Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 29 februari 1996, houdende regels
ter bevordering van de medezeggenschap van de cliënten van uit
collectieve middelen gefinancierde zorgaanbieders op het terrein van de
maatschappelijke zorg en gezondheidszorg
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is wettelijke
regels te stellen ter bevordering van de medezeggenschap van de
cliënten van uit collectieve middelen gefinancierde instellingen op het
terrein van de maatschappelijke zorg en gezondheidszorg;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet
wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
b. instelling:
1°. een instelling in de zin van de Wet toelating
zorginstellingen;
2°. elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend
organisatorisch verband waarin maatschappelijke zorg of
gezondheidszorg wordt verleend en dat wordt gefinancierd:
a. door het College voor zorgverzekeringen op grond van de
Zorgverzekeringswet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
b. door Onze Minister op grond van Kaderwet VWS-subsidies of
een gemeente op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning;
3°. elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend
organisatorisch verband waarin verslavingszorg wordt verleend en dat
wordt gefinancierd door Onze Minister, een gemeente of een
provincie;
c. zorgaanbieder:
1°. een rechtspersoon of natuurlijke persoon, die een instelling
in stand houdt;
2°. de rechtspersonen of natuurlijke personen, die gezamenlijk
een instelling in stand houden;
d. cliënt: een natuurlijk persoon ten behoeve van wie de
instelling werkzaam is.
2. Bij ministeriële regeling kunnen in de maatschappij als
zelfstandige eenheid optredende organisatorische verbanden waarin
maatschappelijke zorg of gezondheidszorg wordt verleend en die, anders
dan op grond van een wettelijke bekostigingsregeling door Onze Minister
worden gefinancierd, worden aangemerkt als instelling in de zin van deze
wet.
3. Deze wet is niet van toepassing op justitiële inrichtingen
voor verpleging van ter beschikking gestelden als bedoeld in artikel 90
quinquies, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Hoofdstuk II. Cliëntenraden
Artikel 2
1. De zorgaanbieder stelt voor elke door hem in stand gehouden
instelling een cliëntenraad in, die binnen het kader van de
doelstellingen van de instelling in het bijzonder de
gemeenschappelijke belangen van de cliënten behartigt.
2. De zorgaanbieder regelt schriftelijk:
a. het aantal leden van de cliëntenraad, de wijze van benoeming,
welke personen tot lid kunnen worden benoemd en de zittingsduur van de
leden;
b. de materiële middelen van de instelling, waarover de
cliëntenraad ten behoeve van zijn werkzaamheden kan beschikken.
3. De in het tweede lid bedoelde regeling is zodanig dat de
cliëntenraad:
a. redelijkerwijze representatief kan worden geacht voor de
cliënten en
b. redelijkerwijze in staat kan worden geacht hun
gemeenschappelijke belangen te behartigen.
4. De cliëntenraad regelt schriftelijk zijn werkwijze met
inbegrip van zijn vertegenwoordiging in en buiten rechte.
5. De kosten van het voeren van rechtsgedingen door de
cliëntenraad, zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, komen slechts
ten laste van de zorgaanbieder indien deze van de te maken kosten vooraf
in kennis is gesteld.
6. Na vaststelling van de in het tweede lid bedoelde regeling
treft de zorgaanbieder de voorzieningen die op grond van die regeling
noodzakelijk zijn voor de benoeming van de leden van de cliëntenraad.
De zorgaanbieder treft de bedoelde voorzieningen opnieuw telkens wanneer
de cliëntenraad gedurende twee jaren niet heeft gefunctioneerd wegens
het ontbreken van het in de regeling vastgestelde aantal leden.
Artikel 3
1. De zorgaanbieder stelt de cliëntenraad in ieder geval in de
gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit dat de
instelling betreft, inzake:
a. een wijziging van de doelstelling of de grondslag;
b. het overdragen van de zeggenschap of fusie of het aangaan of
verbreken van een duurzame samenwerking met een andere instelling;
c. de gehele of een gedeeltelijke opheffing van de instelling,
verhuizing of ingrijpende verbouwing;
d. een belangrijke wijziging in de organisatie;
e. een belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van
de werkzaamheden;
f. het benoemen van personen die rechtstreeks de hoogste
zeggenschap zullen uitoefenen bij de leiding van arbeid in de
instelling;
g. de begroting en de jaarrekening;h. het algemeen beleid inzake de
toelating van cliënten en de beëindiging van deze zorgverlening aan
cliënten;
i. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemeen beleid
op het gebied van de veiligheid, de gezondheid of de hygiëne en de
geestelijke verzorging van, maatschappelijke bijstand aan en
recreatiemogelijkheden en ontspanningsactiviteiten voor cliënten;
j. de systematische bewaking, beheersing of verbetering van de
kwaliteit van de aan cliënten te verlenen zorg;
k. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de
behandeling van klachten van cliënten en het aanwijzen van personen
die belast worden met de behandeling van klachten van cliënten;
l. wijziging van de regeling, bedoeld in artikel 2, tweede lid, en
de vaststelling of wijziging van andere voor cliënten geldende
regelingen;
m. het belasten van personen met de leiding van een onderdeel van
de instelling, waarin gedurende het etmaal zorg wordt verleend aan
cliënten die in de regel langdurig in die instelling verblijven.
2. Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd, dat het van
wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.
3. De cliëntenraad is bevoegd de zorgaanbieder ook ongevraagd te
adviseren inzake de in het eerste lid genoemde en andere onderwerpen,
die voor de cliënten van belang zijn.
Artikel 4
1. De zorgaanbieder neemt geen van een schriftelijk door de
cliëntenraad uitgebracht advies afwijkend besluit dan nadat daarover,
voor zover dat redelijkerwijze mogelijk is, ten minste eenmaal met de
cliëntenraad overleg is gepleegd.
2. Ten aanzien van de onderwerpen, genoemd in artikel 3, eerste
lid, onder i tot en met m, neemt de zorgaanbieder, behoudens voor zover
het besluit door de zorgaanbieder moet worden genomen krachtens een
wettelijk voorschrift, geen van een door de cliëntenraad schriftelijk
uitgebracht advies afwijkend besluit, tenzij de commissie, bedoeld in
artikel 10, heeft vastgesteld dat de zorgaanbieder bij afweging van de
betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voornemen heeft kunnen
komen.
3. De zorgaanbieder doet van een besluit inzake een onderwerp
waarover de cliëntenraad schriftelijk advies heeft uitgebracht,
schriftelijk, en voor zover hij van het advies afwijkt onder opgave van
redenen, mededeling aan de cliëntenraad.
4. Een besluit van de zorgaanbieder, genomen in strijd met het
tweede lid, is nietig, indien de cliëntenraad tegenover de
zorgaanbieder schriftelijk een beroep op de nietigheid heeft gedaan. De
cliëntenraad kan slechts een beroep op de nietigheid doen binnen een
maand nadat de zorgaanbieder hem zijn besluit heeft medegedeeld dan wel,
bij gebreke van deze mededeling, de cliëntenraad is gebleken dat de
zorgaanbieder uitvoering of toepassing geeft aan zijn besluit.
Artikel 5
1. De zorgaanbieder verstrekt de cliëntenraad tijdig en,
desgevraagd, schriftelijk alle inlichtingen en gegevens die deze voor
de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.
2. De zorgaanbieder verstrekt de cliëntenraad voorts ten minste
eenmaal per jaar mondeling of schriftelijk algemene gegevens omtrent het
beleid dat in het verstreken tijdvak is gevoerd en in het komende jaar
zal worden gevoerd.
Artikel 6
1. De zorgaanbieder kan aan de cliëntenraad schriftelijk
verder gaande bevoegdheden dan de in deze wet genoemde toekennen. Een
zodanig besluit wordt schriftelijk aan de cliëntenraad medegedeeld.
2. De zorgaanbieder stelt de cliëntenraad in de gelegenheid
advies uit te brengen over een voornemen een besluit te nemen als
bedoeld in het eerste lid en over het voornemen een zodanig besluit te
wijzigen. Artikel 4 is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk III. Bestuurssamenstelling
Artikel 7
1. Indien de zorgaanbieder een rechtspersoon is als bedoeld in
artikel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, voorzien de statuten
in een regeling die waarborgt dat de cliënten invloed kunnen
uitoefenen op de samenstelling van het bestuur. De bedoelde regeling
houdt ten minste in dat één bestuurslid wordt benoemd op bindende
voordracht van de cliëntenraad of cliëntenraden, tenzij deze van de
mogelijkheid een voordracht te doen, geen gebruik heeft
onderscheidenlijk hebben gemaakt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het bestuur van
een zorgaanbieder bestaat uit één of meer personen die deze functie
uitoefent of uitoefenen op grond van een arbeidsrelatie waaraan een
geldelijke beloning is verbonden. In dat geval is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing op de samenstelling van het orgaan dat is
belast met het toezicht op of goedkeuring van besluiten van het bestuur.
Hoofdstuk IV. Openbaarheid
Artikel 8
De zorgaanbieder stelt jaarlijks een schriftelijk verslag op over de
wijze waarop ten aanzien van de instelling deze wet is toegepast.
Artikel 9
1. De zorgaanbieder maakt binnen tien dagen na vaststelling
openbaar:
a. het jaarverslag;
b. op schrift gestelde uitgangspunten voor het beleid, waaronder
begrepen de algemene criteria, welke bij de zorgverlening worden
gehanteerd;
c. de notulen en de besluitenlijst van de vergaderingen van het
bestuur, voor zover deze algemene beleidszaken betreffen;
d. een regeling inzake de behandeling van klachten van cliënten en
andere voor cliënten geldende regelingen, alsmede een regeling als
bedoeld in artikel 2, tweede lid;
e. het verslag, bedoeld in artikel 8.
2. De openbaarmaking geschiedt door de stukken voor cliënten ter
inzage te leggen en hen op verzoek daarvan afschriften te verstrekken.
3. Van de terinzagelegging wordt mededeling gedaan op de in de
instelling voor het doen van mededelingen aan cliënten gebruikelijke
wijze.
4. Voor het op verzoek verstrekken van afschriften kan een tarief
in rekening worden gebracht, ten hoogste gelijk aan de kostprijs, tenzij
ten aanzien van de instelling de Wet openbaarheid van bestuur van
toepassing is.
Hoofdstuk V. Naleving
Artikel 10
1. De zorgaanbieder stelt in overeenstemming met de
cliëntenraad of cliëntenraden een uit drie leden bestaande commissie
van vertrouwenslieden in, waarvan een lid door hem wordt aangewezen,
een lid door de cliëntenraad of cliëntenraden kan worden aangewezen
en een lid door de beide andere leden wordt aangewezen, of wijst een
door een of meer cliëntenorganisaties en een of meer organisaties van
zorgaanbieders ingestelde commissie van vertrouwenslieden aan, die tot
taak heeft te bemiddelen en zonodig een bindende uitspraak te doen:
a. op verzoek van de cliëntenraad, in geschillen met de
zorgaanbieder over de uitvoering van de artikelen 3, 4, eerste en
derde lid, 5, eerste lid, en 9;
b. op verzoek van de zorgaanbieder, indien deze ten aanzien van een
onderwerp, genoemd in artikel 3, eerste lid, onder i tot en met m,
waarover door de cliëntenraad een schriftelijk advies is uitgebracht,
een van dat advies afwijkend besluit wenst te nemen.
2. De cliëntenraad en iedere cliënt van de instelling kunnen de
kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de
woonplaats van de zorgaanbieder is gelegen schriftelijk verzoeken de
zorgaanbieder te bevelen de artikelen 2, 5, tweede lid, 7 en 8 en het
eerste lid van dit artikel na te leven. Een verzoeker die niet vooraf
schriftelijk aan de zorgaanbieder heeft verzocht te handelen
overeenkomstig hetgeen in het verzoekschrift is verzocht en deze daarbij
niet een redelijke termijn heeft gegeven om aan dat verzoek te voldoen,
wordt niet-ontvankelijk verklaard.
3. De kantonrechter kan in zijn beschikking aan de zorgaanbieder
de verplichting opleggen bepaalde handelingen te verrichten of na te
laten.
4. De bepalingen van de derde afdeling van de vijfde titel van
het tweede boek van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering zijn van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 11
[Wijzigt de Wet op de bejaardenoorden.]
Artikel 12
[Wijzigt de Wet voorzieningen gezondheidszorg.]
Artikel 13
1. Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van
de tweede kalendermaand na de maand van uitgifte van het Staatsblad
waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat:
a. de zorgaanbieder uiterlijk drie maanden na het tijdstip van
inwerkingtreding een regeling als bedoeld in artikel 2, tweede lid,
vaststelt;
b. de zorgaanbieder uiterlijk drie maanden nadat de onder a
bedoelde regeling is vastgesteld, de voorzieningen treft, die op grond
van die regeling noodzakelijk zijn voor de benoeming van de leden van
de cliëntenraad;
c. de artikelen 3 en 4 buiten toepassing blijven ten aanzien van
besluiten, genomen voor de datum van benoeming van de leden van de
cliëntenraad;
d. de statuten van de zorgaanbieder uiterlijk zes maanden na het
tijdstip van inwerkingtreding in overeenstemming zijn met artikel 7.
2. Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
door de zorgaanbieder aan enig orgaan dat in het bijzonder werkzaam is
ter behartiging van de gemeenschappelijke belangen van cliënten in de
instelling, bevoegdheden of materiële middelen zijn toegekend, behoudt
dat orgaan die bevoegdheden en materiële middelen tot het tijdstip met
ingang waarvan de leden van de cliëntenraad met toepassing van deze wet
zijn benoemd. Voor zover de bedoelde bevoegdheden verder gaan dan de in
deze wet genoemde, worden die bevoegdheden eveneens toegekend aan de
cliëntenraad, behoudens overeenkomstige toepassing van artikel 6,
tweede lid, juncto artikel 4.
Artikel 14
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet medezeggenschap cliënten
zorginstellingen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 29 februari 1996
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.G. Terpstra
Uitgegeven de vierde april 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|