Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 29 mei 1995, houdende regels ter
zake van de behandeling van klachten van cliënten van zorgaanbieders op
het terrein van de maatschappelijke zorg en gezondheidszorg
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is wettelijke
regels te stellen ter zake van de behandeling van klachten van cliënten
van zorgaanbieders op het terrein van de maatschappelijke zorg en
gezondheidszorg;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
b. instelling:
1°. elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid
optredend organisatorisch verband waarin:
a. zorg wordt verleend als omschreven bij of krachtens de
Zorgverzekeringswet of de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten;
b. maatschappelijke ondersteuning wordt geboden door derden
als bedoeld in artikel 10 van de Wet maatschappelijke
ondersteuning;
c. verslavingszorg wordt verleend;
2°. een gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in
artikel 5, eerste lid, van de Wet collectieve preventie;
3°. een kindercentrum als bedoeld in artikel 1.1, eerste
lid, een gastouderbureau als bedoeld in artikel 1.1, eerste
lid, en een peuterspeelzaal als bedoeld in artikel 2.1, van de
Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
c. zorgaanbieder:
1°. een rechtspersoon of natuurlijk persoon, die een
instelling in stand houdt;
2°. de rechtspersonen of natuurlijke personen, die
gezamenlijk een instelling in stand houden;
3°. een natuurlijk persoon die anders dan in het kader van
een dienstverband met een instelling, zorg als omschreven bij
of krachtens de Zorgverzekeringswet en de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten verleent;
d. cliënt: een natuurlijk persoon aan wie de zorgaanbieder
maatschappelijke ondersteuning of gezondheidszorg verleent of
heeft verleend;
e. gedraging: enig handelen of nalaten alsmede het nemen van
een besluit dat gevolgen heeft voor een cliënt.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere in de
maatschappij als zelfstandige eenheid optredende organisatorische
verbanden, waarin maatschappelijke ondersteuning of gezondheidszorg
wordt verleend, worden aangemerkt als instelling in de zin van deze
wet.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere natuurlijke
personen, die maatschappelijke ondersteuning of gezondheidszorg
verlenen, worden aangemerkt als zorgaanbieder in de zin van deze wet.
4. Deze wet is niet van toepassing op klachten van onvrijwillig in
een inrichting opgenomen cliënten, voor zover deze overeenkomstig een
bijzondere wettelijke regeling door een klachtencommissie kunnen
worden behandeld.
Hoofdstuk II. Behandeling van klachten
Artikel 2
1. Elke zorgaanbieder treft een regeling voor de behandeling van
klachten over een gedraging van hem of van voor hem werkzame personen
jegens een cliënt. Hij brengt de getroffen regeling op passende wijze
onder de aandacht van zijn cliënten.
2. De in het eerste lid bedoelde regeling:
a. voorziet erin dat de klachten van cliënten worden behandeld
door een klachtencommissie die bestaat uit ten minste drie leden,
waaronder een voorzitter die niet werkzaam is voor of bij de
zorgaanbieder;
b. waarborgt dat aan de behandeling van een klacht niet wordt
deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht
rechtstreeks betrekking heeft;
c. waarborgt dat de klachtencommissie binnen een in de regeling
vastgelegde termijn na indiening van de klacht de klager, degene
over wie is geklaagd en, indien dit niet dezelfde persoon is, de
zorgaanbieder, schriftelijk en met redenen omkleed in kennis stelt
van haar oordeel over de gegrondheid van de klacht, al dan niet
vergezeld van aanbevelingen;
d. waarborgt dat bij afwijking van de onder c bedoelde termijn
de klachtencommissie daarvan met redenen omkleed mededeling doet
aan de klager, degene over wie is geklaagd en, indien dit niet
dezelfde persoon is, de zorgaanbieder, onder vermelding van de
termijn waarbinnen de klachtencommissie haar oordeel over de
klacht zal uitbrengen;
e. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, door
de klachtencommissie in de gelegenheid worden gesteld mondeling of
schriftelijk een toelichting te geven op de gedraging waarover is
geklaagd;
f. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, zich
bij de behandeling van de klacht kunnen laten bijstaan.
3. De zorgaanbieder ziet erop toe dat de klachtencommissie, bedoeld
in het tweede lid, onder a, haar werkzaamheden verricht volgens een
door deze commissie op te stellen reglement.
4. Door of namens een cliënt kan bij de klachtencommissie, bedoeld
in het tweede lid, onder a, een klacht tegen een zorgaanbieder worden
ingediend over een gedraging van hem of van voor hem werkzame personen
jegens de cliënt.
5. De zorgaanbieder deelt de klager en de klachtencommissie,
bedoeld in het tweede lid, onder a, binnen een maand na ontvangst van
het in het tweede lid, onder c, bedoelde oordeel van de
klachtencommissie schriftelijk mede of hij naar aanleiding van dat
oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. Bij afwijking van de in
de eerste volzin genoemde termijn, doet de zorgaanbieder daarvan met
redenen omkleed mededeling aan de klager en de klachtencommissie,
onder vermelding van de termijn waarbinnen de zorgaanbieder zijn
standpunt aan hen kenbaar zal maken.
6. In afwijking van het vierde lid kan bij de klachtencommissie,
bedoeld in het tweede lid, onder a, eveneens een klacht tegen een
zorgaanbieder worden ingediend over een gedraging van hem of van voor
hem werkzame personen jegens een cliënt die inmiddels is overleden.
7. De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat over elk kalenderjaar
een openbaar verslag wordt opgesteld waarin worden aangegeven:
a. een beknopte beschrijving van de regeling, bedoeld in het
eerste lid;
b. de wijze waarop de zorgaanbieder die regeling onder de
aandacht van zijn cliënten heeft gebracht;
c. de samenstelling van de klachtencommissie, bedoeld in het
tweede lid, onder a;
d. in welke mate die klachtencommissie haar werkzaamheden heeft
kunnen verrichten met inachtneming van de waarborgen, bedoeld in
het tweede lid;
e. het aantal en de aard van de door die klachtencommissie
behandelde klachten;
f. de strekking van de oordelen en aanbevelingen van die
klachtencommissie;
g. de aard van de maatregelen, bedoeld in het vijfde lid.
8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het verslag.
9. De zorgaanbieder zendt het verslag voor 1 juni van het
daaropvolgende kalenderjaar aan Onze Minister en aan de bevoegde
regionale inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid,
alsmede aan de organisatie die in de regio de belangen van de
patiënten in algemene zin behartigt. In het geval van een
zorgaanbieder van een instelling als bedoeld in artikel 1, onder b,
onder 3°, zendt hij het verslag, in afwijking van de eerste zin, aan
de toezichthouder, genoemd in de artikelen 1.61, eerste lid, en 2.19,
eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
peuterspeelzalen.
Artikel 2a
1. Indien een klacht zich richt op een ernstige situatie met een
structureel karakter, stelt de klachtencommissie de zorgaanbieder
daarvan in kennis. Indien de klachtencommissie niet is gebleken dat de
zorgaanbieder ter zake maatregelen heeft getroffen, meldt de
klachtencommissie deze klacht aan de ingevolge artikel 3a met het
toezicht op de naleving van deze wet belaste ambtenaar. Onder een
klacht over een ernstige situatie wordt verstaan een klacht over een
situatie waarbij sprake is van onverantwoorde zorg.
2. In afwijking van het eerste lid worden klachten ten aanzien van
een instelling als bedoeld in artikel 1, onder b, onder 3°, die naar
het oordeel van de klachtencommissie ernstig van aard zijn, door haar
gemeld aan de ingevolge de artikelen 1.61 en 2.19 van de Wet
kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen met het toezicht op
de naleving van die wet belaste ambtenaren.
Hoofdstuk III. Handhaving en toezicht
Artikel 3
1.Indien Onze Minister van oordeel is dat het bepaalde bij of
krachtens deze wet niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze
wordt nageleefd, kan hij de zorgaanbieder een schriftelijke aanwijzing
geven.
2.In de aanwijzing geeft Onze Minister met redenen omkleed aan op
welke punten het bepaalde bij of krachtens deze wet niet of in
onvoldoende mate of op onjuiste wijze wordt nageleefd, alsmede de in
verband daarmee te nemen maatregelen.
3.Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de zorgaanbieder er
aan moet voldoen.
4.De zorgaanbieder is verplicht binnen de daarbij gestelde termijn
aan de aanwijzing te voldoen.
Artikel 3a
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de hoofdinspecteurs, de inspecteurs en de onder
hun bevelen werkzame ambtenaren van het staatstoezicht op de
volksgezondheid.
2.De toezichthouders, genoemd in het eerste lid, beschikken niet
over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de
Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3b
1. Onze Minister is bevoegd een bestuurlijke boete van ten hoogste
€ 6 700,– op te leggen ter zake van een gedraging die in strijd is
met een krachtens artikel 3 gegeven aanwijzing, voor zover deze
betreft het niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze naleven
van artikel 2, zevende lid.
2. Onze Minister is bevoegd een last onder dwangsom op te leggen
ter zake van een gedraging die in strijd is met een krachtens artikel
3 gegeven aanwijzing, voor zover deze betreft het niet of in
onvoldoende mate of op onjuiste wijze naleven van artikel 2, eerste
tot en met derde en vijfde lid.
Artikel 3c
1. De artikelen 3, 3a en 3b zijn niet van toepassing ten aanzien
van een instelling als bedoeld in artikel 1, onder b, onder 3°.
2. Met het toezicht op de naleving van deze wet ten aanzien van een
instelling als bedoeld in artikel 1, onder b, onder 3°, zijn belast
de op grond van de artikelen 1.61, eerste lid, en 2.19, eerste lid,
van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen door het
college van burgemeester en wethouders bij besluit aangewezen
ambtenaren. Het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 1, afdelingen 4 en
5 en hoofdstuk 2, afdelingen 3 en 4, van de Wet kinderopvang en
kwaliteitseisen peuterspeelzalen is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk IV. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 4
Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze wet en daarbij
de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke
karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds
uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die
gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding
daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot
bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van deze wet
de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
Artikel 5 [Vervallen per 17-06-2005]
Artikel 6 [Vervallen per 17-06-2005]
Artikel 7
1. Deze wet, met uitzondering van artikel 6, treedt in werking met
ingang van de eerste dag van de tweede maand na de datum van uitgifte
van het Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst. Artikel 6 treedt in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
2. De zorgaanbieder treft de in artikel 2 bedoelde regeling binnen
drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 8
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet klachtrecht cliënten
zorgsector.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 29 mei 1995
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.G. Terpstra
Uitgegeven de tweeëntwintigste juni 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|