Nadere regelgeving:
- Besluit beperkingen burgerluchtverkeer Waddenzee
- Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart
- Besluit
burgerluchthavens
- Besluit exploitatie luchthaven Schiphol
- Besluit
luchtvaartuigen (vervallen)
- Besluit
luchtvaartuigen 2008
- Besluit
omgevingslawaai
- Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht
- Luchthavenverkeerbesluit Schiphol
- Luchtverkeersreglement
- Regeling aanwijzing gebieden voor luchtverkeersdienstverlening
door buitenlandse instanties 2005
- Regeling belasten LVNL met luchtverkeersdienstverlening
- Regeling beperking of
verbod uitoefening burgerluchtverkeer in bepaalde gebieden en
aanwijzing bijzondere luchtverkeersgebieden
- Regeling
bloed- en urineonderzoek
- Regeling
geluidwerende voorzieningen 1997
- Regeling
luchtvaartmeteorologische inlichtingen 2006'
- Regeling omgevingslawaai luchtvaart
- Regeling
veilig gebruik luchthavens en andere terreinen
WET van 18 juni 1992, houdende algemene
regeling met betrekking tot het luchtverkeer
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is mede ter
uitvoering van het Verdrag van Chicago (Trb. 1973, 109), het
Eurocontrol Verdrag (Trb. 1961, 62, gewijzigd Trb. 1981,
182) en de Multilaterale Overeenkomst betreffende "en route"
heffingen (Trb. 1981, 181), nieuwe regels te stellen omtrent de
bescherming van de openbare veiligheid bij het gebruik van het luchtruim
en de bevordering van de veilige, ordelijke en vlotte afwikkeling van
het luchtverkeer;
dat het tevens wenselijk is om de burgerlijke
luchtverkeersbeveiliging onder te brengen in een zelfstandig
bestuursorgaan;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
algemene luchtverkeersleiding: luchtverkeersleiding voor gecontroleerde
vluchten;
AOC: door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan een onderneming of
groep van ondernemingen afgegeven document waarin wordt verklaard dat de
betrokken luchtvaartexploitant beschikt over beroepsbekwaamheid en
organisatie om luchtvaartuigen veilig te exploiteren voor de in dat
bewijs gespecificeerde luchtvaartactiviteiten (Air Operator's
Certificate);
besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven: besluit als bedoeld
in artikel 8a.54;
burgerexploitant: houder van een vergunning voor burgermedegebruik die
is afgegeven voor burgerluchtvaart van commerciële aard onder
vaststelling van een grenswaarde voor de geluidbelasting door dat
luchthavenluchtverkeer, anders dan in de vorm van een maximum aantal
vliegtuigbewegingen;
burgermedegebruik: gebruik van een militaire luchthaven door andere dan
militaire luchtvaart;
communicatiediensten: vaste en mobiele diensten ten behoeve van de
luchtvaart voor grond-tot-grond, lucht-tot-grond en
lucht-tot-lucht-communicatie voor luchtverkeersleidingsdoeleinden;
EASA: het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart;
Eurocontrol-organisatie: de Organisatie, ingesteld bij het op 13
december 1960 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tot samenwerking in
het belang van de veiligheid van de luchtvaart «Eurocontrol» (Trb.
1961, 62), zoals gewijzigd bij Protocol van 12 februari 1981 (Trb. 1981,
182);
functioneel luchtruimblok: ongeacht de staatsgrenzen, op operationele
behoeften gebaseerd luchtruimblok waarbinnen de
luchtvaartnavigatiediensten en aanverwante functies op prestatiegerichte
en optimale wijze worden verleend met het oogmerk in ieder van die
blokken versterkte samenwerking tussen de verleners van
luchtvaartnavigatiediensten of naargelang, een geïntegreerde
dienstverlener, in te voeren;
gevaarlijke stoffen:
1°. ontplofbare stoffen of voorwerpen;
2°. samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen;
3°. brandbare vloeistoffen;
4°. brandbare vaste stoffen, voor zelfontbranding vatbare stoffen en
stoffen, die bij aanraking met water brandbare gassen ontwikkelen;
5°. stoffen, die de verbranding bevorderen en organische peroxyden;
6°. giftige of infectueuze stoffen;
7°. radioactieve stoffen;
8°. bijtende stoffen;
9°. andere stoffen of voorwerpen, die bij vervoer door de lucht gevaar
kunnen opleveren voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu;
indien zij krachtens artikel 6.51 of artikel 10.7, eerste lid, zijn
aangewezen;
gezagvoerder: degene, die de leiding heeft bij en verantwoordelijk is
voor de veilige uitvoering van de vlucht;
houder van een luchtvaartuig: degene, op wiens naam een luchtvaartuig in
het register, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, dan wel in een
buitenlands register van luchtvaartuigen is ingeschreven;
interoperabiliteitsverordening: verordening (EG) nr. 552/2004 van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 maart 2004
betreffende de interoperabiliteit van het Europese netwerk voor
luchtverkeersbeveiliging (PbEU L 96);
kaderverordening: verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 maart 2004 tot
vaststelling van het kader voor de totstandbrenging van het
gemeenschappelijke Europese luchtruim (PbEU L 96);
klaring: machtiging aan de gezagvoerder van een luchtvaartuig om een
vlucht aan te vangen of te vervolgen onder door een verlener van
luchtverkeersleiding gestelde voorwaarden;
lid van het boordpersoneel: lid van het cockpitpersoneel en ieder, die
aan boord van een luchtvaartuig ten behoeve van de inzittenden of de
lading werkzaamheden verricht of heeft te verrichten, onder welke
werkzaamheden mede wordt verstaan de voorbereidingshandelingen
voorafgaande aan de vlucht;
lid van het cockpitpersoneel: ieder, die aan boord van een luchtvaartuig
werkzaamheden verricht, welke van direct belang zijn voor de bediening
van het luchtvaartuig tijdens de vlucht, onder welke werkzaamheden mede
wordt verstaan de voorbereidingshandelingen voorafgaande aan de vlucht;
luchthaven: een terrein geheel of gedeeltelijk bestemd voor het
opstijgen en het landen van luchtvaartuigen met inbegrip van:
1°. de daarmee verband houdende bewegingen van luchtvaartuigen op de
grond,
2°. de afwikkeling van het in de aanhef en onder 1° bedoelde
luchtverkeer, of
3°. bedrijfsmatige activiteiten die samenhangen met de afwikkeling van
het in de aanhef en onder 1° bedoelde luchtverkeer;
luchthavenbesluit: het besluit, bedoeld in de artikelen 8.43, eerste en
tweede lid, 8.70, eerste lid, of 10.15;
luchthavengebied: het gebied dat bestemd is voor gebruik als luchthaven;
luchthavenindelingbesluit: het besluit, bedoeld in artikel 8.4;
luchthavenluchtverkeer: het onder het begrip luchthaven, in de aanhef en
onder 1°, bedoelde luchtverkeer;
luchthavenregeling: de regeling, bedoeld in de artikelen 8.64, eerste
lid, 8.77, eerste lid, of 10.39, eerste lid;
luchthavenverkeerbesluit: het besluit, bedoeld in artikel 8.15;
luchtruimbeheer: een planningsfunctie met als belangrijkste doel een
maximale benutting van beschikbaar luchtruim door dynamischetimesharing
en, bij gelegenheid, scheiding van luchtruim tussen verschillende
categorieën luchtruimgebruikers op basis van kortetermijnbehoeften;
luchtruimgebruikers: exploitanten van luchtvaartuigen die als algemeen
luchtverkeer opereren;
luchtruimverordening: verordening (EG) nr. 551/2004 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 maart 2004 betreffende
de organisatie en het gebruik van het gemeenschappelijk Europees
luchtruim (PbEU L 96);
luchtvaartgebied: het deel van de luchthaven dat bestemd is voor
luchthavenluchtverkeer;
luchtvaartinlichtingendienst: een binnen het vastgestelde gebied
opgerichte dienst die verantwoordelijk is voor het verstrekken van
luchtvaartinformatie en gegevens die nodig zijn voor de veiligheid,
regelmaat en efficiency van luchtvaartnavigatie;
luchtvaartmaatschappij: onderneming, welke geheel of gedeeltelijk haar
bedrijf maakt van het vervoer van personen, dieren of goederen met
luchtvaartuigen;
luchtvaartnavigatiediensten: luchtverkeersdiensten, communicatie-,
navigatie- en plaatsbepalingsdiensten, meteorologische diensten voor de
luchtvaartnavigatie, en luchtvaartinlichtingendiensten;
luchtvaartnavigatiedienstenverordening: verordening (EG) nr. 550/2004
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 maart
2004 betreffende de verlening van luchtvaartnavigatiediensten in het
gemeenschappelijk Europees luchtruim (PbEU L 96);
luchtvaartuig: toestel, dat in de dampkring kan worden gehouden ten
gevolge van krachten, die de lucht daarop uitoefent, anders dan de
krachten van de lucht tegen het aardoppervlak;
luchtverkeer: het geheel der verplaatsingen van luchtvaartuigen in de
lucht of op een luchthaven, alsmede het gebruik van het luchtruim door
toestellen die geen luchtvaartuigen zijn;
luchtverkeersbeveiliging: de verzameling van functies in de lucht en op
de grond, te weten luchtverkeersdiensten, luchtruimbeheer en de regeling
van de luchtverkeersstroom, die nodig zijn om de veiligheid en de
doeltreffendheid van de vliegtuigbewegingen in alle fasen te waarborgen;
luchtverkeersdiensten: vluchtinlichtingendiensten, alarmeringsdiensten,
adviesdiensten voor het luchtverkeer en luchtverkeersleiding, zijnde
algemene luchtverkeersleiding, naderingsluchtverkeersleiding en
plaatselijke luchtverkeersleiding;
luchtverkeersleidingsdienst: dienst die wordt verricht teneinde:
1.° botsingen te voorkomen:
– tussen luchtvaartuigen en
– tussen luchtvaartuigen en hindernissen op dat deel van de luchthaven
dat is bedoeld voor het opstijgen, landen en taxiën met
luchtvaartuigen, en
2.° een geordende luchtverkeersstroom tot stand te brengen en te
handhaven;
luchtverkeerweg: een ten behoeve van geleiding van het
luchthavenluchtverkeer afgebakend deel van het luchtruim;
LVNL: de organisatie voor het verlenen van luchtverkeersdiensten,
bedoeld in artikel 5.22;
meteorologische diensten: de faciliteiten en diensten die
luchtvaartuigen voorzien van weersverwachtingen, instructies en
waarnemingen, alsmede andere meteorologische informatie en gegevens voor
gebruik in de luchtvaart;
naderingsluchtverkeersleiding: luchtverkeersleiding voor aankomende of
vertrekkende gecontroleerde vluchten;
navigatiediensten: de faciliteiten en diensten die luchtvaartuigen
voorzien van informatie op het gebied van positionering en timing;
Nederlands luchtvaartuig: een in Nederland geregistreerd luchtvaartuig;
opsporingsambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in artikel 11.3, eerste lid;
plaatsbepalingsdiensten: de faciliteiten en diensten voor het bepalen
van de respectieve posities van luchtvaartuigen waarmee voor een veilige
separatie wordt gezorgd;
plaatselijke verkeersleiding: luchtverkeersleidingsdienst voor
luchtvaartterreinverkeer;
regeling van luchtverkeersstromen: functie die tot doel heeft bij te
dragen aan een veilige, ordelijke en vlotte doorstroming van het
luchtverkeer door ervoor te zorgen dat de
luchtverkeersleidingscapaciteit optimaal wordt benut en dat het
verkeersvolume verenigbaar is met de door de betrokken
luchtverkeersdienstverleners afgegeven capaciteit;
STD: een trainingsinstrument zijnde een vluchtnabootser, een
vliegtrainingsinstrument, een trainer voor vlieg- en navigatieprocedures
of een ander trainingsinstrument (Synthetic Training Device);
timesharing: de verdeling in de tijd gezien van het beschikbaar
luchtruim of een gedeelte daarvan over luchtruimgebruikers of
verschillende categorieën luchtruimgebruikers;
veiligheidscertificaat: verklaring dat de exploitant van de luchthaven
met het veiligheidsmanagementsysteem de veiligheidsrisico's op die
luchthaven beheerst;
veiligheidsmanagementsysteem: een systeem voor het management van de
orde en de veiligheid op de luchthaven;
vergoedingenverordening: verordening (EG) nr. 1794/2006 van de Commissie
van de Europese Unie van 6 december 2006 tot vaststelling van een
gemeenschappelijk heffingenstelsel voor luchtvaartnavigatiediensten (PbEU
L 341);
verleners van luchtvaartnavigatiediensten: de openbare of particuliere
lichamen die luchtvaartnavigatiediensten voor het luchtverkeer verlenen;
vlucht: de verplaatsing van het luchtvaartuig gedurende het tijdsverloop
dat het in beweging komt met de bedoeling om op te stijgen, tot het
ogenblik dat het weer tot volledige stilstand is gekomen na de landing;
vluchtinformatiegebied Amsterdam: het luchtruim boven het gebied, dat
wordt begrensd door de rijksgrenzen en de kortste lijn op de ellipsoïde
tussen de posities met de coördinaten 51°22'25" N
003°21'50" O en 51°30'00" N 002°00'00" O,
51°30'00" N 002°00'00" O en 55°00'00" N
005°00'00" O, de loxodroom tussen 55°00'00" N,
005°00'00" O en 55°00'00" N 006°30'00" O en de kortste
lijn op de ellipsoïde tussen de posities met de coördinaten
55°00'00" N 006°30'00" O en 53°40'00" N,
006°30'00" O, uitgedrukt in het geografische referentiesysteem WGS
84;
voorval: een operationele onderbreking, defect, fout of andere
onregelmatigheid, waardoor de vliegveiligheid wordt of kan worden
beïnvloed, zonder dat sprake is van een ongeval of ernstig incident,
als bedoeld in artikel 3, onderdelen a en k, van richtlijn nr. 94/56/EG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 november 1994,
houdende vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van
ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart (PbEG L 319);
voorval gevaarlijke stoffen: ongeval of incident met gevaarlijke stoffen
als bedoeld in de als bijlage bij Annex 18 bij het Verdrag inzake de
internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109) behorende Technische
Voorschriften voor het veilig vervoer van gevaarlijke stoffen door de
lucht.
2. Onder lid van het cockpitpersoneel wordt ten aanzien van onbemande
luchtvaartuigen mede verstaan ieder, die werkzaamheden verricht, welke
van direct belang zijn voor het op afstand bedienen van het
luchtvaartuig.
3. Onder luchtvaartmaatschappij wordt mede verstaan de naar privaatrecht
opgerichte rechtspersoon, die zich bezig houdt met het vervoer van
personen, dieren of goederen met luchtvaartuigen tegen vergoeding.
4. Een wijziging van artikel 3, onderdelen a en k, van richtlijn nr.
94/56/EG, gaat voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel v,
gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn
uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 1.2
1. Deze wet is:
a. van toepassing op het luchtverkeer, de luchtverkeersbeveiliging,
luchtvaartnavigatiediensten, de luchtvaartuigen, het vervoer en de
vluchtuitvoering met luchtvaartuigen binnen het vluchtinformatiegebied
Amsterdam;
b. van toepassing op Nederlandse luchtvaartuigen, alsmede het vervoer en
de vluchtuitvoering met Nederlandse luchtvaartuigen buiten het
vluchtinformatiegebied Amsterdam;
c. met betrekking tot het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 2, 3, en 4
en deartikelen 11.1, 11.2, 11.2a, 11.3 tot en met 11.14 van toepassing
binnen de delen van het vluchtinformatiegebied Curaçao en het
vluchtinformatiegebied San Juan, bedoeld in artikel 1 van de
Luchtvaartwet BES, dat zich boven het territoir van de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt dan wel die delen waarvoor de
Minister de verantwoordelijkheid voor het verzorgen van
luchtverkeersdiensten heeft aanvaard;
d. met betrekking tot het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 11 van
toepassing op de verleners van luchtvaartnavigatiediensten die bij of
krachtens deze wet zijn gecertificeerd.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat, op nader
in die algemene maatregel aan te geven categorieën van personeel of op
bepaalde soorten van luchtvaartuigen, op bepaalde soorten van vervoer of
op bepaalde vormen van vluchtuitvoering, indien toepassing van deze wet
in redelijkheid niet kan worden gevergd en de veiligheid van het
luchtverkeer niet in gevaar wordt gebracht, geheel of gedeeltelijk niet
van toepassing zijn:
– de artikelen 2.1 tot en met 2.10 of één of meer van deze
artikelen,
– hoofdstuk 3,
– hoofdstuk 4,
– titel 5.1, met uitzondering van de artikelen 5.14b tot en met 5.14d,
of 5.2,
– titel 6.5 of titel 6.6,
– hoofdstuk 9, of
– hoofdstuk 10.
3. Bij de toepassing van het tweede lid kunnen bij of krachtens die
algemene maatregel van bestuur voorschriften en beperkingen worden
opgenomen met betrekking tot één of meer buiten toepassing van de wet
te laten onderdelen. Deze voorschriften en beperkingen kunnen mede
betrekking hebben op de beperking van geluidshinder.
Artikel 1.2a
1. Het is verboden toestellen, die geen luchtvaartuig zijn, in het
luchtruim te gebruiken. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
respectievelijk Onze Minister van Defensie kan bij ministeriële
regeling voor door hem aan te wijzen toestellen vrijstelling verlenen
van het verbod.
2. Aan de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften
of beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met deze
voorschriften of beperkingen te handelen.
Artikel 1.3
Een luchtvaartmaatschappij is verplicht er voor zorg te dragen, dat:
a. de door haar geëxploiteerde luchtvaartuigen in een zodanige staat
zijn, dat daarmee veilig gevlogen en vervoerd kan worden;
b. het boordpersoneel van de door haar geëxploiteerde luchtvaartuigen
over voldoende kennis, bedrevenheid en ervaring beschikt;
c. al datgene wordt gedaan, wat in haar vermogen ligt om ernstige
lichamelijke of geestelijke vermoeidheid van de leden van het
boordpersoneel bij de bediening van luchtvaartuigen te voorkomen.
Artikel 1.4
Voor zover Onze Minister van Verkeer en Waterstaat onderscheidenlijk
Onze Minister van Defensie, beslissingen neemt ingevolge bij of
krachtens deze wet verleende bevoegdheden, die mede betrekking hebben op
de militaire luchtvaart onderscheidenlijk de burgerluchtvaart handelt
hij in overeenstemming met Onze Minister van Defensie onderscheidenlijk
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Hoofdstuk 2. Personeel
Titel 2.1. Bewijzen van bevoegdheid
Artikel 2.1
1. Het is verboden een luchtvaartuig te bedienen, luchtverkeersdiensten
te verlenen of een grondstation of een mobiel station in de
luchtvaartmobiele band, waarvoor een vergunning is vereist als bedoeld
in artikel 3.3 van de Telecommunicatiewet of de Wet
telecommunicatievoorzieningen BES, te bedienen zonder het daarvoor
geldige bewijs van bevoegdheid of geldige bewijs van gelijkstelling.
2. Voor het bedienen van een Nederlands burgerluchtvaartuig, het
verlenen van luchtverkeersdiensten of het bedienen van een grondstation
of een mobiel station als bedoeld in het eerste lid is het bezit vereist
van hetzij:
a. een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven bewijs van
bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling,
b. een bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling, afgegeven
door de bevoegde autoriteit van een door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat op grond van artikel 2.8 aangewezen staat of door een door
hem aangewezen internationale organisatie. Betrokkene dient in geval van
toepassing van onderdeel a tevens in het bezit te zijn van een geldige
medische verklaring, bedoeld in artikel 2.4, afgegeven door Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat dan wel door de bevoegde autoriteit
van een door hem aangewezen staat, hetzij
c. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van
de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere werkzaamheden aan
boord van een burgerluchtvaartuig worden aangewezen, die niet mogen
worden verricht zonder een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
afgegeven bewijs van bevoegdheid, bewijs van gelijkstelling of een
erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing verlenen van
het bepaalde bij of krachtens dit artikel, wanneer door bijzondere
omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden
en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing
niet in gevaar wordt gebracht. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of
beperkingen worden verbonden.
5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat trekt de door hem verleende
ontheffing in, wanneer
a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te
vervallen;
b. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of
beperkingen niet naleeft.
6. Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift als bedoeld
in het vierde lid.
7. Voor zover het eerste lid betrekking heeft op het bedienen van een
grondstation of een mobiel station als bedoeld in dat lid, is het
onverminderd artikel 1.2, eerste lid, eveneens van toepassing op het
continentaal plat, bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet, voor zover
dat buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam ligt.
Artikel 2.1a
Onverminderd de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties is
hoofdstuk 2 van overeenkomstige toepassing op de erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in die wet.
Artikel 2.2
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag een bewijs
van bevoegdheid af, wanneer degene, die het bewijs van bevoegdheid heeft
aangevraagd:
a. beschikt over een geldige medische verklaring;
b. beschikt over voldoende kennis, bedrevenheid en ervaring met
betrekking tot het bewijs van bevoegdheid dat hij heeft aangevraagd; en
c. daartoe voldoende onderricht heeft genoten aan een door Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat of door de bevoegde autoriteit van een door
hem aangewezen staat:
1°. erkende, gekwalificeerde of geregistreerde opleidingsinstelling, of
2°. gecertificeerde opleidingsinstelling indien degene die het bewijs
van bevoegdheid heeft aangevraagd een bewijs van bevoegdheid voor het
verlenen van luchtverkeersdiensten heeft aangevraagd.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag op het
bewijs van bevoegdheid een of meer bevoegdverklaringen weer. Het eerste
lid is van overeenkomstige toepassing behoudens ter zake van de medische
verklaring.
3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke bewijzen
van bevoegdheid Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan afgeven en
welke bevoegdverklaringen Onze Minister van Verkeer en Waterstaat daarop
kan weergeven; in die algemene maatregel worden voor elk bewijs van
bevoegdheid en voor elke algemene bevoegdverklaring de bevoegdheden en
eventueel aan de bevoegdverklaring te verbinden beperkingen aangegeven.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden aangegeven
welke bijzondere bevoegdverklaringen en voor welke termijn Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat op het bewijs van bevoegdheid kan weergeven en
welke beperkingen daaraan kunnen worden verbonden.
4. Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat met betrekking tot het model en de uitvoering van het
document, waarop een bewijs van bevoegdheid en een of meer
bevoegdverklaringen worden weergegeven, eisen vaststellen.
5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat houdt van de door hem
afgegeven bewijzen van bevoegdheid een register bij. In het belang van
een goede uitvoering en handhaving van deze wet en de daarop berustende
bepalingen verwerkt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in het
register gegevens omtrent afgegeven bewijzen van bevoegdheid en bewijzen
van gelijkstelling, rechterlijke uitspraken houdende ontzegging van de
bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen, luchtverkeersdiensten te
verlenen of een grondstation of een mobiel station als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, te bedienen en persoonsgegevens betreffende de
gezondheid van houders van een bewijs van bevoegdheid.
6. Het derde lid is niet van toepassing op bewijzen van bevoegdheid voor
het verlenen van luchtverkeersdiensten. Bij algemene maatregel van
bestuur wordt aangegeven welke bewijzen van bevoegdheid voor het
verlenen van luchtverkeersdiensten Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat kan afgeven en welke bevoegdverklaringen Onze Minister op die
bewijzen van bevoegdheid kan weergeven. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gesteld aan de
bewijzen van bevoegdheid, bevoegdverklaringen en daaraan te verbinden
machtigingen voor het verlenen van luchtverkeersdiensten.
7. Het eerste lid, onderdeel c, onder 2°, is niet van toepassing op
degene die zijn taken uitoefent onder de verantwoordelijkheid van
verleners van luchtvaartnavigatiediensten die deze diensten voornamelijk
aanbieden aan andere bewegingen van luchtvaartuigen dan aan het algemeen
luchtverkeer.
8. Onder algemeen luchtverkeer als bedoeld in het zevende lid wordt
verstaan: alle bewegingen van burgerluchtvaartuigen, alsmede alle
bewegingen van staatsluchtvaartuigen, met inbegrip van militaire,
douane- en politieluchtvaartuigen, voorzover deze bewegingen worden
uitgevoerd in overeenstemming met de procedures van het op 7 december
1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale
burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109).
Artikel 2.3
1. Een bewijs van bevoegdheid wordt afgegeven voor onbepaalde tijd dan
wel voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn,
welke termijn voor de verschillende bewijzen van bevoegdheid
verschillend kan zijn.
2. Indien een bewijs van bevoegdheid voor onbepaalde tijd is verleend,
is dit bewijs slechts geldig indien daarop ten minste één geldige
bevoegdverklaring is weergegeven en voor de bij algemene maatregel van
bestuur vast te stellen termijn waarvoor die bevoegdverklaring is
afgegeven.
3. Indien een bewijs van bevoegdheid voor bepaalde tijd is verleend,
verlengt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat op aanvraag het bewijs
van bevoegdheid, indien de houder daarvan beschikt over voldoende
kennis, bedrevenheid en ervaring met betrekking tot dat bewijs van
bevoegdheid; het bewijs van bevoegdheid wordt voor de krachtens het
eerste lid vastgestelde termijn verlengd.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag een
bevoegdverklaring af en verlengt deze, indien de houder daarvan beschikt
over voldoende bedrevenheid en ervaring met betrekking tot die
bevoegdverklaring. De bevoegdverklaring wordt voor de krachtens het
tweede lid vastgestelde termijn verlengd.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden voorgeschreven, dat de
houder van een in die algemene maatregel aan te geven bewijs van
bevoegdheid of bevoegdverklaring bij het bereiken van een in die
algemene maatregel bepaalde leeftijd daarin aan te geven bevoegdheden:
a. niet meer mag uitoefenen;
b. slechts onder in die algemene maatregel bepaalde voorwaarden mag
uitoefenen.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gegeven met betrekking tot artikel 2.2 en dit artikel. Deze regels
bevatten in ieder geval bepalingen betreffende:
a. de aanvraag en afgifte van bewijzen van bevoegdheid en de aanvraag,
afgifte en verlenging van bevoegdverklaringen;
b. de leeftijd, die een aanvrager ten minste moet hebben om voor een
bewijs van bevoegdheid in aanmerking te kunnen komen;
c. de eisen, waaraan de aanvrager van een bewijs van bevoegdheid of
bevoegdverklaring of van de verlenging daarvan moet voldoen alsmede de
wijze, waarop hij kan doen blijken, dat hij aan die eisen voldoet;
d. de te houden examens;
e. de eisen, waaraan examinatoren moeten voldoen, alsmede de eisen
waaraan examinatoren moeten voldoen teneinde een autorisatie te
verkrijgen;
f. aan STD's te stellen eisen voor kwalificatie;
g. de vernieuwing van het document, waarop bewijzen van bevoegdheid en
bevoegdverklaringen worden weergegeven;
h. de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de
handelingen ten behoeve van de aanvraag tot afgifte van het bewijs van
bevoegdheid, een bevoegdverklaring of het bewijs van gelijkstelling, de
verlenging van een bewijs van bevoegdheid of verlenging een
bevoegdverklaring, het afleggen van een theorie- of praktijkexamen, de
vernieuwing van het document, bedoeld in onderdeel g, de afgifte van de
autorisatie, bedoeld in onderdeel e, de afgifte en verlenging van de
medische verklaring, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, en de afgifte
en verlenging van de kwalificatie, bedoeld in onderdeel f.
7. Bij het besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, bedoeld
in het zesde lid, onderdeel e, kunnen in aanmerking genomen worden het
aantal reeds geautoriseerde examinatoren, hun specifieke deskundigheid
en de spreiding van examinatoren over het land in relatie tot de
regionale of plaatselijke behoefte.
8. Artikel 2.1, vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 2.4
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag de medische
verklaring, bedoeld in artikel 2.2, af, indien betrokkene voldoet aan de
eisen van medische geschiktheid om de werkzaamheden te verrichten,
waarvoor betrokkene een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring
heeft aangevraagd of is verleend.
2. De medische verklaring wordt, al dan niet onder beperkingen, verleend
voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn.
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verlengt op aanvraag de medische
verklaring voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen
termijn, indien de houder voldoet aan de in het eerste lid bedoelde
eisen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven
omtrent:
a. de eisen van medische geschiktheid;
b. de ten behoeve van de afgifte van een medische verklaring te
verrichten medische keuring;
c. de verplichtingen van de houder van de medische verklaring;
d. de eisen waaraan een geneeskundige of geneeskundige instantie moet
voldoen teneinde een autorisatie te verkrijgen;
e. de aanwijzing van instellingen die in het kader van een autorisatie
als bedoeld in onderdeel d een certificaat kunnen afgeven;
f. de mogelijkheid van herbeoordeling;
g. de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de
handelingen ten behoeve van de aanvraag tot afgifte van de autorisatie,
bedoeld in onderdeel d.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gegeven omtrent de beperkingen waaronder een medische verklaring kan
worden afgegeven.
5. Onze Minister autoriseert geneeskundigen of geneeskundige instanties
die met het verrichten van medische keuringen worden belast.
6. Bij het besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat over de
autorisatie kunnen in aanmerking worden genomen het aantal reeds
geautoriseerde geneeskundigen of geneeskundige instanties, hun
specialisme en de spreiding van de geautoriseerde geneeskundigen of
geneeskundige instanties over het land in relatie tot de regionale of
plaatselijke behoefte.
7. De medische verklaring is ongeldig gedurende de periode dat de
gezondheidstoestand van de houder zodanig is, dat deze niet meer in
staat is de werkzaamheden, waarvoor hem een bewijs van bevoegdheid is
verleend, te verrichten.
Artikel 2.5
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een bewijs van
bevoegdheid dan wel een daarop weergegeven bevoegdverklaring schorsen
wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat de houder van het bewijs van
bevoegdheid:
a. niet over voldoende kennis of bedrevenheid beschikt met betrekking
tot dat bewijs van bevoegdheid of die bevoegdverklaring;
b. bij het verrichten van de hem toegestane werkzaamheden de veiligheid
in gevaar kan brengen;
c. niet in het bezit is van een geldige medische verklaring.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat neemt het document waarop het
geschorste bewijs van bevoegdheid of de geschorste bevoegdverklaring is
weergegeven in. De houder van het betrokken bewijs van bevoegdheid is
verplicht hieraan alle medewerking te verlenen. In geval van schorsing
van een of meer bevoegdverklaringen verstrekt Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat een aan de schorsing aangepast document.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heft de schorsing op zodra de
redenen, die tot de schorsing hebben geleid, zijn komen te vervallen.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gegeven met betrekking tot:
a. de wijze, waarop de houder van het betrokken bewijs van bevoegdheid
opnieuw kan doen blijken over voldoende kennis of bedrevenheid met
betrekking tot het geschorste bewijs van bevoegdheid of de geschorste
bevoegdverklaring te beschikken;
b. de wijze, waarop de houder van het betrokken bewijs van bevoegdheid
kan doen blijken, dat hij bij het verrichten van de hem toegestane
werkzaamheden de veiligheid niet in gevaar brengt;
c. de wijze waarop de houder van een autorisatie als bedoeld in artikel
2.4, derde lid, onderdeel d, opnieuw kan doen blijken aan de bij of
krachtens dat onderdeel bedoelde eisen te voldoen.
5. Onze Minister kan een autorisatie als bedoeld in artikel 2.4, derde
lid, onderdeel d, schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat de
houder van de autorisatie niet langer voldoet aan de bij of krachtens
dat onderdeel gestelde eisen.
6. Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing op
een autorisatie als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, onderdeel e.
7. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie
als bedoeld in artikel 2.4, derde lid, onderdeel d.
8. Schorsing van het bewijs van bevoegdheid betekent schorsing van op
het document weergegeven bevoegdverklaringen voor de duur van die
schorsing.
9. Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat regels geven met betrekking tot de procedure van schorsing.
Artikel 2.6
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een bewijs van
bevoegdheid of een bevoegdverklaring intrekken:
a. op aanvraag van de houder;
b. wanneer het bewijs van bevoegdheid of de daarop weergegeven
bevoegdverklaring ten minste drie maanden is geschorst;
c. wanneer gedurende een periode van ten minste zes maanden van het
betrokken bewijs van bevoegdheid of de daarop weergegeven
bevoegdverklaring geen gebruik is gemaakt;
d. wanneer bij de aanvraag of het verzoek om verlenging van het bewijs
van bevoegdheid, de bevoegdverklaring of de medische verklaring onjuiste
gegevens zijn verstrekt.
2. Een bewijs van bevoegdheid of een bevoegdverklaring voor het verlenen
van luchtverkeersdiensten kan eveneens worden ingetrokken in geval van:
a. grove nalatigheid tijdens het uitoefenen van het verlenen van
luchtverkeersdiensten;
b. misbruik van het bewijs van bevoegdheid of de bevoegdverklaring.
3. Indien de houder van een bewijs van bevoegdheid of een of meer
bevoegdverklaringen de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen,
luchtverkeersdiensten te verlenen of een grondstation of mobiel station
als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, te bedienen is ontzegd, dan wel
zijn bewijs van bevoegdheid of een of meer bevoegdverklaringen zijn
ingetrokken, is hij verplicht het document, waarop zijn bewijs van
bevoegdheid en eventuele bevoegdverklaringen zijn weergegeven,
onverwijld bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in te leveren.
4. Het eerste en derde lid is van overeenkomstige toepassing op een
autorisatie als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, onderdeel e.
5. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie
als bedoeld in artikel 2.4, derde lid, onderdeel d.
6. Het eerste en derde lid is van overeenkomstige toepassing op een
autorisatie als bedoeld in artikel 2.3, vijfde lid, onderdeel d.
7. Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat regels geven met betrekking tot de procedure van intrekking.
Artikel 2.7
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag een bewijs
van gelijkstelling met een in een andere staat door een daar bevoegde
autoriteit afgegeven bewijs van bevoegdheid afgeven. Artikel 2.2, vierde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Het bewijs van gelijkstelling geeft niet meer bevoegdheden dan het
betrokken bewijs van bevoegdheid en wordt slechts eenmaal afgegeven voor
ten hoogste de duur van geldigheid van het betrokken bewijs van
bevoegdheid doch niet langer dan een jaar.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een bewijs van
gelijkstelling intrekken wanneer de omstandigheden, bedoeld in artikel
2.6, eerste lid, onder c of d, of tweede lid zich voordoen.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gegeven over de voorwaarden en omstandigheden waaronder een bewijs van
gelijkstelling wordt afgegeven.
Artikel 2.8
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op grond van internationale
overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties bewijzen
van bevoegdheid, bewijzen van gelijkstelling of medische verklaringen,
die op grond van eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens
artikel 2.3, zesde lid, onderdeel c, of artikel 2.4, derde lid, gestelde
eisen, zijn afgegeven door:
a. de bevoegde autoriteit van een door hem bij ministeriële regeling
aangewezen staat, of
b. een door hem bij ministeriële regeling aangewezen internationale
organisatie
erkennen als geldig bewijs van bevoegdheid, geldig bewijs van
gelijkstelling of geldige medische verklaring. Aan de erkenning kunnen
voorschriften of beperkingen worden verbonden.
Artikel 2.8a
1. Indien de houder van een bewijs van bevoegdheid, dat overeenkomstig
richtlijn nr. 2006/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 5 april 2006 inzake een communautaire vergunning van
luchtverkeersleiders (PbEU L 114) door een andere lidstaat van de
Europese Unie is verstrekt, binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam
onder verantwoordelijkheid van een aangewezen instantie als bedoeld in
artikel 5.13, 5.14 of 5.14a of een andere verlener van
luchtverkeersdiensten als bedoeld in artikel 5.14b, eerste lid,
luchtverkeersdiensten verleent, verstrekt Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat hem op aanvraag een gelijkwaardig bewijs van bevoegdheid als
bedoeld in deze wet.
2. Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat regels geven met betrekking tot de procedure van aanvraag.
3. Een wijziging van richtlijn nr. 2006/23/EG van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 5 april 2006 inzake een
communautaire vergunning van luchtverkeersleiders (PbEU L 114) gaat voor
de toepassing van het eerste lid gelden met ingang van de dag waarop aan
de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 2.9
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een opleidingsinstelling
ter verkrijging van een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring
erkennen, kwalificeren of registreren, indien die opleidingsinstelling
voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen
eisen.
2. Onverminderd het eerste lid kan Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat een opleidingsinstelling ter verkrijging van een bewijs van
bevoegdheid of bevoegdverklaring voor het verlenen van
luchtverkeersdiensten certificeren indien die opleidingsinstelling
voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen
eisen.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan de erkenning,
kwalificatie of registratie van een opleidingsinstelling geheel of deels
intrekken, wanneer die opleidingsinstelling niet meer voldoet aan de
eisen, bedoeld in het eerste lid.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven
met betrekking tot de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor
de kosten van de handelingen ten behoeve van de aanvraag tot afgifte van
de erkenning, kwalificatie of registratie, bedoeld in het eerste lid.
5. Artikel 2.8 en het derde en vierde lid van onderhavig artikel zijn
van overeenkomstige toepassing op het certificeren van een
opleidingsinstelling als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 2.10
1. De houder van een bewijs van bevoegdheid, dat de bevoegdheid geeft
een luchtvaartuig te bedienen, en de leerling-vlieger dienen onder door
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te stellen regelen een logboek
bij te houden.
2. Het is verboden
a. in het logboek onjuiste gegevens of onjuiste aantekeningen op te
nemen, te doen opnemen of toe te laten dat zij daarin worden opgenomen;
b. het logboek te beschadigen of te vernietigen, te doen beschadigen of
vernietigen dan wel toe te laten, dat het wordt beschadigd of
vernietigd.
TITEL 2.2. ALGEMENE GEZONDHEIDSTOESTAND; VERBOD GEBRUIK ALCOHOL, DRUGS
EN PSYCHOTROPE GENEESMIDDELEN
Artikel 2.11
Het is de houder van een bewijs van bevoegdheid of bewijs van
gelijkstelling verboden werkzaamheden, tot het verrichten waarvan dat
bewijs de bevoegdheid geeft, te verrichten wanneer de houder daardoor in
verband met zijn lichamelijke of geestelijke gesteldheid de veiligheid
van het luchtverkeer in gevaar brengt of in gevaar kan brengen.
Artikel 2.12
1. Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan
boord van een luchtvaartuig te verrichten, terwijl hij verkeert onder
zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijze moet
weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het
gebruik van een andere stof – de vaardigheid voor het verrichten van
die werkzaamheden kan verminderen, dat hij niet in staat moet worden
geacht die werkzaamheden naar behoren te verrichten.
2. Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan
boord van een luchtvaartuig te verrichten, indien hij binnen de tien
daaraan voorafgaande uren alcoholhoudende drank heeft gebruikt.
3. Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan
boord van een luchtvaartuig te verrichten na zodanig gebruik van
alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te
zijn dan negentig microgram (90 µg) alcohol per liter uitgeademde
lucht, dan wel
b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te
zijn dan eenvijfde milligram (0,2 mg) alcohol per milliliter bloed.
4. Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan
boord van een luchtvaartuig te verrichten gedurende de tijd, waarvoor
een rijverbod als bedoeld in artikel 162, eerste lid, van de
Wegenverkeerswet 1994 geldt.
5. Het is verboden een lid van het boordpersoneel van wie men weet of
redelijkerwijs moet weten, dat deze verkeert in een toestand, als
bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, of in het eerste of derde lid van
dit artikel, werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te doen
verrichten.
6. Het eerste, derde, vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op eenieder die luchtverkeersdiensten verleent of een
grondstation of een mobiel station als bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid, bedient.
Artikel 2.13
Aan de ambtenaren, die belast zijn met de handhaving van artikel 2.12
worden uit het register, bedoeld in artikel 126 van de Wegenverkeerswet
1994, op door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze de gegevens
verstrekt, die zij voor de uitoefening van hun taak nodig hebben.
TITEL 2.3. ADVIESCOMMISSIE ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN
Artikel 2.14
1. Er is een Adviescommissie arbeidsomstandigheden boordpersoneel
Nederlandse burgerluchtvaart.
2. De Adviescommissie heeft tot taak in het belang van de veiligheid in
de burgerluchtvaart Onze Minister van Verkeer en Waterstaat desgevraagd
of uit eigen beweging van advies te dienen over de uitvoering van het
beleid en van de regelgeving met betrekking tot de arbeidsomstandigheden
van het boordpersoneel van in Nederland geregistreerde
burgerluchtvaartuigen.
3. De Adviescommissie bestaat uit elf leden, die door Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat worden benoemd. Hiervan worden vier leden benoemd
op voordracht van naar het oordeel van Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat representatieve organisaties van leden van het
boordpersoneel, vier leden op voordracht van de betrokken
luchtvaartmaatschappijen en drie leden als onafhankelijken.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wijst uit de drie
onafhankelijke leden de voorzitter aan.
5. De leden worden voor een periode van vier jaren benoemd. Aftredende
leden zijn terstond herbenoembaar.
6. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleent tussentijds ontslag
aan een lid:
a. wanneer deze zijn hoedanigheid verliest op grond waarvan hij is
benoemd;
b. op eigen verzoek;
c. bij het bereiken van de zeventigjarige leeftijd;
d. wegens ongeschiktheid voor de functie.
7. De Adviescommissie stelt een reglement vast ter nadere regeling van
haar werkzaamheden. Het reglement wordt ter kennisneming toegezonden aan
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Hoofdstuk 3. Luchtvaartuigen
Titel 3.1. Nationaliteitskenmerken en registratie van luchtvaartuigen
Artikel 3.1
1. Het is verboden een luchtvaartuig te gebruiken, dat niet is voorzien
van een geldig nationaliteits- en inschrijvingskenmerk en een geldig
bewijs van inschrijving.
2. Het is verboden:
a. op een luchtvaartuig een ander dan het in het eerste lid bedoelde
kenmerk aan te brengen, of
b. een luchtvaartuig te gebruiken dan wel te doen of te laten gebruiken,
dat is voorzien van een ander dan het in het eerste lid bedoelde
kenmerk, met het oogmerk het te doen voorkomen, dat het luchtvaartuig is
voorzien van een geldig kenmerk.
Artikel 3.2
1. De houder van een Nederlands luchtvaartuig voorziet het luchtvaartuig
van:
a. een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze
Minister van Defensie vastgesteld nationaliteitskenmerk en een voor dat
luchtvaartuig vastgesteld inschrijvingskenmerk; en
b. een bewijs van inschrijving in het register, bedoeld in artikel 3.3.
2. De kenmerken, bedoeld in het eerste lid, bestaan voor
burgerluchtvaartuigen uit letters of cijfers of een combinatie van
beide; zij worden op bij ministeriële regeling nader aan te geven
plaats, wijze en uitvoering op het desbetreffende luchtvaartuig
aangebracht.
3. Voor militaire luchtvaartuigen bestaat het nationaliteitskenmerk uit
een afbeelding en het inschrijvingskenmerk uit letters of cijfers of een
combinatie van beide; zij worden op bij ministeriële regeling nader aan
te geven plaats, wijze en uitvoering op het desbetreffende luchtvaartuig
aangebracht.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister
van Defensie kan voor luchtvaartuigen, die naar zijn oordeel van
historische waarde zijn, kenmerken toestaan, die van het eerste lid,
onderdeel a, afwijken.
Artikel 3.3
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister
van Defensie houdt een register bij van Nederlandse
burgerluchtvaartuigen respectievelijk Nederlandse militaire
luchtvaartuigen. Het register voor burgerluchtvaartuigen is openbaar.
2. In het register voor burgerluchtvaartuigen worden op aanvraag op naam
van de aanvrager burgerluchtvaartuigen ingeschreven, wanneer zowel de
aanvrager als de in te schrijven burgerluchtvaartuigen voldoen aan bij
algemene maatregel van bestuur gestelde eisen. De inschrijving geschiedt
voor onbepaalde tijd.
3. In afwijking van het tweede lid kan Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat een luchtvaartuig tijdelijk inschrijven:
a. indien het desbetreffende luchtvaartuig slechts voor een bepaalde
termijn aan de houder ter beschikking is gesteld, voor ten hoogste die
bepaalde termijn; of
b. in afwachting van het voldoen aan de eisen, bedoeld in het tweede
lid, voor ten hoogste zes maanden, welke termijn eenmaal voor ten
hoogste dezelfde periode kan worden verlengd.
4. In het buitenland geregistreerde burgerluchtvaartuigen worden niet in
het register ingeschreven.
5. Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie regels geven
inzake de in het register op te nemen gegevens.
Artikel 3.4
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag van de houder
van een burgerluchtvaartuig de inschrijving wijzigen, nadat de houder de
nodige gegevens heeft verstrekt en het bewijs van inschrijving, bedoeld
in artikel 3.5, bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heeft
ingeleverd.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een inschrijving
ambtshalve wijzigen, wanneer:
a. onjuiste gegevens zijn verstrekt, of
b. de feiten die ten grondslag liggen aan de gegevens, tijdens de duur
van de inschrijving wijziging hebben ondergaan.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat haalt op aanvraag van de
houder van een burgerluchtvaartuig de inschrijving door, nadat de houder
de nodige gegevens heeft verstrekt en het bewijs van inschrijving,
bedoeld in artikel 3.5, bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
heeft ingeleverd.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een inschrijving
ambtshalve doorhalen, wanneer:
a. de houder ten behoeve van de inschrijving onjuiste gegevens heeft
verstrekt;
b. de houder niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 3.3,
tweede lid, of
c. gedurende langer dan een jaar het desbetreffende luchtvaartuig niet
voorzien is van een geldig bewijs van luchtwaardigheid als bedoeld in
artikel 3.8, tweede lid.
5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat haalt een inschrijving
ambtshalve door, wanneer het betrokken luchtvaartuig:
a. in het buitenland is geregistreerd, of
b. definitief niet meer aan het luchtverkeer deelneemt.
Artikel 3.5
1. Ten bewijze van inschrijving in het register, bedoeld in artikel 3.3,
verstrekt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze
Minister van Defensie met betrekking tot het ingeschreven luchtvaartuig
een bewijs van inschrijving. Onze Minister wie het aangaat kan een
inschrijvingsbewijs wijzigen. Het bewijs wordt verstrekt voor onbepaalde
tijd.
2. In geval van toepassing van artikel 3.3, derde lid, verstrekt Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat een bewijs van inschrijving voor de
termijn, waarvoor het betrokken luchtvaartuig is ingeschreven.
3. In geval van:
a. wijziging van de inschrijving, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, of
b. doorhaling van de inschrijving, bedoeld in artikel 3.4, derde lid,
kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan de aanvrager een
tijdelijk bewijs van inschrijving ver trekken voor ten hoogste vier
weken. Wijziging of doorhaling van de inschrijving vindt plaats na
verstrijken van de termijn, waarvoor het tijdelijk bewijs van
inschrijving is verleend.
4. In geval van ambtshalve wijziging of doorhaling van de inschrijving,
bedoeld in artikel 3.4, tweede respectievelijk vierde of vijfde lid,
levert de houder van het bewijs van inschrijving dit bewijs terstond in
bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
5. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
respectievelijk Onze Minister van Defensie kunnen met betrekking tot het
model en de uitvoering van het bewijs van inschrijving eisen worden
vastgesteld.
Artikel 3.6
Voor luchtvaartuigen, die behoren tot de bedrijfsvoorraad van een
natuurlijke of rechtspersoon aan wie een erkenning als bedoeld in
artikel 3.25 is verleend, geldt het vereiste, dat een
inschrijvingskenmerk voor een bepaald luchtvaartuig is vastgesteld,
niet, mits het betrokken luchtvaartuig een inschrijvingskenmerk voert,
dat door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan die natuurlijke of
rechtspersoon met het oog op de bedrijfsvoorraad is opgegeven. Artikel
3.2, tweede lid, is van toepassing.
Artikel 3.7
Ten aanzien van burgerluchtvaartuigen worden bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nadere regels gegeven ter uitvoering van de
artikelen 3.4 en 3.5. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen
betreffende:
a. de procedure van aanvraag, wijziging of doorhaling van een
inschrijving, alsmede de gegevens, welke bij elke procedure dienen te
worden verstrekt;
b. de vernieuwing van het inschrijvingsbewijs, en
c. de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de
behandeling van zijn aanvraag om inschrijving en om wijziging of
doorhaling van de inschrijving alsmede voor afgifte en vernieuwing van
een bewijs van inschrijving.
Titel 3.2. Luchtwaardigheids- en geluidseisen
§ 3.2.1. Type-certificaat, bewijs van luchtwaardigheid,
geluidscertificaat, geluidsverklaring
Artikel 3.8
1. Het is verboden een vlucht uit te voeren met een luchtvaartuig, dat:
a. niet luchtwaardig is, of
b. niet voorzien is van een geldig bewijs van luchtwaardigheid.
2. Voor het uitvoeren van een vlucht met een Nederlands luchtvaartuig is
een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze
Minister van Defensie afgegeven bewijs van luchtwaardigheid vereist.
Artikel 3.9
1. Onze Minister van Defensie geeft met betrekking tot een type-ontwerp
van een militair luchtvaartuig dan wel van een voortstuwingsinrichting
of propeller bestemd voor een militair luchtvaartuig, een
type-certificaat af, indien wordt voldaan aan de bij regeling van Onze
Minister van Defensie gestelde eisen.
2. Een type-certificaat wordt afgegeven voor onbepaalde tijd.
3. Het type-certificaat geldt ten aanzien van alle militaire
luchtvaartuigen, voortstuwingsinrichtingen of propellers bestemd voor
een militair luchtvaartuig, die conform het onderzochte type-ontwerp
zijn.
4. Onze Minister van Defensie wijzigt een type-certificaat, wanneer
voldaan wordt aan de bij regeling van Onze Minister van Defensie
gestelde eisen.
5. Onze Minister van Defensie kan een aanvullend type-certificaat
afgeven. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 3.10 [Vervallen per 02-08-2006]
Artikel 3.11 [Vervallen per 02-08-2006]
Artikel 3.12
1. Onze Minister van Defensie kan een typecertificaat of aanvullend
type-certificaat schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat met
betrekking tot de luchtvaartuigen dan wel voortstuwingsinrichtingen of
propellers waarvoor dat type-certificaat of aanvullend typecertificaat
is afgegeven, niet aan de bij regeling van Onze Minister van Defensie
gestelde eisen wordt voldaan.
2. Onze Minister van Defensie heft de schorsing op zodra de redenen van
de schorsing zijn komen te vervallen.
3. Onze Minister van Defensie kan een typecertificaat of aanvullend
type-certificaat intrekken, wanneer de luchtvaartuigen dan wel
voortstuwingsinrichtingen of propellers met betrekking waartoe dat
type-certificaat is afgegeven, niet aan daarvoor bij regeling van Onze
Minister van Defensie gestelde eisen voldoen.
Artikel 3.13
1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke bewijzen
van luchtwaardigheid Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan
afgeven, alsmede de verplichtingen en de bevoegdheden, welke aan ieder
bewijs verbonden zijn.
2. Van overeenkomstige toepassing op niet-militaire
staatsluchtvaartuigen zijn:
a. de Verordening (EG) 1592/2002 van het Europese Parlement en de Raad
van 15 juli 2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het
gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees
Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (PbEU L 240),
b. deVerordening (EG) nr. 1702/2003 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 24 september 2003 tot vaststelling van
uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en
milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten,
onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van
ontwerp- en productieorganisaties (PbEU L 243), en
c. de Verordening (EG) nr. 2042/2003van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 20 november 2003 betreffende de permanente
luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen
en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde
taken betrokken organisaties en personen (PbEU L 315).
3. In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kan
worden aangegeven in welke gevallen aan de houder van een luchtvaartuig,
waarvoor EASA geen type-certificaat of aanvullend type-certificaat heeft
afgegeven, Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een type-certificaat,
aanvullend type-certificaat dan wel een bewijs van luchtwaardigheid kan
afgeven of wijzigen.
4. Aan een bewijs van luchtwaardigheid kunnen voorschriften of
beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met die
voorschriften of beperkingen te handelen.
5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan met betrekking tot een
luchtvaartuig, dat naar zijn oordeel van historische waarde is en niet
voldoet aan de eisen van EASA, een bewijs van luchtwaardigheid afgeven,
mits het betrokken luchtvaartuig voldoet aan de bij regeling van Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat met betrekking tot de
luchtwaardigheid van dat luchtvaartuig gestelde eisen.
Artikel 3.14
1. Onze Minister van Defensie geeft met betrekking tot Nederlandse
militaire luchtvaartuigen bewijzen van luchtwaardigheid af, indien:
a. ten aanzien van het betrokken type-ontwerp een typecertificaat is
afgegeven als bedoeld in artikel 3.9, eerste lid; en
b. het betrokken luchtvaartuig voldoet aan de bij ministeriële regeling
gestelde eisen; deze eisen kunnen voor verschillende categorieën
luchtvaartuigen verschillend zijn.
2. Bij ministeriële regeling wordt aangegeven welke bewijzen van
luchtwaardigheid Onze Minister van Defensie kan afgeven.
3. In afwijking van het eerste lid, onder a, wordt in de ministeriële
regeling, bedoeld in het tweede lid, aangegeven in welke gevallen met
betrekking tot een militair luchtvaartuig, waarvoor geen
type-certificaat is afgegeven, door Onze Minister van Defensie een
bewijs van luchtwaardigheid kan worden afgegeven.
4. Aan een bewijs van luchtwaardigheid kunnen voorschriften of
beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met die
voorschriften of beperkingen te handelen.
5. Onze Minister van Defensie kan met betrekking tot een luchtvaartuig,
dat naar zijn oordeel van historische waarde is en niet voldoet aan een
van de eisen, bedoeld in het eerste lid, een bewijs als bedoeld in het
tweede lid afgeven. Het betrokken luchtvaartuig dient te voldoen aan
door Onze Minister van Defensie met betrekking tot de luchtwaardigheid
van dat luchtvaartuig gestelde eisen.
Artikel 3.15
1. Het bewijs van luchtwaardigheid voor burgerluchtvaartuigen wordt
afgegeven voor onbepaalde tijd dan wel voor een bij algemene maatregel
van bestuur vast te stellen termijn, welke voor de verschillende
bewijzen van luchtwaardigheid verschillend kan zijn.
2. Op aanvraag van de houder verlengt Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat het bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig,
indien wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 3.13 gestelde
eisen.
3. Het bewijs van luchtwaardigheid voor militaire luchtvaartuigen wordt
afgegeven voor onbepaalde tijd.
Artikel 3.16
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag van de houder
een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig wijzigen,
nadat hij het bewijs van luchtwaardigheid bij Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat daartoe heeft ingeleverd.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wijzigt een bewijs van
luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig ambtshalve, indien aan het
betrokken burgerlichtvaartuig veranderingen zijn aangebracht, die de
gegevens als vermeld op het bewijs van luchtwaardigheid beïnvloeden.
3. In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, levert de houder van het
betrokken burgerluchtvaartuig op eerste vordering van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat, terstond het betrokken bewijs «van
luchtwaardigheid bij Onze Minister» van Verkeer en Waterstaat ter
wijziging in.
Artikel 3.17
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een bewijs van
luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig schorsen, wanneer:
a. een ernstig vermoeden rijst dat het betrokken luchtvaartuig niet
lichtwaardig is;
b. het desbetreffende luchtvaartuig niet meer in het register, bedoeld
inartikel 3.3, is ingeschreven;
c. de houder van het betrokken luchtvaartuig dat luchtvaartuig niet
overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde
eisen onderhoudt of laat onderhouden, of
d. de houder van het betrokken luchtvaartuig anderszins het bij of
krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet nakomt.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heft de schorsing op zodra de
redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat trekt een bewijs van
luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig ambtshalve in, wanneer:
a. het type-certificaat met betrekking tot dat luchtvaartuig is
ingetrokken;
b. ter verkrijging van het bewijs van luchtwaardigheid onjuiste gegevens
zijn verstrekt, of
c. het betrokken luchtvaartuig onherstelbaar is beschadigd.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een bewijs van
luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig intrekken, wanneer:
a. het betrokken luchtvaartuig anders dan wegens onherstelbare
beschadiging niet luchtwaardig is, of
b. het bewijs van luchtwaardigheid gedurende ten minste drie maanden is
geschorst.
Artikel 3.18
1. Onze Minister van Defensie kan een bewijs van luchtwaardigheid voor
een militair luchtvaartuig schorsen, wanneer:
a. een ernstig vermoeden rijst dat het betrokken luchtvaartuig niet
luchtwaardig is, of
b. het type-certificaat met betrekking tot dat luchtvaartuig is
geschorst of ingetrokken.
2. Onze Minister van Defensie heft de schorsing op zodra de redenen van
de schorsing zijn komen te vervallen.
3. Onze Minister van Defensie trekt een bewijs van luchtwaardigheid voor
een militair luchtvaartuig in, wanneer het betrokken luchtvaartuig:
a. onherstelbaar is beschadigd, of
b. definitief buiten gebruik wordt gesteld.
4. Onze Minister van Defensie kan een bewijs van luchtwaardigheid voor
een militair luchtvaartuig intrekken, wanneer het betrokken
luchtvaartuig anders dan wegens onherstelbare beschadiging niet
luchtwaardig is.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven.
Artikel 3.19
1. De houder van een burgerluchtvaartuig, waarvan het type-certificaat,
het beperkt type-certificaat of het aanvullend type-certificaat
afgegeven door de EASA is ingetrokken, dan wel het bewijs van
luchtwaardigheid is geschorst of ingetrokken, levert op eerste vordering
van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het bewijs van
luchtwaardigheid van het betrokken luchtvaartuig, terstond in bij Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat.
2. Wanneer de schorsing wordt opgeheven doet Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat het ingeleverde bewijs van luchtwaardigheid terstond
wederom toekomen aan de houder van het betrokken luchtvaartuig.
Artikel 3.19a
1. Het is verboden een vlucht uit te voeren met een burgerluchtvaartuig,
dat:
a. niet voldoet aan de voor dat luchtvaartuig geldende geluidseisen, of
b. niet is voorzien van een geldig voor dat luchtvaartuig afgegeven
geluidscertificaat of van een passende verklaring in een ander document
dat door de staat van registratie is goedgekeurd voor zover dit voor dat
luchtvaartuig vereist is.
2. Voor het uitvoeren van een vlucht met een Nederlands
burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting is
vereist een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven
(voorlopig) geluidscertificaat, (voorlopige) geluidsverklaring of
(voorlopige) aanvullende geluidsverklaring.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven in
welke gevallen aan de houder van een burgerluchtvaartuig, waarvoor geen
type-certificaat is afgegeven, door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat een geluidscertificaat kan worden afgegeven.
4. Een geluidscertificaat wordt afgegeven voor onbepaalde tijd.
Vooruitlopend op de afgifte van een geluidscertificaat kan een voorlopig
geluidscertificaat worden afgegeven.
5. Aan een geluidscertificaat dan wel een voorlopig geluidscertificaat
kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden in verband met het
onderhoud of het gebruik van het luchtvaartuig. Het is verboden in
strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.
6. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan met betrekking tot een
luchtvaartuig, dat naar zijn oordeel van historische waarde is,
geluidseisen stellen die afwijken van de door EASA vastgestelde
geluidseisen.
Artikel 3.19b [Vervallen per 02-08-2006]
Artikel 3.19c
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag aan de
houder van een burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een
voortstuwingsinrichting, waarvoor geen geluidseisen gelden, en dat in
Nederland is ingeschreven, een geluidsverklaring af. Op deze verklaring
wordt vermeld dat voor het betrokken luchtvaartuig geen geluidseisen
gelden.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag aan de houder
van een burgerluchtvaartuig een geluidsverklaring afgeven omtrent
geluidsniveaus bepaald op andere wijze dan ingevolge de geldende eisen.
Op deze verklaring wordt vermeld dat voor het betreffende luchtvaartuig
een geluidscertificaat is afgegeven alsmede de wijze waarop van de
voorschriften ingevolge de geldende eisen is afgeweken.
3. De geluidsverklaring wordt afgegeven voor onbepaalde tijd.
Vooruitlopend op de afgifte van een geluidsverklaring respectievelijk
een aanvullende geluidsverklaring, als bedoeld in de voorgaande leden,
kan een voorlopige geluidsverklaring respectievelijk een voorlopige
aanvullende geluidsverklaring worden afgegeven.
4. Aan een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige)
aanvullende geluidsverklaring kunnen voorschriften of beperkingen met
betrekking tot het onderhoud of het gebruik van het luchtvaartuig worden
verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of
beperkingen te handelen.
Artikel 3.19d
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wijzigt op aanvraag van de
houder een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig, nadat de
houder een wijziging aan het luchtvaartuig heeft uitgevoerd, indien:
a. het luchtvaartuig na de wijziging aan de geluidseisen blijft voldoen,
en
b. de houder het geluidscertificaat daartoe bij Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat heeft ingeleverd.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een geluidscertificaat
ambtshalve wijzigen wanneer:
a. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verwerkt of verstrekt, of
b. gegevens op het certificaat wijziging hebben ondergaan.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de
wijziging van een geluidsverklaring.
Artikel 3.19e
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een (voorlopig)
geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig vernieuwen, indien het
verloren is gegaan, beschadigd of anderszins onbruikbaar is geworden.
2. Indien een (voorlopig) geluidscertificaat wegens verlies is vernieuwd
en het certificaat wordt teruggevonden, levert de houder van het
betrokken luchtvaartuig het teruggevonden (voorlopige) certificaat
binnen acht dagen bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in.
3. Indien een (voorlopig) geluidscertificaat anders dan wegens verlies
is vernieuwd, levert de houder van het betrokken luchtvaartuig het
oorspronkelijke (voorlopige) geluidscertificaat binnen acht dagen na
ontvangst van het vernieuwde (voorlopige) certificaat bij Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat in.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing
op een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende
geluidsverklaring.
Artikel 3.19f
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een geluidscertificaat
voor een burgerluchtvaartuig schorsen, wanneer:
a. een ernstig vermoeden rijst dat niet meer aan de geluidseisen wordt
voldaan;
b. een ernstig vermoeden rijst dat de houder van het betrokken
luchtvaartuig dat luchtvaartuig niet overeenkomstig bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur gestelde eisen onderhoudt of laat
onderhouden;
c. een ernstig vermoeden rijst dat met betrekking tot dat luchtvaartuig
een wijziging is aangebracht, zonder dat de houder een daardoor
noodzakelijk geworden wijziging van het geluidscertificaat heeft
aangevraagd of zonder dat deze wijziging van het luchtvaartuig is
goedgekeurd;
d. het type-certificaat met betrekking tot dat luchtvaartuig is
geschorst of ingetrokken;
e. een ernstig vermoeden rijst dat ter verkrijging van een
geluidscertificaat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
f. een ernstig vermoeden rijst dat op het geluidscertificaat onjuiste
gegevens zijn vermeld; of
g. de houder van het luchtvaartuig anderszins het bij of krachtens dit
hoofdstuk bepaalde niet nakomt.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heft de schorsing op zodra de
redenen van de schorsing zijn vervallen.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een geluidscertificaat
voor een burgerluchtvaartuig intrekken, wanneer:
a. een wijziging met betrekking tot het luchtvaartuig is aangebracht,
zonder dat de houder een daardoor noodzakelijk geworden wijziging van
het geluidscertificaat heeft aangevraagd of zonder dat deze wijziging
van het luchtvaartuig is goedgekeurd;
b. het geluidscertificaat gedurende tenminste drie maanden is geschorst;
c. ter verkrijging van een geluidscertificaat onjuiste of onvolledige
gegevens zijn verstrekt, of
d. op het geluidscertificaat onjuiste gegevens zijn vermeld.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat trekt een geluidscertificaat
voor een burgerluchtvaartuig in, wanneer:
a. het luchtvaartuig niet aan de geluidseisen voldoet ;
b. het betrokken luchtvaartuig onherstelbaar is beschadigd, of
c. het betrokken luchtvaartuig uit het register van Nederlandse
burgerluchtvaartuigen is uitgeschreven.
5. De houder van het burgerluchtvaartuig waarvan het geluidscertificaat
is geschorst of ingetrokken, levert op eerste vordering van Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat het geluidscertificaat binnen acht
dagen in bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
6. Wanneer de schorsing wordt opgeheven doet Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat het ingeleverde geluidscertificaat terstond wederom
toekomen aan de houder van het betrokken burgerluchtvaartuig.
7. Het eerste lid onder b tot en met g, het tweede, derde, vierde lid
onder b en c, het vijfde en het zesde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige)
aanvullende geluidsverklaring.
8. Onverminderd het zevende lid wordt een (voorlopige)
geluidsverklaring, afgegeven in aanvulling op een (voorlopig)
geluidscertificaat, geschorst indien het betrokken (voorlopige)
geluidscertificaat wordt geschorst, onderscheidenlijk ingetrokken,
wanneer het betrokken (voorlopige) geluidscertificaat wordt ingetrokken.
Artikel 3.20 [Vervallen per 02-08-2006]
Artikel 3.21
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag van de
houder, respectievelijk Onze Minister van Defensie kan ambtshalve
ontheffing verlenen van de bij of krachtens deze paragraaf gegeven
regels, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in
redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het
luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt
gebracht. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister
van Defensie trekt de ontheffing in, wanneer:
a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te
vervallen, of
b. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of
beperkingen niet naleeft.
Artikel 3.22
1. De houder van een Nederlands burgerluchtvaartuig, waarvoor een bewijs
van luchtwaardigheid is afgegeven:
a. ziet er op toe, dat het luchtvaartuig zijn luchtwaardigheid behoudt,
en
b. onderhoudt of laat het luchtvaartuig onderhouden overeenkomstig bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels.
2. De houder van een Nederlands burgerluchtvaartuig dat is voorzien van
een voortstuwingsinrichting ziet er op toe dat:
a. het luchtvaartuig blijft voldoen aan de geldende geluidseisen, en
b. het luchtvaartuig in de configuratie blijft waarvoor het
geluidscertificaat of de geluidsverklaring is verleend.
3. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan worden
aangegeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden een afwijking
van beperkte duur van het bepaalde in het tweede lid, onder b, is
toegestaan.
4. De houder van een Nederlands burgerlichtvaartuig, waarvoor een bewijs
van luchtwaardigheid is afgegeven, volgt de door EASA en door Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat gegeven aanwijzingen met betrekking
tot de luchtwaardigheid op.
5. Onze Minister van Defensie ziet er op toe dat militaire
luchtvaartuigen worden onderhouden overeenkomstig de daartoe gestelde
eisen.
Artikel 3.23
Ten aanzien van burgerluchtvaartuigen worden bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nadere regels gesteld met betrekking tot het in
deze paragraaf bepaalde. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen
betreffende:
a. de aanvraag en de afgifte van een type-certificaat, een aanvullend
type-certificaat, een bewijs van luchtwaardigheid, een (voorlopig)
geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring en een
(voorlopige) aanvullende geluidsverklaring;
b. de wijziging en overdracht van een type-certificaat, een aanvullend
type-certificaat, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige)
geluidsverklaring, een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring en een
bewijs van luchtwaardigheid en de verlenging van zulk een bewijs;
c. de procedure van aanvraag, wijziging, schorsing en intrekking van een
type-certificaat, een aanvullend type-certificaat, een (voorlopig)
geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring en een
(voorlopige) aanvullende geluidsverklaring;
d. de procedure van aanvraag, wijziging, verlenging, schorsing en
intrekking van een bewijs van luchtwaardigheid;
e. hetgeen moet worden verstaan onder een ingrijpende wijziging van het
type-ontwerp waarvoor een type-certificaat is afgegeven;
f. het aan luchtvaartuigen te verrichten onderhoud;
g. de vernieuwing van een bewijs van luchtwaardigheid, een (voorlopig)
geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring en een
(voorlopige) aanvullende geluidsverklaring;
h. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de
behandeling van zijn aanvraag om afgifte, wijziging of overdracht van
een type-certificaat, of van een aanvullend type-certificaat, en
i. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de
behandeling van zijn aanvraag om afgifte, wijziging of vernieuwing van
een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring,
een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring en een bewijs van
luchtwaardigheid of de verlenging van een bewijs van luchtwaardigheid,
dan wel van zijn aanvraag om een ontheffing;
j. de vergoeding die de aanvrager verschuldigd is voor de kosten van de
behandeling van zijn aanvraag om goedkeuring of wijziging van een
onderhoudsprogramma.
Artikel 3.24
Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het model en de
uitvoering van een type-certificaat, een aanvullend type-certificaat,
een bewijs van luchtwaardigheid, een (voorlopig) geluidscertificaat, een
(voorlopige) geluidsverklaring of een (voorlopige) aanvullende
geluidsverklaring voor een burgerluchtvaartuig regels worden gesteld.
§ 3.2.2. Erkenningen
Artikel 3.25
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleent voor het verrichten
van werkzaamheden verband houdende met de luchtwaardigheid of de
geluidsproductie van burgerluchtvaartuigen of onderdelen daarvan op
aanvraag aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning,
wanneer die erkenning niet door EASA moet worden verleend en de
desbetreffende natuurlijke persoon of rechtspersoon een bedrijf voert,
dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met
betrekking tot die erkenning gestelde eisen. Aan de erkenning kunnen
voorschriften of beperkingen worden verbonden.
2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke erkenningen
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan verlenen, alsmede de
bevoegdheden, welke aan iedere erkenning verbonden zijn.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gegeven met betrekking tot het verrichten van werkzaamheden verband
houdende met de luchtwaardigheid van burgerluchtvaartuigen of onderdelen
daarvan door een natuurlijke persoon of rechtspersoon zonder erkenning
als bedoeld in het eerste lid.
4. Het is behoudens het derde lid verboden de werkzaamheden verband
houdende met de luchtwaardigheid van burgerluchtvaartuigen of onderdelen
daarvan, bedoeld in het eerste lid, te verrichten zonder een daartoe
strekkende erkenning.
Artikel 3.26
1. Een erkenning wordt verleend voor een bij algemene maatregel van
bestuur vast te stellen termijn dan wel voor onbepaalde tijd.
2. Op aanvraag van de houder kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
de erkenning wijzigen.
3. Op aanvraag van de houder verlengt Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat de erkenning, indien wordt voldaan aan bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur met betrekking tot die erkenning gestelde
eisen.
Artikel 3.27
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een erkenning geheel of
gedeeltelijk schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat het
betrokken bedrijf niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens artikel
3.25.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heft de schorsing op zodra de
redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een erkenning intrekken,
wanneer:
a. de houder daarom verzoekt;
b. het betrokken bedrijf niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens
artikel 3.25;
c. de houder krachtens de hem verleende erkenning werkzaamheden
verricht, waartoe deze niet erkend is;
d. de houder van de erkenning de daaraan verbonden voorschriften of
beperkingen niet naleeft;
e. de erkenning gedurende ten minste drie maanden is geschorst, of
f. de houder in staat van faillissement verkeert.
Artikel 3.28
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op grond van een
internationale overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie natuurlijke of rechtspersonen, die bedrijven voeren, welke
op grond van eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens artikel
3.25 gestelde eisen,
a. erkend zijn door de bevoegde autoriteit van een door hem bij
ministeriële regeling aangewezen staat, of
b. erkend zijn door een door hem bij ministeriële regeling aangewezen
internationale organisatie erkennen als erkende bedrijven. Aan de
erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
Artikel 3.29
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gegeven met betrekking tot deze paragraaf. Deze regels bevatten in ieder
geval bepalingen betreffende:
a. de aanvraag en de afgifte van een erkenning;
b. de verlenging of wijziging van een erkenning;
c. de procedure van aanvraag, verlenging, wijziging, schorsing of
intrekking van een erkenning;
d. de vernieuwing van de erkenning,
e. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de
behandeling van zijn aanvraag om afgifte, verlenging, vernieuwing of
wijziging van een erkenning;
f. de vergoeding die de aanvrager verschuldigd is voor het verlenen van
toestemming tot het verrichten van werkzaamheden zonder erkenning als
bedoeld in artikel 3.25, derde lid en
g. het model en de uitvoering van de erkenningen.
§ 3.2.3. Diverse bepalingen
Artikel 3.30
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag bewijzen van
bevoegdheid afgeven:
a. voor het zonder toezicht verrichten van onderhoud aan
luchtvaartuigen;
b. waarmee de houder in aanmerking komt om door een erkend
onderhoudsbedrijf gemachtigd te worden om namens dat bedrijf
werkzaamheden te mogen vrijgeven.
De artikelen 2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, vierde en vijfde
lid, 2.2, 2.3 en 2.5 tot en met 2.10 zijn van overeenkomstige
toepassing.
2. Behoudens artikel 3.25 is het verboden zonder toezicht onderhoud aan
burgerluchtvaartuigen te verrichten indien het daarvoor geldige bewijs
van bevoegdheid ontbreekt.
Artikel 3.31
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gegeven met betrekking tot startinrichtingen voor luchtvaartuigen zonder
voortstuwingsinrichting.
Hoofdstuk 4. Vluchtuitvoering
Artikel 4.1
1. Voor zover bij internationale overeenkomst of besluit van een
volkenrechtelijke organisatie niet anders is bepaald, is het verboden
met luchtvaartuigen vluchten tegen vergoeding uit te voeren zonder een
daartoe door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven AOC.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag de AOC af,
wanneer wordt voldaan aan de bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te stellen eisen. De AOC wordt slechts afgegeven aan een
luchtvaartmaatschappij.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan aangegeven worden
welke AOC's Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan afgeven alsmede
de verplichtingen en bevoegdheden welke aan een AOC verbonden zijn.
4. Aan een AOC kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het
is verboden vluchten uit te voeren in strijd met de aan een AOC
verbonden voorschriften of beperkingen.
Artikel 4.2
1. De AOC wordt afgegeven voor een bij algemene maatregel van bestuur
vast te stellen termijn, welke termijn voor de verschillende AOC's
verschillend kan zijn.
2. Op aanvraag van de houder verlengt Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat de AOC, indien wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel
4.1, tweede en derde lid, gestelde eisen.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een AOC op verzoek van de
houder wijzigen.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wijzigt een AOC ambtshalve,
wanneer:
a. onjuiste gegevens zijn verstrekt;
b. de vluchtuitvoering, waarvoor de AOC is verleend, tijdens de duur van
de AOC veranderingen heeft ondergaan, of
c. redenen van nationaal of internationaal beleid op het gebied van de
vluchtuitvoering zulks vereisen.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gegeven met betrekking tot artikel 4.1 en dit artikel. Deze regels
hebben in ieder geval betrekking op:
a. de aanvraag om afgifte van een AOC of een wijziging of verlenging
daarvan, en
b. de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de
behandeling van zijn aanvraag om afgifte van een AOC of om een
wijziging, het onderhouden of de verlenging daarvan.
Artikel 4.3
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een AOC schorsen:
a. wegens vluchtuitvoering in strijd met bij of krachtens deze wet
gegeven voorschriften;
b. wegens overtreding van de aan de AOC verbonden voorschriften of
beperkingen, of
c. indien ter verkrijging van de AOC onjuiste gegevens zijn verstrekt.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heft de schorsing op zodra de
redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een AOC intrekken:
a. indien de AOC-houder daarom verzoekt;
b. wegens het gedurende een aangesloten periode van ten minste twaalf
maanden niet uitvoeren van vluchten;
c. indien ter verkrijging van de AOC onjuiste of onvolledige gegevens
zijn verstrekt, of
d. indien de AOC ten minste drie maanden is geschorst.
Artikel 4.4
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag van de houder
ontheffing verlenen van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde
regels, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in
redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het
luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt
gebracht.
2. Aan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften of
beperkingen worden verbonden.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat trekt de door hem verleende
ontheffing in, wanneer:
a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te
vervallen, of
b. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of
beperkingen niet naleeft.
Artikel 4.5
De houder van een AOC volgt de door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat gegeven aanwijzingen met betrekking tot de vluchtuitvoering
op.
Artikel 4.6
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot vluchtuitvoering die niet door een
luchtvaartmaatschappij dan wel niet tegen vergoeding wordt uitgevoerd.
2. Het is verboden vluchten uit te voeren in strijd met de bij of
krachtens het eerste lid gestelde regels.
Artikel 4.7
De artikelen 4.1 tot en met 4.6 zijn niet van toepassing op de
vluchtuitvoering ten behoeve van douane- en politiedoeleinden.
Artikel 4.8
De gezagvoerder van een burgerluchtvaartuig is verplicht de bij regeling
van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat genoemde documenten mee te
voeren.
Hoofdstuk 5. Luchtverkeer, luchtverkeersbeveiliging en
luchtverkeersbeveiligingsorganisatie
Titel 5.1. Luchtverkeer
Artikel 5.1
Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5.3 tot en met 5.9 is van
toepassing op:
a.. deelnemers aan het luchtverkeer binnen het vluchtinformatiegebied
Amsterdam, en
b. Nederlandse luchtvaartuigen, waar deze zich ook bevinden, tenzij dit
onverenigbaar is met de daar ter plaatse geldende regels of de regels
die in overeenstemming met internationale afspraken worden gehanteerd
door de ter plaatse voor het verlenen van luchtverkeersdiensten
verantwoordelijke Staat.
Artikel 5.2
Buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam houdt de gezagvoerder van
een Nederlands luchtvaartuig zich aan de daar ter plaatse geldende
regels. Indien in overeenstemming met internationale afspraken andere
regels worden gehanteerd door de ter plaatse voor het verlenen van
luchtverkeersdiensten verantwoordelijke Staat, houdt de gezagvoerder
zich aan deze regels.
Artikel 5.3
Het is verboden op zodanige wijze aan het luchtverkeer deel te nemen dan
wel luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen dat daardoor personen of
zaken in gevaar worden of kunnen worden gebracht.
Artikel 5.4
Het is verboden boven gebieden met aaneengesloten bebouwing of
kunstwerken, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel
boven mensenmenigten, aan het luchtverkeer deel te nemen op een zodanige
hoogte dat het niet meer mogelijk is een noodlanding uit te voeren
zonder personen of zaken op het aardoppervlak in gevaar te brengen,
tenzij zulks noodzakelijk is:
a. om op te stijgen van of te landen op een luchthaven;
b. voor de uitvoering van naderings- en vertrekprocedures, alsmede van
luchtverkeerspatronen.
Artikel 5.5
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
bescherming van de openbare veiligheid bij het gebruik van het
luchtruim, ter bevordering van het veilige, ordelijke en vlotte verloop
van het luchtverkeer of ter bescherming van personen of zaken aan boord
van het luchtvaartuig of op het aardoppervlak regels worden gesteld aan
deelnemers van het luchtverkeer.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorts regels
worden gesteld betreffende:
a. de uitvoering van vluchten;
b. de met betrekking tot de uitvoering van vluchten te verstrekken
inlichtingen;
c. de communicatie tussen deelnemers aan het luchtverkeer onderling en
met de instanties en organisaties belast met het verlenen van
luchtverkeersdiensten;
d. de in en ten behoeve van het luchtverkeer te gebruiken tekens en
seinen;
e. het gebruik van het luchtruim anders dan door luchtverkeer; en
f. gedrag van het verkeer op een luchthaven.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing of
vrijstelling verlenen van het bepaalde bij of krachtens het eerste en
tweede lid, mede met inachtneming van het veilige, ordelijke en vlotte
verloop van het luchtverkeer. Aan de ontheffing of vrijstelling kunnen
voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd
met die voorschriften of beperkingen te handelen.
4. De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de
aanvraag en de afgifte van de in het derde lid bedoelde ontheffing of
een wijziging daarvan, worden ten laste gebracht van de aanvrager.
5. De bedragen ter vergoeding van de kosten worden vastgesteld bij
regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 5.6
Het is verboden een vlucht uit te voeren zonder dat een gezagvoerder is
aangewezen.
Artikel 5.7
1. De gezagvoerder bevindt zich aan boord van het luchtvaartuig.
2. De gezagvoerder is, ongeacht of hij daadwerkelijk de stuurorganen
bedient of niet, ervoor verantwoordelijk dat de uitvoering van de vlucht
geschiedt in overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde
regels. Van de regels bedoeld in de eerste volzin mag slechts worden
afgeweken indien de omstandigheden dit in het belang van de veiligheid
dringend noodzakelijk maken.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op door Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie bij
ministeriële regeling aan te wijzen onbemande luchtvaartuigen.
Artikel 5.8
Voor de aanvang van iedere vlucht, neemt de gezagvoerder kennis van alle
gegevens en inlichtingen die voor de uitvoering van de vlucht van belang
zijn.
Artikel 5.9
1. Voor de aanvang van iedere vlucht waaraan
luchtverkeersleidingsdiensten worden verleend wordt door of namens de
gezagvoerder een vliegplan ingediend overeenkomstig de bij of krachtens
de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5.5, tweede lid,
onderdeel c, gestelde regels. Het vliegplan bevat de gegevens en
inlichtingen omtrent de voorgenomen vlucht.
2. Alvorens een vlucht waaraan luchtverkeersleidingsdiensten worden
verleend aan te vangen, of een gedeelte daarvan uit te voeren moet een
desbetreffende klaring zijn gevraagd en verkregen.
3. De gezagvoerder komt de door de verlener van
luchtverkeersleidingsdiensten gegeven voorwaarden van de klaring na. Van
de voorwaarden bedoeld in de eerste volzin mag slechts worden afgeweken
indien de omstandigheden dit in het belang van de veiligheid dringend
noodzakelijk maken. Een afwijking wordt zo spoedig mogelijk gemeld aan
de betrokken verlener van luchtverkeersleidingsdiensten.
Artikel 5.10
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan bij ministeriële
regeling het uitoefenen van het burgerluchtverkeer tijdelijk of blijvend
beperken of verbieden boven Nederland of gedeelten daarvan:
a. om redenen van openbare orde en veiligheid;
b. om andere dringende redenen, waarbij het uitoefenen van de luchtvaart
en omstandigheden of gebeurtenissen op het aardoppervlak elkaar kunnen
beïnvloeden;
2. Onze Minister van Defensie kan bij ministeriële regeling het
uitoefenen van het burgerluchtverkeer beperken of verbieden om reden van
militaire noodzaak.
3. Op voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, gedaan in
overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer, worden bij algemene maatregel van bestuur
regels gesteld met betrekking tot het uitoefenen van het
burgerluchtverkeer boven gebieden aangewezen overeenkomstig artikel 1.2,
tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer.
4. Van de regelingen krachtens het eerste en tweede lid wordt mededeling
gedaan via de luchtvaartpublicaties bedoeld in artikel 5.23, eerste lid,
onder d, en voor zover nodig via de verlener van luchtverkeersdiensten
aan de betrokken gezagvoerder.
5. Het is verboden aan het luchtverkeer deel te nemen in strijd met het
bepaalde krachtens het eerste, tweede en derde lid van dit artikel.
Artikel 5.11
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur:
a. worden, met inachtneming van het type en de dichtheid van het
luchtverkeer, delen van het vluchtinformatiegebied Amsterdam alsmede
luchthavens aangewezen waar de daarbij bepaalde vormen van
luchtverkeersdiensten worden verleend;
b. worden in het vluchtinformatiegebied Amsterdam luchtverkeersroutes en
-procedures vastgesteld, waaronder mede zijn begrepen naderings-,
vertrek- en wachtprocedures, alsmede luchtverkeerspatronen;
c. kunnen delen van het vluchtinformatiegebied Amsterdam worden
aangewezen als bijzondere luchtverkeersgebieden, waar daarbij gegeven
voorschriften gelden.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing of
vrijstelling verlenen van het bepaalde bij of krachtens het eerste lid,
mede met inachtneming van het veilige, ordelijke en vlotte verloop van
het luchtverkeer. Aan de ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften
of beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met die
voorschriften of beperkingen te handelen.
3. De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de
aanvraag en de afgifte van de in het tweede lid bedoelde ontheffing of
een wijziging daarvan, worden ten laste gebracht van de aanvrager.
4. De bedragen ter vergoeding van de kosten worden vastgesteld bij
regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Titel 5.2. Bepalingen met betrekking tot het verlenen van
luchtverkeersdiensten
§ 5.2.1. Het verlenen van luchtverkeersdiensten
Artikel 5.12
1. Luchtverkeersdiensten worden verleend in het belang van de algemene
luchtverkeersveiligheid en een veilig, ordelijk en vlot verloop van het
luchtverkeer.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de wijze waarop luchtverkeersdiensten worden
verleend.
Artikel 5.13
1. Binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam kunnen
luchtverkeersdiensten worden verleend door:
a. de LVNL.
b. Onze Minister van Defensie;
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Defensie
tezamen wijzen de gebieden waarbinnen en het luchtverkeer waaraan de in
het eerste lid genoemde instanties luchtverkeersdiensten verlenen, aan.
Artikel 5.14
In afwijking van artikel 5.13, kunnen Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat en Onze Minister van Defensie:
a. delen van het vluchtinformatiegebied Amsterdam aanwijzen waarbinnen
door de Eurocontrol-organisatie luchtverkeersdiensten worden verleend;
b. in bijzondere situaties delen van het vluchtinformatiegebied
Amsterdam aanwijzen waarbinnen luchtverkeersdiensten worden verleend
door een andere verlener van luchtverkeersdiensten dan de in artikel
5.13 genoemde verleners van luchtverkeersdiensten.
Artikel 5.14a
Indien op basis van artikel 9 bis van de
luchtvaartnavigatiedienstenverordening een functioneel luchtruimblok is
ingesteld, waarvan een gedeelte van of het gehele vluchtinformatiegebied
Amsterdam deel uitmaakt, wijzen, in afwijking van de artikelen 5.13 en
5.14, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van
Defensie in overeenstemming met het bevoegde gezag van de betrokken
staat of staten voor dat bepaalde gebied een of meer verleners van
luchtverkeersdiensten aan, alsmede het luchtverkeer waaraan de bedoelde
instanties luchtverkeersdiensten verlenen.
Artikel 5.14b
1. Een bij of krachtens artikel 5.13, 5.14 of 5.14a aangewezen instantie
kan, onverminderd haar verantwoordelijkheid voor het verlenen van de
diensten waartoe deze instantie is aangewezen, na schriftelijke
instemming door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
luchtverkeersdiensten laten verrichten door een andere verlener van
luchtverkeersdiensten.
2. Ter verkrijging van de in het eerste lid bedoelde instemming dient de
bij of krachtens artikel 5.13, 5.14 of 5.14a aangewezen instantie
hiertoe een verzoek in bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
3. De bij of krachtensartikel 5.13, 5.14 of 5.14a aangewezen instantie
verstrekt alle informatie die benodigd is voor de beoordeling van een
verzoek als bedoeld in het tweede lid.
4. Gronden waarop instemming als bedoeld in het eerste lid kan worden
onthouden zijn:
a. het niet voldoen of niet kunnen voldoen door de verlener van wiens
diensten gebruik zal worden gemaakt aan de op grond van artikel 5.14d,
derde lid, aan het certificaat van de aangewezen instantie gestelde
beperkingen en voorschriften;
b. strijd met het belang van een veilig, ordelijk en vlot verloop van
het luchtverkeer; of
c. strijd met het recht.
Artikel 5.14c
1. Het is verboden luchtverkeersdiensten te verlenen zonder hiertoe te
zijn aangewezen bij of krachtens deze wet, dan wel zonder de hiertoe
vereiste instemming, bedoeld in artikel 5.14b.
2. Het is verboden luchtverkeersdiensten te doen verlenen zonder de
hiertoe vereiste instemming, bedoeld in artikel 5.14b.
Artikel 5.14d
1. Het is verboden luchtvaartnavigatiediensten te verlenen zonder te
beschikken over een daartoe bestemd certificaat als bedoeld in artikel 7
van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verstrekt een certificaat als
bedoeld in het eerste lid, indien de aanvrager voldoet aan de in artikel
6 van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening bedoelde eisen.
3. Aan een certificaat kunnen de voorschriften en beperkingen, zoals
bedoeld in Bijlage II van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening,
worden verbonden.
4. De in het derde lid bedoelde voorschriften en beperkingen kunnen
tijdens de geldigheidsduur van het certificaat ambtshalve worden
gewijzigd of aangevuld wegens:
a. wijziging van de krachtens deze wet gestelde regels;
b. wijziging van de kaderverordening,
luchtvaartnavigatiedienstenverordening, luchtruimverordening of
interoperabiliteitsverordening; of
c. wijziging van bepalingen die op grond van de in onderdeel b genoemde
verordeningen zijn gesteld.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent de geldigheidsduur, aanvraag, verlening en verlenging
van een certificaat.
6. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat neemt binnen twaalf weken na
ontvangst van de aanvraag voor het verlenen van een certificaat een
besluit omtrent de afgifte daarvan.
7. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een certificaat geheel of
gedeeltelijk schorsen, indien een ernstig vermoeden rijst dat de houder
van het certificaat:
a. niet voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid;
b. niet voldoet aan de voorschriften of beperkingen, bedoeld in het
derde lid; of
c. ter verkrijging van het certificaat onjuiste of onvolledige gegevens
heeft verstrekt.
8. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een certificaat
intrekken, indien:
a. de houder van het certificaat niet voldoet aan de eisen, bedoeld in
het tweede lid;
b. de houder van het certificaat niet voldoet aan de voorschriften of
beperkingen, bedoeld in het derde lid; of
c. het certificaat gedurende ten minste drie maanden is geschorst.
9. Dit artikel is niet van toepassing op verleners van
luchtvaartnavigatiediensten die deze diensten hoofdzakelijk aanbieden
aan andere bewegingen van luchtvaartuigen dan aan het algemeen
luchtverkeer als bedoeld in artikel 2.2, achtste lid.
Artikel 5.14e
Ten aanzien van de luchtverkeers-, communicatie-, navigatie- of
plaatsbepalingsdiensten worden bij regeling van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat veiligheidsvoorschriften vastgesteld voor
technisch en ontwikkelingspersoneel dat operationele aan de veiligheid
gerelateerde taken verricht.
Artikel 5.15
De instanties belast met het verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten
coördineren de uitvoering van deze taken met de instanties belast met
het verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten binnen hetzelfde gebied
of in aangrenzende gebieden.
Artikel 5.16
Onverminderdartikel 2.1, eerste lid, is het verboden
luchtverkeersdiensten te verlenen zonder een daartoe verkregen opdracht
van een bij of krachtensartikel 5.13, 5.14 of 5.14a aangewezen instantie
of van een andere verlener van luchtverkeersdiensten als bedoeld in
artikel 5.14b, eerste lid.
Artikel 5.17
1. Een bij of krachtens artikel 5.13, 5.14 of 5.14a aangewezen instantie
of een andere verlener van luchtverkeersdiensten als bedoeld in artikel
5.14b, eerste lid, houdt een registratie bij van de daadwerkelijk
gewerkte uren van de houders van een bewijs van bevoegdheid voor het
verlenen van luchtverkeersdiensten aan wie deze instanties een opdracht
als bedoeld in artikel 5.16 hebben gegeven.
2. Ten behoeve van het behoud van de geldigheid en de verlenging van een
bewijs van bevoegdheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten kan
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat om inzage in de registratie als
bedoeld in het eerste lid verzoeken.
Artikel 5.17a [Vervallen per 28-05-2008]
Artikel 5.18
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter bevordering
van een veilige, ordelijke en vlotte afwikkeling van het luchtverkeer
regels worden gesteld betreffende de prioriteitstelling bij het verlenen
van luchtverkeersdiensten.
Artikel 5.19
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de exploitant
van een burgerluchthaven met inachtneming van de daarbij te stellen
regels na overleg met de gebruikers en de betrokken verlener van
luchtverkeersleidingsdiensten, de volgorde van het gebruik van de
luchthaven vaststelt.
§ 5.2.2. Vergoedingen
Artikel 5.20
1. De gebruiker van luchtvaartnavigatiediensten, bedoeld in artikel 2,
onderdeel a, van de vergoedingenverordening, is in het
vluchtinformatiegebied Amsterdam een vergoeding verschuldigd voor de
bestrijding van kosten van:
a. luchtvaartnavigatiediensten voor «en route»-verkeer als bedoeld in
de op 12 februari 1981 te Brussel gesloten Multilaterale Overeenkomst
betreffende «en route»-heffingen (Trb. 1981, 181),
b. plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten.
2. De Eurocontrol-organisatie stelt jaarlijks of, indien noodzakelijk,
ook gedurende het jaar de hoogte van het eenheidstarief, bedoeld in
artikel 13 van de vergoedingenverordening, vast ter berekening van de
vergoeding voor luchtvaartnavigatiediensten voor «en route»-verkeer.
3. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt aan de hand van
voorstellen van de desbetreffende verleners van plaatselijke
luchtvaartnavigatiediensten, jaarlijks of, indien noodzakelijk, ook
gedurende het jaar de hoogte van het eenheidstarief, bedoeld in artikel
13 van de vergoedingenverordening, vast ter berekening van de vergoeding
voor plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten.
4. De Eurocontrol-organisatie int de vergoeding ter bestrijding van de
kosten voor luchtvaartnavigatiediensten voor «en route»-verkeer en
draagt aan de desbetreffende verleners van deze diensten het hun
toekomende deel van het geïnde bedrag af.
5. De verleners van plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten dragen zorg
voor de inning van de vergoedingen ter bestrijding van de kosten van
deze diensten en stemmen daartoe onderling af.
6. Bij algemene maatregel van bestuur worden heffingszones als bedoeld
in artikel 4 van de vergoedingenverordening vastgesteld en worden nadere
voorschriften gesteld met betrekking tot de bekendmaking en de inning
van vergoedingen, bedoeld in het vierde en het vijfde lid, en de
termijnen binnen welke betaling van de vergoedingen plaats moet vinden.
7. De Eurocontrol-organisatie kan rechtsvorderingen tot inning van
vergoedingen als bedoeld in het vierde lid en van andere vergoedingen
uit hoofde van de op 12 februari 1981 te Brussel gesloten Multilaterale
Overeenkomst betreffende «en route»-heffingen (Trb. 1981, 181)
uitsluitend aanhangig maken bij de rechtbank Amsterdam.
8. Bij algemene maatregel van bestuur kan overeenkomstig artikel 9 van
de vergoedingenverordening vrijstelling worden verleend van betaling van
vergoedingen voor luchtvaartnavigatiediensten.
9. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen
voorschriften worden gesteld met betrekking tot het treffen van
stimuleringsmaatregelen ter verbetering van het verlenen van
luchtvaartnavigatiediensten.
10. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde vergoeding moet worden
betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
11. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat worden
voorschriften gesteld voor de raadpleging van vertegenwoordigers van
luchtruimgebruikers over het vergoedingenbeleid.
Artikel 5.21
1. De vergoedingenverordening en artikel 5.20 zijn niet van toepassing
op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
luchtvaartnavigatiediensten die worden verleend op luchthavens met
minder dan 50.000 commerciële luchtvervoersbewegingen per jaar,
ongeacht de maximale startmassa en het aantal passagierszitplaatsen.
Daarbij worden de bewegingen geteld als de som van de starts en de
landingen en berekend als een gemiddelde van de voorafgaande drie jaar.
2. De gebruiker van luchtvaartnavigatiediensten als bedoeld in het
eerste lid is een vergoeding verschuldigd ter bestrijding van de kosten
van de verlening van deze diensten. Bij algemene maatregel van bestuur
worden voorschriften gesteld ten aanzien van de hoogte, de berekening,
de vaststelling, de inning en de bekendmaking van deze vergoeding, en de
termijn binnen welke betaling van deze vergoeding plaats moet vinden.
3. De in het tweede lid bedoelde vergoeding moet worden betaald zonder
dat dit bij beschikking is vastgesteld.
4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de North Sea Area
Amsterdam zijnde het gebied dat als NSA Amsterdam is gedefinieerd in de
door LVNL uitgegeven luchtvaartgids, volume I, hoofdstuk ENR 6-2-5
aangemerkt als luchthaven.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kan vrijstelling worden verleend
van de verplichting tot betaling van vergoedingen als bedoeld in het
tweede lid.
Titel 5.3. De luchtverkeersbeveiligings-organisatie
§ 5.3.1. De LVNL
Artikel 5.22
1. Er is een organisatie voor het verlenen van luchtverkeersdiensten.
Hij heeft rechtspersoonlijkheid.
2. Op de in het eerste lid bedoelde organisatie is de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen van toepassing, met uitzondering van de
artikelen 15 en 18 van die wet.
§ 5.3.2. Taken van de LVNL
Artikel 5.23
1. De LVNL is, ter bevordering van een zo groot mogelijke veiligheid van
het luchtverkeer in het vluchtinformatiegebied Amsterdam, belast met de
volgende taken:
a. het verlenen van luchtverkeersdiensten;
b. het verlenen van communicatie-, navigatie- en plaatsbepalingsdiensten;
c. het verlenen van luchtvaartinlichtingendiensten en het uitgeven van
luchtvaartpublicaties en luchtvaartkaarten;
d. het verzorgen of doen verzorgen van opleidingen ten behoeve van
luchtverkeersbeveiliging en het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten;
e. het adviseren van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat alsmede
Onze Minister van Defensie betreffende aangelegenheden op het gebied van
de luchtverkeersbeveiliging en het verlenen van
luchtvaartnavigatiediensten;
f. het verrichten van andere bij of krachtens deze wet opgedragen taken.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan de LVNL belasten met het
verlenen van luchtverkeersdiensten buiten het vluchtinformatiegebied
Amsterdam.
3. De LVNL kan, in ieder geval tegen vergoeding van kosten, diensten aan
anderen dan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van
Defensie verlenen op het gebied van en verband houdende met taken
bedoeld in het eerste lid. De in de eerste volzin bedoelde diensten
kunnen buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam worden verleend.
4. De LVNL kan, onverminderd zijn verantwoordelijkheid voor de
uitvoering van de aan hem opgedragen taken, luchtverkeersdiensten laten
verrichten door een andere verlener van luchtverkeersdiensten, indien
hiervoor instemming is verleend op grond van artikel 5.14b, eerste lid.
5. De LVNL kan, onverminderd zijn verantwoordelijkheid voor de
uitvoering van de aan hem opgedragen taken, luchtvaartnavigatiediensten
anders dan de in het vierde lid bedoelde diensten laten verrichten door
een andere verlener van luchtvaartnavigatiediensten.
6. De LVNL kan, onverminderd zijn verantwoordelijkheid voor de
uitvoering van de aan hem opgedragen taken, andere werkzaamheden dan die
zijn bedoeld in het vierde en vijfde lid laten verrichten door derden,
voor zover deze werkzaamheden een ondersteunend karakter hebben.
7. De LVNL is verplicht zijn taken te verrichten overeenkomstig het
bepaalde in Nederland bindende verdragen en besluiten van
volkenrechtelijke organisaties.
§ 5.3.3. Organen, inrichting en beheer van de organisatie
Artikel 5.24
De LVNL heeft een bestuur en een raad van toezicht.
Artikel 5.25
1. Het bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waaronder de
voorzitter.
2. De hoedanigheid van lid van het bestuur is onverenigbaar met het
lidmaatschap van de raad van toezicht.
3. De leden van het bestuur worden benoemd voor een periode van ten
hoogste vijf jaren. Bij afloop van deze termijn kunnen zij worden
herbenoemd.
Artikel 5.26
1. Het bestuur is belast met de dagelijkse leiding van de LVNL.
2. Alle bevoegdheden van de LVNL welke niet bij of krachtens deze wet
aan de raad van toezicht zijn opgedragen, komen toe aan het bestuur.
3. Het bestuur verstrekt de raad van toezicht tijdig de voor de
uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen en andere gegevens.
Artikel 5.27
1. Het bestuur vertegenwoordigt de LVNL in en buiten rechte.
2. Het bestuur kan onder zijn verantwoordelijkheid de
vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste lid, opdragen aan een of meer
bestuursleden of andere personen. Het kan bepalen dat deze
vertegenwoordiging uitsluitend betrekking heeft op bepaalde onderdelen
van de taak van de LVNL dan wel op bepaalde aangelegenheden.
Artikel 5.28
Ingeval van schorsing of ontstentenis van een lid van het bestuur
voorziet Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in de waarneming van
zijn functie.
Artikel 5.29
Het bestuur legt jaarlijks, en voorts tussentijds indien hiertoe naar
het oordeel van de raad van toezicht bijzondere aanleiding bestaat, aan
de raad van toezicht verantwoording af over het door hem gevoerde
beleid.
Artikel 5.30
De raad van toezicht bestaat uit zes leden, waaronder de voorzitter,
alsmede een waarnemer, die de Minister van Verkeer en Waterstaat in de
raad van toezicht vertegenwoordigt.
Artikel 5.31
1. De leden van de raad van toezicht worden zonder last of ruggespraak
benoemd voor een tijdvak van vier jaren en zijn eenmaal voor een tijdvak
van vier jaren herbenoembaar. Hun kan tussentijds op eigen verzoek, dan
wel om zwaarwichtige redenen ontslag worden verleend.
2. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu benoemt een waarnemer in
de raad van toezicht. Het waarnemerschap kan tussentijds op eigen
verzoek, dan wel om zwaarwichtige redenen worden beëindigd.
3. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu benoemt, schorst en
ontslaat de leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat:
a. een lid wordt benoemd op voordracht van Onze Minister van Defensie;
b. vier leden worden benoemd op voordracht van de raad van toezicht.
c. een lid, tevens voorzitter, wordt benoemd op voordracht van de raad
van toezicht. Omtrent de voordracht besluiten de leden van de raad van
toezicht met gewone meerderheid, met dien verstande dat de voorzitter
niet deelneemt aan de vaststelling van de voordracht.
4. Zolang in een vacature in de raad van toezicht niet is voorzien,
vormen de overblijvende leden de raad van toezicht, met de bevoegdheid
van de volledige raad.
5. De raad van toezicht verschaft Onze Minister alle verlangde
inlichtingen, met inachtneming van het door Onze Minister vastgestelde
informatiestatuut.
Artikel 5.32
1. De raad van toezicht ziet toe op de werkzaamheden van het bestuur, en
staat dit met raad terzijde.
2. Bij de vervulling van hun taak nemen de leden van de raad van
toezicht tot richtsnoer de verwezenlijking van de taakstelling en het
belang van de LVNL waaronder de continuïteit van zijn bedrijfsvoering.
3. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan bepalen dat het
bestuur de voorafgaande instemming behoeft van de raad van toezicht voor
een beslissing als bedoeld in artikel 32 van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen of dat het bestuur, ingeval Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu een beslissing als bedoeld in dat artikel aan
zijn voorafgaande instemming heeft onderworpen, die beslissing pas aan
hem kan voorleggen nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die
beslissing geen bedenkingen te hebben.
4. Besluiten van het bestuur betreffende de volgende onderwerpen
behoeven voorafgaande instemming van de raad van toezicht:
a. de reglementen bedoeld in de artikelen 5.34, 5.36, 5.37 en 5.39;
b. voorstellen aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu met
betrekking tot de hoogte van het eenheidstarief, bedoeld in artikel
5.20, derde lid, en de hoogte van de vergoeding, bedoeld in artikel
5.21, tweede lid;
c. de financiële begroting, en het financiële meerjarenbeleidsplan;
d. het jaarverslag en de jaarrekening;
e. de bij of krachtens de wet aan Onze Minister van Infrastructuur en
Milieu uit te brengen rapportages;
f. de aanwijzing van de externe registeraccountant.
5. Besluiten betreffende het in het vierde lid, onderdeel c, genoemde
financiële meerjarenbeleidsplan behoeven bovendien de goedkeuring van
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
6. De raad van toezicht kan geen rechtsgeldige besluiten nemen indien
niet tenminste tweederde van het aantal leden ter vergadering aanwezig
is.
7. De raad van toezicht stelt bij reglement zijn werkwijze vast. Het
reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Infrastructuur en
Milieu.
Artikel 5.33
1. De raad van toezicht heeft een eigen secretariaat; de kosten daarvan
komen ten laste van de LVNL.
2. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan aan de leden van de
raad van toezicht, ten laste van de LVNL, een vergoeding toekennen voor
hun werkzaamheden.
3. De leden van de raad van toezicht hebben aanspraak op vergoeding van
de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte reis- en
verblijfkosten.
§ 5.3.4. Inrichting en bedrijfsvoering
Artikel 5.34
Het bestuur stelt bij reglement de hoofdlijnen vast van de inrichting
van de LVNL en van de wijze van bedrijfsvoering.
Artikel 5.34a [Vervallen per 28-05-2008]
Artikel 5.35
De bedrijfsvoering van de LVNL geschiedt zoveel mogelijk overeenkomstig
die, welke algemeen gebruikelijk is bij het particuliere bedrijfsleven.
§ 5.3.5. Geïnstitutionaliseerd overleg met gebruikers
Artikel 5.36
Het bestuur van de LVNL voert op bij reglement vast te stellen wijze
overleg met gebruikers van door de organisatie geleverde diensten of met
hun vertegenwoordigers omtrent aangelegenheden terzake waarvan naar zijn
oordeel overleg dienstig is, alsmede omtrent aangelegenheden terzake
waarvan de deelnemers aan het geïnstitutionaliseerde overleg het
bestuur te kennen hebben gegeven overleg te willen voeren.
§ 5.3.6. Personeel van de organisatie
Artikel 5.37
1. Het personeel van de LVNL, de leden van het bestuur daaronder
begrepen, is ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet.
2. Het bestuur stelt bij reglement de regeling van de rechtspositie van
het personeel vast.
3. Onverminderd hetgeen reeds bij of krachtens de wet is geregeld, geeft
het reglement bedoeld in het tweede lid van dit artikel in ieder geval
voorschriften betreffende de volgende onderwerpen:
a. aanstelling;
b. schorsing;
c. ontslag;
d. het onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid;
e. bezoldiging;
f. wachtgeld;
g. diensttijden;
h. verlof en vakantie;
i. voorzieningen in verband met ziekte;
j. bescherming bij de arbeid;
k. woon-, verblijfs- en bereikbaarheidsverplichtingen;
l. medezeggenschap;
m. overige rechten en verplichtingen van het personeel;
n. disciplinaire straffen;
o. de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties
van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over aangelegenheden van
algemeen belang voor de rechtspositie en de bezoldiging van het
personeel van de LVNL;
p. een geschillenregeling met betrekking tot de onder l en o genoemde
onderwerpen.
4. De bepalingen van artikel 126 van de Ambtenarenwet zijn van
overeenkomstige toepassing op de totstandkoming van het in het tweede
lid bedoelde reglement.
§ 5.3.7. Geldmiddelen en financieel beheer
Artikel 5.38
De geldmiddelen van de LVNL bestaan uit:
a. de opbrengst van de in artikel 5.20 en 5.21 bedoelde vergoedingen;
b. de opbrengst van de vergoedingen voor verleende diensten waarvan de
kosten niet reeds de basis vormen voor de vergoedingen bedoeld in de
artikelen 5.20 en 5.21;
c. andere baten hoe ook genoemd.
Artikel 5.39
Het bestuur stelt bij reglement de werkwijze vast voor het financiële
beheer en de administratieve organisatie van de LVNL.
Artikel 5.40
1. De begroting bestaat uit:
a. de jaarlijkse financiële begroting, bestaande uit een
exploitatiebegroting en een kapitaalsbegroting;
b. het financiële meerjarenbeleidsplan.
2. Tot de lasten van de LVNL worden gerekend de kosten voortvloeiende
uit de taken van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat op het gebied
van de luchtverkeersbeveiliging.
§ 5.3.8. Inlichtingen, verslaglegging en controle
Artikel 5.41
1. Het jaarverslag van de LVNL gaat vergezeld van:
a. een opgave over de toepassing van de arbeidsvoorwaarden;
b. een document, houdende de instemming bedoeld in artikel 5.32, vierde
lid, onder d.
2. Het boekjaar van de LVNL valt samen met het kalenderjaar.
3. Het bestuur zendt jaarlijks voor 1 mei van het jaar volgende op het
jaar waarop het betrekking heeft het jaarverslag aan Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu en aan beide Kamers der Staten-Generaal.
Artikel 5.42
1. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt regels over de
uitoefening van het toezicht op de LVNL door Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu en de raad van toezicht.
2. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt een
informatiestatuut vast.
3. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan het bestuur opdragen
periodiek rapportage uit te brengen op een door hem, na overleg met het
bestuur, te bepalen wijze.
Artikel 5.43
1. De volgende stukken worden door het bestuur vastgesteld:
a. de financiële begroting;
b. het financiële meerjarenbeleidsplan.
2. Het bestuur zendt het financiële meerjarenbeleidsplan aan Onze
Minister van Infrastructuur en Milieu toe vóór 1 november van het jaar
voorafgaand aan het begrotingsjaar.
3. Indien Onze Minister van Verkeer en Waterstaat binnen vier weken na
de in het tweede lid bedoelde toezending de goedkeuring aan de in het
eerste lid, onder a en b, genoemde stukken, niet heeft onthouden, wordt
deze geacht te zijn verleend.
Artikel 5.44
Waar in deze wet de goedkeuring van Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat is vereist, verleent dan wel onthoudt hij die, behoudens het
bepaalde in artikel 5.43, derde lid, binnen twaalf weken na de datum van
ontvangst van de goed te keuren stukken. Indien Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat goedkeuring onthoudt aan de financiële begroting,
is het bestuur gerechtigd voor iedere maand gedurende welke de
goedkeuring wordt onthouden, uitgaven te doen ter grootte van maximaal
een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande boekjaar.
Artikel 5.45 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 5.46 [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk 6. Luchtvervoer
Titel 6.5. Vervoer van gevaarlijke stoffen
Artikel 6.50
Deze titel is, met uitzondering van het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 6.55, 6.56 en 6.57, niet van toepassing op het vervoer van
splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, van de Kernenergiewet.
Artikel 6.51
1. Het is verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen gevaarlijke stoffen met een luchtvaartuig te vervoeren, ten
vervoer aan te bieden of aan te nemen, alsmede te laden in of te lossen
uit een luchtvaartuig, of tijdens het vervoer neer te leggen.
2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor de bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevaarlijke stoffen of
categorieën van gevaarlijke stoffen, indien aan de bij of krachtens die
algemene maatregel van bestuur terzake gestelde regels is voldaan.
3. Onder het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt mede begrepen het
laten staan op een luchthaven van een luchtvaartuig waarin zich
dergelijke stoffen bevinden.
Artikel 6.52
1. Het is verboden gevaarlijke stoffen ten vervoer aan te bieden onder
een andere benaming of onder opgave van een andere categorie-indeling
dan die welke bij of krachtens deze wet is voorgeschreven.
2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
Artikel 6.53
1. De regels, bedoeld in artikel 6.51, tweede lid, kunnen onder meer
betrekking hebben op:
a. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van
luchtvaartuigen, waarmee gevaarlijke stoffen worden vervoerd;
b. de documenten die met betrekking tot gevaarlijke stoffen opgemaakt
dienen te worden;
c. de stuwage en de belading van luchtvaartuigen met inbegrip van
samenlading;
d. het onderzoek van gevaarlijke stoffen naar hun eigenschappen;
e. de eisen ten aanzien van verpakking van gevaarlijke stoffen, met
inbegrip van de daarbij behorende inrichting of uitrusting, en het
testen of keuren daarvan, alsmede de uitgifte en intrekking van
verpakkingskenmerken;
f. de etiketten, kenmerken of andere aanduidingen op de verpakking,
bedoeld in onderdeel e;
g. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van
inrichtingen, voertuigen of werktuigen met behulp waarvan gevaarlijke
stoffen worden geladen of gelost;
h. de keuring van de inrichtingen, voertuigen of werktuigen, bedoeld in
onderdeel g;
i. de melding voorafgaande aan het verrichten van een handeling, als
bedoeld in artikel 6.51;
j. het opstellen van een risico-inventarisatie met betrekking tot het
vervoeren, laden of lossen van door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat daartoe aangewezen stoffen;
k. het aanwijzen van luchtroutes waarlangs door Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat aangewezen gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
2. De betrokkene is een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
vast te stellen vergoeding verschuldigd voor de kosten van een keuring,
als bedoeld in onderdeel h van het eerste lid, gebaseerd op de
werkelijke kosten.
Artikel 6.54
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister
van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties in het belang van de openbare veiligheid ten aanzien
van luchtvaartuigen die door hem aangewezen gevaarlijke stoffen
vervoeren, bepalen dat die luchtvaartuigen uitsluitend van door hem
aangewezen luchthavens mogen starten of op die luchthavens mogen landen.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister
van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties in het belang van de openbare veiligheid bepalen,
dat de in het eerste lid bedoelde gevaarlijke stoffen op de in het
eerste lid bedoelde luchthavens slechts mogen worden geladen, gelost of
neergelegd op door hem op die luchthavens aangewezen plaatsen.
3. Onze Minister van Defensie kan ten aanzien van militaire helikopters
de in het eerste en tweede lid bedoelde beperkingen ook doen gelden voor
door hem aangewezen terreinen, niet zijnde luchthavens.
4. Het is verboden te handelen in strijd met het bepaalde krachtens het
eerste of tweede lid.
Artikel 6.55
1. Het is verboden gevaarlijke stoffen ten vervoer aan te bieden, te
vervoeren, te doen of laten vervoeren met luchtvaartuigen, zonder een
door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleende erkenning.
2. Een erkenning wordt verleend voor een bij algemene maatregel van
bestuur vast te stellen termijn, dan wel voor onbepaalde tijd indien
door de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon voldaan wordt aan
de bij of krachtens die maatregel met betrekking tot de erkenning
gestelde eisen. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen
worden verbonden.
3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke erkenningen
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan verlenen, alsmede de
bevoegdheden, welke aan iedere erkenning verbonden zijn.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een erkenning geheel of
gedeeltelijk schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat de
betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon:
a. niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens het tweede lid;
b. handelt in strijd met het bij of krachtens deze titel bepaalde.
Hij heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te
vervallen.
5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een erkenning intrekken,
wanneer:
a. de houder daarom verzoekt;
b. de houder niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens het tweede
lid;
c. de houder krachtens de hem verleende erkenning werkzaamheden
verricht, waartoe deze niet erkend is;
d. de houder handelt in strijd met de artikelen 6.51, tweede lid, of
6.52;
e. de erkenning gedurende ten minste drie maanden is geschorst;
f. de houder in staat van faillissement verkeert.
6. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen
regels gegeven worden met betrekking tot de procedure van aanvraag,
afgifte, wijziging, verlenging, schorsing en intrekking van erkenningen,
alsmede de vergoeding die de aanvrager van de erkenning verschuldigd is
voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte,
wijziging of verlenging, welke gebaseerd is op de werkelijke kosten.
Artikel 6.56
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat erkent een opleiding voor een
theoretisch of praktisch examen als opleiding voor een theoretisch of
praktisch examen benodigd ter verkrijging van een erkenning, als bedoeld
in artikel 6.55, eerste lid, indien die opleiding voldoet aan bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan de erkenning van een
opleiding intrekken, wanneer die opleiding niet meer aan de krachtens
het eerste lid gestelde eisen voldoet.
3. Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van het eerste en
tweede lid nadere regels worden gegeven.
Artikel 6.57
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ter uitvoering van
internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke
organisaties natuurlijke personen of rechtspersonen, die handelingen als
bedoeld in artikel 6.55, eerste lid, verrichten op zodanige wijze, dat
deze voldoen aan eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens
artikel 6.55 gestelde eisen, erkennen als erkende bedrijven voor zover
die bedrijven erkend zijn door de bevoegde autoriteit van een bij
ministeriële regeling aangewezen land of internationale organisatie.
Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
Artikel 6.58
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister
van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de
bij of krachtens deze titel gegeven regels, wanneer die regels in
redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het
luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt
gebracht. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden
verbonden.
2. Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften of de
beperkingen bedoeld in het eerste lid.
3. De ontheffing kan worden geweigerd op grond van de openbare
veiligheid.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister
van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties een ontheffing wijzigen:
a. op verzoek van de houder;
b. op grond van de openbare veiligheid.
5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister
van Defensie kan de ontheffing intrekken, wanneer
a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te
vervallen;
b. de openbare veiligheid dit vereist;
c. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of
beperkingen niet naleeft.
6. De aanvrager van de ontheffing of van de wijziging daarvan is Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat een door deze vast te stellen
vergoeding voor de behandeling van de aanvraag verschuldigd, gebaseerd
op de werkelijke kosten.
Artikel 6.59
Het is passagiers en leden van het boordpersoneel verboden gevaarlijke
stoffen aan boord van een luchtvaartuig te brengen, of met zich mee te
voeren in hun bagage, anders dan met inachtneming van de door Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van
Defensie aangewezen Technische Voorschriften van de Internationale
Burgerluchtvaartorganisatie betreffende het vervoer van gevaarlijke
stoffen door de lucht.
Artikel 6.60
1. Degene, die een handeling als bedoeld in artikel 6.51, eerste lid,
verricht, is verplicht, indien zich daarbij voorvallen gevaarlijke
stoffen voordoen waardoor gevaar voor de openbare veiligheid is ontstaan
of is te duchten, daarvan onverwijld mededeling te doen aan Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van
Defensie.
2. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
respectievelijk Onze Minister van Defensie kunnen voorschriften worden
gegeven omtrent de procedure en de wijze van mededeling als bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 6.61
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister
van Defensie kan van degenen die handelingen verrichten als bedoeld in
artikel 6.51 , alle inlichtingen of documenten vragen die naar zijn
redelijk oordeel nodig zijn ten behoeve van het analyseren van
voorvallen gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 6.60.
2. De betrokkenen zijn verplicht de gevraagde inlichtingen volledig en
naar waarheid te verstrekken binnen een door Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie in redelijkheid
te stellen termijn.
Artikel 6.61a
1. Indien zich binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam een
luchtvaartongeval voordoet verstrekt de houder van het betrokken
luchtvaartuig onverwijld aan de betrokken hulpverlenende instanties
informatie over de gevaarlijke stoffen die zich aan boord van dat
luchtvaartuig bevinden.
2. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
respectievelijk Onze Minister van Defensie wordt vastgesteld welke
informatie door tussenkomst van welke instantie verstrekt dient te
worden.
Titel 6.6. Vervoer van dieren
Artikel 6.62
1. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen met
het oog op de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen tijdens het vervoer
van dieren in die luchtvaartuigen in overeenstemming met Onze Minister
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij regels worden gegeven met
betrekking tot dat vervoer.
2. Het is verboden dieren te vervoeren in strijd met het bepaalde
krachtens het eerste lid.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan in bijzondere gevallen
ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde regels.
Hoofdstuk 7. Diverse bepalingen inzake luchtvaart
Titel 7.1. Melding van voorvallen
Artikel 7.1
1. Voorvallen worden gemeld aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden natuurlijke personen of
rechtspersonen aangewezen die verplicht zijn tot het melden van een
voorval.
3. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat worden
nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde
meldingen en kunnen regels worden gesteld voor het vrijwillig melden van
tekortkomingen in de luchtvaart welke niet verplicht gemeld moeten
worden maar die de melder als een reëel of mogelijk gevaar beschouwt.
Artikel 7.2
1. Gegevens ontvangen uit een in artikel 7.1, eerste lid, bedoelde
melding, dan wel ontvangen van een lidstaat van de Europese Unie naar
aanleiding van een soortgelijke melding in die lidstaat, zijn niet
openbaar.
2. Iedere instantie met regelgevende bevoegdheid op het gebied van de
veiligheid in de burgerluchtvaart of met onderzoeksbevoegdheid voor
ongevallen en incidenten die zich in de Europese Gemeenschap voordoen,
heeft toegang tot de in het eerste lid bedoelde gegevens.
3. Bij het registreren van de melding worden geen namen en adressen van
individuele personen opgenomen.
Titel 7.2. Slotallocatie
Artikel 7.3
1. Een luchthavencoördinator als bedoeld in Verordening nr. 95/93 van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 januari 1993 betreffende
gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van «slots»op
communautaire luchthavens (PbEG L 14) die bij de uitvoering van zijn
taak krachtens de verordening schade toebrengt aan
luchtvaartmaatschappijen of anderen, is te dier zake niet aansprakelijk,
tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of roekeloosheid.
2. Op de luchthavencoördinator is de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen van toepassing, met uitzondering van de artikelen 18, 21
en 22 van die wet.
Titel 7.3. Verzekering
Artikel 7.4
1. De luchtvervoerder en de exploitant van luchtvaartuigen, bedoeld in
artikel 3 van de Verordening (EG) nr. 785/2004 van het Europees
Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van
gemeenschappelijke regels inzake de verzekeringseisen voor
luchtvervoerders en exploitanten van luchtvaartuigen (PbEU L 138) hebben
een verzekering die voldoet aan de artikelen 4, 6 en 7 van voornoemde
verordening.
2. Met betrekking tot niet-commerciële diensten van luchtvaartuigen met
een MTOM van 2700 kg of minder bedraagt de verzekeringsdekking ten
minste 100 000 BTR per passagier.
Titel 7.4. Exploitatieverbod
Artikel 7.5
Het is een vliegtuigexploitant als bedoeld in artikel 3, onder o, van
richtlijn nr. 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor
de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot
wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU L 275), zoals deze
laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn nr. 2008/101/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 (PbEU
2009, L 8), verboden een vlucht uit te voeren met een luchtvaartuig
zolang en voor zover de Commissie van de Europese Gemeenschappen op
grond van artikel 16, tiende lid, van eerstgenoemde richtlijn aan de
betrokken vliegtuigexploitant een exploitatieverbod heeft opgelegd.
Hoofdstuk 8. Luchthavens
Titel 8.1. Algemeen
Artikel 8.1
1. Luchthavens zijn te onderscheiden in:
a. de luchthaven Schiphol,
b. overige burgerluchthavens, en
c. militaire luchthavens.
2. Overige burgerluchthavens zijn van regionale betekenis of van
nationale betekenis. Deze luchthavens zijn van nationale betekenis
indien:
a. zij zijn gelegen buiten provinciegrenzen zoals bepaald bij of
krachtens de Provinciewet, of
b. dit bij wet is bepaald.
3. Luchthavens van nationale betekenis zijn:
a. de luchthaven Lelystad,
b. de luchthaven Eelde,
c. de luchthaven Maastricht, en
d. de luchthaven Rotterdam.
4. Indien het militaire gebruik van een militaire luchthaven, met
uitzondering van de militaire luchthaven Twenthe, wordt beëindigd door
intrekking van:
a. de aanwijzing op grond van de Luchtvaartwet van die luchthaven als
militaire luchthaven, of
b. het luchthavenbesluit dat op deze luchthaven betrekking heeft,
en op die plaats een burgerluchthaven wordt gevestigd, dan is deze
luchthaven van nationale betekenis.
5. In afwijking van het vierde lid kan bij algemene maatregel van
bestuur worden vastgesteld dat een luchthaven als bedoeld in dat lid van
regionale betekenis is.
6. De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
7. Indien het militaire gebruik van de militaire luchthaven Twenthe
wordt beëindigd door intrekking van:
a. de aanwijzing op grond van de Luchtvaartwet van die luchthaven als
militaire luchthaven, of
b. het luchthavenbesluit dat op deze luchthaven betrekking heeft,
en op die plaats een burgerluchthaven wordt gevestigd, dan is deze
luchthaven van nationale betekenis.
Artikel 8.1a
1. Het is verboden met een luchtvaartuig op te stijgen of te landen,
anders dan van of op een luchthaven.
2. Het is verboden de luchthaven Schiphol in bedrijf te hebben indien
voor deze luchthaven geen luchthavenindelingbesluit en
luchthavenverkeerbesluit gelden en indien de exploitant van deze
luchthaven niet beschikt over een geldig veiligheidscertificaat.
3. Het is verboden een overige burgerluchthaven in bedrijf te hebben
indien voor deze luchthaven geen luchthavenbesluit of luchthavenregeling
geldt. Vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist indien buiten
het luchthavengebied het externe-veiligheidsrisico of de geluidbelasting
vanwege het luchthavenluchtverkeer zodanig is dat dit gevolgen heeft
voor de ruimtelijke indeling van het gebied rond de luchthaven. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de mate van
externe-veiligheidsrisico of geluidbelasting buiten het luchthavengebied
bepaald die vaststelling van gevolgen voor de ruimtelijke indeling van
het gebied rond de luchthaven noodzakelijk maakt. Daarbij kan worden
bepaald dat voor daarbij te omschrijven luchthavens in elk geval kan
worden volstaan met de vaststelling van een luchthavenregeling. De
voordracht voor een krachtens dit lid vast te stellen algemene maatregel
van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp
aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
4. Het is de exploitant van een overige burgerluchthaven waarvoor
vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist, verboden die
luchthaven in bedrijf te hebben indien hij niet beschikt over een geldig
veiligheidscertificaat. Bij algemene maatregel van bestuur kan dit
verbod van toepassing worden verklaard op burgerluchthavens waarvoor
vaststelling van een luchthavenregeling mogelijk is.
5. Voor een militaire luchthaven is een luchthavenbesluit of een
luchthavenregeling van kracht.
Titel 8.2. De luchthaven Schiphol
Afdeling 8.2.1. Algemeen
Artikel 8.1b
1. In deze titel wordt verstaan onder:
exploitant van de luchthaven: de N.V. Luchthaven Schiphol, of, indien
dit een ander is, de houder van de luchthavenexploitatievergunning;
gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een persoon of
rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een
luchtvaartmaatschappij;
inspecteur-generaal: de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en
Waterstaat;
luchthavenexploitatievergunning: de vergunning, bedoeld in artikel 8.25;
luchthavennetwerk: een groep luchthavens die als zodanig door de
lidstaat is aangewezen en die wordt geëxploiteerd door een en dezelfde
exploitant van de luchthaven;
raad: de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit,
bedoeld in artikel 2 van de Mededingingswet;
representatieve organisatie: een bij ministeriële regeling aangewezen
rechtspersoon die de belangen vertegenwoordigt van gebruikers.
2. In deze titel wordt onder bestemmingsplan mede verstaan een
inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van de Wet
ruimtelijke ordening.
Artikel 8.2
Deze titel is van toepassing ten aanzien van de luchthaven Schiphol.
Artikel 8.2a
1. De overheid bezit ten minste een meerderheid van het economisch en
juridisch belang in de exploitant van de luchthaven.
2. Onze Minister van Financiën wijst bij regeling een of meerdere
overheidsorganisaties aan ter voldoening van de in het eerste lid
genoemde eis.
3. De krachtens het tweede lid vast te stellen regeling heeft in ieder
geval betrekking op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de in
het eerste lid genoemde eis en de wijze waarop de overheid in
gezamenlijkheid blijvend invulling geeft aan de continuïteit van de
Mainport.
4. Het voorstel voor de krachtens het tweede lid vast te stellen
regeling wordt gedaan door Onze Minister van Financiën in
overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en wordt
niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de Tweede Kamer
der Staten-Generaal is overgelegd.
5. Aan de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders van
de exploitant van de luchthaven zijn onderworpen de besluiten van het
bestuur van de exploitant van de luchthaven omtrent investeringen welke
een bedrag vereisen gelijk aan ten minste een tiende van het bedrag van
de activa volgens de geconsolideerde balans met toelichting volgens de
laatst vastgestelde jaarrekening van de exploitant van de luchthaven.
Artikel 8.3
De uitoefening van de bevoegdheden die voortvloeien uit deze titel is
gericht op het bevorderen van een optimaal gebruik van de luchthaven als
kwalitatief hoogwaardig knooppunt van nationaal en internationaal
luchtverkeer, met inachtneming van de grenzen die met het oog op de
veiligheid, de geluidbelasting, de lokale luchtverontreiniging en de
geurbelasting noodzakelijk zijn.
Afdeling 8.2. De ruimtelijke indeling van en rond de luchthaven
§ 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit
Artikel 8.4
Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de luchthaven een
luchthavenindelingbesluit vastgesteld.
Artikel 8.5
1. In het luchthavenindelingbesluit worden het luchthavengebied en het
beperkingengebied vastgesteld.
2. Als luchthavengebied wordt het gebied vastgesteld dat bestemd is voor
gebruik als luchthaven.
3. Als beperkingengebied wordt het gebied vastgesteld waar in verband
met de nabijheid van de luchthaven met het oog op de veiligheid en de
geluidbelasting beperkingen noodzakelijk zijn ten aanzien van de
bestemming of het gebruik van de grond.
4. Het luchthavengebied en het beperkingengebied overlappen elkaar niet.
De gebieden kunnen bestaan uit niet aaneengesloten delen.
5. De gebieden worden vastgesteld met behulp van kaarten waarop de
ligging van de gebieden is aangegeven. De kaarten voor het
luchthavengebied worden vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 10
000. De kaarten voor het beperkingengebied worden vervaardigd op een
schaal van ten minste 1 op 50 000. Zo nodig worden delen van de gebieden
vastgelegd met behulp van kaarten op een schaal met een kleiner
verhoudingsgetal.
6. Bij de vaststelling van het luchthavenindelingsbesluit wordt gebruik
gemaakt van:
a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop
gebaseerde onderzoeken,
b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer
bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en
c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna
en daarop gebaseerde onderzoeken, die ten grondslag hebben gelegen aan
het ontwerp-besluit, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin
de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij
de vaststelling van het luchthavenindelingsbesluit ouder zijn dan twee
jaar, het luchthavenindelingsbesluit een motivering van de actualiteit
van die rapporten bevat.
Artikel 8.6
Het luchthavenindelingbesluit bevat voor het luchthavengebied regels
omtrent de bestemming en het gebruik van de grond voor zover die regels
noodzakelijk zijn met het oog op het gebruik van het gebied als
luchthaven.
Artikel 8.7
1. Het luchthavenindelingbesluit bevat voor het beperkingengebied regels
waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de bestemming en het
gebruik van de grond voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met
het oog op de veiligheid en de geluidbelasting in verband met de
nabijheid van de luchthaven.
2. Het besluit bevat in ieder geval regels omtrent beperking van:
a. de bestemming en het gebruik van grond in verband met het
externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer;
b. de bestemming en het gebruik van grond in verband met de
geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer;
c. de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband
met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer;
d. een bestemming die, of van een gebruik dat, vogels aantrekt, in
verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer.
3. Bij de regels, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, worden
in ieder geval gronden aangewezen die niet bestemd of gebruikt worden
voor woningen of andere in het besluit aangewezen gebouwen.
4. Elk besluit, volgend op het eerste luchthavenindelingbesluit, biedt
een beschermingsniveau ten aanzien van externe veiligheid en
geluidbelasting, dat voor ieder van deze aspecten, gemiddeld op
jaarbasis vastgesteld, per saldo gelijkwaardig is aan of beter is dan
het niveau zoals dat geboden werd door het eerste besluit.
Artikel 8.8
1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of de beheersverordening,
bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening voor een gebied
dat is gelegen binnen het luchthavengebied of het beperkingengebied,
wordt het luchthavenindelingbesluit in acht genomen.
2. Voor het gebied dat ligt binnen het luchthavengebied of het
beperkingengebied, waarvoor geen bestemmingsplan of beheersverordening
geldt dat in overeenstemming is met het besluit, geldt het besluit als
een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet
ruimtelijke ordening. Voor zover het besluit geldt als
voorbereidingsbesluit, is artikel 3.7, vijfde lid, van die wet niet van
toepassing.
3. De gemeenteraad is verplicht binnen een jaar nadat het besluit in
werking is getreden het bestemmingsplan of de beheersverordening
overeenkomstig het besluit vast te stellen.
4. Indien een bestemmingsplan of een beheersverordening niet in
overeenstemming is met het besluit, is het college van burgemeester en
wethouders verplicht aan degenen die inzage verlangen in het
bestemmingsplan of de beheersverordening, tevens inzage te verlenen in
het besluit.
Artikel 8.9
1. Bij de verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing
van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° of 3°, of 2.12, tweede
lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het geldende
bestemmingsplan wordt afgeweken en bij de toepassing van artikel 3.3,
derde lid, van die wet wordt het luchthavenindelingbesluit in acht
genomen.
2. In afwijking van artikel 3.3, tweede lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht duurt de in die artikelen bedoelde aanhouding
totdat een bestemmingsplan dat in overeenstemming is met het besluit in
werking is getreden.
3. Bij de toepassing van de artikelen, genoemd in het eerste lid, kan
van het besluit worden afgeweken indien van Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de verklaring is ontvangen dat hij
tegen de afwijking geen bezwaar heeft.
4. De verklaring van geen bezwaar die betrekking heeft op het
luchthavengebied kan worden geweigerd met het oog op het gebruik van het
gebied als luchthaven.
5. De verklaring van geen bezwaar die betrekking heeft op het
beperkingengebied kan worden geweigerd met het oog op de veiligheid en
de geluidbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven.
Artikel 8.10
Voor zover het ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in
de uitvoering van het luchthavenindelingbesluit is artikel 3.8, eerste
lid, onderdeel d, van de Wet ruimtelijke ordening niet van toepassing.
Artikel 8.11
Voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene
wet bestuursrecht worden een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in
artikel 8.9, derde lid, en het besluit waarop de verklaring betrekking
heeft als één besluit aangemerkt.
Artikel 8.12
1. Dit artikel is van toepassing op het oprichten of plaatsen van
objecten waar geen omgevingsvergunning voor een bouw- of
aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b,
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor is vereist.
2. Het is verboden een object op te richten of te plaatsen indien dit in
strijd is met een regel in het luchthavenindelingbesluit omtrent de
maximale hoogte van objecten.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing verlenen van
het verbod. De ontheffing wordt slechts geweigerd in het belang van de
veiligheid.
4. De ontheffing wordt voor een bepaalde periode verleend. Aan de
ontheffing kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden in het
belang van de veiligheid.
5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt regels omtrent de
vergoeding die de aanvrager van een ontheffing verschuldigd is voor de
kosten van het verlenen van de ontheffing.
§ 8.2.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit
Artikel 8.13
De voordracht voor een luchthavenindelingbesluit wordt niet gedaan dan
nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder
de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de
bekendmaking is geschiedt, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat te brengen. Gelijktijdig met de
bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal
overgelegd.
Artikel 8.14
Artikel 8.13 is van overeenkomstige toepassing op het wijzigen van het
luchthavenindelingbesluit.
Afdeling 8.3. Het luchthavenluchtverkeer
§ 8.3.1. Het luchthavenverkeerbesluit
Artikel 8.15
Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de luchthaven een
luchthavenverkeerbesluit vastgesteld.
Artikel 8.16
Het luchthavenverkeerbesluit bevat een beschrijving van de
luchtverkeerwegen.
Artikel 8.17
1. Het luchthavenverkeerbesluit bevat regels omtrent het
luchthavenluchtverkeer voor zover die regels noodzakelijk zijn met het
oog op de veiligheid, de geluidbelasting, de lokale luchtverontreiniging
en de geurbelasting.
2. Het besluit bevat in ieder geval regels omtrent:
a. de gevallen waarin van een luchtverkeerweg gebruik gemaakt wordt;
b. een op beperking van belasting gerichte wijze van gebruik van het
luchtruim in andere gevallen;
c. de beschikbaarheid van de luchthaven voor het luchthavenluchtverkeer.
3. Het besluit kan regels bevatten omtrent:
a. de wijze van gebruik van de luchtverkeerwegen;
b. de tijdstippen waarop, de frequentie waarmee en de categorieën van
luchtvaartuigen waarmee van het luchtruim gebruik gemaakt wordt.
4. De regels bevorderen het realiseren van een beschermingsniveau,
waarbij de in het besluit beschreven grenswaarden met betrekking tot de
door het luchthavenluchtverkeer veroorzaakte belasting ten aanzien van
veiligheid, geluid en lokale luchtverontreiniging niet worden
overschreden.
5. Het besluit bevat in ieder geval:
a. de grenswaarden voor het externe-veiligheidsrisico;
b. de grenswaarden voor de geluidbelasting, waarbij in ieder geval
punten in of aan de rand van woonbebouwing in de nabijheid van de
luchthaven bepaald worden met de grenswaarden die op ieder van die
punten van toepassing zijn;
c. de grenswaarden voor de emissie van de stoffen die lokale
luchtverontreiniging veroorzaken.
6. Het besluit kan ten aanzien van de in het tweede en derde lid
bedoelde onderwerpen, grenzen stellen aan de maatregelen die de
inspecteur-generaal op grond van artikel 8.22 kan treffen.
7. Elk besluit, volgend op het eerste luchthavenverkeerbesluit, biedt
een beschermingsniveau ten aanzien van externe veiligheid,
geluidbelasting en lokale luchtverontreiniging, dat voor ieder van deze
aspecten, gemiddeld op jaarbasis vastgesteld, per saldo gelijkwaardig is
aan of beter is dan het niveau zoals dat geboden werd door het eerste
besluit.
8. Bij de vaststelling van het luchthavenverkeersbesluit wordt gebruik
gemaakt van:
a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop
gebaseerde onderzoeken,
b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer
bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en
c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna
en daarop gebaseerde onderzoeken, die ten grondslag hebben gelegen aan
het ontwerp-besluit, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin
de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij
de vaststelling van het luchthavenverkeersbesluit ouder zijn dan twee
jaar, het luchthavenverkeersbesluit een motivering van de actualiteit
van die rapporten bevat.
Artikel 8.18
De exploitant van de luchthaven, de verlener van luchtverkeersdiensten
en de luchtvaartmaatschappijen bevorderen het goede verloop van het
luchthavenluchtverkeer overeenkomstig het luchthavenverkeerbesluit. Zij
treffen daartoe zelf en in onderlinge samenwerking de voorzieningen die
redelijkerwijs van hen kunnen worden gevergd om te bewerkstelligen dat
de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer de in artikel 8.17,
vierde lid, bedoelde grenswaarden niet overschrijdt.
Artikel 8.19
De exploitant van de luchthaven stelt de luchthaven beschikbaar
overeenkomstig de regels van het luchthavenverkeerbesluit. De exploitant
kan hiervan afwijken als dit in het belang van de veiligheid nodig is.
Artikel 8.20
Luchtverkeersdiensten worden verleend overeenkomstig de regels van het
luchthavenverkeerbesluit. De verlener van de luchtverkeersdiensten kan
hiervan afwijken als dit in het belang van de veiligheid nodig is.
Artikel 8.21
1. De gezagvoerder neemt deel aan het luchthavenluchtverkeer
overeenkomstig de regels van het luchthavenverkeerbesluit.
2. De gezagvoerder kan afwijken van het eerste lid op advies van de
verlener van luchtverkeersdiensten.
3. De gezagvoerder kan afwijken van het eerste lid als dit in het belang
van de veiligheid nodig is.
Artikel 8.22
1. Zodra de inspecteur-generaal constateert dat de in artikel 8.17,
vierde lid, bedoelde grenswaarden zijn overschreden, schrijft hij
maatregelen voor die naar zijn oordeel bijdragen aan het terugdringen
van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de
grenswaarden.
2. De maatregelen hebben betrekking op de in artikel 8.17, tweede en
derde lid, bedoelde onderwerpen en vallen binnen de in artikel 8.17,
zesde lid, bedoelde grenzen.
3. De inspecteur-generaal trekt de maatregelen in of matigt deze voor
zover zij naar zijn oordeel niet langer nodig zijn voor het terugdringen
van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de
grenswaarden.
4. Voordat de inspecteur-generaal een maatregel voorschrijft stelt hij
degene tot wie de maatregel is gericht in de gelegenheid zijn zienswijze
kenbaar te maken.
5. De artikelen 8.18 tot en met 8.21 zijn van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van de voorgeschreven maatregelen.
Artikel 8.23
1. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in
overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer, kan indien ten gevolge van groot onderhoud van
een baan het normale gebruik van een luchthaven naar hun oordeel ernstig
wordt belemmerd:
a. vrijstelling worden verleend van een regel in het
luchthavenverkeerbesluit;
b. een in het luchthavenverkeerbesluit vastgelegde grenswaarde voor de
geluidbelasting in een bepaald punt worden vervangen door een andere
grenswaarde.
2. Een vrijstelling kan slechts worden verleend voor een bepaalde in de
vrijstelling vast te stellen termijn van ten hoogste een jaar.
3. Aan een vrijstelling kunnen beperkingen en voorschriften worden
verbonden met het oog op de veiligheid, de geluidbelasting, de lokale
luchtverontreiniging en de geurbelasting. De artikelen 8.18 tot en met
8.21 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de beperkingen
en voorschriften.
4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een
vervanging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan, in overeenstemming met
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer, indien ten gevolge van een bijzonder voorval het normale
gebruik van een luchthaven naar hun oordeel ernstig wordt belemmerd
vrijstelling verlenen van een regel in het luchthavenverkeerbesluit of
een in het luchthavenverkeerbesluit vastgelegde grenswaarde vervangen.
Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.23a
1. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in
overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer, kan worden bepaald dat bij wijze van
experiment wordt afgeweken van krachtens artikel 8.15 gestelde
voorschriften, mits de commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol,
bedoeld in artikel 8.34 of een ander bij ministeriële regeling aan te
wijzen regionaal orgaan, bij advies heeft aangegeven dat het experiment
een gunstig effect kan hebben op de hinderbeleving. De afwijking kan
bestaan uit:
a. het verlenen van vrijstelling van een regel in het
luchthavenverkeerbesluit voorzover deze de luchtverkeerwegen of het
gebruik van het luchtruim en de beschikbaarheid van de banen betreft, of
b. het vervangen van een in het luchthavenverkeerbesluit vastgelegde
grenswaarde voor de geluidbelasting in een bepaald punt door een andere
grenswaarde.
2. In de ministeriële regeling wordt het doel van het experiment
vastgesteld, alsmede op welke wijze van welke voorschriften wordt
afgeweken en op welke wijze eventuele nadelige gevolgen zo veel mogelijk
worden beperkt.
3. In de ministeriële regeling kan worden bepaald in hoeverre, op welke
wijze en door wie eventuele nadelige gevolgen worden gecompenseerd. In
dat geval is artikel 8.31 niet van toepassing.
4. Tevens worden in de ministeriële regeling regels gesteld over de
uitvoering en de gevolgen van het experiment, over criteria aan de hand
waarvan kan worden bepaald of het experiment wordt omgezet in een
structurele wettelijke regeling, en worden voorzieningen getroffen voor
onvoorziene gevallen die zich gedurende het experiment kunnen voordoen.
5. Een experiment kan slechts worden toegestaan voor een bepaalde in de
ministeriële regeling vast te stellen termijn van ten hoogste een jaar.
Deze termijn kan eenmaal met maximaal een jaar worden verlengd. De
looptijd van een experiment sluit zoveel mogelijk aan bij een
gebruiksjaar. Bij voortijdige beëindiging van het experiment stelt Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, een
overgangsregeling vast.
6. Indien voor afloop van een experiment en in overeenstemming met de
artikelen 8.13, 8.14 of 8.24 een ontwerp is bekendgemaakt om het
experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan bij
ministeriële regeling de termijn van het experiment worden verlengd tot
het tijdstip waarop het ontwerp is vastgesteld en in werking treedt.
7. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zendt, in overeenstemming met
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer, voldoende tijdig voor het einde van de werkingsduur van
een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van
het experiment in de praktijk, alsmede een standpunt inzake de
voortzetting ervan anders dan als experiment. Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkhuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bericht de beide kamers der
Staten-Generaal bij vaststelling van deze ministeriële regeling wanneer
en over de wijze waarop hij verslag zal doen.
8. Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt niet
eerder vastgesteld dan nadat het voorstel voor advies is voorgelegd aan
de commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in artikel
8.34, in de Staatscourant en in een regionaal dag-, nieuws-, of
huis-aan-huisblad is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is
geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is
geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat te brengen.
9. De commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in
artikel 8.34, danwel een ander per ministeriële regeling aan te wijzen
orgaan, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verzoeken om een
ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid vast te stellen.
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
overweegt het verzoek en deelt uiterlijk zes weken na ontvangst van het
verzoek zijn overwegingen, met redenen omkleed, aan de commissie en aan
de Tweede Kamer der Staten-Generaal mee.
§ 8.3.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit
Artikel 8.24
De artikelen 8.13 en 8.14 zijn van overeenkomstige toepassing op het
voorbereiden en het wijzigen van het luchthavenverkeerbesluit.
Afdeling 8.4. De exploitatie van de luchthaven
Artikel 8.24a
1. De exploitant van de luchthaven is verplicht om met inachtneming van
de bij of krachtens deze wet of de Luchtvaartwet gestelde bepalingen,
luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de burgerluchtvaart op de
luchthaven toe te laten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op circuitvluchten,
oefenvluchten en proefvluchten.
3. De exploitant is verplicht om in door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen
gevallen met inachtneming van de bij of krachtens deze wet of de
Luchtvaartwet gestelde bepalingen, luchthavenluchtverkeer ten behoeve
van de militaire luchtvaart op de luchthaven toe te laten.
Artikel 8.25
1. Het is verboden de luchthaven te exploiteren zonder vergunning van
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
2. Een luchthavenexploitatievergunning wordt verleend voor onbepaalde
tijd.
Artikel 8.25a
De exploitant van de luchthaven is verplicht tot exploitatie van de
luchthaven en treft met inachtneming van artikel 8.3 daartoe de
voorzieningen die nodig zijn voor een goede afwikkeling van het
luchthavenluchtverkeer en het daarmee samenhangende personen- en
goederenvervoer op de luchthaven.
Artikel 8.25b
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een vergunning intrekken
indien:
a. de exploitant van de luchthaven zich schuldig maakt aan wanbeheer
waardoor de continuïteit van de luchthaven in gevaar wordt gebracht;
b. het nationale ruimtelijke beleid niet langer voorziet in een
luchthaven op de desbetreffende locatie.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag van de
exploitant van de luchthaven de vergunning intrekken indien het algemeen
belang zich niet tegen die intrekking verzet.
Artikel 8.25c
Indien een ernstig vermoeden bestaat dat een omstandigheid als bedoeld
inartikel 8.25b, onderdeel a, zich dreigt voor te doen, kan Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat de exploitant van de luchthaven een
aanwijzing geven om binnen een door hem te stellen termijn maatregelen
te treffen ter voorkoming van wanbeheer.
Artikel 8.25d
1. De exploitant van de luchthaven stelt ten minste eenmaal per jaar de
tarieven en voorwaarden vast voor de activiteiten van de exploitant van
de luchthaven ten behoeve van het gebruik van de luchthaven door
gebruikers. De exploitant van de luchthaven doet voorafgaande aan de
periode waarop de tarieven en voorwaarden betrekking hebben, mededeling
van de tarieven en voorwaarden.
2. De tarieven en voorwaarden zijn redelijk en non-discriminatoir.
3. De tarieven kunnen worden gedifferentieerd uit een oogpunt van
algemeen belang, met inbegrip van de bescherming van het milieu. De
criteria voor deze tariefsdifferentiatie dienen differentiatie te kunnen
rechtvaardigen en zijn objectief en transparant.
4. De tarieven voor de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, zijn
voor het geheel van de activiteiten kostengeoriënteerd.
5. Onverminderd het vierde lid, zijn de tarieven voor de beveiliging van
passagiers en hun bagage, alsmede vracht voor het geheel van de
beveiligingsactiviteiten kostengeoriënteerd.
6. Bij de vaststelling van de tarieven neemt de exploitant van de
luchthaven de toegerekende opbrengsten in aanmerking uit overige
activiteiten van de exploitant van de luchthaven die rechtstreeks
verband houden met de activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
7. Bij de vaststelling van de tarieven neemt de exploitant van de
luchthaven de kosten in aanmerking van structurele maatregelen voor de
uitvoering van een bijzondere aanwijzing van Onze Minister van Justitie,
bedoeld in artikel 37ac, tweede lid, van de Luchtvaartwet, voor zover
die maatregelen betrekking hebben op de beveiliging van passagiers en
hun bagage.
8. Bij de vaststelling van de tarieven kan, in afwijking van het vierde
en vijfde lid, de exploitant van de luchthaven een bijdrage uit andere
activiteiten dan die, bedoeld in het eerste en zesde lid, in aanmerking
nemen.
9. Bij de vaststelling van de tarieven wordt de bijdrage, bedoeld in het
achtste lid, naar rato van de kosten toegerekend aan de activiteiten
voor de beveiliging van passagiers en hun bagage, bedoeld in het vijfde
lid, en de overige activiteiten ten behoeve van het gebruik van de
luchthaven door gebruikers, bedoeld in het zesde lid.
10. De exploitant van de luchthaven verrekent bij de vaststelling van de
tarieven, nadat deze zijn bepaald met inachtneming van het tweede tot en
met negende lid, het verschil tussen de geraamde en de werkelijke
opbrengsten en kosten in verband met de prognoses en de realisatie van
het volume van het luchthavenluchtverkeer, het vervoer van passagiers en
vracht en van de uitvoering van investeringen, zoals volgt uit de
financiële verantwoording over het aan het moment van vaststelling van
de tarieven voorafgaande boekjaar.
11. Bij de vaststelling van het tarief voor de beveiliging van
passagiers en hun bagage, nadat deze is bepaald met inachtneming van het
tweede tot en met negende lid, verrekent de exploitant van de luchthaven
de extra opbrengst voor de beveiliging van passagiers en hun bagage die
is verkregen nadat een structurele maatregel als bedoeld in het zevende
lid, is ingetrokken, en het tarief voor de beveiliging van passagiers en
hun bagage nog niet dienovereenkomstig is aangepast.
12. De exploitant van de luchthaven hanteert de tarieven en voorwaarden
die ingevolge het eerste lid zijn vastgesteld, gedurende de periode
waarop de vaststelling van de tarieven en voorwaarden betrekking heeft.
13. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent:
a. de activiteiten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven door
gebruikers waarvoor tarieven en voorwaarden als bedoeld in het eerste
lid, worden vastgesteld;
b. de activiteiten, bedoeld in het zesde lid, die rechtstreeks verband
houden met de activiteiten ten behoeve van het gebruik van de
luchthaven, bedoeld in het eerste lid;
c. de wijze en het tijdstip waarop de mededeling, bedoeld in het eerste
lid, plaatsvindt;
d. de kostenoriëntatie, bedoeld in het vierde en vijfde lid;
e. het tijdstip van vaststelling en inwerkingtreding van de tarieven en
voorwaarden;
f. de wijze waarop de exploitant van de luchthaven, zonodig in afwijking
van de regels, bedoeld in onderdeel e, uitvoering geeft aan het zevende
lid.
14. De voordracht voor een krachtens het dertiende lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 8.25da
1. Onze minister van Verkeer en Waterstaat kan een groep luchthavens die
wordt geëxploiteerd door de exploitant van de luchthaven of, indien dit
een ander is, een en dezelfde houder van de
luchthavenexploitatievergunning, aanwijzen als luchthavennetwerk.
2. Onze minister van Verkeer en Waterstaat kan de exploitant van het
luchthavennetwerk toestemming verlenen om een gemeenschappelijk,
transparant systeem van tarieven vast te stellen voor het gehele
luchthavennetwerk.
3. Onze minister van Verkeer en Waterstaat kan de exploitant van de
luchthaven en de exploitant van elke deelnemende overige
burgerluchthaven, voor zover zij luchtverbindingen voor dezelfde stad of
agglomeratie verzorgen, toestemming verlenen om een gemeenschappelijk,
transparant systeem van tarieven vast te stellen voor alle luchthavens
die de luchtverbindingen voor dezelfde stad of agglomeratie verzorgen.
4. In geval van een gemeenschappelijk, transparant systeem van tarieven,
als bedoeld in het tweede of derde lid, doet de exploitant van de
luchthaven aan de gebruikers mededeling van een voorstel voor de
tarieven en voorwaarden en stelt hij de tarieven en voorwaarden vast
voor de luchthaven Schiphol overeenkomstig de artikelen 8.25d tot en met
8.25i. De exploitant van elke deelnemende overige burgerluchthaven doet
aan de gebruikers mededeling van een voorstel en stelt de tarieven vast
overeenkomstig de artikelen 8.25d, eerste, tweede, zesde en tiende lid,
8.25e, 8.25f, 8.25h, 8.25i en 8.25j. De exploitant en de deelnemende
overige burgerluchthavens dragen zorg voor de noodzakelijke onderlinge
afstemming.
5. In het geval dat een overige burgerluchthaven de drempelwaarde van
vijf miljoen passagiersbewegingen overschrijdt, doet de exploitant van
deze luchthaven aan de gebruikers mededeling van een voorstel voor de
tarieven en voorwaarden en stelt hij de tarieven en voorwaarden vast
overeenkomstig de artikelen 8.25d, eerste, tweede, zesde en tiende
lid,8.25e, 8.25f, 8.25h, 8.25i en8.25j.
Artikel 8.25e
1. Voorafgaand aan de vaststelling van de tarieven en voorwaarden,
bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid, doet de exploitant van de
luchthaven aan de gebruikers van de luchthaven en representatieve
organisaties mededeling van een voorstel van deze tarieven en
voorwaarden met een omschrijving van de daarvoor te leveren diensten,
alsmede een toelichting, inhoudende een economische onderbouwing en een
omschrijving, aan de hand van indicatoren, van het kwaliteitsniveau van
de aangeboden diensten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven.
2. Voorafgaand aan het voorstel voor de vaststelling van de tarieven en
voorwaarden, bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid, verstrekken de
gebruikers aan de exploitant de bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur voorgeschreven informatie.
3. De exploitant van de luchthaven raadpleegt de gebruikers van de
luchthaven en representatieve organisaties over het voorstel, bedoeld in
het eerste lid, alvorens de tarieven en voorwaarden vast te stellen.
4. De exploitant van de luchthaven houdt bij de vaststelling van de
tarieven en voorwaarden rekening met de zienswijze van de gebruikers van
de luchthaven en van representatieve organisaties naar aanleiding van de
raadpleging, bedoeld in het derde lid, en motiveert bij de vaststelling
van de tarieven en voorwaarden zijn overwegingen omtrent de ingebrachte
zienswijzen.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent:
a. de wijze en het tijdstip waarop de mededeling, bedoeld in het eerste
lid, plaatsvindt;
b. de wijze waarop de raadpleging, bedoeld in het derde lid,
plaatsvindt;
c. de indicatoren, bedoeld in het eerste lid;
d. de gegevens die door de exploitant van de luchthaven moeten worden
opgenomen in het voorstel voor de tarieven en voorwaarden, bedoeld in
het eerste lid, en de daarbij behorende toelichting.
6. De op basis van dit artikel door de exploitant aan de gebruikers van
de luchthaven verstrekte informatie dient door de gebruikers te worden
beschouwd en behandeld als bedrijfsvertrouwelijk of economisch gevoelig.
De op basis van dit artikel door de gebruikers van de luchthaven aan de
exploitant verstrekte informatie dient door de exploitant evenzeer te
worden beschouwd en behandeld als bedrijfsvertrouwelijk of economisch
gevoelig en mag door de exploitant bovendien niet in een tot een
gebruiker herleidbare vorm in het voorstel worden verwerkt.
Artikel 8.25ea
1. Gebruikers van de luchthaven die gebruik wensen te maken van diensten
op maat of specifiek voor hen gereserveerde terminals of delen van
terminals, kunnen een verzoek daartoe richten aan de exploitant.
2. De exploitant van de luchthaven stelt relevante, objectieve,
transparante en non-discriminatoire criteria vast, op basis waarvan een
verzoek van gebruikers van de luchthaven wordt beoordeeld.
3. Naast de criteria, bedoeld in het tweede lid, kan de exploitant van
de luchthaven aanvullende criteria hanteren indien de inhoud van het
verzoek daartoe noodzaakt. De aanvullende criteria voldoen aan dezelfde
eisen als de criteria bedoeld in het tweede lid.
4. Indien binnen vier weken nadat de exploitant van de luchthaven heeft
beslist op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, daartoe een
aanvraag van een gebruiker is ingediend, stelt de raad vast of de
beslissing van de exploitant in strijd is met bij of krachtens deze wet
gestelde regels. De raad geeft zijn oordeel binnen drie maanden. Indien
de raad vaststelt dat de beslissing in strijd is met bij of krachtens
deze wet gestelde regels, deelt hij dit terstond mede aan de exploitant
van de luchthaven. De exploitant van de luchthaven neemt binnen vier
weken een nieuwe beslissing op het verzoek met inachtneming van de
overwegingen van de raad.
Artikel 8.25f
1. Indien binnen vier weken na de mededeling, bedoeld in artikel 8.25d,
eerste lid, van de vaststelling van de tarieven en voorwaarden bij de
raad een aanvraag van een gebruiker of van een representatieve
organisatie is ingediend tot vaststelling of de tarieven en voorwaarden
in strijd zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels, treden de
tarieven en voorwaarden op de voorgenomen ingangsdatum niet in werking.
De raad deelt de exploitant van de luchthaven terstond mede dat een
aanvraag van een gebruiker of van een representatieve organisatie is
ontvangen.
2. De raad neemt binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag een
besluit omtrent de inwerkingtreding van de door de exploitant
vastgestelde tarieven en voorwaarden. De raad wijst daarbij de tarieven
en voorwaarden aan waarvoor, gelet op de aanvraag, de in het eerste lid
bedoelde opschorting van de inwerkingtreding noodzakelijk blijft. In
plaats van deze aangewezen tarieven en voorwaarden hanteert de
exploitant de tarieven en voorwaarden die golden in de periode
voorafgaand aan de periode waarvoor de aangewezen tarieven en
voorwaarden waren vastgesteld. De tarieven en voorwaarden die niet zijn
aangewezen, treden op de door de exploitant voorgenomen ingangsdatum in
werking. Het nemen van een besluit als bedoeld in de eerste volzin,
blijft achterwege indien binnen de daarin genoemde termijn een besluit
over de aanvraag kan worden genomen.
3. De raad beslist zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier
maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan in uitzonderlijke
gevallen met twee maanden worden verlengd. De raad doet de aanvrager
voor het einde van de in de eerste volzin bedoelde termijn met redenen
omkleed mededeling van de verlenging.
4. Indien de raad vaststelt dat de tarieven en voorwaarden in strijd
zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels, deelt hij dit
terstond mede aan de exploitant van de luchthaven. De exploitant van de
luchthaven stelt opnieuw de tarieven en voorwaarden vast met
inachtneming van de overwegingen van de raad. Nadat de tarieven en
voorwaarden opnieuw zijn vastgesteld, trekt de raad het besluit omtrent
de inwerkingtreding bedoeld in het tweede lid in. De opnieuw
vastgestelde tarieven en voorwaarden gelden vanaf de door de exploitant
oorspronkelijk voorgenomen ingangsdatum.
5. Indien de raad heeft vastgesteld dat de tarieven en voorwaarden niet
in strijd zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels, trekt hij
het besluit omtrent de inwerkingtreding bedoeld in het tweede lid in, en
gelden deze tarieven en voorwaarden vanaf de door de exploitant
oorspronkelijk voorgenomen ingangsdatum.
6. Eventuele verschillen in tarieven, voortvloeiende uit beslissingen
van de raad als bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid, worden
vereffend bij de hernieuwde vaststelling van de tarieven en voorwaarden.
7. Het eerste lid en artikel 8.25e zijn niet van toepassing op de
vaststelling van tarieven en voorwaarden als bedoeld in het vierde lid.
8. De exploitant van de luchthaven hanteert de ingevolge het vierde lid
vastgestelde tarieven en voorwaarden gedurende het resterende deel van
de periode waarvoor de tarieven en voorwaarden overeenkomstig artikel
8.25d, eerste lid, waren vastgesteld.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aan de raad en
omtrent de vaststelling van tarieven en voorwaarden, bedoeld in het
vierde lid.
Artikel 8.25g
1. De exploitant van de luchthaven stelt een toerekeningssysteem vast
voor de kosten en opbrengsten van de activiteiten, bedoeld in artikel
8.25d, eerste lid, dat voldoet aan de eisen van marktconformiteit,
proportionaliteit en integraliteit. De exploitant van de luchthaven legt
het toerekeningssysteem ter goedkeuring voor aan de raad.
2. De exploitant van de luchthaven voert voor de activiteiten met
betrekking tot het gebruik van de luchthaven door gebruikers een
gescheiden administratie binnen de boekhouding, waarbinnen de kosten en
opbrengsten van de uitvoering van de beveiliging van passagiers en hun
bagage, bedoeld in artikel 8.25d, vijfde lid, afzonderlijk worden
geadministreerd.
3. Op grond van de gescheiden administratie binnen de boekhouding,
bedoeld in het tweede lid, stelt de exploitant van de luchthaven
jaarlijks een financiële verantwoording op over het voorafgaande
boekjaar, die bestaat uit een afzonderlijke exploitatierekening en een
overzicht van de toegedeelde materiële vaste activa voor het geheel van
de activiteiten, bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid. De financiële
verantwoording bevat een toelichting en is voorzien van een verklaring
van een onafhankelijke accountant.
4. De exploitant van de luchthaven legt binnen vijf maanden na afloop
van het boekjaar van de exploitant van de luchthaven de financiële
verantwoording over het voorafgaande boekjaar tezamen met de verklaring
van de onafhankelijke accountant, over aan de raad en de gebruikers die
daarom verzoeken.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent de inrichting en goedkeuring van het toerekeningssysteem,
bedoeld in het eerste lid, de toedeling van activa aan de activiteiten,
bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid, de inrichting van de gescheiden
administratie binnen de boekhouding, bedoeld in het tweede lid, en
omtrent de financiële verantwoording, bedoeld in het derde lid.
6. Op de voorbereiding van een besluit omtrent goedkeuring van het
toerekeningssysteem is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
van toepassing.
7. Onverminderd artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht, kunnen
de gebruikers van de luchthaven hun zienswijze naar voren brengen over
het voorgenomen besluit omtrent goedkeuring van het toerekeningssysteem.
8. De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan de beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 8.25ga
De exploitant van de luchthaven zendt de raad en de gebruikers binnen
vijf maanden na afloop van het boekjaar een rapportage omtrent het
gerealiseerde kwaliteitsniveau van de geleverde diensten ten behoeve van
het gebruik van de luchthaven, bedoeld in artikel 8.25e, eerste lid,
over het voorafgaande boekjaar, mede aan de hand van ervaringen van
passagiers. De rapportage omtrent het gerealiseerde kwaliteitsniveau
geschiedt aan de hand van de indicatoren, bedoeld inartikel 8.25e,
eerste lid.
Artikel 8.25h
1. De exploitant van de luchthaven zendt de raad een afschrift van de
mededeling, bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid, en van de mededeling,
bedoeld in artikel 8.25e, eerste lid.
2. De raad is bevoegd van de exploitant van de luchthaven alle
inlichtingen en gegevens te verlangen, die hij voor de uitoefening van
zijn taak op grond van deze wet redelijkerwijs nodig acht.
3. De exploitant van de luchthaven verleent binnen de door de raad
gestelde redelijke termijn alle medewerking die deze redelijkerwijs kan
verlangen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op grond van deze
wet. Artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Justitie
verstrekken de raad desgevraagd de inlichtingen en gegevens die deze
voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
5. De raad gebruikt de gegevens of inlichtingen die hij heeft verkregen
op grond van deze wet uitsluitend voor de uitoefening van zijn
bevoegdheden op grond van deze wet.
6. Ingeval van overtreding van het derde lid is hoofdstuk 8 van de
Mededingingswet, met uitzondering van de artikelen 71 tot en met 76 en
artikel 80, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.25ha [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 8.25i [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 8.25j
Een voordracht voor een algemene maatregel van bestuur op grond van
deartikelen 8.25d tot en met 8.25g wordt gedaan door Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van
Economische Zaken.
Afdeling 8.5. Informatievoorziening
§ 8.5.1. Algemeen
Artikel 8.26
Een ministeriële regeling op grond van deze afdeling wordt vastgesteld
door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
§ 8.5.2. Het registreren van het veiligheidsrisico en de
milieubelasting
Artikel 8.27
1. De exploitant van de luchthaven draagt zorg voor het registreren van
de veiligheids- en milieubelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer.
Hij verricht de metingen en berekeningen die voor die registratie
noodzakelijk zijn.
2. Het registreren wordt zodanig uitgevoerd dat een vergelijking
mogelijk is met de in artikel 8.17, vierde lid, bedoelde grenswaarden.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent het
registreren en omtrent de metingen en berekeningen die daartoe
noodzakelijk zijn.
§ 8.5.3. Gegevensverstrekking, verslaglegging en openbaarmaking
Artikel 8.28
1. De exploitant van de luchthaven verstrekt de inspecteur-generaal:
a. de op grond van artikel 8.27 geregistreerde gegevens;
b. gegevens over de in artikel 8.27 bedoelde metingen en berekeningen.
2. De exploitant, de verlener van luchtverkeersdiensten en de
luchtvaartmaatschappijen verstrekken de inspecteur-generaal gegevens
over de ter uitvoering van artikel 8.18 getroffen voorzieningen.
3. De exploitant verstrekt de inspecteur-generaal gegevens over de
afwijkingen, bedoeld in artikel 8.19. De verlener van
luchtverkeersdiensten verstrekt de inspecteur-generaal gegevens over de
afwijkingen, bedoeld in de artikelen 8.20 en 8.21.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de
gegevensverstrekking.
Artikel 8.29
1. De inspecteur-generaal brengt elk half jaar aan Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat en aan Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer verslag uit over de veiligheids- en
milieuaspecten van het luchthavenluchtverkeer. Het verslag bevat ten
minste een beschrijving van:
a. de ter uitvoering van artikel 8.18 getroffen voorzieningen en van de
doelmatigheid en doeltreffendheid van die voorzieningen;
b. de ter uitvoering van artikel 8.22 getroffen maatregelen en van de
doelmatigheid en de doeltreffendheid van die maatregelen.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de
verslaglegging.
Artikel 8.29a
1. De exploitant van de luchthaven brengt elke drie jaar, of zoveel
eerder als Onze Minister van Verkeer en Waterstaat nodig oordeelt, aan
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verslag uit over de exploitatie
van de luchthaven. Het verslag bevat ten minste een beschrijving van de
ter uitvoering van artikel 8.25a getroffen voorzieningen, een overzicht
van alle daartoe relevante gegevens en een beschrijving van de
doelmatigheid en doeltreffendheid van die voorzieningen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent de verslaggeving.
Artikel 8.30
1. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent het openbaar
maken van gegevens als bedoeld in artikel 8.28.
2. De openbaarmaking geschiedt door kennisgeving van de gegevens of van
de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of
een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte
wijze. Indien alleen van de zakelijke inhoud kennis wordt gegeven,
worden de gegevens tegelijk ter inzage gelegd. In de kennisgeving wordt
vermeld waar en wanneer de gegevens ter inzage liggen.
§ 8.5.4 [Vervallen per 01-11-2009]
Artikel 8.30a [Vervallen per 01-11-2009]
Artikel 8.30b [Vervallen per 01-11-2009]
Artikel 8.30c [Vervallen per 01-11-2009]
Artikel 8.30d [Vervallen per 01-11-2009]
Afdeling 8.6. Financiële aspecten
Artikel 8.31
1. Indien een belanghebbende ten gevolge van het
luchthavenindelingbesluit of het luchthavenverkeerbesluit schade lijdt
of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste
behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende
anderszins is verzekerd, kent Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
2. Een aanvraag om schadevergoeding wordt ingediend binnen vijf jaar
nadat de desbetreffende bepaling van het luchthavenindelingbesluit of
het luchthavenverkeerbesluit of het desbetreffende besluit op grond van
een van genoemde besluiten onherroepelijk is geworden. Van de aanvrager
heft Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een recht ten bedrage van€ 300.
De aanvrager wordt gewezen op de verschuldigdheid van het recht en wordt
medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van
verzending van de mededeling op de door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat aangegeven rekening moet zijn bijgeschreven. Indien het
bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven, wordt de aanvrager
niet ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden
geoordeeld dat de aanvrager in verzuim is geweest. Indien op de aanvraag
geheel of gedeeltelijk positief wordt beslist, stort Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat het betaalde recht terug.
3. Afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening blijft buiten toepassing
voor zover de belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep
doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8.32
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan in overeenstemming met Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een
regeling vaststellen inzake het treffen van geluidwerende voorzieningen
ten aanzien van in de regeling bepaalde woningen of andere
geluidsgevoelige gebouwen voor zover die gebouwen vanwege het
luchthavenluchtverkeer een geluidbelasting kunnen ondervinden die ligt
boven de in de regeling vastgestelde maximale waarden.
Artikel 8.33
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan regels stellen ten aanzien
van het verstrekken van geldelijke steun uit s Rijks kas aan gemeenten
ter bestrijding van de kosten ten gevolge van uitvoering van de in
overeenstemming met het luchthavenindelingbesluit gebrachte
bestemmingsplannen.
Afdeling 8.7. De commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol
Artikel 8.34
1. Er is een commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol.
2. De commissie bestaat uit een onafhankelijke voorzitter en
vertegenwoordigers van:
a. de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht;
b. gemeenten in de in onderdeel a genoemde provincies;
c. de exploitant van de luchthaven;
d. de verlener van luchtverkeersdienstverlening;
e. luchtvaartmaatschappijen die geregeld van de luchthaven gebruik
maken.
Artikel 8.35
De commissie heeft tot taak om door overleg tussen de in artikel 8.34
bedoelde betrokkenen een gebruik van de luchthaven te bevorderen dat
zoveel mogelijk recht doet aan de belangen van die betrokkenen.
Artikel 8.36
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt nadere regels omtrent de
taak en de samenstelling van de commissie. Daarbij wordt bepaald welke
in artikel 8.34, tweede lid, bedoelde gemeenten en
luchtvaartmaatschappijen in de commissie vertegenwoordigd zijn.
Artikel 8.37
1. De voorzitter van de commissie wordt door Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat benoemd, geschorst en ontslagen.
2. Elk ander lid wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de
voorzitter op voordracht van het orgaan of de organisatie die het lid
vertegenwoordigt.
3. De benoeming geschiedt voor ten hoogste vier jaren. Herbenoeming kan
telkens voor ten hoogste vier jaren plaatsvinden.
Artikel 8.38
De commissie stelt een bestuursreglement vast. Het reglement behoeft de
goedkeuring van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 8.39
De commissie heeft een secretariaat. De samenstelling en de
werkzaamheden van het secretariaat worden in het bestuursreglement
geregeld.
Artikel 8.40
Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de
commissie wordt in het bestuursreglement geregeld. De bescheiden worden
na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie opgeborgen in het
archief van het ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Titel 8.3. Luchthavens van regionale betekenis
Afdeling 8.3.1. Algemeen
Artikel 8.41
1. Deze titel is van toepassing op luchthavens van regionale betekenis.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, indien
bovenprovinciale belangen dit vorderen, regels worden gesteld ten
aanzien van de vorm van luchtvaart die in ieder geval toegang heeft tot
een luchthaven van regionale betekenis. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan tevens worden bepaald welke grenswaarden voor
de geluidbelasting voor dit luchthavenluchtverkeer ter beschikking
moeten worden gesteld.
3. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Afdeling 8.3.2. Luchthavens van regionale betekenis met
luchthavenbesluit
§ 8.3.2.1. Algemeen
Artikel 8.42
Deze afdeling is van toepassing op luchthavens van regionale betekenis
waarvoor op grond van artikel 8.1a, derde lid, vaststelling van een
luchthavenbesluit is vereist.
§ 8.3.2.2. Het luchthavenbesluit
Artikel 8.43
1. Provinciale staten stellen bij verordening voor de luchthaven een
luchthavenbesluit vast. Provinciale staten kunnen de bevoegdheid tot het
vaststellen van deze verordening niet overdragen als bedoeld in artikel
152 van de Provinciewet.
2. Een luchthavenbesluit bevat bepalingen omtrent:
a. het luchthavenluchtverkeer, en
b. de ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthaven.
3. Artikel 107 van de Provinciewet is niet van toepassing, tenzij op
grond van artikel 106 van de Wet gemeenschappelijke regelingen een
plusregio is ingesteld.
Artikel 8.44
1. Het luchthavenbesluit bevat ten aanzien van het
luchthavenluchtverkeer:
a. grenswaarden en regels voor zover deze noodzakelijk zijn met het oog
op de geluidbelasting, en
b. regels voor zover deze noodzakelijk zijn met het oog op de
vliegveiligheid.
2. Een luchthavenbesluit kan tevens regels of grenswaarden bevatten die
noodzakelijk zijn met het oog op het externe-veiligheidsrisico of de
lokale luchtverontreiniging.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent de in luchthavenbesluiten op te nemen grenswaarden en
regels. Deze maatregel stelt in ieder geval regels omtrent het opnemen
van grenswaarden voor de geluidbelasting. Bij deze maatregel kan een
onderscheid worden gemaakt tussen categorieën luchthavens en tussen
vormen van luchtvaart die gebruik maken van luchthavens.
4. Deartikelen 8.19 tot en met 8.21 zijn van overeenkomstige toepassing.
5. De voordracht voor een krachtens het derde lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
6. Bij de vaststelling van het luchthavenbesluit wordt gebruik gemaakt
van:
a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop
gebaseerde onderzoeken,
b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer
bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en
c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna
en daarop gebaseerde onderzoeken, die ten grondslag hebben gelegen aan
het ontwerp-besluit, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin
de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij
de vaststelling van het luchthavenbesluit ouder zijn dan twee jaar, het
luchthavenbesluit een motivering van de actualiteit van die rapporten
bevat.
Artikel 8.45
1. Zodra gedeputeerde staten constateren dat een in het
luchthavenbesluit opgenomen grenswaarde is overschreden, schrijven zij
maatregelen voor die naar hun oordeel bijdragen aan het terugdringen van
de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de grenswaarden.
2. Artikel 8.22, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing
met dien verstande dat gedeputeerde staten in de plaats treden van de
inspecteur-generaal. Artikel 8.44, vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de voorgeschreven maatregel.
Artikel 8.46
1. Gedeputeerde staten kunnen indien ten gevolge van groot onderhoud van
een baan of door een bijzonder voorval het normale gebruik van de
luchthaven naar hun oordeel ernstig wordt belemmerd:
a. vrijstelling verlenen van een regel in het luchthavenbesluit;
b. een in het luchthavenbesluit vastgelegde grenswaarde voor geluid
vervangen door een andere grenswaarde.
2. Aan een vrijstelling of vervanging kunnen beperkingen en
voorschriften worden verbonden met het oog op de geluidbelasting, het
externe-veiligheidsrisico, de vliegveiligheid of de lokale
luchtverontreiniging.
3. Artikel 8.23, tweede lid, is van toepassing. Artikel 8.44, vierde
lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de beperkingen en
voorschriften.
Artikel 8.47
1. In het luchthavenbesluit worden ten behoeve van de ruimtelijke
indeling van het gebied van en rond de luchthaven, het luchthavengebied
en het beperkingengebied vastgesteld.
2. Deartikelen 8.5, derde tot en met vijfde lid, 8.6, 8.7, eerste en
derde lid, 8.8, 8.9, 8.10, 8.11 en 8.12, eerste tot en met vierde lid,
zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de verklaring
van geen bezwaar, bedoeld in artikel 8.9, derde lid, respectievelijk de
ontheffing, bedoeld in artikel 8.12, derde lid, wordt verleend door
gedeputeerde staten.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent de in luchthavenbesluiten op te nemen regels omtrent de
vaststelling van het luchthavengebied en het beperkingengebied. Deze
maatregel stelt ten aanzien van het beperkingengebied in ieder geval
regels ten aanzien van:
a. de bestemming en het gebruik van grond in verband met het
externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer;
b. de bestemming en het gebruik van grond in verband met de
geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer;
c. de bestemming en het gebruik van de grond waaronder begrepen de
maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met de
vliegveiligheid.
4. De voordracht voor een krachtens het derde lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 8.47a
Provinciale staten nemen bij de vaststelling van het luchthavenbesluit
het beleid in acht dat door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat over
luchthavens is vastgelegd.
Artikel 8.48
Op de voorbereiding van een luchthavenbesluit of op de voorbereiding van
een wijziging van een luchthavenbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden
gebracht door een ieder.
Artikel 8.49
1. Een luchthavenbesluit of een wijziging van dit besluit treedt niet in
werking dan nadat Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heeft
verklaard dat het veilig gebruik van het luchtruim door het
luchthavenluchtverkeer is gewaarborgd. Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat beslist binnen negen weken na indiening van de aanvraag voor
deze verklaring veilig gebruik.
2. De afgifte van de verklaring van geen bezwaar op grond van artikel
8.9, derde lid, of de ontheffing op grond van artikel 8.12, derde lid,
geschiedt niet dan nadat Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heeft
verklaard dat het veilig gebruik van het luchtruim door deze verklaring
of ontheffing is gewaarborgd. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
beslist binnen vier weken na indiening van de aanvraag voor deze
verklaring veilig gebruik. Hij kan die beslissing eenmaal voor ten
hoogste vier weken verdagen.
3. De verklaring veilig gebruik, bedoeld in het tweede lid, is van
rechtswege verleend indien Onze Minister:
a. niet binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag een beslissing op
die aanvraag heeft genomen,
b. niet binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag heeft besloten de
beslissing op die aanvraag te verdagen, of
c. niet binnen de termijn waarmee de beslissing op de aanvraag is
verdaagd, een beslissing op die aanvraag heeft genomen.
4. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat worden
voorschriften gegeven omtrent de gegevens die bij een aanvraag voor een
verklaring van veilig gebruik moeten worden meegezonden.
Artikel 8.49a [Vervallen per 01-10-2012]
§ 8.3.2.3. Vaststellen routes in de nabijheid van de luchthaven
Artikel 8.50
Indien voor een luchthaven op grond van artikel 5.11, eerste lid,
onderdeel b, luchtverkeersroutes en -procedures worden vastgesteld,
geschiedt vaststelling van het deel van de luchtverkeersroutes die zijn
gelegen in het plaatselijk luchtverkeersleidinggebied, en vaststelling
van de luchtverkeersprocedures, in overeenstemming met gedeputeerde
staten. Bij de vaststelling van deze routes en procedures wordt het
advies van gedeputeerde staten gevolgd, tenzij dit niet mogelijk is met
het oog op de vliegveiligheid, de indeling van het luchtruim of de
capaciteit van het luchtruim.
§ 8.3.2.4. De toegang tot en de exploitatie van de luchthaven
Artikel 8.51
Artikel 8.24a is van toepassing met dien verstande dat voor de
toepassing van het derde lid gedeputeerde staten in de plaats treden van
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 8.52
1. De exploitant van een luchthaven is gerechtigd luchthavenluchtverkeer
ten behoeve van burgerluchtvaart op de luchthaven afhankelijk te stellen
van toestemming. De toestemming wordt alleen geweigerd om te voorkomen
dat de in het luchthavenbesluit opgenomen grenswaarden worden
overschreden.
2. Indien op de luchthaven luchtverkeersdienstverlening wordt gegeven
vindt afstemming plaats met de verlening van
luchtverkeersdienstverlening.
3. Indien de exploitant gebruik maakt van het recht, bedoeld in het
eerste lid, kan hij bij de vaststelling van tarieven voor de luchthaven
een opslagtarief vaststellen voor het geval een luchtvaartuig zonder
voorafgaande toestemming start of landt.
Artikel 8.53
Indien de exploitant van een luchthaven tarieven en voorwaarden
vaststelt voor het gebruik van de luchthaven zijn deze
non-discriminatoir.
§ 8.3.2.5. Informatievoorziening en gegevensverstrekking
Artikel 8.54
1. De exploitant van de luchthaven draagt zorg voor het registreren van
de milieubelasting en indien van toepassing het
externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer. Hij
verricht de berekeningen die voor die registratie noodzakelijk zijn. Het
registreren wordt zodanig uitgevoerd dat een vergelijking mogelijk is
met de in het luchthavenbesluit opgenomen grenswaarden.
2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen omtrent de
registratie en omtrent de berekeningen die daartoe noodzakelijk zijn.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent de registratie van de milieubelasting en indien van toepassing
het externe-veiligheidsrisico voor zover op grond van artikel 8.44,
derde lid, nadere regels zijn voorgeschreven. Hierbij worden tevens
regels voorgeschreven omtrent de berekeningen die daartoe noodzakelijk
zijn. De voordracht voor een krachtens de eerste volzin vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
4. De exploitant van de luchthaven verstrekt aan gedeputeerde staten:
a. de op grond van het eerste tot en met derde lid geregistreerde
gegevens;
b. gegevens over de in het eerste tot en met derde lid bedoelde
berekeningen.
Artikel 8.55
1. Gedeputeerde staten brengen ieder jaar aan provinciale staten verslag
uit over de milieuaspecten en indien van toepassing de
externe-veiligheidsaspecten vanwege het luchthavenluchtverkeer.
2. Deartikelen 8.29, tweede lid, en 8.30 zijn van overeenkomstige
toepassing.
§ 8.3.2.6. Financiële aspecten
Artikel 8.56
1. Indien een belanghebbende ten gevolge van een luchthavenbesluit
schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te
zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of
onvoldoende anderszins is verzekerd, kennen gedeputeerde staten hem op
aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
2. Deartikelen 8.31, tweede en derde lid, en 8.32 zijn van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat bij de toepassing van
artikel 8.31, tweede lid, gedeputeerde staten in de plaats treden van
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 8.57
Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen regels
worden gesteld ten aanzien van het verstrekken van geldelijke steun uit
de provinciale kas aan gemeenten ter bestrijding van de kosten ten
gevolge van uitvoering van in overeenstemming met het luchthavenbesluit
gebrachte bestemmingsplannen.
§ 8.3.2.7. Commissie regionaal overleg luchthaven
Artikel 8.58
1. Provinciale staten stellen voor iedere luchthaven een commissie
regionaal overleg luchthaven in. De artikelen 107 en 152 van de
Provinciewet zijn niet van toepassing.
2. De commissie bestaat uit een onafhankelijke voorzitter en in ieder
geval uit vertegenwoordigers van:
a. gemeenten waarin het beperkingengebied geheel of gedeeltelijk is
gelegen,
b. de exploitant van de luchthaven,
c. de verlener van luchtverkeersdienstverlening voor zover op de
luchthaven van toepassing, en
d. omwonenden van de luchthaven.
3. Onverminderd het tweede lid kan de commissie ook bestaan uit
vertegenwoordigers van rechtspersoonlijkheidbezittende
gebruikersorganisaties of milieuorganisaties.
Artikel 8.59
1. De commissie heeft tot taak om door overleg tussen de in artikel
8.58, tweede en derde lid, bedoelde betrokkenen een gebruik van de
luchthaven te bevorderen dat zoveel mogelijk recht doet aan de belangen
van die betrokkenen.
2. Provinciale staten stellen nadere regels vast omtrent de taak, de
samenstelling en de werkwijze van de commissie. Daarbij wordt in ieder
geval bepaald welke in artikel 8.58, tweede lid, onderdeel a, bedoelde
gemeenten in de commissie vertegenwoordigd zijn.
3. De voorzitter van de commissie wordt door provinciale staten benoemd,
geschorst en ontslagen.
4. Elk ander lid wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de
voorzitter op voordracht van het orgaan of de organisatie die het lid
vertegenwoordigt.
§ 8.3.2.8 [Vervallen per 01-10-2012]
Artikel 8.60 [Vervallen per 01-10-2012]
Artikel 8.61 [Vervallen per 01-10-2012]
§ 8.3.2.9. Bijzondere bepalingen in verband met gevolgen die een
provinciegrens overstijgen
Artikel 8.62
Indien een beperkingengebied als bedoeld inartikel 8.47, gedeeltelijk
valt binnen de grenzen van een andere provincie dan de provincie waarin
een luchthaven is gelegen, wordt het luchthavenbesluit vastgesteld in
overeenstemming met provinciale staten van de andere provincie.
Afdeling 8.3.3. Luchthavens van regionale betekenis met
luchthavenregeling
§ 8.3.3.1. Algemeen
Artikel 8.63
Deze afdeling is van toepassing op luchthavens van regionale betekenis
waarvoor op grond van artikel 8.1a, derde lid, vaststelling van een
luchthavenbesluit niet is vereist.
§ 8.3.3.2. Luchthavenregeling
Artikel 8.64
1. Provinciale staten stellen bij verordening een luchthavenregeling
vast voor een luchthaven. Provinciale staten kunnen de bevoegdheid tot
het vaststellen van deze verordening niet overdragen als bedoeld in
artikel 152 van de Provinciewet.
2. Een luchthavenregeling bevat regels omtrent het
luchthavenluchtverkeer voor zover die regels noodzakelijk zijn met het
oog op de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer. Een
luchthavenregeling kan tevens bevatten:
a. grenswaarden die noodzakelijk zijn met het oog op het
externe-veiligheidsrisico of de geluidbelasting; of
b. regels die noodzakelijk zijn met het oog op het
externe-veiligheidsrisico.
3. De in de luchthavenregeling opgenomen regels of grenswaarden
bevorderen in ieder geval dat niet wordt voldaan aan het criterium op
grond waarvan volgensartikel 8.1a, derde lid, vaststelling van een
luchthavenbesluit is vereist.
4. In een luchthavenregeling wordt het luchthavengebied vastgesteld. Het
luchthavengebied wordt vastgesteld met behulp van een kaart waarop de
ligging van dit gebied is aangegeven. Deze kaart wordt vervaardigd op
een schaal van ten minste 1 op 10 000.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld omtrent de in luchthavenregelingen op te nemen regels en
grenswaarden.
6. Deartikelen 8.19, 8.21, eerste en derde lid, 8.45, 8.46, 8.47a tot en
met 8.49 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 8.3.3.3. Informatievoorziening
Artikel 8.65
Deartikelen 8.54 en 8.55 zijn van toepassing.
§ 8.3.3.4. Commissie regionaal overleg luchthaven
Artikel 8.66
Indien provinciale staten voor een luchthaven een commissie regionaal
overleg luchthaven instellen, zijn de artikelen 8.58, tweede en derde
lid, en 8.59 van toepassing.
§ 8.3.3.5 [Vervallen per 01-10-2012]
Artikel 8.67 [Vervallen per 01-10-2012]
Titel 8.4. Luchthavens van nationale betekenis
Afdeling 8.4.1. Algemeen
Artikel 8.68
Deze titel is van toepassing op luchthavens die op grond van artikel
8.1, tweede lid, van nationale betekenis zijn.
Afdeling 8.4.2. Luchthavens van nationale betekenis met
luchthavenbesluit
§ 8.4.2.1. Algemeen
Artikel 8.69
Deze afdeling is van toepassing op luchthavens van nationale betekenis
waarvoor op grond van artikel 8.1a, derde lid, vaststelling van een
luchthavenbesluit is vereist.
§ 8.4.2.2. Het luchthavenbesluit
Artikel 8.70
1. Voor een luchthaven waarvan op grond van artikel 8.1, tweede lid, is
bepaald dat deze van nationale betekenis is, wordt het luchthavenbesluit
bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld.
2. Deartikelen 8.43, tweede lid, 8.44, eerste, tweede en vierde lid,
8.45,8.46 en 8.47, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige
toepassing met dien verstande dat voor de toepassing van de artikelen
8.45, eerste lid, en 8.46, eerste lid, Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat in de plaats treedt van gedeputeerde staten.
3. Het luchthavenbesluit bevat omtrent de ruimtelijke indeling van het
gebied van en rond de luchthaven in ieder geval regels ten aanzien van:
a. de bestemming en het gebruik van grond in verband met het
externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer;
b. de bestemming en het gebruik van grond in verband met de
geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer;
c. de bestemming en het gebruik van de grond waaronder begrepen de
maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met de
vliegveiligheid.
4. Bij het vaststellen van het luchthavenbesluit worden de nadere
regels, bedoeld in artikel 8.44, derde lid, en artikel 8.47, derde lid,
in acht genomen.
5. Bij de vaststelling van het luchthavenbesluit wordt gebruik gemaakt
van:
a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop
gebaseerde onderzoeken,
b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer
bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en
c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna
en daarop gebaseerde onderzoeken, die ten grondslag hebben gelegen aan
het ontwerp-besluit, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin
de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij
de vaststelling van het luchthavenbesluit ouder zijn dan twee jaar, het
luchthavenbesluit een motivering van de actualiteit van die rapporten
bevat.
6. Ten aanzien van de burgerluchthaven Twente wordt het
luchthavenbesluit of een wijziging daarvan, in afwijking van het eerste
lid, vastgesteld bij besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer. Artikel 8.71 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 8.71
De voordracht voor een luchthavenbesluit of de voordracht tot een
wijziging daarvan wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de
Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is
geboden om binnen zesweken na de dag waarop de bekendmaking is geschied,
wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het
ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
§ 8.4.2.3. Toegang tot en exploitatie van de luchthaven,
informatievoorziening, financiële aspecten
Artikel 8.72
1. Deartikelen 8.24a, 8.52, 8.53 en 8.54, eerste en vierde lid, zijn van
toepassing met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 8.54,
vierde lid, Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de plaats
treden van gedeputeerde staten.
2. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat worden, in
overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer, nadere regels gesteld omtrent het registreren
van de grenswaarden die in het luchthavenbesluit zijn opgenomen, omtrent
de berekeningen die daartoe noodzakelijk zijn en omtrent de
gegevensverstrekking, bedoeld in artikel 8.54, vierde lid.
Artikel 8.73
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat maakt elk jaar een verslag
over de milieuaspecten en indien van toepassing de
externe-veiligheidsaspecten van het luchthavenluchtverkeer. Het verslag
bevat ten minste een beschrijving van de ter uitvoering vanartikel 8.45
getroffen maatregelen en van de doelmatigheid en doeltreffendheid van
die maatregelen.
2. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer ontvangt een afschrift van het verslag.
3. Deartikelen 8.29, tweede lid, en 8.30 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 8.74
Deartikelen 8.31 tot en met 8.33 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 8.4.2.4. Commissie regionaal overleg luchthaven
Artikel 8.75
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt voor iedere luchthaven
een commissie regionaal overleg luchthaven in.
2. De commissie bestaat uit een onafhankelijke voorzitter en in ieder
geval uit vertegenwoordigers van:
a. elke provincie waarin het beperkingengebied geheel of gedeeltelijk is
gelegen,
b. gemeenten waarin het beperkingengebied geheel of gedeeltelijk is
gelegen,
c. de exploitant van de luchthaven,
d. de verlener van luchtverkeersdienstverlening voor zover op de
luchthaven van toepassing, en
e. omwonenden van de luchthaven.
3. Onverminderd het tweede lid kan de commissie ook bestaan uit
vertegenwoordigers van rechtspersoonlijkheid bezittende
gebruikersorganisaties of milieuorganisaties.
4. Artikel 8.59 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat
voor de toepassing van het tweede en derde lid Onze Minister de plaats
inneemt van provinciale staten.
Afdeling 8.4.3. Luchthavens van nationale betekenis met
luchthavenregeling
§ 8.4.3.1. Algemeen
Artikel 8.76
Deze afdeling is van toepassing op luchthavens van nationale betekenis
waarvoor op grond van artikel 8.1a, derde lid, vaststelling van een
luchthavenbesluit niet is vereist.
§ 8.4.3.2. Luchthavenregeling
Artikel 8.77
1. Voor een luchthaven die is gelegen buiten provinciegrenzen zoals
bepaald bij of krachtens de Provinciewet, wordt bij regeling van Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat een luchthavenregeling vastgesteld.
2. Artikel 8.64, tweede tot en met vierde en zesde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor de toepassing van
de artikelen 8.45, eerste lid, en 8.46, eerste lid, Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat in de plaats treedt van gedeputeerde staten.
§ 8.4.3.3. Toegang tot de luchthaven en informatievoorziening
Artikel 8.78
Deartikelen 8.24a, derde lid, 8.54, eerste en vierde lid, 8.72, tweede
lid, en 8.73, eerste en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing
met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 8.54, vierde lid,
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in de plaats treedt van
gedeputeerde staten.
§ 8.4.3.4. Commissie regionaal overleg luchthaven
Artikel 8.79
Indien Onze Minister van Verkeer en Waterstaat voor een luchthaven een
commissie regionaal overleg luchthaven instelt, is artikel 8.75, lid 2,
3 en 4, van toepassing.
Hoofdstuk 8a. Bijzondere bepalingen luchthavens
Titel 8A.1. Veilig gebruik van luchthavens
Artikel 8a.1
1. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen
regels worden gesteld omtrent de aanleg, de inrichting, de uitrusting en
het gebruik van luchthavens met het oog op de orde en de veiligheid op
die luchthavens. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen
categorieën luchthavens en tussen vormen van luchtvaart die gebruik
maken van luchthavens.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing verlenen van
de regels, bedoeld in het eerste lid. Deze ontheffing wordt slechts
verleend indien:
a. als gevolg van bijzondere omstandigheden de regels in redelijkheid
geen toepassing kunnen vinden, en
b. de veiligheid van de luchthaven en van het luchthavenluchtverkeer met
het verlenen van een ontheffing niet in gevaar worden gebracht.
3. Aan de ontheffing, bedoeld in het tweede lid, kunnen voorschriften of
beperkingen worden verbonden.
4. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen
regels worden gesteld omtrent het verrichten van
grondafhandelingsdiensten op luchthavens.
Artikel 8a.2
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleent of wijzigt op
aanvraag van de exploitant een veiligheidscertificaat indien wordt
voldaan aan de regels, bedoeld in artikel 8a.1, eerste lid, voorzover
deze regels betrekking hebben op het luchtvaartgebied enartikel 8a.3,
tweede lid.
2. Een veiligheidscertificaat vermeldt het gebruik waarvoor het verleend
is.
Artikel 8a.3
1. Ten behoeve van het verkrijgen van een veiligheidscertificaat stelt
de exploitant een luchthavenbedrijfshandboek op. Het
luchthavenbedrijfshandboek bevat een beschrijving van de aanleg, de
inrichting, de uitrusting en het veilig gebruik van het luchtvaartgebied
alsmede een beschrijving van het veiligheidsmanagementsysteem van de
luchthaven.
2. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat worden
regels gegeven omtrent het veiligheidscertificaat, het
veiligheidsmanagementsysteem en het luchthavenbedrijfshandboek. Hierbij
kan een onderscheid worden gemaakt tussen categorieën luchthavens en
vormen van luchtvaart die gebruik maken van luchthavens.
Artikel 8a.4
1. Een veiligheidscertificaat vervalt vijf jaar na de dag van
inwerkingtreding. Tussentijdse wijzigingen of aanvullingen gelden voor
de resterende geldigheidsduur van het certificaat. Een
veiligheidscertificaat is niet overdraagbaar.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de geldigheidsduur van het
certificaat verlengd indien op het moment van de vervaldatum van het
certificaat nog niet onherroepelijk op de aanvraag om verlenging van het
certificaat is beslist. Het certificaat vervalt in dat geval op het
moment dat onherroepelijk op de aanvraag om verlenging is beslist.
3. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat worden
nadere regels gegeven omtrent de aanvraag tot het verlenen of het
wijzigen van een veiligheidscertificaat.
4. De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de
aanvraag en de afgifte van het certificaat of een wijziging of
verlenging daarvan, worden ten laste gebracht van de aanvrager.
5. De bedragen ter vergoeding van de kosten worden vastgesteld bij
regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 8a.5
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat schorst het
veiligheidscertificaat geheel of gedeeltelijk indien de veiligheid van
de luchthaven niet gewaarborgd is.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat trekt een
veiligheidscertificaat geheel of gedeeltelijk in bij gehele of
gedeeltelijke beëindiging van het gebruik waarvoor het certificaat is
verleend.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat trekt een
veiligheidscertificaat geheel of gedeeltelijk ambtshalve in indien:
a. er stelselmatig sprake is van grove overtredingen van de
veiligheidsvoorschriften,
b. het veiligheidsmanagementsysteem de veiligheid niet langer waarborgt,
of
c. de exploitant ook na aanmaning weigert mee te werken aan het toezicht
op de veiligheid.
Artikel 8a.6
De exploitant van de luchthaven is verplicht op de luchthaven
elektronische, meteorologische en andere hulpmiddelen te gedogen ten
behoeve van de aan de LVNL en het Koninklijk Nederlands Meteorologisch
Instituut met betrekking tot de luchtverkeersbeveiliging en de
luchtvaartmeteorologische dienstverlening opgedragen taken.
Titel 8A.2. (Gereserveerd)
Titel 8A.3. Heffingen
§ 8a.3.1. Heffingen luchthaven Schiphol
Artikel 8a.37
Deze paragraaf is van toepassing op de luchthaven Schiphol.
Artikel 8a.38
1. Met betrekking tot de financiering en de bekostiging van de kosten
van de uitvoering van artikel 8.32 wordt onder de naam «geluidsheffing
burgerluchtvaart» een heffing geheven. Naast de geluidsheffing
burgerluchtvaart wordt een heffing geheven ter financiering van de
kosten van de uitvoering van artikel 8.33, alsmede de kosten van het
Schadeschap Luchthaven Schiphol en van zijn uitspraken voor zover deze
betrekking hebben op de uitvoering van artikel 9, eerste lid, tweede
lid, onderdeel a, en de leden 3a, 3f en 3g, van de Gemeenschappelijke
regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol.
2. De heffingen worden geheven ter zake van het landen met een
burgerluchtvaartuig tot het tijdstip waarop de kosten als bedoeld in het
eerste lid, zijn voldaan.
3. De heffingen worden geheven van de natuurlijke persoon of de
rechtspersoon die als eigenaar of houder van een burgerluchtvaartuig dit
te zijner beschikking heeft en dit onder zijn verantwoordelijkheid laat
deelnemen aan het luchtverkeer. De natuurlijke persoon of rechtspersoon,
bedoeld in de eerste volzin, is in ieder geval belanghebbende bij een
uitspraak van het Schadeschap Luchthaven Schiphol als bedoeld in het
eerste lid, tweede volzin.
4. De geluidsheffing burgerluchtvaart wordt geheven naar de
geluidsproduktie van het burgerluchtvaartuig uitgedrukt in een aantal
rekeneenheden. De geluidsproduktie wordt bepaald met toepassing van bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen formules.
5. Het basistarief van de heffing per rekeneenheid geluidsproductie
bedraagt in het jaar 2004 € 27,–. Het tarief van de heffing per
rekeneenheid geluidsproductie wordt na 2004 met ingang van elk daarop
volgend kalenderjaar verhoogd met€ 1,–.
6. Het basistarief, bedoeld in het vijfde lid, wordt per rekeneenheid
verhoogd met:
a. €98,50 tot het jaar 2010;
b. €40,– vanaf het jaar 2010, met dien verstande dat deze verhoging
met ingang van elk daaropvolgend kalenderjaar wordt verhoogd met€
1,25.
7. Het tarief van de in het eerste lid, tweede volzin, bedoelde heffing
bedraagt € 0,50 per ton van de maximale toegelaten startmassa van het
luchtvaartuig.
8. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan bij de toepassing van het
eerste lid een deel van de kosten buiten toepassing laten indien
toepassing, gelet op het belang van de burgerluchtvaart, zal leiden tot
een onbillijkheid van overwegende aard.
9. De eigenaar of houder van een luchtvaartuig dient de ter bepaling van
de geluidsheffing noodzakelijke gegevens ter beschikking van Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat te stellen overeenkomstig door hem te
geven regels.
Artikel 8a.39
1. De heffingen worden door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
geheven.
2. Onverminderd het overigens in dit artikel bepaalde worden de
heffingen geheven met overeenkomstige toepassing van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen, met dien verstande dat van die wet buiten
toepassing blijven, de artikelen 2, vierde lid, 37, 38, 47a , 48, 52, 53
en 54 alsmede 68 tot en met 88.
3. De bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde, in de
Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde functionarissen gelden met
betrekking tot de heffingen voor de daarachter genoemde functionarissen:
a. Onze Minister van Financiën: Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat;
b. de inspecteur: de door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
daartoe aan te wijzen functionaris van de exploitant van de luchthaven;
4. In afwijking van het derde lid, onderdeel b, treedt voor de
toepassing van hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
de door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan te wijzen ambtenaar
in de plaats van de inspecteur. Voorts treedt voor de toepassing van
artikel 28a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat in de plaats van Onze Minister van Financiën.
5. De heffingen worden geheven bij wege van aanslag. Zij worden geheven
over een bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te
bepalen tijdvak.
Artikel 8a.40
1. De heffingen worden ingevorderd door de door Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat aan te wijzen functionaris van de exploitant van
de luchthaven, door de door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën aan te wijzen ambtenaar
van de Dienst der Domeinen en door de ontvanger, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990.
2. Onverminderd het overigens in dit artikel bepaalde worden de
heffingen ingevorderd met overeenkomstige toepassing van de
Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen, met
dien verstande dat van de Invorderingswet 1990 buiten toepassing blijven
de artikelen 9, eerste tot en met negende lid, 59 en 62. Voorts blijven
bij de toepassing van artikel 66 van die wet de artikelen 76, 80,
tweede, derde en vierde lid, 82, 84, 86 en 87 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen buiten toepassing.
3. Met betrekking tot de invordering geldt vervolgens dat:
a. de belastingaanslagen terstond en tot het volle bedrag invorderbaar
zijn;
b. wat betreft de toepassing van artikel 8, eerste lid, van de
Invorderingswet 1990 uitsluitend bevoegd is de functionaris of ambtenaar
bedoeld in het eerste lid. De in de artikelen 11, 12 en 15, eerste lid,
onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 bedoelde bevoegdheden komen
uitsluitend toe aan de functionaris of ambtenaar, bedoeld in het eerste
lid. De in artikel 26 van de Invorderingswet 1990 bedoelde bevoegdheid
komt uitsluitend toe aan de door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
aan te wijzen ambtenaar, met dien verstande dat voor de toepassing van
artikel 26 van die wet de door Onze Minister van Financiën bij regeling
gestelde regels van toepassing zijn;
c. de overige bij de invordering van toepassing zijnde bevoegdheden, met
uitzondering van die bedoeld in de artikelen 24, tweede en derde lid, 25
en 58 van de Invorderingswet 1990, uitsluitend toekomen aan de
ontvanger, bedoeld in het eerste lid;
d. de bevoegdheid bedoeld in artikel 24, tweede en derde lid, van de
Invorderingswet 1990 zowel toekomt aan de functionaris of ambtenaar
bedoeld in het eerste lid als aan de ontvanger bedoeld in het eerste
lid;
e. de bevoegdheden bedoeld in artikel 25 en artikel 58 van de
Invorderingswet 1990 toekomen, indien de functionaris of ambtenaar
bedoeld in het eerste lid met de invordering is belast, aan deze
functionaris of ambtenaar en indien de ontvanger, bedoeld in het eerste
lid, met de invordering is belast, aan de ontvanger.
4. In het kader van het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het
dwangbevel moet in artikel 17 van de Invorderingswet 1990 voor «de
ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd» telkens worden
gelezen: de met de tenuitvoerlegging van het dwangbevel belaste
ontvanger.
5. Betaling van de heffingen dient te geschieden aan de functionaris of
ambtenaar bedoeld in het eerste lid. Na de betekening van het dwangbevel
dient te worden betaald aan de ontvanger, bedoeld in het eerste lid, die
is vermeld op het dwangbevel.
Artikel 8a.41
1. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen
inzake de heffingen en de invordering daarvan nadere in het kader van
deartikelen 8a.38 tot en met 8a.40 passende regels worden gesteld ter
aanvulling van de daarin geregelde onderwerpen.
2. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat worden
regels gesteld inzake de afdracht van de door de functionaris als
bedoeld inartikel 8a.40, eerste lid, ingevorderde heffing aan Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat.
§ 8a.3.2. Heffingen burgerluchthavens van nationale betekenis
Artikel 8a.42
1. Met betrekking tot de financiering en de bekostiging van de kosten
van de uitvoering van artikel 8.74 wordt onder de naam «geluidsheffing
burgerluchtvaart» een heffing geheven. Tevens wordt een heffing geheven
ter financiering van de kosten van de uitvoering van artikel 8.33.
2. Deartikelen 8a.38, tweede tot en met vierde en zevende tot en met
negende lid, en 8a.39 tot en met 8a.41 zijn van overeenkomstige
toepassing.
3. Het tarief van de heffing per rekeneenheid geluidsproduktie bedraagt
in het jaar 2004 € 27,– en wordt met ingang van elk daaropvolgend
kalenderjaar verhoogd met€ 1,–.
§ 8a.3.3. Heffingen burgerluchthavens van regionale betekenis
Artikel 8a.43
1. Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat met betrekking
tot de financiering en de bekostiging van de kosten van de uitvoering
vanartikel 8.56, eerste lid, onder de naam «geluidsheffing
burgerluchtvaart» een heffing wordt geheven. Tevens kunnen provinciale
staten bij verordening bepalen dat een heffing wordt geheven ter
financiering van de kosten van de uitvoering vanartikel 8.57.
2. De heffingen worden geheven ter zake van het landen met een
burgerluchtvaartuig tot het tijdstip waarop de kosten als bedoeld in het
eerste lid, zijn voldaan.
3. Voor de heffing en invordering zijn de artikelen 220, 220a, 221 en
227 tot en met 232h van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing.
Titel 8A.4. Geluidbelastingkaarten en actieplannen in verband met EU
richtlijn omgevingslawaai
Artikel 8a.44
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat meldt vóór 30 september
2008, vóór 1 april 2010 en vervolgens elke vijf jaar vóór 1 april
aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer welke burgerluchthavens worden aangeduid als belangrijke
luchthavens.
2. Een belangrijke luchthaven is een burgerluchthaven waarop jaarlijks
meer dan 50000 vliegtuigbewegingen plaatsvinden. Oefenvluchten met
lichte vliegtuigen, als bedoeld in hoofdstuk 5.2 ECAC.CEAC Doc 29 Report
on standard Method of Computing Noise around civil airports, worden
hierbij niet meegerekend.
3. Een wijziging van hoofdstuk 5.2 ECAC.CEAC Doc 29 gaat voor de
toepassing van het tweede lid gelden met ingang van de dag van
inwerkingtreding van deze wijziging.
4. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer publiceert vóór 31 december 2008, vóór 30 juni 2010 en
vervolgens elke vijf jaar vóór 30 juni in de Staatscourant welke
burgerluchthavens zijn aangeduid als belangrijke luchthavens.
Artikel 8a.45
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt vóór 30 juni 2007 een
geluidbelastingkaart vast die betrekking heeft op een geluidbelasting
Lden en geluidbelasting Lnightveroorzaakt door de luchthaven Schiphol op
woningen en bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
categorieën van andere geluidgevoelige gebouwen.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt vóór 30 juni 2012 en
vervolgens vóór 30 juni van elk vijfde kalenderjaar een
geluidbelastingkaart vast die betrekking heeft op een geluidbelasting
Lden en geluidbelasting Lnight veroorzaakt door belangrijke luchthavens
op woningen en bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
categorieën van andere geluidgevoelige gebouwen.
3. Onder geluidbelasting Lden wordt verstaan: geluidbelasting op een
plaats en vanwege een bron als omschreven in bijlage I, onderdeel 1, van
richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van
omgevingslawaai (PbEG L 189) over alle perioden van 07.00 tot 19.00 uur,
van 19.00 tot 23.00 uur en van 23.00 tot 07.00 uur van een jaar. Onder
geluidbelasting Lnight wordt verstaan: geluidbelasting op een plaats en
vanwege een bron als omschreven in bijlage I, onderdeel 2, van richtlijn
nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van
omgevingslawaai (PbEG L 189) over alle perioden van 23.00 tot 07.00 uur
van een jaar.
4. De geluidbelastingkaart geeft ten minste een weergave van:
a. de geluidbelasting Ldenen de geluidbelasting Lnightveroorzaakt door
een belangrijke luchthaven in de periode van een jaar van 1 november van
het tweede jaar voorafgaand aan het jaar van vaststelling van de
geluidbelastingkaart tot en met 31 oktober van het jaar voorafgaand aan
het jaar van vaststelling van de geluidbelastingkaart, en
b. het aantal woningen en andere geluidgevoelige gebouwen en bewoners
van woningen die aan bepaalde waarden van geluidbelasting Lden en
geluidbelasting Lnight worden blootgesteld.
5. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat worden
nadere regels gesteld omtrent de inhoud, vormgeving en inrichting van de
geluidbelastingkaart. Ten behoeve van de bepaling van de
geluidsbelasting Lden en de geluidsbelasting Lnight vanwege een
luchthaven kunnen bij regeling van Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat nadere regels worden gesteld.
Artikel 8a.46
1. De exploitant van een luchthaven verschaft ten behoeve van de
vaststelling van de geluidbelastingkaart, bedoeld in artikel 8a.45,
eerste of tweede lid, aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat op
zijn verzoek alle noodzakelijke inlichtingen en gegevens.
2. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen
nadere regels worden gesteld omtrent de te verschaffen inlichtingen en
gegevens, waaronder de wijze waarop en de termijn waarbinnen deze moeten
worden verschaft.
Artikel 8a.47
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft binnen één maand na
vaststelling van de geluidbelastingkaart, bedoeld in artikel 8a.45,
eerste of tweede lid, mededeling van deze vaststelling in één of meer
dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen dan wel op andere geschikte wijze.
Hierbij geeft hij aan op welke wijze kennis kan worden gekregen van de
inhoud van de geluidbelastingkaart.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat:
a. stelt de geluidbelastingkaart elektronisch ter beschikking van een
ieder;
b. voegt bij de geluidbelastingkaart een overzicht van de belangrijkste
punten van die kaart.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zendt de geluidbelastingkaart
binnen één maand na vaststelling aan Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Artikel 8a.48
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt vóór 18 mei 2008 aan
de hand van de geluidbelastingkaart, bedoeld in artikel 8a.45, een
actieplan vast met betrekking tot de luchthaven. Indien er sprake is van
een belangrijke ontwikkeling die van invloed is op de
geluidhindersituatie, en daarnaast ten minste elke vijf jaar na de
vaststelling wordt het actieplan opnieuw overwogen, en zo nodig
aangepast.
2. Het actieplan bevat ten minste een beschrijving van:
a. het te voeren beleid om geluidbelasting Lden en geluidbelasting
Lnight te beperken, en
b. de voorgenomen in de eerstvolgende vijf jaar te treffen maatregelen
om overschrijding van in het luchthavenverkeerbesluit of
luchthavenbesluit vastgestelde waarden van geluidbelasting Lden of
geluidbelasting Lnight te voorkomen of ongedaan te maken en de te
verwachten effecten van die maatregelen.
3. Op de voorbereiding van een actieplan is afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden
gebracht door een ieder.
4. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat worden
nadere regels gesteld omtrent de inhoud, vormgeving en inrichting van
het actieplan.
5. Artikel 8a.47 is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling
van actieplannen.
Artikel 8a.49
Indien de belangrijke luchthaven een luchthaven van regionale betekenis
is, treden bij de toepassing van deartikelen 8a.45 tot en met 8a.48
gedeputeerde staten van de provincie die het luchthavenbesluit heeft
vastgesteld, in de plaats van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Titel 8A.5. Overige bepalingen burgerluchthavens
Artikel 8a.50
1. De verbodsbepaling bedoeld in artikel 8.1a, eerste lid, is niet van
toepassing op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
luchtvaartuigen.
2. Van de inartikel 8.1a, tweede tot en met vierde lid, genoemde
verboden kan vrijstelling worden verleend door Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat.
3. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
4. Aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, kunnen voorwaarden
worden verbonden.
Artikel 8a.50a
Indien ten aanzien van de burgerluchthaven Twente een vrijstelling, als
bedoeld in artikel 8a.50, tweede lid, van het verbod in artikel 8.1a,
derde lid, wordt verleend, is op de voorbereiding van die vrijstelling
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 8a.51
1. Gedeputeerde staten kunnen voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik
van een terrein ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in artikel
8.1a, eerste lid, indien het terrein wordt gebruikt door een
luchtvaartuig dat behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen categorie.
2. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
3. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat worden
regels gesteld over:
a. het terrein;
b. de wijze waarop het terrein wordt gebruikt;
c. de termijn waarbinnen gedeputeerde staten een besluit nemen op de
aanvraag;
d. de wijze waarop Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en de
burgemeester van de gemeente waarin het terrein ligt, worden betrokken
bij het verlenen van de ontheffing en bij het gebruik van het terrein.
Artikel 8a.52
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld betreffende het gebruik van luchthavens.
Artikel 8a.53
Wanneer de aanleg, de instandhouding of het gebruik van een werk ten
behoeve van de uitvoering van de militaire taak op een burgerluchthaven
in strijd zou komen met een bepaling van of krachtens deze wet, kunnen
Wij, op voordracht van Onze Minister van Defensie, daarvan ontheffing
verlenen.
Titel 8A.6. Gevolgen van buitenlandse luchthavens voor de ruimtelijke
ordening op Nederlands grondgebied
§ 8a.6.1. Het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven
Artikel 8a.54
1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt een besluit
beperkingengebied buitenlandse luchthaven vastgesteld in verband met de
nabijheid van de navolgende buitenlandse luchthavens in de
Bondsrepubliek Duitsland:
a. de burgerluchthaven Weeze, gelegen in de gemeente Weeze;
b. de militaire luchthaven Brüggen, gelegen in de gemeente Brüggen;
c. de militaire luchthaven Geilenkirchen, gelegen bij de stad
Geilenkirchen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan een besluit beperkingengebied
buitenlandse luchthaven worden vastgesteld in verband met de nabijheid
van een andere buitenlandse luchthaven.
3. De voordracht voor een besluit beperkingengebied buitenlandse
luchthaven wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan
beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 8a.55
1. Bij een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven wordt het
beperkingengebied vastgesteld, dat het Nederlands grondgebied omvat waar
met het oog op het externe-veiligheidsrisico, de geluidsbelasting of de
vliegveiligheid, vanwege de nabijheid van de desbetreffende buitenlandse
luchthaven, beperkingen noodzakelijk zijn ten aanzien van de bestemming
of het gebruik van de grond.
2. De ruimtelijke indeling en de begrenzing van het beperkingengebied
voor een buitenlandse luchthaven worden bepaald aan de hand van:
a. het gebruik van de luchthaven door het luchthavenluchtverkeer,
b. de ligging van start- en landingsbanen, en
c. de positie van navigatie- en communicatieapparatuur.
Artikel 8a.56
Een beperkingengebied wordt vastgesteld met behulp van een of meer
kaarten waarop de ligging van het gebied is aangegeven. De kaarten
worden vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 50 000. Zo nodig
worden delen van de gebieden vastgelegd met behulp van kaarten op een
schaal met een kleiner verhoudingsgetal.
Artikel 8a.57
1. Het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven bevat in elk
geval regels omtrent de bestemming en het gebruik van de grond waaronder
begrepen de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in
verband met:
a. de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer, en
b. de vliegveiligheid.
2. Indien het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven wordt
vastgesteld in verband met de nabijheid van een buitenlandse
burgerluchthaven, bevat dit besluit voorts regels omtrent de bestemming
en het gebruik van de grond in verband met het externe-veiligheidsrisico
vanwege het luchthavenluchtverkeer. Indien het besluit beperkingengebied
buitenlandse luchthaven wordt vastgesteld in verband met de nabijheid
van een buitenlandse militaire luchthaven, kan het besluit dergelijke
regels bevatten.
3. Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede
lid, worden in ieder geval gronden aangewezen die niet bestemd zijn of
gebruikt worden voor woningen of andere in het besluit aangewezen
gebouwen.
Artikel 8a.58
1. Met betrekking tot het besluit beperkingengebied buitenlandse
luchthaven zijn de artikelen 8.8, 8.10 en 8.11 van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat in plaats van «luchthavenindelingbesluit»
telkens wordt gelezen: besluit beperkingengebied buitenlandse
luchthaven.
2. Voorts zijn artikel 8.9, eerste tot en met derde en vijfde lid, en
artikel 8.12 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
omtrent de verklaring van geen bezwaar en de ontheffing wordt besloten
door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en dat in plaats van
«het luchthavenindelingbesluit» telkens wordt gelezen: het besluit
beperkingengebied buitenlandse luchthaven.
3. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu beslist omtrent de
verklaring van geen bezwaar of de ontheffing, bedoeld in het tweede lid,
indien het een militaire luchthaven betreft, in overeenstemming met Onze
Minister van Defensie.
4. De beslistermijn bedraagt acht weken na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 8a.59
1. Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden
regels gesteld omtrent de wijze van meten, berekenen en registreren van
de geluidbelasting, en kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze van
meten, berekenen en registreren van het externe-veiligheidsrisico.
2. Een regeling als bedoeld in het eerste lid wordt ten aanzien van
militaire luchthavens vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister
van Defensie.
Artikel 8a.60
Op de voorbereiding van een besluit beperkingengebied buitenlandse
luchthaven of op de voorbereiding van een wijziging of intrekking van
een zodanig besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een
ieder.
§ 8a.6.2. Financiële aspecten
Artikel 8a.61
De artikelen 8.31 tot en met 8.33 zijn van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat in plaats van «het luchthavenindelingbesluit of
het luchthavenverkeerbesluit» onderscheidenlijk «het
luchthavenindelingbesluit» wordt gelezen: het besluit beperkingengebied
buitenlandse luchthaven.
§ 8a.6.3. Commissie regionaal overleg luchthaven
Artikel 8a.62
1. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan voor iedere
buitenlandse luchthaven, aangewezen bij of krachtens artikel 8a.54, een
commissie regionaal overleg luchthaven instellen.
2. Indien een commissie wordt ingesteld, stelt Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu regels omtrent:
a. de taak, samenstelling en werkwijze van de commissie,
b. de instelling van een secretariaat ter ondersteuning van de
commissie, en
c. de mate waarin en de voorwaarden waaronder Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu jaarlijks bijdraagt in de kosten van de
commissie.
3. Artikel 8.37 is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 9. Bijzondere of buitengewone omstandigheden
Artikel 9.1
1. In bijzondere omstandigheden in geval van ernstige verstoring van de
binnenlandse openbare orde of veiligheid is Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat bevoegd in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Onze Minister van Defensie aan de LVNL aanwijzingen te geven
met betrekking tot het verzorgen van de luchtverkeersbeveiliging.
2. In bijzondere omstandigheden in verband met de handhaving van de
internationale rechtsorde of met de internationale betrekkingen is Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat bevoegd in overeenstemming met Onze
Minister van Buitenlandse Zaken en Onze Minister van Defensie aan de
LVNL aanwijzingen te geven met betrekking tot het verzorgen van de
luchtverkeersbeveiliging.
3. Indien de LVNL door het uitvoeren van de aanwijzingen financieel
nadeel ondervindt, ontvangt hij een naar billijkheid te bepalen
vergoeding.
Artikel 9.2
1. Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, de artikelen 9.3,9.4 en 9.5
gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen wordt
onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het
voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde
bepalingen.
3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan
worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in
werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,
worden de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn
gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons
oordeel toelaten.
5. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de
daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na
de bekendmaking.
6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in
ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 9.3 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.]
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan aanwijzingen geven aan de
LVB-organisatie.
Artikel 9.4 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.]
Onze Minister van Defensie kan aanwijzingen geven aan de LVB-organisatie.
Artikel 9.5 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.]
Het bij of krachtens de titels 5.1 en 5.2 van deze wet bepaalde geldt
niet ten aanzien van de luchtvaartuigen, in gebruik ten behoeve van de
defensie, en de leden hunner bemanning.
Artikel 9.6
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan aan de LVNL een naar
billijkheid te bepalen vergoeding toekennen ter zake van buitengewone
kosten door de LVNL gemaakt vanwege de naleving van de aanwijzing
gegeven krachtens artikel 9.3.
2. Onze Minister van Defensie kan aan de LVNL een naar billijkheid te
bepalen vergoeding toekennen ter zake van buitengewone kosten door de
LVNL gemaakt vanwege de naleving van de aanwijzing gegeven krachtens
artikel 9.4.
Artikel 9.7
1. In afwijking van artikel 1.4 richt Onze Minister van Defensie,
voordat hij de hem krachtens artikel 9.4 toekomende bevoegdheid
uitoefent, een verzoek aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat om
aan de behoefte gesteld door Onze Minister van Defensie te voldoen. Onze
Minister van Defensie oefent de bevoegdheid krachtens artikel 9.4 niet
uit dan nadat Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te kennen heeft
gegeven niet te zullen voldoen aan dit verzoek.
2. In dringende omstandigheden kan Onze Minister van Defensie afwijken
van het eerste lid. Hij stelt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
daarvan terstond in kennis. Zodra de omstandigheden dat naar het oordeel
van Onze Minister van Defensie en van Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat toelaten, wordt aan de door Onze Minister van Defensie
gestelde behoefte voldaan door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
3. Indien de in artikel 9.3 toegekende bevoegdheid door Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat wordt uitgeoefend op verzoek van Onze Minister
van Defensie als bedoeld in het eerste lid, vindt toekenning van een
vergoeding krachtensartikel 9.6, eerste lid, plaats in overeenstemming
met Onze Minister van Defensie. Deze vergoeding komt voor rekening van
Onze Minister van Defensie.
Artikel 9.8
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan in omstandigheden waarin
maatregelen worden genomen als bedoeld in artikel 13 van de
kaderverordening een of meer luchtverkeerdienstverleners ontheffing
verlenen van het in artikel 5.14d bedoelde verbod, indien deze
omstandigheden hiertoe noodzaken.
Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
Titel 10.1. Personeel en luchtvaartuigen
Artikel 10.1
1. Behoudens titel 2.2 is hoofdstuk 2 niet van toepassing op het
bedienen van militaire luchtvaartuigen.
2. Militaire luchtvaartuigen worden bediend door cockpitpersoneel, dat
voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde
eisen inzake theoretische en praktische bekwaamheid en geestelijke en
lichamelijke geschiktheid.
3. Onze Minister van Defensie kan in bijzondere gevallen ontheffing
verlenen van de bij of krachtens het tweede lid gegeven regels, wanneer
door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen
toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het
verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Aan de
ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
4. Onze Minister van Defensie trekt de door hem verleende ontheffing in,
wanneer
a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te
vervallen;
b. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of
beperkingen niet naleeft.
Artikel 10.2
1. Hoofdstuk 2, titel 2.1, en artikel 5.16 zijn niet van toepassing op
luchtverkeersdienstverleningspersoneel van de krijgsmacht. Dit personeel
voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde
eisen inzake theoretische en praktische bekwaamheid en geestelijke en
lichamelijke geschiktheid.
2. Artikel 10.1, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 10.3
Onze Minister van Defensie kan voor militaire luchtvaartuigen toestaan,
dat van het nationaliteitskenmerk en het inschrijvingskenmerk bedoeld in
artikel 3.2, eerste lid, onderdeel a, wordt afgeweken.
Artikel 10.4 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Het onderhoud aan militaire luchtvaartuigen wordt verricht door
personeel, dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur gestelde eisen inzake theoretische en praktische bekwaamheid en
geestelijke en lichamelijke geschiktheid.
2. Artikel 10.1, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Titel 10.2. Vluchtuitvoering en vervoer
Artikel 10.5
Hoofdstuk 4 is niet van toepassing op de vluchtuitvoering met militaire
luchtvaartuigen alsmede op de vluchtuitvoering ten behoeve van militaire
doeleinden.
Artikel 10.6
1. Titel 6.5 is niet van toepassing op internationaal vervoer van
gevaarlijke stoffen met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de
krijgsmacht van een andere mogendheid houder is.
2. Titel 6.5 is, met uitzondering van artikel 6.54, niet van toepassing
op nationaal vervoer van ontplofbare stoffen of voorwerpen met
luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere
mogendheid houder is.
3. Artikel 6.51, eerste lid, geldt niet voor het nationale vervoer van
de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
gevaarlijke stoffen, niet zijnde ontplofbare stoffen of voorwerpen,
behorend tot de operationele uitrusting of het wapensysteem van een
luchtvaartuig waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere
mogendheid houder is, of behorend tot de uitrusting van personen die met
een dergelijk luchtvaartuig worden vervoerd, indien aan de bij of
krachtens die algemene maatregel van bestuur terzake gestelde regels is
voldaan.
4. Artikel 6.55 is niet van toepassing op het door personeel van de
krijgsmacht verrichten van de in dat artikel bedoelde handelingen ten
aanzien van het nationaal vervoer van andere gevaarlijke stoffen dan
ontplofbare stoffen of voorwerpen,met luchtvaartuigen waarvan de
krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is.
5. De artikelen 6.60, 6.61 en 6.61a zijn van overeenkomstige toepassing
op het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen en het nationaal
vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen met luchtvaartuigen
waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid
houder is met dien verstande dat:
a. in artikel 6.60, eerste lid, in plaats van «als bedoeld in artikel
6.51, eerste lid,» wordt gelezen «als bedoeld in artikel 10.7, eerste
en tweede lid»;
b. in artikel 6.61, eerste lid, in plaats van «artikel 6.51» wordt
gelezen artikel 10.7, eerste en tweede lid.
Artikel 10.7
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, gedaan op voordracht
van Onze Minister van Defensie, worden regels gegeven inzake het
internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen met een luchtvaartuig
waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid
houder is, het daartoe aanbieden of aannemen, alsmede het laden in of
lossen uit een dergelijk luchtvaartuig of het tijdens het vervoer
neerleggen van bedoelde stoffen. De artikelen 6.51, derde lid, en 6.52
zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, gedaan op voordracht
van Onze Minister van Defensie , worden regels gegeven inzake het
nationaal vervoer van ontplofbare stoffen of voorwerpen met een
luchtvaartuig waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere
mogendheid houder is, het daartoe aanbieden of aannemen alsmede het
laden in of lossen uit een dergelijk luchtvaartuig of het tijdens het
vervoer neerleggen van bedoelde stoffen of voorwerpen. De artikelen
6.51, derde lid, en 6.52 zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De bedoelde regels kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. het aanwijzen van gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan
wel tweede lid, die niet door de lucht mogen worden vervoerd;
b. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van
luchtvaartuigen waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste
dan wel tweede lid worden vervoerd;
c. de belading van luchtvaartuigen met inbegrip van samenlading;
d. de eisen waaraan gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan
wel tweede lid, moeten voldoen;
e. de eisen waaraan de verpakking moet voldoen;
f. de etiketten of aanduidingen op de verpakking;
g. de eisen, waaraan bij het laden en lossen voldaan moet worden;
h. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van
inrichtingen, voertuigen of werktuigen met behulp waarvan gevaarlijke
stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, worden geladen of
gelost;
i. de melding voorafgaande aan een handeling inzake het vervoer van
gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid;
j. de begeleiding van het vervoer en de eisen die aan de begeleider
worden gesteld;
k. het uitzonderen van gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan
wel tweede lid, behorend tot de operationele uitrusting of het
wapensysteem van het luchtvaartuig, of behorend tot de uitrusting van
personen die met het luchtvaartuig worden vervoerd.
Artikel 10.8
1. Onze Minister van Defensie kan ontheffing verlenen van de krachtens
artikel 10.7 gegeven regels, wanneer de taakuitvoering met militaire
luchtvaartuigen meebrengt, dat die regels in redelijkheid geen
toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het
verlenen van de ontheffing niet in gevaar komt. Aan de ontheffing kunnen
voorschriften of beperkingen worden verbonden.
2. Het tweede tot en met het vijfde lid van artikel 6.58 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.9
Titel 6.6 is niet van toepassing op vervoer van dieren met
luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere
mogendheid houder is.
Artikel 10.10
Artikel 7.1, eerste lid, is niet van toepassing op voorvallen die
uitsluitend de militaire luchtvaart betreffen.
Titel 10.3. Luchthavens
Afdeling 10.3.1. Algemeen
Artikel 10.11
1. Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald zijn de hoofdstukken 8 en 8a
niet van toepassing op militaire luchthavens, met uitzondering van:
a. artikel 8.1a, eerste, vijfde en zesde lid,
b. titel 8a.1 voor zover het betreft burgermedegebruik door tussenkomst
van een burgerexploitant, met dien verstande dat de regels, bedoeld in
artikel 8a.1, eerste lid, voor zover het militaire luchthavens betreft
worden gesteld bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, en
c. artikel 8a.42voor zover het betreft het gebruik van militaire
luchthavens door burgerluchtvaartuigen.
2. Voor de toepassing ingevolge het eerste lid van titel 8a.1 op
militaire luchthavens wordt als exploitant aangemerkt de
burgerexploitant.
Artikel 10.12
1. Deze titel is van toepassing ten aanzien van de bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur aangewezen militaire luchthavens. Bij die
maatregel worden de luchthavens aangewezen waarvoor vaststelling van een
luchthavenbesluit is vereist.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden voor bij die maatregel
aangewezen luchthavens uniforme grenswaarden vastgesteld voor de
maximaal toegelaten geluidbelasting door landende en opstijgende
luchtvaartuigen. Bij die maatregel kunnen tevens uniforme grenswaarden
worden vastgesteld voor het externe-veiligheidsrisico en voor lokale
luchtverontreiniging en kunnen regels worden gesteld met betrekking tot
geluidbelasting, het externe-veiligheidsrisico, lokale
luchtverontreiniging en de maximale hoogte van objecten als bedoeld
inartikel 10.17, derde lid. Bij de vaststelling kan onderscheid worden
gemaakt naar soorten luchtvaartuigen, aan- en uitvliegroutes, bestemming
van gronden en perioden van het etmaal.
3. Bij regeling van Onze Minister van Defensie in overeenstemming met
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
worden regels vastgesteld omtrent de wijze van meten, berekenen en
registreren van de in het tweede lid bedoelde geluidbelasting en kunnen
dergelijke regels worden vastgesteld met betrekking tot het
externe-veiligheidsrisico en luchtverontreiniging.
Artikel 10.13
1. Het is verboden met een burgerluchtvaartuig op te stijgen van of te
landen op een militaire luchthaven, zonder of in afwijking van een voor
dat opstijgen of landen door Onze Minister van Defensie verleende
vergunning voor burgermedegebruik als bedoeld in artikel 10.27,
vrijstelling of ontheffing.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot het gebruik van militaire luchthavens door de
burgerluchtvaart. Deze regels betreffen in ieder geval de gevallen
waarin militair luchtverkeer voorrang heeft op burgerluchtverkeer.
3. Aan de in het eerste lid bedoelde vrijstelling en ontheffing kunnen
beperkingen en voorschriften worden verbonden.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent het verlenen, wijzigen en intrekken van de vrijstelling
of ontheffing, alsmede omtrent de aan de behandeling van de aanvraag
verbonden kosten.
5. Een vrijstelling of ontheffing wordt niet verleend voor
burgerluchtvaart van commerciële aard op een luchthaven waar
burgermedegebruik plaatsvindt door tussenkomst van een burgerexploitant.
6. Een vrijstelling of ontheffing kan in ieder geval door Onze Minister
van Defensie worden ingetrokken of gewijzigd wanneer:
a. een of meer redenen waarom de vrijstelling of ontheffing is verleend,
zijn vervallen,
b. een of meer van de daaraan verbonden beperkingen of voorschriften
niet worden nageleefd, of
c. na de verlening zodanige feiten of omstandigheden bekend zijn
geworden dat, indien deze ten tijde van de verlening bekend waren
geweest, de vrijstelling of ontheffing niet of niet in die vorm zou zijn
verleend.
Afdeling 10.3.2. Militaire luchthavens met luchthavenbesluit
§ 10.3.2.1. Algemeen
Artikel 10.14
Deze afdeling is van toepassing op militaire luchthavens waarvoor op
grond van artikel 10.12 vaststelling van een luchthavenbesluit is
vereist.
§ 10.3.2.2. Het luchthavenbesluit
Artikel 10.15
1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor een luchthaven een
luchthavenbesluit vastgesteld.
2. In het luchthavenbesluit worden het luchthavengebied en het
beperkingengebied vastgesteld.
3. Het luchthavengebied en het beperkingengebied overlappen elkaar niet.
De gebieden kunnen bestaan uit niet aaneengesloten delen.
4. Artikel 8.5, vijfde lid, is van toepassing.
Artikel 10.16
1. Als luchthavengebied wordt het gebied vastgesteld dat bestemd is voor
gebruik als luchthaven.
2. Het luchthavenbesluit bevat voor het luchthavengebied regels omtrent
de bestemming en het gebruik van de grond voor zover die regels
noodzakelijk zijn met het oog op het gebruik van het gebied als
luchthaven.
Artikel 10.17
1. Als beperkingengebied wordt het gebied vastgesteld waar met het oog
op de geluidsbelasting en de veiligheid in verband met de nabijheid van
de luchthaven beperkingen noodzakelijk zijn ten aanzien van de
bestemming of het gebruik van de grond. Het beperkingengebied omvat de
gebieden die behoren bij de in het tweede lid bedoelde grenswaarden voor
geluidbelasting en het externe-veiligheidsrisico, alsmede bij de in het
derde lid, onderdeel b, bedoelde regels.
2. Het luchthavenbesluit bevat een grenswaarde voor geluidsbelasting.
Het besluit kan tevens bevatten:
a. een grenswaarde voor het externe-veiligheidsrisico;
b. een of meer grenswaarden die noodzakelijk zijn met het oog op de
lokale luchtverontreiniging.
3. Het luchthavenbesluit bevat voor het beperkingengebied in ieder geval
regels waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de bestemming en
het gebruik van de grond voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn
met het oog op:
a. de geluidsbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven;
b. de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband
met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer.
Het besluit kan voor het beperkingengebied tevens regels bevatten
waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de bestemming en het
gebruik van de grond voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met
het oog op het externe-veiligheidsrisico in verband met de nabijheid van
de luchthaven.
4. Het luchthavenbesluit kan tevens voor het luchthavenluchtverkeer
bevatten:
a. regels met het oog op de geluidsbelasting;
b. regels die noodzakelijk zijn met het oog op de lokale
luchtverontreiniging.
5. Bij de regels met het oog op de geluidsbelasting en het
externe-veiligheidsrisico, bedoeld in het derde lid, worden in ieder
geval gronden aangewezen die niet bestemd of gebruikt worden voor
woningen of andere in het besluit aangewezen gebouwen.
6. Deartikelen 8.8 tot en met 8.12 zijn van overeenkomstige toepassing
met dien verstande dat Onze Minister van Defensie in de plaats treedt
van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
7. Bij de vaststelling van het luchthavenbesluit wordt gebruik gemaakt
van:
a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop
gebaseerde onderzoeken,
b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer
bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en
c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna
en daarop gebaseerde onderzoeken,
die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-besluit, met dien
verstande dat indien de rapporten, waarin de gegevens, onderzoeken,
inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het
luchthavenbesluit ouder zijn dan twee jaar, het luchthavenbesluit een
motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.
Artikel 10.18
De voordracht voor een luchthavenbesluit of de wijziging daarvan wordt
gedaan:
a. na overleg met gedeputeerde staten en de colleges van burgemeester en
wethouders van respectievelijk de provincies en de gemeenten binnen de
grenzen waarvan het gebied of een gedeelte van het gebied ligt dat door
het ontwerp wordt bestreken, en
b. nadat het ontwerp vervolgens in de Staatscourant is bekendgemaakt en
aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen zes weken na de dag
waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van
Onze Minister van Defensie te brengen.
Artikel 10.19
De bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gegevens met betrekking
tot de geluidsbelasting, het externe-veiligheidsrisico en de lokale
luchtverontreiniging zijn niet openbaar.
§ 10.3.2.3. Luchthavenluchtverkeer
Artikel 10.20
Onze Minister van Defensie draagt er zorg voor dat het
luchthavenluchtverkeer zodanig geschiedt dat de belasting vanwege het
luchthavenluchtverkeer de grenswaarden, opgenomen in het
luchthavenbesluit, niet overschrijdt.
Artikel 10.21
1. Zodra Onze Minister van Defensie constateert dat de in artikel 10.17
bedoelde grenswaarden zijn overschreden, schrijft hij maatregelen voor
die naar zijn oordeel bijdragen aan het terugdringen van de belasting
vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de grenswaarden.
2. Onze Minister van Defensie trekt de maatregelen in of matigt deze
voor zover zij naar zijn oordeel niet langer nodig zijn voor het
terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen
de grenswaarden.
3. Artikel 10.20 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
voorgeschreven maatregelen.
Artikel 10.22
1. Onze Minister van Defensie kan voor een luchthaven indien ten gevolge
van groot onderhoud van een baan of door een bijzonder voorval het
normale gebruik van de luchthaven naar zijn oordeel ernstig wordt
belemmerd, of in verband met bijzondere redenen van nationale of
bondgenootschappelijke aard:
a. vrijstelling verlenen van een regel in het luchthavenbesluit;
b. een in het luchthavenbesluit vastgelegde grenswaarde vervangen door
een andere grenswaarde.
2. Het verlenen van een vrijstelling van een regel als bedoeld in
artikel 10.17, vierde lid, onder a of b, geschiedt in overeenstemming
met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer.
3. Een vrijstelling kan slechts worden verleend voor een bepaalde in de
vrijstelling vast te stellen termijn van ten hoogste een jaar.
4. Aan een vrijstelling kunnen beperkingen en voorschriften worden
verbonden met het oog op geluidsbelasting en veiligheid. Artikel 10.20
is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de beperkingen en
voorschriften.
5. Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een
vervanging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
§ 10.3.2.4. Informatievoorziening
Artikel 10.23
De gegevens omtrent het feitelijk gebruik van een luchthaven door het
luchthavenluchtverkeer worden jaarlijks door Onze Minister van Defensie
in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer herleid tot contouren die de actuele
geluidsbelasting voor dat verkeer in dat jaar weergeven. Artikel 10.19is
van toepassing. De contourenkaarten zijn openbaar.
§ 10.3.2.5. Financiële aspecten
Artikel 10.24
Deartikelen 8.31 tot en met 8.33 zijn van overeenkomstige toepassing met
dien verstande dat Onze Minister van Defensie in de plaats treedt van
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
§ 10.3.2.6. Commissie van overleg en voorlichting milieu
Artikel 10.25
1. Onze Minister van Defensie stelt voor iedere luchthaven ten behoeve
van overleg en voorlichting omtrent milieuaspecten buiten een luchthaven
een commissie van overleg en voorlichting milieu in.
2. De commissie bestaat in ieder geval uit:
a. één vertegenwoordiger van elke provincie waarin het
beperkingengebied geheel of gedeeltelijk is gelegen;
b. twee vertegenwoordigers van elke gemeente waarin het
beperkingengebied geheel of gedeeltelijk is gelegen, waarvan één
vertegenwoordiger van elke gemeente een omwonende van de luchthaven is;
c. één of twee vertegenwoordigers van de luchthaven;
d. één of twee vertegenwoordigers van Onze Minister van Defensie.
3. Onverminderd het tweede lid kan de commissie ook bestaan uit
vertegenwoordigers van rechtspersoonlijkheid bezittende
milieuorganisaties.
4. De vertegenwoordiger van de provincie, dan wel één van hen indien
er meer vertegenwoordigers van provincies in de commissie zitting
hebben, treedt op als voorzitter van de commissie. De artikelen 8.37,
tweede en derde lid, en 8.38 zijn van overeenkomstige toepassing met
dien verstande dat Onze Minister van Defensie in de plaats treedt van
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
5. Onze Minister van Defensie voorziet in het secretariaat van de
commissie.
Afdeling 10.3.3. Aanvullende bepalingen militaire luchthavens met
vergunning voor burgermedegebruik
§ 10.3.3.1. Algemeen
Artikel 10.26
Deze afdeling is in aanvulling op de artikelen 10.15 tot en met 10.25
van toepassing op militaire luchthavens waar een vergunning voor
burgermedegebruik kan worden verleend.
§ 10.3.3.2. De vergunning voor burgermedegebruik
Artikel 10.27
1. Onze Minister van Defensie kan aan een rechtspersoon een vergunning
verlenen voor burgermedegebruik onder verantwoordelijkheid van die
rechtspersoon.
2. Het verlenen van een vergunning voor burgermedegebruik door
tussenkomst van een burgerexploitant geschiedt in overeenstemming met
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. De overige vergunningen voor
burgermedegebruik worden verleend na overleg met Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat.
3. De vergunning vermeldt in ieder geval:
a. de aard van het burgerluchtverkeer waarvoor de vergunning geldt;
b. de termijn waarvoor de vergunning wordt verleend;
c. de voor het burgermedegebruik geldende grenswaarden, wat betreft de
geluidbelasting eventueel in de vorm van een maximum aantal
vliegtuigbewegingen per jaar waarvoor de vergunning geldt.
4. Aan de vergunning kunnen beperkingen en voorschriften worden
verbonden.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent het verlenen, wijzigen, overdragen en intrekken van de
vergunning, alsmede omtrent de aan de behandeling van de aanvraag
verbonden kosten.
6. Een vergunning wordt niet verleend voor burgerluchtvaart van
commerciële aard op een luchthaven waar reeds burgermedegebruik
plaatsvindt door tussenkomst van een burgerexploitant.
7. Een vergunning kan in ieder geval door Onze Minister van Defensie
worden ingetrokken of gewijzigd wanneer:
a. een of meer redenen waarom de vergunning is verleend, zijn vervallen,
b. een of meer van de aan de vergunning verbonden beperkingen of
voorschriften niet worden nageleefd,
c. na de verlening zodanige feiten of omstandigheden bekend zijn
geworden dat, indien deze ten tijde van de verlening bekend waren
geweest, de vergunning niet of niet in die vorm zou zijn verleend, of
d. van een voor onbepaalde tijd verleende vergunning gedurende twee
achtereenvolgende jaren geen gebruik is gemaakt.
8. Met betrekking tot de intrekking en wijziging, bedoeld in het zevende
lid, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
9. Ingeval de vergunning is verleend aan een burgerexploitant, is
artikel 8.53 van overeenkomstige toepassing.
§ 10.3.3.3. Het luchthavenbesluit in geval van een vergunning voor
burgermedegebruik
Artikel 10.28
1. In het luchthavenbesluit voor een militaire luchthaven waar een
vergunning voor burgermedegebruik kan worden verleend, worden de in
artikel 10.17, tweede en vierde lid, bedoelde grenswaarden en regels
voor het militair luchtverkeer en het burgerluchtverkeer afzonderlijk
vastgesteld. Voor het burgerluchtverkeer of een gedeelte daarvan kan de
vaststelling van een afzonderlijke grenswaarde voor geluidbelasting
geschieden in de vorm van een maximum aantal vliegtuigbewegingen per
jaar.
2. Het luchthavenbesluit bevat ten behoeve van het burgerluchtverkeer in
ieder geval regels omtrent de tijdstippen waarop van de luchthaven
gebruik kan worden gemaakt.
3. Het luchthavenbesluit kan regels bevatten die noodzakelijk zijn met
het oog op de geluidbelasting.
§ 10.3.3.4. Luchthavenluchtverkeer in geval van vergunning voor
burgermedegebruik
Artikel 10.29
1. De houder van een vergunning voor burgermedegebruik en Onze Minister
van Defensie bevorderen het goede verloop van het luchthavenluchtverkeer
overeenkomstig de vergunning en het luchthavenbesluit voor zover dit
betrekking heeft op het burgerluchtverkeer. Zij treffen daartoe zelf en
in onderlinge samenwerking de voorzieningen die redelijkerwijs van hen
kunnen worden gevergd om te bewerkstelligen dat de belasting vanwege het
luchthavenluchtverkeer een in de vergunning voor het burgermedegebruik
opgenomen grenswaarde, daaronder begrepen een voor het burgermedegebruik
vastgesteld maximum aantal vliegtuigbewegingen, niet overschrijdt.
2. Ingeval de vergunning voor burgermedegebruik is verleend aan een
burgerexploitant, is artikel 8.19 van overeenkomstige toepassing.
3. Artikel 8.21 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.30
1. Zodra Onze Minister van Defensie ter zake van een vergunning voor
burgermedegebruik constateert dat een grenswaarde, daaronder begrepen
een vastgesteld maximum aantal vliegtuigbewegingen, ten behoeve van het
vergunde burgermedegebruik is overschreden, schrijft hij maatregelen
voor die naar zijn oordeel bijdragen aan het terugdringen van de
belasting vanwege het verkeer ten behoeve van de burgerluchtvaart.
2. Onze Minister van Defensie trekt de maatregelen in of matigt deze
voor zover zij naar zijn oordeel niet langer nodig zijn voor het
terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen
de grenswaarden, daaronder begrepen het aantal vliegtuigbewegingen voor
dat verkeer.
3. Voordat Onze Minister van Defensie een maatregel voorschrijft, stelt
hij degene tot wie de maatregel is gericht in de gelegenheid zijn
zienswijze kenbaar te maken.
4. Deartikelen 8.19 en 8.21 zijn in geval de vergunning voor
burgermedegebruik is verleend aan een burgerexploitant, van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de voorgeschreven
maatregelen.
§ 10.3.3.5. De toegang tot en de exploitatie van de luchthaven voor
burgerluchtvaart
Artikel 10.31
De burgerexploitant is verplicht om in door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen
gevallen burgerluchthavenluchtverkeer op de luchthaven toe te laten.
Artikel 10.32
Het is de houder van een vergunning voor burgermedegebruik verboden om
zonder of in afwijking van een daarvoor door Onze Minister van Defensie
verleende vergunning op de luchthaven bouwwerken of andere opstallen op
te richten, te hebben of te wijzigen dan wel bomen, gewassen of planten
te hebben. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van het hebben van roerende zaken of het verrichten van
graafwerk anders dan in verband met de exploitatie of het onderhoud van
dat deel van de luchthaven. Aan de vergunning kunnen beperkingen en
voorschriften worden verbonden.
§ 10.3.3.6. Informatievoorziening luchthavens met vergunning voor
burgermedegebruik
Artikel 10.33
Een ministeriële regeling op grond van deartikelen 10.34 en 10.35 wordt
vastgesteld door Onze Minister van Defensie in overeenstemming met Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Artikel 10.34
1. De houder van de vergunning voor burgermedegebruik draagt zorg voor
het registreren van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer ten
behoeve van de burgerluchtvaart zodanig dat een vergelijking mogelijk is
met de in het luchthavenbesluit opgenomen grenswaarden voor
burgerluchtvaart. Hij verricht de berekeningen die voor die registratie
noodzakelijk zijn. Indien voor het burgermedegebruik een maximum aantal
vliegtuigbewegingen is vastgesteld, draagt de houder van de vergunning
zorg voor het registreren van het aantal vliegtuigbewegingen.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent het
registreren en omtrent de berekeningen die daartoe noodzakelijk zijn.
Artikel 10.35
1. De houder van de vergunning voor burgermedegebruik verstrekt aan Onze
Minister van Defensie:
a. de op grond van artikel 10.34, eerste lid, door hem geregistreerde
gegevens;
b. gegevens over de in artikel 10.34 bedoelde berekeningen, voor zover
die door hem zijn verricht.
2. De houder van de vergunning voor burgermedegebruik verstrekt aan Onze
Minister van Defensie gegevens over de ter uitvoering van artikel
10.29getroffen voorzieningen.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de gegevensverstrekking.
Artikel 10.36
1. Artikel 8.29 is ten aanzien van de veiligheidsaspecten van het
luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de burgerluchtvaart van
overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van de milieuaspecten van
luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de burgerluchtvaart is artikel
8.29 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat het in dat
artikel bedoelde verslag wordt uitgebracht door Onze Minister van
Defensie.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent het openbaar
maken van op grond van de artikelen 10.34 of 10.35 geregistreerde of
verstrekte gegevens. Artikel 8.30, tweede lid, is van toepassing.
§ 10.3.3.7. Commissie van overleg en voorlichting milieu militaire
luchthavens met vergunning voor burgermedegebruik
Artikel 10.37
1. De inartikel 10.25 bedoelde commissie wordt in ieder geval uitgebreid
met een vertegenwoordiger van degene aan wie een vergunning voor
burgermedegebruik is verleend.
2. De in artikel 10.25 bedoelde commissie kan worden uitgebreid met
vertegenwoordigers van rechtspersoonlijkheid bezittende
gebruikersorganisaties.
Afdeling 10.3.4. Militaire luchthavens met luchthavenregeling
§ 10.3.4.1. Algemeen
Artikel 10.38
Deze afdeling is van toepassing op militaire luchthavens waarvoor op
grond van artikel 10.12 vaststelling van een luchthavenbesluit niet is
vereist.
§ 10.3.4.2. Luchthavenregeling
Artikel 10.39
1. Bij regeling van Onze Minister van Defensie kan voor een luchthaven
een luchthavenregeling worden vastgesteld.
2. In een luchthavenregeling wordt het luchthavengebied vastgesteld. Een
luchthavenregeling kan tevens een grenswaarde voor geluidbelasting in de
vorm van een maximum aantal vliegtuigbewegingen per jaar bevatten.
3. Op de voorbereiding of de wijziging van een luchthavenregeling is
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
4. In een luchthavenregeling kunnen regels worden gegeven ten aanzien
van:
a. de aard en de omvang van het gebruik van de luchthaven;
b. het toegestane luchthavenluchtverkeer voor zover die regels
noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien
van luchthavens of categorieën luchthavens regels worden gegeven ten
aanzien van:
a. de aanleg, inrichting en uitrusting;
b. het gebruik van de luchthaven, mede met het oog op de veiligheid.
6. Het luchthavengebied wordt vastgesteld met behulp van een kaart
waarop de ligging van dit gebied is aangegeven. Deze kaart wordt
vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 10 000.
Artikel 10.40
Onze Minister van Defensie draagt er zorg voor dat het
luchthavenluchtverkeer geschiedt overeenkomstig de luchthavenregeling.
Artikel 10.41
1. Zodra Onze Minister van Defensie constateert dat de in artikel 10.39,
tweede lid, bedoelde grenswaarde is overschreden, schrijft hij
maatregelen voor die naar zijn oordeel bijdragen aan het terugdringen
van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de gestelde
grenswaarde.
2. Onze Minister van Defensie trekt de maatregelen in of matigt deze
voor zover de maatregelen naar zijn oordeel niet langer nodig zijn voor
het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer.
Artikel 10.42
1. Onze Minister van Defensie kan voor een luchthaven indien ten gevolge
van groot onderhoud van een baan of door een bijzonder voorval het
normale gebruik van de luchthaven naar zijn oordeel ernstig wordt
belemmerd, of in verband met bijzondere redenen van nationale of
bondgenootschappelijke aard vrijstelling verlenen van een bepaling in de
luchthavenregeling.
2. Een vrijstelling kan slechts worden verleend voor een bepaalde in de
vrijstelling vast te stellen termijn van ten hoogste een jaar.
3. Aan de vrijstelling kunnen beperkingen en voorschriften worden
verbonden met het oog op de veiligheid of de geluidbelasting.
§ 10.3.4.3. Informatievoorziening
Artikel 10.43
Onze Minister van Defensie registreert het feitelijk gebruik van de
luchthaven. Bij regeling van Onze Minister van Defensie in
overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer worden regels gesteld omtrent de wijze van
registratie en openbaarmaking van deze gegevens.
Titel 10.4. Overige bepalingen met betrekking tot militaire luchtvaart
Artikel 10.44
1. Van het in artikel 8.1a, eerste lid, genoemde verbod kan vrijstelling
worden verleend door Onze Minister van Defensie ten behoeve van de
militaire luchtvaart.
2. Aan de vrijstelling kunnen beperkingen en voorschriften worden
verbonden.
Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
Titel 11.1. Toezicht en strafrechtelijke handhaving
Artikel 11.1
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet
bepaalde, met uitzondering van de artikelen 8.25d tot en met 8.25h zijn
belast:
a. de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde
ambtenaren, met dien verstande dat dit toezicht zich niet uitstrekt tot
het bepaalde bij of krachtens titel 6.5 en de artikelen 10.7 en 10.8;
b. voor zover het betreft de burgerluchtvaart de hiertoe bij besluit van
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen ambtenaren; de
aanwijzing kan inhouden, dat de betrokken ambtenaar slechts belast is
met het toezicht op de naleving van een of enkele in die aanwijzing
genoemde hoofdstukken of artikelen gesteld bij of krachtens deze wet;
c. voor zover het betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen als
bedoeld in titel 6.5 en de artikelen 10.7 en 10.8, met luchtvaartuigen
waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid
houder is, de hiertoe bij besluit van Onze Minister van Defensie
aangewezen ambtenaren; de aanwijzing kan inhouden dat de betrokken
ambtenaar slechts belast is met het toezicht op de naleving van een of
enkele in die aanwijzing genoemde artikelen gesteld bij of krachtens
deze wet;
d. voor zover het betreft titel 8A.6 de hiertoe bij besluit van Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
aangewezen ambtenaren.
2. Met het toezicht op de naleving van hetgeen bepaald is bij of
krachtens de kaderverordening, de luchtvaartnavigatiedienstenverordening,
de luchtruimverordening en interoperabiliteitsverordening, zijn belast
de hiertoe bij besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
aangewezen ambtenaren. De aanwijzing kan inhouden, dat de betrokken
ambtenaar slechts belast is met het toezicht op de naleving van een of
enkele in die aanwijzing genoemde hoofdstukken of artikelen gesteld bij
of krachtens een van de genoemde verordeningen.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan met het oog op de
coördinatie van het beleid ten aanzien van het toezicht algemene
aanwijzingen geven aan de ambtenaren, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a.
4. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, de onderdelen b tot en
met d, of het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
Artikel 11.1a
1. Indien een natuurlijke of rechtspersoon voldoet aan de in Bijlage I
van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening genoemde eisen, verleent
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat op aanvraag een erkenning om de
in artikel 2, tweede lid, van die verordening bedoelde inspecties en
onderzoeken uit te voeren.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent:
a. de in Bijlage I van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening
genoemde eisen;
b. de aanvraag, verlening en verlenging van een erkenning;
c. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd ter zake van de kosten
van de handelingen met betrekking tot de aanvraag en verlening van de
erkenning;
d. het tarief, dat een houder van een erkenning is verschuldigd ter zake
van de kosten van toezicht. Onder het toezicht op de naleving van de in
het eerste lid bedoelde eisen behoort in ieder geval het periodiek en in
voorkomend geval steekproefsgewijs onderzoeken van een houder.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een erkenning geheel of
gedeeltelijk schorsen, indien een ernstig vermoeden rijst dat de houder
van de erkenning:
a. niet voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen, of
b. ter verkrijging van de erkenning onjuiste of onvolledige gegevens
heeft verstrekt.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een erkenning intrekken
wegens de in het derde lid genoemde redenen of indien de erkenning
gedurende tenminste drie maanden is geschorst.
Artikel 11.1b
1. De op basis van artikel 11.1, tweede lid, aangewezen ambtenaren
kunnen de werkzaamheden en inspecties, bedoeld in artikel 14, zesde lid,
van richtlijn nr. 2006/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 5 april 2006 inzake een communautaire vergunning
van verkeersleiders (PbEU L 114) overdragen aan een houder van een
erkenning als bedoeld in artikel 11.1a.
2. Een wijziging van artikel 14, zesde lid, van richtlijn nr. 2006/23/EG
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 april
2006 inzake een communautaire vergunning van luchtverkeersleiders (PbEU
L 114) gaat voor de toepassing van het eerste lid gelden met ingang van
de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn
gegeven.
Artikel 11.2
1. De toezichthouders kunnen hun bevoegdheid inzage te vorderen van
zakelijke gegevens en bescheiden niet uitoefenen op taxi-, start- en
landingsbanen van een luchthaven.
2. Indien de toezichthouders toegang verlangen tot militaire terreinen
of gebouwen geschiedt zulks eerst na overleg met Onze Minister van
Defensie.
3. In geval van onmiddellijke dreiging van gevaar zijn de
toezichthouders bevoegd het bedienen of opstijgen van luchtvaartuigen in
strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde te verbieden of te
beletten.
4. Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige
toepassing bij uitoefening van de bevoegdheid door toezichthouders
buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam.
5. Voor de werking van dit artikel, met uitzondering van het vierde lid,
wordt onder toezichthouders mede begrepen de inspecteur, bedoeld in
artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet.
Artikel 11.2a
1. Tot het toezicht op de naleving van de verplichtingen, voortvloeiend
uit de erkenning, bedoeld in artikel 3.25, behoort in ieder geval:
a. het periodiek onderzoeken van het erkende bedrijf;
b. het steekproefsgewijs onderzoeken van door het erkende bedrijf
vervaardigde ontwerpen, producten of onderdelen.
De houder van een erkenning is verplicht aan voor het houden van het
toezicht noodzakelijke werkzaamheden medewerking te verlenen.
2. Tot het toezicht op de naleving van de verplichtingen, voortvloeiend
uit de AOC, bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, behoort in ieder geval:
a. het periodiek onderzoeken van de houder van de AOC, en
b. het uitvoeren van inspectievluchten.
De houder van de AOC is verplicht aan voor het houden van het toezicht
noodzakelijke werkzaamheden medewerking te verlenen.
3. De houder van een erkenning of een AOC is gehouden tot betaling,
overeenkomstig door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te stellen
regels, van het door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat ter zake
van de kosten van toezicht vastgestelde tarief.
Artikel 11.2b
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ten behoeve van het
toezicht op de naleving van de verplichting, bedoeld in artikel 8.25a,
een onderzoek instellen bij de exploitant van de luchthaven.
2. Met het onderzoek zijn belast de krachtens artikel 11.1, eerste lid,
aangewezen toezichthouders.
3. In afwijking van het tweede lid, kan Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat het onderzoek laten verrichten door een of meer aangewezen
deskundigen.
4. De ingevolge het derde lid aangewezen deskundigen horen gebruikers.
5. Na afloop van het onderzoek wordt daarvan een rapport opgemaakt.
6. Een afschrift van het rapport wordt gezonden aan de exploitant van de
luchthaven.
7. De exploitant van de luchthaven wordt gedurende vier weken na de
toezending van het rapport, in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of
mondeling zijn zienswijze daaromtrent naar voren te brengen. Van hetgeen
mondeling naar voren is gebracht, wordt een verslag gemaakt.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld omtrent het in het eerste lid bedoelde onderzoek.
Artikel 11.3
1. Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde
feiten zijn belast de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering aangewezen ambtenaren, alsmede de bij besluit van Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat, respectievelijk Onze Minister van
Defensie aangewezen ambtenaren.
2. De opsporingsambtenaren zijn bevoegd het verrichten van werkzaamheden
aan boord van luchtvaartuigen of het bedienen of opstijgen van
luchtvaartuigen in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde te
verbieden of te beletten en voor zover het een burgerluchtvaartuig
betreft, het luchtvaartuig, waarmee de overtreding wordt begaan naar een
door hen aangewezen plaats over te brengen of te doen overbrengen en
aldaar in bewaring te stellen.
3. De betrokken ambtenaar maakt van de inbewaringstelling proces-verbaal
op, dat hij binnen vierentwintig uur zendt aan de officier van justitie
van de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de inbewaringstelling
geschiedt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt tegelijkertijd
uitgereikt of toegezonden aan de gezagvoerder en aan de houder van het
betrokken luchtvaartuig. Artikel 11.7, vierde lid, is ten aanzien van de
gezagvoerder en de houder van overeenkomstige toepassing.
4. De kosten verbonden aan de uitvoering van het tweede lid kunnen door
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat worden ingevorderd bij
dwangbevel.
Artikel 11.4
1. Op eerste vordering van een opsporingsambtenaar is degene, die op
grond van artikel 2.1 in het bezit dient te zijn van een bewijs van
bevoegdheid, een bewijs van gelijkstelling of een medische verklaring,
verplicht dat bewijs of die verklaring behoorlijk ter inzage af te
geven.
2. Op eerste vordering van een opsporingsambtenaar is het lid van het
boordpersoneel, dat werkzaamheden verricht of aanstalten maakt
werkzaamheden te gaan verrichten, verplicht zijn medewerking te verlenen
aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en daartoe volgens de
door de opsporingsambtenaar te geven aanwijzingen ademlucht te blazen in
een door die ambtenaar aangewezen apparaat.
Artikel 11.5
1. Een opsporingsambtenaar kan het lid van het boordpersoneel van wie,
uit het in artikel 11.4, tweede lid, bedoelde onderzoek of op andere
wijze, naar het oordeel van de opsporingsambtenaar gebleken is dat hij
onder zodanige invloed van een stof, als bedoeld in artikel 2.12, eerste
lid, verkeert, dat hij onvoldoende in staat is zijn werkzaamheden
behoorlijk te verrichten, een vliegverbod opleggen voor de tijd
gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze toestand zal
voortduren, tot ten hoogste vierentwintig uren. De vorige volzin is van
overeenkomstige toepassing op het lid van het boordpersoneel, dat
aanstalten maakt zijn werkzaamheden te gaan verrichten.
2. In geval van verdenking van overtreding van artikel 2.12, tweede lid,
kan een opsporingsambtenaar aan het betreffende lid van het
boordpersoneel een vliegverbod opleggen tot ten hoogste vierentwintig
uren.
3. De opsporingsambtenaar, die een verbod als bedoeld in het eerste of
tweede lid oplegt, legt dit vast in een beschikking die het tijdstip van
ingang en de duur van het verbod bevat.
4. Het is een lid van het boordpersoneel verboden de werkzaamheden, die
hij moet verrichten, te verrichten gedurende de tijd waarvoor een
vliegverbod als bedoeld in het eerste of tweede lid, geldt.
Artikel 11.6
1. Bij verdenking dat een lid van het boordpersoneel werkzaamheden heeft
verricht in strijd met artikel 2.12, eerste of derde lid, kan de
opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een
onderzoek als bedoeld in artikel 2.12, derde lid, onder a.
2. Het lid van het boordpersoneel aan wie het in het eerste lid bedoelde
bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het
onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de
opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
3. De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de
verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan
een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen
onwenselijk is.
4. In het geval, bedoeld in het derde lid, dan wel indien de medewerking
van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan
de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft
tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.12, derde
lid, onder b. Gelijke bevoegdheid heeft de opsporingsambtenaar, indien
het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in
artikel 2.12, eerste lid, bedoelde stof dan alcoholhoudende drank
verkeert.
5. Indien het lid van het boordpersoneel zijn op grond van het vierde
lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie,
een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van
Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren van politie hem bevelen
zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek.
6. Het lid van het boordpersoneel aan wie is bevolen zich aan een
bloedonderzoek te onderwerpen is verplicht aan dit bevel gevolg te geven
en zijn medewerking te verlenen; hem wordt door een arts zoveel bloed
afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is.
7. De in het zesde lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de
verdachte van wie aannemelijk is, dat afname van bloed bij hem om
bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
8. De krachtens het zevende lid vrijgestelde personen zijn verplicht mee
te werken aan een door de officier van justitie, door een hulpofficier
van justitie of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister
van Justitie aangewezen ambtenaren van politie bevolen onderzoek
teneinde op andere wijze dan door bloedonderzoek het gebruik van de in
artikel 2.12, eerste lid bedoelde stoffen of het in 2.12, derde lid,
onder b genoemde gehalte vast te stellen.
9. Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan
hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van
justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van
Justitie aangewezen opsporingsambtenaren, door een arts de in het zesde
lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen. Een onderzoek van het
bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is
gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem
overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid worden bevolen zijn
medewerking te verlenen. De verdachte, aan wie een zodanig bevel is
gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte
weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd.
10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gegeven omtrent de wijze van uitvoering van artikel 11.4, tweede lid, en
van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de
mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij
regeling van Onze Minister van Justitie worden in de bij die algemene
maatregel aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die
regels vastgesteld.
Artikel 11.7
1. Op de eerste vordering van een opsporingsambtenaar is het lid van het
boordpersoneel, tegen wie door een van die personen ter zake van
overtreding van:
a. artikel 2.12, indien bij een onderzoek als bedoeld in het derde lid,
onderdeel a respectievelijk onderdeel b, van dat artikel blijkt of bij
gebreke van een dergelijk onderzoek een ernstig vermoeden bestaat dat
het alcoholgehalte van het lid van het boordpersoneel hoger is dan
tweehonderdzeventig microgram (270 µg) alcohol per liter uitgeademde
lucht respectievelijk drievijfde milligram (0,6 mg) alcohol per
milliliter bloed, of
b. artikel 11.6, tweede, zesde, achtste en negende lid, proces-verbaal
wordt opgemaakt,
verplicht tot afgifte van het hem afgegeven bewijs van bevoegdheid of
bewijs van gelijkstelling.
2. Het ingevorderde bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling
wordt, tegelijk met het proces-verbaal, onverwijld opgezonden aan de
betrokken officier van justitie. Deze is bevoegd het ingevorderde bewijs
van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling onder zich te houden,
totdat de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of,
indien bij die uitspraak het lid van het boordpersoneel de bevoegdheid
een luchtvaartuig te bedienen is ontzegd, tot het tijdstip waarop die
uitspraak, voor wat betreft de bijkomende straf der ontzegging voor
tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. In het laatste geval levert de
ambtenaar, na het bovenbedoelde tijdstip, het bewijs van bevoegdheid of
van gelijkstelling in bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
3. Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van
invordering niet gebruik maakt van de in het tweede lid bedoelde
bevoegdheid, geeft hij het ingevorderde bewijs onverwijld terug aan de
houder. Teruggave vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet
worden gehouden met de mogelijkheid, dat aan de houder in geval van
veroordeling geen onvoorwaardelijke ontzegging van een bevoegdheid als
bedoeld in artikel 11.11, tweede lid, zal worden opgelegd, dan wel geen
onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende
welke het bewijs is ingevorderd of ingevorderd geweest, of indien het
onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de
dag van invordering is aangevangen.
4. De opsporingsambtenaar, die gebruik maakt van de in het eerste lid
bedoelde bevoegdheid, en de officier van justitie, die gebruik maakt van
de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid, doen daarvan onverwijld
mededeling aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Indien de
officier van justitie het ingevorderde bewijs van bevoegdheid of bewijs
van gelijkstelling aan de houder teruggeeft, doet hij daarvan op gelijke
wijze mededeling.
5. In geval van toepassing van het eerste of het tweede lid kan iedere
belanghebbende bij klaagschrift daartegen opkomen. Het klaagschrift
wordt ingediend bij de griffie van het gerecht in feitelijke aanleg
binnen welks rechtsgebied het feit, dat tot toepassing van het eerste of
het tweede lid van dit artikel aanleiding heeft gegeven, werd gepleegd
dan wel ingevolge artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering geacht
wordt te zijn gepleegd. De rechtbank geeft zo spoedig mogelijk, na de
belanghebbende, desverlangd bijgestaan door diens raadsman, te hebben
gehoord, althans opgeroepen, zijn met redenen omklede beschikking, welke
onverwijld aan de belanghebbende wordt betekend. Tegen de beschikking
kan het openbaar ministerie binnen twee weken daarna en de
belanghebbende binnen twee weken na de betekening beroep in cassatie
instellen. De Hoge Raad beslist zo spoedig mogelijk.
6. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met
zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor toepassing van
het eerste of tweede lid niet is toegelaten, kan de rechter op verzoek
van de gewezen verdachte hem een vergoeding ten laste van de Staat
toekennen voor de schade, die hij ten gevolge van die toepassing heeft
geleden. Onder schade is begrepen het nadeel, dat niet in
vermogensschade bestaat. De artikelen 89, derde tot en met zesde lid,
90, 91 en 93 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 11.8
1. Indien het proces-verbaal, bedoeld in artikel 11.7, eerste lid,
betreft een lid van het boordpersoneel als bedoeld in artikel 10.1,
tweede lid, stelt de opsporingsambtenaar onverwijld, voor de afloop van
de in artikel 11.5, eerste lid, bedoelde periode, de officier van
justitie bij het gerecht, bedoeld in hoofdstuk II, titel I, III of IV
van de Wet militaire strafrechtspraak daarvan in kennis.
2. De officier van justitie, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd het
betrokken lid van het boordpersoneel een vliegverbod op te leggen,
totdat de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of,
indien bij die uitspraak het lid van het boordpersoneel de bevoegdheid
een luchtvaartuig te bedienen is ontzegd, tot het tijdstip waarop die
uitspraak, voor wat betreft de bijkomende straf der ontzegging voor
tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. De betrokken officier van
justitie stelt hiervan onverwijld Onze Minister van Defensie in kennis.
3. Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van
invordering niet gebruik maakt van de in het tweede lid bedoelde
bevoegdheid, heft hij het vliegverbod op. Opheffing vindt eveneens
plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de
mogelijkheid, dat aan de houder in geval van veroordeling geen
onvoorwaardelijke ontzegging van een bevoegdheid, bedoeld in artikel
11.11, tweede lid, zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke
ontzegging van langere duur wordt opgelegd dan de tijd gedurende welke
het vliegverbod geldt, of indien het onderzoek van de zaak op de
terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van oplegging van het
vliegverbod is aangevangen. De betrokken officier van justitie stelt
hiervan onverwijld Onze Minister van Defensie in kennis.
4. In geval van toepassing van het tweede lid kan iedere belanghebbende
bij klaagschrift daartegen in beroep komen. Artikel 11.7, vijfde lid, is
van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat het klaagschrift
wordt ingediend bij de griffie van het gerecht in feitelijke aanleg,
bedoeld in hoofdstuk II, titel I, III of IV van de Wet militaire
strafrechtspraak en de beschikking van de rechtbank eveneens onverwijld
aan Onze Minister van Defensie wordt betekend.
5. Ten aanzien van het vliegverbod, bedoeld in het tweede lid, is
artikel 11.5, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11.8a
De artikelen 11.4, tweede lid, 11.5, eerste, derde en vierde lid, 11.6,
11.7 en 11.8 zijn van overeenkomstige toepassing op degene, die
luchtverkeersdienstverlening geeft als bedoeld in artikel 2.1,5.16 of
10.2 dan wel een grondstation of een mobiel station als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, bedient, met dien verstande, dat voor de
toepassing van artikel 11.5 in plaats van het opleggen van een
vliegverbod treedt het verbieden van het geven van
luchtverkeersdienstverlening of het gebruiken van een grondstation als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid.
Artikel 11.9
1. Met een hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van
ten hoogste de derde categorie wordt gestraft degene, die
a. handelt in strijd met de artikelen
1°. 1.3;
2°. 2.1, eerste, tweede en vierde lid, 2.3, achtste lid, 2.5, tweede
lid, 2.6, derde lid, 2.10, tweede lid, 2.11;
3°. 3.1, 3.2, 3.5, vierde lid, 3.8, tweede lid, 3.16, derde lid, 3.19,
eerste lid, 3.19a, eerste en vijfde lid, 3.19c, vierde lid, 3.19e,
tweede, derde en vierde lid, 3.19f, vijfde en zevende lid, 3.22, eerste
en tweede lid, 3.25, vierde lid, 3.30, tweede lid;
4°. 4.8;
5°. 5.2, 5.3, 5.4, 5.6 tot en met 5.9, 5.10, vijfde lid, 5.16;
6°. 6.59;
7°. 7.4, eerste en tweede lid;
8°. 8.1a, eerste tot en met vierde en zesde lid;
10°. 10.1, tweede en derde lid, 10.2, 10.13, eerste lid;
11°. 11.2a, 11.4, 11.7, eerste lid, en 11.8a voor zover het betreft de
artikelen 11.4, tweede lid, en 11.7;
b. handelt in strijd met het bepaalde krachtens de artikelen
1°. 2.1, derde lid, 2.3, vijfde lid;
3°. 3.7, 3.23, 3.31;
5°. 5.5, 5.11 en 5.12, tweede lid.
2. De in het eerste lid van dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
3. Handelen in strijd met krachtens deze wet gestelde regels, bedoeld in
het eerste lid, onder b, vormt slechts een strafbaar feit voorzover dit
in die regels uitdrukkelijk is bepaald.
Artikel 11.10
1. Met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van
ten hoogste de vierde categorie wordt gestraft degene, die handelt in
strijd met de artikelen
a. 1.2a;
b. 2.12;
c. 3.8, eerste lid, 3.13, vierde en vijfde lid;
d. 11.5, vierde lid, 11.6, tweede, zesde, achtste en negende lid, 11.8,
vijfde lid, 11.8a voor zover het betreft de artikelen 11.5, 11.6 en
11.8, 11.12 en 11.14.
2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
Artikel 11.10a
1. Voor een overtreding of misdrijf waarop in de artikelen 11.9 en 11.10
een geldboete van de derde of vierde categorie is gesteld, kan de
rechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba telkens
een geldboete van ten hoogste de derde categorie, onderscheidenlijk de
vierde categorie opleggen.
2. Handelen in strijd met de artikelen 4.1, eerste en derde lid, alsmede
als strafbare feiten aangeduide overtredingen van voorschriften
krachtenshoofdstuk 4 wordt in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba aangemerkt als een overtreding en wordt door de
rechter gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste 6 maanden, een
taakstraf of een geldboete van de vierde categorie.
Artikel 11.11
1. Bij veroordeling wegens overtreding van een der in artikel 11.9,
eerste lid, strafbaar gestelde feiten kan de bevoegdheid
a. aan boord van een luchtvaartuig werkzaamheden te verrichten als lid
van het boordpersoneel,
b. werkzaamheden te verrichten aan een luchtvaartuig,
c. luchtverkeersdienstverlening te geven,
voor ten hoogste drie jaren worden ontzegd.
2. Bij veroordeling wegens overtreding van een der in artikel 11.10,
eerste lid, strafbaar gestelde feiten kan een bevoegdheid als bedoeld in
het eerste lid voor ten hoogste zes jaren worden ontzegd.
3. Indien tijdens het plegen van een der strafbare feiten, genoemd in
artikel 11.9, eerste lid, of bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur aangewezen, nog geen drie jaren zijn verlopen na het einde van
de tijdsduur waarvoor bij een vroegere onherroepelijke veroordeling
wegens een van die strafbare feiten of wegens een der in artikel 11.10
bedoelde strafbare feiten de betrokkene een bevoegdheid als bedoeld in
het eerste lid is ontzegd, kan hem die bevoegdheid voor ten hoogste zes
jaren worden ontzegd.
4. Indien tijdens het plegen van een der strafbare feiten, genoemd in
artikel 11.10, eerste lid, nog geen zes jaren zijn verlopen na het einde
van de tijdsduur waarvoor bij een vroegere onherroepelijke veroordeling
wegens een van die strafbare feiten de betrokkene een bevoegdheid als
bedoeld in het eerste lid is ontzegd, kan hem die bevoegdheid voor ten
hoogste twaalf jaren worden ontzegd.
5. Onder vroegere onherroepelijke veroordeling als bedoeld in het derde
onderscheidenlijk het vierde lid, wordt mede verstaan een vroegere
onherroepelijke veroordeling door een strafrechter in een andere
lidstaat van de Europese Unie wegens feiten soortgelijk aan de feiten,
bedoeld in het derde onderscheidenlijk het vierde lid.
Artikel 11.12
1. Het is degene, die weet of redelijkerwijs moet weten, dat een hem
afgegeven bewijs van bevoegdheid of een daarop aangetekende
bevoegdverklaring krachtens artikel 2.5 is geschorst, verboden gedurende
de tijd van schorsing werkzaamheden te verrichten, waartoe het
geschorste bewijs of de geschorste bevoegdverklaring de bevoegdheid gaf.
2. Het is degene, die weet of redelijkerwijs moet weten, dat een hem
afgegeven bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling krachtens
artikel 11.7 is ingevorderd, verboden gedurende de tijd, dat het bewijs
is ingevorderd, werkzaamheden te verrichten, waartoe het geschorste
bewijs of de geschorste bevoegdverklaring de bevoegdheid gaf.
3. Het is degene, die weet of redelijkerwijs moet weten, dat hem bij
rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het verrichten van
werkzaamheden als bedoeld in artikel 11.11 is ontzegd, verboden
gedurende de tijd, dat hem die bevoegdheid is ontzegd, die werkzaamheden
te verrichten.
Artikel 11.13
1. Bij de toepassing van artikel 11.11 gaat de bijkomende straf in en
verliest elk aan de veroordeelde ingevolge artikel 2.2 afgegeven bewijs
van bevoegdheid of ingevolge artikel 2.7 afgegeven bewijs van
gelijkstelling zijn geldigheid voor de duur van de ontzegging, zodra de
rechterlijke uitspraak voor wat genoemde bijkomende straf betreft, voor
tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. De uitspraak is, voor wat de
bijkomende straf betreft, niet voor tenuitvoerlegging vatbaar, zolang de
termijn, waarvoor hem bij een of meer andere rechterlijke uitspraken die
bevoegdheid is ontzegd, nog niet verstreken is.
2. Bij de rechterlijke uitspraak kan worden bepaald, dat de tijd,
gedurende welke het bewijs van bevoegdheid van de veroordeelde ingevolge
artikel 11.7 voor het tijdstip, waarop de uitspraak voor wat betreft de
in dit artikel genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar
is geworden, ingehouden is geweest, dan wel ingevolge artikel 11.8,
tweede lid, een vliegverbod is opgelegd, op de duur van de in het eerste
lid bedoelde bijkomende straf geheel of gedeeltelijk in mindering zal
worden gebracht.
3. Voor wat betreft de in het eerste lid bedoelde bijkomende straf is
artikel 557, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering op
rechterlijke uitspraken niet van toepassing.
Artikel 11.14
1. Het is degene, die een luchtvaartuig bedient, verboden na een ongeval
of een landing, waarbij een ander is gedood of letsel of schade aan een
ander is toegebracht, zich van de plaats van dat ongeval of die landing
te verwijderen, tenzij hij behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot
vaststelling van zijn identiteit en van de identiteit van dat
luchtvaartuig.
2. Niet strafbaar is degene, die een luchtvaartuig bedient en die zich
na een ongeval of landing, bedoeld in het eerste lid, van de plaats van
dat ongeval of die landing verwijdert doch binnen twaalf uren na dat
ongeval of die landing en voordat hij als verdachte is aangehouden of
verhoord, vrijwillig kennis geeft aan een van de in artikel 141 van het
Wetboek van Strafvordering bedoelde ambtenaren en daarbij zijn
identiteit en de identiteit van het betrokken luchtvaartuig bekendmaakt.
Artikel 11.14a
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de artikelen
8.25d tot en met 8.25h bepaalde zijn belast de bij besluit van de raad
van de Nederlandse Mededingingsautoriteit aangewezen ambtenaren van de
Nederlandse Mededingingsautoriteit. De artikelen 51, 53 en 54 van de
Mededingingswet zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt bekendgemaakt in de
Staatscourant.
Titel 11.2. Bestuursrechtelijke handhaving
§ 11.2.1. Bestuursrechtelijke handhaving door Minister van Verkeer en
Waterstaat
Artikel 11.15
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot oplegging van een
last onder bestuursdwang ter handhaving van:
a. de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen, met
uitzondering van verplichtingen als bedoeld in deartikelen 8.25d tot en
met 8.25h;
b. het bepaalde bij of krachtens de volgende EG verordeningen:
1°. Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 11 februari 2004 tot vaststelling van
gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan
luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige
vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr.
259/91 (PbEU L 46);
2°. de kaderverordening;
3°. de luchtvaartnavigatiedienstenverordening;
4°. de luchtruimverordening;
5°. de interoperabiliteitsverordening;
6°. Hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 december 2005
betreffende de vaststelling van een communautaire lijst van
luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod binnen de
Gemeenschap is opgelegd en het informeren van luchtreizigers over de
identiteit van de exploiterende luchtvaartmaatschappij en tot intrekking
van artikel 9 van richtlijn nr. 2004/36/EG (PbEU L344);
7°. Verordening (EG) nr. 1107/2006 van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 5 juli 2006 inzake de rechten van
gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer
reizen (PbEU L 204);
8°. de vergoedingenverordening.
Artikel 11.16
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een bestuurlijke boete
opleggen bij overtreding van:
a. artikel 5.14c of 5.14d, eerste lid;
b. artikel 7.1, eerste lid;
c. artikel 8.12, 8.19, 8.20, 8.21, 8.70, tweede lid, juncto de artikelen
8.12 en 8.19 tot en met 8.21, 8.77, tweede lid, juncto de artikelen 8.19
en 8.21, eerste en derde lid, of van een beperking of voorschrift als
bedoeld in artikel 8.23, 8.70, tweede lid, juncto artikel 8.23 of 8.77,
tweede lid, juncto artikel 8.23;
d. artikel 7.5 of van een maatregel als bedoeld in artikel 8.22, 8.70,
tweede lid, juncto artikel 8.22 of8.77, tweede lid, juncto artikel 8.2;
e. het bepaalde bij of krachtens:
1°. Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 11 februari 2004 tot vaststelling van
gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan
luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige
vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr.
259/91 (PbEU L 46);
2°. Hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 december 2005
betreffende de vaststelling van een communautaire lijst van
luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod binnen de
Gemeenschap is opgelegd en het informeren van luchtreizigers over de
identiteit van de exploiterende luchtvaartmaatschappij en tot intrekking
van artikel 9 van richtlijn nr. 2004/36/EG (PbEU L 344) en
3°. Verordening (EG) nr. 1107/2006 van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 5 juli 2006 inzake de rechten van
gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer
reizen (PbEU L 204).
2. Een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom kunnen tezamen
worden opgelegd.
3. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste:
a. 500 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a;
b. 1 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b;
c. 100 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c;
d. 1 000 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel d;
e. 74 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel e.
Artikel 11.16a
1. Onverminderd titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht kan de
verlener van luchtvaartnavigatiediensten de verdere verlening van
luchtvaartnavigatiediensten opschorten, indien de gebruiker van die
diensten niet heeft voldaan aan de eis tot het onmiddellijk en volledig
betalen van de vergoedingen, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid,
onderdeel b, en artikel 5.21, tweede lid.
2. De opschorting kan slechts plaatsvinden wanneer een gebruiker
gedurende drie maanden zijn openstaande facturen voor de vergoedingen
niet heeft betaald of wanneer de achterstallige schuld minimaal 10.000
euro bedraagt.
3. Voor de opschorting van de dienstverlening, stuurt de verlener van
luchtvaartnavigatiediensten een aangetekend besluit naar de gebruiker
waarin wordt aangegeven dat bij niet-betaling van de vergoedingen binnen
30 dagen de dienstverlening op kosten van de gebruiker zal worden
opgeschort. Het besluit bevat de datum en het tijdstip vanaf wanneer
geen dienstverlening meer zal worden gegeven.
4. De kosten bedoeld in het derde lid, omvatten in ieder geval:
a. parkeerkosten voor het luchtvaartuig die de gebruiker als gevolg van
de opschorting aan de betrokken luchthavenexploitant verschuldigd wordt,
b. kosten van verleende grondafhandelingsdiensten die de gebruiker als
gevolg van de opschorting aan verleners van die diensten verschuldigd
wordt.
5. De dienstverlening blijft opgeschort zolang de achterstallige schuld
vermeerderd met de in het derde lid bedoelde kosten niet is voldaan.
6. De desbetreffende verlener van luchtvaartnavigatiediensten stelt de
volgende instanties onverwijld op de hoogte van het besluit tot
opschorting van de dienstverlening:
a. overige verleners van luchtvaartnavigatiediensten in de gebieden in
en grenzend aan het vluchtinformatiegebied Amsterdam,
b. de betrokken luchthavenexploitant,
c. de Eurocontrol-organisatie,
d. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
7. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan nadere regels stellen
voor het opschorten van de verlening van luchtvaartnavigatiediensten.
8. Artikel 5.20, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op de
inning van vergoedingen als bedoeld in het derde lid, met dien verstande
dat in onderlinge samenwerking voorzieningen worden getroffen door
verleners van luchtvaartnavigatiediensten, exploitanten van luchthavens
en verleners van grondafhandelingsdiensten.
9. De LVNL kan op verzoek van de Eurocontrol-organisatie, ook de
dienstverlening opschorten voor vluchten van gebruikers die een
achterstand hebben in de betaling van aan de Eurocontrol-organisatie
verschuldigde vergoedingen van kosten als bedoeld in artikel 5.20,
eerste lid, onderdeel a. Het tweede tot en met het zevende lid zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de achterstallige
schuld minimaal 50.000 euro bedraagt.
Artikel 11.17 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 11.18 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 11.19 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 11.20
Bij niet tijdige betaling van de bestuurlijke boete kan Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat een dwangbevel uitvaardigen.
§ 11.2.2. Bestuursrechtelijke handhaving door Minister van Defensie
Artikel 11.21
Onze Minister van Defensie is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde
verplichtingen als bedoeld in de artikelen 10.13, tweede of derde lid,
10.27 of 10.32.
Artikel 11.22
1. Onze Minister van Defensie kan een bestuurlijke boete opleggen bij
overtreding van:
a. artikel 10.17, zesde lid juncto artikel 8.12, tweede lid, artikel
10.29, tweede lid juncto artikel 8.19, artikel 10.29, derde lid juncto
artikel 8.21,artikel 10.30, vierde lid, juncto artikel 8.19
onderscheidenlijk 8.21, artikel 10.31, artikel 10.32;
b. een maatregel als bedoeld in artikel 10.30 voor zover de maatregel
zich richt tot de houder van de medegebruikvergunning verleend op grond
van artikel 10.27.
2. Deartikelen 11.16, tweede en derde lid, en 11.20 zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing
van artikel 11.20Onze Minister van Defensie de plaats inneemt van Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat.
§ 11.2.2a. Bestuursrechtelijke handhaving door Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Artikel 11.22a
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is bevoegd tot oplegging van
een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze
wet gestelde verplichtingen, bedoeld in artikel 8a.58, tweede lid,
juncto artikel 8.12, tweede en vierde lid.
Artikel 11.22b
1. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een bestuurlijke boete
opleggen bij overtreding van artikel 8a.58, tweede lid, juncto artikel
8.12.
2. De artikelen 11.16, tweede lid en derde lid, onder c, en 11.20 zijn
van overeenkomstige toepassing.
§ 11.2.3. Bestuursrechtelijke boete door gedeputeerde staten
Artikel 11.23
1. Gedeputeerde staten kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij
overtreding van:
a. artikel 8.44, vierde lid, juncto deartikelen 8.19 tot en met 8.21,
artikel 8.47, tweede lid, juncto artikel 8.12, 8.64, zesde lid, juncto
de artikelen 8.19 en 8.21, eerste en derde lid, of van een beperking of
voorschrift als bedoeld in de artikelen 8.46, 8.64, zesde lid, juncto
artikel 8.46 of 8a.51, tweede lid;
b. een maatregel als bedoeld in de artikelen 8.45 of 8.64, zesde lid,
juncto artikel 8.45.
2. Deartikelen 11.16, tweede en derde lid, en 11.20 zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing
van artikel 11.20 gedeputeerde staten de plaats innemen van Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat.
§ 11.2.4. Bestuursrechtelijke handhaving door Nederlandse
Mededingingsautoriteit
Artikel 11.24
Ingeval van overtreding van de artikelen 8.25d, eerste tot en met
dertiende lid, de krachtens het veertiende lid gestelde regels, 8.25da,
vijfde en zesde lid, 8.25e, eerste, tweede, derde of vierde lid, de
krachtens het vijfde lid gestelde regels, 8.25ea, tweede, derde lid of
vierde lid, laatste volzin, 8.25f, eerste, tweede, vierde, achtste of
negende lid, de krachtens het tiende lid gestelde regels, 8.25ga of
8.25h, eerste of derde lid, zijn artikel 54a en hoofdstuk 7, met
uitzondering van de artikelen 58a en 63, van de Mededingingswet van
overeenkomstige toepassing.
Titel 11.3. Uitzonderingen
Artikel 11.25
1. Naar aanleiding van een onopzettelijke of uit onachtzaamheid begane
overtreding van een wettelijk voorschrift stelt de Staat geen
rechtsvordering in en legt een bestuursorgaan geen bestuurlijke sanctie
op indien van deze overtreding kennis is verkregen door een melding als
bedoeld in artikel 7.1.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien sprake is van grove
nalatigheid met betrekking tot het voorval.
Artikel 11.26
Gegevens die bij een intern bedrijfsveiligheidsonderzoek in het kader
van een bij of krachtens de Wet Luchtvaart of de Luchtvaartwet
gecertificeerd veiligheidsmanagementssysteem zijn verkregen, kunnen niet
ten behoeve van strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van een
melding als bedoeld in artikel 7.1 worden gevorderd dan na machtiging
van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie.
Artikel 11.27
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat publiceert, voor zover van
toepassing, uiterlijk met ingang van één maand na de inwerkingtreding
van dit artikel en daarna steeds maandelijks, in de Staatscourant een
lijst van instanties ten aanzien waarvan in de daaraan voorafgaande
periode een beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete, bedoeld
in artikel 11.16, eerste lid, onderdeel e, of een beschikking tot
toepassing van de bestuursdwang, bedoeld in artikel 11.15, onderdeel b,
onder 1°, 6° en 7°, onherroepelijk is geworden.
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 12.1 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 12.2
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zendt drie jaar na de
inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de
werking en de doeltreffendheid van de LVNL.
Artikel 12.3
1. [Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
2. De krachtens het Luchtverkeersreglement 1980 (Stb. 1980, 786) door of
vanwege Onze Minister gegeven nadere regels, alsook de krachtens het
Luchtverkeersreglement 1980 door of vanwege Onze Minister gegeven
vrijstellingen, ontheffingen en de daaraan verbonden voorschriften
blijven nog twee jaar na het in werking treden van deze wet van kracht,
tenzij zij op een vroeger tijdstip worden ingetrokken.
3. De wet van 8 december 1971, Stb. 719, houdende inning van
vergoedingen voor het gebruik van het luchtruim, wordt ingetrokken.
Artikel 12.3a
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Economische
Zaken zenden binnen vier jaar na de inwerkingtreding van de artikelen
8.25d tot en met 8.25h en de artikelen 11.14a en 11.21 van deze wet en
vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over
de doeltreffendheid en de effecten van deze bepalingen in de praktijk.
Artikel 12.4
De ambtenaren die op het moment van inwerkingtreding van titel 5.3 van
deze wet tot het personeel van de directie Luchtverkeersbeveiliging van
de Rijksluchtvaartdienst van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat
behoren, gaan van rechtswege over in dienst van de LVNL.
Artikel 12.5
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bepaalt in overeenstemming
met Onze Minister van Financiën welke vermogensbestanddelen van de
Staat worden toegerekend aan de LVNL.
2. De in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen gaan op de datum
van inwerkingtreding van deze wet onder algemene titel over op de LVNL
tegen een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën te bepalen waarde.
3. De in het eerste lid van dit artikel bedoelde overgang van
vermogensbestanddelen wordt aangemerkt als storting op geldleningen van
de Staat aan de LVNL. De voorwaarden van de geldlening worden door Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister
van Financiën vastgesteld, waarbij een door Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat in overeenstemming met onze Minister van Financiën te
bepalen deel van het te lenen bedrag achtergesteld zal zijn bij alle
andere verplichtingen van de LVNL.
4. Ten aanzien van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde
vermogensbestanddelen welke in openbare registers te boek zijn gesteld,
zal verandering van de tenaamstelling in die registers plaatsvinden. De
daartoe nodige opgaven worden door de zorg van Onze Minister van
Financiën aan de bewaarders van de desbetreffende registers gedaan.
5. Ter zake van de verkrijging door de LVNL van de vermogensbestanddelen
bedoeld in het eerste lid, blijft de heffing van overdrachtsbelasting
achterwege.
Artikel 12.6
In afwijking van het bepaalde in artikel 5.31 benoemt Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat de leden van de raad van toezicht, bedoeld in
artikel 5.31, tweede lid onder a, b, c, en d de eerste maal als volgt:
a. een lid wordt benoemd op voordracht van Onze Minister van Defensie;
b. een lid wordt benoemd uit de kring van de in Nederland werkzame
luchtvaartmaatschappijen;
c. een lid wordt benoemd uit de kring van de exploitanten van
Nederlandse luchthavens;
d. een lid, tevens voorzitter, wordt benoemd op voordracht van de vier
reeds benoemde leden van de raad van toezicht, voor een periode van drie
jaren.
Artikel 12.7
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
Artikel 12.8
Deze wet wordt aangehaald als: Wet luchtvaart.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 18 juni 1992
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
De Minister van Defensie,
A.L. ter Beek
De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.I. Dales
Uitgegeven de zestiende juli 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|