Nadere regelgeving:
- Besluit verplichte verzekering bij medisch-wetenschappelijk
onderzoek met mensen
- Besluit wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen
- Regeling wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen
WET van 26 februari 1998, houdende
regelen inzake medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (Wet
medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede in verband met
de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wenselijk is regelen te stellen
met betrekking tot medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en
de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
b. wetenschappelijk onderzoek: medisch-wetenschappelijk onderzoek
waarvan deel uitmaakt het onderwerpen van personen aan handelingen of
het opleggen aan personen van een bepaalde gedragswijze;
c. proefpersoon: de persoon, bedoeld onder b;
d. onderzoeksprotocol: de volledige beschrijving van een
voorgenomen wetenschappelijk onderzoek waaronder de doelstellingen, de
opzet, de methodologie, de statistische aspecten en de organisatie van
het wetenschappelijk onderzoek;
e. facilitaire instelling: instelling of bedrijf waar handelingen
ter uitvoering van een wetenschappelijk onderzoek plaatsvinden;
f. degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht: een persoon,
bedrijf, instelling of organisatie die de verantwoordelijkheid op zich
neemt voor het starten, het beheer of de financiering van het
wetenschappelijk onderzoek;
g. degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert: een arts of
een in artikel 3, onder e, bedoelde persoon, die verantwoordelijk is
voor de uitvoering van het wetenschappelijk onderzoek op een bepaalde
locatie. Indien de feitelijke uitvoering geschiedt door een werknemer
of een andere hulppersoon, wordt degene die van deze persoon gebruik
maakt aangemerkt als degene die het onderzoek uitvoert;
h. commissie: een krachtens artikel 16 erkende commissie;
i. centrale commissie: de commissie bedoeld in artikel 14;
j. College: het College ter beoordeling van geneesmiddelen, genoemd
in artikel 2, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet;
k. andere lidstaten: andere lidstaten van de Europese Unie dan
Nederland;
l. het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling: het
Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling opgericht bij
verordening nr. (EEG) 2309/93 van de Raad van 22 juli 1993 tot
vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van
vergunningen voor en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en
diergeneeskundig gebruik en tot het oprichten van een Europees Bureau
voor de geneesmiddelenbewaking, (PbEG L 214);
m. gespreid uitgevoerd
wetenschappelijk onderzoek: wetenschappelijk onderzoek dat volgens
één bepaald protocol door meer dan een onderzoeker wordt uitgevoerd
op verschillende locaties;
n. wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen: wetenschappelijk
onderzoek met geneesmiddelen dat bedoeld is om de klinische,
farmacologische of andere farmacodynamische effecten van een of meer
geneesmiddelen voor onderzoek vast te stellen of te bevestigen of
eventuele bijwerkingen van een of meer geneesmiddelen voor onderzoek te
signaleren of de resorptie, de distributie, het metabolisme en de
uitscheiding van een of meer geneesmiddelen voor onderzoek te bestuderen
teneinde de veiligheid of werkzaamheid van deze geneesmiddelen vast te
stellen;
o. geneesmiddel voor onderzoek: een farmaceutische vorm van een
werkzame stof of een placebo die bij een wetenschappelijk onderzoek met
geneesmiddelen wordt onderzocht of als referentie wordt gebruikt, met
inbegrip van een geneesmiddel waarvoor een vergunning voor het in de
handel brengen is afgegeven maar dat op een andere manier wordt gebruikt
of samengesteld, geformuleerd of verpakt dan de toegelaten vorm, voor
een niet toegelaten indicatie wordt gebruikt of wordt gebruikt om nadere
informatie over een toegelaten toepassing te verkrijgen;
p. onderzoekersdossier: het geheel van de klinische en niet klinische
gegevens over het geneesmiddel of de geneesmiddelen voor onderzoek die
relevant zijn voor de bestudering van het geneesmiddel of de
geneesmiddelen voor onderzoek bij mensen;
q. ongewenst voorval: een
schadelijk verschijnsel bij een patiënt of een proefpersoon bij een
klinisch onderzoek aan wie een geneesmiddel wordt toegediend dat niet
noodzakelijk met die behandeling verband houdt;
r. bijwerking: een schadelijke en niet gewenste reactie op een
geneesmiddel voor onderzoek, ongeacht de toegediende dosis;
s. ernstig ongewenst voorval of ernstige bijwerking: een ongewenst
voorval of een bijwerking die, ongeacht de dosis, dodelijk is,
levensgevaar oplevert voor de proefpersoon, opname in een ziekenhuis of
verlenging van de opname noodzakelijk maakt, blijvende of significante
invaliditeit of arbeidsongeschiktheid veroorzaakt dan wel zich uit in
aangeboren afwijking of misvorming;
t. onverwachte bijwerking: een bijwerking waarvan de aard en de ernst
niet overeenkomen met de informatie over het product zoals opgenomen in
het onderzoekersdossier voor een geneesmiddel voor onderzoek waarvoor
geen vergunning is afgegeven of in het geval van een geneesmiddel
waarvoor een marktvergunning is afgegeven, de in de bijsluiter vervatte
samenvatting van de kenmerken van het product;
u. schriftelijke toestemming:
geïnformeerde, schriftelijke, gedagtekende en ondertekende toestemming
om aan een wetenschappelijk onderzoek deel te nemen.
2. Het onderwerpen van personen aan handelingen en het opleggen
aan personen van een bepaalde gedragswijze uitsluitend ten behoeve van
de hulpverlening aan hen is onder het eerste lid, onder b, niet
begrepen.
3. Deze wet is niet van toepassing op wetenschappelijk onderzoek
voor het verrichten waarvan een vergunning is vereist op grond van de
Wet op het bevolkingsonderzoek en, met uitzondering van de artikelen 7
en 9 en de artikelen 8, 11 en 33, voor zover deze betrekking hebben op
artikel 7, op wetenschappelijk onderzoek waarvan het onderzoeksprotocol
ingevolge de Embryowet een positief oordeel heeft gekregen van de
centrale commissie, bedoeld in artikel 14.
Artikel 2
1. Wetenschappelijk onderzoek wordt verricht overeenkomstig een
daartoe opgesteld onderzoeksprotocol.
2. Over dit onderzoeksprotocol moet een positief oordeel zijn
verkregen:
a. van een commissie die daartoe
bevoegd is, wanneer onderdeel b, onder 2°, 3° en 4°, niet van
toepassing is;
b. van de centrale commissie, wanneer het betreft:
1°. een beslissing op een administratief
beroep;
2°. een wetenschappelijk onderzoek als
bedoeld in de tweede volzin van artikel 4 , eerste lid, dat niet aan de
betrokken proefpersoon ten goede kan komen en waarbij diens toestand
opzettelijk wordt gewijzigd;
3°. een wetenschappelijk onderzoek waarvan
de beoordeling ingevolge artikel 19 bij de centrale commissie berust;
4°. overige bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen vormen van wetenschappelijk onderzoek waarvan
beoordeling door de centrale commissie gewenst is gelet op de aan het
onderzoek verbonden maatschappelijke, ethische of juridische aspecten.
3. De beoordeling door de onderscheiden commissies geschiedt op
de grondslag van de paragrafen 2, 3 en voor zover het wetenschappelijk
onderzoek met geneesmiddelen betreft, 5a.
Artikel 2a
Wetenschappelijk onderzoek, met inbegrip van gespreid uitgevoerd
wetenschappelijk onderzoek, wordt beoordeeld door één bevoegde
commissie daartoe aangewezen door degene die het onderzoek verricht.
Paragraaf 2. Regels voor wetenschappelijk onderzoek met proefpersonen
Artikel 3
De ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie kan slechts
een positief oordeel over een onderzoeksprotocol geven, indien:
a. redelijkerwijs aannemelijk is dat het wetenschappelijk
onderzoek tot de vaststelling van nieuwe inzichten op het gebied van
de medische wetenschap zal leiden;
b. redelijkerwijs aannemelijk is dat de vaststelling, bedoeld
onder a, niet door andere vormen of methoden van wetenschappelijk
onderzoek dan wetenschappelijk onderzoek met proefpersonen of door
het verrichten van onderzoek van minder ingrijpende aard kan
geschieden;
c. redelijkerwijs aannemelijk
is dat het met het onderzoek te dienen belang van de proefpersoon en
andere huidige of toekomstige patiënten in evenredige verhouding
staat tot de bezwaren en het risico voor de proefpersoon;
d. het onderzoek voldoet aan de eisen van een juiste methodologie
van wetenschappelijk onderzoek;
e. het onderzoek wordt
uitgevoerd in daarvoor geschikte instellingen en door of onder leiding
van personen die deskundig zijn op het gebied van wetenschappelijk
onderzoek en waarvan er ten minste één deskundig is op het gebied
van de verrichtingen die ter uitvoering van het onderzoek ten aanzien
van de proefpersoon plaatsvinden;
f. redelijkerwijs aannemelijk is dat aan de proefpersoon te betalen
vergoedingen niet in onevenredige mate van invloed zijn op het geven
van toestemming voor deelneming aan het onderzoek;
g. degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert en de
instelling waar dit onderzoek plaatsvindt, een vergoeding ontvangen
die niet hoger is dan een bedrag dat in redelijke verhouding staat tot
de aard, de omvang en het doel van het wetenschappelijk onderzoek;
h. in het onderzoeksprotocol duidelijk is aangegeven in hoeverre
het wetenschappelijk onderzoek aan de betrokken proefpersoon ten goede
kan komen;
i. in het onderzoeksprotocol op het wetenschappelijk onderzoek
toegesneden criteria voor de werving van proefpersonen zijn opgenomen;
j. het onderzoek ook overigens voldoet aan redelijkerwijs daaraan
te stellen eisen.
Artikel 3a
1. Een commissie kan een
door haar gegeven positief oordeel over een onderzoeksprotocol
opschorten of intrekken indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen
dat voortzetting van het wetenschappelijk onderzoek zou leiden tot
onaanvaardbare risico’s voor de proefpersoon.
2. Behoudens ingeval van
dreigend gevaar, stelt de commissie, alvorens het positieve oordeel op
te schorten of in te trekken, degene die het wetenschappelijk onderzoek
verricht of degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert, in de
gelegenheid binnen één week zijn zienswijze naar voren te brengen.
3. Indien een commissie besluit een door
haar gegeven positief oordeel over een onderzoeksprotocol inzake
wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen op te schorten of in te
trekken, stelt zij de centrale commissie of Onze Minister, ingeval
artikel 13i, vijfde lid, van toepassing is, en het College hiervan op de
hoogte, onder opgaaf van redenen.
4. Het College stelt onder opgaaf van redenen het Europese Bureau
voor de geneesmiddelenbeoordeling en de Europese Commissie onmiddellijk
op de hoogte van de opschorting of intrekking van een gegeven positief
oordeel over een onderzoeksprotocol inzake een wetenschappelijk
onderzoek met geneesmiddelen.
Artikel 4
1. Het is verboden wetenschappelijk onderzoek te verrichten met
proefpersonen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben
bereikt of die niet in staat zijn tot een redelijke waardering van hun
belangen ter zake. Dit verbod is niet van toepassing op
wetenschappelijk onderzoek dat mede aan de betrokken proefpersonen
zelf ten goede kan komen en op wetenschappelijk onderzoek dat niet dan
met medewerking van proefpersonen uit de categorie waartoe de
proefpersoon behoort, kan worden verricht en waarvan voor hen de
risico's verwaarloosbaar en de bezwaren minimaal zijn.
2. Indien de betrokken proefpersoon zich bij een in het eerste
lid, tweede volzin, bedoeld wetenschappelijk onderzoek verzet tegen een
handeling waaraan hij wordt onderworpen of tegen een aan hem opgelegde
gedragswijze, vindt het onderzoek niet plaats met die proefpersoon.
Artikel 5
Het is verboden wetenschappelijk onderzoek te verrichten met
proefpersonen van wie redelijkerwijs moet worden aangenomen dat zij
gezien de feitelijke of juridische verhouding tot degene die het
onderzoek verricht of uitvoert of degene die de proefpersonen werft,
niet in vrijheid over deelneming daaraan kunnen beslissen. Dit verbod is
niet van toepassing op wetenschappelijk onderzoek dat mede aan de
betrokken proefpersonen zelf ten goede kan komen en op wetenschappelijk
onderzoek dat niet dan met medewerking van proefpersonen uit de
categorie waartoe de proefpersoon behoort, kan worden verricht.
Artikel 6
1. Het is verboden wetenschappelijk onderzoek te verrichten:
a. indien de proefpersoon meerderjarig is, en onderdeel c niet van
toepassing is: zonder de schriftelijke toestemming van de betrokkene;
b. indien de proefpersoon minderjarig is doch de leeftijd van
twaalf jaar heeft bereikt en onderdeel c niet van toepassing is:
zonder schriftelijke toestemming van de betrokkene alsmede die van de
ouders die het gezag uitoefenen of van zijn voogd;
c. indien de proefpersoon twaalf jaar of ouder is en niet in staat
is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake: zonder de
schriftelijke toestemming van de ouders die het gezag uitoefenen of
van de voogd dan wel indien hij meerderjarig is, van de wettelijke
vertegenwoordiger van de betrokkene of, indien deze ontbreekt, van de
persoon die daartoe door de betrokkene schriftelijk is gemachtigd of,
bij het ontbreken van zodanig persoon, van de echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel van de betrokkene of,
indien deze ontbreekt, de ouders van de betrokkene of, indien ook
dezen ontbreken, de redelijkerwijs bereikbare meerderjarige kinderen
dan wel, indien dezen eveneens ontbreken, de redelijkerwijs bereikbare
meerderjarige broers en zussen van de betrokkene;
d. indien de proefpersoon de leeftijd van twaalf jaar nog niet
heeft bereikt: zonder de schriftelijke toestemming van de ouders die
het gezag uitoefenen of van zijn voogd.
2. Als de betrokkene niet in
staat is te schrijven, kan de toestemming mondeling worden gegeven in de
aanwezigheid van ten minste één getuige.
3. De vervangende toestemming van de in het
eerste lid, onder c en d, genoemde personen geeft de vermoedelijke wil
van de proefpersoon weer.
4. Indien het wetenschappelijk onderzoek alleen kan worden
uitgevoerd in noodsituaties waarin de ingevolge het eerste lid vereiste
toestemming niet kan worden gegeven, en ten goede kan komen aan de
persoon die in die noodsituatie verkeert, kunnen handelingen ter
uitvoering ervan plaatsvinden zonder die toestemming zolang de
omstandigheid die de verhindering van het geven van toestemming vormt,
zich voordoet.
5. Alvorens toestemming wordt gevraagd, draagt degene die het
onderzoek uitvoert er zorg voor dat de persoon wiens toestemming is
vereist, schriftelijk en desgewenst in een aan de toestemming
voorafgaand onderhoud wordt ingelicht over:
a. het doel, de aard en de duur van het onderzoek;
b. de risico's die het onderzoek voor de gezondheid van de
proefpersoon met zich zou brengen;
c. de risico's die het
tussentijds beëindigen van het onderzoek voor de gezondheid van de
proefpersoon met zich zou brengen;
d. de bezwaren die het onderzoek voor de proefpersoon met zich zou
kunnen brengen.
6. De inlichtingen worden op zodanige wijze verstrekt dat
redelijkerwijs zeker is dat de betrokkene deze naar haar inhoud heeft
begrepen. Hij krijgt een zodanige bedenktijd dat hij op grond van deze
inlichtingen een zorgvuldig overwogen beslissing omtrent de gevraagde
toestemming kan geven.
7. Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert, draagt
ervoor zorg dat proefpersonen die de leeftijd van twaalf jaar nog niet
hebben bereikt of die niet in staat zijn tot een redelijke waardering
van hun belangen ter zake, over het onderzoek worden ingelicht door een
daartoe geschoolde persoon op een wijze die past bij hun
bevattingsvermogen.
8. De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in
dit artikel wordt vastgelegd in het onderzoeksprotocol.
9. De proefpersoon dan wel, indien deze ingevolge dit artikel
niet bevoegd is tot het geven van toestemming, degene die daartoe in
zijn plaats bevoegd is, kan de toestemming te allen tijde, zonder opgaaf
van redenen, intrekken. Hij is ter zake van de intrekking geen
schadevergoeding verschuldigd.
Paragraaf 3. Aansprakelijkheid en verzekering
Artikel 7
1. Het wetenschappelijk onderzoek wordt slechts verricht indien
op het tijdstip waarop het onderzoek aanvangt, een verzekering is
gesloten die de door het onderzoek veroorzaakte schade door dood of
letsel van de proefpersoon dekt. De verzekering behoeft niet te dekken
de schade waarvan op grond van de aard van het onderzoek zeker of
nagenoeg zeker was dat deze zich zou voordoen.
2. Op de verplichting van de verzekeraar tot vergoeding van de
schade als bedoeld in het eerste lid is afdeling 10 van titel 1 van Boek
6 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing, voor zover
de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de
verplichting zich daartegen niet verzet.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter
zake van de verzekering nadere regelen gesteld. De bij algemene
maatregel van bestuur te stellen regelen kunnen ook afwijkingen bevatten
van het bepaalde in het eerste en tweede lid. Krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels betreffen slechts wijziging van
in die maatregel opgenomen geldbedragen die naar hun aard met regelmaat
wijziging behoeven. De algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder
in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad,
waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling
gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
4. De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het eerste en
zesde lid wordt vastgelegd in het onderzoeksprotocol.
5. Is degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert
aansprakelijk voor de schade door dood of letsel van de proefpersoon,
dan is mede aansprakelijk degene die het wetenschappelijk onderzoek
verricht. Voor zover ter uitvoering van een wetenschappelijk onderzoek
verrichtingen plaatsvinden in een facilitaire instelling, rust deze
aansprakelijkheid, ook indien het onderzoek niet door die instelling
wordt verricht of uitgevoerd, mede op die instelling.
6. Het wetenschappelijk onderzoek wordt voorts slechts verricht
indien op het tijdstip waarop het onderzoek aanvangt een verzekering is
gesloten ter dekking van het risico van de in het vijfde lid bedoelde
aansprakelijkheid van degene die het onderzoek uitvoert of van degene
die het onderzoek verricht, dan wel anderszins voldoende is gewaarborgd
dat hun verplichtingen ter zake van hun aansprakelijkheid kunnen worden
nagekomen.
7. Het eerste en zesde lid zijn niet van toepassing ter zake van
het verrichten van wetenschappelijk onderzoek door diensten,
instellingen of bedrijven van de rijksoverheid die door Onze Minister
zijn aangewezen. De benadeelde heeft jegens een dienst, instelling of
bedrijf van de rijksoverheid die geen verzekering als bedoeld in het
eerste lid heeft gesloten de rechten welke hij overeenkomstig dit
artikel anders tegenover de verzekeraar zou hebben.
8. De aansprakelijkheid van de uitvoerder of, in het geval
bedoeld in het vijfde lid, van degene die het wetenschappelijk onderzoek
verricht of van de facilitaire instelling, kan niet worden beperkt of
uitgesloten.
Paragraaf 4. Verplichtingen van degene die het wetenschappelijk
onderzoek verricht
Artikel 8
1. De verplichting zorg te dragen voor de nakoming van de
artikelen 2, eerste en tweede lid, en 7 rust op degene die het
wetenschappelijk onderzoek verricht.
2. De verplichting zorg te dragen voor de nakoming van artikel 2,
eerste en tweede lid, rust in het geval bedoeld in artikel 7, vijfde
lid, tweede volzin, mede op de facilitaire instelling.
Artikel 9
Degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht, draagt er zorg
voor dat de proefpersoon zich voor inlichtingen en advies betreffende
het onderzoek kan wenden tot een in het onderzoeksprotocol aan te wijzen
arts die niet bij de uitvoering van het onderzoek is betrokken.
Paragraaf 5. Verdere verplichtingen van degene die het
wetenschappelijk onderzoek uitvoert
Artikel 10
1. Indien het wetenschappelijk onderzoek een verloop neemt dat
in noemenswaardige mate voor de proefpersoon ongunstiger is dan in het
onderzoeksprotocol is voorzien, doet degene die het onderzoek
uitvoert, daarvan terstond mededeling aan de proefpersoon, dan wel
indien deze ingevolge deze wet niet bevoegd was tot het geven van
toestemming, aan degene die daartoe in zijn plaats bevoegd was en aan
de commissie die ingevolge artikel 2 als laatste haar oordeel heeft
gegeven, met een verzoek om een nader oordee l.
Tot het tijdstip waarop een nader positief oordeel wordt gegeven, wordt
de uitvoering van het onderzoek opgeschort, tenzij de gezondheid van de
proefpersoon opschorting of beëindiging niet toelaat.
2. Degene die het
wetenschappelijk onderzoek uitvoert, doet onder opgave van de redenen
aan de in het eerste lid bedoelde commissie eveneens mededeling van de
voortijdige beëindiging van een onderzoek.
Artikel 11
Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert, draagt er zorg
voor dat de proefpersoon tijdig wordt ingelicht over het bepaalde in de
artikelen 6, zesde lid, tweede volzin, en negende lid, 7, 9, 10 en 12 en
over het verloop van het onderzoek. De verstrekte inlichtingen worden
desgevraagd aangevuld. Gelijke verplichting geldt ten opzichte van de
andere personen van wie op grond van artikel 6 de toestemming is
vereist.
Artikel 12
Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert draagt er zorg
voor dat de persoonlijke levenssfeer van de proefpersoon zoveel mogelijk
wordt beschermd.
Artikel 13
Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert draagt er zorg
voor dat, alvorens de uitvoering van een onderzoek een aanvang neemt,
degenen wier beroepsmatige medewerking nodig is bij de uitvoering van
het onderzoek, over de aard en het doel van het onderzoek zijn
ingelicht.
Paragraaf 5a. Aanvullende regels voor wetenschappelijk onderzoek met
geneesmiddelen
Artikel 13a
Op wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen is naast het
bepaalde in de paragrafen 1 tot en met 5 het bepaalde in deze paragraaf
van toepassing.
Artikel 13b
1. Wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen, met inbegrip
van onderzoek naar de biologische beschikbaarheid en de biologische
equivalentie, is wat betreft opzet, uitvoering en rapportage in
overeenstemming met de beginselen van goede klinische praktijken.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
betreffende goede klinische praktijken vastgesteld.
Artikel 13c
Het is verboden in het kader van gentherapie wetenschappelijk
onderzoek met geneesmiddelen te verrichten dat gericht is op modificatie
van de kiembaan en de daarin vastgelegde genetische identiteit van de
proefpersoon.
Artikel 13d
Onverminderd het bepaalde in paragraaf 2 kan de ingevolge artikel 2,
tweede lid, bevoegde commissie slechts een positief oordeel geven over
een onderzoeksprotocol dat betrekking heeft op wetenschappelijk
onderzoek met geneesmiddelen indien:
a. degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht of zijn
wettelijk vertegenwoordiger op het grondgebied van de Europese
Gemeenschap gevestigd is;
b. de geneesmiddelen voor onderzoek of in voorkomend geval de
hulpmiddelen voor toediening, behoudens indien het wetenschappelijk
onderzoek met geregistreerde geneesmiddelen betreft, gratis ter
beschikking worden gesteld door degene die het wetenschappelijk
onderzoek verricht;
c. een op grond van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg geregistreerde arts of tandarts, werkzaam in de
gezondheidszorg, verantwoordelijk is voor de medische verzorging en
de medische beslissingen over de proefpersoon.
Artikel 13e
Onverminderd het bepaalde in paragraaf 2 mag wetenschappelijk
onderzoek met geneesmiddelen bij minderjarige proefpersonen slechts
worden verricht indien:
a. het onderzoek van
essentieel belang is om de resultaten te kunnen bevestigen van
wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen met personen die wel
hun toestemming volgens deze wet kunnen geven of van andere
onderzoeksmethoden en het onderzoek enig direct voordeel inhoudt
voor de betrokken groep van patiënten;
b. de desbetreffende door het Europese Bureau voor de
geneesmiddelenbeoordeling vastgestelde wetenschappelijke richtsnoeren
in acht worden genomen;
c. het risico, bedoeld in artikel 4, en de belastingsgraad
specifiek worden gedefinieerd en permanent worden gecontroleerd;
d. de ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie beschikt
over expertise op het gebied van kindergeneeskunde of pediatrisch
advies heeft ingewonnen inzake de klinische, ethische en psychosociale
aspecten van het onderzoek;
e. de belangen van de patiënt
altijd prevaleren boven die van de wetenschap en de samenleving.
Artikel 13f
Onverminderd het bepaalde in paragraaf 2 mag wetenschappelijk
onderzoek met geneesmiddelen bij meerderjarige proefpersonen die niet in
staat zijn tot een redelijke waardering van hun belangen ter zake,
slechts worden uitgevoerd indien:
a. het onderzoek van essentieel belang is om de resultaten te
kunnen bevestigen van wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen
bij personen die wel volgens deze wet hun toestemming kunnen geven,
of van andere onderzoeksmethoden, en het direct gerelateerd is aan
een klinische toestand die levensbedreigend is of de gezondheid
ondermijnt, en waarin de proefpersoon verkeert;
b. het risico, bedoeld in artikel 4, en de belastingsgraad
specifiek worden gedefinieerd en permanent worden gecontroleerd;
c. de ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie
beschikt over expertise op het gebied van de desbetreffende ziekte
en de betrokken populatie of advies heeft ingewonnen inzake de
klinische, ethische en psychosociale aspecten van de desbetreffende
ziekte en populatie;
d. de belangen van de patiënt
altijd prevaleren boven die van de wetenschap en de samenleving;
e. de redelijke verwachting
bestaat dat de voordelen van toediening van het geneesmiddel voor
onderzoek voor de patiënt in kwestie opwegen tegen de risico’s
of dat aan de toediening in het geheel geen risico verbonden is.
Artikel 13g
1. De ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie geeft
haar oordeel mede gelet op het onderzoekersdossier en beslist op een
aanvraag tot het verkrijgen van een positief oordeel over een
onderzoeksprotocol met betrekking tot wetenschappelijk onderzoek met
geneesmiddelen binnen zestig dagen na ontvangst van de aanvraag.
2. Gedurende de termijn waarbinnen de aanvraag wordt behandeld
kan de ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie eenmaal
nadere informatie vragen als aanvulling op de door de aanvrager reeds
verstrekte informatie.
3. De in het eerste lid genoemde termijn kan bij wetenschappelijk
onderzoek met geneesmiddelen voor gentherapie en somatische celtherapie
en alle geneesmiddelen die genetisch gemodificeerde organismen bevatten,
met ten hoogste dertig dagen worden verlengd.
4. De in het eerste en derde lid genoemde termijnen gelden niet
voor de beoordeling van wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen
voor xenogene celtherapie.
Artikel 13h
1. Een aanvraag om een
oordeel van een daartoe ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde
commissie over een wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen moet
voldoen aan bij ministeriële regeling gestelde regels. Deze regels
betreffen de vorm van het verzoek en de bescheiden die daarbij moeten
worden overgelegd, met name ten aanzien van de informatie die aan
proefpersonen wordt verstrekt, en de adequate waarborgen ter bescherming
van persoonlijke gegevens.
2. Indien de in het eerste lid
bedoelde aanvraag betrekking heeft op wetenschappelijk onderzoek met
geregistreerde geneesmiddelen, behoeft bij de aanvraag slechts de
samenvatting van de productinformatie zoals die bij de registratie is
vastgesteld te worden verstrekt. Indien sprake is van een ten opzichte
van de registratie afwijkende toedieningsvorm, indicatie,
patiëntengroep of dosering wordt de samenvatting van de
productinformatie aangevuld met de voor het desbetreffende onderzoek
relevante aanvullende informatie.
Artikel 13i
1. Wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen mag slechts
worden uitgevoerd voor zover de centrale commissie daartegen niet
binnen de in het derde lid bedoelde termijn gemotiveerde bezwaren
kenbaar heeft gemaakt.
2. Voordat de uitvoering van het wetenschappelijk onderzoek met
geneesmiddelen aanvangt, stelt degene die het onderzoek verricht, de
centrale commissie onder overlegging van het onderzoekersdossier in
kennis van het onderzoek.
3. De centrale commissie kan uiterlijk binnen veertien dagen na
ontvangst van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving haar
gemotiveerde bezwaren tegen het onderzoek meedelen aan degene die het
onderzoek verricht. In dat geval kan deze eenmaal wijziging in het
voorgenomen onderzoeksprotocol aanbrengen teneinde aan de bezwaren van
de centrale commissie tegemoet te komen. Maakt degene die het onderzoek
verricht van die mogelijkheid geen gebruik, dan mag het onderzoek niet
aanvangen.
4. Heeft de in het tweede lid bedoelde kennisgeving betrekking op
wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen voor gentherapie,
somatische celtherapie, xenogene celtherapie of geneesmiddelen die
genetisch gemodificeerde organismen bevatten, dan mag de uitvoering van
het onderzoek slechts aanvangen indien de centrale commissie dan wel
Onze Minister, indien het vijfde lid van toepassing is, uitdrukkelijk
schriftelijk heeft verklaard geen bezwaar tegen het onderzoek te hebben.
In dat geval kan de in het derde lid bedoelde termijn worden verlengd
met ten hoogste dertig dagen, met dien verstande dat op grond van deze
wet geen termijn geldt voor het kenbaar maken van gemotiveerde bezwaren
tegen onderzoek met geneesmiddelen voor xenogene celtherapie.
5. In afwijking van het eerste
en tweede lid wordt, indien de beoordeling van het onderzoeksprotocol
ingevolge artikel 2, tweede lid, onder b, 2°, 3° of 4° plaatsvindt
door de centrale commissie, de in het tweede lid bedoelde kennisgeving
gedaan bij Onze Minister en beslist deze ter zake met overeenkomstige
toepassing van dit artikel.
6. Bij ministeriële regeling
worden regels vastgesteld betreffende de vorm en de inhoud van de in het
tweede lid bedoelde kennisgeving, de hierbij in te dienen bewijsstukken,
de vorm en inhoud van een voorstel tot substantiële wijzigingen die in
het protocol worden aangebracht en de verklaring dat het onderzoek is
beëindigd.
7. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld betreffende de bedragen die voor de met de
uitvoering van dit artikel gemoeide kosten door de centrale commissie of
Onze Minister, ingeval het vijfde lid van artikel 13i van toepassing is,
in rekening kunnen worden gebracht aan degene die de in het tweede lid
bedoelde kennisgeving heeft gedaan.
Artikel 13j
1. De centrale commissie of
Onze Minister, ingeval het vijfde lid van artikel 13i van toepassing is,
maakt slechts gemotiveerd bezwaar indien in de Europese databank reeds
bijwerkingen van het geneesmiddel voor onderzoek zijn opgenomen, die
leiden tot onaanvaardbare risico’s voor de proefpersoon.
2. De Inspectie voor de Gezondheidszorg
controleert op verzoek van de centrale commissie of van Onze Minister,
ingeval het vijfde lid van artikel 13i van toepassing is, of het
wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen naar verwachting kan
plaats vinden overeenkomstig deze wet. Het bepaalde in artikel 5:12,
5:13 en 5:15 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 13k
1. Na aanvang van het onderzoek kan degene die het
wetenschappelijk onderzoek verricht, het onderzoeksprotocol
betreffende het wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen
wijzigen.
2. Indien de wijziging substantieel is en effect kan hebben op de
veiligheid van proefpersonen of kan leiden tot een andere interpretatie
van de wetenschappelijke documenten die het verloop van het onderzoek
onderbouwen of indien de wijziging anderszins significant is, mag degene
die het onderzoek verricht het protocol slechts wijzigen indien:
a. hij de ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie, de
in artikel 13i, eerste of vijfde lid, bedoelde instantie en in
voorkomend geval de bevoegde instantie van een andere lidstaat, die
als laatste haar oordeel heeft gegeven, in kennis stelt van de redenen
en de inhoud van de voorgenomen wijziging;
b. de ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie een
positief oordeel uitspreekt over het voorstel tot wijziging van het
protocol en
c. de in artikel 13i, eerste of vijfde lid, bedoelde instantie geen
gemotiveerde bezwaren tegen de voorgestelde wijziging van het protocol
heeft ingebracht.
3. Ingeval de in artikel 13i, eerste of vijfde lid, bedoelde
instantie of de bevoegde instanties van andere lidstaten gemotiveerde
bezwaren tegen de wijziging van het protocol hebben ingebracht, kan het
onderzoek slechts doorgang vinden indien degene die het wetenschappelijk
onderzoek verricht, de voorgenomen wijziging van het protocol aanpast
aan de gemaakte bezwaren.
4. De ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie
beoordeelt de wijziging van het protocol binnen een termijn van
vijfendertig dagen na ontvangst van het voorstel tot wijziging van het
protocol.
5. De in artikel 13i, eerste of vijfde lid, bedoelde instantie
maakt uiterlijk binnen vijfendertig dagen na ontvangst van het voorstel
tot wijziging van het protocol daartegen gemotiveerde bezwaren.
Artikel 13l
1. Degene die het onderzoek
verricht stelt de ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie,
de in artikel 13i, eerste of vijfde lid, bedoelde instantie en in
voorkomend geval de bevoegde instantie van een andere lidstaat binnen
negentig dagen na het einde van een wetenschappelijk onderzoek met
geneesmiddelen ervan op de hoogte dat het onderzoek beëindigd is.
2. Wanneer het onderzoek voortijdig moet
worden stopgezet, stelt degene die het onderzoek verricht de ingevolge
artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie, de in artikel 13i, eerste of
vijfde lid, bedoelde instantie en in voorkomend geval de bevoegde
instantie van een andere lidstaat binnen vijftien dagen na de
stopzetting onder opgaaf van redenen op de hoogte.
Artikel 13m
1. De in artikel 13i, eerste lid en vijfde lid, bedoelde
instantie stelt de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
aangewezen gegevens betreffende wetenschappelijk onderzoek met
geneesmiddelen, dat plaatsvindt in Nederland, ter beschikking van het
College.
2. Het College draagt zorg voor de invoering van deze gegevens in
een Europese databank die uitsluitend toegankelijk is voor het College,
de centrale commissie of Onze Minister, ingeval het vijfde lid van
artikel 13i van toepassing is, de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de
bevoegde instanties van andere lidstaten, het Europees Bureau voor de
geneesmiddelenbeoordeling en voor de Europese Commissie. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de vertrouwelijkheid van de in de Europese databank
opgenomen gegevens.
3. Op een met redenen omkleed verzoek van een andere lidstaat,
het Europees Bureau voor geneesmiddelenbeoordeling of de Europese
Commissie verstrekt de in artikel 13i, eerste lid en vijfde lid,
bedoelde instantie alle aanvullende inlichtingen betreffende een
wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen, die nog niet in de
Europese databank zijn opgenomen.
4. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld aangaande de methoden van
elektronische gegevensuitwisseling.
Artikel 13n
Indien de centrale commissie of Onze Minister, ingeval artikel 13i,
vijfde lid van toepassing is, objectieve redenen heeft om aan te nemen
dat degene die het wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen
verricht of uitvoert of enige andere bij de proef betrokken persoon zijn
verplichtingen niet langer nakomt, stelt de centrale commissie of Onze
Minister deze daarvan onmiddellijk op de hoogte en geeft daarbij te
kennen welke gedragslijn genoemde persoon moet volgen om de genoemde
situatie te corrigeren. De centrale commissie of Onze Minister, ingeval
artikel 13i, vijfde lid, van toepassing is, stelt onmiddellijk de
ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie die als laatste haar
oordeel heeft gegeven over het betreffende wetenschappelijke onderzoek
met geneesmiddelen, de bevoegde instanties van andere lidstaten en de
Europese Commissie van genoemde gedragslijn op de hoogte.
Artikel 13o
1. Degene die het wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen
uitvoert, rapporteert alle ernstige ongewenste voorvallen, met
uitzondering van de ernstige ongewenste voorvallen waarover volgens
het protocol of het onderzoekersdossier geen onmiddellijke rapportage
is vereist, onmiddellijk aan degene die het wetenschappelijk onderzoek
verricht. De onmiddellijke rapportage wordt gevolgd door
gedetailleerde schriftelijke rapporten, waarin de proefpersonen met
een codenummer worden aangeduid.
2. Ongewenste voorvallen of abnormale laboratoriumwaarden die
volgens het protocol voor de veiligheidsbeoordeling van cruciaal belang
zijn, worden binnen de in het protocol vermelde termijn aan degene die
het wetenschappelijk onderzoek verricht, gerapporteerd.
3. Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert, verstrekt
aan degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht, en aan de
ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie die als laatste haar
oordeel heeft gegeven, alle gevraagde aanvullende informatie over
gerapporteerde sterfgevallen.
4. Degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht, houdt
gedetailleerde registers bij van alle ongewenste voorvallen die hem door
degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert, worden
gerapporteerd. Deze informatie wordt op verzoek overgedragen aan de
Inspectie voor de Gezondheidszorg en de centrale commissie of Onze
Minister indien artikel 13i, vijfde lid, van toepassing is en de
bevoegde instanties van de lidstaten op het grondgebied waarvan het
wetenschappelijk onderzoek wordt verricht.
Artikel 13p
1. Degene die wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen
verricht, draagt er zorg voor dat alle relevante informatie over
vermoedens van onverwachte ernstige bijwerkingen van geneesmiddelen
voor onderzoek die tot de dood van een proefpersoon hebben geleid of
kunnen leiden, wordt geregistreerd en zo spoedig mogelijk doch
uiterlijk binnen zeven dagen nadat hij daarvan kennis heeft genomen,
wordt gerapporteerd aan het College, de centrale commissie, de
betrokken bevoegde instanties van andere lidstaten en de ingevolge
artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie en dat relevante informatie
over de nasleep daarvan binnen nog eens acht dagen wordt medegedeeld
aan genoemde instanties.
2. Alle vermoedens van andere dan in het eerste lid genoemde
onverwachte ernstige bijwerkingen van geneesmiddelen voor onderzoek
worden zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vijftien dagen nadat
degene die het onderzoek verricht, er kennis van heeft genomen,
gerapporteerd aan het College, de centrale commissie, de betrokken
bevoegde instanties van andere lidstaten en de ingevolge artikel 2,
tweede lid, bevoegde commissie.
3. Degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht, informeert
alle anderen die het onderzoek uitvoeren.
Artikel 13q
1. Tijdens de gehele duur van het wetenschappelijk onderzoek
met geneesmiddelen verstrekt degene die het onderzoek verricht,
eenmaal per jaar een lijst van alle vermoedens van ernstige
bijwerkingen van geneesmiddelen voor onderzoek, die zich in dat jaar
hebben voorgedaan en een rapport betreffende de veiligheid van de
proefpersonen aan:
a. het College;
b. de centrale commissie of Onze Minister indien artikel 13i,
vijfde lid, van toepassing is;
c. de bevoegde instanties van de andere lidstaten op het
grondgebied waarvan het wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen
wordt uitgevoerd;
d. de ingevolge artikel 2, tweede lid, bevoegde commissie.
2. Het College draagt zorg voor invoering van alle gemelde
vermoedens van onverwachte ernstige bijwerkingen van een geneesmiddel
voor onderzoek in de Europese databank, als bedoeld in artikel 13m,
tweede lid.
Artikel 13r
Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld aan de
rapportage bedoeld in de artikelen 13o, 13p en 13q.
Paragraaf 6. De commissies
Artikel 14
1. Er is een centrale commissie voor
medisch-wetenschappelijk onderzoek. Zij heeft ten hoogste vijftien
leden. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is op de centrale
commissie van toepassing, met uitzondering van artikel 22 van die wet,
voor zover het besluiten betreft die de centrale commissie neemt ter
uitvoering van deze wet en de artikelen 10, 16 en 19 van de Embryowet.
2. De centrale commissie bestaat in elk geval uit een of meer
artsen, en uit personen die deskundig zijn op het gebied van de
embryologie, de farmacologie, de farmacie, de verpleegkunde, de
gedragswetenschappen, de rechtswetenschap, de methodologie van
wetenschappelijk onderzoek en de ethiek, alsmede een persoon die het
wetenschappelijk onderzoek specifiek beoordeelt vanuit de invalshoek van
de proefpersoon.
3. Voor elk lid wordt een plaatsvervangend lid benoemd.
4. Onze Minister wijst een persoon aan die als waarnemer de
vergaderingen van de commissie kan bijwonen.
5. De centrale commissie wijst uit haar midden een of meer
plaatsvervangers voor de voorzitter aan.
6. Herbenoeming van de leden en de plaatsvervangende leden kan
tweemaal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.
7. De centrale commissie regelt haar werkwijze bij een reglement.
Het reglement bevat een voorziening op grond waarvan een lid of een
plaatsvervangend lid van de centrale commissie niet deelneemt aan de
beoordeling van een onderzoeksprotocol indien het betrokken is bij het
verrichten dan wel uitvoeren van het te beoordelen wetenschappelijk
onderzoek.
Artikel 15
De centrale commissie heeft een secretariaat, waarvan de ambtenaren
door Onze Minister, gehoord de centrale commissie, worden benoemd,
geschorst en ontslagen. Tot hoofd van het secretariaat wordt benoemd de
secretaris van de Gezondheidsraad.
Artikel 16
1. De centrale commissie kan commissies erkennen, die belast
zijn met de toetsing van onderzoeksprotocollen overeenkomstig het
bepaalde bij of krachtens deze wet.
2. Voor erkenning komt slechts in aanmerking een commissie:
a. die in elk geval bestaat uit een of meer artsen en uit personen
die deskundig zijn op het gebied van de rechtswetenschap, de
methodologie van wetenschappelijk onderzoek en de ethiek, alsmede een
persoon die het wetenschappelijk onderzoek specifiek beoordeelt vanuit
de invalshoek van de proefpersoon en die ingeval van beoordeling van
wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen tevens bestaat uit
personen die deskundig zijn op het gebied van de farmacie en de
klinische farmacologie;
b. waarvan de leden voldoen aan door de centrale commissie vast te
stellen nadere eisen betreffende opleiding en ervaring;
c. in welker reglement genoegzaam is voorzien in medewerking door
andere deskundigen met het oog op de aard van de haar ter beoordeling
voorgelegde onderzoeksprotocollen;
d. uit welker reglement blijkt voor welke kring zij werkzaam zal
zijn;
e. in welker reglement genoegzaam is voorzien in de
onafhankelijkheid ten opzichte van de organisatie die de commissie
heeft ingesteld;
f. welker reglement voorziet in een behoorlijke regeling van haar
werkwijze en dat onder andere bevat een voorziening op grond waarvan
een lid of een plaatsvervangend lid niet deelneemt aan de beoordeling
van een onderzoeksprotocol indien het betrokken is bij het verrichten
dan wel uitvoeren van het te beoordelen wetenschappelijk onderzoek;
g. waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat aan haar
onderzoeksprotocollen ter beoordeling zullen worden voorgelegd tot
tenminste het door de centrale commissie daartoe vastgestelde aantal.
Artikel 17
1. De centrale commissie brengt een erkenning als bedoeld in
artikel 16, eerste lid, terstond ter kennis van Onze Minister.
2. Van een erkenning als bedoeld in artikel 16, eerste lid, wordt
door de zorg van Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 18
Een commissie doet van een wijziging van haar reglement en van haar
opheffing schriftelijk mededeling aan de centrale commissie.
Artikel 19
1. Binnen zes weken na de indiening van een protocol
betreffende een wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in de tweede
volzin van artikel 4, eerste lid, waarbij de toestand van de
proefpersoon niet opzettelijk wordt gewijzigd, kan de commissie
besluiten de beoordeling daarvan over te dragen aan de centrale
commissie. De commissie doet degene die het protocol heeft ingediend,
mededeling van de overdracht.
2. De centrale commissie kan bepalen dat de beoordeling van
protocollen betreffende een door haar aangewezen vorm van
wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in het eerste lid door haar
geschiedt.
Artikel 20
Als vergoeding voor de met de beoordeling gemoeide kosten kan de
commissie aan degene die een onderzoeksprotocol ter beoordeling indient,
een bedrag in rekening brengen.
Artikel 21
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
op grond van artikel 16 erkende commissies nagaan of bij de maatregel
aan te wijzen vormen van wetenschappelijk onderzoek waarover de
desbetreffende commissie ingevolge artikel 2 haar oordeel heeft
gegeven, een verloop nemen dat in noemenswaardige mate voor de
proefpersoon ongunstiger is dan in het onderzoeksprotocol is voorzien.
In dat geval kan de commissie een nader oordeel over het
onderzoeksprotocol geven.
De tweede volzin van artikel 10 , eerste lid, is van toepassing.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld betreffende de wijze waarop de commissies de in het eerste lid
bedoelde taak uitoefenen.
3. Het eerste en tweede lid
zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de centrale
commissie, voor zover deze ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel b,
onder 2°, 3° en 4°, is belast met de beoordeling van
onderzoeksprotocollen.
Artikel 22
1. De commissie zendt aan de centrale
commissie afschrift van elk ingevolge deze wet gegeven oordeel alsmede
van het desbetreffende onderzoeksprotocol of de hoofdzaken daarvan.
Voorts doet de commissie bij de centrale commissie melding van de in
artikel 10, tweede lid, bedoelde mededelingen.
2. De commissie brengt
jaarlijks vóór 1 april verslag uit van haar werkzaamheden in het
afgelopen kalenderjaar. Dit verslag wordt gezonden aan de centrale
commissie en wordt overigens door de commissie, tegen betaling der
kosten, voor een ieder verkrijgbaar gesteld.
3. De commissie verleent aan de centrale
commissie alle medewerking die voor de vervulling van haar taak
redelijkerwijs nodig is.
Artikel 23
Tegen een door een commissie gegeven oordeel dat geen betrekking
heeft op wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen kan een
belanghebbende administratief beroep instellen bij de centrale
commissie.
Artikel 24
De centrale commissie houdt toezicht op de werkzaamheden van de
commissies. Zij kan richtlijnen vaststellen ter zake van de door hen
overeenkomstig deze wet te verrichten werkzaamheden. Zodanige
richtlijnen worden door de zorg van Onze Minister bekend gemaakt in de
Staatscourant.
Artikel 25
1. De centrale commissie trekt een aan een commissie verleende
erkenning in indien:
a. de commissie niet langer voldoet aan een van de in artikel 16,
tweede lid, onder a tot en met f, met het oog op erkenning gestelde
voorwaarden;
b. de commissie de verplichtingen die voor haar voortvloeien uit
deze wet, onvoldoende nakomt;
c. door een wijziging van het reglement van de commissie een goede
uitoefening van de werkzaamheden waarmee zij ingevolge deze wet is
belast, redelijkerwijs niet langer is verzekerd.
2. De centrale commissie kan voorts een erkenning intrekken
indien door de commissie in de laatste twee kalenderjaren een kleiner
aantal onderzoeksprotocollen is beoordeeld dan het aantal, bedoeld in
artikel 16, tweede lid, onder g.
3. Een beslissing tot intrekking van een erkenning wordt niet
genomen dan nadat de commissie door de centrale commissie is gehoord.
4. Van de intrekking wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de
commissie. Artikel 17, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 27
Telkens binnen een periode van vijf jaar brengt de centrale commissie
een rapport uit aan Onze Minister, waarin de taakvervulling van de
centrale commissie aan een onderzoek wordt onderworpen en voorstellen
kunnen worden gedaan voor gewenste veranderingen. Onze Minister neemt
zijn opvattingen over dit rapport op in het verslag, bedoeld in artikel
39, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en voegt
het rapport bij dat verslag.
Paragraaf 7. Verdere bepalingen
Artikel 28
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister
aangewezen ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld inzake het toezicht op de naleving van het
bepaalde bij of krachtens deze wet met betrekking tot wetenschappelijk
onderzoek met geneesmiddelen.
Artikel 29 [Vervallen per 01-12-1999]
Artikel 30
De toepassing van deze wet door de commissies geschiedt met
inachtneming van de voor de rijksdienst geldende nationale en
internationale voorschriften ter beveiliging van gegevens waarvan
geheimhouding door het belang van de Staat of van zijn bondgenoten is
geboden.
Artikel 31
1. Onverminderd de artikelen
7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone omstandigheden dit
noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, artikel 32 in werking worden gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde
besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede
Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat
besluit in werking gestelde bepaling.
3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen,
dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking
is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in
werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit
naar Ons oordeel toelaten.
5. Het besluit, bedoel in het eerste, derde en vierde lid, wordt
op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 32 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie,
de artikelen 16, tweede lid, onder a, en 25, eerste lid, onder a, buiten
werking stellen ten aanzien van commissies die belast zijn met de
toetsing van wetenschappelijk onderzoek naar bescherming tegen de
omstandigheden waaraan militair personeel bij operationele inzet kan
worden blootgesteld, voor zover dit onderzoek wordt verricht met
proefpersonen die behoren tot het militair personeel.
Paragraaf 8. Strafbepalingen
Artikel 33
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de vierde categorie wordt gestraft degene die al dan niet
opzettelijk handelt in strijd met een verbod, vervat in artikel 6,
eerste lid.
2. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft degene die handelt in strijd met de
verplichting zorg te dragen voor de nakoming van artikel 2, eerste lid
of tweede lid, of 7 dan wel in strijd met een verplichting, vervat in de
paragrafen 5 en 5a of in strijd met een gedragslijn bedoeld in artikel
13n. Met dezelfde straf wordt gestraft degene die handelt in strijd met
een verbod, vervat in de artikelen 4, 5 en 13c en degene die
wetenschappelijk onderzoek uitvoert zonder een protocol waarover een
positief oordeel is verkregen, dan wel in strijd daarmee.
3. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn
misdrijven; de in het tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Paragraaf 9. Slotbepalingen
Artikel 34
[Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden]
Artikel 35
[Wijzigt deze wet]
Artikel 36
[Wijzigt deze wet]
Artikel 37
1. Onze Minister zendt binnen 4 jaar na de inwerkingtreding van
deze wet, en vervolgens telkens na 5 jaar, aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en effecten van deze wet in de
praktijk.
2. Het verslag, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, maakt onderdeel uit van het in
het eerste lid bedoelde verslag.
Artikel 38
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
Artikel 39
Deze wet wordt aangehaald als: Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek
met mensen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 26 februari 1998
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de zesentwintigste maart 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|