In deze wet en
de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. dienst: het in of vanuit Nederland:
1°. in bewaring nemen van effecten, bankbiljetten, munten,
muntbiljetten, edele metalen en andere waarden;
2°. openstellen van een rekening waarop een saldo in geld,
effecten, edele metalen of andere waarden kan worden aangehouden;
3°. verhuren van een safe-loket;
4°. verrichten van een uitbetaling ter zake van het verzilveren
van coupons of vergelijkbare stukken van obligaties of vergelijkbare
waardepapieren;
5°. sluiten van een overeenkomst van levensverzekering als
bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht,
alsmede het daarbij verlenen van bemiddeling;
6°. doen van een uitkering uit hoofde van een overeenkomst van
levensverzekering als bedoeld sub 5°;
7°. crediteren of debiteren dan wel doen crediteren of debiteren
van een rekening waarop een saldo in geld, effecten, edele metalen
of andere waarden kan worden aangehouden;
8°. wisselen van guldens, euro’s of vreemde valuta;
9°. verkopen, alsmede het verlenen van bemiddeling bij verkoop,
van voertuigen, schepen, kunstvoorwerpen, antiquiteiten, edelstenen,
edele metalen, sieraden, juwelen dan wel andere bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen zaken van grote waarde.
10°. verlenen van andere bij algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen diensten;
b. cliënt: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan of ten
behoeve van wie een dienst wordt verleend, alsmede in geval van een
dienst als bedoeld in het eerste lid, onder a, sub 5° en 6°,
degene die de premie betaalt alsmede degene ten behoeve van wie de
uitkering wordt gedaan;
c. transactie: een handeling of samenstel van handelingen van of
ten behoeve van een cliënt in verband met het afnemen of het verlenen
van één of meer diensten;
d. ongebruikelijke transactie: een transactie die aan de hand van
de ingevolge artikel 8 bepaalde indicatoren als zodanig wordt
aangemerkt;
e. melding: een melding als bedoeld in artikel 9;
f. meldpunt: het meldpunt bedoeld in artikel 2;
g. commissie: de commissie bedoeld in artikel 14;
h. financieren van terrorisme:
1°. het opzettelijk verwerven of voorhanden hebben van
voorwerpen met geldswaarde, bestemd tot het begaan van een misdrijf
als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht;
2°. het opzettelijk verschaffen van middelen met geldswaarde tot
het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het
Wetboek van Strafrecht; of
3°. het verlenen van geldelijke steun, alsmede het werven van
geld ten behoeve van een organisatie die tot oogmerk heeft het
plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van
Strafrecht.
2. De krachtens het eerste lid, onderdeel 10°, aan te wijzen
diensten hebben geen betrekking op werkzaamheden van een advocaat of een
notaris betreffende de bepaling van de rechtspositie van een cliënt,
diens vertegenwoordiging en verdediging in rechte, het geven van advies
voor, tijdens en na een rechtsgeding, of het geven van advies over het
instellen of vermijden van een rechtsgeding.
3. De voordracht voor een krachtens het eerste lid, onderdeel 9°
of 10°, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet
eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
Hoofdstuk II. Het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties
Artikel 2
Er is een Meldpunt Ongebruikelijke Transacties.
Artikel 3
Het meldpunt heeft met het oog op de voorkoming en opsporing van
witwassen, heling van geld en financieren van terrorisme tot taak:
a. het verzamelen, registreren, bewerken en analyseren van de
gegevens die het verkrijgt, teneinde te bezien of deze gegevens van
belang kunnen zijn voor de voorkoming en opsporing van misdrijven;
b. het verstrekken van persoonsgegevens en andere gegevens in
overeenstemming met deze wet en het bij of krachtens de Wet
politiegegevens bepaalde;
c. degene die overeenkomstig artikel 9 een melding heeft gedaan,
in afwijking van artikel 4, tweede lid, berichten over de afdoening
van de melding.
d. het verrichten van onderzoek naar ontwikkelingen op het gebied
van witwassen, heling van geld en financieren van terrorisme en naar
de verbetering van de methoden om witwassen, heling van geld en
financieren van terrorisme te voorkomen en op te sporen;
e. het geven van aanbevelingen voor de bedrijfstakken omtrent de
invoering van passende procedures voor interne controle en
communicatie en andere te treffen maatregelen tot voorkoming van het
gebruik van die bedrijfstakken voor witwassen, heling van geld en
financieren van terrorisme;
f. het geven van voorlichting omtrent de voorkoming en opsporing
van witwassen, heling van geld en financieren van terrorisme aan:
1°. de bedrijfstakken en beroepsgroepen;
2°. de personen en instellingen die krachtens artikel 17b met
het toezicht op de naleving van de artikelen 9, 10, tweede lid,
17u en 19 zijn belast;
3°. het openbaar ministerie en de overige ambtenaren belast
met de opsporing van strafbare feiten;
4°. het publiek;
g. het geven van inlichtingen aangaande het meldgedrag van de
meldende instellingen aan de personen en instellingen die krachtens
artikel 17b met het toezicht op de naleving van de artikelen 9, 10,
tweede lid, 17u en 19 zijn belast;
h. het onderhouden van contacten met buitenlandse van
overheidswege aangewezen politiële- of niet-politiële instanties
die een vergelijkbare taak hebben als het meldpunt;
i. het jaarlijks uitbrengen van een verslag van zijn
werkzaamheden en van zijn voornemens voor het komende jaar aan Onze
Minister van Justitie, en het ter kennis brengen van dit verslag van
Onze Minister van Financiën.
Artikel 4
1. Bij het meldpunt ongebruikelijke transacties kunnen
persoonsgegevens worden verwerkt ten behoeve van de voorkoming en
opsporing van de in artikel 3, onderdeel a, bedoelde misdrijven.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld over de categorieën van personen waarover het meldpunt gegevens
verwerkt alsmede de soorten gegevens die het verwerkt, het coderen van
gegevens door deze te voorzien van een indicatie over betrouwbaarheid,
de gegevensverstrekking, de bewaring en vernietiging van gegevens en de
protocolplicht.
3. Op de verwerking van persoonsgegevens door het meldpunt
ongebruikelijke transacties zijn de artikelen 1, 2, 3, eerste en tweede
lid, 4, 6, 7, 22 en 23 alsmede de artikelen 25 tot en met 31 van de Wet
politiegegevens van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
voor het meldpunt als verantwoordelijke in de zin van artikel 1,
onderdeel g, wordt aangemerkt Onze Minister van Justitie.
Artikel 5
De algemene leiding, de organisatie en het beheer van het meldpunt
berusten bij Onze Minister van Justitie.
Artikel 6
Benoeming, schorsing en ontslag van het hoofd van het meldpunt
geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van
Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.
Artikel 7
Onze Minister van Justitie bepaalt in overeenstemming met Onze
Minister van Financiën het budget en de sterkte van het meldpunt.
Hoofdstuk III. De meldingsplicht
Artikel 8
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden zo nodig per
daarbij te onderscheiden categorieën transacties de indicatoren
vastgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een transactie
wordt aangemerkt als een ongebruikelijke transactie.
2. Indien het spoedeisend belang zulks vereist, kunnen Onze
Minister van Financiën en Onze Minister van Justitie gezamenlijk de
indicatoren, bedoeld in het eerste lid, vaststellen voor een termijn van
ten hoogste zes maanden.
Artikel 9
1. Een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig een dienst verleent,
meldt een daarbij verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie
binnen veertien dagen nadat het ongebruikelijke karakter van de
transactie bekend is geworden, aan het meldpunt.
2. Een melding bevat, voor zover mogelijk, de volgende gegevens:
a. de identiteit van de cliënt;
b. de aard en het nummer van het identiteitsbewijs van de cliënt;
c. de aard, het tijdstip en de plaats van de transactie;
d. de omvang en bij een dienst bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder a, sub 7°, de bestemming en de herkomst van de bij de
transactie betrokken gelden, effecten, edele metalen of andere
waarden;
e. de omstandigheden op grond waarvan de transactie als
ongebruikelijk wordt aangemerkt;
f. bij een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a,
sub 9°: een omschrijving van de desbetreffende zaken van grote
waarde;
g. aanvullende, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen,
gegevens.
3. Degene die een dienst, verleent is verplicht de gegevens,
bedoeld in het tweede lid, op toegankelijke wijze te bewaren gedurende
vijf jaar na het tijdstip van het doen van de melding.
Artikel 10
1. Het meldpunt is bevoegd bij degene die een melding heeft
gedaan, alsmede bij degene die door het verlenen van een dienst als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, sub 7°, bij een transactie
is betrokken waarover het meldpunt gegevens heeft verzameld, nadere
gegevens of inlichtingen te vragen, teneinde te kunnen beoordelen of
verzamelde gegevens dienen te worden verstrekt op grond van zijn taak
bedoeld in artikel 3, onder b .
2. Degene aan wie overeenkomstig het eerste lid deze gegevens of
inlichtingen zijn gevraagd, is verplicht deze aan het meldpunt
schriftelijk, alsmede in spoedeisende gevallen mondeling, te verstrekken
binnen de door het meldpunt gestelde termijn.
Artikel 11
Het meldpunt kan nadere regels stellen omtrent de wijze waarop een
melding moet worden gedaan, respectievelijk gegevens en inlichtingen,
gevraagd krachtens artikel 10, eerste lid, moeten worden verstrekt.
Artikel 12
1. Gegevens of inlichtingen die in overeenstemming met de
artikelen 9 of 10 zijn verstrekt, kunnen niet dienen als grondslag
voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of een vervolging
wegens verdenking van, of als bewijs ter zake van een telastelegging
wegens witwassen, heling van geld en financieren van terrorisme door
degene die deze gegevens of inlichtingen heeft verstrekt.
2. Gegevens of inlichtingen die zijn verstrekt in de redelijke
veronderstelling dat uitvoering wordt gegeven aan de artikelen 9 of 10,
kunnen niet dienen als grondslag voor of ten behoeve van een
opsporingsonderzoek of een vervolging wegens verdenking van, of als
bewijs ter zake van een tenlastelegging wegens, overtreding van artikel
272 van het Wetboek van Strafrecht door degene die deze gegevens of
inlichtingen heeft verstrekt.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
op de persoon die werkzaam is voor degene die gegevens of inlichtingen
heeft verstrekt als omschreven in het eerste of tweede lid en die
daaraan heeft meegewerkt.
Artikel 13
Degene die tot een melding op de voet van artikel 9 is overgegaan, is
niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt,
tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat gelet op alle feiten en
omstandigheden in redelijkheid niet tot melding had mogen worden
overgegaan.
Hoofdstuk IV. De Begeleidingscommissie
Artikel 14
Er is een Begeleidingscommissie voor het meldpunt.
Artikel 15
De commissie heeft tot taak:
a. het meldpunt in zijn functioneren te begeleiden;
b. het ter beschikking stellen aan het meldpunt van haar kennis
en deskundigheid;
c. het desgevraagd of uit eigen beweging adviseren van Onze
Minister van Justitie of Onze Minister van Financiën over onder
meer:
1°. de wijze waarop het meldpunt zijn taak verricht;
2°. de vaststelling van de indicatoren bedoeld in artikel 8;
3°. de effectiviteit van de meldingsplicht.
Artikel 16
1. De commissie bestaat uit vertegenwoordigers van:
a. Onze Minister van Justitie;
b. Onze Minister van Financiën;
c. de bedrijfstakken en beroepsgroepen die onder de werking van
deze wet vallen;
d. de toezichthoudende autoriteiten voor de bedrijfstakken die
onder de werking van deze wet vallen;
e. de Economische Controledienst;
f. het openbaar ministerie;
g. de politie.
2. De leden van de commissie worden op voordracht van de in het
eerste lid bedoelde instanties door Onze Minister van Justitie benoemd
voor drie jaren. Zij kunnen éénmaal worden herbenoemd. Bij de
samenstelling van de commissie streeft Onze Minister van Justitie naar
een evenwichtige verdeling van de vertegenwoordigde instanties.
3. Een vertegenwoordiger van Onze Minister van Justitie bekleedt
het voorzitterschap van de commissie.
4. De commissie bepaalt haar eigen werkwijze.
Hoofdstuk V. Het toezicht
Artikel 17
De instellingen die met het toezicht op financiële instellingen zijn
belast, lichten, in afwijking van eventuele geheimhoudingsbepalingen in
de op die instellingen toepasbare andere wetten, het meldpunt in, indien
zij bij de uitoefening van hun taak feiten ontdekken die duiden op
witwassen, heling van geld of financieren van terrorisme.
Artikel 17a
De Nederlandsche Bank N.V. licht, in afwijking van artikel 8 van de
Wet financiële betrekkingen buitenland 1994, het meldpunt in indien zij
bij de uitoefening van haar taak op grond van die wet feiten ontdekt die
duiden op witwassen, heling van geld of financieren van terrorisme.
Artikel 17b
1. Bij besluit van Onze Minister van Financiën en Onze
Minister van Justitie gezamenlijk kunnen een of meer rechtspersonen
worden aangewezen, die belast zijn met het toezicht op de naleving van
de artikelen 9, 10, tweede lid, 17u en 19 door degene die beroeps- of
bedrijfsmatig een dienst verleent.
2. Ten aanzien van personen die door een op grond van het eerste
lid aangewezen rechtspersoon belast zijn met het toezicht op de naleving
van de artikelen, genoemd in het eerste lid, zijn de bepalingen van
hoofdstuk 5, afdeling 5.2, van de Algemene wet bestuursrecht van
overeenkomstige toepassing.
3. Van een besluit tot aanwijzing op grond van het eerste lid
wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 17c
1. Onze Minister van Financiën kan een last onder dwangsom
opleggen ter zake van overtreding van de artikelen 9, 10, tweede lid,
17u en 19 van deze wet en van artikel 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht.
2. Ten aanzien van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is
artikel 5:32, tweede tot en met vijfde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op degene die, in geval
van bezwaren tegen diens handelen of nalaten in de beroepsuitoefening,
onderworpen is aan tuchtrechtspraak.
Artikel 17d
1. Onze Minister van Financiën kan een bestuurlijke boete
opleggen ter zake van overtreding van de artikelen 9, 10, tweede lid,
17u en 19 van deze wet en van artikel 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op degene die, in geval
van bezwaren tegen diens handelen of nalaten in de beroepsuitoefening,
onderworpen is aan tuchtrechtspraak.
3. De bestuurlijke boete komt toe aan de Staat.
Artikel 17e
1. Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald door
vermenigvuldiging van het bedrag van € 5445 met de factor die
van toepassing is op grond van de categorie-indeling in de bijlage.
2. De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden
gewijzigd.
3. Onze Minister van Financiën kan het bedrag van de
bestuurlijke boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien
het bedrag van de boete in een bepaald geval onevenredig hoog is.
Artikel 17f
Degene jegens wie Onze Minister van Financiën een handeling heeft
verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat
deze hem wegens een overtreding een bestuurlijke boete zal opleggen, is
niet verplicht ter zake daarvan enige inlichting te verstrekken. Hij
wordt hiervan door Onze Minister van Financiën in kennis gesteld
alvorens hem mondeling om informatie met betrekking tot de
desbetreffende overtreding wordt gevraagd.
Artikel 17g
1. Indien Onze Minister van Financiën voornemens is een
bestuurlijke boete op te leggen, geeft hij de betrokkene daarvan
kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
2. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet
bestuursrecht, stelt Onze Minister van Financiën de betrokkene in de
gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar
voren te brengen voordat de bestuurlijke boete wordt opgelegd.
Artikel 17h
1. Onze Minister van Financiën legt de bestuurlijke boete op
bij beschikking.
2. De beschikking vermeldt in ieder geval:
a. het feit ter zake waarvan de bestuurlijke boete wordt opgelegd,
alsmede het overtreden voorschrift;
b. het bedrag van de bestuurlijke boete en de gegevens op basis
waarvan dit bedrag is bepaald; en
c. de termijn, bedoeld in artikel 17i, eerste lid, waarbinnen de
bestuurlijke boete moet worden betaald.
Artikel 17i
1. De bestuurlijke boete wordt betaald binnen zes weken na de
inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.
2. De bestuurlijke boete wordt vermeerderd met de wettelijke
rente, te rekenen vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de
beschikking zes weken zijn verstreken.
3. Indien de bestuurlijke boete niet tijdig is betaald, stuurt
Onze Minister van Financiën schriftelijk een aanmaning om binnen twee
weken de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te
betalen. De aanmaning bevat de aanzegging dat de bestuurlijke boete,
voor zover deze niet binnen de gestelde termijn wordt betaald,
overeenkomstig het vierde lid zal worden ingevorderd.
4. Bij gebreke van tijdige betaling kan Onze Minister van
Financiën de bestuurlijke boete, verhoogd met de kosten van de
aanmaning en van de invordering, bij dwangbevel invorderen.
5. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij
deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de
zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet
tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de Staat.
7. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de
voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders
beslist.
8. Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de
bestuurlijke boete ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld.
Artikel 17j
1. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete
vervalt indien ter zake van de overtreding op grond waarvan de boete
kan worden opgelegd, tegen de overtreder een strafvervolging is
ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft
genomen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.
2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een
overtreding van de artikelen genoemd in artikel 17d vervalt, indien Onze
Minister van Financiën ter zake van die overtreding reeds een boete
heeft opgelegd.
Artikel 17k
1. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete
vervalt drie jaren na de dag waarop de overtreding is begaan.
2. De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de
bekendmaking van de beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt
opgelegd.
Artikel 17l
De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van
een bestuurlijke boete worden verricht door personen die niet betrokken
zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan
voorafgegane onderzoek.
Artikel 17m
Onze Minister van Financiën kan, in afwijking van artikel 18, het
feit ter zake waarvan een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete
is opgelegd, het overtreden voorschrift, alsmede de naam, het adres en
de woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de
bestuurlijke boete is opgelegd, ter openbare kennis brengen, zonodig
onder vermelding van de overwegingen die tot de kennisgeving hebben
geleid.
Artikel 17n
Degene jegens wie door Onze Minister van Financiën een handeling is
verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat
deze zijn handelen of nalaten op grond van artikel 17m ter openbare
kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring
af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling
om informatie wordt gevraagd.
Artikel 17o
1. Onze Minister van Financiën geeft, indien hij voornemens is
op grond van artikel 17m een feit ter openbare kennis te brengen, de
betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het
voornemen berust.
2. In aanvulling op artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht
is Onze Minister van Financiën niet gehouden de betrokkene in de
gelegenheid te stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien
van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een
redelijke inspanning kan worden verkregen.
3. De beschikking om op grond van artikel 17m een feit ter
openbare kennis te brengen vermeldt in ieder geval:
a. het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht;
b. de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht; en
c. de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht.
4. Tenzij de bevordering van de naleving van deze wet geen
uitstel toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van
artikel 17m een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de
beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het
beroep is beslist.
5. In afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet
bestuursrecht treedt de beschikking in werking op de dag waarop het feit
ter openbare kennis is gebracht zonder dat de werking voor de duur van
de beroepstermijn of, indien beroep is ingesteld, van het beroep wordt
opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres
ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.
Artikel 17p
1. De bevoegdheid om op grond van artikel 17m een feit ter
openbare kennis te brengen vervalt indien ter zake van het feit een
strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
aanvang heeft genomen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.
2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als
bedoeld in artikel 17m vervalt, indien Onze Minister van Financiën het
feit reeds ter openbare kennis heeft gebracht.
Artikel 17q
1. De bevoegdheid om op grond van artikel 17m een feit ter
openbare kennis te brengen vervalt drie jaren na de dag waarop het
feit heeft plaats gehad.
2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt gestuit door de
bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis
wordt gebracht.
Artikel 17r
De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 17m ter
openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die
niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit of het
daaraan voorafgegane onderzoek.
Artikel 17s
In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is
voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te
Rotterdam bevoegd.
Artikel 17t
1. De bevoegdheden die Onze Minister van Financiën op grond
van dit hoofdstuk heeft, kunnen bij algemene maatregel van bestuur
worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen die ingevolge
artikel 17b, eerste lid, zijn aangewezen. Alsdan gelden de
verplichtingen op grond van dit hoofdstuk jegens Onze Minister van
Financiën als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon.
2. Aan de overdracht, bedoeld in het eerste lid, kunnen
beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
Artikel 17u
Indien een instelling of persoon niet voldoet aan zijn verplichtingen
voortvloeiend uit de artikelen 9, 10, tweede lid, en 19 kunnen de op
grond van artikel 17b, eerste lid, aangewezen rechtspersonen
aanwijzingen geven aangaande:
a. de ontwikkeling van interne procedures en controles ter
voorkoming van witwassen; en
b. de training van werknemers teneinde hen te informeren over
witwassen en de daarbij gebruikte methodes.
Hoofdstuk VI. Geheimhouding
Artikel 18
Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of
van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult of heeft
vervuld verboden van gegevens of inlichtingen, die ingevolge deze wet
zijn verstrekt of ontvangen, verder of anders gebruik te maken of
daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van
zijn taak of door deze wet wordt geëist.
Artikel 19
1. Degene die ingevolge artikel 9 een melding doet of die
ingevolge artikel 10 nadere gegevens of inlichtingen verstrekt, is
verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover uit de
doelstelling van deze wet de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
2. Degene die ingevolge artikel 3, onder c , gegevens of
inlichtingen verkrijgt, is verplicht tot geheimhouding daarvan.
Hoofdstuk VII. Overgangsbepaling
Artikel 20
Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet worden, in
afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, door Onze Minister
van Financiën en Onze Minister van Justitie gezamenlijk, gehoord de
instanties bedoeld in artikel 16, onder c en d , zo nodig
per daarbij te onderscheiden categorieën transacties, voor een termijn
van ten hoogste zes maanden, de indicatoren vastgesteld aan de hand
waarvan wordt beoordeeld of een transactie moet worden aangemerkt als
een ongebruikelijke transactie.
Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Artikel 21
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 22
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 23
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 24
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet melding ongebruikelijke
transacties.