en wethouders zolang die situatie zich
voordoet, de houder verbieden die peuterspeelzaal in exploitatie te
nemen.
Artikel 2.25
1. Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks op een
door Onze Minister te bepalen tijdstip een verslag vast van alle
werkzaamheden die hij en de toezichthouders in het kader van deze
afdeling in het voorafgaande kalenderjaar hebben verricht. Het college
zendt het verslag aan de gemeenteraad en een afschrift daarvan aan Onze
Minister.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de in het verslag op te nemen gegevens.
Artikel 2.26
1. Wanneer het college van burgemeester en wethouders een krachtens deze
wet gevorderde beslissing niet of niet naar behoren neemt dan wel een
krachtens deze wet gevorderde handeling niet of niet naar behoren
verricht, besluit Onze Minister daarin te voorzien ten laste van de
gemeente.
2. Het eerste lid vindt geen toepassing dan nadat het college van
burgemeester en wethouders in de gelegenheid is gesteld binnen een door
Onze Minister gestelde termijn alsnog de in het eerste lid bedoelde
taken uit te voeren.
Afdeling 4. Sancties
Artikel 2.27
Deze afdeling is slechts van toepassing op niet-gesubsidieerde
peuterspeelzalen.
Artikel 2.28
1. Het college van burgemeester en wethouders kan de houder die een
verplichting als bedoeld bij of krachtens afdeling 2, een afspraak als
bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een
aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 2.23 of
artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel
handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 2.24, een
bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000.
2. In afwijking van het eerste lid kan de overtreding van de houder niet
met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding
opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de
gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft.
Afdeling 5. Experimenten
Artikel 2.29
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor een periode van ten
hoogste vier jaar ten behoeve van experimenten, die ten doel hebben de
totstandkoming van innovatief peuterspeelzaalwerk mogelijk te maken,
vormen van peuterspeelzaalwerk worden aangewezen en kunnen regels worden
gesteld omtrent:
a. de kwaliteit van de aan te wijzen vormen van peuterspeelzaalwerk;
b. het toezicht op de naleving van de regels, bedoeld onder a;
c. de hoogte van de ouderbijdrage voor peuterspeelzaalwerk;
d. de duur van de aan te wijzen vormen van peuterspeelzaalwerk als
experiment.
Bij die regels kan worden afgeweken van de bepalingen in afdeling 2.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen experimenten als bedoeld in
het eerste lid na afloop van de looptijd worden voortgezet tot een
structurele regeling is getroffen, doch niet langer dan met een
tijdsduur van ten hoogste twee jaar. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.30
1. Onze Minister zendt na overleg met de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport uiterlijk zes maanden voor de beëindiging van een
experiment, als bedoeld in artikel 2.29, een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de
voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment,
aan de beide kamers der Staten-Generaal.
2. Indien een experiment als bedoeld in artikel 2.29, eerder wordt
beëindigd dan de bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
eerste lid van dat artikel, daarvoor gestelde duur, zendt Onze Minister
na overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in
afwijking van het eerste lid, uiterlijk twee maanden na de beëindiging
van dat experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten
ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende
regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 2.31
Een voordracht voor een krachtens deze afdeling vast te stellen algemene
maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het
ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 1. Overgangsbepalingen
Artikel 3.1
1. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van
vestiging draagt er zorg voor dat kindercentra en gastouderbureaus die
op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen G en H,
van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in
verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb.
345) zijn opgenomen in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 46,
zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van voornoemde
wijzigingswet, voor 1 juli van het eerste kalenderjaar waarop voornoemde
wijzigingswet betrekking heeft, worden ingeschreven in het register
kinderopvang, bedoeld in artikel 1.47a. Artikel 1.46, derde en vijfde
lid, alsmede artikel 1.47, eerste en tweede lid, zijn van toepassing.
2. Indien de overheveling naar het register kinderopvang, bedoeld in het
eerste lid, nog niet volledig heeft plaatsgevonden blijft artikel 1.46,
zoals dat luidde de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de in
het eerste lid genoemde wijzigingswet, tot 1 juli van het eerste
kalenderjaar waarop voornoemde wijzigingswet betrekking heeft van
toepassing op het college van burgemeester en wethouders van de
desbetreffende gemeente.
3. Een houder van een kindercentrum of gastouderbureau als bedoeld in
het eerste lid, verstrekt desgevraagd aan het college de gegevens,
bedoeld in artikel 1.45, vierde lid.
4. De in het eerste lid bedoelde inschrijving in het register
kinderopvang van gastouderbureaus betreft een voorlopige inschrijving,
welke voortduurt tot en met uiterlijk 31 december van het eerste
kalenderjaar waarop de in het eerste lid genoemde wijzigingswet
betrekking heeft.
5. De in het vierde lid bedoelde inschrijving wordt definitief indien
uiterlijk op de in dat lid genoemde datum uit het onderzoek, bedoeld in
artikel 1.62, is gebleken dat de exploitatie van het gastouderbureau zal
plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de
paragrafen 2 en 3 van afdeling 3.
Artikel 3.2
1. Ter uitvoering van artikel 1.49, derde lid, onderdeel a, is het
gastouderbureau gedurende het eerste kalenderjaar na inwerkingtreding
van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in
verband met een herziening van het stelstel van gastouderopvang (Stb.
345) verantwoordelijk voor de beoordeling of de gastouderopvang naar
verwachting voor 1 september van genoemd kalenderjaar redelijkerwijs zal
plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de
paragrafen 2 en 3 van afdeling 3.
2. Het gastouderbureau stelt de ouders die gebruikmaken van de diensten
van de gastouder in kennis van zijn in het eerste lid bedoelde
beoordeling.
3. Het gastouderbureau stelt de in het tweede lid bedoelde ouders voor
de aanvang van het in het eerste lid bedoelde eerste kalenderjaar in
kennis van zijn oordeel over de verwachtingen met betrekking tot het
tijdig kunnen voldoen aan de in het eerste lid bedoelde eisen door de
gastouder.
4. Voor de toepassing van het eerste en derde lid baseert het
gastouderbureau zich op geobjectiveerde redelijke maatstaven die
aantoonbaar zijn afgeleid van de in het eerste lid bedoelde eisen.
5. Het gastouderbureau stelt zich regelmatig op de hoogte van de
inspanningen van de gastouder om voor 1 september van het in het eerste
lid bedoelde kalenderjaar overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde
beoordeling door het gastouderbureau te voldoen aan het bepaalde bij of
krachtens de paragrafen 2 en 3 van afdeling 3.
6. De gastouder verstrekt aan het gastouderbureau de benodigde
informatie met het oog op toepassing van het tweede en derde lid.
7. Ingeval het gastouderbureau redelijkerwijs mag vermoeden dat de in
het vijfde lid bedoelde inspanningen van de gastouder tekortschieten,
stelt het gastouderbureau de ouder daarvan onverwijld in kennis en
bevordert het gastouderbureau dat de ouder gebruik kan maken van de
diensten van een gastouder die gastouderopvang aanbiedt die naar het
oordeel van het gastouderbureau naar verwachting voor 1 september van de
in het eerste lid bedoelde kalenderjaar zal plaatsvinden in
overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3
van afdeling 3.
8. Indien de gastouder uiterlijk op 31 december van het in het eerste
lid bedoelde kalenderjaar niet is ingeschreven in het register
kinderopvang, bedoeld in artikel 1.47a, is de ouder aan het
gastouderbureau geen uitvoeringskosten verschuldigd.
9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de toepassing van dit artikel.
Artikel 3.3
1. Personen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van
artikel I, onderdelen B en G, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging
van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel
van gastouderopvang (Stb. 345) werkzaam waren als gastouder als bedoeld
in artikel 1, onderdeel f, van deze wet, zoals dat luidde op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel I, onderdelen B en
G, worden door het college van burgemeester en wethouders in het
register kinderopvang, bedoeld in artikel 1.47a, ingeschreven als
voorziening voor gastouderopvang indien op het moment van inschrijving
na een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, tweede lid, uit het
onderzoek, bedoeld in artikel 1.62, eerste lid, is gebleken dat
exploitatie van de voorziening voor gastouderopvang redelijkerwijs zal
plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de
paragrafen 2 en 3 van afdeling 3.
2. Indien de inschrijving, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt
uiterlijk op 31 december van het eerste kalenderjaar waarop artikel I,
onderdelen B en G, van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet
betrekking heeft, werkt de inschrijving, onder voorwaarde dat de
aanvraag, bedoeld in artikel 45, tweede lid, voor 1 september van
genoemd kalenderjaar plaatsvindt, terug tot en met 1 januari van dat
kalenderjaar.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op
voorzieningen voor gastouderopvang die hun exploitatie aanvangen in het
eerste kalenderjaar waarop artikel I, onderdelen B en G, van de in het
eerste lid genoemde wijzigingswet betrekking heeft.
Artikel 3.4
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, tweede lid, die is gedaan
ten hoogste twee maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van
artikel I, onderdelen B en G, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging
van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel
van gastouderopvang (Stb. 345), geldt als aanvraag gedaan op de eerste
dag van inwerkingtreding van dat artikel I, onderdelen B en G.
2. Een oordeel van de toezichthouder als bedoeld in artikel 1.63,
inhoudende dat de exploitatie van een voorziening voor gastouderopvang
redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij
of krachtens de paragrafen 2 en 3 van afdeling 3 van deze wet zoals
luidend na inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde
wijzigingswet, dat is gegeven ten hoogste twee maanden voorafgaande aan
de inwerkingtreding van genoemd artikel I, onderdelen B en G, geldt als
oordeel gegeven op de eerste dag van laatstbedoeld tijdstip van
inwerkingtreding.
Artikel 3.5
1. Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën binnen acht maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel I, onderdelen B en G van de in het tweede lid genoemde
wijzigingswet aan de Staten-Generaal een verslag over de voortgang van
de vulling van het register kinderopvang.
2. Aan het bepaalde in de artikelen 3.1, 3.3 en 3.4 kan bij
ministeriële regeling met het oog op een goede invoering van de wet van
18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een
herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345) in het eerste
kalenderjaar waarop deze wet betrekking heeft, zo nodig een andere
uitvoering worden gegeven.
Artikel 3.6
De artikelen 3.1 tot en met 3.6 vervallen drie jaar na inwerkingtreding
van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in
verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb.
345).
Artikel 3.7
1. Afdeling 2 en artikel 1.86 zijn gedurende ten hoogste zes maanden na
het tijdstip van hun inwerkingtreding niet van toepassing op een ouder
als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h en i, die gebruik maakt
van kinderopvang die door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen ten behoeve van die ouder is bekostigd op grond
een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gesloten
schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de
Werkloosheidswet respectievelijk artikel 22a, eerste lid, van de Wet op
de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
2. Op de financiering van kinderopvang, bedoeld in het eerste lid,
blijven de artikelen 74 van de Werkloosheidswet onderscheidenlijk 22a,
34 tot en met 37, 45 tot en met 47 en 53 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten, zoals deze artikelen luidden tot het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, van toepassing.
Artikel 3.8
Ten aanzien van voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet
kinderopvang door het Rijk en gemeenten op grond van de Welzijnswet 1994
verleende subsidies en uitkeringen aan kinderopvang, voorzover dat
kinderopvang betreft waarop deze wet van toepassing is, blijft het
bepaalde bij of krachtens de Welzijnswet 1994, zoals dat laatstelijk
voor 1 januari 2005 luidde, van toepassing op de financiële
verantwoording, vaststelling en uitbetaling van die subsidies en
uitkeringen.
Paragraaf 2. Wijziging van andere wet- en regelgeving
Artikel 3.9 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders
wordt ingetrokken.
Paragraaf 3. Slotbepalingen
Artikel 3.10
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het college van
burgemeester en wethouders en de gemeenteraad verstrekken aan Onze
Minister de inlichtingen die hij voor de statistiek, de
informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet
nodig heeft.
2. Onze Minister stelt regels omtrent de aard van de inlichtingen,
bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze worden verstrekt.
3. De inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden kosteloos
verstrekt.
Artikel 3.11
De voordracht voor een krachtens de artikelen 1.7, tweede, vierde,
vijfde en zesde lid, 1.56, tweede lid, en 1.56b, tweede lid, vast te
stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier
weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
Artikel 3.12
1. Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiën en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gedurende drie jaar
na de inwerkingtreding van deze wet jaarlijks aan de Staten-Generaal een
verslag uit over de werking ervan.
2. Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiën en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport drie jaar na de
inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na drie jaar, aan
de Staten-Generaal een verslag uit over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de praktijk.
3. Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiën en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een jaar na de
inwerkingtreding van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet
kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van
gastouderopvang (Stb. 345) en vervolgens telkens als onderdeel van het
verslag, bedoeld in het tweede lid, aan de Staten-Generaal een verslag
uit over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de
onderdelen van deze wet, zoals deze zijn gewijzigd door de genoemde wet.
Artikel 3.13
Personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.2
werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder van een
peuterspeelzaal binnen twee maanden na de inwerkingtreding van artikel
2.2 een verklaring over als bedoeld in artikel 2.6, derde lid.
Artikel 3.14
Indien er op het moment van inwerkingtreding van afdeling 2 van deze wet
een oudercommissie is, geldt de verplichting van artikel 2.16 voor een
houder van een peuterspeelzaal die op het tijdstip van inwerkingtreding
van afdeling 2 een peuterspeelzaal in stand houdt, eerst zes maanden na
dat tijdstip.
Artikel 116
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende paragrafen, artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden gesteld.
2. De artikelen 1, onder b, 3°, 2, negende lid, tweede volzin, 2a,
tweede lid, en 3c, van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector vervallen
op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 3.15
Deze wet wordt aangehaald als: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
peuterspeelzalen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Tavarnelle, 9 juli 2004
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
De Staatssecretaris van Financiën,
J.G. Wijn
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp
Uitgegeven de eenentwintigste september 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|