In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister, Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. werkgever en werknemer: partijen bij een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek;
c. bevoegd gezag: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen dan wel een organisatie uit
het bedrijfsleven waaraan door Onze Minister op grond van artikel 32
van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 de bevoegdheid
tot het verlenen van toestemming krachtens artikel 6, eerste lid,
van dat Besluit is overgedragen.
d. werkgebied: een door Onze Minister vastgesteld gebied.
Artikel 2
1. Deze wet is niet van toepassing op het doen eindigen van een
dienstbetrekking:
a. waarvoor geen toestemming van het bevoegd gezag vereist is;
b. uitsluitend om redenen die de persoon van de werknemer
betreffen.
2. Deze wet is voorts niet van toepassing op het doen eindigen
van dienstbetrekkingen wegens het aflopen van de seizoenarbeid voor het
verrichten waarvan zij werden aangegaan. Onze Minister kan arbeid
aanwijzen, die voor de toepassing van de vorige volzin in ieder geval
als seizoenarbeid wordt beschouwd. Een zodanige aanwijzing wordt in de Nederlandse
Staatscourant bekend gemaakt.
3. In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 3 en 4,
eerste en tweede lid van deze wet tevens van toepassing op het doen
eindigen van dienstbetrekkingen ten gevolge van faillissement van de
werkgever of toepassing ten aanzien van hem van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
§ 2. Verplichting tot melding collectief ontslag
Artikel 3
1. Een werkgever die voornemens is de dienstbetrekkingen van
ten minste twintig werknemers, werkzaam in één werkgebied, op een of
meer binnen een tijdvak van drie maanden gelegen tijdstippen te doen
eindigen, meldt dit ter tijdige raadpleging schriftelijk aan de
belanghebbende verenigingen van werknemers. Een gelijke schriftelijke
melding doet hij aan het bevoegd gezag; in geval van faillissement
alleen op verzoek van het bevoegd gezag.
2. Voor de berekening van het in het eerste lid bedoelde aantal
werknemers wordt met de in dat lid bedoelde wijze van beëindiging van
de dienstbetrekking gelijk gesteld een verzoek tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 685 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, ingediend door de werkgever om een of meer redenen
die geen betrekking hebben op de persoon van de werknemer, op voorwaarde
dat het aantal ingediende verzoeken gelijk is aan of hoger is dan vijf.
3. De raadpleging, bedoeld in het eerste lid, heeft ten minste
betrekking op de mogelijkheden om de collectieve ontslagen te voorkomen
of in aantal te verminderen alsook op de mogelijkheid de gevolgen ervan
te verzachten, door het nemen van sociale begeleidingsmaatregelen, meer
bepaald om bij te dragen tot de herplaatsing of de omscholing van de
ontslagen werknemers.
4. Als belanghebbende vereniging van werknemers wordt beschouwd
een vereniging van werknemers, die in de onderneming werkzame personen
onder haar leden telt, krachtens haar statuten ten doel heeft de
belangen van haar leden als werknemers te behartigen, als zodanig in de
betrokken onderneming of bedrijfstak werkzaam is, voorts ten minste twee
jaar in het bezit is van rechtspersoonlijkheid en als zodanig aan de
werkgever bekend is. Deze bekendheid wordt verondersteld, indien de
vereniging aan de werkgever schriftelijk heeft te kennen gegeven dat zij
prijs stelt op meldingen van voornemens als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 4
1. De werkgever doet bij de meldingen, bedoeld in artikel 3,
eerste lid, opgave van de overwegingen die tot het daar bedoelde
voornemen hebben geleid.
2. De werkgever doet bij de meldingen voorts zo nauwkeurig
mogelijk opgave van:
a. het aantal werknemers wier dienstbetrekkingen hij voornemens is
te doen eindigen, met een onderverdeling naar beroep of functie,
leeftijd en geslacht, alsmede het aantal werknemers dat hij gewoonlijk
in dienst heeft;
b. het tijdstip of de tijdstippen waarop hij de dienstbetrekkingen
volgens zijn voornemen zal doen eindigen.
c. de criteria die aangelegd zullen worden bij het selecteren van
de voor ontslag in aanmerking komende werknemers;
d. de wijze van berekening van eventuele afvloeiingsuitkeringen.
3. De werkgever doet de melding aan het bevoegd gezag vergezeld
gaan van een afschrift van de melding aan de belanghebbende verenigingen
van werknemers. Hij zendt aan deze verenigingen een afschrift van de
melding aan het bevoegd gezag.
4. Ten slotte geeft de werkgever bij de melding aan het bevoegd
gezag op:
a. of voor de onderneming waarin de betrokken werknemers werkzaam
zijn, een ondernemingsraad is ingesteld;
b. of het voornemen van de werkgever verband houdt met een besluit
als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wet op de
ondernemingsraden; en zo ja,
c. het tijdstip waarop de ondernemingsraad over het betrokken
besluit is of zal worden geraadpleegd, dan wel daarvan in kennis
gesteld en geraadpleegd over de uitvoering daarvan.
5. De werkgever houdt het bevoegd gezag op de hoogte van de
raadpleging van de belanghebbende verenigingen van werknemers en van de
ondernemingsraad.
Artikel 5
Indien bij een melding aan het bevoegd gezag de ingevolge artikel 4,
eerste t/m vierde lid vereiste gegevens niet volledig zijn verstrekt,
zendt het bevoegd gezag aan de werkgever een schriftelijke mededeling,
aangevende welke gegevens nog ontbreken. Zolang de ontbrekende gegevens
niet zijn verstrekt, wordt de melding geacht niet te zijn gedaan.
Artikel 6
1. Het bevoegd gezag neemt verzoeken om toestemming tot het
doen eindigen van de dienstbetrekkingen van werknemers ter uitvoering
van een voornemen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, niet eerder in
behandeling dan een maand nadat dat voornemen is gemeld zoals bedoeld
in de artikelen 3-5.
2. Indien uit de melding blijkt, dat de ondernemingsraad van de
betrokken onderneming alsnog geraadpleegd dient te worden of indien de
belanghebbende verenigingen van werknemers door de werkgever nog niet
voor het plegen van overleg zijn uitgenodigd, neemt het bevoegd gezag de
in het eerste lid bedoelde verzoeken niet eerder in behandeling dan
nadat aan dit gezag gebleken is dat die raadpleging heeft
plaatsgevonden, onderscheidenlijk dat die uitnodiging is gedaan.
3. Het bevoegd gezag kan het eerste en het tweede lid ten aanzien
van daar bedoelde verzoeken buiten toepassing laten, indien die
toepassing de herplaatsing van de met het ontslag bedreigde werknemers
of de werkgelegenheid van de overige werknemers in de betrokken
onderneming in gevaar zou brengen.
4. Een besluit tot het buiten toepassing laten van het eerste en
tweede lid behoeft de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan
slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen
belang.
Artikel 6a
Indien de melding wordt ondersteund door een verklaring van de
belanghebbende verenigingen van werknemers dat zij zijn geraadpleegd en
dat zij zich ermee kunnen verenigen, kunnen de verzoeken onmiddellijk in
behandeling worden genomen.
§ 3. Gevolgen van niet-naleving meldingsplicht
Artikel 7
1. Zodra het bevoegd gezag heeft vastgesteld dat een werkgever
binnen een tijdvak van drie maanden heeft verzocht om toestemming tot
het doen eindigen van de dienstbetrekkingen van ten minste twintig
werknemers zonder dat die werkgever een die werknemers omvattende
melding als bedoeld in artikel 3, eerste lid, heeft gedaan, neemt het
bevoegd gezag de verzoeken waarop het nog niet heeft beslist niet of
niet verder in behandeling. Van de toepassing van de vorige volzin
doet het bevoegd gezag schriftelijk mededeling aan de werkgever.
2. De werkgever wordt alsdan geacht voornemens te zijn de
dienstbetrekkingen van de in het eerste lid bedoelde werknemers binnen
een tijdvak van drie maanden te doen eindigen.
3. De behandeling van de verzoeken waarop nog niet is beslist,
wordt niet eerder aangevangen of voortgezet dan twee maanden nadat de
werkgever overeenkomstig de artikelen 3-5 een melding heeft gedaan welke
alle in het eerste lid bedoelde werknemers omvat.
4. Artikel 6, tweede, derde en vierde lid, en artikel 6a zijn van
overeenkomstige toepassing.
§ 4. Slotbepalingen
Artikel 8
Ieder die uit hoofde van zijn functie bij een vereniging van
werknemers of in een commissie die het bevoegd gezag van advies dient,
kennis neemt van een melding als bedoeld in artikel 3, eerste lid is
verplicht tot geheimhouding van deze melding en van de inhoud daarvan,
indien de werkgever dit bij die melding, onder opgave van redenen,
uitdrukkelijk heeft verzocht. Deze verplichting vervalt zodra de
verzoeken om toestemming tot ontslag in behandeling worden genomen, dan
wel zoveel eerder als daaromtrent overeenstemming wordt bereikt tussen
de werkgever en de verenigingen van werknemers aan welke de melding is
gedaan.
Artikel 9
1. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet melding collectief
ontslag.
2. Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.