Nadere regelgeving:
- Besluit medezeggenschap onderwijs
WET van 3 december 1992, houdende
medezeggenschap in het onderwijs, niet zijnde hoger onderwijs
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet
medezeggenschap onderwijs (Stb. 1981, 778) te vervangen door een
nieuwe wet, aangezien de evaluatie van deze wet en de invoering van het
formatiebudgetsysteem aanleiding geven tot aanzienlijke wijzigingen in
de medezeggenschapsregeling die thans geldt voor het basisonderwijs, het
speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, en het voortgezet
onderwijs;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1. Begripsbepalingen
1. Deze wet
verstaat onder:
a. "Onze Minister": Onze Minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap en, voor wat betreft het landbouwonderwijs, Onze
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
b. «school»: een openbare of uit de openbare kas bekostigde
bijzondere basisschool of speciale school voor basisonderwijs als
bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, een openbare of uit de
openbare kas bekostigde bijzondere school voor speciaal onderwijs,
voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal
onderwijs, dan wel een openbare of uit de openbare kas bekostigde
bijzondere instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs,
als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een openbare of uit de
openbare kas bekostigde bijzondere school, cursus dan wel inrichting
voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet
onderwijs, een uit 's Rijks kas bekostigde instelling voor educatie en
beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs en
een openbare of uit de openbare kas bekostigde school als bedoeld in
de Experimentenwet onderwijs;
c. "het bevoegd gezag": voor wat betreft
1°. een gemeentelijke school: het college van burgemeester en
wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de
raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te
stellen regelen;
2°. een andere openbare school:
– het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling
bevoegde orgaan,
– de openbare rechtspersoon, bedoeld in artikel 47 van de Wet
op het primair onderwijs, artikel 50 van de Wet op de
expertisecentra, of artikel 42a van de Wet op het voortgezet
onderwijs, of
– de stichting, bedoeld in de artikelen 17 of 48 van de
Wet op het primair onderwijs, de artikelen 28 of 51 van de
Wet op de expertisecentra, of de artikelen 42b of 53c van de
Wet op het voortgezet onderwijs;
3°. een bijzondere school: het schoolbestuur;
d. «leerlingen»: leerlingen in de zin van de Wet op het primair
onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet
onderwijs en deelnemers in de zin van de Wet educatie en
beroepsonderwijs;
e. "ouders": de ouders, voogden en verzorgers van de
leerlingen;
f. «schoolleiding»: de directeur in de zin van de Wet op het
primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra en de rector,
directeur of de leden van de centrale directie in de zin van de Wet op
het voortgezet onderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs,
alsmede de conrectoren of de adjunct-directeuren.
2. In deze wet wordt onder personeel mede verstaan personeel van
de school dat is benoemd in algemene dienst van het bevoegd gezag.
Artikel 2. Aard bepalingen
De bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, voor zover zij de
scholen betreffen, zijn regels voor het openbaar onderwijs en
voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs.
Artikel 3. Medezeggenschapsraad
1. Aan elke school is een medezeggenschapsraad verbonden.
2. Het aantal leden van de raad bedraagt aan een school met
minder dan 250 leerlingen ten hoogste 6 leden, met 250 tot 750
leerlingen ten hoogste 10 leden, met 750 tot 1250 leerlingen ten hoogste
14 leden en met 1250 of meer leerlingen ten hoogste 18 leden.
3. De raad bestaat uit
a. leden die uit en door het personeel worden gekozen; en
b. leden die uit en door de ouders of de leerlingen worden gekozen
overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid.
4. De aantallen leden, bedoeld in het derde lid onderdeel a
en onderdeel b, zijn aan elkaar gelijk.
5. De leden, bedoeld in het derde lid onderdeel b, worden
gekozen
a. uit en door de ouders, voor zover het betreft een basisschool of
een speciale school voor basisonderwijs;
b. uit en door de ouders, dan wel deels uit en door de ouders en
deels uit en door de leerlingen die de leeftijd van dertien jaar
hebben bereikt, voor zover het betreft een school voor speciaal
onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs,
dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs;
c. deels uit en door de ouders en deels uit en door de leerlingen,
voor zover het betreft een school voor voortgezet onderwijs, een
school voor voortgezet speciaal onderwijs of een door Onze minister
aangewezen inrichting voor voortgezet onderwijs;
d. uit en door de leerlingen, dan wel deels uit en door de
leerlingen en deels uit en door de ouders, voor zover het betreft een
instelling voor educatie en beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet
educatie en beroepsonderwijs;
e. uit en door de leerlingen, voor zover het betreft een door Onze
minister aangewezen inrichting voor voortgezet onderwijs.
6. Aan een scholengemeenschap, een school voor speciaal en
voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal onderwijs met
daaraan verbonden een afdeling, een instelling voor speciaal en
voortgezet speciaal onderwijs en een school voor voorbereidend
beroepsonderwijs kan de verkiezing van de leden van de raad plaatsvinden
volgens een stelsel, waarin de scholen die in de scholengemeenschap zijn
verenigd, onderscheidenlijk de afdelingen waaruit de school bestaat,
evenredig zijn vertegenwoordigd.
7. Geen lid van de raad kunnen zijn voor wat betreft
- een gemeentelijke school: zij die deel uitmaken van het college
van burgemeester en wethouders dan wel van de raad, respectievelijk
zij die deel uitmaken van een bestuurscommissie als bedoeld in artikel
83 van de Gemeentewet, die belast is met het bestuur van de school;
- een andere openbare school: zij die deel uitmaken van het
krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde
orgaan;
- een bijzondere school: zij die deel uitmaken van het
schoolbestuur dan wel, indien de school uitgaat van een stichting of
een vereniging, van het bestuur van de stichting of de vereniging.
8. Een lid van de schoolleiding kan niet tevens lid zijn van de
raad, indien hem is opgedragen om namens het bevoegd gezag op te treden
in besprekingen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, dan wel in het
overleg, bedoeld in artikel 13, tweede lid.
9. Kandidaten voor de verkiezing van het deel van de raad dat uit
en door het personeel wordt gekozen, kunnen worden gesteld door
personeelsleden en door organisaties van personeel. Kandidaten voor de
verkiezing van het deel van de raad dat uit en door de ouders of de
leerlingen wordt gekozen, kunnen worden gesteld door ouders of
leerlingen en door organisaties van ouders of leerlingen.
10. De verkiezing van de leden van de raad geschiedt bij geheime
schriftelijke stemming.
Artikel 4. Voorzitter medezeggenschapsraad
De medezeggenschapsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een
of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens
verhindering een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de raad
in rechte.
Artikel 5. Algemene bevoegdheden en taken medezeggenschapsraad en
raadsleden
1. Het bevoegd gezag stelt de medezeggenschapsraad ten minste
twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de
school met hem te bespreken. Het bevoegd gezag en de raad komen met
elkaar bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt verzocht
door het bevoegd gezag, de raad of het deel van de raad, dat uit en
door het personeel onderscheidenlijk uit en door de ouders of de
leerlingen is gekozen. De besprekingen kunnen namens het bevoegd gezag
worden gevoerd. Het bevoegd gezag kan, na overleg met de
schoolleiding, een lid van de schoolleiding opdragen de besprekingen
dan wel bepaalde besprekingen namens hem te voeren. Op verzoek van dit
lid van de schoolleiding of op verzoek van de raad kan het bevoegd
gezag dit lid ontheffen van de taak om een bespreking namens het
bevoegd gezag te voeren.
2. De raad is voorts bevoegd tot bespreking van alle
aangelegenheden, de school betreffende. Hij is bevoegd over deze
aangelegenheden aan het bevoegd gezag voorstellen te doen en standpunten
kenbaar te maken. Het bevoegd gezag brengt op de voorstellen, bedoeld in
de tweede volzin, binnen drie maanden een schriftelijke, met redenen
omklede reactie uit aan de raad. Alvorens over te gaan tot het
uitbrengen van de in de vorige volzin bedoelde reactie, stelt het
bevoegd gezag de raad ten minste eenmaal in de gelegenheid met hem
overleg te plegen over de voorstellen, bedoeld in de tweede volzin.
3. De raad bevordert naar vermogen openheid, openbaarheid en
onderling overleg in de school.
4. De raad waakt voorts in de school in het algemeen tegen
discriminatie op welke grond dan ook en bevordert gelijke behandeling in
gelijke gevallen en in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen
en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtone
werknemers.
5. Het bevoegd gezag verstrekt de raad aan het begin van het
schooljaar schriftelijk de basisgegevens met betrekking tot de
samenstelling van het bevoegd gezag, de organisatie binnen de school, de
taakverdeling tussen bevoegd gezag en schoolleiding en de hoofdpunten
van het reeds vastgestelde beleid. Het bevoegd gezag stelt de
medezeggenschapsraad onverwijld in kennis van voornemens met betrekking
tot de aangelegenheden bedoeld in artikel 6 onder a en artikel 7 onder
a, d en e. Voorts verschaft het bevoegd gezag de raad, al dan niet
gevraagd, tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn
taak redelijkerwijze nodig heeft.
6. Het bevoegd gezag verstrekt de raad:
a. jaarlijks de begroting en bijbehorende beleidsvoornemens op
financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied;
b. jaarlijks voor 1 mei informatie over de berekening die ten
grondslag ligt aan de middelen uit 's Rijks kas die worden toegerekend
aan het bevoegd gezag;
c. jaarlijks voor 1 juli een jaarverslag als bedoeld in artikel 171
van de Wet op het primair onderwijs, artikel 157 van de Wet op de
expertisecentra, artikel 106 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
of de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 van de Wet educatie en
beroepsonderwijs.
7. Indien bij een bepaalde vergadering of een onderdeel daarvan
een persoonlijk belang van een van de leden van de raad in het geding
is, kan de raad besluiten dat het betrokken lid aan die vergadering, of
dat onderdeel daarvan, niet deelneemt. De raad besluit dan tevens dat de
behandeling van de betreffende aangelegenheid in een besloten
vergadering plaatsvindt.
8. De raad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn
werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de school betrokkenen
van het verslag kennis kunnen nemen. De raad draagt er zorg voor dat de
agenda’s en verslagen van de vergaderingen van de raad worden
toegezonden aan het bevoegd gezag, aan de eventuele geledingenraden en
deelraden, en aan de eventuele gemeenschappelijke medezeggenschapsraad,
en ter inzage worden gelegd op een algemeen toegankelijke plaats op de
school ten behoeve van belangstellenden. De raad stelt de eventuele
geledingenraden ten minste eenmaal per jaar in de gelegenheid om over
aangelegenheden die de betrokken geleding in het bijzonder aangaan, met
hem overleg te voeren.
9. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor, dat de leden van de
raad niet uit hoofde van hun lidmaatschap van de raad worden benadeeld
in hun positie met betrekking tot de school. De eerste volzin is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van kandidaatleden en voormalige
leden.
10. De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking
van een aan de school werkzame persoon mag geen verband houden met de
kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het
voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de raad. Een beëindiging
van de betrekking in strijd met het in dit lid bepaalde is nietig.
Artikel 6. Instemmingsbevoegdheid medezeggenschapsraad
Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming van de
medezeggenschapsraad voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit
met betrekking tot in ieder geval de volgende aangelegenheden:
a. verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de
school;
b. vaststelling of wijziging van het schoolplan dan wel het
leerplan of de onderwijs- en examenregeling en het zorgplan;
c. vaststelling of wijziging van een mogelijk schoolreglement;
d. vaststelling van de schoolgids voor zover het niet betreft de
vaststelling van de onderwijstijd;
e. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot
het verrichten door ouders van ondersteunende werkzaamheden ten
behoeve van de school en het onderwijs;
f. vaststelling of wijziging van regels op het gebied van de
arbeidsomstandigheden;
g. het doen van een verzoek tot afwijking als bedoeld in artikel
30, eerste lid, van deze wet;
h. vaststelling of wijziging van het bestuursreglement van een
instelling voor educatie en beroepsonderwijs, alsmede indien artikel
9.1.7, vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs van
toepassing is, het desbetreffende deel van de statuten;
i. vaststelling of wijziging van de model-onderwijsovereenkomst
wat een instelling voor educatie en beroepsonderwijs betreft; en
j. het doen van een aanvraag als bedoeld in artikel 72a, eerste
lid, van de Wet op het primair onderwijs of artikel 73a, eerste lid,
van de Wet op de expertisecentra.
Artikel 7. Adviesbevoegdheid medezeggenschapsraad
De medezeggenschapsraad wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om
advies uit te brengen over elk door het bevoegd gezag te nemen besluit
met betrekking tot in ieder geval de volgende aangelegenheden:
a. verandering van de grondslag van de school;
b. vaststelling of wijziging van de lesrooster in het voortgezet
onderwijs;
c. vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig
financieel beleid voor de school, waaronder de voorgenomen
bestemming van de middelen die door het bevoegd gezag ten behoeve
van de school uit de openbare kas zijn toegekend of van anderen zijn
ontvangen, met uitzondering van de middelen, bedoeld in artikel 9,
onderdelen b en e;
d. beëindiging, belangrijke inkrimping of uitbreiding van de
werkzaamheden van de school of van een belangrijk onderdeel daarvan,
dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;
e. overdracht of omzetting van de school of van een onderdeel
daarvan, respectievelijk fusie van de school met een andere school,
dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;
f. het aangaan, verbreken of belangrijk wijzigen van een duurzame
samenwerking met een andere instelling, dan wel vaststelling of
wijziging van het beleid ter zake;
g. deelneming of beëindiging van deelneming aan een
onderwijskundig project of experiment, dan wel vaststelling of
wijziging van het beleid ter zake;
h. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de
organisatie van de school;
i. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de
aanstelling en het ontslag van de schoolleiding en het overige
personeel;
j. aanstelling of ontslag van de schoolleiding;
k. vaststelling of wijziging van de concrete taakverdeling binnen
de schoolleiding, alsmede vaststelling of wijziging van het
managementstatuut;
l. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de
toelating en verwijdering van leerlingen;
m. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de
toelating van studenten die elders in opleiding zijn voor een
functie in het onderwijs;
n. regeling van de vakantie;
o. het oprichten van een centrale dienst;
p. nieuwbouw of belangrijke verbouwing van de school;
q. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot
het onderhoud van de school;
r. aansluiting bij een geschillencommissie; en
s. vaststelling of wijziging van de wijze waarop de voorziening,
bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de Wet op het primair
onderwijs, wordt georganiseerd.
Artikel 8. Instemmingsbevoegdheid personeelsdeel medezeggenschapsraad
1. Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming van het
deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeeel is
gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met
betrekking tot de volgende aangelegenheden:
a. regeling van de gevolgen voor het personeel van een besluit met
betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in de artikelen 7 onder
a, d, e, f, g en o, en 9 onder d en e;
b. vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie
in het volgende schooljaar;
c. vaststelling of wijziging van regels met betrekking tot de
nascholing van het personeel;
d. vaststelling of wijziging van een mogelijk werkreglement voor
het personeel en van de opzet en de inrichting van het werkoverleg,
voor zover het besluit van algemene gelding is voor alle of een gehele
categorie van personeelsleden;
e. vaststelling of wijziging van de verlofregeling van het
personeel;
f. vaststelling of wijziging van een arbeids- en rusttijdenregeling
van het personeel;
g. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de
toekenning van salarissen, toelagen en gratificaties aan het
personeel;
h. vaststelling of wijziging van de taakverdeling respectievelijk
de taakbelasting binnen het personeel, de schoolleiding daaronder niet
begrepen;
i. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot
personeelsbeoordeling, functiebeloning en functiedifferentiatie;
j. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het
overdragen van bekostiging; en
k. vaststelling of wijziging van de klachtenregeling.
2. Het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs
dat tevens bevoegd gezag is van een of meer basisscholen behoeft de
voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit
en door het personeel van eerstgenoemde school is gekozen voor elk door
hem te nemen besluit met betrekking tot de inzet van de bekostiging die
op grond van artikel 120, vierde lid, van de Wet op het primair
onderwijs aan eerstgenoemde school is toegekend.
Artikel 9. Instemmingsbevoegdheid ouders/leerlingendeel
medezeggenschapsraad
Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming van het deel van
de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders of de leerlingen is
gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking
tot de volgende aangelegenheden:
a. regeling van de gevolgen voor de ouders of leerlingen van een
besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel
7 onder a, d, e, f, g en o;
b. de vaststelling of wijziging van de hoogte en de vaststelling
of wijziging van de bestemming van de middelen die van de ouders of
de leerlingen worden gevraagd zonder dat daartoe een wettelijke
verplichting bestaat onderscheidenlijk zijn ontvangen op grond van
een overeenkomst die door de ouders is aangegaan;.
c. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot
voorzieningen ten behoeve van de leerlingen;
d. vaststelling van het leerlingenstatuut, bedoeld in artikel 24g
van de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel een mogelijk ouders-
of leerlingenstatuut anders dan bedoeld in artikel 24g van de
Wet op het voortgezet onderwijs;
e. de aanvaarding van materiële bijdragen of geldelijke
bijdragen anders dan onder b bedoeld en niet gebaseerd op de
onderwijswetgeving indien het bevoegd gezag daarbij verplichtingen
op zich neemt waarmee de leerlingen binnen de schooltijden
respectievelijk het onderwijs en tijdens de activiteiten die worden
georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag,
alsmede tijdens het overblijven, zullen worden geconfronteerd;
f. vaststelling of wijziging van de klachtenregeling;
g. vaststelling van de onderwijstijd; en
h. vaststelling of wijziging van de wijze waarop de
overblijfvoorziening, bedoeld in artikel 45 van de Wet op het
primair onderwijs, wordt georganiseerd.
Artikel 10. Adviesbevoegdheid personeels- of ouders/leerlingendeel
medezeggenschapsraad
Indien het bevoegd gezag op grond van artikel 8 of artikel 9, dan wel
op grond van het bepaalde in het medezeggenschapsreglement krachtens
artikel 15, tweede lid, voor een te nemen besluit de voorafgaande
instemming van een deel van de medezeggenschapsraad behoeft, wordt het
andere deel van de raad in de gelegenheid gesteld over het besluit
advies uit te brengen.
Artikel 11. Regels wijze besluitvorming
1. Een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als
bedoeld in artikel 7 onder c, en artikel 28, zesde lid, onder a, wordt
niet genomen dan na afweging van in elk geval de onderwijskundige, de
personele en de materiële belangen van de school of scholen, welke
afweging schriftelijk in de motivering van het besluit tot uitdrukking
wordt gebracht.
2. Een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld
in artikel 8, eerste lid onder b, g, h en i, wordt genomen met
inachtneming van in elk geval de besluiten tot vaststelling van het
schoolplan, de hoofdlijnen van de bestemming van de financiële middelen
en het organisatiebeleid van de school.
3. Een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld
in artikel 8, eerste lid onder c, wordt genomen met inachtneming van in
elk geval de onderwijskundige doelstellingen van de school en de
vormgeving van het onderwijs zoals neergelegd in het schoolplan.
4. Een besluit met betrekking tot de aangelegenheden waarnaar
wordt verwezen in artikel 8, eerste lid onder a, dan wel in artikel 9
onder a, wordt niet ten uitvoer gelegd voordat een definitief besluit is
genomen over de regeling van de gevolgen van dat besluit voor het
personeel, dan wel voor de ouders of leerlingen als bedoeld in artikel
8, eerste lid onder a, respectievelijk 9 onder a, tenzij dringende
redenen in het belang van de school een eerdere tenuitvoerlegging
noodzakelijk maken.
5. Een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld
in de artikelen 7, onderdeel s, en 9, onderdeel h, wordt niet genomen
dan na raadpleging van de ouders.
Artikel 12. Adviesaanvrage
Indien een te nemen besluit ingevolge het bepaalde in artikel 7, dan
wel op grond van het bepaalde in het medezeggenschapsreglement krachtens
artikel 15, tweede lid, vooraf voor advies dient te worden voorgelegd
aan de medezeggenschapsraad, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat:
a. advies wordt gevraagd op een zodanig tijdstip, dat het advies
van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming;
b. de raad in de gelegenheid wordt gesteld met hem overleg te
voeren voordat advies wordt uitgebracht;
c. de raad zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis wordt
gesteld van de wijze waarop aan het uitgebrachte advies gevolg wordt
gegeven; en
d. de raad, indien het bevoegd gezag het advies niet of niet
geheel wil volgen, in de gelegenheid wordt gesteld nader overleg met
hem te voeren alvorens het besluit definitief wordt genomen.
Artikel 13. Nadere regels bijzondere bevoegdheden
1. De bevoegdheden op grond van de artikelen 6 tot en met 10,
dan wel op grond van het bepaalde in het medezeggenschapsreglement
krachtens artikel 15, tweede lid, zijn niet van toepassing, voor zover
de desbetreffende aangelegenheid voor de school reeds inhoudelijk is
geregeld in een bij of krachtens wet gegeven voorschrift. De
bevoegdheden van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door
het personeel is gekozen, zijn niet van toepassing, voor zover de
desbetreffende aangelegenheid voor de school reeds inhoudelijk is
geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst.
2. De bevoegdheden op grond van de artikelen 6 tot en met 10, dan
wel op grond van het bepaalde in het medezeggenschapsreglement krachtens
artikel 15, tweede lid, zijn niet van toepassing voor zover het betreft
een aangelegenheid als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Wet op
het primair onderwijs, artikel 37, eerste lid, van de Wet op de
expertisecentra, artikel 40a, van de Wet op het voortgezet onderwijs,
artikel 3.2.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 4a,
tweede en derde lid, van de Experimentenwet onderwijs, voor zover het in
deze leden bedoelde overleg niet besluit de aangelegenheid ter
behandeling aan het personeelsdeel van de medezeggenschapsraad over te
laten.
Artikel 14. Medezeggenschapsreglement
1. Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van de
voorschriften bij of krachtens deze wet, een medezeggenschapsreglement
voor de school vast.
2. Het bevoegd gezag legt het reglement, daaronder elke wijziging
ervan mede begrepen, als voorstel aan de medezeggenschapsraad voor en
stelt het slechts vast voor zover het voorstel de instemming van twee
derden van het aantal leden van de raad heeft verworven.
Artikel 15. Inhoud medezeggenschapsreglement
1. In het reglement wordt in ieder geval geregeld:
a. het aantal leden van de medezeggenschapsraad;
b. aan de desbetreffende scholen, de wijze waarop toepassing wordt
gegeven aan artikel 3, vijfde lid onderdeel b onderscheidenlijk d;
c. de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de
raad;
d. de zittingsduur van de leden van de raad;
e. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de leden van de raad hun
uit het lidmaatschap van de raad voortvloeiende verplichtingen
nakomen;
f. indien een lid van de schoolleiding is opgedragen om namens het
bevoegd gezag op te treden in besprekingen met de raad, in welke
gevallen op verzoek van de raad het bevoegd gezag zelf deze
besprekingen met de raad voert;
g. de wijze waarop het bevoegd gezag informatie verschaft aan de
raad;
h. de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van
instemming dient te worden besloten, en de termijnen binnen welke
advies dient te worden uitgebracht;
i. indien een of meer deelraden zijn ingesteld, de bevoegdheden van
de medezeggenschapsraad die aan de deelraden worden overgedragen;
j. de mogelijkheid om de keuze te wijzigen voor het in de
gemeenschappelijke medezeggenschapsraad vertegenwoordigen van
afzonderlijke medezeggenschapsraden door middel van gemeenschappelijke
vertegenwoordigers; en
k. de procedure voor de beslechting van die geschillen tussen het
bevoegd gezag en de raad, waarvoor deze wet niet in een
geschillenregeling voorziet.
2. In het reglement kan worden geregeld dat:
a. de instemmingsbevoegdheid ten aanzien van een of meer van de
aangelegenheden, bedoeld in artikel 6, wordt omgezet in
instemmingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 8 of 9, dan wel in
adviesbevoegdheid als bedoeld in artikel 7;
b. de instemmingsbevoegdheid ten aanzien van een of meer van de
aangelegenheden, bedoeld in artikel 8, wordt omgezet in
instemmingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6 of 9, dan wel in
adviesbevoegdheid als bedoeld in artikel 7;
c. de instemmingsbevoegdheid ten aanzien van een of meer van de
aangelegenheden, bedoeld in artikel 9, wordt omgezet in
instemmingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6 of 8, dan wel in
adviesbevoegdheid als bedoeld in artikel 7;
d. de adviesbevoegdheid ten aanzien van een of meer van de
aangelegenheden, bedoeld in artikel 7, wordt omgezet in
instemmingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6, 8 of 9; en
e. door het bevoegd gezag te nemen besluiten met betrekking tot
nader in het reglement te omschrijven aangelegenheden die niet reeds
in de wet worden genoemd, instemming dan wel advies behoeven zoals
bedoeld in de artikelen 6 , 7, 8 of 9.
3. In het reglement kan voorts worden geregeld:
a. de voorwaarde dat leerlingen, die tot de school zijn toegelaten
met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de Wet op het primair
onderwijs, artikel 60, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra,
artikel 8.1.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of
artikel 48, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs,
alsmede hun ouders, slechts kandidaat kunnen worden gesteld voor
verkiezing tot lid van de raad, indien zij hebben verklaard de
grondslag en de doelstellingen van de school te respecteren;
b. de toekenning aan de raad van een overeenkomstige bevoegdheid
als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de
Algemene wet gelijke behandeling, in welk geval artikel 21, tweede
lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van
overeenkomstige toepassing is voor wat betreft het onderscheid,
bedoeld in die wet of in artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek.
c. de toekenning aan de raad of aan het deel dat uit en door het
personeel wordt gekozen, van de bevoegdheden inzake de
arbeidsomstandigheden in de school, bedoeld in het zesde lid, voor
zover deze niet betreffen te nemen besluiten van het bevoegd gezag als
bedoeld in de artikelen 6, 7, 8 en 9 en als bedoeld in het tweede lid,
onderdeel e; en
d. welke van de geschillen tussen het bevoegd gezag en de raad,
waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet, worden
voorgelegd aan de commissie voor geschillen waarbij de school is
aangesloten en wie het geschil aanhangig kan maken.
4. De voorwaarde, bedoeld in het derde lid onderdeel a,
kan slechts worden toegepast, indien zij door of namens het bevoegd
gezag voorafgaand aan de toelating aan de betrokkenen bekend is gemaakt.
5. [Vervallen.]
6. De bevoegdheden, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, zijn
de bevoegdheden die krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en de algemene
maatregel van bestuur op grond van artikel 16 van die wet aan de
medezeggenschapsraad zijn toegekend.
7. De regeling, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, kan
slechts worden toegepast, voor zover de commissie voor geschillen
waarbij de school is aangesloten, in haar reglement daarvoor de
mogelijkheid biedt.
Artikel 16. Bijlagen medezeggenschapsreglement
1. De medezeggenschapsraad legt in een bijlage bij het
medezeggenschapsreglement vast:
a. zaken van huishoudelijke aard voor de raad; en
b. de wijze waarop door het bevoegd gezag beschikbaar gestelde
middelen voor de raad en de eventuele geledingenraden en deelraden
worden verdeeld.
2. Het bevoegd gezag vermeldt in een bijlage bij het
medezeggenschapsreglement:
a. de commissie voor geschillen waarbij de school is aangesloten;
b. indien besprekingen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, namens
het bevoegd gezag worden gevoerd, in welke gevallen en door wie dat
geschiedt;
c. indien een lid van de schoolleiding namens het bevoegd gezag
optreedt in besprekingen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, in
welke gevallen dat geschiedt, en in welke gevallen dit lid op zijn
verzoek van die taak wordt ontheven;
d. of een lid van de schoolleiding namens het bevoegd gezag
optreedt in het overleg, bedoeld in artikel 13, tweede lid; en
e. de wijze waarop het vervallen van het lidmaatschap van de
medezeggenschapsraad van een lid van de schoolleiding dat is
opgedragen om namens het bevoegd gezag op te treden in besprekingen
als bedoeld in artikel 5, eerste lid, dan wel in het overleg, bedoeld
in artikel 13, tweede lid, is geregeld.
3. De bijlagen, bedoeld in het eerste en tweede lid, maken geen
deel uit van het reglement.
Artikel 17. Geldigheidsduur bijzondere bevoegdheden ingevolge
toepassing artikel 15, tweede lid
1. De geldigheidsduur van bijzondere advies- en
instemmingsbevoegdheden die ingevolge de toepassing van artikel 15,
tweede lid onderdelen a tot en met d, in het
medezeggenschapsreglement zijn opgenomen, bedraagt ten hoogste twee
jaren. Zodra de termijn van twee jaren is verstreken, gelden van
rechtswege weer de bevoegdheden ingevolge de artikelen 6 tot en met 9.
2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan telkens worden
verlengd met ten hoogste twee jaren, indien het bevoegd gezag en ten
minste twee derden van het aantal leden van de medezeggenschapsraad
daartoe besluiten ten aanzien van alle of een aantal van de in het
eerste lid eerste volzin, bedoelde bevoegdheden.
3. Een besluit als bedoeld in het tweede lid, wordt in een
gezamenlijke schriftelijke verklaring van bevoegd gezag en ten minste
twee derden van het aantal leden van de medezeggenschapsraad vastgelegd.
De verklaring vermeldt de duur van de verlengingsperiode en de
bevoegdheden waarop de verlenging betrekking heeft. De verklaring wordt
toegevoegd aan het medezeggenschapsreglement.
Artikel 18. Commissie voor geschillen
1. Elke school is aangesloten bij een commissie voor
geschillen. Een commissie als bedoeld in de vorige volzin strekt haar
werkkring uit over ten minste 20 scholen. Onze minister kan het in de
vorige zin bedoelde aantal scholen lager stellen.
2. Een commissie voor geschillen bestaat uit 3 leden en 3
plaatsvervangende leden, waarvan een lid en een plaatsvervangend lid
worden gekozen door de bevoegde gezagsorganen en een lid en een
plaatsvervangend lid door de medezeggenschapsraden van de in het eerste
lid bedoelde scholen. Deze twee leden kiezen het derde lid, tevens
voorzitter, en diens plaatsvervanger.
3. De leden en de plaatsvervangende leden mogen niet deel
uitmaken van het bevoegd gezag of van de medezeggenschapsraad van een
school, waarover de commissie haar werkkring uitstrekt.
Artikel 19. Competentie commissie
1. Een commissie voor geschillen neemt kennis van de volgende
geschillen:
a. op verzoek van het bevoegd gezag, indien het bevoegd gezag ten
aanzien van een te nemen, na overleg al dan niet gewijzigd, besluit
dat ingevolge de artikelen 6, 8 of 9 dan wel ingevolge de toepassing
van artikel 15, tweede lid, instemming behoeft, de vereiste instemming
niet heeft verworven en het bevoegd gezag zijn voorstel wenst te
handhaven;
b. op verzoek van het bevoegd gezag of van de medezeggenschapsraad,
indien het bevoegd gezag ten aanzien van de inhoud van het
medezeggenschapsreglement voor zover aangegeven in artikel 15, eerste
of derde lid, geheel of gedeeltelijk niet de vereiste instemming heeft
verworven;
c. op verzoek van de medezeggenschapsraad, indien het bevoegd gezag
een besluit heeft genomen waarover ingevolge artikel 7 dan wel
ingevolge de toepassing van artikel 15, tweede lid, advies door de
raad is uitgebracht, het bevoegd gezag daarbij het uitgebrachte advies
niet of niet geheel volgt en de raad van oordeel is dat daardoor de
belangen van de school of de belangen van de raad ernstig worden
geschaad; en
d. op verzoek van het bevoegd gezag of van de medezeggenschapsraad,
indien het bevoegd gezag en de raad van mening verschillen over de
interpretatie van het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel het
bepaalde in het medezeggenschapsreglement.
2. De commissie kan in haar reglement bepalen dat zij kennis
neemt van andere geschillen tussen het bevoegd gezag en de raad dan
bedoeld in het eerste lid. Artikel 20, derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. Een uitspraak van een commissie voor geschillen van openbare
scholen wordt voor de toepassing van afdeling 7.1 van de Algemene wet
bestuursrecht gelijk gesteld met een uitspraak in administratief beroep.
Artikel 20. Geschillen bijzondere instemmingsbevoegdheid
1. Indien aan een te nemen besluit van het bevoegd gezag de
instemming, vereist ingevolge de artikelen 6, 8 of 9 dan wel ingevolge
de toepassing van artikel 15, tweede lid, is onthouden, deelt het
bevoegd gezag binnen drie maanden aan de medezeggenschapsraad mede, of
het voorstel wordt ingetrokken dan wel wordt voorgelegd aan de
commissie voor geschillen. Indien deze mededeling niet binnen drie
maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel.
2. Het bevoegd gezag doet een verzoek als bedoeld in artikel 19,
eerste lid onderdeel a, onder overlegging van de door het bevoegd
gezag gemaakte afweging van de belangen die daarbij voor het bevoegd
gezag onderscheidenlijk de raad of het betrokken deel daarvan aan de
orde zijn. De commissie stelt de raad of het betrokken deel daarvan in
de gelegenheid om zijn argumenten voor het onthouden van zijn instemming
bij de commissie naar voren te brengen.
3. De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het
bevoegd gezag en de raad voor te leggen, tenzij het bevoegd gezag dan
wel de raad of het betrokken deel daarvan te kennen geven daarop geen
prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruik
maakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het
bevoegd gezag alsmede de instemming van de raad of het betrokken deel
daarvan, beoordeelt de commissie of het bevoegd gezag bij afweging van
de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen
komen. De uitspraak van de commissie is bindend voor het bevoegd gezag
en de raad.
Artikel 21. Geschil inhoud medezeggenschapsreglement
1. Voor zover aan een voorstel van het bevoegd gezag tot
vaststelling of wijziging van het medezeggenschapsreglement, voor wat
betreft onderwerpen als bedoeld in artikel 15, eerste en derde lid, de
instemming, vereist ingevolge artikel 14, tweede lid, is onthouden,
deelt het bevoegd gezag aan de medezeggenschapsraad dan wel de raad
aan het bevoegd gezag binnen drie maanden mede, of het voorstel wordt
voorgelegd aan de commissie voor geschillen. Indien een dergelijke
mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het
voorstel.
2. Indien het bevoegd gezag een verzoek doet als bedoeld in
artikel 19, eerste lid onderdeel b, is artikel 20, tweede lid, van
overeenkomstige toepassing. Indien de raad een verzoek doet als bedoeld
in artikel 19, eerste lid onderdeel b, wordt het verzoek met redenen
omkleed en stelt de commissie het bevoegd gezag in de gelegenheid om
zijn argumenten voor handhaving van het voorstel bij de commissie naar
voren te brengen.
3. De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het
bevoegd gezag en de raad voor te leggen, tenzij het bevoegd gezag dan
wel de raad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de
commissie van deze bevoegdheid geen gebruik maakt of indien haar
voorstel niet de instemming verwerft van het bevoegd gezag alsmede de
instemming van de raad, beoordeelt de commissie of het bevoegd gezag bij
afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel
heeft kunnen komen. De commissie geeft, voor zover zij van oordeel is
dat het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen niet in
redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen, in haar uitspraak aan
hoe het voorstel dient te worden gewijzigd. Na de uitspraak van de
commissie stelt het bevoegd gezag het medezeggenschapsreglement vast
overeenkomstig de uitspraak van de commissie.
Artikel 22. Geschil bijzondere adviesbevoegdheid raad
1. Indien het bevoegd gezag een besluit neemt waarbij het een
advies van de medezeggenschapsraad, vereist ingevolge artikel 7, dan
wel ingevolge de toepassing van artikel 15, tweede lid, niet of niet
geheel volgt, wordt de uitvoering van het besluit opgeschort met zes
weken, tenzij de raad tegen onmiddellijke uitvoering van het besluit
geen bedenkingen heeft.
2. De medezeggenschapsraad doet een verzoek als bedoeld in
artikel 19, eerste lid onderdeel c, binnen zes weken nadat het betrokken
besluit door het bevoegd gezag is genomen, onder overlegging van de
argumenten voor zijn advies en de argumenten voor zijn oordeel dat door
het niet of niet geheel volgen van het advies de belangen van de school
of van de raad ernstig worden geschaad. De commissie stelt het bevoegd
gezag in de gelegenheid om zijn argumenten voor het niet of niet geheel
volgen van het advies van de raad bij de commissie naar voren te
brengen.
De behandeling van het verzoek verlengt de opschorting, bedoeld in
het eerste lid, niet.
3. De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het
bevoegd gezag en de raad voor te leggen, tenzij het bevoegd gezag dan
wel de raad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de
commissie van deze bevoegdheid geen gebruik maakt of indien haar
voorstel niet de instemming verwerft van het bevoegd gezag alsmede de
instemming van de raad, beoordeelt de commissie of het bevoegd gezag bij
het niet of niet geheel volgen van het advies van de raad
a. gehandeld heeft in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze
wet of met het medezeggenschapsreglement;
b. onvoldoende gemotiveerd heeft waarom is afgeweken van het advies
van de raad; of
c. onzorgvuldig gehandeld heeft ten opzichte van de raad.
De commissie doet vervolgens de bindende uitspraak of het betrokken
besluit al dan niet in stand kan blijven.
Artikel 23. Geschil interpretatie
Op een verzoek als bedoeld in artikel 19, eerste lid onderdeel d,
doet de commissie de bindende uitspraak welke interpretatie aan het
bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel het bepaalde in het
medezeggenschapsreglement dient te worden gegeven.
Artikel 24. Nadere geschillen
Indien in het medezeggenschapsreglement ingevolge de toepassing van
artikel 15, derde lid onderdeel d, geschillen worden aangegeven en
indien het reglement van de commissie voor geschillen daarvoor de
mogelijkheid biedt, kunnen deze geschillen aan de commissie worden
voorgelegd overeenkomstig het daaromtrent bepaalde in het
medezeggenschapsreglement.
Artikel 25. Procesbevoegdheid medezeggenschapsraad
1. De medezeggenschapsraad kan in rechte optreden indien de
vordering strekt tot naleving door het bevoegd gezag van de
verplichtingen jegens de raad, voortvloeiend uit deze wet.
2. Indien de burgerlijke rechter bevoegd is, neemt de
kantonrechter kennis van de vordering.
3. In afwijking van artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering en artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht kan de
raad niet in de proceskosten worden veroordeeld.
4. De raad treedt op verzoek van een geleding in de raad op,
indien de rechten van die geleding specifiek aan de orde zijn.
Artikel 26. Geledingenraden
1. Het bevoegd gezag stelt het personeel, de ouders en de
leerlingen in de gelegenheid om desgewenst onderscheidenlijk een
personeelsraad dan wel afzonderlijke raden voor het onderwijzend en
onderwijsondersteunend personeel, een ouderraad en een leerlingenraad
in te stellen. Een dergelijke raad is bevoegd desgevraagd of eigener
beweging advies uit te brengen aan de medezeggenschapsraad met name
over die aangelegenheden, die de desbetreffende geleding in het
bijzonder aangaan.
2. Op verzoek van een geledingenraad stelt de
medezeggenschapsraad het bevoegd gezag in kennis van een schriftelijk
advies als bedoeld in het eerste lid. Artikel 5, tweede lid derde
volzin, is ten aanzien van een dergelijk schriftelijk advies van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 27. Deelraden
1. Het bevoegd gezag kan een deelraad instellen voor:
a. een school met ten minste 600 leerlingen, die deel uitmaakt van
een scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs of van een
scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6 van de Wet educatie en
beroepsonderwijs, en
b. ten behoeve van de betrokkenen bij een of meer organisatorische
eenheden van een instelling voor educatie en beroepsonderwijs als
bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, dan wel indien geen
organisatorische eenheden zijn ingesteld, ten behoeve van de
betrokkenen bij een of meer beroepsopleidingen en opleidingen
educatie, verbonden aan de instelling.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt een
deelraad in ieder geval ingesteld, indien de medezeggenschapsraad dit
wenst.
3. Een deelraad is bevoegd desgevraagd of uit eigen beweging
advies uit te brengen aan de medezeggenschapsraad over aangelegenheden
die het desbetreffende deel van de school of de scholengemeenschap in
het bijzonder aangaan.
4. Artikel 3, tweede tot en met vijfde en zevende tot en met
tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. Volgens regels, vastgesteld in het medezeggenschapsreglement,
kan de medezeggenschapsraad de uitoefening van een bevoegdheid op grond
van de artikelen 6 tot en met 9, dan wel op grond van het bepaalde in
het medezeggenschapsreglement krachtens artikel 15, tweede lid,
overdragen aan een deelraad voor zover het een aangelegenheid betreft
die het desbetreffende deel van de school of de scholengemeenschap in
het bijzonder aangaat.
6. Ten aanzien van de op grond van het vijfde lid aan de deelraad
overgedragen bevoegdheden zijn de artikelen 12 en 13 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 28. Gemeenschappelijke medezeggenschapsraad
1. Indien het bevoegd gezag meer dan een school in stand houdt
als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de
expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel de Wet
educatie en beroepsonderwijs, stelt het bevoegd gezag per schoolsoort
een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad in. Het bevoegd gezag kan
ten behoeve van scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs
en de Wet op de expertisecentra één gemeenschappelijke
medezeggenschapsraad instellen, indien de instemming van twee derden
van de leden van de desbetreffende medezeggenschapsraden is verkregen.
De gemeenschappelijke medezeggenschapsraad behandelt uitsluitend
aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn voor de
desbetreffende scholen.
2. Iedere medezeggenschapsraad is vertegenwoordigd in een
gemeenschappelijke medezeggenschapsraad.
3. De leden van de raad worden gekozen uit en door de leden van
de desbetreffende afzonderlijke medezeggenschapsraden en wel zo dat het
aantal leden, gekozen uit personeel onderscheidenlijk uit ouders of
leerlingen, elk de helft van het aantal leden van de raad bedraagt. De
leden van de raad hebben zitting zolang zij lid zijn van één van de
desbetreffende medezeggenschapsraden.
4. Het bevoegd gezag stelt voor elke gemeenschappelijke
medezeggenschapsraad een reglement vast. In het reglement wordt in ieder
geval vastgelegd uit hoeveel leden de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraad bestaat en de wijze waarop de verkiezing door de
medezeggenschapsraden geschiedt. Het reglement kan tevens bepalen dat
voor de afzonderlijke medezeggenschapsraden gemeenschappelijke
vertegenwoordigers in de raad worden gekozen als de desbetreffende
afzonderlijke medezeggenschapsraden daartegen geen bezwaar hebben.
Voorts worden in het reglement in ieder geval geregeld de onderwerpen,
bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen d tot en met h en j.
5. De gemeenschappelijke medezeggenschapsraad legt in een bijlage
bij het reglement de zaken van huishoudelijke aard voor de raad vast.
6. De gemeenschappelijke medezeggenschapsraad wordt vooraf in de
gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over elk door het bevoegd
gezag te nemen besluit met betrekking tot vaststelling of wijziging van:
a. de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de
desbetreffende scholen, waaronder
1°. de voorgenomen bestemming van de middelen die aan het
bevoegd gezag ten behoeve van elk van de scholen uit de openbare kas
zijn toegerekend of van anderen zijn ontvangen, alsmede
2°. de criteria die worden toegepast bij de verdeling van deze
middelen over voorzieningen op bovenschools niveau en op
schoolniveau, en
b. het managementstatuut.
7. Aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad wordt de
bevoegdheid, bedoeld in artikel 5, zesde lid, overgedragen. Aan de
gemeenschappelijke medezeggenschapsraad kunnen bijzondere bevoegdheden
als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 9, of daarvan afwijkende
bijzondere bevoegdheden ingevolge de toepassing van artikel 15, tweede
lid, worden overgedragen. De overdracht van deze bevoegdheden vereist de
instemming van zowel het bevoegd gezag als van twee derden van de leden
van de desbetreffende medezeggenschapsraden. De bevoegdheden die zijn
overgedragen worden vastgelegd in het reglement.
8. De gemeenschappelijke medezeggenschapsraad treedt in de plaats
van de afzonderlijke medezeggenschapsraden ten aanzien van de
uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het zevende lid.
9. Ten aanzien van de op grond van het achtste lid aan de
gemeenschappelijke medezeggenschapsraad toekomende bevoegdheden, zijn de
artikelen 10 tot en met 13 van overeenkomstige toepassing.
10. Het bevoegd gezag legt het reglement, daaronder elke
wijziging ervan mede begrepen, als voorstel aan de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraad voor en stelt het slechts vast voor zover het
voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de
gemeenschappelijk medezeggenschapsraad heeft verworven. Het
instemmingsvereiste, bedoeld in de eerste volzin, heeft geen betrekking
op de bevoegdheden die ingevolge het zevende lid zijn overgedragen.
11. De artikelen 4 en 19 tot en met 25 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 29. Gemeenschappelijke geledingenraden
Indien meer scholen door hetzelfde bevoegd gezag in stand worden
gehouden, geeft het bevoegd gezag gelegenheid tot het instellen van een
gemeenschappelijke raad voor een geleding als bedoeld in artikel 26. Een
dergelijke raad is bevoegd desgevraagd of eigener beweging advies uit te
brengen aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad dan wel de
afzonderlijke medezeggenschapsraden van de betrokken scholen over
aangelegenheden, die van gemeenschappelijk belang zijn en de
desbetreffende geleding in het bijzonder aangaan.
Artikel 30. Afwijking bij bijzondere omstandigheden
1. Indien bijzondere omstandigheden een goede toepassing van
een of meer onderdelen van deze wet, niet zijnde de adviesbevoegdheid,
bedoeld in artikel 28, zesde lid, in een school of in een aantal
scholen die door hetzelfde bevoegd gezag in stand worden gehouden, in
de weg staan, kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag
toestaan, dat voor wat betreft een of meer onderdelen op door hem
aangegeven wijze wordt afgeweken van het bepaalde in deze wet.
2. Indien bijzondere omstandigheden als bedoeld in het eerste lid
zich voordoen aan een categorie van scholen, kan bij algemene maatregel
van bestuur worden afgeweken van het bepaalde in deze wet.
Artikel 31. Ontheffing in verband met eigen aard
1. Op gronden die verband houden met de godsdienstige of
levensbeschouwelijke overtuiging die aan de school ten grondslag ligt,
kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag van een bijzondere
school ontheffing verlenen van de voorschriften van deze wet, dan wel
toestaan dat de leden bedoeld in artikel 3, derde lid onderdeel b,
voor zover het betreft een school voor voortgezet onderwijs, een
school voor voortgezet speciaal onderwijs, een instelling voor
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een door Onze minister
aangewezen inrichting voor voortgezet onderwijs, worden gekozen uit en
door de ouders. Het bevoegd gezag toont bij zijn verzoek om ontheffing
aan, dat dit verzoek wordt ondersteund door een meerderheid van twee
derden zowel van het personeel van de school als van de bij de school
betrokken ouders of leerlingen. Het bevoegd gezag toont bij zijn
verzoek om de in de eerste volzin bedoelde toestemming aan dat dit
verzoek wordt ondersteund door een meerderheid van twee derden zowel
van het personeel van de school als van de bij de school betrokken
ouders.
2. Onze minister verklaart de ontheffing dan wel de toestemming
vervallen, indien de gronden waarop zij berustte, niet meer aanwezig
zijn dan wel indien zij niet meer wordt ondersteund door een meerderheid
van twee derden van elk van de in het eerste lid bedoelde categorieën.
3. Het bevoegd gezag doet elke vijf jaren aan Onze minister
mededeling omtrent de stand van zaken met betrekking tot de gronden van
de ontheffing dan wel de toestemming en de ondersteuning ervan.
Artikel 32. Voorzieningen
1. Het bevoegd gezag staat de medezeggenschapsraad het gebruik
toe van de voorzieningen, waarover het kan beschikken en die de raad
voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de raden,
bedoeld in de artikelen 26 tot en met 29.
Artikel 33. Scholing
1. Het bevoegd gezag stelt de leden van de medezeggenschapsraad
in de gelegenheid om gedurende een door dat bevoegd gezag en de raad
gezamenlijk vast te stellen deel van de jaartaak de scholing te
ontvangen die de leden van de raad voor de vervulling van hun taak
nodig hebben. Het personeel van de school wordt in de gelegenheid
gesteld deze scholing in werktijd en met behoud van salaris te
ontvangen.
2. Het deel van de jaartaak, bedoeld in het eerste lid, wordt
vastgesteld op een zodanige omvang als redelijkerwijs noodzakelijk is
voor de taakvervulling door de leden van de medezeggenschapsraad.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
op de leden van de raden, bedoeld in de artikelen 26 tot en met 29.
Artikel 34. Inhouding vergoeding
1. Indien het bevoegd gezag van een school de bij of krachtens
deze wet gegeven voorschriften niet nakomt, kan Onze minister
besluiten dat de vergoeding uit de openbare kas geheel of gedeeltelijk
wordt ingehouden.
2. De vergoeding wordt wederom toegekend, indien Onze minister
blijkt, dat de reden voor de toepassing van het eerste lid is vervallen.
3. Afschrift van zijn beslissing zendt Onze minister aan
gedeputeerde staten en aan burgemeester en wethouders, voor zover het
een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een school
voor speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of
voortgezet speciaal onderwijs, dan wel een instelling voor speciaal en
voortgezet speciaal onderwijs betreft.
Artikel 35. Wet op de ondernemingsraden
De Wet op de ondernemingsraden (Stb. 1990, 91) is niet van
toepassing op de scholen in de zin van deze wet.
Artikel 36. Intrekking WMO; Besluit medezeggenschap onderwijs;
wijziging Invoeringswet W.H.B.O.
1. De Wet medezeggenschap onderwijs (Stb. 1981, 778)
wordt ingetrokken.
2. Het Besluit medezeggenschap onderwijs (Stb. 1984, 442)
blijft van kracht, totdat de algemene maatregel van bestuur op grond van
artikel 30, tweede lid, tot stand is gekomen. Het geldt tot dat tijdstip
als besluit, gebaseerd op artikel 30, tweede lid, van deze wet.
3.
Artikel 37
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 38 [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 39. Overgangsrecht bevoegdheden artikel 8
1. Het bevoegd gezag behoeft de
instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het
personeel is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit
met betrekking tot de aangelegenheden, genoemd in artikel 8.
2. Artikel 13, tweede lid, is op de besluiten, bedoeld in het
eerste lid, van toepassing.
Artikel 40. Overgangsrecht medezeggenschapreglement
1. Binnen 4 maanden na de inwerkingtreding van deze wet legt
het bevoegd gezag een voorstel van het reglement voor de
medezeggenschap voor aan de medezeggenschapsraad. De raad spreekt zich
binnen 4 maanden uit over het voorstel. Het bevoegd gezag stelt het
reglement slechts vast voor zover het voorstel de instemming van twee
derden van het aantal leden van de raad heeft verworven.
2. Het medezeggenschapsreglement, bedoeld in de Wet
medezeggenschap onderwijs, vervalt met ingang van 1 augustus 1993,
indien het bevoegd gezag niet met instemming van de raad bepaalt dat het
geheel of gedeeltelijk op een eerder tijdstip vervalt. De eerste volzin
is niet van toepassing op de advies- en instemmingsbevoegdheden, bedoeld
in artikel 41, eerste lid.
Artikel 41. Overgangsrecht bijzondere bevoegdheden
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 39, blijven de
instemmings- en adviesbevoegdheden ten aanzien van de bijzondere
medezeggenschapsaangelegenheden, bedoeld in artikel 7 van de Wet
medezeggenschap onderwijs, zoals deze ingevolge genoemde wet zijn
vastgelegd in het medezeggenschapsreglement, van kracht tot en met 31
juli 1993.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 15, tweede lid, en
daaromtrent de vereiste overeenstemming wordt bereikt op een tijdstip,
gelegen voor 31 juli 1993, kan het bevoegd gezag met instemming van twee
derden van het aantal leden van de raad besluiten om het bepaalde in de
artikelen 6 tot en met 10 alsmede het bepaalde ingevolge artikel 15,
tweede lid, in werking te doen treden op een eerder tijdstip.
3. Voor zover in het medezeggenschapsreglement, bedoeld in het
eerste lid, instemmingsbevoegdheden zijn vastgelegd die niet terugkeren
in de resultaten van het bepaalde in het tweede lid, blijft het eerste
lid van kracht.
Artikel 42. Overgangsrecht medezeggenschapsraad
1. Een medezeggenschapsraad die op de dag voor de datum van
inwerkingtreding van deze wet ingevolge artikel 4 van de Wet
medezeggenschap onderwijs aan de school is verbonden, geldt dat
medezeggenschapsraad in de zin van deze wet, totdat een
medezeggenschapsraad aan de school is verbonden ingevolge artikel 3
van deze wet. Indien van deze raad overige leden als bedoeld in
artikel 4, derde lid, onderdeel c, van de Wet medezeggenschap
onderwijs, deel uitmaken, hebben zij zitting in de raad met
adviserende stem.
2. Ten aanzien van een gemeenschappelijke raad, een
geledingenraad, een gemeenschappelijke geledingenraad, of voorlopige
raad, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 43. Commissies voor geschillen
Een commissie voor geschillen als bedoeld in de Wet medezeggenschap
onderwijs, geldt met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze
wet als commissie voor geschillen in de zin van deze wet.
Artikel 44. Beslissing aanhangige geschillen
De op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet nog niet
besliste geschillen, door het bevoegd gezag van een school voorgelegd
aan een commissie voor geschillen als bedoeld in de Wet medezeggenschap
onderwijs, gelden met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze
wet als geschillen die krachtens deze wet aanhangig zijn bij een
commissie voor geschillen in de zin van deze wet.
Artikel 45. Voorlopige medezeggenschapsraad
1. Indien aan een school nog geen medezeggenschapsraad is
verbonden, wordt aan de school binnen een half jaar een voorlopige
medezeggenschapsraad gekozen.
2. Het aantal leden van de voorlopige raad bedraagt aan een
school met minder dan 250 leerlingen 4 leden, met 250 tot 750 leerlingen
8 leden, met 750 tot 1250 leerlingen 12 leden en met 1250 of meer
leerlingen 16 leden.
3. Artikel 3, derde tot en met tiende lid, is van overeenkomstige
toepassing op de voorlopige raad.
4. Het bevoegd gezag legt binnen drie maanden na de verkiezing
van de voorlopige raad een medezeggenschapsreglement als voorstel aan
deze raad voor. Vervolgens spreekt de voorlopige raad zich, na overleg
met het bevoegd gezag, binnen drie maanden over het voorstel uit. De
artikelen 14, tweede lid, 19, eerste lid aanhef en onderdeel b, en 21,
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 46 [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 47
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 48. Wijzigingsbepalingen bevoegd gezag openbare school
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 49. Verslag
Onze minister brengt vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet
verslag uit over de werking ervan aan de beide Kamers van de
Staten-Generaal.
Artikel 50. Inwerkingtreding; citeertitel
1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt
geplaatst.
2. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet medezeggenschap
onderwijs 1992.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 3 december 1992
BEATRIX
De Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen,
J. Wallage
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
P. Bukman
Uitgegeven de tweeëntwintigste december 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|