WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet
melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen opnieuw
vast te stellen in verband met het verbeteren van de werking van deze
wet;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepaling
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voor
zover niet anders is bepaald, verstaan onder:
a. vennootschap: een naamloze vennootschap naar Nederlands recht
waarvan aandelen zijn toegelaten tot de officiële notering aan een in
een lid-staat van de Europese Unie gelegen en werkzame effectenbeurs;
b. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
c. bandbreedtes: 0 tot 5, 5 tot 10, 10 tot 25, 25 tot 50, 50 tot 66⅔
en 66⅔ procent of meer, met dien verstande dat ten aanzien van
een vennootschap als bedoeld in artikel 76a van boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek 0 tot 25, 25 tot 50, 50 tot 66⅔ en 66⅔
procent of meer als bandbreedtes worden aangemerkt;
d. dochtermaatschappij: een dochtermaatschappij als bedoeld in
artikel 24a van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een
rechtspersoon of vennootschap waarin de rechten en bevoegdheden als
bedoeld in artikel 24a van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
kunnen worden uitgeoefend door een natuurlijk persoon;
e. een met een vennootschap gelieerde vennootschap: iedere
vennootschap als bedoeld in onderdeel a
1°. waarmee de vennootschap in een groep is verbonden of waarin
de vennootschap een deelneming heeft als bedoeld in artikel 24c van
boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien de meest recente
vastgestelde omzet van die vennootschap tenminste 10% van de
geconsolideerde omzet van de vennootschap bedraagt, of
2°. die meer dan 25% van het kapitaal van de vennootschap
rechtstreeks of middellijk verschaft.
2. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt met een lid-staat van de Europese Unie gelijkgesteld
een staat, niet zijnde een lid-staat van de Europese Unie, die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voor
zover niet anders is bepaald, mede verstaan onder:
a. aandelen: certificaten van aandelen en rechten ingevolge een
overeenkomst tot verkrijging van aandelen of certificaten van
aandelen;
b. stemmen: rechten ingevolge een overeenkomst op verkrijging van
stemmen.
4. Het derde lid is niet van toepassing bij het bepalen van het
aantal aandelen in het geplaatste kapitaal van een vennootschap en het
aantal stemmen dat op het geplaatste kapitaal van een vennootschap kan
worden uitgebracht.
Hoofdstuk II. De melding en de openbaarmaking
Artikel 2
1. Een ieder die de beschikking krijgt of verliest over
aandelen in het kapitaal van een vennootschap waardoor, naar hij weet
of behoort te weten, het percentage van de aandelen waarover hij
beschikt in een andere bandbreedte valt dan het percentage waarover
hij onmiddellijk voordien beschikte, meldt dat onverwijld aan de
vennootschap en aan Onze Minister.
2. Een ieder die de beschikking krijgt of verliest over stemmen
die op het geplaatste kapitaal van een vennootschap kunnen worden
uitgebracht waardoor, naar hij weet of behoort te weten, het percentage
van de stemmen waarover hij beschikt in een andere bandbreedte valt dan
het percentage waarover hij onmiddellijk voordien beschikte, meldt dat
onverwijld aan de vennootschap en aan Onze Minister.
Artikel 2a
1. Iedere bestuurder en commissaris van een vennootschap meldt
aan de vennootschap en aan Onze Minister het aantal aandelen in het
kapitaal van de vennootschap en in het kapitaal van de met de
vennootschap gelieerde vennootschappen waarover hij beschikt, alsmede
het aantal stemmen dat hij op het geplaatste kapitaal van de
vennootschap en op het geplaatste kapitaal van de met de vennootschap
gelieerde vennootschappen kan uitbrengen. Deze meldingen worden gedaan
binnen twee weken na de aanwijzing of benoeming als bestuurder of
commissaris.
2. Iedere bestuurder en commissaris van een naamloze vennootschap
naar Nederlands recht meldt, indien deze vennootschap een vennootschap
wordt in de zin van artikel 1, onderdeel a, onverwijld aan de
vennootschap en aan Onze Minister:
a. het aantal aandelen in het kapitaal van de vennootschap waarover
hij beschikt en het aantal stemmen dat hij op het geplaatste kapitaal
van de vennootschap kan uitbrengen; en
b. het aantal aandelen in het kapitaal van de met de vennootschap
gelieerde vennootschappen waarover hij beschikt alsmede het aantal
stemmen dat hij op het geplaatste kapitaal van die vennootschappen kan
uitbrengen.
3. Iedere bestuurder en commissaris van een vennootschap meldt,
indien een andere naamloze vennootschap naar Nederlands recht een met de
vennootschap gelieerde vennootschap wordt in de zin van artikel 1,
onderdeel e, onverwijld aan de vennootschap en aan Onze Minister het
aantal aandelen in het kapitaal van de met de vennootschap gelieerde
vennootschap waarover hij beschikt alsmede het aantal stemmen dat hij op
het geplaatste kapitaal van die vennootschap kan uitbrengen.
4. Iedere bestuurder en commissaris van een vennootschap meldt
onverwijld aan de vennootschap en aan Onze Minister iedere wijziging in
het aantal aandelen in het kapitaal van de vennootschap en in het
kapitaal van de met de vennootschap gelieerde vennootschappen waarover
hij beschikt.
5. Iedere bestuurder en commissaris van een vennootschap meldt
onverwijld aan de vennootschap en aan Onze Minister iedere wijziging in
het aantal stemmen waarover hij beschikt dat op het geplaatste kapitaal
van de vennootschap en op het geplaatste kapitaal van de met de
vennootschap gelieerde vennootschappen kan worden uitgebracht.
6. Een vennootschap meldt het feit dat een bestuurder of
commissaris niet langer in functie is onverwijld aan Onze Minister.
7. Indien een bestuurder van een vennootschap rechtspersoon is,
zijn de bepalingen van dit artikel van overeenkomstige toepassing op de
natuurlijke personen die het dagelijks beleid van deze rechtspersoon
bepalen, alsmede op de natuurlijke personen die toezicht houden op het
beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken in deze
rechtspersoon.
Artikel 3
1. Een ieder die op het tijdstip waarop de aandelen van een
naamloze vennootschap naar Nederlands recht worden toegelaten tot de
officiële notering aan een in een lid-staat van de Europese Unie
gelegen en werkzame effectenbeurs, beschikt over aandelen in het
kapitaal van die vennootschap of over stemmen die op het geplaatste
kapitaal van die vennootschap kunnen worden uitgebracht, meldt dat
binnen vier weken na de toelating tot de officiële notering
terzelfder tijd aan de vennootschap en aan Onze Minister.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien degene die
beschikt over aandelen of stemmen, beschikt over minder dan 5 procent
van het geplaatste kapitaal of van de stemmen die op dat kapitaal kunnen
worden uitgebracht, dan wel meende en mocht menen dat dit het geval was.
Artikel 4
1. Iemand beschikt over de aandelen in het kapitaal van een
vennootschap die hij zelf houdt. Hij beschikt over de stemmen die hij
kan uitoefenen als houder van aandelen of als pandhouder of
vruchtgebruiker daarvan.
2. Iemand wordt geacht te beschikken over de aandelen en de
stemmen waarover een dochtermaatschappij beschikt.
3. Iemand wordt geacht te beschikken over de aandelen die worden
gehouden en de stemmen die als aandeelhouder, pandhouder of
vruchtgebruiker kunnen worden uitgeoefend door een derde die de aandelen
of stemmen voor zijn rekening houdt of door een derde met wie hij een
overeenkomst heeft gesloten die voorziet in een duurzaam
gemeenschappelijk beleid inzake de uitoefening van het stemrecht.
4. Aandelen en stemmen in een gemeenschap worden in evenredigheid
van hun gerechtigdheid toegerekend aan de deelgenoten.
Artikel 5
1. Voor de toepassing van de artikelen 2, 3 en 4 blijven
gedurende drie maanden na de verkrijging buiten beschouwing aandelen
en stemmen die in de regelmatige uitoefening van een beroep of bedrijf
worden gehouden door:
a. instellingen waarop ingevolge een vergunning of een vrijstelling
als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel h, i of j,
van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 het verbod, bedoeld in
artikel 7, eerste lid, van die wet, niet van toepassing is;
b. instellingen die in een andere lid-staat zijn gevestigd en van
de toezichthoudende autoriteit van die andere lid-staat een vergunning
hebben verkregen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, eerste volzin,
van richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied
van beleggingen in effecten (PbEG L 141);
c. kredietinstellingen die in een andere lid-staat zijn gevestigd
en van de toezichthoudende autoriteit van die andere lid-staat een
vergunning hebben verkregen als bedoeld in artikel 1, onder 2, van
Richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de
uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 126),
voor zover het aan die instellingen ingevolge die vergunning is
toegestaan een of meer van de beleggingsdiensten, genoemd in deel A
van de bijlage bij de onder b genoemde richtlijn, uit te oefenen; en
d. in een andere lid-staat gevestigde financiële instellingen als
bedoeld in artikel 1, onder 5, van Richtlijn nr. 2000/12/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000
betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van
kredietinstellingen (PbEG L 126), voor zover het aan die instellingen
is toegestaan een of meer van de beleggingsdiensten, genoemd in deel A
van de bijlage bij de onder b genoemde richtlijn, uit te oefenen,.
2. Voor de toepassing van de artikelen 2, 3 en 4 blijven voorts
buiten beschouwing aandelen en stemmen die in de regelmatige uitoefening
van het effectenbewaarbedrijf worden gehouden, mits die aandelen of
stemmen door de betrokken bewaarder niet kunnen worden aangewend om
zeggenschap uit te oefenen.
3. Indien de betrokkene de aandelen of stemmen nog houdt op het
tijdstip waarop het eerste of tweede lid ophoudt van toepassing te zijn,
wordt hij geacht hierover op dat tijdstip de beschikking te hebben
verkregen.
Artikel 6
1. Een melding als bedoeld in de artikelen 2 en 3 geschiedt op
door Onze Minister te bepalen wijze en bevat de volgende gegevens:
a. naam van de meldingsplichtige;
b. adres en woonplaats van de meldingsplichtige;
c. naam van de vennootschap;
d. percentage aandelen in het kapitaal en percentage stemmen dat op
het geplaatste kapitaal kan worden uitgebracht, waarover de
meldingsplichtige beschikt;
e. overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels, de
samenstelling van de onder c bedoelde percentages;
f. datum waarop de meldingsplicht is ontstaan.
2. Een dochtermaatschappij van een natuurlijk persoon of van een
rechtspersoon doet geen melding, indien de melding voor haar door de
natuurlijke persoon onderscheidenlijk de rechtspersoon is gedaan.
Artikel 6a
Een melding als bedoeld in artikel 2a, eerste tot en met derde lid,
geschiedt op door Onze Minister te bepalen wijze en bevat de volgende
gegevens:
a. naam van de meldingsplichtige;
b. adres en woonplaats van de meldingsplichtige;
c. de datum waarop de meldingsplicht is ontstaan;
d. het aantal aandelen in het kapitaal van de vennootschap of in
het kapitaal van de met de vennootschap gelieerde vennootschappen en
het aantal stemmen dat op het geplaatste kapitaal van de
vennootschap of op het geplaatste kapitaal van de met de
vennootschap gelieerde vennootschappen kan worden uitgebracht,
waarover de meldingsplichtige beschikt op de datum waarop de
meldingsplicht is ontstaan;
e. de naam van de vennootschap of van de met de vennootschap
gelieerde vennootschappen.
Artikel 6b
Een melding als bedoeld in artikel 2a, vierde of vijfde lid,
geschiedt op door Onze Minister te bepalen wijze en bevat de volgende
gegevens:
a. naam van de meldingsplichtige;
b. adres en woonplaats van de meldingsplichtige;
c. de datum waarop de meldingsplicht is ontstaan;
d. het aantal aandelen, de verkoop- dan wel de verkrijgingsprijs
van de aandelen, de soort aandelen en het aantal stemmen waarop de
wijziging betrekking had;
e. het aantal aandelen in het kapitaal van de vennootschap of in
het kapitaal van de met de vennootschap gelieerde vennootschappen,
alsmede het aantal stemmen dat op het geplaatste kapitaal van de
vennootschap of op het geplaatste kapitaal van de met de
vennootschap gelieerde vennootschappen kan worden uitgebracht
waarover de meldingsplichtige voorafgaande aan de wijziging de
beschikking had;
f. het aantal aandelen in het kapitaal van de vennootschap of in
het kapitaal van de met de vennootschap gelieerde vennootschappen,
alsmede het aantal stemmen dat op het geplaatste kapitaal van de
vennootschap of op het geplaatste kapitaal van de met de
vennootschap gelieerde vennootschappen kan worden uitgebracht
waarover de meldingsplichtige na de wijziging beschikt;
g. de naam van de vennootschap of van de met de vennootschap
gelieerde vennootschappen;
h. indien van toepassing: het feit dat de wijziging voortvloeit
uit een transactie die is verricht door een gevolmachtigde aan wie
door middel van een schriftelijke overeenkomst van lastgeving het
vrije beheer van de effectenportefeuille door de meldingsplichtige
is overgedragen.
Artikel 7
1. Onverwijld nadat Onze Minister een melding als bedoeld in de
artikelen 2 en 3 heeft ontvangen, doet hij daarvan mededeling aan de
betrokken vennootschap.
2. Na tenminste vijf kalenderdagen doch uiterlijk binnen negen
kalenderdagen nadat Onze Minister een melding als bedoeld in de
artikelen 2 en 3 heeft ontvangen, maakt hij de in artikel 6, eerste lid,
genoemde gegevens, met uitzondering van de gegevens genoemd onder b voor
zover deze betrekking hebben op natuurlijke personen, openbaar in elke
lid-staat van de Europese Unie waar aandelen van de vennootschap zijn
toegelaten tot de officiële notering aan een in die lid-staat gelegen
en werkzame effectenbeurs. De openbaarmaking geschiedt door een
publicatie in een in de betrokken lid-staat landelijk verspreid dagblad.
Indien de vennootschap vóór de vijfde kalenderdag, bedoeld in de
eerste volzin, schriftelijk aan Onze Minister heeft meegedeeld dat zij
geen verzoek als bedoeld in het derde lid zal doen, maakt Onze Minister
de in artikel 6, eerste lid, genoemde gegevens, met uitzondering van de
gegevens genoemd onder b voor zover deze betrekking hebben op
natuurlijke personen, openbaar binnen vier kalenderdagen na ontvangst
van de mededeling van de vennootschap.
3. Onze Minister kan de openbaarmaking op schriftelijk verzoek
van de vennootschap achterwege laten, indien naar zijn oordeel de
openbaarmaking in strijd zou zijn met het algemeen belang dan wel indien
de vennootschap daardoor ernstig nadeel zou kunnen ondervinden en het
achterwege blijven van de openbaarmaking niet kan leiden tot misleiding
van het publiek met betrekking tot feiten en omstandigheden die voor de
beoordeling van de door de vennootschap uitgegeven aandelen van
wezenlijk belang zijn. Indien toepassing is gegeven aan artikel 11,
eerste lid, hoort Onze Minister, voordat hij op het verzoek beslist, de
in dat artikel bedoelde rechtspersoon.
4. Het verzoek, bedoeld in het derde lid, wordt door de
vennootschap gedaan binnen drie kalenderdagen na de ontvangst van de
mededeling, bedoeld in het eerste lid. Onze Minister schort naar
aanleiding van het verzoek de openbaarmaking op totdat hij op het
verzoek heeft beslist. Indien Onze Minister het verzoek heeft afgewezen,
maakt hij de in artikel 6, eerste lid, genoemde gegevens, met
uitzondering van de gegevens genoemd onder b voor zover deze betrekking
hebben op natuurlijke personen, niet eerder openbaar dan na tenminste
vijf kalenderdagen nadat hij zijn beslissing aan de vennootschap heeft
bekendgemaakt.
Artikel 7a
De gegevens die zijn verstrekt op grond van artikel 2a worden, met
uitzondering van de gegevens bedoeld in artikel 6a, onder b, en 6b,
onder b, opgenomen in een register. Onze Minister houdt het register
voor een ieder ter inzage.
Artikel 8
1. Indien Onze Minister vermoedt dat een melding is gedaan die
onjuist is, kan hij terzake een onderzoek instellen of doen instellen.
Indien dit vermoeden bestaat bij de vennootschap waaraan een melding
is gedaan, deelt zij dit onverwijld aan Onze Minister mee, met het
verzoek terzake een onderzoek in te stellen of te doen instellen.
2. Onze Minister kan de openbaarmaking van de melding voor de
duur van het onderzoek opschorten. Hij stelt de vennootschap van een
opschorting in kennis.
3. Degene die de melding heeft gedaan, verstrekt desgevraagd aan
Onze Minister, binnen een door de Minister te stellen termijn, de
gegevens op grond waarvan de melding is gedaan.
4. Onze Minister kan een ieder die een melding heeft gedaan in de
gelegenheid stellen de melding te herstellen.
5. Indien een melding naar het oordeel van Onze Minister onjuist
is en de melding niet is hersteld, kan hij in plaats van de gemelde
gegevens de juiste gegevens openbaar maken, nadat hij daarvan aan de
betrokken vennootschap mededeling heeft gedaan. Artikel 7, derde en
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9
1. Indien een melding waartoe deze wet verplicht niet
overeenkomstig deze wet is gedaan, kan de rechtbank van de plaats waar
de betrokken vennootschap is gevestigd, op vordering van degene die
krachtens het tweede lid daartoe bevoegd is, de in het vierde lid
genoemde maatregelen treffen.
2. Tot het instellen van een vordering zijn bevoegd:
a. een of meer houders van aandelen in het kapitaal van de
vennootschap die alleen of gezamenlijk ten minste een twintigste
gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen;
b. de vennootschap.
3. De bevoegdheid om de vordering in te stellen vervalt door
verloop van drie maanden vanaf de dag waarop degene die bevoegd is de
vordering in te stellen van de overtreding kennis heeft genomen of heeft
kunnen nemen.
4. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn:
a. veroordeling van de meldingsplichtige tot melding overeenkomstig
deze wet;
b. schorsing van de uitoefening van de stemmen waarover de
meldingsplichtige beschikt gedurende een door de rechtbank te bepalen
periode van ten hoogste drie jaren;
c. schorsing van een besluit van de algemene vergadering van
aandeelhouders van de vennootschap totdat over een maatregel als
bedoeld in onderdeel d onherroepelijk is beslist;
d. vernietiging van een besluit van de algemene vergadering van
aandeelhouders van de vennootschap voor zover aannemelijk is dat dit
besluit niet zou zijn genomen indien de stemmen waarover de
meldingsplichtige beschikt niet zouden zijn uitgeoefend;
e. een bevel aan de meldingsplichtige om zich gedurende een door de
rechtbank te bepalen periode van ten hoogste vijf jaren te onthouden
van het verkrijgen van de beschikking over aandelen in het kapitaal
van de vennootschap of van stemmen die op het geplaatste kapitaal van
die vennootschap kunnen worden uitgebracht.
5. Een maatregel als bedoeld in het vierde lid, onderdelen b
en e, geldt niet voor aandelen die ten titel van beheer worden
gehouden door een ander dan de meldingsplichtige, tenzij de
meldingsplichtige bevoegd is om zich deze aandelen te verschaffen of te
bepalen hoe de daaraan verbonden stemmen worden uitgeoefend.
6. De rechtbank regelt zo nodig de gevolgen van de door haar
getroffen maatregelen.
7. De rechtbank kan op vordering van degene die de
oorspronkelijke vordering heeft ingesteld of van degene tegen wie de
maatregel is gericht de periode, bedoeld in het vierde lid, onderdelen b
en e, verkorten.
8. Een maatregel als bedoeld in het vierde lid, onderdeel d,
kan niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
9. Indien de vordering, bedoeld in het eerste lid, betrekking
heeft op aandelen die niet door de meldingsplichtige zelf worden
gehouden of op stemmen die hij niet zelf als aandeelhouder, pandhouder
of vruchtgebruiker kan uitoefenen, roept de eiser de desbetreffende
houder, pandhouder of vruchtgebruiker in het geding op, zo die aan de
eiser bekend is.
10. Een onmiddellijke voorziening bij voorraad kan slechts worden
gevorderd bij de voorzieningenrechter van de rechtbank die op grond van
het eerste lid bevoegd is. De vordering kan slechts betrekking hebben op
de maatregelen, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a, b,
c en e. Het vijfde en negende lid zijn van overeenkomstige
toepassing.
Hoofdstuk III. Bijzondere bepalingen
Artikel 10
1. Onze Minister is bevoegd gegevens en inlichtingen die hij
ingevolge de toepassing van deze wet heeft verkregen, uit te wisselen
met buitenlandse bevoegde autoriteiten, mits deze gehouden zijn tot
geheimhouding van de ontvangen gegevens of inlichtingen.
2. Indien Onze Minister gegevens of inlichtingen heeft verkregen
van een buitenlandse bevoegde autoriteit mag hij deze uitsluitend
gebruiken voor de toepassing van deze wet.
Artikel 11
1. Met uitzondering van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 7,
derde lid, om de openbaarmaking van een melding achterwege te laten om
redenen van algemeen belang, van de bevoegdheid, bedoeld in artikel
12, om regels te stellen voor het verhaal van kosten, van de
bevoegdheid, bedoeld in artikel 13a, derde lid, om regels te stellen
ter zake van het opleggen van een last onder dwangsom, van de
bevoegdheid, bedoeld in artikel 13b, derde lid, om regels te stellen
ter zake van het opleggen van een bestuurlijke boete, en van de
bevoegdheid, bedoeld in artikel 13l, tweede lid, om regels te stellen
ter zake van het ter openbare kennis brengen van bepaalde gegevens,
kunnen taken en bevoegdheden die Onze Minister op grond van deze wet
heeft bij algemene maatregel van bestuur worden overgedragen aan een
rechtspersoon.
2. Een overdracht vindt slechts plaats indien de betrokken
rechtspersoon aan de volgende eisen voldoet:
a. hij dient in staat te zijn de overgedragen taken en bevoegdheden
naar behoren uit te oefenen; en
b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige
besluitvorming binnen de betrokken rechtspersoon dat een
onafhankelijke uitoefening van de overgedragen taken en bevoegdheden
zoveel mogelijk is gewaarborgd.
3. Aan de overdracht kunnen beperkingen worden gesteld en
voorschriften worden verbonden.
4. De rechtspersoon brengt eenmaal per jaar, uiterlijk op 1 mei,
verslag uit aan Onze Minister over de uitoefening van de overgedragen
taken en bevoegdheden in het voorgaande kalenderjaar. Dit verslag wordt
door de zorg van Onze Minister openbaar gemaakt, met dien verstande dat
gegevens met betrekking tot afzonderlijke vennootschappen en degenen op
wie een meldingsplicht rust niet openbaar worden gemaakt, tenzij het
gaat om gegevens die ingevolge artikel 7, tweede of vierde lid, of
artikel 8, vijfde lid, reeds openbaar zijn gemaakt.
Artikel 12
Onze Minister is bevoegd de kosten die voor de uitvoering van deze
wet worden gemaakt op de vennootschappen en op degenen op wie een
meldingsplicht rust volgens door hem te stellen regels te verhalen.
Hoofdstuk IV. Beroep
Artikel 13
In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is
voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te
Rotterdam bevoegd.
Hoofdstuk IV A. Dwangsom en bestuurlijke boete
Artikel 13a
1. Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen ter zake
van overtreding van voorschriften gesteld, bij of krachtens artikel 8,
derde en vierde lid.
2. De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot
en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.
3. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening
van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
Artikel 13b
1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake
van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de
artikelen 2, eerste en tweede lid, 2a, 3, eerste lid, 6, eerste lid,
6a, 6b, 8, eerste lid, tweede volzin, derde en vierde lid, en 14,
tweede lid.
2. De bestuurlijke boete komt toe aan de staat. Voor zover Onze
Minister met toepassing van artikel 11, eerste lid, de bevoegdheid tot
het opleggen van een bestuurlijke boete overdraagt aan een
rechtspersoon, komt de boete toe aan die rechtspersoon.
3. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie, kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de
bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
Artikel 13c
1. Het bedrag van de boete wordt bepaald op de wijze als
voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de boete voor een
afzonderlijke overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt.
2. De bijlage bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het
bedrag van de deswege op te leggen boete.
3. De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden
gewijzigd.
4. Onze Minister kan het bedrag van de boete lager stellen dan in
de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald
geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog is.
Artikel 13d
Degene jegens wie door Onze Minister een handeling is verricht
waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem
wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht
ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in
kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
Artikel 13e
1. Indien Onze Minister voornemens is een boete op te leggen,
geeft hij de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden
waarop het voornemen berust.
2. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet
bestuursrecht, stelt Onze Minister de betrokkene in de gelegenheid om
naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te
brengen voordat de boete wordt opgelegd, tenzij het een overtreding
betreft die in de bijlage, bedoeld in artikel 13c, is aangewezen.
Artikel 13f
1. Onze Minister legt de boete op bij beschikking.
2. De beschikking vermeldt in ieder geval:
a. het feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het
overtreden voorschrift;
b. het bedrag van de boete en de gegevens op basis waarvan dit
bedrag is bepaald; en
c. de termijn, bedoeld in artikel 13h, eerste lid, waarbinnen de
boete moet worden betaald.
Artikel 13g
1. De werking van de beschikking tot oplegging van een boete
wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien
beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de werking van de
beschikking tot oplegging van een boete voor een overtreding die op
grond van artikel 13e, tweede lid, is aangewezen, opgeschort totdat de
bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het
bezwaar is beslist.
Artikel 13h
1. De boete wordt betaald binnen zes weken na de
inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.
2. De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen
vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken
zijn verstreken, tenzij het een overtreding betreft die op grond van
artikel 13e, tweede lid, is aangewezen.
3. Indien de boete niet tijdig is betaald, stuurt Onze Minister
schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete, verhoogd met
de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de
aanzegging, dat de boete, voor zover deze niet binnen de gestelde
termijn wordt betaald, overeenkomstig het vierde lid zal worden
ingevorderd.
4. Bij gebreke van tijdige betaling kan Onze Minister de boete,
verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering, bij
dwangbevel invorderen.
5. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij
deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de
zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet
tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de rechtspersoon die de
boete heeft opgelegd.
7. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de
voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders
beslist.
8. Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de boete
ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld.
Artikel 13i
1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt indien ter
zake van de overtreding een strafvervolging is ingesteld en het
onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het
recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het
Wetboek van Strafrecht.
2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een
overtreding als bedoeld in artikel 48c vervalt, indien Onze Minister ter
zake van die overtreding reeds een boete heeft opgelegd.
Artikel 13j
1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt drie jaren na
de dag waarop de overtreding is begaan.
2. De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de
bekendmaking van de beschikking waarbij een boete wordt opgelegd.
Artikel 13k
De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van
een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest
bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande
onderzoek.
Artikel 13l
1. Met het oog op een adequate werking van de financiële
markten en de positie van de beleggers op die markten, kan Onze
Minister, het feit ter zake waarvan de last onder dwangsom of de
bestuurlijke boete is opgelegd, het overtreden voorschrift, alsmede de
naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder
dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, ter openbare kennis
brengen.
2. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening
van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk V. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 14
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt als vennootschap
beschouwd een naamloze vennootschap naar Nederlands recht waarvan de
toelating van aandelen tot de officiële notering aan een in een van
de lid-staten van de Europese Unie gelegen en werkzame effectenbeurs
heeft plaatsgevonden in de periode die ligt tussen 31 januari 1992 en
het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
2. Een ieder die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet beschikt over aandelen in het kapitaal van een vennootschap of over
stemmen die op het geplaatste kapitaal van die vennootschap kunnen
worden uitgebracht, is verplicht binnen vier weken na dat tijdstip aan
de vennootschap en terzelfder tijd aan Onze Minister een melding te
doen, tenzij hij ter zake van deze zeggenschap eerder een melding heeft
gedaan overeenkomstig de Wet melding zeggenschap in ter beurze
genoteerde vennootschappen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing indien degene die
beschikt over aandelen of stemmen, beschikt over minder dan 5 procent
van het geplaatste kapitaal of van de stemmen die op dat kapitaal kunnen
worden uitgebracht, dan wel meende en mocht menen dat dit het geval was.
Artikel 15
[Wijzigt de Wet op de economische delicten.]
Artikel 16
De Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen
wordt ingetrokken.
Artikel 17
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 18
Deze wet wordt aangehaald als: Wet melding zeggenschap in ter beurze
genoteerde vennootschappen 1996.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 29 november 1996
BEATRIX
De Minister van Financiën,
G. Zalm
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de twintigste december 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager