Nadere regelgeving:
- Besluit kinderopvangtoeslag en
tegemoetkomingen in kosten kinderopvang
- Besluit
kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen
- Regeling
kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen'
- Regeling Wet
kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
WET van 9 juli 2004 tot regeling met
betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang en
waarborging van de kwaliteit van kinderopvang (Wet kinderopvang)
¹
1. Redactie: ingevolge artikel
I, onderdeel BBB, van de Wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wet
kinderopvang, de Wet
op het onderwijstoezicht, de Wet
op het primair onderwijs en enkele andere wetten
in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid (Stb.
2010, 296) is de Wet kinderopvang met ingang van 1 augustus 2010
voorzien van een nieuwe citeertitel, luidende: Wet kinderopvang en
kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is om regels
te stellen met betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van
kinderopvang en om de kwaliteit van kinderopvang te waarborgen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Kinderopvang
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
1. In dit hoofdstuk en de op dit
hoofdstuk berustende bepalingen wordt verstaan onder:
beroepskracht:
1°. de persoon van 18 jaar
of ouder die werkzaam is bij een kindercentrum en is
belast met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen
aan de ontwikkeling van kinderen;
2°. de persoon van 18 jaar
of ouder die werkzaam is bij een gastouderbureau en is
belast met het tot stand brengen en begeleiden van
gastouderopvang;
beroepskracht in opleiding:
degene die de beroepsbegeleidende leerweg volgt, bedoeld in de
Wet educatie en beroepsonderwijs, en ten behoeve van
beroepspraktijkvorming is belast met de verzorging, de
opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen
bij een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang;
beroepskracht voorschoolse
educatie: degene die als beroepskracht werkzaam is en belast
is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de
opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in artikel 1.50b,
onderdeel a;
continentaal plat: de
exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in
artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische
zone, voor zover deze grenst aan de territoriale zee van
Nederland;
gastouder: de natuurlijke
persoon van 18 jaar of ouder die gastouderopvang biedt, met
uitzondering van natuurlijke personen van wie een of meer
kinderen op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
gronden onderworpen zijn aan ondertoezichtstelling of
voorlopige ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 254,
onderscheidenlijk artikel 255, van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek, en met uitzondering van de persoon die op hetzelfde
woonadres als de ouder of diens partner staat ingeschreven in
de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;
gastouderbureau: een
organisatie die gastouderopvang tot stand brengt en begeleidt
en door tussenkomst van wie de betaling van ouders aan
gastouders geschiedt;
gastouderopvang: kinderopvang:
a. die plaatsvindt door
tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau;
b. die plaatsvindt in een
gezinssituatie door een ander dan degene die als ouder op
grond vanartikel 1.5, eerste lid, aanspraak kan maken op
een kinderopvangtoeslag of diens partner;
c. waarbij de opvang
plaatsvindt:
1°. op het woonadres van
de gastouder, met dien verstande dat op dit adres niet
meer dan een voorziening voor gastouderopvang is
gevestigd,
2°. op het woonadres van
een van de ouders van de kinderen voor wie de gastouder
opvang biedt, dan wel
3°. op twee of meer van
deze woonadressen; en
d. bestaande uit de
gelijktijdige opvang van ten hoogste zes kinderen,
waaronder begrepen de bloedverwant of aanverwant in de
neergaande lijn van de gastouder of zijn partner, die in
belangrijke mate wordt onderhouden door de gastouder of
zijn partner en op hetzelfde woonadres als de gastouder
staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens en de leeftijd van tien jaar nog niet
heeft bereikt. Met een bloedverwant of aanverwant in de
neergaande lijn wordt gelijkgesteld een pleegkind dat de
leeftijd van tien jaar nog niet heeft bereikt;
GGD: een gemeentelijke
gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 14 van de Wet
publieke gezondheid;
houder:
a. degene aan wie een
onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007
toebehoort en die met die onderneming een kindercentrum of
een gastouderbureau exploiteert;
b. de gastouder die een
voorziening voor gastouderopvang exploiteert.
kindercentrum: een voorziening
waar kinderopvang plaatsvindt, anders dan gastouderopvang;
kinderopvang: het bedrijfsmatig
of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de
ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand
waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint;
kinderopvangtoeslag: een
tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste
lid, onder h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen in de kosten van kinderopvang;
Onze Minister: Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
ouder: de bloed- of aanverwant
in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie de
kinderopvang betrekking heeft, met dien verstande dat bij de
beoordeling of sprake is van pleegouderschap een subsidie op
grond van de Wet op de jeugdzorg buiten beschouwing blijft;
oudercommissie: de commissie,
bedoeld inartikel 1.58;
overheidswerkgever: de
werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van de Wet
financiering sociale verzekeringen;
overheidswerknemer: de
werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel p, van de Wet
financiering sociale verzekeringen;
register kinderopvang: het
register kinderopvang, bedoeld in artikel 1.47a;
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
uitvoeringskosten: de kosten
die door een gastouderbureau in rekening worden gebracht bij
de ouder of de gastouder, niet zijnde de kosten van
gastouderopvang;
voorschoolse educatie:
uitvoering van een door het college van burgemeester en
wethouders gesubsidieerd programma dat gericht is op het
verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in
het basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school
kunnen worden toegelaten;
voorziening voor
gastouderopvang: gastouderopvang door een specifieke gastouder
op een specifiek woonadres;
vrijwilliger: degene die
structureel al dan niet tegen een vrijwilligersvergoeding op
regelmatige, niet incidentele, basis werkzaam is in de
kinderopvang en is belast met de verzorging, de opvoeding en
het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen;
werkgever: de werkgever,
bedoeld in artikel 1, onderdeel q, van de Wet financiering
sociale verzekeringen;
werknemer: de werknemer,
bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Wet financiering
sociale verzekeringen.
2. Tot kinderopvang worden niet
gerekend:
a. het toezichthouden op
schoolgaande kinderen dat zich beperkt tot het toezicht
tijdens de middagpauze;
b. de verzorging, de opvoeding
en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen in een
peuterspeelzaal als bedoeld in artikel 2.1;
c. verzorging en opvoeding die
plaatsvindt in het kader van de Wet op de jeugdzorg;
d. de verzorging, de opvoeding
en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen, anders dan
gastouderopvang, die geschiedt op een plaats waar het kind
zijn hoofdverblijf heeft.
Artikel 1.1a [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 2 [Vervallen per 01-09-2005]
Afdeling 2. Kinderopvangtoeslag
Paragraaf 1. Uitvoering van de
kinderopvangtoeslag
Artikel 1.3
1. De uitvoering van het toekennen,
uitbetalen en terugvorderen van de kinderopvangtoeslag is
opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen.
2. Op deze wet is de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen van toepassing met uitzondering
van artikel 5 van die wet op wijzigingen in de kosten van
kinderopvang per kind, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid,
onderdeel b, met dien verstande dat:
a. in afwijking van artikel 4,
derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
een kind voor wie de pleegouder een subsidie ontvangt op grond
van de Wet op de jeugdzorg, geacht wordt door die pleegouder
in belangrijke mate te worden onderhouden;
b. in afwijking van artikel 15,
eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen, een ouder over de berekeningsjaren 2012 en
volgende geen aanspraak op kinderopvangtoeslag als bedoeld in
artikel 1.5 heeft over de periode tot de eerste dag van de
kalendermaand voor de datum waarop de aanvraag om
kinderopvangtoeslag is ingediend bij de
Belastingdienst/Toeslagen.
Artikel 1.4
1. Met het oog op het toekennen van
een kinderopvangtoeslag verstrekt de ouder, bedoeld in artikel
1.5, eerste lid, aan de Belastingdienst/Toeslagen het unieke
nummer, bedoeld in artikel 1.47a, derde lid.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking tot de
verstrekking.
Paragraaf 2. Aanspraak op
kinderopvangtoeslag
Artikel 1.5
1. Een ouder heeft aanspraak op een
kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen
kosten, indien het betreft:
a. kinderopvang in een
geregistreerd kindercentrum; of
b. gastouderopvang in een
geregistreerde voorziening voor gastouderopvang die
plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd
gastouderbureau.
2. Een ouder en diens partner die
tevens ouder is worden voor de toepassing van deze wet geacht
gezamenlijk één aanspraak te hebben.
3. Indien een gastouderbureau uit
het register kinderopvang, bedoeld in artikel 1.47a, wordt
verwijderd, geldt de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde
voorwaarde van registratie van het gastouderbureau niet, gedurende
een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen uitlooptermijn
waarbinnen de voorziening voor gastouderopvang op grond van
artikel 1.47a, tweede lid, onderdeel c, in het register
kinderopvang ingeschreven blijft.
Artikel 1.6
1. Een ouder heeft voor een
berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de
ouder in dat jaar:
a. tegenwoordige arbeid
verricht waaruit inkomen uit werk en woning in de zin van de
Wet inkomstenbelasting 2001 wordt genoten,
b. zonder enige vergoeding
arbeid verricht in de onderneming van de partner in de zin van
artikel 3.78 van de Wet inkomstenbelasting 2001,
c. algemene bijstand of een
uitkering ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand, de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen of de Algemene nabestaandenwet, en
gebruik maakt van een voorziening, gericht op
arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
onder a, van de Wet werk en bijstand, artikel 34, eerste lid,
onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 34, eerste
lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, die de
noodzaak tot kinderopvang met zich brengt,
d. [vervallen,]
e. de leeftijd van 18 jaar nog
niet heeft bereikt, scholing of een opleiding volgt en met
toepassing van artikel 16 of artikel 18, eerste en vierde lid,
van de Wet werk en bijstand algemene bijstand ontvangt of kan
ontvangen,
f. als
niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekende is geregistreerd bij
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen, en gebruik maakt van een voorziening gericht op
arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
onder a, van de Wet werk en bijstand,
g. inburgeringsplichtig is als
bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet inburgering en
bij een cursusinstelling een cursus volgt die opleidt tot het
examen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van die
wet of een diploma, certificaat of ander document, bedoeld in
artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van die wet, en voldoet
aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in artikel 16, eerste lid, van die wet gegeven regels
omtrent het volgen van die cursus bij een cursusinstelling,
h. recht heeft op of een
uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet en
deelneemt aan scholing als bedoeld in artikel 76 van die wet
of werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 76a of 77a
van die wet met behoud van die uitkering dan wel op andere
wijze deelneemt aan een traject gericht op
arbeidsinschakeling,
i. recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen,
arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten of een uitkering op
grond van hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen of recht heeft op ziekengeld op grond van de
Ziektewet:
1°. ten behoeve van wie
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
werkzaamheden, gericht op de bevordering van de
inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld in artikel
30a, achtste lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen laat verrichten,
2°. ten behoeve van wie de
eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 82 van de Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen werkzaamheden, gericht op
de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces
als bedoeld in artikel 42 van die wet laat verrichten, of
3°. werkzaamheden op een
proefplaats verricht als bedoeld in artikel 65g van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 2:24 of
3:69 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, artikel 67e van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel
37 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of
artikel 52e van de Ziektewet,
j. is ingeschreven bij een
school of instelling als bedoeld in paragraaf 2.2 of 2.4 van
de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten dan
wel als bedoeld in de artikelen 2.8 tot en met 2.11 van de Wet
studiefinanciering 2000.
k. [dit onderdeel is nog niet
in werking getreden;]
l. [dit onderdeel is nog niet
in werking getreden.]
2. Een ouder die niet in Nederland
woont, heeft slechts aanspraak op een kinderopvangtoeslag indien
hij in een andere lidstaat of Zwitserland woont en, daartoe
gerechtigd, in Nederland of op het continentaal plat arbeid
verricht of een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid,
onder c, e, h of i, en gebruik maakt van een in één van die
onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
3. Een ouder met een partner heeft
slechts aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de partner in
Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont, en
a. in Nederland of op het
continentaal plat, in een andere lidstaat of in Zwitserland
arbeid verricht,
b. een uitkering ontvangt als
bedoeld in het eerste lid, onder c, e, h of i, en gebruik
maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening
gericht op arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare
uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens
de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland,
c. werkloos wordt als bedoeld
in het tweede lid en een uitkering ontvangt als bedoeld in het
tweede lid, onder a of b, of een daarmee vergelijkbare
uitkering, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere
lidstaat of Zwitserland, of
d. een persoon is als bedoeld
in het eerste lid, onder f, g, j, k of l.
4. Voor de toepassing van deze wet
wordt met inkomen uit werk en woning als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, gelijkgesteld een daarmee overeenkomend inkomen
dat niet tot het verzamelinkomen van de ouder behoort omdat het
niet behoort tot het Nederlands inkomen als bedoeld in hoofdstuk 7
van de Wet inkomstenbelasting 2001, of is vrijgesteld op grond van
bepalingen van internationaal recht.
5. Een ouder die in een
berekeningsjaar of in het daaraan voorafgaande berekeningjaar
arbeid heeft verricht als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid,
onderdeel a of b, behoudt gedurende drie kalendermaanden, gerekend
vanaf de eerste dag na de dag waarop het verrichten van die arbeid
is beëindigd, dezelfde aanspraak op een kinderopvangtoeslag als
voor die beëindiging bestond.
Artikel 1.6a
In afwijking van de artikelen 1.5 en
1.6, heeft een ouder als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid,
onderdeel a, voor zover die ouder de arbeid verricht als gastouder,
geen aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn
partner te betalen kosten van gastouderopvang in een geregistreerde
voorziening als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 1.7
1. De hoogte van de
kinderopvangtoeslag is afhankelijk van:
a. de draagkracht, en
b. de kosten van kinderopvang
per kind die worden bepaald door:
1º. het aantal uren
kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,
2º. de voor die
kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het
bedrag, bedoeld in het tweede lid, en
3º. de soort kinderopvang.
2. De uurprijs die bij de hoogte
van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in het eerste lid, in
aanmerking wordt genomen gaat een bij algemene maatregel van
bestuur vast te stellen bedrag niet te boven. Dat bedrag kan per
opvangsoort verschillend worden vastgesteld.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld over de redelijke verhouding
tussen het aantal uren dat de ouder en zijn partner arbeid
verrichten, gebruik maken van een voorziening die gericht is op
arbeidsinschakeling, of scholing of een opleiding volgen, alsmede
de in verband daarmee benodigde reistijd, en het aantal uren
kinderopvang waarvoor kinderopvangtoeslag kan worden aangevraagd.
4. Het aantal uren kinderopvang dat
in aanmerking wordt genomen bij de hoogte van de
kinderopvangtoeslag, bedoeld in het eerste lid, gaat een bij
algemene maatregel van bestuur vast te stellen maximum, dat per
soort kinderopvang of per leeftijdsgroep verschillend kan worden
vastgesteld, niet te boven.
Artikel 1.8
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de
hoogte en de berekeningswijze van de kinderopvangtoeslag, waarbij
tevens tabellen worden vastgesteld, waaruit de relatie tussen de
kosten van kinderopvang en de kinderopvangtoeslag kan worden
afgelezen.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld over de hoogte van het bedrag
dat als vaste eigen bijdrage van de ouder in mindering wordt
gebracht op de kinderopvangtoeslag. Daarbij kunnen het
toetsingsinkomen van de ouder en zijn partner, de aanwezigheid van
een partner en het aantal kinderen in aanmerking worden genomen.
Artikel 1.9
De bedragen, bedoeld in artikel 1.7,
tweede lid, de mate waarin het toetsingsinkomen van de ouder en,
indien hij een partner heeft, dat van zijn partner een rol speelt
bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, en het bedrag, bedoeld in
artikel 1.8, tweede lid, worden bij het begin van het kalenderjaar
bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van een bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen index ter zake van
lonen of prijzen.
Paragraaf 3. Financiële middelen tot
dekking van kinderopvangtoeslag
Artikel 1.10
1. De financiële middelen tot
dekking van de uitgaven voor de kinderopvangtoeslag kunnen mede
worden verkregen door het heffen van een opslag op de premie, die
ten gunste komt van een sectorfonds als bedoeld in artikel 23,
tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen dan wel
een opslag op de premie, bedoeld in artikel 29 van die wet.
2. De premieopslagen, bedoeld in
het eerste lid, zijn verschuldigd door de werkgever
onderscheidenlijk de overheidswerkgever.
3. De premieopslagen worden
vastgesteld bij ministeriële regeling. De artikelen 26
onderscheidenlijk 31 van de Wet financiering sociale verzekeringen
zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Op de heffing en invordering van
de premieopslagen zijn de artikelen 57, 59 en 60 van de Wet
financiering sociale verzekeringen van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 4. Overige bepalingen
Artikel 1.11
De kinderopvangtoeslag blijft buiten
beschouwing bij de verlening van andere op het inkomen of vermogen
afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen.
Artikel 1.12 [Treedt in werking op
een nader te bepalen tijdstip]
1. Het college van burgemeester en
wethouders stelt op aanvraag van de ouder vast of hij of zijn
partner dan wel het kind van de ouder een geïndiceerde persoon is
als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onderdeel k of l, en in
welke mate uit dien hoofde, voor zover andere voorzieningen geen
passender oplossing kunnen bieden, kinderopvang in de zin van deze
wet noodzakelijk is.
2. Een aanvraag als bedoeld in het
eerste lid wordt ingediend bij het college van burgemeester en
wethouders van de gemeente waar de ouder zijn woonplaats heeft als
bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek.
3. Alvorens te besluiten, wint het
college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de
vaststelling van de noodzakelijkheid van kinderopvang als bedoeld
in het eerste lid advies in van een onafhankelijke organisatie die
beschikt over adequate deskundigheid.
4. Het besluit van het college van
burgemeester en wethouders vermeldt de geldigheidsduur van de
indicatie.
5. Het college van burgemeester en
wethouders kan periodiek herindicatie verrichten van personen als
bedoeld in het eerste lid. De herindicatie vindt plaats
overeenkomstig het derde lid.
6. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen:
a. nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de krachtens dit artikel aan de gemeente
opgedragen taken en de wijze van uitoefening daarvan;
b. organisaties als bedoeld in
het derde lid worden aangewezen, waarbij tevens regels kunnen
worden gesteld omtrent de door die organisaties te hanteren
werkwijze.
Artikel 1.13
Het college van burgemeester en
wethouders kan aan een ouder als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid,
onderdelen c, e, j, k of l, een tegemoetkoming verstrekken in
aanvulling op de kinderopvangtoeslag, zodanig dat het totaal van de
kinderopvangtoeslag en de tegemoetkoming niet meer bedraagt dan de
kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid.
Artikel 14 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 15 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 16 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 17 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 18 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 19 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 20 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 21 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 1.22 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 1.23
[Door vernummering vervallen.]
Artikel 1.24 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 1.25 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 1.26 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 1.27 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 1.28 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 1.29 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 1.30 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 1.31 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 1.32 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 1.33 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 1.34 [Vervallen per
01-01-2013]
Paragraaf 5 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 1.35 [Vervallen per
01-01-2013]
Paragraaf 6 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 36 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 37 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 1.38 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 1.39 [Vervallen per
01-01-2013]
Paragraaf 7 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 1.40 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 1.41 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 42 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 43 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 1.44 [Vervallen per
01-01-2013]
Afdeling 3. Kwaliteit kindercentra,
voorzieningen voor gastouderopvang en gastouderbureaus
Paragraaf 1. Aanvraag en registratie
Artikel 1.45
1. Degene die voornemens is een
kindercentrum of gastouderbureau in exploitatie te nemen, doet
daarvoor een aanvraag bij het college van burgemeester en
wethouders van de gemeente van vestiging.
2. De houder van een
gastouderbureau dient een aanvraag in voor degene die door zijn
tussenkomst voornemens is gastouderopvang te bieden. De aanvraag,
bedoeld in de eerste volzin, wordt namens de gastouder gedaan bij
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van
vestiging van de voorziening voor gastouderopvang.
3. Een kindercentrum, een
gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang wordt niet
in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in
artikel 1.62 heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de
exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met
het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze
afdeling.
4. Bij algemene maatregel van
bestuur worden voorschriften gegeven over de gegevens die worden
verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste en tweede lid, en
over de wijze van verstrekking van deze gegevens, waaronder
voorschriften over de verstrekking van het burgerservicenummer of,
bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer.
5. In de gevallen waarin het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer, dient te worden verstrekt, is degene ten
behoeve van wie een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt
gedaan gehouden dat nummer te verstrekken aan degenen, bedoeld in
het tweede lid.
Artikel 1.46
1. Uiterlijk tien weken na de
aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, geeft het
college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 1.45,
eerste of tweede lid, een beschikking af aan de houder van een
kindercentrum of gastouderbureau.
2. In de beschikking die volgt op
de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, nadat
uit het onderzoek, bedoeld in artikel 1.62, en anderszins is
gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in
overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens deparagrafen 2
en 3 van deze afdeling, bepaalt het college van burgemeester en
wethouders de datum van ingang van de exploitatie, waarbij deze
datum niet voor de datum van bekendmaking van die beschikking
ligt. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor
inschrijving van het kindercentrum, het gastouderbureau of de
voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang
waarbij de datum van ingang van de exploitatie als startdatum van
de registratie wordt opgenomen.
3. Het college van burgemeester en
wethouders deelt de houder van het kindercentrum of
gastouderbureau schriftelijk mee dat inschrijving van het
kindercentrum, het gastouderbureau onderscheidenlijk de
voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang
heeft plaatsgevonden.
4. De houder van het
gastouderbureau deelt de gastouder schriftelijk mee dat
inschrijving van de voorziening voor gastouderopvang in het
register kinderopvang heeft plaatsgevonden.
5. Bij een inschrijving als bedoeld
in het tweede lid, doet het college van burgemeester en wethouders
opgave van de gegevens die ingevolge artikel 1.45, vierde lid,
zijn verstrekt.
6. Indien in een kindercentrum
voorschoolse educatie wordt aangeboden, neemt het college van
burgemeester en wethouders dit op in het register kinderopvang.
Artikel 1.47
1. De houder van een kindercentrum
of gastouderbureau doet van wijzigingen in de gegevens die bij de
aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, zijn
verstrekt, onverwijld mededeling aan het college van burgemeester
en wethouders. Het college draagt er zorg voor dat deze
wijzigingen worden doorgevoerd in het register kinderopvang.
2. Het college van burgemeester en
wethouders deelt de houder van het kindercentrum of
gastouderbureau schriftelijk mee dat de wijziging in het register
kinderopvang heeft plaatsgevonden.
3. De houder van het
gastouderbureau deelt de gastouder schriftelijk mee dat de
wijziging in het register kinderopvang heeft plaatsgevonden.
Artikel 1.47a
1. Onze Minister draagt zorg voor
de inrichting van een register kinderopvang ten behoeve van de
waarborging van de kwaliteit en de rechtszekerheid van de
kinderopvang en gastouderopvang alsmede ten behoeve van het
toezicht op en de handhaving van de bij of krachtens deze afdeling
gestelde regels.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het
register kinderopvang. Deze regels hebben in ieder geval
betrekking op:
a. de vorm van het register;
b. de in het register op te
nemen gegevens;
c. de vastlegging van gegevens
in het register en de verwijdering van gegevens daaruit;
d. de wijze waarop verbetering
van onjuistheden in het register plaatsvindt;
e. de verstrekking van
gegevens;
f. de openbaarheid van
gegevens;
g. de verantwoordelijkheden van
degenen die gegevens aanleveren ten behoeve van het register.
3. Kindercentra, gastouderbureau’s
en voorzieningen voor gastouderopvang worden in het register
kinderopvang geregistreerd onder een uniek nummer.
Artikel 1.48
1. Onze Minister kan een buiten
Nederland gevestigd kindercentrum, een buiten Nederland gevestigde
voorziening voor gastouderopvang of een buiten Nederland gevestigd
gastouderbureau gelijkstellen met een geregistreerd kindercentrum,
een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang of een
geregistreerd gastouderbureau, door opneming ervan in een door hem
bij te houden register buitenlandse kinderopvang.
2. Indien een ouder voornemens is
gebruik te maken van een kindercentrum of een voorziening voor
gastouderopvang door tussenkomst van een gastouderbureau buiten
Nederland, doet hij bij Onze Minister een aanvraag om opneming van
dat centrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat bureau in
het register buitenlandse kinderopvang. Opname in dat register
vindt slechts plaats, indien aannemelijk is gemaakt dat de
kwaliteit ervan naar aard en strekking overeenkomt met de op grond
van deze wet gestelde regels.
3. Onze Minister deelt de houder en
de aanvrager schriftelijk mee dat opneming van het kindercentrum,
de voorziening voor gastouderopvang onderscheidenlijk het
gastouderbureau in het register buitenlandse kinderopvang heeft
plaatsgevonden.
4. Onze Minister maakt de opneming
in en verwijdering uit het register buitenlandse kinderopvang
bekend in de Staatscourant.
5. Bij regeling van Onze Minister
kunnen regels worden gesteld omtrent het register buitenlandse
kinderopvang en de wijze waarop verbetering van onjuistheden in
dat register plaatsvindt.
6. De houder doet van wijzigingen
in de gegevens die ten behoeve van de opneming in het register
buitenlandse kinderopvang zijn verstrekt, onverwijld mededeling
aan Onze Minister.
7. Onze Minister deelt de houder
schriftelijk mee dat de wijzigingen in het register buitenlandse
kinderopvang zijn aangetekend.
8. De artikelen 1.45 tot en met
1.47a en 1.49 tot en met 1.60 en deafdelingen 4 en 5 van dit
hoofdstuk zijn niet van toepassing op een kindercentrum of een
gastouderbureau als bedoeld in het eerste lid.
9. Bij regeling van Onze Minister
kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. de wijze waarop aannemelijk
wordt gemaakt dat een kindercentrum, voorziening voor
gastouderopvang of gastouderbureau als bedoeld in het eerste
lid voldoet aan het tweede lid;
b. het toezicht op de naleving
van het achtste lid;
c. het verstrekken van gegevens
en inlichtingen door de ouder en de houder alsmede de wijze
waarop deze gegevens en inlichtingen worden verstrekt ten
behoeve van dat toezicht.
10. Indien blijkt dat de kwaliteit
van het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het
gastouderbureau niet langer naar aard en strekking overeenkomt met
de op grond van deze wet gestelde regels of dat de houder niet
voldoet aan enige verplichting die op grond van deze wet op hem
rust wordt het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang
of het gastouderbureau uit het register buitenlandse kinderopvang
verwijderd.
Artikel 1.48a
1. Bij regeling van Onze Minister
kunnen categorieën van buiten Nederland gevestigde kindercentra,
voorzieningen voor gastouderopvang of gastouderbureaus worden
aangewezen die worden gelijkgesteld met geregistreerde
kindercentra, geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang of
geregistreerde gastouderbureaus, indien deze kindercentra,
voorzieningen voor gastouderopvang of gastouderbureaus voldoen aan
de in het land van vestiging geldende regels met betrekking tot de
kwaliteit en deze regels naar aard en naar strekking overeenkomen
met de bij of krachtens deze wet gestelde regels.
2. Artikel 1.48 is niet van
toepassing op kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang en
gastouderbureaus als bedoeld in het eerste lid.
Paragraaf 2. Eisen
Artikel 1.49
1. Een houder van een kindercentrum
biedt verantwoorde kinderopvang aan waaronder wordt verstaan
opvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het
kind in een veilige en gezonde omgeving.
2. Een houder van een voorziening
voor gastouderopvang biedt verantwoorde gastouderopvang aan
waaronder wordt verstaan opvang die bijdraagt aan een goede en
gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde
omgeving.
3. Een houder van een
gastouderbureau draagt zorg voor een verantwoorde uitvoering van
de werkzaamheden van het bureau, waaronder wordt verstaan:
a. het tot stand brengen en
begeleiden van gastouderopvang die bijdraagt aan een goede en
gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde
omgeving;
b. het doorgeleiden van de
betalingen van ouders aan gastouders.
Artikel 1.50
1. De houder van een kindercentrum
organiseert de kinderopvang op zodanige wijze, voorziet het
kindercentrum zowel kwalitatief, als kwantitatief zodanig van
personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige
verantwoordelijkheidstoedeling, en voert een zodanig pedagogisch
beleid dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde
kinderopvang. Ter uitvoering van de eerste volzin besteedt de
houder van het kindercentrum in ieder geval aantoonbaar aandacht
aan het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen
per leeftijdscategorie, de groepsgrootte, de opleidingseisen van
de beroepskrachten en de voorwaarden waaronder en de mate waarin
beroepskrachten in opleiding kunnen worden belast met de
verzorging en opvang van kinderen.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent
de kwaliteit van kinderopvang bij een kindercentrum. Deze regels
kunnen betrekking hebben op:
a. de veiligheid en de
gezondheid;
b. de opleidingseisen waaraan
de beroepskrachten voldoen;
c. de inzet van beroepskrachten
in opleiding;
d. het aantal beroepskrachten
en vrijwilligers in relatie tot het aantal kinderen per
leeftijdscategorie;
e. de groepsgrootte;
f. het pedagogisch beleid en de
pedagogische praktijk;
g. de accommodatie en de
inrichting van de ruimte die bestemd is voor kinderopvang;
h. de beschikbare ruimte voor
kinderen.
3. De houder van een kindercentrum
en de personen werkzaam bij een onderneming waarmee de houder een
kindercentrum exploiteert, zijn in het bezit van een verklaring
omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens.
4. De verklaring, bedoeld in het
derde lid, wordt aan de houder van het kindercentrum overgelegd,
voordat een persoon als bedoeld in het derde lid zijn
werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment dat zij
wordt overgelegd, niet ouder dan twee maanden.
5. Indien de houder van het
kindercentrum of de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden
dat een persoon als bedoeld in het derde lid niet langer voldoet
aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het
gedrag, verlangt deze houder al dan niet op verzoek van de
toezichthouder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het
gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De
desbetreffende persoon legt de verklaring over binnen een door
deze houder of de toezichthouder vast te stellen termijn.
6. De verplichting van het vierde
lid geldt voor personen die als stagiair of uitzendkracht werkzaam
zijn de eerste maal voordat deze personen de werkzaamheden
aanvangen.
Artikel 1.50a
De houder van een kindercentrum neemt
deel aan het overleg tussen het college van burgemeester en
wethouders en de bevoegde gezagsorganen van scholen over het
onderwijsachterstandenbeleid, bedoeld in de artikelen 167 en 167a
van de Wet op het primair onderwijs en werkt mee aan de
totstandkoming van de afspraken en de nakoming ervan.
Artikel 1.50b
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld omtrent de kwaliteit van
voorschoolse educatie, indien dit wordt gesubsidieerd door het
college van burgemeester en wethouders. Deze regels hebben in ieder
geval betrekking op:
a. de opleidingseisen en de
scholingseisen waaraan de beroepskrachten voorschoolse educatie
voldoen;
b. het aantal beroepskrachten
voorschoolse educatie in relatie tot het aantal kinderen;
c. de groepsgrootte; en
d. de minimum omvang van de
voorschoolse educatie.
Artikel 1.51
De houder van een kindercentrum voert
een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de
op te vangen kinderen in elk door hem geëxploiteerd kindercentrum
zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder van het kindercentrum
legt, voor zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere
wet- en regelgeving, in een risico-inventarisatie schriftelijk vast
welke risico's de opvang van kinderen met zich brengt.
Artikel 1.52
1. Kinderopvang geschiedt op basis
van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.
2. Bij regeling van Onze Minister
kan worden bepaald dat de ouder niet kan worden verplicht tot
afname en betaling van meer uren per dag of dagdeel dan een in die
regeling te bepalen maximum.
3. Het aantal uren, bedoeld in het
tweede lid, kan per soort kinderopvang verschillend worden
vastgesteld.
Artikel 1.53
Bij regeling van Onze Minister kunnen
ten behoeve van een goede uitvoering van deze wet regels worden
gesteld met betrekking tot de administratie van gegevens bij
kindercentra.
Artikel 1.54
1. De houder van een kindercentrum
informeert de ouders wier kinderen in het kindercentrum worden
opgevangen over het te voeren beleid als bedoeld in deze
paragraaf.
2. De houder van een kindercentrum
informeert de ouders wier kinderen in het kindercentrum worden
opgevangen over een inspectierapport als bedoeld in artikel 1.63
door dit zo spoedig mogelijk na ontvangst van het rapport op een
website van de houder te plaatsen zodanig dat het rapport voor
ouders gemakkelijk vindbaar is dan wel, indien de houder geen
eigen website heeft, ter inzage te leggen op een voor ouders
toegankelijke plaats.
3. De houder van een kindercentrum
informeert het personeel van het kindercentrum over een
inspectierapport als bedoeld in artikel 1.63 door dit zo spoedig
mogelijk na ontvangst van het rapport op een website van de houder
te plaatsen zodanig dat het rapport voor het personeel gemakkelijk
vindbaar is dan wel, indien de houder geen eigen website heeft,
ter inzage te leggen op een voor het personeel toegankelijke
plaats.
Artikel 1.55
1. Bij kinderopvang in een
kindercentrum of in een voorziening voor gastouderopvang wordt de
Nederlandse taal als voertaal gebruikt. Daar waar naast de
Nederlandse taal, de Friese taal of een streektaal in levend
gebruik is, kan de Friese taal of de streektaal mede als voertaal
worden gebruikt.
2. In afwijking van het eerste lid
kan mede een andere taal als voertaal worden gebezigd, indien de
herkomst van de kinderen in specifieke omstandigheden daartoe
noodzaakt, overeenkomstig een door de houder van het kindercentrum
of van het gastouderbureau vastgestelde gedragscode.
Artikel 1.56
1. De houder van een
gastouderbureau organiseert zijn werkzaamheden op zodanige wijze,
voorziet het bureau zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van
personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige
verantwoordelijkheidstoedeling en voert een zodanig beleid, dat
een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde
uitvoering van die werkzaamheden.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de kwaliteit
van gastouderbureaus, waaronder regels omtrent de opleidingseisen
waaraan de beroepskrachten voldoen.
3. Op de houder van een
gastouderbureau en op de personen werkzaam bij een onderneming
waarmee de houder een gastouderbureau exploiteert, is artikel
1.50, derde tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
Op de houder van een gastouderbureau is artikel 1.54 van
overeenkomstige toepassing.
4. Gastouderopvang geschiedt op
basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder van het
gastouderbureau en de ouder. Bij regeling van Onze Minister kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de
overeenkomst.
5. Bij regeling van Onze Minister
kan worden bepaald dat de uitvoeringskosten een bij die regeling
vast te stellen maximum per nader te bepalen soort kosten niet te
boven gaan.
6. Bij regeling van Onze Minister
kunnen ten behoeve van een goede uitvoering van deze wet regels
worden gesteld omtrent:
a. de administratie van
gegevens bij gastouderbureaus;
b. het betalingsverkeer tussen
gastouders, het gastouderbureau en vraagouders.
7. Bij regeling van Onze Minister
kunnen regels worden gesteld over het minimum aantal uren
ondersteuning dat een gastouderbureau jaarlijks verleent aan een
gastouder.
Artikel 1.56a
De houder van een gastouderbureau
maakt ten behoeve van een goede uitvoering van de bij of krachtens
deze afdeling gestelde regels gebruik van het burgerservicenummer
of, bij het ontbreken daarvan, van het sociaal-fiscaalnummer.
Artikel 1.56b
1. De gastouder beschikt over een
zodanige deskundigheid, organiseert de gastouderopvang op zodanige
wijze, voorziet de voorziening voor gastouderopvang zodanig van
materieel en voert een zodanig pedagogisch beleid, dat een en
ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde
gastouderopvang.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent
de kwaliteit van de gastouderopvang. Deze regels kunnen betrekking
hebben op:
a. de veiligheid en de
gezondheid;
b. de deskundigheidseisen
waaraan de gastouder voldoet;
c. de groepsgrootte;
d. de accommodatie en de
inrichting van de ruimte die bestemd is voor gastouderopvang;
e. de beschikbare ruimte voor
kinderen;
f. het pedagogisch beleid en de
pedagogische praktijk.
3. De gastouder en andere personen
van 18 jaar of ouder die op hetzelfde woonadres als de houder van
de voorziening voor gastouderopvang hun hoofdverblijf hebben,
alsmede de daar werkzame vrijwilligers en stagiaires, zijn in het
bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
4. De verklaringen, bedoeld in het
derde lid, worden door de gastouder aan de houder van het
gastouderbureau overgelegd, voordat de gastouder zijn
werkzaamheden aanvangt. De verklaringen zijn op het moment dat zij
worden overgelegd, niet ouder dan twee maanden.
5. Indien de houder van het
gastouderbureau of de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden
dat een persoon als bedoeld in het derde lid niet langer voldoet
aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het
gedrag, verlangt deze houder of de toezichthouder dat die persoon
opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet ouder
is dan twee maanden. De desbetreffende persoon legt de verklaring
over binnen een door deze houder of de toezichthouder vast te
stellen termijn.
6. De artikelen 1.51, 1.53, 1.54,
tweede lid en1.55 zijn van overeenkomstige toepassing op de
gastouder.
7. De verplichting van het vierde
lid geldt voor personen die als stagiair werkzaam zijn de eerste
maal dat deze personen de werkzaamheden aanvangen.
Artikel 1.57
Indien de kinderopvang in een
kindercentrum geschiedt uitsluitend en onbezoldigd door ten minste
een van de ouders van de in die voorziening opgevangen kinderen
worden voor de toepassing van artikel 1.50, eerste lid, ouders
gelijkgesteld met personeel en beroepskrachten. Op ouders, bedoeld
in de eerste zin, is artikel 1.50, tweede tot en met zesde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.57a
1. Onze Minister kan beleidsregels
stellen omtrent de toepassing van deartikelen 1.49, 1.50, eerste
en derde tot en met zesde lid, 1.51, 1.56, eerste en derde lid, en
1.56b, eerste, derde, vierde, vijfde en zesde lid, voor zover dat
laatste lid betrekking heeft op artikel 1.51.
2. De bekendmaking van de
beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
Paragraaf 3. Oudercommissie
Artikel 1.58
1. Een houder van een kindercentrum
of van een gastouderbureau stelt voor elk door hem geëxploiteerd
kindercentrum of gastouderbureau een oudercommissie in die tot
taak heeft hem te adviseren over de aangelegenheden, genoemd in
artikel 1.60.
2. De leden van de oudercommissie
worden gekozen uit en door degenen wier kinderen in het
kindercentrum of door tussenkomst van het gastouderbureau worden
opgevangen.
3. Personen werkzaam bij een
kindercentrum onderscheidenlijk gastouderbureau zijn geen lid van
de oudercommissie van dat kindercentrum of gastouderbureau.
4. De oudercommissie bepaalt haar
eigen werkwijze.
Artikel 1.59
1. De houder van een kindercentrum
of van een gastouderbureau stelt binnen zes maanden na de
aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste lid, voor de
oudercommissie een reglement vast.
2. Het reglement bevat in ieder
geval regels omtrent:
a. het aantal leden van de
oudercommissie;
b. de wijze waarop de leden van
de oudercommissie worden gekozen;
c. de zittingsduur van de leden
van de oudercommissie.
3. Het reglement bevat geen regels
omtrent de werkwijze van de oudercommissie.
4. De oudercommissie beslist bij
meerderheid van stemmen.
5. Wijziging van het reglement
behoeft instemming van de oudercommissie.
Artikel 1.60
1. De houder van een kindercentrum
of van een gastouderbureau stelt de oudercommissie in ieder geval
in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen
besluit met betrekking tot:
a. de wijze waarop uitvoering
wordt gegeven aan artikel 1.50 dan wel aanartikel 1.56;
b. voedingsaangelegenheden van
algemene aard en het algemene beleid op het gebied van
opvoeding, veiligheid of gezondheid;
c. openingstijden;
d. het beleid met betrekking
tot spel- en ontwikkelingsactiviteiten ten behoeve van de
kinderen, waaronder het aanbieden van voorschoolse educatie;
e. de vaststelling of wijziging
van een regeling inzake de behandeling van klachten en het
aanwijzen van personen die belast worden met de behandeling
van klachten;
f. wijziging van de prijs van
kinderopvang.
2. Van een advies als bedoeld in
het eerste lid kan de houder van het kindercentrum of van het
gastouderbureau slechts afwijken indien hij schriftelijk en
gemotiveerd aangeeft dat het belang van de kinderopvang zich tegen
het advies verzet.
3. De oudercommissie is bevoegd de
houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau ook
ongevraagd te adviseren over de onderwerpen, genoemd in het eerste
lid.
4. De houder van een kindercentrum
of van een gastouderbureau verstrekt de oudercommissie tijdig en
desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de
vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.
Artikel 1.60a
De houder van een kindercentrum of
van een gastouderbureau treft een regeling voor de behandeling van
klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als
bedoeld inartikel 1.60, eerste lid. De getroffen regeling waarborgt
dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet
wordt deelgenomen door de houder van het kindercentrum of van het
gastouderbureau of door een persoon die werkzaam is voor of bij de
houder op wie die klacht betrekking heeft. De houder van het
kindercentrum of van het gastouderbureau brengt de getroffen
regeling op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie.
De artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en
negende lid, 2a, 3c en 4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector
zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Handhaving
Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
Artikel 1.61
1. Het college van burgemeester en
wethouders ziet toe op de naleving van de bij of krachtens
afdeling 3 van dit hoofdstuk gestelde regels, onderscheidenlijk de
krachtens artikel 1.65 gegeven aanwijzingen en bevelen en de
krachtensartikel 1.66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting
dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde
verboden en de in de bij artikel 1.50b vastgestelde algemene
maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit
van voorschoolse educatie. Het college van burgemeester en
wethouders wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.
2. Voor zover een kindercentrum een
voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau in een
woning is gevestigd, zijn de toezichthouders ter uitvoering van de
taken, bedoeld in het eerste lid, bevoegd zonder toestemming van
de bewoners in die woning binnen te treden.
Artikel 1.62
1. De toezichthouder onderzoekt na
een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid,
binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de
exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met
het bepaalde bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en3, van
dit hoofdstuk.
2. Onverminderd het eerste lid
onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid bij ieder
geregistreerd kindercentrum en geregistreerd gastouderbureau
jaarlijks of de exploitatie in overeenstemming is met de bij of
krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk
gestelde regels.
3. Onverminderd het eerste lid
onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid op grond van
steekproeven jaarlijks of de exploitatie van geregistreerde
voorzieningen voor gastouderopvang in overeenstemming is met de
bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk
gestelde regels.
4. Naast het onderzoek, bedoeld in
het eerste, tweede en derde lid, kan de toezichthouder als daar
aanleiding toe is incidenteel onderzoek verrichten naar de
naleving door een houder van de bij of krachtensafdeling 3,
paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gestelde regels.Artikel 1.63
is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van
het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzetten.
Artikel 1.63
1. De toezichthouder legt zijn
oordeel naar aanleiding van een onderzoek bij een kindercentrum,
een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau vast
in een inspectierapport.
2. Indien de toezichthouder
oordeelt dat door de houder de bij of krachtens afdeling 3,
paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet
zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
3. Alvorens het rapport vast te
stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van
het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze
kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de
houder in een bijlage bij het rapport.
4. De toezichthouder zendt het
inspectierapport na het te hebben vastgesteld onverwijld aan de
houder, die de ouders en het personeel overeenkomstigartikel 1.54,
tweede en derde lid, daarover informeert.
5. De toezichthouder maakt het
inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan
openbaar.
6. De toezichthouder zendt een
afschrift van het inspectierapport naar aanleiding van een
onderzoek bij een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt
aangeboden aan het college van burgemeester en wethouders en aan
de Inspectie van het onderwijs, indien in een of meer van de
basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, bedoeld
in artikel 1.61, tekortkomingen zijn geconstateerd.
Artikel 1.64
1. Onze Minister kan beleidsregels
stellen omtrent de door de toezichthouder te hanteren werkwijze
voor een onderzoek als bedoeld in deze paragraaf.
2. De bekendmaking van de
beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
Artikel 1.65
1. Het college van burgemeester en
wethouders van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een
voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt
dat de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van dit
hoofdstuk gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate
naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
2. In een aanwijzing als bedoeld in
het eerste lid geeft het college van burgemeester en wethouders
met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid
bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden
nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
3. De toezichthouder kan een
schriftelijk bevel geven aan een kindercentrum, gastouderbureau of
voorziening voor gastouderopvang indien hij oordeelt:
a. dat de kwaliteit van de
kinderopvang bij een kindercentrum of een voorziening voor
gastouderopvang zodanig tekortschiet dat het nemen van
maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden; of
b. dat de kwaliteit van een
gastouderbureau zodanig tekort schiet, en daardoor het risico
bestaat dat ook de kwaliteit van de gastouderopvang in gevaar
komt, dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen
uitstel kan lijden.
4. Het bevel, bedoeld in het derde
lid, heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door het
college van burgemeester en wethouders kan worden verlengd.
5. De houder neemt de maatregelen
binnen de bij de aanwijzing onderscheidenlijk het bevel gestelde
termijn.
Artikel 1.66
1. Het college van burgemeester en
wethouders kan de houder verbieden de exploitatie van een
kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een
gastouderbureau voort te zetten, zolang hij een bevel of
aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder
bestuursdwang niet mogelijk is.
2. Indien uit een onderzoek als
bedoeld in artikel 1.62 of anderszins blijkt dat het
kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het
gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de
bij of krachtens afdeling 3, paragraaf 2, van dit hoofdstuk
gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college van
burgemeester en wethouders zolang die situatie zich voordoet, de
houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor
gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen.
Artikel 1.67 [Vervallen per
01-10-2012]
Paragraaf 2a. Informatieverstrekking
aan de GGD
Artikel 1.67a
De Belastingdienst/Toeslagen
verstrekt aan de GGD kosteloos de gegevens en inlichtingen waarvan
de kennisneming van belang kan zijn voor het toezicht op de naleving
van de bij of krachtens hoofdstuk 3 gestelde regels.
Paragraaf 3. Informatie aan minister
door colleges van burgemeester en wethouders
Artikel 1.68
1. Het college van burgemeester en
wethouders verstrekt desgevraagd aan Onze Minister gegevens en
inlichtingen die hij voor de informatievoorziening en
beleidsvorming en de statistiek met betrekking tot hoofdstuk 1 van
deze wet nodig heeft.
2. Bij regeling van Onze Minister
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de informatie die
het college verstrekt over de uitvoering van zijn werkzaamheden op
grond van dit hoofdstuk en de wijze waarop het college de gegevens
en inlichtingen verstrekt en verzamelt en of en op welke wijze
deze informatie openbaar wordt gemaakt.
3. De gegevens en inlichtingen,
bedoeld in het eerste lid, worden kosteloos verstrekt.
Artikel 1.69 [Vervallen per
01-10-2012]
Artikel 1.70 [Vervallen per
01-10-2012]
Afdeling 5. Opsporing en sancties
Paragraaf 1. Opsporing
Artikel 71 [Vervallen per 01-09-2005]
Paragraaf 2. Bestuurlijke boeten
Artikel 1.72
1. Het college van burgemeester en
wethouders kan de houder die een verplichting als bedoeld bij of
krachtens afdeling 3 van dit hoofdstuk, een afspraak als bedoeld
in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een aanwijzing
onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 1.65 of artikel
5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt
in strijd met een verbod krachtens artikel 1.66, een bestuurlijke
boete opleggen van ten hoogste € 45 000.
2. In afwijking van het eerste lid
kan de overtreding van de houder niet met een bestuurlijke boete
worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos
geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid
van personen tot gevolg heeft.
Artikel 73 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 74 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 75 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 76 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 77 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 78 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 79 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 1.80
Indien het college van burgemeester
en wethouders voornemens is een bestuurlijke boete op te leggen,
geeft hij de overtreder daarvan kennis onder de vermelding van de
gronden waarop het voornemen berust en overlegging van het rapport.
Artikel 81 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 82 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 83 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 84 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 85 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 1.86 [Vervallen per
01-01-2013]
Afdeling 6. Experimenten
Artikel 1.87
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen voor een periode van ten hoogste vier jaar ten
behoeve van experimenten, die ten doel hebben de totstandkoming
van innovatieve kinderopvang mogelijk te maken, vormen van
kinderopvang worden aangewezen en kunnen regels worden gesteld
omtrent:
a. de kwaliteit van de aan te
wijzen vormen van kinderopvang;
b. het toezicht op de naleving
van de regels, bedoeld onder a;
c. de hoogte van de
kinderopvangtoeslag;
d. de duur van de aan te wijzen
vormen van kinderopvang als experiment.
Bij die regels kan worden afgeweken
van artikel 1.1, eerste lid, wat betreft de begrippen
«gastouderbureau» en «gastouderopvang», artikel 1.1, tweede
lid, onderdeel a, artikel 1.7, afdeling 3, met uitzondering van
artikel 1.48, alsmede van afdeling 4, paragrafen 1 en 2,
enafdeling 5, paragraaf 2, van dit hoofdstuk.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld aan de
deelname aan een experiment.
3. Indien toepassing wordt gegeven
aan het eerste lid heeft een ouder als bedoeld in artikel 1.6
aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn
partner te betalen kosten, indien het betreft een experimentele
vorm van kinderopvang, welke is geregistreerd.
4. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen experimenten als bedoeld in het eerste lid na
afloop van de looptijd worden voortgezet tot een structurele
regeling is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van
ten hoogste twee jaar. Het eerste, tweede en derde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.88
1. Onze Minister zendt na overleg
met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk zes maanden voor de
beëindiging van een experiment, als bedoeld in artikel 1.87, een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een
standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling,
anders dan als experiment, aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
2. Indien een experiment als
bedoeld in artikel 1.87, eerder wordt beëindigd dan de bij
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid van dat
artikel, daarvoor gestelde duur, zendt Onze Minister na overleg
met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in afwijking van het eerste
lid, uiterlijk twee maanden na de beëindiging van dat experiment
een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede
een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende
regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 1.89
Een voordracht voor een krachtens dit
hoofdstuk vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet
eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen
peuterspeelzalen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 2.1
In dit hoofdstuk en de op dit
hoofdstuk berustende bepalingen wordt verstaan onder:
beroepskracht: degene die
werkzaam is bij een peuterspeelzaal, bezoldigd is en belast is
met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de
ontwikkeling van kinderen en die voldoet aan de opleidingseisen
als bedoeld in artikel 2.6, tweede lid;
beroepskracht in opleiding:
degene die de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in de Wet
educatie en beroepsonderwijs volgt, en ten behoeve van
beroepspraktijkvorming is belast met de verzorging, de opvoeding
en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een
peuterspeelzaal;
beroepskracht voorschoolse
educatie: degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is
met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen
en scholingseisen, bedoeld in artikel 2.8, onderdeel a;
Onze Minister: Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
GGD: gemeentelijke
gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 17 van de Wet publieke
gezondheid;
houder: degene aan wie een
onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 toebehoort
en die met die onderneming een peuterspeelzaal exploiteert;
ouder: bloed- of aanverwant in
opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie het
peuterspeelzaalwerk betrekking heeft, met dien verstande dat bij
de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een subsidie op
grond van de Wet op de jeugdzorg buiten beschouwing blijft;
oudercommissie: commissie als
bedoeld in artikel 2.15;
peuterspeelzaalwerk: de
verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling
van kinderen uitsluitend bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd
van twee jaar tot het tijdstip waarop die kinderen kunnen
deelnemen aan het basisonderwijs;
peuterspeelzaal: voorziening waar
peuterspeelzaalwerk plaatsvindt, anders dan gastouderopvang of
kinderopvang in een kindercentrum;
register peuterspeelzaalwerk: het
register peuterspeelzaalwerk, bedoeld in artikel 2.3;
voorschoolse educatie: uitvoering
van een door het college van burgemeester en wethouders
gesubsidieerd programma dat gericht is op het verbeteren van de
voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs
voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden
toegelaten;
vrijwilliger: degene die
structureel al dan niet tegen een vrijwilligersvergoeding op
regelmatige, niet incidentele, basis werkzaam is bij een
peuterspeelzaal en is belast met de verzorging, de opvoeding en
het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en die niet
voldoet aan de opleidingseisen, bedoeld in artikel 2.6, tweede
lid.
Afdeling 2. Kwaliteit
peuterspeelzalen
Paragraaf 1. Aanvraag en registratie
Artikel 2.2
1. Degene die voornemens is een
peuterspeelzaal in exploitatie te nemen, doet daarvan een aanvraag
bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van
vestiging.
2. Een peuterspeelzaal wordt niet
in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in
artikel 2.20 heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat de
exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met
het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze
afdeling.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur worden voorschriften gegeven over de gegevens die worden
verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, en over de
wijze van verstrekking van deze gegevens.
Artikel 2.3
1. Uiterlijk tien weken na de
aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geeft het college
van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 2.2, eerste
lid, een beschikking af aan de houder.
2. In de beschikking die volgt op
de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, nadat uit het
onderzoek, bedoeld in artikel 2.20, en anderszins is gebleken dat
de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming
met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van
afdeling 2 van dit hoofdstuk, bepaalt het college van burgemeester
en wethouders de datum van ingang van de exploitatie, waarbij deze
datum niet voor de datum van bekendmaking van die beschikking
ligt. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor
inschrijving van de peuterspeelzaal in het register
peuterspeelzaalwerk waarbij de datum van ingang van de exploitatie
als startdatum van de registratie wordt opgenomen.
3. Het college van burgemeester en
wethouders deelt de houder schriftelijk mee dat inschrijving van
de peuterspeelzaal in het register peuterspeelzaalwerk heeft
plaatsgevonden.
4. Bij een inschrijving als bedoeld
in het tweede lid, doet het college van burgemeester en wethouders
opgave van de gegevens die ingevolge artikel 2.2, derde lid, zijn
verstrekt.
Artikel 2.4
1. De houder doet van wijzigingen
in de gegevens die bij de aanvraag, bedoeld inartikel 2.2, eerste
lid, zijn verstrekt, onverwijld mededeling aan het college van
burgemeester en wethouders. Het college draagt er zorg voor dat
deze wijzigingen worden doorgevoerd in het register
peuterspeelzaalwerk.
2. Het college van burgemeester en
wethouders deelt de houder schriftelijk mee dat de wijziging in
het register peuterspeelzaalwerk heeft plaatsgevonden.
Artikel 2.4a
1. Onze Minister draagt zorg voor
de inrichting van een register peuterspeelzaalwerk ten behoeve van
de waarborging van de kwaliteit en de rechtszekerheid van het
peuterspeelzaalwerk alsmede ten behoeve van het toezicht op en de
handhaving van de bij of krachtens deze afdeling gestelde regels.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het
register peuterspeelzaalwerk. Deze regels hebben in elk geval
betrekking op:
a. de vorm van het register;
b. de in het register op te
nemen gegevens;
c. de vastlegging van gegevens
in het register en de verwijdering van gegevens daaruit;
d. de wijze waarop verbetering
van onjuistheden in het register plaatsvindt;
e. de verstrekking van
gegevens;
f. de openbaarheid van
gegevens;
g. de verantwoordelijkheden van
degenen die gegevens aanleveren ten behoeve van het register.
Paragraaf 2. Eisen
Artikel 2.5
Een houder biedt verantwoord
peuterspeelzaalwerk aan waaronder wordt verstaan peuterspeelzaalwerk
dat bijdraagt aan en stimuleert tot een goede en gezonde
ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving.
Artikel 2.6
1. De houder organiseert het
peuterspeelzaalwerk op zodanige wijze, voorziet de peuterspeelzaal
zowel kwalitatief, als kwantitatief zodanig van personeel en
materieel, draagt zorg voor een zodanige
verantwoordelijkheidstoedeling, en voert een zodanig pedagogisch
beleid dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoord
peuterspeelzaalwerk. Ter uitvoering van de eerste volzin besteedt
de houder in ieder geval aantoonbaar aandacht aan het aantal
beroepskrachten en vrijwilligers in relatie tot het aantal
kinderen per leeftijdscategorie, de groepsgrootte, de
opleidingseisen van de beroepskrachten en de voorwaarden waaronder
en de mate waarin beroepskrachten in opleiding kunnen worden
belast met de opvoeding en verzorging van kinderen.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent
de kwaliteit van het peuterspeelzaalwerk bij een peuterspeelzaal.
Deze regels kunnen betrekking hebben op:
a. de veiligheid en de
gezondheid;
b. de opleidingseisen waaraan
de beroepskrachten voldoen;
c. de inzet van beroepskrachten
in opleiding;
d. het aantal beroepskrachten
en vrijwilligers in relatie tot het aantal kinderen per
leeftijdscategorie;
e. de groepsgrootte;
f. het pedagogisch beleid en de
pedagogische praktijk.
3. De houder van een
peuterspeelzaal en de personen die werkzaam zijn bij een
onderneming waarmee de houder een peuterspeelzaal exploiteert,
zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven
volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
4. De verklaring, bedoeld in het
derde lid, wordt aan de houder overgelegd, voordat een persoon als
bedoeld in het derde lid zijn werkzaamheden aanvangt. De
verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd, niet ouder
dan twee maanden.
5. Indien de houder of de
toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon als
bedoeld in het derde lid niet langer voldoet aan de eisen voor het
afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt deze
houder al dan niet op verzoek van de toezichthouder dat die
persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die
niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon legt de
verklaring over binnen een door deze houder of de toezichthouder
vast te stellen termijn.
6. De verplichting van het vierde
lid geldt voor personen die als stagiair of uitzendkracht werkzaam
zijn de eerste maal voordat deze personen de werkzaamheden
aanvangen.
Artikel 2.7
De houder van een peuterspeelzaal
neemt deel aan het overleg tussen het college van burgemeester en
wethouders en de bevoegde gezagsorganen van scholen over het
onderwijsachterstandenbeleid, bedoeld in artikel 167a van de Wet op
het primair onderwijs, en werkt mee aan de totstandkoming van de
samenwerkingsafspraken en de nakoming ervan.
Artikel 2.8
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld omtrent de kwaliteit van
voorschoolse educatie, indien dit wordt gesubsidieerd door het
college van burgemeester en wethouders. Deze regels hebben in elk
geval betrekking op:
a. de opleidingseisen en de
scholingseisen waaraan de beroepskrachten voorschoolse educatie
voldoen;
b. het aantal beroepskrachten
voorschoolse educatie in relatie tot het aantal kinderen;
c. de groepsgrootte; en
d. de minimumomvang van de
voorschoolse educatie.
Artikel 2.9
De houder voert een beleid dat ertoe
leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen
kinderen in elke door hem in stand gehouden peuterspeelzaal zoveel
mogelijk zijn gewaarborgd. De houder legt, voor zover hierin niet
wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en regelgeving, in een
risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico’s het
peuterspeelzaalwerk met zich brengt.
Artikel 2.10
Bij regeling van Onze Minister kunnen
ten behoeve van een goede uitvoering van dit hoofdstuk regels worden
gesteld met betrekking tot de administratie van gegevens bij
peuterspeelzalen.
Artikel 2.11
1. De houder informeert de ouders
van wie de kinderen in de peuterspeelzaal worden opgevangen over
het te voeren beleid als bedoeld in deze paragraaf.
2. De houder informeert de ouders
wier kinderen in de peuterspeelzaal worden opgevangen over een
inspectierapport als bedoeld in artikel 2.21 door dit zo spoedig
mogelijk na ontvangst van het rapport op een website van de houder
te plaatsen zodanig dat het rapport voor ouders gemakkelijk
vindbaar is dan wel, indien de houder geen eigen website heeft,
ter inzage leggen op een voor ouders toegankelijke plaats.
3. De houder informeert het
personeel over een inspectierapport als bedoeld in artikel 2.21
door dit zo spoedig mogelijk na ontvangst van het rapport op een
website van de houder te plaatsen zodanig dat het rapport voor het
personeel gemakkelijk vindbaar is dan wel ter inzage te leggen op
een voor het personeel toegankelijke plaats.
Artikel 2.12
1. In een peuterspeelzaal wordt de
Nederlandse taal als voertaal gebruikt. Daar waar naast de
Nederlandse taal, de Friese taal of een streektaal in levend
gebruik is, kan de Friese taal of de streektaal mede als voertaal
worden gebruikt.
2. In afwijking van het eerste lid
kan mede een andere taal als voertaal worden gebezigd, indien de
herkomst van de kinderen in specifieke omstandigheden daartoe
noodzaakt, overeenkomstig een door de houder vastgestelde
gedragscode.
Artikel 2.13
1. Onze Minister kan in
overeenstemming met Onze Minister voor Jeugd en Gezin,
beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de artikelen 2.5,
2.6en2.9.
2. De bekendmaking van de
beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
Paragraaf 3. Oudercommissie
Artikel 2.14
Deze paragraaf is slechts van
toepassing op niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen.
Artikel 2.15
1. Een houder van een
peuterspeelzaal biedt voor elk door hem geëxploiteerde
peuterspeelzaal aan degenen van wie de kinderen in de
peuterspeelzaal worden opgevangen, de gelegenheid deel te nemen
aan een oudercommissie die tot taak heeft hem te adviseren over de
aangelegenheden, genoemd in artikel 2.17.
2. De leden van de oudercommissie
worden gekozen uit en door degenen van wie de kinderen in de
peuterspeelzaal worden opgevangen.
3. Personen werkzaam bij een
peuterspeelzaal zijn geen lid van de oudercommissie van die
peuterspeelzaal.
4. De oudercommissie bepaalt haar
eigen werkwijze.
Artikel 2.16
1. De houder stelt binnen zes
maanden na de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, voor
de oudercommissie een reglement vast.
2. Het reglement bevat in ieder
geval regels omtrent:
a. het aantal leden van de
oudercommissie;
b. de wijze waarop de leden van
de oudercommissie worden gekozen;
c. de zittingsduur van de leden
van de oudercommissie.
3. Het reglement bevat geen regels
omtrent de werkwijze van de oudercommissie.
4. De oudercommissie beslist bij
meerderheid van stemmen.
5. Wijziging van het reglement
behoeft instemming van de oudercommissie.
Artikel 2.17
1. De houder stelt de
oudercommissie in ieder geval in de gelegenheid advies uit te
brengen over elk voorgenomen besluit van de houder met betrekking
tot:
a. de wijze waarop uitvoering
wordt gegeven aan artikel 2.6;
b. voedingsaangelegenheden van
algemene aard en het algemene beleid op het gebied van
opvoeding, veiligheid of gezondheid;
c. openingstijden;
d. het beleid met betrekking
tot spel- en ontwikkelingsactiviteiten ten behoeve van de
kinderen, waaronder voorschoolse educatie;
e. de vaststelling of wijziging
van een regeling inzake de behandeling van klachten en het
aanwijzen van personen die belast worden met de behandeling
van klachten;
f. wijziging van de prijs van
peuterspeelzaalwerk.
2. Van een advies als bedoeld in
het eerste lid kan de houder slechts afwijken indien hij
schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van het
peuterspeelzaalwerk zich tegen het advies verzet.
3. De oudercommissie is bevoegd de
houder ook ongevraagd te adviseren over de onderwerpen, genoemd in
het eerste lid.
4. De houder verstrekt de
oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie
die deze voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig
heeft.
Artikel 2.18
De houder treft een regeling voor de
behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem
genomen besluit als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid. De
getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht
van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder of door
een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht
betrekking heeft. De houder brengt de getroffen regeling op passende
wijze onder de aandacht van de oudercommissie. De artikelen 2,
tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid, 2a, 3c en
4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector zijn van
overeenkomstige toepassing voor de oudercommissie.
Afdeling 3. Handhaving
Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
Artikel 2.19
1. Het college van burgemeester en
wethouders ziet toe op de naleving van de bij of krachtens
afdeling 2 van dit hoofdstuk gestelde regels, onderscheidenlijk de
krachtens artikel 2.23 gegeven aanwijzingen en bevelen en de
krachtensartikel 2.24, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting
dan wel de krachtens artikel 2.24, tweede lid, uitgevaardigde
verboden, en de in de bij artikel 2.8 vastgestelde algemene
maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit
van voorschoolse educatie. Het college van burgemeester en
wethouders wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.
2. Voor zover een peuterspeelzaal
is gevestigd in een woning, zijn de toezichthouders ter uitvoering
van de taken, bedoeld in het eerste lid, bevoegd zonder
toestemming van de bewoners in die woning binnen te treden.
Artikel 2.20
1. De toezichthouder onderzoekt na
een aanvraag als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, binnen een
bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de
instandhouding redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming
met het bepaalde bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en3 van
dit hoofdstuk.
2. Onverminderd het eerste lid
onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de exploitatie van elke
peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de bij of
krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk
gestelde regels, behoudens bijzondere omstandigheden.
3. Naast het onderzoek, bedoeld in
het eerste en tweede lid, kan de toezichthouder incidenteel
onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij
of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk
gestelde regels. Artikel 2.21 is van overeenkomstige toepassing,
tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare
rapportage verzetten.
Artikel 2.21
1. De toezichthouder legt zijn
oordeel naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal
vast in een inspectierapport.
2. Indien de toezichthouder
oordeelt dat door de houder de bij of krachtensafdeling 2,
paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften niet
zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
3. Alvorens het rapport vast te
stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van
het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze
kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de
houder in een bijlage bij het rapport.
4. De toezichthouder zendt het
inspectierapport na het te hebben vastgesteld onverwijld aan de
houder, die de ouders en het personeel overeenkomstigartikel 2.11,
tweede en derde lid, daarover informeert.
5. De toezichthouder maakt het
inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan
openbaar.
6. De toezichthouder zendt een
afschrift van het inspectierapport naar aanleiding van een
onderzoek bij een peuterspeelzaal waar voorschoolse educatie wordt
aangeboden, aan het college van burgemeester en wethouders en aan
de Inspectie van het onderwijs, indien in een of meer van de
basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, als
bedoeld in artikel 2.19, tekortkomingen zijn geconstateerd.
Artikel 2.22
1. Onze Minister kan beleidsregels
stellen omtrent de door de toezichthouder te hanteren werkwijze
voor een onderzoek als bedoeld in deze paragraaf.
2. De bekendmaking van de
beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
Artikel 2.23
1. Het college van burgemeester en
wethouders van de gemeente waarin zich een peuterspeelzaal bevindt
die de bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3, van dit
hoofdstuk gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate
naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
2. In een aanwijzing als bedoeld in
het eerste lid geeft het college van burgemeester en wethouders
met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid
bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden
nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
3. Indien de toezichthouder
oordeelt dat de kwaliteit van het peuterspeelzaalwerk bij een
peuterspeelzaal zodanig tekortschiet, dat het nemen van
maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de
toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een
geldigheidsduur van zeven dagen, welke door het college van
burgemeester en wethouders kan worden verlengd.
4. De houder neemt de maatregelen
binnen de bij de aanwijzing, onderscheidenlijk het bevel, gestelde
termijn.
Artikel 2.24
1. Het college van burgemeester en
wethouders kan de houder verbieden de instandhouding van een
peuterspeelzaal voort te zetten, zolang hij een bevel of
aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder
bestuursdwang niet mogelijk is.
2. Indien uit een onderzoek als
bedoeld in artikel 2.20 of anderszins blijkt dat de
peuterspeelzaal naar verwachting niet dan wel niet langer aan de
bij of krachtens afdeling 2, paragraaf 2, van dit hoofdstuk
gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college van
burgemeester en wethouders zolang die situatie zich voordoet, de
houder verbieden die peuterspeelzaal in exploitatie te nemen.
Paragraaf 3. Informatie aan minister
door colleges van burgemeester en wethouders
Artikel 2.25
1. Het college van burgemeester en
wethouders verstrekt desgevraagd aan Onze Minister gegevens en
inlichtingen die hij voor de informatievoorziening en
beleidsvorming en de statistiek met betrekking tot dit hoofdstuk
nodig heeft.
2. Bij regeling van Onze Minister
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de informatie die
het college verstrekt over de uitvoering van zijn werkzaamheden op
grond van dit hoofdstuk en de wijze waarop het college de gegevens
en inlichtingen verstrekt en verzamelt en of en op welke wijze
deze informatie openbaar wordt gemaakt.
3. De gegevens en inlichtingen,
bedoeld in het eerste lid, worden kosteloos verstrekt.
Artikel 2.26 [Vervallen per
01-10-2012]
Afdeling 4. Sancties
Artikel 2.27
Deze afdeling is slechts van
toepassing op niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen.
Artikel 2.28
1. Het college van burgemeester en
wethouders kan de houder die een verplichting als bedoeld bij of
krachtens afdeling 2 van dit hoofdstuk, een afspraak als bedoeld
in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een aanwijzing
onderscheidenlijk een bevel als bedoeld inartikel 2.23 of artikel
5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt
in strijd met een verbod krachtens artikel 2.24, een bestuurlijke
boete opleggen van ten hoogste€ 45 000.
2. In afwijking van het eerste lid
kan de overtreding van de houder niet met een bestuurlijke boete
worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos
geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid
van personen tot gevolg heeft.
Afdeling 5. Experimenten
Artikel 2.29
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen voor een periode van ten hoogste vier jaar ten
behoeve van experimenten, die ten doel hebben de totstandkoming
van innovatief peuterspeelzaalwerk mogelijk te maken, vormen van
peuterspeelzaalwerk worden aangewezen en kunnen regels worden
gesteld omtrent:
a. de kwaliteit van de aan te
wijzen vormen van peuterspeelzaalwerk;
b. het toezicht op de naleving
van de regels, bedoeld onder a;
c. de hoogte van de
ouderbijdrage voor peuterspeelzaalwerk;
d. de duur van de aan te wijzen
vormen van peuterspeelzaalwerk als experiment.
Bij die regels kan worden afgeweken
van de bepalingen in afdeling 2 van dit hoofdstuk.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen experimenten als bedoeld in het eerste lid na
afloop van de looptijd worden voortgezet tot een structurele
regeling is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van
ten hoogste twee jaar. Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 2.30
1. Onze Minister zendt na overleg
met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk
zes maanden voor de beëindiging van een experiment, als bedoeld
in artikel 2.29, een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de
desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide
kamers der Staten-Generaal.
2. Indien een experiment als
bedoeld in artikel 2.29, eerder wordt beëindigd dan de bij
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid van dat
artikel, daarvoor gestelde duur, zendt Onze Minister na overleg
met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in
afwijking van het eerste lid, uiterlijk twee maanden na de
beëindiging van dat experiment een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake
de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als
experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 2.31
Een voordracht voor een krachtens
deze afdeling vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt
niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers
der Staten-Generaal is overgelegd.
Hoofdstuk 3. Overgangs- en
slotbepalingen
Paragraaf 1. Overgangsbepalingen
Artikel 3.1 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 3.2 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 3.3 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 3.4 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 3.5 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 3.6 [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 3.6a
1. In afwijking van artikel 1.5,
eerste lid, onder b, heeft een ouder voor het berekeningsjaar 2010
tevens aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn
partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk
aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te
betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft
gastouderopvang, die plaatsvindt door tussenkomst van een
geregistreerd gastouderbureau, in een of meer voorzieningen voor
gastouderopvang die niet in het register kinderopvang zijn
opgenomen onder voorwaarde dat is voldaan aan artikel 1.56b,
derde, vierde en vijfde lid.
2. Voor zover er geen uniek nummer
is verstrekt als bedoeld in artikel 1.10 zoals dat luidde op 31
december 2012, is dat artikel niet van toepassing gedurende het
berekeningsjaar 2010.
3. Dit artikel vervalt met ingang
van 1 januari 2016.
Artikel 3.6b [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 3.6c [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 3.7
1. Afdeling 2 van hoofdstuk 1 en
artikel 1.86 zijn gedurende ten hoogste zes maanden na het
tijdstip van hun inwerkingtreding niet van toepassing op een ouder
als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder h en i, die gebruik
maakt van kinderopvang die door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen ten behoeve van die ouder is bekostigd op
grond een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
gesloten schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 74,
eerste lid, van de Werkloosheidswet respectievelijk artikel 22a,
eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
2. Op de financiering van
kinderopvang, bedoeld in het eerste lid, blijven de artikelen 74
van de Werkloosheidswet onderscheidenlijk 22a, 34 tot en met 37,
45 tot en met 47 en 53 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten, zoals deze artikelen luidden tot het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing.
Artikel 3.8
Ten aanzien van voor het tijdstip van
inwerkingtreding van de Wet kinderopvang door het Rijk en gemeenten
op grond van de Welzijnswet 1994 verleende subsidies en uitkeringen
aan kinderopvang, voorzover dat kinderopvang betreft waarop deze wet
van toepassing is, blijft het bepaalde bij of krachtens de
Welzijnswet 1994, zoals dat laatstelijk voor 1 januari 2005 luidde,
van toepassing op de financiële verantwoording, vaststelling en
uitbetaling van die subsidies en uitkeringen.
Artikel 3.8a
Voor een berekeningsjaar dat
voorafgaat aan 2013 blijft deze wet, zoals die luidde op 31 december
van dat berekeningsjaar, van toepassing op de kinderopvangtoeslag en
de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, zoals dat
luidde op 31 december 2012.
Artikel 3.8b
1. Het college van burgemeester en
wethouders blijft bevoegd een beslissing te nemen op een aanvraag
voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1.22, zoals dat
luidde op 31 december 2012, voor een berekeningsjaar dat
voorafgaat aan 2013, voor zover nog niet onherroepelijk op deze
aanvraag is beslist.
2. Het college van burgemeester en
wethouders dat een besluit in verband met een tegemoetkoming als
bedoeld in artikel 1.22, zoals dat luidde op 31 december 2012,
voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013 heeft genomen
waartegen een bezwaarschrift is ingediend dan wel nog kan worden
ingediend, blijft bevoegd op het bezwaar te beslissen.
3. In een geding in beroep en hoger
beroep, gericht tegen een besluit als bedoeld in het tweede lid,
blijft het college partij en staat hoger beroep in verband met
deze besluiten open.
Artikel 3.8c
1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen blijft bevoegd een beslissing te nemen op
een aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1.29,
zoals dat luidde op 31 december 2012, voor een berekeningsjaar dat
voorafgaat aan 2013, voor zover nog niet onherroepelijk op deze
aanvraag is beslist.
2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen dat een besluit in verband met een
tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1.29, zoals dat luidde op 31
december 2012, voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013
heeft genomen waartegen een bezwaarschrift is ingediend dan wel
nog kan worden ingediend, blijft bevoegd op het bezwaar te
beslissen.
3. In een geding in beroep en hoger
beroep, gericht tegen een besluit als bedoeld in het tweede lid,
blijft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen partij en
staat hoger beroep in verband met deze besluiten open.
Artikel 3.8d
Personen die werkzaam zijn bij een
onderneming waarmee de houder een kindercentrum exploiteert en
personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een
gastouderbureau exploiteert en van wie tot het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel I, onderdelen Ra en Rb, van de Wet tot
wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
peuterspeelzalen in verband met het aanbrengen van grondslagen die
hervorming van en bezuiniging op de kinderopvangtoeslag mogelijk
maken en in verband met het incorporeren van de tegemoetkoming in de
kosten van kinderopvang van de gemeente en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in verband met de kinderopvangtoeslag geen
verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in artikel 1.50, derde lid,
werd verlangd, leggen aan de houder van een kindercentrum
respectievelijk van een gastouderbureau voor 1 januari 2013 een
verklaring over als bedoeld in voornoemd artikel. De verklaring is
op het moment dat zij wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden.
Artikel 3.8e
Personen die werkzaam zijn bij een
onderneming waarmee de houder een peuterspeelzaal exploiteert en van
wie tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel
Ub, van de Wet tot wijziging van de Wet kinderopvang en
kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met het aanbrengen van
grondslagen die hervorming van en bezuiniging op de
kinderopvangtoeslag mogelijk maken en in verband met het
incorporeren van de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang van
de gemeente en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in
verband met de kinderopvangtoeslag geen verklaring omtrent het
gedrag, bedoeld in artikel 2.6, derde lid, werd verlangd, leggen aan
de houder van een kindercentrum voor 1 januari 2013 een verklaring
over als bedoeld in voornoemd artikel. De verklaring is op het
moment dat zij wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden.
Paragraaf 2. Wijziging van andere
wet- en regelgeving
Artikel 3.9 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
De Regeling kinderopvang en
buitenschoolse opvang alleenstaande ouders wordt ingetrokken.
Paragraaf 3. Slotbepalingen
Artikel 3.10
1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, het college van burgemeester en
wethouders en de gemeenteraad verstrekken aan Onze Minister de
inlichtingen die hij voor de statistiek, de informatievoorziening
en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.
2. Onze Minister stelt regels
omtrent de aard van de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, en
de wijze waarop deze worden verstrekt.
3. De inlichtingen, bedoeld in het
eerste lid, worden kosteloos verstrekt.
Artikel 3.11
De voordracht voor een krachtens de
artikelen 1.7, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, 1.56, tweede
lid, en 1.56b, tweede lid, vast te stellen algemene maatregel van
bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp
aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 3.12
1. Onze Minister brengt na overleg
met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport gedurende drie jaar na de
inwerkingtreding van deze wet jaarlijks aan de Staten-Generaal een
verslag uit over de werking ervan.
2. Onze Minister brengt na overleg
met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport drie jaar na de inwerkingtreding
van deze wet, en vervolgens telkens na drie jaar, aan de
Staten-Generaal een verslag uit over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de praktijk.
3. Onze Minister brengt na overleg
met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport een jaar na de inwerkingtreding
van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang
in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang
(Stb. 345) en vervolgens telkens als onderdeel van het verslag,
bedoeld in het tweede lid, aan de Staten-Generaal een verslag uit
over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de
onderdelen van deze wet, zoals deze zijn gewijzigd door de
genoemde wet.
Artikel 3.13
Personen die op het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 2.2 werkzaam zijn bij een
peuterspeelzaal, leggen aan de houder van een peuterspeelzaal binnen
twee maanden na de inwerkingtreding van artikel 2.2 een verklaring
over als bedoeld inartikel 2.6, derde lid.
Artikel 3.14
Indien er op het moment van
inwerkingtreding vanafdeling 2 van hoofdstuk 2 van deze wet een
oudercommissie is, geldt de verplichting van artikel 2.16 voor een
houder van een peuterspeelzaal die op het tijdstip van
inwerkingtreding van afdeling 2 van hoofdstuk 2 een peuterspeelzaal
in stand houdt, eerst zes maanden na dat tijdstip.
Artikel 3.14a
1. Deze wet treedt in werking op
een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende paragrafen, artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden gesteld.
2. De artikelen 1, onder b, 3°, 2,
negende lid, tweede volzin, 2a, tweede lid, en 3c, van de Wet
klachtrecht cliënten zorgsector vervallen op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 3.15
Deze wet wordt aangehaald als: Wet
kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Tavarnelle, 9 juli 2004
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
De Staatssecretaris van Financiën,
J.G. Wijn
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp
Uitgegeven de eenentwintigste september 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|