Nadere regelgeving:
- Besluit verplichte verzekering bij medisch-wetenschappelijk
onderzoek met mensen
- Besluit wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen
- Regeling wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen
WET van 26 februari 1998, houdende
regelen inzake medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (Wet
medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede in verband met
de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wenselijk is regelen te stellen
met betrekking tot medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
b. wetenschappelijk onderzoek: medisch-wetenschappelijk
onderzoek waarvan deel uitmaakt het onderwerpen van personen aan
handelingen of het opleggen aan personen van een bepaalde
gedragswijze;
c. proefpersoon: de persoon, bedoeld onder b;
d. onderzoeksprotocol: de volledige beschrijving van een
voorgenomen wetenschappelijk onderzoek waaronder de
doelstellingen, de opzet, de methodologie, de statistische
aspecten en de organisatie van het wetenschappelijk onderzoek;
e. facilitaire instelling: instelling of bedrijf waar
handelingen ter uitvoering van een wetenschappelijk onderzoek
plaatsvinden;
f. degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht: een
persoon, bedrijf, instelling of organisatie die de
verantwoordelijkheid op zich neemt voor het starten, het beheer of
de financiering van het wetenschappelijk onderzoek;
g. degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert: een arts
of een in artikel 3, onder e, bedoelde persoon, die
verantwoordelijk is voor de uitvoering van het wetenschappelijk
onderzoek op een bepaalde locatie. Indien de feitelijke uitvoering
geschiedt door een werknemer of een andere hulppersoon, wordt
degene die van deze persoon gebruik maakt aangemerkt als degene
die het onderzoek uitvoert;
h. commissie: een krachtens artikel 16 erkende commissie;
i. centrale commissie: de commissie bedoeld in artikel 14;
j. College: het College ter beoordeling van geneesmiddelen,
genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet;
k. andere lidstaten: andere lidstaten van de Europese Unie dan
Nederland;
l. het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling: het
Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling opgericht bij
verordening nr. (EEG) 2309/93van de Raad van 22 juli 1993 tot
vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van
vergunningen voor en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk
en diergeneeskundig gebruik en tot het oprichten van een Europees
Bureau voor de geneesmiddelenbewaking, (PbEG L 214);
m. gespreid uitgevoerd wetenschappelijk onderzoek:
wetenschappelijk onderzoek dat volgens één bepaald protocol door
meer dan een onderzoeker wordt uitgevoerd op verschillende
locaties;
n. wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen:
wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen dat bedoeld is om de
klinische, farmacologische of andere farmacodynamische effecten
van een of meer geneesmiddelen voor onderzoek vast te stellen of
te bevestigen of eventuele bijwerkingen van een of meer
geneesmiddelen voor onderzoek te signaleren of de resorptie, de
distributie, het metabolisme en de uitscheiding van een of meer
geneesmiddelen voor onderzoek te bestuderen teneinde de veiligheid
of werkzaamheid van deze geneesmiddelen vast te stellen;
o. geneesmiddel voor onderzoek: een farmaceutische vorm van een
werkzame stof of een placebo die bij een wetenschappelijk
onderzoek met geneesmiddelen wordt onderzocht of als referentie
wordt gebruikt, met inbegrip van een geneesmiddel waarvoor een
vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven maar dat op
een andere manier wordt gebruikt of samengesteld, geformuleerd of
verpakt dan de toegelaten vorm, voor een niet toegelaten indicatie
wordt gebruikt of wordt gebruikt om nadere informatie over een
toegelaten toepassing te verkrijgen;
p. onderzoekersdossier: het geheel van de klinische en niet
klinische gegevens over het geneesmiddel of de geneesmiddelen voor
onderzoek die relevant zijn voor de bestudering van het
geneesmiddel of de geneesmiddelen voor onderzoek bij mensen;
q. ongewenst voorval: een schadelijk verschijnsel bij een
patiënt of een proefpersoon bij een klinisch onderzoek aan wie
een geneesmiddel wordt toegediend dat niet noodzakelijk met die
behandeling verband houdt;
r. bijwerking: een schadelijke en niet gewenste reactie op een
geneesmiddel voor onderzoek, ongeacht de toegediende dosis;
s. ernstig ongewenst voorval of ernstige bijwerking: een
ongewenst voorval of een bijwerking die, ongeacht de dosis,
dodelijk is, levensgevaar oplevert voor de proefpersoon, opname in
een ziekenhuis of verlenging van de opname noodzakelijk maakt,
blijvende of significante invaliditeit of arbeidsongeschiktheid
veroorzaakt dan wel zich uit in aangeboren afwijking of
misvorming;
t. onverwachte bijwerking: een bijwerking waarvan de aard en de
ernst niet overeenkomen met de informatie over het product zoals
opgenomen in het onderzoekersdossier voor een geneesmiddel voor
onderzoek waarvoor geen vergunning is afgegeven of in het geval
van een geneesmiddel waarvoor een marktvergunning is afgegeven, de
in de bijsluiter vervatte samenvatting van de kenmerken van het
product;
u. schriftelijke toestemming: geïnformeerde, schriftelijke,
gedagtekende en ondertekende toestemming om aan een
wetenschappelijk onderzoek deel te nemen.
2.Het onderwerpen van personen aan handelingen en het opleggen aan
personen van een bepaalde gedragswijze uitsluitend ten behoeve van de
hulpverlening aan hen is onder het eerste lid, onder b, niet begrepen.
3.Deze wet is niet van toepassing op wetenschappelijk onderzoek
voor het verrichten waarvan een vergunning is vereist op grond van de
Wet op het bevolkingsonderzoek en, met uitzondering van de artikelen 7
en 9 en de artikelen 8, 11 en 33, voor zover deze betrekking hebben op
artikel 7, op wetenschappelijk onderzoek waarvan het
onderzoeksprotocol ingevolge de Embryowet een positief oordeel heeft
gekregen van de centrale commissie, bedoeld in artikel 14.
Artikel 2
1. Wetenschappelijk onderzoek wordt verricht overeenkomstig een
daartoe opgesteld onderzoeksprotocol.
2. Over dit onderzoeksprotocol moet een positief oordeel zijn
verkregen:
a. van een commissie die daartoe bevoegd is, wanneer onderdeel
b, onder 2°, 3° en 4°, niet van toepassing is;
b. van de centrale commissie, wanneer het betreft:
1°. een beslissing op een administratief beroep;
2°. een wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in de
tweede volzin van artikel 4 , eerste lid, dat niet aan de
betrokken proefpersoon ten goede kan komen en waarbij diens
toestand opzettelijk wordt gewijzigd;
3°. een wetenschappelijk onderzoek waarvan de beoordeling
ingevolge artikel 19 bij de centrale commissie berust;
4°. overige bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
vormen van wetenschappelijk onderzoek waarvan beoordeling door
de centrale commissie gewenst is gelet op de aan het onderzoek
verbonden maatschappelijke, ethische of juridische aspecten.
3. De beoordeling door de onderscheiden commissies geschiedt op de
grondslag van de paragrafen 2 en 3 en de artikelen 9, 11 en 12 en,
voorzover het wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen betreft,
paragraaf 5a.
Artikel 2a
Wetenschappelijk onderzoek, met inbegrip van gespreid uitgevoerd
wetenschappelijk onderzoek, wordt beoordeeld door één bevoegde
commissie daartoe aangewezen door degene die het onderzoek verricht.
Paragraaf 2. Regels voor wetenschappelijk onderzoek met proefpersonen
Artikel 3
De ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie kan slechts
een positief oordeel over een onderzoeksprotocol geven, indien:
a. redelijkerwijs aannemelijk is dat het wetenschappelijk
onderzoek tot de vaststelling van nieuwe inzichten op het gebied van
de medische wetenschap zal leiden;
b. redelijkerwijs aannemelijk is dat de vaststelling, bedoeld
onder a, niet door andere vormen of methoden van wetenschappelijk
onderzoek dan wetenschappelijk onderzoek met proefpersonen of door
het verrichten van onderzoek van minder ingrijpende aard kan
geschieden;
c. redelijkerwijs aannemelijk is dat het met het onderzoek te
dienen belang van de proefpersoon en andere huidige of toekomstige
patiënten in evenredige verhouding staat tot de bezwaren en het
risico voor de proefpersoon;
d. het onderzoek voldoet aan de eisen van een juiste methodologie
van wetenschappelijk onderzoek;
e. het onderzoek wordt uitgevoerd in daarvoor geschikte
instellingen en door of onder leiding van personen die deskundig
zijn op het gebied van wetenschappelijk onderzoek en waarvan er ten
minste één deskundig is op het gebied van de verrichtingen die ter
uitvoering van het onderzoek ten aanzien van de proefpersoon
plaatsvinden;
f. redelijkerwijs aannemelijk is dat aan de proefpersoon te
betalen vergoedingen niet in onevenredige mate van invloed zijn op
het geven van toestemming voor deelneming aan het onderzoek;
g. degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert en de
instelling waar dit onderzoek plaatsvindt, een vergoeding ontvangen
die niet hoger is dan een bedrag dat in redelijke verhouding staat
tot de aard, de omvang en het doel van het wetenschappelijk
onderzoek;
h. in het onderzoeksprotocol duidelijk is aangegeven in hoeverre
het wetenschappelijk onderzoek aan de betrokken proefpersoon ten
goede kan komen;
i. in het onderzoeksprotocol op het wetenschappelijk onderzoek
toegesneden criteria voor de werving van proefpersonen zijn
opgenomen;
j. het onderzoek ook overigens voldoet aan redelijkerwijs daaraan
te stellen eisen.
Artikel 3a
1. Een commissie kan een door haar gegeven positief oordeel over
een onderzoeksprotocol opschorten of intrekken indien er gegronde
redenen zijn om aan te nemen dat voortzetting van het wetenschappelijk
onderzoek zou leiden tot onaanvaardbare risico’s voor de
proefpersoon.
2. Indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat voortzetting
van het wetenschappelijk onderzoek zou leiden tot onaanvaardbare
risico’s voor de proefpersoon, kan de centrale commissie of Onze
Minister, ingeval het vijfde lid van artikel 13i van toepassing is, de
uitvoering van het wetenschappelijk onderzoek opschorten tot een
commissie een nader positief oordeel heeft gegeven over dit
onderzoeksprotocol. De centrale commissie of Onze Minister, ingeval
het vijfde lid van artikel 13i van toepassing is, meldt de opschorting
van de uitvoering van het onderzoek aan de commissie die als laatste
een positief oordeel heeft gegeven over het onderzoeksprotocol en aan
degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht en degene die het
onderzoek uitvoert.
3. Behoudens ingeval van dreigend gevaar, stelt de commissie, de
centrale commissie of Onze Minister, ingeval het vijfde lid van
artikel 13i van toepassing is, alvorens het positieve oordeel op te
schorten of in te trekken, dan wel de uitvoering van het
wetenschappelijke onderzoek op te schorten, degene die het
wetenschappelijk onderzoek verricht of degene die het wetenschappelijk
onderzoek uitvoert, in de gelegenheid binnen één week zijn
zienswijze naar voren te brengen.
4. Indien een commissie besluit een door haar gegeven positief
oordeel over een onderzoeksprotocol inzake wetenschappelijk onderzoek
met geneesmiddelen op te schorten of in te trekken, stelt zij de
centrale commissie of Onze Minister, ingeval artikel 13i, vijfde lid,
van toepassing is, en het College hiervan op de hoogte, onder opgaaf
van redenen.
5. Het College stelt onder opgaaf van redenen het Europese Bureau
voor de geneesmiddelenbeoordeling en de Europese Commissie
onmiddellijk op de hoogte van de opschorting of intrekking van een
gegeven positief oordeel over een onderzoeksprotocol inzake een
wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen.
Artikel 4
1.Het is verboden wetenschappelijk onderzoek te verrichten met
proefpersonen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben
bereikt of die niet in staat zijn tot een redelijke waardering van hun
belangen ter zake. Dit verbod is niet van toepassing op
wetenschappelijk onderzoek dat mede aan de betrokken proefpersonen
zelf ten goede kan komen en op wetenschappelijk onderzoek dat niet dan
met medewerking van proefpersonen uit de categorie waartoe de
proefpersoon behoort, kan worden verricht en waarvan voor hen de
risico's verwaarloosbaar en de bezwaren minimaal zijn.
2.Indien de betrokken proefpersoon zich bij een in het eerste lid,
tweede volzin, bedoeld wetenschappelijk onderzoek verzet tegen een
handeling waaraan hij wordt onderworpen of tegen een aan hem opgelegde
gedragswijze, vindt het onderzoek niet plaats met die proefpersoon.
Artikel 5
Het is verboden wetenschappelijk onderzoek te verrichten met
proefpersonen van wie redelijkerwijs moet worden aangenomen dat zij
gezien de feitelijke of juridische verhouding tot degene die het
onderzoek verricht of uitvoert of degene die de proefpersonen werft,
niet in vrijheid over deelneming daaraan kunnen beslissen. Dit verbod is
niet van toepassing op wetenschappelijk onderzoek dat mede aan de
betrokken proefpersonen zelf ten goede kan komen en op wetenschappelijk
onderzoek dat niet dan met medewerking van proefpersonen uit de
categorie waartoe de proefpersoon behoort, kan worden verricht.
Artikel 6
1. Het is verboden wetenschappelijk onderzoek te verrichten:
a. indien de proefpersoon meerderjarig is, en onderdeel c niet
van toepassing is: zonder de schriftelijke toestemming van de
betrokkene;
b. indien de proefpersoon minderjarig is doch de leeftijd van
twaalf jaar heeft bereikt en onderdeel c niet van toepassing is:
zonder schriftelijke toestemming van de betrokkene alsmede die van
de ouders die het gezag uitoefenen of van zijn voogd;
c. indien de proefpersoon twaalf jaar of ouder is en niet in
staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake:
zonder de schriftelijke toestemming van de ouders die het gezag
uitoefenen of van de voogd dan wel indien hij meerderjarig is, van
de wettelijke vertegenwoordiger van de betrokkene of, indien deze
ontbreekt, van de persoon die daartoe door de betrokkene
schriftelijk is gemachtigd of, bij het ontbreken van zodanig
persoon, van de echtgenoot, geregistreerde partner of andere
levensgezel van de betrokkene of, indien deze ontbreekt, de ouders
van de betrokkene of, indien ook dezen ontbreken, de
redelijkerwijs bereikbare meerderjarige kinderen dan wel, indien
dezen eveneens ontbreken, de redelijkerwijs bereikbare
meerderjarige broers en zussen van de betrokkene;
d. indien de proefpersoon de leeftijd van twaalf jaar nog niet
heeft bereikt: zonder de schriftelijke toestemming van de ouders
die het gezag uitoefenen of van zijn voogd.
2. Als de betrokkene niet in staat is te schrijven, kan de
toestemming mondeling worden gegeven in de aanwezigheid van ten minste
één getuige.
3. De vervangende toestemming van de in het eerste lid, onder c en
d, genoemde personen geeft de vermoedelijke wil van de proefpersoon
weer.
4. Indien het wetenschappelijk onderzoek alleen kan worden
uitgevoerd in noodsituaties waarin de ingevolge het eerste lid
vereiste toestemming niet kan worden gegeven, en ten goede kan komen
aan de persoon die in die noodsituatie verkeert, kunnen handelingen
ter uitvoering ervan plaatsvinden zonder die toestemming zolang de
omstandigheid die de verhindering van het geven van toestemming vormt,
zich voordoet.
5. Alvorens toestemming wordt gevraagd, draagt degene die het
onderzoek uitvoert er zorg voor dat de persoon wiens toestemming is
vereist, schriftelijk en desgewenst in een aan de toestemming
voorafgaand onderhoud wordt ingelicht over:
a. het doel, de aard en de duur van het onderzoek;
b. de risico's die het onderzoek voor de gezondheid van de
proefpersoon met zich zou brengen;
c. de risico's die het tussentijds beëindigen van het
onderzoek voor de gezondheid van de proefpersoon met zich zou
brengen;
d. de bezwaren die het onderzoek voor de proefpersoon met zich
zou kunnen brengen.
6. De inlichtingen worden op zodanige wijze verstrekt dat
redelijkerwijs zeker is dat de betrokkene deze naar haar inhoud heeft
begrepen. Hij krijgt een zodanige bedenktijd dat hij op grond van deze
inlichtingen een zorgvuldig overwogen beslissing omtrent de gevraagde
toestemming kan geven. Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen
worden gesteld aan de inlichtingen die aan betrokkene worden
verstrekt.
7. Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert, draagt
ervoor zorg dat proefpersonen die de leeftijd van twaalf jaar nog niet
hebben bereikt of die niet in staat zijn tot een redelijke waardering
van hun belangen ter zake, over het onderzoek worden ingelicht door
een daartoe geschoolde persoon op een wijze die past bij hun
bevattingsvermogen.
8. De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in dit
artikel wordt vastgelegd in het onderzoeksprotocol.
9. De proefpersoon dan wel, indien deze ingevolge dit artikel niet
bevoegd is tot het geven van toestemming, degene die daartoe in zijn
plaats bevoegd is, kan de toestemming te allen tijde, zonder opgaaf
van redenen, intrekken. Hij is ter zake van de intrekking geen
schadevergoeding verschuldigd.
Paragraaf 3. Aansprakelijkheid en verzekering
Artikel 7
1. Het wetenschappelijk onderzoek wordt slechts verricht indien op
het tijdstip waarop het onderzoek aanvangt, een verzekering is
gesloten die de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen door het
onderzoek veroorzaakte schade door dood of letsel van de proefpersoon
dekt. De verzekering behoeft niet te dekken de schade waarvan op grond
van de aard van het onderzoek zeker of nagenoeg zeker was dat deze
zich zou voordoen.
2. Op de verplichting van de verzekeraar tot vergoeding van de
schade, bedoeld in het eerste lid, zijn van afdeling 6.1.10 van het
Burgerlijk Wetboek de artikelen 95, 96, eerste lid, 97, 100 tot en met
102, 105 tot en met 107a, eerste lid, en 108 van overeenkomstige
toepassing.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter zake
van de verzekering en ter zake van de omvang van de dekking van de
verzekering nadere regelen gesteld. De algemene maatregel van bestuur
treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte
van het Staatsblad, waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt
onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
4. De verzekering dekt uitsluitend de schade van natuurlijke
personen.
5. Indien naar het oordeel van de commissie die belast is met de
beoordeling van het desbetreffende onderzoeksprotocol, aan het
wetenschappelijk onderzoek voor de proefpersoon naar zijn aard geen
risico’s verbonden zijn, kan zij bij positief oordeel over het
onderzoeksprotocol de verrichter op diens verzoek ontheffing verlenen
van de verplichting een verzekering te sluiten.
6. Bij een onderzoek dat tot doel heeft in de kring der
beroepsgenoten gebruikelijke handelingen op het gebied van de
geneeskunst met elkaar te vergelijken, kan de commissie die belast is
met de beoordeling van het desbetreffende onderzoeksprotocol, bij een
positief oordeel de verrichter op diens verzoek ontheffing verlenen
van de verplichting een verzekering te sluiten indien aan het
onderzoek ten gevolge van het vergelijkende karakter daarvan naar het
oordeel van de commissie voor de proefpersonen naar zijn aard hooguit
verwaarloosbare risico’s verbonden zijn.
7. De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het eerste en
negende lid wordt vastgelegd in het onderzoeksprotocol.
8. Is degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert
aansprakelijk voor de schade door dood of letsel van de proefpersoon,
dan is mede aansprakelijk degene die het wetenschappelijk onderzoek
verricht. Voor zover ter uitvoering van een wetenschappelijk onderzoek
verrichtingen plaatsvinden in een facilitaire instelling, rust deze
aansprakelijkheid, ook indien het onderzoek niet door die instelling
wordt verricht of uitgevoerd, mede op die instelling.
9. Het wetenschappelijk onderzoek wordt voorts slechts verricht
indien op het tijdstip waarop het onderzoek aanvangt een verzekering
is gesloten ter dekking van het risico van de in het achtste lid
bedoelde aansprakelijkheid van degene die het onderzoek uitvoert of
van degene die het onderzoek verricht, dan wel anderszins voldoende is
gewaarborgd dat hun verplichtingen ter zake van hun aansprakelijkheid
kunnen worden nagekomen.
10. Het eerste en negende lid zijn niet van toepassing ter zake van
het verrichten van wetenschappelijk onderzoek door diensten,
instellingen of bedrijven van de rijksoverheid die door Onze Minister
zijn aangewezen. De benadeelde heeft jegens een dienst, instelling of
bedrijf van de rijksoverheid die geen verzekering als bedoeld in het
eerste lid heeft gesloten de rechten welke hij overeenkomstig dit
artikel anders tegenover de verzekeraar zou hebben.
11. De aansprakelijkheid van de uitvoerder of, in het geval bedoeld
in het achtste lid, van degene die het wetenschappelijk onderzoek
verricht of van de facilitaire instelling, kan niet worden beperkt of
uitgesloten.
Paragraaf 4. Verplichtingen van degene die het wetenschappelijk
onderzoek verricht
Artikel 8
1.De verplichting zorg te dragen voor de nakoming van de artikelen
2, eerste en tweede lid, en 7 rust op degene die het wetenschappelijk
onderzoek verricht.
2.De verplichting zorg te dragen voor de nakoming van artikel 2,
eerste en tweede lid, rust in het geval bedoeld in artikel 7, vijfde
lid, tweede volzin, mede op de facilitaire instelling.
Artikel 9
Degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht, draagt er zorg
voor dat de proefpersoon zich voor inlichtingen en advies betreffende
het onderzoek kan wenden tot een in het onderzoeksprotocol aan te wijzen
arts die niet bij de uitvoering van het onderzoek is betrokken of een
andere deskundige die in staat moet worden geacht de proefpersoon
adequaat van inlichtingen en advies betreffende het onderzoek te
voorzien en die niet bij de uitvoering van het onderzoek is betrokken.
Paragraaf 5. Verdere verplichtingen van degene die het
wetenschappelijk onderzoek uitvoert
Artikel 10
1. Indien het wetenschappelijk onderzoek een verloop neemt dat in
noemenswaardige mate voor de proefpersoon ongunstiger is dan in het
onderzoeksprotocol is voorzien, doet degene die het onderzoek
uitvoert, daarvan terstond mededeling aan de proefpersoon, dan wel
indien deze ingevolge deze wet niet bevoegd was tot het geven van
toestemming, aan degene die daartoe in zijn plaats bevoegd was en aan
de commissie die ingevolge artikel 2 als laatste haar oordeel heeft
gegeven, met een verzoek om een nader oordeel. Tot het tijdstip waarop
een nader positief oordeel wordt gegeven, wordt de uitvoering van het
onderzoek opgeschort, tenzij de gezondheid van de proefpersoon
opschorting of beëindiging niet toelaat.
2. Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert, doet onder
opgave van de redenen aan de in het eerste lid bedoelde commissie
eveneens mededeling van de voortijdige beëindiging van een onderzoek
binnen vijftien dagen na de dag waarop het onderzoek voortijdig
beëindigd is.
Artikel 11
Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert, draagt er zorg
voor dat de proefpersoon tijdig wordt ingelicht over het bepaalde in de
artikelen 6, zesde lid, tweede volzin, en negende lid, 7, 9, 10en 12 en
over het verloop van het onderzoek. De verstrekte inlichtingen worden
desgevraagd aangevuld. Gelijke verplichting geldt ten opzichte van de
andere personen van wie op grond van artikel 6 de toestemming is
vereist.
Artikel 12
Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert draagt er zorg
voor dat de persoonlijke levenssfeer van de proefpersoon zoveel mogelijk
wordt beschermd.
Artikel 13
Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert draagt er zorg
voor dat, alvorens de uitvoering van een onderzoek een aanvang neemt,
degenen wier beroepsmatige medewerking nodig is bij de uitvoering van
het onderzoek, over de aard en het doel van het onderzoek zijn
ingelicht.
Paragraaf 5a. Aanvullende regels voor wetenschappelijk onderzoek met
geneesmiddelen
Artikel 13a
Op wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen is naast het
bepaalde in de paragrafen 1 tot en met 5 het bepaalde in deze paragraaf
van toepassing.
Artikel 13b
1.Wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen, met inbegrip van
onderzoek naar de biologische beschikbaarheid en de biologische
equivalentie, is wat betreft opzet, uitvoering en rapportage in
overeenstemming met de beginselen van goede klinische praktijken.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
betreffende goede klinische praktijken vastgesteld.
Artikel 13c
Het is verboden in het kader van gentherapie wetenschappelijk
onderzoek met geneesmiddelen te verrichten dat gericht is op modificatie
van de kiembaan en de daarin vastgelegde genetische identiteit van de
proefpersoon.
Artikel 13d
Onverminderd het bepaalde in paragraaf 2 kan de ingevolge artikel 2,
tweede lid, bevoegde commissie slechts een positief oordeel geven over
een onderzoeksprotocol dat betrekking heeft op wetenschappelijk
onderzoek met geneesmiddelen indien:
a. degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht of zijn
wettelijk vertegenwoordiger op het grondgebied van de Europese
Gemeenschap gevestigd is;
b. de geneesmiddelen voor onderzoek of in voorkomend geval de
hulpmiddelen voor toediening, behoudens indien het wetenschappelijk
onderzoek met geregistreerde geneesmiddelen betreft, gratis ter
beschikking worden gesteld door degene die het wetenschappelijk
onderzoek verricht;
c. een op grond van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg geregistreerde arts of tandarts, werkzaam in de
gezondheidszorg, verantwoordelijk is voor de medische verzorging en
de medische beslissingen over de proefpersoon.
Artikel 13e
Onverminderd het bepaalde in paragraaf 2 mag wetenschappelijk
onderzoek met geneesmiddelen bij minderjarige proefpersonen slechts
worden verricht indien:
a. het onderzoek van essentieel belang is om de resultaten te
kunnen bevestigen van wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen
met personen die wel hun toestemming volgens deze wet kunnen geven
of van andere onderzoeksmethoden en het onderzoek enig direct
voordeel inhoudt voor de betrokken groep van patiënten;
b. de desbetreffende door het Europese Bureau voor de
geneesmiddelenbeoordeling vastgestelde wetenschappelijke
richtsnoeren in acht worden genomen;
c. het risico, bedoeld in artikel 4, en de belastingsgraad
specifiek worden gedefinieerd en permanent worden gecontroleerd;
d. de ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie
beschikt over expertise op het gebied van kindergeneeskunde of
pediatrisch advies heeft ingewonnen inzake de klinische, ethische en
psychosociale aspecten van het onderzoek;
e. de belangen van de patiënt altijd prevaleren boven die van de
wetenschap en de samenleving.
Artikel 13f
Onverminderd het bepaalde in paragraaf 2 mag wetenschappelijk
onderzoek met geneesmiddelen bij meerderjarige proefpersonen die niet in
staat zijn tot een redelijke waardering van hun belangen ter zake,
slechts worden uitgevoerd indien:
a. het onderzoek van essentieel belang is om de resultaten te
kunnen bevestigen van wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen
bij personen die wel volgens deze wet hun toestemming kunnen geven,
of van andere onderzoeksmethoden, en het direct gerelateerd is aan
een klinische toestand die levensbedreigend is of de gezondheid
ondermijnt, en waarin de proefpersoon verkeert;
b. het risico, bedoeld inartikel 4, en de belastingsgraad
specifiek worden gedefinieerd en permanent worden gecontroleerd;
c. de ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie
beschikt over expertise op het gebied van de desbetreffende ziekte
en de betrokken populatie of advies heeft ingewonnen inzake de
klinische, ethische en psychosociale aspecten van de desbetreffende
ziekte en populatie;
d. de belangen van de patiënt altijd prevaleren boven die van de
wetenschap en de samenleving;
e. de redelijke verwachting bestaat dat de voordelen van
toediening van het geneesmiddel voor onderzoek voor de patiënt in
kwestie opwegen tegen de risico’s of dat aan de toediening in het
geheel geen risico verbonden is.
Artikel 13g
1.De ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie geeft haar
oordeel mede gelet op het onderzoekersdossier en beslist op een
aanvraag tot het verkrijgen van een positief oordeel over een
onderzoeksprotocol met betrekking tot wetenschappelijk onderzoek met
geneesmiddelen binnen zestig dagen na ontvangst van de aanvraag.
2.Gedurende de termijn waarbinnen de aanvraag wordt behandeld kan
de ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie eenmaal nadere
informatie vragen als aanvulling op de door de aanvrager reeds
verstrekte informatie.
3.De in het eerste lid genoemde termijn kan bij wetenschappelijk
onderzoek met geneesmiddelen voor gentherapie en somatische
celtherapie en alle geneesmiddelen die genetisch gemodificeerde
organismen bevatten, met ten hoogste dertig dagen worden verlengd.
4.De in het eerste en derde lid genoemde termijnen gelden niet voor
de beoordeling van wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen voor
xenogene celtherapie.
Artikel 13h
1.Een aanvraag om een oordeel van een daartoe ingevolge artikel 2,
tweede lid, bevoegde commissie over een wetenschappelijk onderzoek met
geneesmiddelen moet voldoen aan bij ministeriële regeling gestelde
regels. Deze regels betreffen de vorm van het verzoek en de bescheiden
die daarbij moeten worden overgelegd, met name ten aanzien van de
informatie die aan proefpersonen wordt verstrekt, en de adequate
waarborgen ter bescherming van persoonlijke gegevens.
2.Indien de in het eerste lid bedoelde aanvraag betrekking heeft op
wetenschappelijk onderzoek met geregistreerde geneesmiddelen, behoeft
bij de aanvraag slechts de samenvatting van de productinformatie zoals
die bij de registratie is vastgesteld te worden verstrekt. Indien
sprake is van een ten opzichte van de registratie afwijkende
toedieningsvorm, indicatie, patiëntengroep of dosering wordt de
samenvatting van de productinformatie aangevuld met de voor het
desbetreffende onderzoek relevante aanvullende informatie.
Artikel 13i
1.Wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen mag slechts worden
uitgevoerd voor zover de centrale commissie daartegen niet binnen de
in het derde lid bedoelde termijn gemotiveerde bezwaren kenbaar heeft
gemaakt.
2.Voordat de uitvoering van het wetenschappelijk onderzoek met
geneesmiddelen aanvangt, stelt degene die het onderzoek verricht, de
centrale commissie onder overlegging van het onderzoekersdossier in
kennis van het onderzoek.
3.De centrale commissie kan uiterlijk binnen veertien dagen na
ontvangst van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving haar
gemotiveerde bezwaren tegen het onderzoek meedelen aan degene die het
onderzoek verricht. In dat geval kan deze eenmaal wijziging in het
voorgenomen onderzoeksprotocol aanbrengen teneinde aan de bezwaren van
de centrale commissie tegemoet te komen. Maakt degene die het
onderzoek verricht van die mogelijkheid geen gebruik, dan mag het
onderzoek niet aanvangen.
4.Heeft de in het tweede lid bedoelde kennisgeving betrekking op
wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen voor gentherapie,
somatische celtherapie, xenogene celtherapie of geneesmiddelen die
genetisch gemodificeerde organismen bevatten, dan mag de uitvoering
van het onderzoek slechts aanvangen indien de centrale commissie dan
wel Onze Minister, indien het vijfde lid van toepassing is,
uitdrukkelijk schriftelijk heeft verklaard geen bezwaar tegen het
onderzoek te hebben. In dat geval kan de in het derde lid bedoelde
termijn worden verlengd met ten hoogste dertig dagen, met dien
verstande dat op grond van deze wet geen termijn geldt voor het
kenbaar maken van gemotiveerde bezwaren tegen onderzoek met
geneesmiddelen voor xenogene celtherapie.
5.In afwijking van het eerste en tweede lid wordt, indien de
beoordeling van het onderzoeksprotocol ingevolge artikel 2, tweede
lid, onder b, 2°, 3° of 4° plaatsvindt door de centrale commissie,
de in het tweede lid bedoelde kennisgeving gedaan bij Onze Minister en
beslist deze ter zake met overeenkomstige toepassing van dit artikel.
6.Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld betreffende
de vorm en de inhoud van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving,
de hierbij in te dienen bewijsstukken, de vorm en inhoud van een
voorstel tot substantiële wijzigingen die in het protocol worden
aangebracht en de verklaring dat het onderzoek is beëindigd.
7.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld
betreffende de bedragen die voor de met de uitvoering van dit artikel
gemoeide kosten door de centrale commissie of Onze Minister, ingeval
het vijfde lid van artikel 13i van toepassing is, in rekening kunnen
worden gebracht aan degene die de in het tweede lid bedoelde
kennisgeving heeft gedaan.
Artikel 13j
1. De centrale commissie of Onze Minister, ingeval het vijfde lid
van artikel 13i van toepassing is, maakt gemotiveerd bezwaar indien in
de Europese databank reeds bijwerkingen van het geneesmiddel voor
onderzoek zijn opgenomen die leiden tot onaanvaardbare risico’s voor
de proefpersoon of indien er anderszins aanwijzingen zijn dat het
wetenschappelijk onderzoek leidt tot onaanvaardbare risico’s voor de
proefpersoon.
2. De Inspectie voor de Gezondheidszorg controleert op verzoek van
de centrale commissie of van Onze Minister, ingeval hetvijfde lid van
artikel 13i van toepassing is, of het wetenschappelijk onderzoek met
geneesmiddelen naar verwachting kan plaats vinden overeenkomstig deze
wet. Het bepaalde in artikel 5:12, 5:13 en 5:15 tot en met 5:20 van de
Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13k
1.Na aanvang van het onderzoek kan degene die het wetenschappelijk
onderzoek verricht, het onderzoeksprotocol betreffende het
wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen wijzigen.
2.Indien de wijziging substantieel is en effect kan hebben op de
veiligheid van proefpersonen of kan leiden tot een andere
interpretatie van de wetenschappelijke documenten die het verloop van
het onderzoek onderbouwen of indien de wijziging anderszins
significant is, mag degene die het onderzoek verricht het protocol
slechts wijzigen indien:
a. hij de ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie,
de in artikel 13i, eerste of vijfde lid, bedoelde instantie en in
voorkomend geval de bevoegde instantie van een andere lidstaat,
die als laatste haar oordeel heeft gegeven, in kennis stelt van de
redenen en de inhoud van de voorgenomen wijziging;
b. de ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie een
positief oordeel uitspreekt over het voorstel tot wijziging van
het protocol en
c. de inartikel 13i, eerste of vijfde lid, bedoelde instantie
geen gemotiveerde bezwaren tegen de voorgestelde wijziging van het
protocol heeft ingebracht.
3.Ingeval de in artikel 13i, eerste of vijfde lid, bedoelde
instantie of de bevoegde instanties van andere lidstaten gemotiveerde
bezwaren tegen de wijziging van het protocol hebben ingebracht, kan
het onderzoek slechts doorgang vinden indien degene die het
wetenschappelijk onderzoek verricht, de voorgenomen wijziging van het
protocol aanpast aan de gemaakte bezwaren.
4.De ingevolgeartikel 2, tweede lid, bevoegde commissie beoordeelt
de wijziging van het protocol binnen een termijn van vijfendertig
dagen na ontvangst van het voorstel tot wijziging van het protocol.
5.De in artikel 13i, eerste of vijfde lid, bedoelde instantie maakt
uiterlijk binnen vijfendertig dagen na ontvangst van het voorstel tot
wijziging van het protocol daartegen gemotiveerde bezwaren.
Artikel 13l
1.Degene die het onderzoek verricht stelt de ingevolge artikel 2,
tweede lid, bevoegde commissie, de in artikel 13i, eerste of vijfde
lid, bedoelde instantie en in voorkomend geval de bevoegde instantie
van een andere lidstaat binnen negentig dagen na het einde van een
wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen ervan op de hoogte dat
het onderzoek beëindigd is.
2.Wanneer het onderzoek voortijdig moet worden stopgezet, stelt
degene die het onderzoek verricht de ingevolge artikel 2, tweede lid,
bevoegde commissie, de in artikel 13i, eerste of vijfde lid, bedoelde
instantie en in voorkomend geval de bevoegde instantie van een andere
lidstaat binnen vijftien dagen na de stopzetting onder opgaaf van
redenen op de hoogte.
Artikel 13m
1.De in artikel 13i, eerste lid en vijfde lid, bedoelde instantie
stelt de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen
gegevens betreffende wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen,
dat plaatsvindt in Nederland, ter beschikking van het College.
2.Het College draagt zorg voor de invoering van deze gegevens in
een Europese databank die uitsluitend toegankelijk is voor het
College, de centrale commissie of Onze Minister, ingeval het vijfde
lid van artikel 13i van toepassing is, de Inspectie voor de
Gezondheidszorg, de bevoegde instanties van andere lidstaten, het
Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling en voor de Europese
Commissie. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de vertrouwelijkheid van de
in de Europese databank opgenomen gegevens.
3.Op een met redenen omkleed verzoek van een andere lidstaat, het
Europees Bureau voor geneesmiddelenbeoordeling of de Europese
Commissie verstrekt de inartikel 13i, eerste lid en vijfde lid,
bedoelde instantie alle aanvullende inlichtingen betreffende een
wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen, die nog niet in de
Europese databank zijn opgenomen.
4.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
aangaande de methoden van elektronische gegevensuitwisseling.
Artikel 13n
Indien de centrale commissie of Onze Minister, ingeval artikel 13i,
vijfde lidvan toepassing is, objectieve redenen heeft om aan te nemen
dat degene die het wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen
verricht of uitvoert of enige andere bij de proef betrokken persoon zijn
verplichtingen niet langer nakomt, stelt de centrale commissie of Onze
Minister deze daarvan onmiddellijk op de hoogte en geeft daarbij te
kennen welke gedragslijn genoemde persoon moet volgen om de genoemde
situatie te corrigeren. De centrale commissie of Onze Minister,
ingevalartikel 13i, vijfde lid, van toepassing is, stelt onmiddellijk de
ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie die als laatste haar
oordeel heeft gegeven over het betreffende wetenschappelijke onderzoek
met geneesmiddelen, de bevoegde instanties van andere lidstaten en de
Europese Commissie van genoemde gedragslijn op de hoogte.
Artikel 13o
1.Degene die het wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen
uitvoert, rapporteert alle ernstige ongewenste voorvallen, met
uitzondering van de ernstige ongewenste voorvallen waarover volgens
het protocol of het onderzoekersdossier geen onmiddellijke rapportage
is vereist, onmiddellijk aan degene die het wetenschappelijk onderzoek
verricht. De onmiddellijke rapportage wordt gevolgd door
gedetailleerde schriftelijke rapporten, waarin de proefpersonen met
een codenummer worden aangeduid.
2.Ongewenste voorvallen of abnormale laboratoriumwaarden die
volgens het protocol voor de veiligheidsbeoordeling van cruciaal
belang zijn, worden binnen de in het protocol vermelde termijn aan
degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht, gerapporteerd.
3.Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert, verstrekt aan
degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht, en aan de
ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie die als laatste
haar oordeel heeft gegeven, alle gevraagde aanvullende informatie over
gerapporteerde sterfgevallen.
4.Degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht, houdt
gedetailleerde registers bij van alle ongewenste voorvallen die hem
door degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert, worden
gerapporteerd. Deze informatie wordt op verzoek overgedragen aan de
Inspectie voor de Gezondheidszorg en de centrale commissie of Onze
Minister indien artikel 13i, vijfde lid, van toepassing is en de
bevoegde instanties van de lidstaten op het grondgebied waarvan het
wetenschappelijk onderzoek wordt verricht.
Artikel 13p
1. Degene die wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen
verricht, draagt er zorg voor dat alle relevante informatie over
vermoedens van onverwachte ernstige bijwerkingen van geneesmiddelen
voor onderzoek die tot de dood van een proefpersoon hebben geleid of
kunnen leiden, wordt geregistreerd en zo spoedig mogelijk doch
uiterlijk binnen zeven dagen nadat hij daarvan kennis heeft genomen,
wordt gerapporteerd aan het College, de centrale commissie, de
betrokken bevoegde instanties van andere lidstaten en de ingevolge
artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie en dat relevante informatie
over de nasleep daarvan binnen nog eens acht dagen wordt medegedeeld
aan genoemde instanties.
2. Alle vermoedens van andere dan in het eerste lid genoemde
onverwachte ernstige bijwerkingen van geneesmiddelen voor onderzoek
worden zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vijftien dagen nadat
degene die het onderzoek verricht, er kennis van heeft genomen,
gerapporteerd aan het College, de centrale commissie, de betrokken
bevoegde instanties van andere lidstaten en de ingevolgeartikel 2,
tweede lid, bevoegde commissie.
3. Degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht, informeert
alle anderen die het onderzoek uitvoeren.
4. Het College draagt zorg voor de invoering van alle gemelde
vermoedens van onverwachte ernstige bijwerkingen van een geneesmiddel
voor onderzoek in een Europese databank, als bedoeld in artikel 13m,
tweede lid.
Artikel 13q
Tijdens de gehele duur van het wetenschappelijk onderzoek met
geneesmiddelen verstrekt degene die het onderzoek verricht, eenmaal per
jaar een lijst van alle vermoedens van ernstige bijwerkingen van
geneesmiddelen voor onderzoek, die zich in dat jaar hebben voorgedaan en
een rapport betreffende de veiligheid van de proefpersonen aan:
a. de centrale commissie of Onze Minister indien artikel 13i,
vijfde lid, van toepassing is;
b. de bevoegde instanties van de andere lidstaten op het
grondgebied waarvan het wetenschappelijk onderzoek met
geneesmiddelen wordt uitgevoerd;
c. de ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie.
Artikel 13r [Vervallen per 01-07-2012]
Paragraaf 6. De commissies
Artikel 14
1. Er is een centrale commissie voor medisch-wetenschappelijk
onderzoek. Zij heeft ten hoogste vijftien leden. De Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen is op de centrale commissie van
toepassing, met uitzondering van artikel 22 van die wet, voor zover
het besluiten betreft die de centrale commissie neemt ter uitvoering
van deze wet en de artikelen 10, 16 en 19 van de Embryowet.
2. De centrale commissie bestaat in elk geval uit een of meer
artsen, en uit personen die deskundig zijn op het gebied van de
embryologie, de farmacologie, de farmacie, de verpleegkunde, de
gedragswetenschappen, de rechtswetenschap, de methodologie van
wetenschappelijk onderzoek en de ethiek, alsmede een persoon die het
wetenschappelijk onderzoek specifiek beoordeelt vanuit de invalshoek
van de proefpersoon.
3. Voor elk lid wordt een plaatsvervangend lid benoemd.
4. Onze Minister wijst een persoon aan die als waarnemer de
vergaderingen van de commissie kan bijwonen.
5. De centrale commissie wijst uit haar midden een of meer
plaatsvervangers voor de voorzitter aan.
6. Herbenoeming van de leden en de plaatsvervangende leden kan
tweemaal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.
7. De centrale commissie regelt haar werkwijze bij een reglement.
Het reglement bevat een voorziening op grond waarvan een lid of een
plaatsvervangend lid van de centrale commissie niet deelneemt aan de
beoordeling van een onderzoeksprotocol indien het betrokken is bij het
verrichten dan wel uitvoeren van het te beoordelen wetenschappelijk
onderzoek.
Artikel 15
De centrale commissie heeft een secretariaat, waarvan de ambtenaren
door Onze Minister, gehoord de centrale commissie, worden benoemd,
geschorst en ontslagen.
Artikel 16
1. De centrale commissie kan commissies erkennen, die belast zijn
met de toetsing van onderzoeksprotocollen overeenkomstig het bepaalde
bij of krachtens deze wet.
2. Voor erkenning komt slechts in aanmerking een commissie:
a. die in elk geval bestaat uit een of meer artsen en uit
personen die deskundig zijn op het gebied van de rechtswetenschap,
de methodologie van wetenschappelijk onderzoek en de ethiek,
alsmede een persoon die het wetenschappelijk onderzoek specifiek
beoordeelt vanuit de invalshoek van de proefpersoon en die ingeval
van beoordeling van wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen
tevens bestaat uit personen die deskundig zijn op het gebied van
de farmacie en de klinische farmacologie;
b. waarvan de leden voldoen aan door de centrale commissie vast
te stellen nadere eisen betreffende opleiding en ervaring;
c. waarvan de leden worden benoemd voor een periode van ten
hoogste vier jaar en herbenoeming van de leden twee maal kan
plaatsvinden voor telkens een periode van ten hoogste vier jaar;
d. in welker reglement genoegzaam is voorzien in medewerking
door andere deskundigen met het oog op de aard van de haar ter
beoordeling voorgelegde onderzoeksprotocollen;
e. uit welker reglement blijkt voor welke kring zij werkzaam
zal zijn;
f. in welker reglement genoegzaam is voorzien in de
onafhankelijkheid ten opzichte van de organisatie die de commissie
heeft ingesteld;
g. welker reglement voorziet in een behoorlijke regeling van
haar werkwijze en dat onder andere bevat een voorziening op grond
waarvan een lid of een plaatsvervangend lid niet deelneemt aan de
beoordeling van een onderzoeksprotocol indien het betrokken is bij
het verrichten dan wel uitvoeren van het te beoordelen
wetenschappelijk onderzoek;
h. waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat aan haar
onderzoeksprotocollen ter beoordeling zullen worden voorgelegd tot
tenminste het door de centrale commissie daartoe vastgestelde
aantal.
Artikel 17
1.De centrale commissie brengt een erkenning als bedoeld in artikel
16, eerste lid, terstond ter kennis van Onze Minister.
2.Van een erkenning als bedoeld in artikel 16, eerste lid, wordt
door de zorg van Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 18
Een commissie doet van een wijziging van haar reglement en van haar
opheffing schriftelijk mededeling aan de centrale commissie.
Artikel 19
1.Binnen zes weken na de indiening van een protocol betreffende een
wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in de tweede volzin van artikel
4, eerste lid, waarbij de toestand van de proefpersoon niet
opzettelijk wordt gewijzigd, kan de commissie besluiten de beoordeling
daarvan over te dragen aan de centrale commissie. De commissie doet
degene die het protocol heeft ingediend, mededeling van de overdracht.
2.De centrale commissie kan bepalen dat de beoordeling van
protocollen betreffende een door haar aangewezen vorm van
wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in het eerste lid door haar
geschiedt.
Artikel 20
Als vergoeding voor de met de beoordeling gemoeide kosten kunnen de
commissie en de centrale commissie aan degene die een onderzoeksprotocol
ter beoordeling indient, een bedrag in rekening brengen.
Artikel 21
1.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de op
grond van artikel 16 erkende commissies nagaan of bij de maatregel aan
te wijzen vormen van wetenschappelijk onderzoek waarover de
desbetreffende commissie ingevolge artikel 2 haar oordeel heeft
gegeven, een verloop nemen dat in noemenswaardige mate voor de
proefpersoon ongunstiger is dan in het onderzoeksprotocol is voorzien.
In dat geval kan de commissie een nader oordeel over het
onderzoeksprotocol geven.
De tweede volzin van artikel 10 , eerste lid, is van toepassing.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld betreffende de wijze waarop de commissies de in het eerste lid
bedoelde taak uitoefenen.
3.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de centrale commissie, voor zover deze ingevolge artikel
2, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, 3° en 4°, is belast met de
beoordeling van onderzoeksprotocollen.
Artikel 22
1. De commissie zendt aan de centrale commissie afschrift van elk
ingevolge deze wet gegeven oordeel alsmede van het desbetreffende
onderzoeksprotocol of de hoofdzaken daarvan binnen zeven dagen na de
dag waarop het oordeel gegeven is. Voorts doet de commissie van de in
artikel 10, tweede lid, bedoelde mededelingen binnen zeven dagen na
ontvangst ervan melding bij de centrale commissie.
2. De commissie brengt jaarlijks vóór 1 april verslag uit van
haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Dit verslag wordt
gezonden aan de centrale commissie en wordt overigens door de
commissie, tegen betaling der kosten, voor een ieder verkrijgbaar
gesteld.
3. De commissie verleent aan de centrale commissie alle medewerking
die voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 23
Tegen een door een commissie gegeven oordeel kan een belanghebbende
administratief beroep instellen bij de centrale commissie.
Artikel 24
De centrale commissie houdt toezicht op de werkzaamheden van de
commissies. Zij kan richtlijnen vaststellen ter zake van de door hen
overeenkomstig deze wet te verrichten werkzaamheden. Zodanige
richtlijnen worden door de zorg van Onze Minister bekend gemaakt in de
Staatscourant.
Artikel 25
1. De centrale commissie trekt een aan een commissie verleende
erkenning in indien:
a. de commissie niet langer voldoet aan een van de in artikel
16, tweede lid, onder a tot en met g, met het oog op erkenning
gestelde voorwaarden;
b. de commissie de verplichtingen die voor haar voortvloeien
uit deze wet, onvoldoende nakomt;
c. door een wijziging van het reglement van de commissie een
goede uitoefening van de werkzaamheden waarmee zij ingevolge deze
wet is belast, redelijkerwijs niet langer is verzekerd.
2. De centrale commissie kan voorts een erkenning intrekken indien
door de commissie in de laatste twee kalenderjaren een kleiner aantal
onderzoeksprotocollen is beoordeeld dan het aantal, bedoeld in artikel
16, tweede lid, onder h.
3. Een beslissing tot intrekking van een erkenning wordt niet
genomen dan nadat de commissie door de centrale commissie is gehoord.
4. Van de intrekking wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de
commissie. Artikel 17, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 27
Telkens binnen een periode van vijf jaar brengt de centrale commissie
een rapport uit aan Onze Minister, waarin de taakvervulling van de
centrale commissie aan een onderzoek wordt onderworpen en voorstellen
kunnen worden gedaan voor gewenste veranderingen. Onze Minister neemt
zijn opvattingen over dit rapport op in het verslag, bedoeld in artikel
39, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en voegt
het rapport bij dat verslag.
Paragraaf 7. Verdere bepalingen
Artikel 27a
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat toezending van
informatie, die op grond van deze wet moet worden verstrekt aan de
centrale commissie, aan Onze Minister ingeval artikel 13i, vijfde lid,
van toepassing is, en voorts aan de commissie, het College of de
Inspectie voor de Gezondheidszorg, elektronisch geschiedt. Daarbij
kunnen regels worden gesteld inzake de vorm waarin dit dient te
geschieden.
Artikel 28
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid.
2.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld inzake het toezicht op de naleving van het
bepaalde bij of krachtens deze wet met betrekking tot wetenschappelijk
onderzoek met geneesmiddelen.
Artikel 29 [Vervallen per 01-12-1999]
Artikel 30
De toepassing van deze wet door de commissies geschiedt met
inachtneming van de voor de rijksdienst geldende nationale en
internationale voorschriften ter beveiliging van gegevens waarvan
geheimhouding door het belang van de Staat of van zijn bondgenoten is
geboden.
Artikel 31
1.Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, artikel 32 in werking worden
gesteld.
2.Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt
onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent
het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking
gestelde bepaling.
3.Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan
wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in
werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in
werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden
dit naar Ons oordeel toelaten.
5.Het besluit, bedoel in het eerste, derde en vierde lid, wordt op
de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in
ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 32 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in
werking treden.]
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie,
de artikelen 16, tweede lid, onder a, en 25, eerste lid, onder a, buiten
werking stellen ten aanzien van commissies die belast zijn met de
toetsing van wetenschappelijk onderzoek naar bescherming tegen de
omstandigheden waaraan militair personeel bij operationele inzet kan
worden blootgesteld, voor zover dit onderzoek wordt verricht met
proefpersonen die behoren tot het militair personeel.
Paragraaf 8. Strafbepalingen
Artikel 33
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft degene die al dan niet opzettelijk
handelt in strijd met een verbod, vervat in artikel 6, eerste lid.
2. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft degene die handelt in strijd met de
verplichting zorg te dragen voor de nakoming van artikel 2, eerste lid
of tweede lid, of 7 dan wel in strijd met een verplichting, vervat in
de paragrafen 5en 5a of in strijd met een gedragslijn bedoeld in
artikel 13n. Met dezelfde straf wordt gestraft degene die handelt in
strijd met een verbod, vervat in de artikelen 4, 5 en13c, degene die
wetenschappelijk onderzoek uitvoert zonder een protocol waarover een
positief oordeel is verkregen, dan wel in strijd daarmee en degene die
wetenschappelijk onderzoek uitvoert terwijl de commissie een door haar
gegeven positief oordeel over het onderzoeksprotocol heeft opgeschort
dan wel ingetrokken of de centrale commissie of Onze Minister, ingeval
het vijfde lid van artikel 13i van toepassing is, de uitvoering van
het onderzoek heeft opgeschort.
3. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven;
de in het tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Paragraaf 9. Slotbepalingen
Artikel 34
[Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden]
Artikel 35
[Wijzigt deze wet]
Artikel 36
[Wijzigt deze wet]
Artikel 37
1. Onze Minister zendt binnen 4 jaar na de inwerkingtreding van
deze wet, en vervolgens telkens na 5 jaar, aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en effecten van deze wet in de
praktijk.
2. Het verslag, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, maakt onderdeel uit van het in het
eerste lid bedoelde verslag.
Artikel 38
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
Artikel 39
Deze wet wordt aangehaald als: Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek
met mensen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 26 februari 1998
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de zesentwintigste maart 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|