Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 23 maart 1995, houdende regeling
van de organisatie belast met de inning van onderhoudsbijdragen voor
kinderen en met de vaststelling en inning van ouderbijdragen voor
jeugdhulpverlening
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
uitoefening van de taken met betrekking tot de inning van
onderhoudsbijdragen voor kinderen en de vaststelling en inning van
ouderbijdragen jeugdhulpverlening door de dependance Gouda van de raad
voor de kinderbescherming Den Haag en door de daar gedetacheerde
werkeenheid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te
verzelfstandigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze minister: Onze Minister van Justitie;
b. het Bureau: het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen,
bedoeld in artikel 2, eerste lid;
c. de raad: de raad van toezicht, bedoeld in artikel 3;
d. de directie: de directie, bedoeld in artikel 3.
Artikel 2
1. Er is een Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, dat
gevestigd is te Rotterdam.
2. Het Bureau bezit rechtspersoonlijkheid.
3. Het Bureau is belast met de hem:
a. bij of krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek
opgedragen taken ter zake van de inning van onderhoudsbijdragen
voor minderjarigen en meerderjarigen die de leeftijd van
eenentwintig jaar nog niet hebben bereikt en ter zake van de
inning van uitkeringen tot levensonderhoud ten behoeve van een
echtgenoot of geregistreerd partner;
b. bij of krachtens de Wet op de jeugdzorg opgedragen taken ter
zake van de vaststelling en inning van ouderbijdragen; en
c. bij andere wetten opgedragen taken.
4. Het Bureau treedt op als ontvangende en verzendende instelling
als bedoeld in artikel 2 van het Verdrag inzake het verhaal in het
buitenland van uitkeringen tot onderhoud en als bedoeld in artikel 11,
derde lid, van het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van
migrerende werknemers. Het Bureau treedt op als centrale autoriteit,
bedoeld in artikel 4 van het op 23 november 2007 te ’s-Gravenhage
tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale inning van
levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden (PbEU 2011, L
192/51) en artikel 49 van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van
18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht,
de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de
samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PbEU L 7/1).
5. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het
Bureau daarbij aangegeven andere taken kan verrichten dan die, bedoeld
in het derde en vierde lid, indien deze taken:
a. nauw verband houden met de in het derde lid genoemde taken;
b. toepassing met zich brengen van de produktiemiddelen die het
Bureau voor de vervulling van zijn in het derde lid genoemde taken
gebruikt;
c. niet leiden tot concurrentievervalsing ten opzichte van
private aanbieders van vergelijkbare diensten, en
d. tegen kostendekkende tarieven worden verricht.
Hoofdstuk 2. De directie en het toezicht op de directie
§ 1. Algemeen
Artikel 3
Het Bureau heeft een directie en een raad van toezicht.
§ 2. De directie
Artikel 4
1.De directie bestaat uit ten hoogste drie leden.
2.Het lidmaatschap van de directie is onverenigbaar met het
lidmaatschap van de raad.
3.De leden van de directie worden aangesteld, geschorst en
ontslagen door de raad van toezicht. Zij kunnen voor bepaalde tijd
worden aangesteld.
4.De regeling van de bezoldiging en verdere rechtspositie van de
leden van de directie behoeft de goedkeuring van Onze minister en Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Artikel 5
1.De directie is belast met de dagelijkse leiding van het Bureau.
2.Alle bevoegdheden van het Bureau die niet bij of krachtens de wet
aan de raad zijn opgedragen, komen toe aan de directie.
Artikel 6
1.De directie vertegenwoordigt het Bureau in en buiten rechte.
2.De directie kan onder haar verantwoordelijkheid de
vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste lid, opdragen aan een of
meer directieleden of andere personen. Zij kan bepalen dat deze
vertegenwoordiging uitsluitend betrekking heeft op bepaalde onderdelen
van de taken van het Bureau dan wel op bepaalde aangelegenheden.
Artikel 7
In geval van schorsing of ontstentenis van een lid van de directie
voorziet de raad in de waarneming van diens functie.
Artikel 8
1.De directie is verantwoording verschuldigd aan de raad. Zij
verstrekt de raad tijdig de voor de uitoefening van diens taak
benodigde inlichtingen en andere gegevens.
2.De directie legt jaarlijks, en voorts tussentijds indien hiertoe
naar het oordeel van de raad van toezicht aanleiding bestaat, aan de
raad verantwoording af over het door haar gevoerde beleid.
§ 3. De raad van toezicht
Artikel 9
1.De raad bestaat uit vijf leden, de voorzitter daaronder begrepen.
2.Een persoon in dienst van het Bureau kan niet tevens lid zijn van
de raad.
3.Onze minister kan aan de leden van de raad een vacatiegeld
toekennen ten laste van het Bureau.
4.De leden van de raad hebben aanspraak op vergoeding door het
Bureau van de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte
reis- en verblijfkosten.
5.De leden van de raad hebben daarin op persoonlijke titel zitting
en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.
Artikel 10
1.Onze minister benoemt, schorst en ontslaat in overeenstemming met
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de voorzitter en
de overige leden van de raad.
2.De raad doet Onze minister voor iedere te vervullen plaats in de
raad een aanbeveling van één persoon. De aanbeveling is met redenen
omkleed. Onze minister wijkt niet van de aanbeveling af, dan na
overleg met de raad.
3.De leden van de raad worden benoemd voor een periode van ten
hoogste vier jaar. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd.
4.De leden van de raad kan tussentijds op eigen verzoek, dan wel om
zwaarwichtige redenen ontslag worden verleend.
5.Zolang niet is voorzien in een vacature in de raad, vormen de
overblijvende leden de raad. Indien alle leden ontbreken, benoemt Onze
minister in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport, onverwijld een of meer personen die tijdelijk de
taken van de raad vervullen.
6.Degene die is benoemd ter vervanging van een tussentijds
opengevallen plaats treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens
plaats hij is benoemd, zou moeten aftreden en is vervolgens voor een
aansluitende periode éénmaal herbenoembaar.
Artikel 11
1.De raad ziet toe op de werkzaamheden van de directie en op de
algemene gang van zaken in het Bureau. Hij staat de directie met raad
ter zijde.
2.De raad regelt bij reglement zijn werkwijze, waaronder in ieder
geval de openbaarheid van zijn vergaderingen.
3.De raad kan geen geldige besluiten nemen, indien niet ten minste
drie leden ter vergadering aanwezig zijn.
Artikel 12
1.Aan de goedkeuring van de raad zijn onderworpen de besluiten van
de directie met betrekking tot:
a. de reglementen, bedoeld in de artikelen 13 en 16, tweede
lid;
b. de begroting, bedoeld in artikel 17;
c. investeringen die een door de raad vast te stellen bedrag te
boven gaan;
d. het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 2,
vijfde lid;
e. het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met een
andere rechtspersoon, indien deze samenwerking of verbreking van
ingrijpende betekenis is voor het Bureau;
f. het oprichten of mede-oprichten van een privaatrechtelijke
rechtspersoon of het deelnemen in een vennootschap;
g. belangrijke reorganisaties.
2.Besluiten als bedoeld in het eerste lid, onder f, behoeven
bovendien de goedkeuring van Onze minister en van Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Hoofdstuk 3. Organisatie en personeel
§ 1. De organisatie
Artikel 13
De directie stelt bij reglement de hoofdlijnen vast van de
organisatie van het Bureau.
§ 2. Het personeel
Artikel 14
1. Het personeel van het Bureau, de leden van de directie daaronder
niet begrepen, wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de directie.
2. De rechtspositie van het personeel van het Bureau is
overeenkomstig de regels, zoals die gelden voor ambtenaren die zijn
aangesteld bij de ministeries met dien verstande dat, waar in deze
regels een bevoegdheid is toegekend aan een andere minister dan Onze
Minister van Binnenlandse Zaken, deze bevoegdheid wordt uitgeoefend
door de directie.
Hoofdstuk 4. Financieel beheer en verslaglegging
§ 1. Financieel beheer
Artikel 15
1.De inkomsten van het bureau bestaan uit:
a. de opbrengsten uit de opslag van kosten, bedoeld in artikel
408, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
b. de opbrengsten uit vergoedingen voor andere bij of krachtens
de wet aan het Bureau opgedragen taken;
c. andere baten, hoe ook genoemd.
2.Onze minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport verstrekken jaarlijks aan het Bureau een subsidie voor de kosten
van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2, derde lid, onder
b.
3.Onze minister verstrekt jaarlijks aan het Bureau een subsidie
voor de kosten van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2,
derde lid, onder a. Eveneens wordt jaarlijks aan het Bureau een
subsidie verstrekt voor de kosten van de uitvoering van de taken,
bedoeld in artikel 2, vierde lid.
4.In afwijking van artikel 4:21, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is titel 4.2 van die wet van toepassing op de subsidies,
bedoeld in het tweede en derde lid.
5.Onze minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport geven jaarlijks voor 1 september van enig kalenderjaar, doch
niet dan nadat zij daarover met het Bureau hebben overlegd, het bedrag
van de subsidie aan dat voor het daaropvolgende kalenderjaar aan het
Bureau zal worden verstrekt en nemen dit bedrag op in de voorstellen
van wet tot vaststelling van de begroting van onderscheidenlijk het
Ministerie van Justitie en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport.
6.Indien de subsidie wordt verstrekt ten laste van een begroting
die nog niet is vastgesteld, wordt zij verleend onder de voorwaarde,
bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht.
7.Het Bureau trekt geen gelden aan die dagelijks of op termijn
opvorderbaar zijn. In afwijking van de vorige volzin is het aan het
Bureau toegestaan ter overbrugging van tijdelijke kastekorten bij een
bank die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland haar
bedrijf mag uitoefenen tijdelijke kredieten in rekening-courant op te
nemen.
Artikel 16
1.De directie houdt zodanige aantekeningen omtrent de
vermogenstoestand van het Bureau dat daaruit te allen tijde zijn
rechten en verplichtingen kunnen worden gekend.
2.De directie stelt bij reglement de werkwijze vast voor het
financiële beheer en de administratieve organisatie van het Bureau.
3.Het boekjaar van het Bureau is het kalenderjaar.
Artikel 17
De directie stelt tijdig voor de afloop van het boekjaar een
financiële begroting vast voor het volgende boekjaar. De begroting is
in overeenstemming met het meerjarenbeleidsplan, bedoeld in artikel 18.
Artikel 18
1.Tegelijk met de opstelling van de financiële begroting stelt de
directie een meerjarenbeleidsplan op. Het meerjarenbeleidsplan wordt
vastgesteld door de raad.
2.Het meerjarenbeleidsplan geeft voor de eerstvolgende vijf
boekjaren in elk geval:
a. een overzicht van de door het Bureau te verrichten
werkzaamheden ter uitvoering van de aan het Bureau bij of
krachtens de wet opgedragen taken en een raming van de daarmee
gemoeide kosten en opbrengsten;
b. een overzicht van de voorgenomen andere werkzaamheden van
het Bureau, als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, en een raming
van de daarmee gemoeide kosten en opbrengsten.
Artikel 19
1.De raad zendt de door hem goedgekeurde begroting en het door hem
vastgestelde meerjarenbeleidsplan voor 1 juli van het daaraan
voorafgaande boekjaar toe aan Onze minister en aan Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
2.Bij toezending van de in het eerste lid bedoelde stukken kan de
raad aan Onze minister een beredeneerd voorstel doen tot wijziging van
de kostenopslag, bedoeld in artikel 408 van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek.
Artikel 20
Het meerjarenbeleidsplan behoeft de goedkeuring van Onze minister die
deze niet verleent dan in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onze minister kan het
meerjarenbeleidsplan gedeeltelijk goedkeuren of aan de goedkeuring
voorwaarden verbinden.
§ 2. De jaarrekening en het jaarverslag
Artikel 21
1.Jaarlijks binnen drie maanden na afloop van het boekjaar maakt de
directie een jaarrekening op en stelt een verslag van werkzaamheden
vast.
2.De jaarrekening wordt vastgesteld door de raad. Zij behoeft de
goedkeuring van Onze minister en van Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
3.De jaarrekening voldoet aan het bepaalde daaromtrent in titel 9
van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek met uitzondering van de
artikelen 392 en de bepalingen welke een in aandelen verdeeld kapitaal
van de vennootschap veronderstellen. Het verslag van werkzaamheden
omvat in ieder geval mededelingen omtrent het gevoerde beleid
gedurende het boekjaar, alsmede omtrent de doelmatigheid en
doeltreffendheid van de werkwijze van het Bureau.
4.De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de
getrouwheid, afgegeven door een door de raad aangewezen accountant als
bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek alsmede van een opgave van de gebeurtenissen na de balansdatum
met belangrijke financiële gevolgen voor het Bureau, onder mededeling
van de omvang van die gevolgen. Voorts gaat de jaarrekening vergezeld
van een beoordeling omtrent de rechtmatigheid van de uitvoering van de
bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen, alsmede van de bij of
krachtens het Burgerlijk Wetboek en de Wet op de jeugdzorg gestelde
bepalingen, voor zover deze worden uitgevoerd door het Bureau. Bij de
aanwijzing van de accountant wordt bedongen dat aan Onze minister of
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op diens verzoek
inzicht wordt geboden in de controlewerkzaamheden.
5.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
omtrent de wijze waarop de beoordeling van de rechtmatigheid, bedoeld
in het vierde lid, plaatsvindt.
6.De raad zendt de jaarrekening, het verslag van werkzaamheden en
de stukken, bedoeld in het vierde lid, binnen vier maanden na afloop
van het boekjaar toe aan Onze minister en aan Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onze minister kan deze termijn in
bijzondere omstandigheden verlengen, doch ten hoogste met zes maanden.
7.Binnen acht dagen na de goedkeuring maakt het Bureau de
jaarrekening openbaar door terinzagelegging op het kantoor van het
Bureau. Van de terinzagelegging wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant. De directie ziet erop toe dat aan een ieder die daarom
verzoekt, inzage wordt verleend in de in het eerste lid genoemde
stukken, en een volledig of gedeeltelijk afschrift daarvan wordt
verstrekt tegen ten hoogste de kostprijs van het maken van zodanig
afschrift.
8.Artikel 139 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de directie en, voor zover
het betreft de jaarrekening, ook ten aanzien van de raad.
Hoofdstuk 5. Inlichtingen en voorziening bij nalatigheid
Artikel 22
1.De directie en de raad verstrekken Onze minister en Onze Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, desgevraagd alle voor de
uitoefening van hun taak benodigde inlichtingen. Onze minister en Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen inzage verlangen
van gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van hun
taken redelijkerwijs nodig is.
2.Onze minister kan bepalen dat de directie inlichtingen als
bedoeld in het eerste lid, aan hem verstrekt in de vorm van een
periodieke rapportage.
Artikel 23
De Gemeentelijke Sociale Diensten, Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap dan wel, voor zover het betreft het onderwijs of
onderzoek op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, Onze
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de inspecteur der
rijksbelastingen, de Sociale verzekeringsbank, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de ambtenaren van de burgerlijke
stand en de gemeentebesturen, voor zover het betreft de gemeentelijke
basisadministraties persoonsgegevens, zijn verplicht aan het Bureau
kosteloos alle inlichtingen te verstrekken ten behoeve van de uitvoering
van de taken, bedoeld in artikel 2, derde en vierde lid.
Artikel 24
Indien het Bureau zijn taken, bedoeld in artikel 2, derde en vierde
lid, naar het oordeel van Onze minister en Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport verwaarloost, kunnen zij voorzieningen
treffen. Onze minister doet hiervan terstond mededeling aan de
Staten-Generaal.
Hoofdstuk 6. Wijziging van andere wetten
Artikel 25
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 26
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 27
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 28
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 29
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 30
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 31
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 32
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 33
1.De ambtenaren die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet behoren tot het personeel van de dependance Gouda van de raad voor
de kinderbescherming, van wie naam en functie zijn vermeld op een door
Onze minister vastgestelde lijst, zijn met ingang van dat tijdstip van
rechtswege ontslagen en aangesteld als ambtenaar met een rechtspositie
die als geheel ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van
hen gold bij de dependance Gouda van de raad voor de
kinderbescherming.
2.De ambtenaren die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet behoren tot het personeel van het Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport dat is gedetacheerd bij de dependance Gouda van de
raad voor de kinderbescherming, van wie naam en functie zijn vermeld
op een door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
vastgestelde lijst, zijn met ingang van dat tijdstip van rechtswege
ontslagen en aangesteld als ambtenaar met een rechtspositie die als
geheel ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold
bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Artikel 34
Archiefbescheiden van de dependance Gouda van de raad voor de
kinderbescherming gaan met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding
van deze wet over naar het Bureau, voor zover zij niet overeenkomstig de
Archiefwet 1962 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.
Artikel 35
1.Onze minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport bepalen welke vermogensbestanddelen van de Staat worden
toebedeeld aan het Bureau.
2.De in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen gaan met
ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet onder algemene
titel en om niet over op het Bureau.
Artikel 36
1.De eerste benoeming van de leden van de directie geschiedt, in
afwijking van artikel 4, derde lid, door Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport.
2.Bij de eerste benoeming van de leden van de raad is artikel 11,
tweede lid, niet van toepassing.
Artikel 37
Tot het tijdstip waarop de reglementen, bedoeld in de artikelen 13 en
16, tweede lid, in werking treden, blijven de voorschriften van kracht
die ter zake golden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van de
inwerkingtreding.
Artikel 38
1.In procedures waarin tot het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet de raad voor de kinderbescherming op grond van de uitvoering
van de taken, bedoeld in artikel 2, derde of vierde lid, optreedt,
treedt het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen in zijn plaats.
2.In procedures waarin tot het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet de Staat dan wel Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport op grond van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel
2, derde lid, onder b, optreedt, treedt het Bureau in zijn plaats.
3.In zaken waarin voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet op grond van artikel 12 van de Wet Nationale ombudsman aan de
Nationale ombudsman is verzocht een onderzoek te doen dan wel de
Nationale ombudsman op grond van artikel 15 van die wet een onderzoek
heeft ingesteld naar een gedraging die kan worden toegerekend aan de
dependance Gouda van de raad voor de kinderbescherming dan wel aan de
daar gedetacheerde werkeenheid van het Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport, treden de directie, onderscheidenlijk de raad van
toezicht op dat tijdstip als bestuursorgaan in de zin van de Wet
Nationale ombudsman in de plaats van Onze minister onderscheidenlijk
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Op gedragingen van voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet die kunnen worden toegerekend aan de dependance Gouda van de raad
voor de kinderbescherming dan wel aan de daar gedetacheerde
werkeenheid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
en waarover de Nationale ombudsman op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet nog geen verzoek als bedoeld in artikel
12 heeft bereikt, maar nog wel kan bereiken, is de eerste volzin
eveneens van toepassing
Artikel 39
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1997.
Artikel 40
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdragen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 23 maart 1995
BEATRIX
De Staatssecretaris van Justitie,
E.M.A. Schmitz
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.G. Terpstra
Uitgegeven de achttiende april 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|