WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut!
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een
regeling te treffen ter verlaging van de loonkosten van werkgevers met
werknemers op minimumloonniveau ter bevordering van de werkgelegenheid
van in het bijzonder personen met een lage opleiding;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. dienstbetrekking, werknemer, werkgever, loon, minimumloon en
normale arbeidsduur: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657), met
dien verstande dat de werkgever tevens inhoudingsplichtige voor de
heffing van de loonbelasting dient te zijn.
Artikel 2
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan
onder:
a. dienstbetrekking: de arbeidsverhouding van degene die is
aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn en van degene die
krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst is van
een publiekrechtelijk lichaam;
b. minimumloon: het minimumloon waarop de werknemer, bedoeld in
onderdeel a, ingevolge de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag recht zou hebben, indien die wet op hem van
toepassing zou zijn.
Artikel 3
1. De werkgever heeft in de periode van 1 april 1990 tot en met
31 maart 1994 over elk kalenderkwartaal recht op een tegemoetkoming in
de loonkosten van f 800,- voor elke dienstbetrekking met een werknemer
die bij de aanvang van het kwartaal de leeftijd van 23 jaar doch niet
die van 65 jaar heeft bereikt, en die gedurende dat gehele kwartaal in
dienst is geweest tegen een loon dat gelijk is aan het voor die
werknemer geldende minimumloon.
2. Terzake van een in de periode van 1 januari 1990 tot en met 31
maart 1990 reeds bestaande dienstbetrekking met een werknemer als
bedoeld in het eerste lid, geldt voorts als voorwaarde dat die werknemer
in die periode in dienst was tegen een loon dat gelijk is aan het voor
hem geldende minimumloon.
3. Terzake van een dienstbetrekking, waarin als regel gedurende
niet meer dan een derde van de normale arbeidsduur arbeid werd verricht
door een werknemer als bedoeld in het eerste lid, en die reeds bestond
in het kwartaal voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Wet houdende
wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag met
betrekking tot de aanspraken van werknemers die als regel gedurende niet
meer dan een derde van de normale arbeidsduur arbeid verrichten en van
de Wet loonkostenreductie op minimumloonniveau (Stb. 1992, 536),
geldt voorts als voorwaarde dat die werknemer in die periode in dienst
was tegen een loon dat niet hoger was dan het minimumloon waarop hij
recht zou hebben gehad indien de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag op hem van toepassing zou zijn geweest.
4. Voor een dienstbetrekking met een kortere dan de normale
arbeidsduur heeft de werkgever recht op een evenredig deel van de
tegemoetkoming.
5. In overleg met de Stichting van de Arbeid kunnen bij algemene
maatregel van bestuur bijzondere groepen van werknemers worden
aangewezen voor wie de toepassing van deze wet ook mogelijk is boven het
minimumloonniveau.
6. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in het vijfde lid wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant
is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen
vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en
bezwaren ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de
bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal
overgelegd.
Artikel 4
1. Teneinde het recht op een tegemoetkoming geldend te maken
zendt de werkgever uiterlijk binnen één maand na het kwartaal,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, aan Onze Minister een berekening van
het bedrag aan tegemoetkoming.
2. Inzending blijft achterwege indien het recht op een
tegemoetkoming over een daarop volgend kwartaal geen wijziging
ondergaat.
3. Indien de werkgever geen recht meer heeft op een
tegemoetkoming dient hij Onze Minister hiervan direct schriftelijk in
kennis te stellen.
Artikel 5
De berekening is ingericht overeenkomstig een door Onze Minister vast
te stellen model.
Artikel 6
Onze Minister stelt na tijdige ontvangst van de berekening de
werkgever hiervan schriftelijk in kennis binnen vier maanden na het
kwartaal waarop de berekening betrekking heeft en doet hiervan opgave
aan de inspecteur die ten aanzien van de werkgever bevoegd is voor de
heffing van de loonbelasting.
Artikel 7
1. Een tegemoetkoming kan tot het bedrag van de door Onze
Minister voor ontvangst bevestigde berekening uitsluitend dienen tot
betaling van de op aangifte af te dragen loonbelasting en premie
volksverzekeringen naar evenredigheid over de aangiftetijdvakken die
geheel liggen in het tweede kwartaal volgende op dat waarop de
tegemoetkoming betrekking heeft. Daartoe vermeldt de werkgever het
bedrag van de tegemoetkoming op het aangiftebiljet loonbelasting en
premie volksverzekeringen.
2. In afwijking van het eerste lid kan een tegemoetkoming welke
betrekking heeft op het tweede kwartaal van 1990 uitsluitend dienen tot
betaling van de op aangifte af te dragen loonbelasting en premie
volksverzekeringen naar evenredigheid over de aangiftetijdvakken die
geheel liggen in het eerste kwartaal van 1991.
Artikel 8
Het bedrag aan tegemoetkoming komt overeenkomstig de verhouding
tussen het premiepercentage voor de algemene verzekering bijzondere
ziektekosten en het premiepercentage voor de algemene
arbeidsongeschiktheidsverzekering, bedoeld in artikel 11 van de Wet
financiering volksverzekeringen (Stb. 1989, 129), ten laste van
het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten onderscheidenlijk het
Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Artikel 9
1. Onze Minister wijst ambtenaren aan, belast met het inwinnen
van gegevens in het belang van de uitvoering van deze wet en met het
toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde.
2. De werkgever is verplicht aan de in het eerste lid bedoelde
ambtenaren desgevraagd binnen een daartoe gestelde termijn opgaven en
inlichtingen te verstrekken en voorts inzage te verlenen in alle
bescheiden, waarvan de raadpleging redelijkerwijs voor de vervulling van
hun taak nodig is. De opgaven en inlichtingen moeten, indien dit wordt
verzocht, schriftelijk worden verstrekt.
Artikel 10
1. Onze Minister kan bij beschikking een tegemoetkoming
vervallen verklaren:
a. indien een werkgever ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag
een berekening, als bedoeld in artikel 4, heeft ingezonden;
b. indien een werkgever, na ingebreke te zijn gesteld, nalatig
blijft om aan een verzoek, als bedoeld in artikel 9, tweede lid, te
voldoen.
2. Daarbij bepaalt Onze Minister het verschuldigde bedrag op het
bedrag dat, gelet op de verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
a of b, ten onrechte heeft gediend tot betaling van de op
aangifte af te dragen loonbelasting en premie volksverzekeringen.
3. De invordering van het ingevolge het eerste en tweede lid
verschuldigde bedrag geschiedt door de ontvanger der rijksbelastingen
met overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor de
invordering van naheffingsaanslagen in de loonbelasting.
Artikel 11
Onze Minister en Onze Minister van Financiën kunnen regelen stellen
ter bevordering van een goede uitvoering van deze wet.
Artikel 12
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 13
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet loonkostenreductie op
minimumloonniveau.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 7 juni 1990
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
B. de Vries
De Staatssecretaris van Financiën,
M.J.J. van Amelsvoort
Uitgegeven de achtentwintigste juni 1990
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin