| |
|
|
|
|
vorige
WET
MILIEUBEHEER (Wm)
Tekst zoals deze geldt op
20 juli 2010
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
- Besluit
bodemkwaliteit
- Besluit
emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A
- Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B
(vervallen)
- Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer
- Besluit
gewasbeschermingsmiddelen en biociden
- Besluit
glastuinbouw
- Besluit handel in emissierechten
- Besluit
informatie inzake rampen en zware ongevallen
- Besluit
kwaliteitseisen en monitoring water 2009
- Besluit kwaliteitseisen handhaving milieubeheer
- Besluit landbouw milieubeheer
- Besluit
lozing afvalwater huishoudens
- Besluit LPG-tankstations milieubeheer
- Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
- Besluit milieu-effectrapportage 1994
- Besluit milieuverslaglegging
- Besluit
risico’s zware ongevallen 1999
- Besluit
verbranden afvalstoffen
- Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en
preparaten
- Inrichtingen-
en vergunningenbesluit milieubeheer
- Regeling
algemene regels voor inrichtingen milieubeheer'
- Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007
- Regeling bodemkwaliteit
- Regeling genetisch gemodificeerde
organismen
- Regeling milieukwaliteitseisen gevaarlijke stoffen
oppervlaktewateren (vervallen)
- Regeling
risico's zware ongevallen 1999'
- Stortbesluit
bodembescherming
- Uitvoeringsbesluit
Meststoffenwet
- Vuurwerkbesluit
WET van 13 juni 1979, houdende regelen
met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op het gebied van de
milieuhygiëne
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, naast de
wettelijke regelingen, geldende voor de onderscheidene onderdelen van
het gebied van de milieuhygiëne, regelen te stellen met betrekking tot
een aantal algemene onderwerpen op dat gebied;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemeen
§ 1.1. Algemeen
Artikel 1.1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
adviseurs: bestuursorganen die krachtens wettelijk voorschrift
in de gelegenheid moeten worden gesteld advies uit te brengen met
betrekking tot het geven van een beschikking of het nemen van een
ander besluit;
afvalbeheersplan: het afvalbeheersplan, bedoeld in artikel
10.3;
afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of producten die behoren
tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn
nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april
2006 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet,
voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;
afvalstoffenverordening: de verordening, bedoeld in artikel
10.23;
afvalvoorziening: inrichting waar uitsluitend
winningsafvalstoffen worden gestort of verzameld, dan wel het
gedeelte van een inrichting waar winningsafvalstoffen worden
gestort of verzameld;
afvalvoorziening categorie A: afvalvoorziening, welke door het
bevoegd gezag is ingedeeld in categorie A, overeenkomstig de
criteria gesteld in bijlage III bij de richtlijn beheer
winningsafval;
afvalwater: alle water waarvan de houder zich ontdoet,
voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;
bedrijfsafvalstoffen: afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke
afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen;
bedrijfsafvalwater: afvalwater dat vrijkomt bij door de mens
bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was,
ondernomen bedrijvigheid, dat geen huishoudelijk afvalwater,
afvloeiend hemelwater of grondwater is;
beheer van afvalstoffen: inzameling, vervoer, nuttige
toepassing of verwijdering van afvalstoffen;
beste beschikbare technieken: voor het bereiken van een hoog
niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende
technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het
milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of,
indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die –
kosten en baten in aanmerking genomen – economisch en technisch
haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen
worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft,
redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn;
daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de
inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden,
alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de
inrichting buiten gebruik wordt gesteld;
betrokken bestuursorganen: adviseurs en andere bestuursorganen
die krachtens wettelijk voorschrift worden betrokken bij de
totstandkoming van de in artikel 13.1, eerste lid, bedoelde
beschikkingen.
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het geven van
een beschikking of het nemen van een ander besluit;
bijlage: bij deze wet behorende bijlage;
biochemisch zuurstofverbruik: massaconcentratie aan opgeloste
zuurstof die gedurende vijf dagen wordt verbruikt door
biochemische oxydatie van organische bestanddelen onder
uitsluiting van ammoniumoxydatie onder omstandigheden die zijn
gespecificeerd in een door Onze Minister aangewezen norm van het
Nederlands Normalisatie Instituut;
broeikasgas: gas, genoemd in bijlage II bij de EG-richtlijn
handel in broeikasgasemissierechten;
broeikasgasemissierecht: overeenkomstig het bepaalde bij en
krachtens hoofdstuk 16 overdraagbaar recht, uitsluitend teneinde
aan het bepaalde bij en krachtens dat hoofdstuk te voldoen, om
gedurende een bepaalde periode een emissie van één ton
kooldioxide-equivalent in de lucht te veroorzaken;
Commissie genetische modificatie: de Commissie genetische
modificatie, bedoeld in artikel 2.26;
Commissie voor de milieueffectrapportage: de Commissie voor de
milieueffectrapportage, bedoeld in artikel 2.17;
doelmatig beheer van afvalstoffen: zodanig beheer van
afvalstoffen dat daarbij rekening wordt gehouden met het geldende
afvalbeheersplan, dan wel de voor de vaststelling van het plan
geldende bepalingen, dan wel de voorkeursvolgorde aangegeven in
artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel 10.5, eerste lid;
EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling: richtlijn nr. 85/337/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1985
betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en
particuliere projecten (PbEG L 175), zoals gewijzigd bij richtlijn
nr. 97/11/EG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 3
maart 1997 (PbEG L 73) tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG
betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en
particuliere projecten;
één ton kooldioxide-equivalent: een metrische ton kooldioxide
of een hoeveelheid van een ander broeikasgas met een gelijkwaardig
aardopwarmingsvermogen;
de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten: richtlijn
nr. 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een
regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de
Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU
L 275);
EG-richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van
verontreiniging: richtlijn nr. 2008/1/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 januari 2008
inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging
(PbEU L 24);
EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen
en mengsels: verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008
betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en
mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG
en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006
(PbEU L 353);
EG-verordening overbrenging van afvalstoffen: verordening (EG)
nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van
afvalstoffen (PbEU L 190);
EG-verordening PRTR: verordening (EG) nr. 166/2006 van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 januari
2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de
uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot
wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU
L 33);
EG-verordening register handel in broeikasgasemissierechten:
verordening (EG) nr. 2216/2004 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 21 december 2004 inzake een gestandaardiseerd
en beveiligd registersysteem overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG
van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 280/2004/EG
van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 386);
EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van
chemische stoffen: verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees
Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en
beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van
chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees
Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van
Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG)
nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de
Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de
Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de
Commissie (PbEU 2007, L 136);
emissie: stoffen, trillingen, warmte, die of geluid dat direct
of indirect vanuit een bron in de lucht, het water of de bodem
worden, onderscheidenlijk wordt gebracht;
de emissieautoriteit: de Nederlandse emissieautoriteit, genoemd
in artikel 2.1;
emissiegrenswaarde: massa gerelateerd aan bepaalde parameters,
dan wel concentratie of niveau van een emissie uit een of meer
bronnen, die gedurende een bepaalde periode niet mag worden
overschreden;
emissiereductie-eenheid: eenheid, uitgegeven overeenkomstig
artikel 6 van het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig het
Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering of
het Protocol van Kyoto genomen besluiten (ERU);
gecertificeerde emissiereductie: eenheid, uitgegeven
overeenkomstig artikel 12 van het Protocol van Kyoto en de
overeenkomstig het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake
klimaatverandering of het Protocol van Kyoto genomen besluiten (CER);
gemeentelijk milieubeleidsplan: het gemeentelijke
milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 4.16;
gevaarlijke afvalstoffen: bij ministeriële regeling als
zodanig aangewezen afvalstoffen, met inachtneming van ter zake
voor Nederland verbindende verdragen en van besluiten van
volkenrechtelijke organisaties;
gpbv-installatie: installatie als bedoeld in bijlage 1 van de
EG-richtlijn geïntegreerde preventie en bestrijding van
verontreiniging;
huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat overwegend afkomstig
is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden;
huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig uit
particuliere huishoudens, behoudens voor zover het ingezamelde
bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als
gevaarlijke afvalstoffen;
inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang
alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen
een zekere begrenzing pleegt te worden verricht;
inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister
aangewezen ambtenaar;
inwonerequivalent: biochemisch zuurstofverbruik van 54 gram per
etmaal;
de kaderrichtlijn water: richtlijn nr. 2000/60/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober
2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen
betreffende het waterbeleid (PbEG L 327), zoals deze is gewijzigd
bij beschikking nr. 2455/2001/EG van het Europees Parlement en de
Raad van 20 november 2001 tot vaststelling van de lijst van
prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid en tot
wijziging van richtlijn 2000/60/EG (PbEG L 331) en met inbegrip
van wijzigingen uit hoofde van artikel 20, eerste lid, van de
richtlijn, doch voor het overige naar de tekst zoals deze bij de
richtlijn is vastgesteld;
nationaal milieubeleidsplan: het nationale milieubeleidsplan,
bedoeld in artikel 4.3;
NOx-emissierecht: overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens
hoofdstuk 16 overdraagbaar recht, uitsluitend teneinde aan het
bepaalde bij en krachtens dat hoofdstuk te voldoen, om gedurende
een bepaalde periode een emissie van één kilogram stikstofoxiden
in de lucht te veroorzaken;
nuttige toepassing: de als zodanig in artikel 1 van de
richtlijn nr. 2006/12/EG van 5 april 2006 van het Europees
Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen, aangeduide
activiteit;
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
openbaar hemelwaterstelsel: voorziening voor de inzameling en
verdere verwerking van afvloeiend hemelwater, niet zijnde een
openbaar vuilwaterriool, in beheer bij een gemeente of een
rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;
openbaar ontwateringsstelsel: voorziening voor de inzameling en
verdere verwerking van grondwater, niet zijnde een openbaar
vuilwaterriool, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon
die door een gemeente met het beheer is belast;
openbaar vuilwaterriool: voorziening voor de inzameling en het
transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of
een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;
preparaten: mengsels of oplossingen van twee of meer stoffen;
Protocol van Kyoto: op 11 december 1997 te Kyoto
totstandgekomen Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de
Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Trb. 1998, 170, en
1999, 110);
provinciaal milieubeleidsplan: het provinciale
milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 4.9;
provinciale milieucommissie: de provinciale milieucommissie,
bedoeld in artikel 2.41;
provinciale milieuverordening: de verordening, bedoeld in
artikel 1.2;
Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering:
op 9 mei 1992 te New York totstandgekomen Raamverdrag van de
Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Trb. 1992, 189);
richtlijn beheer winningsafval: richtlijn nr. 2006/21/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15
maart 2006 betreffende het beheer van afval van de
winningsindustrieën en houdende wijziging van Richtlijn nr.
2004/35/EG (PbEU L 102);
stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel
daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater
of ander afvalwater;
stikstofoxiden (NOx): stikstofmonoxide en stikstofdioxide,
uitgedrukt als stikstofdioxide;
stoffen: chemische elementen en de verbindingen ervan, zoals
deze voorkomen in natuurlijke toestand of bij de vervaardiging
ontstaan, met inbegrip van alle additieven die nodig zijn voor het
behoud van de stabiliteit ervan en alle onzuiverheden ten gevolge
van het toegepaste procédé, doch met uitzondering van elk
oplosmiddel dat kan worden afgescheiden zonder dat de stabiliteit
van de stof wordt aangetast of de samenstelling ervan wordt
gewijzigd;
storten: op of in de bodem brengen van afvalstoffen om deze
daar te laten;
verwijdering: de handelingen die zijn genoemd in bijlage II A
bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen;
vliegtuigexploitant: vliegtuigexploitant als bedoeld in artikel
3, onder o, van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten;
winningsafvalstoffen: afvalstoffen die rechtstreeks afkomstig
zijn uit de prospectie, winning, behandeling en opslag van
mineralen en de exploitatie van groeven, met uitzondering van
afvalstoffen afkomstig van offshore-prospectie, -winning en
-behandeling;
RIVM: Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu, genoemd in
de Wet op het RIVM.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen:
a. worden onder gevolgen voor het milieu in ieder geval
verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het
belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en
goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke,
natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van
de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties
daartussen;
b. worden onder gevolgen voor het milieu mede verstaan
gevolgen die verband houden met een doelmatig beheer van
afvalstoffen of een doelmatig beheer van afvalwater, gevolgen
die verband houden met het verbruik van energie en
grondstoffen, alsmede gevolgen die verband houden met het
verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting;
c. worden onder bescherming van het milieu mede verstaan de
verbetering van het milieu, de zorg voor een doelmatig beheer
van afvalstoffen of een doelmatig beheer van afvalwater, de
zorg voor een zuinig gebruik van energie en grondstoffen,
alsmede de zorg voor de beperking van de nadelige gevolgen
voor het milieu van het verkeer van personen of goederen van
en naar de inrichting.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën van
inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu
kunnen veroorzaken.
4. Elders in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
onder inrichting verstaan een inrichting, behorende tot een
categorie die krachtens het derde lid is aangewezen. Daarbij
worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming
of instelling behorende installaties die onderling technische,
organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars
onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Onze Minister kan nadere
regels stellen met betrekking tot hetgeen in deze wet en de daarop
berustende bepalingen onder inrichting wordt verstaan.
5. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. onder het zich ontdoen van afvalstoffen mede verstaan
het nuttig toepassen of verwijderen van afvalstoffen binnen de
inrichting waarin deze zijn ontstaan;
b. onder het zich door afgifte ontdoen van afvalstoffen
mede verstaan:
1°. het voor nuttige toepassing of verwijdering
brengen van afvalstoffen vanuit een inrichting naar een
elders gelegen inrichting die aan dezelfde natuurlijke of
rechtspersoon behoort;
2°. het tijdelijk voor nuttige toepassing afgeven van
afvalstoffen.
6. Bij ministeriële regeling wordt aangegeven welke stoffen,
preparaten of producten in ieder geval worden aangemerkt als
afvalstoffen, indien de houder zich daarvan ontdoet, voornemens is
zich daarvan te ontdoen of zich daarvan moet ontdoen.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kan in het belang van het
bevorderen van nuttige toepassing worden bepaald dat geen sprake
is van het zich ontdoen van afvalstoffen, indien bij die maatregel
aangewezen stoffen, preparaten of producten:
a. door de houder rechtstreeks worden afgegeven aan een
persoon die deze stoffen, preparaten of produkten geheel
toepast op een bij die maatregel aangegeven wijze;
b. voldoen aan bij die maatregel te stellen eisen.
Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de aanwijzing
van stoffen, preparaten of produkten, de wijze van toepassing en
de eisen, bedoeld in dit lid.
8. Een afvalstof wordt in ieder geval aangemerkt als
huishoudelijke afvalstof onderscheidenlijk bedrijfsafvalstof,
indien die afvalstof bij algemene maatregel van bestuur als
zodanig is aangewezen.
9. Onze Minister kan, indien naar zijn oordeel in het belang
van een doelmatig beheer van afvalstoffen een onverwijlde
voorziening noodzakelijk is, een regeling vaststellen van de in
het zevende of achtste lid bedoelde strekking. Een zodanige
regeling vervalt een jaar nadat zij in werking is getreden of,
indien binnen die termijn een algemene maatregel van bestuur ter
vervanging van die regeling in werking is getreden, op het
tijdstip waarop die maatregel in werking treedt. Onze Minister kan
de termijn bij ministeriële regeling eenmaal met ten hoogste een
jaar verlengen.
10. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de
aanwijzing van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in het eerste
lid. Tevens kan Onze Minister of een door hem aan te wijzen
instantie vaststellen dat een afvalstof, zoals die door de houder
ter beoordeling wordt aangeboden:
a. niet de eigenschappen bezit op grond waarvan deze
ingevolge bijlage III bij richtlijn nr. 91/689/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991
betreffende gevaarlijke afvalstoffen als gevaarlijke afvalstof
dient te worden aangemerkt;
b. hoewel deze niet als gevaarlijke afvalstof is
aangewezen, toch de eigenschappen bezit op grond waarvan deze
ingevolge de in onderdeel a genoemde bijlage als gevaarlijke
afvalstof dient te worden aangemerkt.
11. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat in
deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
«genetisch gemodificeerde organismen».
12. Een wijziging van de bijlagen bij richtlijn nr. 75/442/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975
betreffende afvalstoffen gaat voor de toepassing van de in het
eerste lid gegeven omschrijvingen van «afvalstoffen», «beheer
van afvalstoffen», «nuttige toepassing» en «verwijdering»
gelden met ingang van de dag waarop aan de desbetreffende
wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel
besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander
tijdstip wordt vastgesteld.
13. Een wijziging van bijlage III bij richtlijn nr. 91/689/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991
betreffende gevaarlijke afvalstoffen gaat voor de toepassing van
het tiende lid gelden met ingang van de dag waarop aan de
desbetreffende wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt,
een ander tijdstip wordt vastgesteld.
14. Een wijziging uit hoofde van artikel 20, eerste lid, van de
kaderrichtlijn water gaat voor de toepassing van deze wet gelden
met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn
uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat
in de Staatscourant of op andere geschikte wijze wordt
bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 1.1a
1.Een ieder neemt voldoende zorg voor het milieu in acht.
2.De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in
dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door
zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen
worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te
laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden
gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die
gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te
beperken of ongedaan te maken.
3.Het bepaalde in het eerste en tweede lid laat onverlet de uit
het burgerlijk recht voortvloeiende aansprakelijkheid en de
mogelijkheid van rechtspersonen als bedoeld in artikel 1, boek 2,
van het Burgerlijk Wetboek, om uit dien hoofde in rechte op te
treden.
§ 1.2. De provinciale milieuverordening
Artikel 1.2
1.Provinciale staten stellen ter bescherming van het milieu een
verordening vast.
2.De verordening bevat ten minste:
a. regels ter bescherming van de kwaliteit van het
grondwater met het oog op de waterwinning in bij de
verordening aangewezen gebieden;
b. regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder
in bij de verordening aangewezen gebieden.
3.Bij de verordening worden, voor zover dit naar het oordeel
van provinciale staten van meer dan gemeentelijk belang is,
verdere regels gesteld ter bescherming van het milieu.
4.Bij de verordening kan worden bepaald dat bij de verordening
gestelde regels slechts gelden voor een of meer daarbij aan te
wijzen delen van het grondgebied van de provincie.
5.De verordening bevat geen regels met betrekking tot de
samenstelling of eigenschappen van produkten. Ten aanzien van
gebieden die door Onze Minister in overeenstemming met Onze
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zijn aangewezen,
houdt de verordening geen regels in, die betrekking hebben op de
agrarische bedrijfsvoering.
6.De verordening kan slechts, voor zover dit uit een oogpunt
van doelmatige regelgeving bijzonder aangewezen is, regels
bevatten die rechtstreeks betrekking hebben op bij die regels
aangewezen categorieën van inrichtingen, voor zover:
a. ten aanzien van die inrichtingen de in artikel 8.1
gestelde verboden niet gelden, en die regels noodzakelijk zijn
ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het
oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen
gebieden, of
b. het regels betreft, inhoudende een verbod tot het
oprichten of in werking hebben van dergelijke inrichtingen in
gebieden als bedoeld onder a, dan wel tot het op een bij die
verordening aan te geven wijze veranderen van dergelijke
inrichtingen in die gebieden, of het veranderen van de werking
daarvan.
7.Bij de verordening kan, voor zover het gevallen betreft als
bedoeld in het zesde lid, worden bepaald dat het orgaan dat
bevoegd is een vergunning krachtens hoofdstuk 8 te verlenen, bij
het verlenen of wijzigen van de vergunning met betrekking tot de
daarbij aangegeven onderwerpen in de beperkingen waaronder de
vergunning wordt verleend of in de daaraan verbonden voorschriften
van bij de verordening gestelde regels kan afwijken. In dat geval
wordt bij de verordening aangegeven in hoeverre het bevoegd gezag
van de regels kan afwijken. Bij de verordening kan tevens worden
bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken slechts geldt in daarbij
aangegeven categorieën van gevallen.
8.Bij de vaststelling van de verordening houden provinciale
staten rekening met het geldende provinciale milieubeleidsplan.
Artikel 1.2a
Bij de provinciale milieuverordening worden geen regels gesteld,
die het naar of uit de provincie brengen van afvalstoffen beperken
of uitsluiten.
Artikel 1.3
1.Bij de provinciale milieuverordening kan worden bepaald dat
daarbij aangewezen bestuursorganen in daarbij aangegeven
categorieën van gevallen ontheffing kunnen verlenen van bij die
verordening aangewezen regels, indien het belang van de
bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
2.De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt niet met
betrekking tot inrichtingen waarvoor een vergunning krachtens
artikel 8.1 is vereist.
3.Het betrokken orgaan houdt bij de beslissing op de aanvraag
om een ontheffing in ieder geval rekening met het voor hem
geldende milieubeleidsplan.
4.Op de voorbereiding van een beschikking krachtens het eerste
lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing. Indien uit het oogpunt van bescherming van het milieu
redelijkerwijs geen zienswijzen zijn te verwachten, kan bij de
provinciale milieuverordening anders worden bepaald.
Artikel 1.3a [Treedt in werking per 01-10-2010]
1. De aanvrager van een omgevingsvergunning die betrekking
heeft op een project waarvan een activiteit deel uitmaakt waarvoor
tevens een ontheffing als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, is
vereist van:
a. regels ter bescherming van de kwaliteit van het
grondwater als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder a,
b. regels met betrekking tot activiteiten in, op, onder of
over een plaats waar de in artikel 8.49 bedoelde zorg met
betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, of
c. andere bij provinciale milieuverordening daartoe
aangewezen regels, draagt er zorg voor dat de aanvraag mede
betrekking heeft op die activiteit.
2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de
activiteit is toegestaan krachtens een ontheffing als bedoeld in
artikel 1.3, eerste lid, of voor de activiteit een zodanige
ontheffing is aangevraagd.
3. De krachtens artikel 1.3, eerste lid, aangewezen regels
gelden niet voor zover de activiteiten waarop die regels
betrekking hebben, zijn toegestaan krachtens een
omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid.
4. Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift
van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op een activiteit
als bedoeld in het eerste lid.
5. Artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is
niet van toepassing op ontheffingen die ingevolge een provinciale
milieuverordening zijn vereist.
Artikel 1.3b [Treedt in werking per 01-10-2010]
1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en paragraaf
3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn van
toepassing op de voorbereiding van de beschikking op een aanvraag
om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.3a, eerste
lid.
2. Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking
heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid,
kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend en wordt de
omgevingsvergunning geweigerd op de gronden die ten aanzien van
een ontheffing voor de activiteit zijn aangegeven in de
provinciale milieuverordening.
3. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 2.5 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht, is het tweede lid van
overeenkomstige toepassing op de beschikking met betrekking tot de
eerste en tweede fase.
4. Voor zover de omgevingsvergunning betrekking heeft op een
activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, kan deze
geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken of kunnen de daaraan
verbonden voorschriften worden gewijzigd, aangevuld of
ingetrokken, dan wel kunnen alsnog voorschriften worden verbonden
aan de omgevingsvergunning, op de gronden die ten aanzien van een
ontheffing voor die activiteit zijn aangegeven in de provinciale
milieuverordening.
5. Indien bij provinciale milieuverordening regels zijn
aangewezen als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, onder c,
worden bij de verordening regels gesteld met betrekking tot de
gegevens en bescheiden die door de aanvrager om een
omgevingsvergunning worden verstrekt met het oog op de beslissing
op de aanvraag met betrekking tot de activiteiten waarop die
regels van toepassing zijn.
Artikel 1.3c [Treedt in werking per 01-10-2010]
1. Bij de provinciale milieuverordening kunnen regels worden
gesteld inhoudende de verplichting voor het bevoegd gezag
voorschriften, die nodig zijn ter bescherming van het milieu en
waarvan de inhoud in die verordening is aangegeven, te verbinden
aan de omgevingsvergunningen voor activiteiten als bedoeld in
artikel 1.3a, eerste lid, of voor inrichtingen die behoren tot een
bij de verordening aangewezen categorie. Bij de verordening kan
worden bepaald dat de daarbij gestelde regels slechts gelden in
daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
2. Regels als bedoeld in het eerste lid kunnen niet betrekking
hebben op beslissingen inzake vergunningen ten aanzien waarvan
Onze Minister of Onze Minister van Economische Zaken het bevoegd
gezag is.
3. Bij de verordening wordt bepaald in hoeverre het bevoegd
gezag met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen van bij de
verordening gestelde regels kan afwijken of nadere eisen kan
stellen. Daarbij kan worden bepaald dat de bevoegdheid tot
afwijken of tot het stellen van nadere eisen slechts geldt in bij
de verordening aangegeven categorieën van gevallen.
4. Bij de verordening wordt voor de daarbij opgelegde
verplichtingen het tijdstip aangegeven, waarop zij met betrekking
tot de al verleende omgevingsvergunningen moeten zijn uitgevoerd.
Artikel 1.4
1.Bij de voorbereiding van het voorstel voor een provinciale
milieuverordening plegen gedeputeerde staten overleg met de niet
tot de provincie behorende bestuursorganen die het aangaat.
2.Gedeputeerde staten stellen de provinciale milieucommissie in
de gelegenheid over het ontwerp van een verordening advies uit te
brengen.
3.Van een besluit tot vaststelling of wijziging van de
verordening wordt door gedeputeerde staten mededeling gedaan door
toezending aan Onze Minister.
Hoofdstuk 2. Adviesorganen
§ 2.1. De Nederlandse emissieautoriteit
Artikel 2.1 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 2.2
1.De emissieautoriteit heeft de in de hoofdstukken 16 en 18
opgedragen taken.
2.De emissieautoriteit heeft voorts tot taak:
a. het bijhouden van gegevens en het opstellen van
rapportages met betrekking tot de naleving door Nederland van
een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland
verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dat
de beperking van de emissies van broeikasgassen of
stikstofoxiden in de lucht tot doel heeft;
b. het verzamelen van gegevens over technieken ter bepaling
van de emissies van broeikasgassen of stikstofoxiden, waarop
titel 16.2 onderscheidenlijk titel 16.3 van toepassing is;
c. het verzamelen van andere gegevens die met het oog op de
uitoefening van haar taken van belang zijn;
d. het rapporteren aan Onze Minister en aan andere bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen instanties over de
ontwikkeling van de onder a bedoelde emissies in Nederland.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kan de emissieautoriteit,
voorzover die taken niet de uitoefening van openbaar gezag
inhouden, worden belast met andere taken dan in het eerste of
tweede lid bedoeld, in het bijzonder taken betreffende de
uitvoering door Nederland van een voor Nederland verbindend
verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een
volkenrechtelijke organisatie, dat de beperking van de emissies
van broeikasgassen of stikstofoxiden in de lucht tot doel heeft.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten
aanzien van de inhoud van de taken van de emissieautoriteit nadere
regels worden gesteld.
Artikel 2.3 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 2.4 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 2.5 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 2.6 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 2.7 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 2.8 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 2.9 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 2.10 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 2.11 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 2.12 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 2.13 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 2.14 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 2.15 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 2.16 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 2.16a
Onverminderd de artikelen 16.8 en 18.3 stemmen het bestuur van de
emissieautoriteit en de betrokken andere bestuursorganen, bedoeld in
artikel 2.16, eerste lid, onderling de uitoefening van de taken af,
waarmee zij zijn belast bij of krachtens de hoofdstukken 8, 16 of 18
van deze wet of artikel 40 van de Mijnbouwwet.
Artikel 2.16b
De emissieautoriteit draagt op de voet van de ter zake voor de
Rijksdienst geldende voorschriften zorg voor de nodige technische en
organisatorische voorzieningen ter beveiliging van haar gegevens
tegen verlies of aantasting en tegen onbevoegde kennisneming,
wijziging en verstrekking van die gegevens.
Artikel 2.16c [Treedt in werking op een nader te bepalen
tijdstip]
Onze Minister zendt elke vijf jaar een verslag aan beide kamers
van de Staten-Generaal ten behoeve van de beoordeling van de
doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van de
emissieautoriteit.
§ 2.2. De Commissie voor de milieueffectrapportage
Artikel 2.17
1. Er is een Commissie voor de milieueffectrapportage.
2. De commissie heeft tot taak het bevoegd gezag overeenkomstig
artikel 7.12, eerste lid, dan wel artikel 7.32, vijfde lid, in
samenhang met artikel 7.12, eerste lid, van advies te dienen met
betrekking tot milieueffectrapporten.
Artikel 2.18
De commissie brengt elk jaar aan Onze Minister, Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap een verslag uit van haar werkzaamheden. Onze
Ministers maken het verslag openbaar.
Artikel 2.19
1. De commissie bestaat uit leden die deskundig zijn op het
gebied van de beschrijving, de bescherming en de verontreiniging
en aantasting van het milieu en op het gebied van de
overeenkomstig de artikelen 7.2 en 7.6 aangewezen activiteiten.
2. De voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters
van de commissie worden door Ons, op gezamenlijke voordracht van
Onze Minister, Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap, benoemd en ontslagen. De voordracht tot benoeming van
de voorzitter geschiedt in overeenstemming met het gevoelen van de
ministerraad.
3. De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter of
plaatsvervangende voorzitters kunnen te allen tijde ontslag nemen
door een schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister, Onze
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
4. De overige leden van de commissie worden benoemd en
ontslagen door de voorzitter van de commissie voor de tijd van
vijf jaren en zijn terstond wederbenoembaar. Zij kunnen te allen
tijde ontslag nemen door een schriftelijke kennisgeving aan de
voorzitter.
Artikel 2.20 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 2.21
1. Zodra de commissie in de gelegenheid wordt gesteld advies
uit te brengen met betrekking tot een milieueffectrapport, stelt
de voorzitter, na overleg met de plaatsvervangende voorzitters,
uit de leden van de commissie een werkgroep samen, die aan het
bevoegd gezag advies uitbrengt. De voorzitter of de door hem
aangewezen plaatsvervangende voorzitter van de commissie is
voorzitter van de werkgroep.
2. Als lid van een werkgroep worden slechts leden van de
commissie aangewezen, die niet rechtstreeks betrokken zijn of zijn
geweest bij de activiteit of bij de alternatieven daarvoor, als
bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, onder b, onderscheidenlijk
artikel 7.23, eerste lid, onder b, of bij een plan
onderscheidenlijk een besluit bij de voorbereiding waarvan het
milieueffectrapport wordt of zou moeten worden gemaakt.
3. Indien een lid van een werkgroep niet meer voldoet aan het
in het tweede lid gestelde vereiste, ontheft de voorzitter van de
werkgroep hem, na overleg met de voorzitter van de commissie, van
zijn lidmaatschap van de werkgroep.
4. De werkgroep kan zich doen bijstaan door deskundigen die
geen lid zijn van de commissie. Het tweede en derde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
5. De voorzitter van de commissie deelt aan het bevoegd gezag
en aan degene die het milieueffectrapport maakt of zou moeten
maken, mede uit welke leden van de commissie de werkgroep bestaat
en door welke deskundigen zij zich doet bijstaan.
Artikel 2.22
1. De adviezen worden uitgebracht in overeenstemming met het
gevoelen van de meerderheid van de leden van de werkgroep.
2. Op verzoek van de leden die in de werkgroep een standpunt
hebben verdedigd, dat afwijkt van het gevoelen van de meerderheid,
wordt dat standpunt in het advies vermeld. Deze leden kunnen
omtrent een zodanig standpunt een afzonderlijke nota bij het
advies voegen.
Artikel 2.23
De commissie heeft een secretaris, die door de voorzitter wordt
benoemd en ontslagen, de commissie gehoord. De commissie heeft een
bureau, dat onder leiding staat van de secretaris.
Artikel 2.24
De commissie stelt nadere regels betreffende haar werkwijze en
zendt deze aan Onze Minister.
§ 2.3. De Commissie genetische modificatie
Artikel 2.25 [Vervallen per 01-06-2007]
Artikel 2.26
Er is een Commissie genetische modificatie.
Artikel 2.27
1.De commissie heeft tot taak:
a. Onze Minister te adviseren over kennisgevingen en
aanvragen om vergunning met betrekking tot het vervaardigen
van of handelen met genetisch gemodificeerde organismen en
over veiligheidsmaatregelen die in het kader daarvan moeten
worden getroffen ter bescherming van mens en milieu;
b. het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het verlenen van
vergunningen krachtens artikel 8.1, te adviseren over
aanvragen om vergunning met betrekking tot bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen inrichtingen voor zover die
aanvragen betrekking hebben op het vervaardigen van of
handelen met genetisch gemodificeerde organismen;
c. het bestuursorgaan dat belast is met het toezicht op het
vervaardigen van of handelen met genetisch gemodificeerde
organismen, te adviseren met betrekking tot dat toezicht.
2.Op verzoek van Onze Minister of Onze Minister wie het
aangaat, of uit eigen beweging informeert de commissie Onze
betrokken Minister indien aan het vervaardigen van of aan
handelingen met genetisch gemodificeerde organismen ethische of
maatschappelijke aspecten zijn verbonden die naar het oordeel van
de commissie van belang zijn.
Artikel 2.28
Onze Minister en Onze Ministers wie het mede aangaat, dragen er
zorg voor dat de commissie op de hoogte wordt gehouden ten aanzien
van het beleid op het terrein van het vervaardigen van of van
handelingen met genetisch gemodificeerde organismen.
Artikel 2.29
Telkens binnen een termijn van vier jaren brengt de commissie een
rapport uit aan Onze Minister, waarin ten minste de taak, de
samenstelling, de inrichting en werkwijze van de commissie aan een
onderzoek worden onderworpen en voorstellen kunnen worden gedaan
voor gewenste veranderingen. Onze Minister zendt dit rapport,
voorzien van zijn standpunt, aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 2.30
1.De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste
vijftien en ten hoogste twintig andere leden.
2.De voorzitter en de andere leden van de commissie worden
benoemd op grond van hun deskundigheid op het gebied van het
vervaardigen van of van handelingen met genetisch gemodificeerde
organismen en de mogelijke gevolgen daarvan voor mens en milieu,
daarbij inbegrepen de ecologische gevolgen en de daarbij te nemen
veiligheidsmaatregelen.
Artikel 2.31
1.De voorzitter van de commissie wordt door Onze Minister
benoemd. Onze Minister hoort de commissie alvorens hij de
voorzitter benoemt.
2.Onze Minister benoemt ten minste veertien en ten hoogste
negentien andere leden van de commissie.
3.De voorzitter en de leden worden voor de tijd van vier jaren
benoemd. Zij zijn terstond weer benoembaar.
4.De voorzitter en de leden kunnen te allen tijde hun functie
neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister.
5.Onze Minister kan in bijzondere gevallen de voorzitter en de
andere leden in hun functie schorsen en uit hun functie ontslaan.
Artikel 2.32
1.De commissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend
voorzitter aan.
2.De plaatsvervangend voorzitter kan te allen tijde zijn
functie neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan de
voorzitter.
3.In bijzondere gevallen kan de commissie de plaatsvervangend
voorzitter in zijn functie schorsen en uit zijn functie ontslaan.
Artikel 2.33
1.De commissie wordt bijgestaan door een secretaris. Aan de
secretaris kan een adjunct-secretaris worden toegevoegd.
2.De secretaris en de adjunct-secretaris worden door Onze
Minister benoemd, in hun functie geschorst en uit hun functie
ontslagen, de commissie gehoord.
3.De secretaris is geen lid van de commissie.
4.De secretaris is voor de uitoefening van zijn taak
uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie.
5.Onze Minister kan voorzien in een bureau voor de commissie,
dat onder leiding staat van de secretaris.
Artikel 2.34
1.De commissie kan voor bepaalde onderwerpen subcommissies
instellen.
2.De voorzitter van een subcommissie wordt door de commissie
uit haar midden benoemd.
Artikel 2.35
1.De commissie en haar subcommissies kunnen zich bij hun
werkzaamheden doen bijstaan door personen die geen lid zijn van de
commissie.
2.Onze Minister en Onze Ministers van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kunnen, ieder voor hun
ministerie, ambtenaren aanwijzen, die bevoegd zijn tot het
bijwonen van de door de commissie en haar subcommissies te houden
vergaderingen, met dien verstande dat in de vergaderingen van de
commissie voor ieder van die ministeries ten hoogste één
ambtenaar aanwezig is.
Artikel 2.36
1.De vergaderingen van de commissie zijn openbaar. De commissie
stelt bij haar in artikel 2.40 bedoelde besluit regels betreffende
de openbaarheid van de vergaderingen van de subcommissies.
2.Een vergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in
gevallen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet
openbaarheid van bestuur en in gevallen waarin het belang van
openbaarheid niet opweegt tegen de in artikel 10, tweede lid, van
die wet genoemde belangen.
Artikel 2.37
1.De adviezen van de commissie worden uitgebracht
overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van de vergadering.
2.Ter vergadering ingebrachte minderheidsstandpunten worden in
of bij de adviezen vermeld.
Artikel 2.38
De commissie houdt de op de door haar uitgebrachte adviezen
betrekking hebbende voorbereidende stukken ter beschikking van Onze
Minister en van de bestuursorganen, bedoeld in artikel 2.27, eerste
lid, onder b en c .
Artikel 2.39
1.De voorzitter van de commissie pleegt ten minste eenmaal per
jaar overleg met Onze Minister over de door de commissie
voorgenomen werkzaamheden voor de komende twaalf maanden. De
commissie stelt vervolgens het programma van haar werkzaamheden
vast en zendt dit aan Onze Minister.
2.Ten behoeve van de voorbereiding van het in het eerste lid
bedoelde overleg stelt de commissie een overzicht van de door haar
voorgenomen werkzaamheden op en legt dit tijdig aan Onze Minister
voor. De commissie voegt bij het overzicht een raming van de met
de uitvoering van de werkzaamheden gepaard gaande kosten.
3.De commissie oefent haar werkzaamheden uit binnen het raam
van de middelen welke haar jaarlijks ingevolge de begrotingswet
ter beschikking worden gesteld.
Artikel 2.40
De commissie stelt nadere regels betreffende haar werkwijze en de
werkwijze van haar subcommissies en zendt deze aan Onze Minister.
§ 2.4. De provinciale milieucommissie
Artikel 2.41
1.Provinciale staten en gedeputeerde staten stellen
overeenkomstig artikel 82 van de Provinciewet gezamenlijk een
provinciale milieucommissie in, die door provinciale staten en
gedeputeerde staten vooraf wordt gehoord over maatregelen en
plannen, die van betekenis zijn voor het provinciale milieubeheer.
2.Provinciale staten en gedeputeerde staten benoemen elk een
gelijk aantal leden.
3.De inspecteur is ambtshalve lid van de commissie.
Hoofdstuk 3. Internationale zaken
Artikel 3.1
[Gereserveerd.]
Hoofdstuk 4. Plannen
§ 4.1. Algemeen
Artikel 4.1
In dit hoofdstuk wordt onder Onze Ministers verstaan: Onze
Minister, te zamen met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Economische Zaken, en van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor zover het onderdelen van het
milieubeleid betreft, die tot hun verantwoordelijkheid behoren.
Artikel 4.1a
1.Indien ter uitvoering van een voor Nederland verbindend
besluit van een volkenrechtelijke organisatie een plan of
programma moet worden vastgesteld waarvoor geen grondslag in de
wet is opgenomen en ten aanzien waarvan ingevolge artikel 2,
tweede lid, van richtlijn nr. 2003/35/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak
van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s
betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het
publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de
Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU L 156) in
inspraak van het publiek moet worden voorzien, is op de
voorbereiding van dat plan of programma afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De eerste volzin is van
overeenkomstige toepassing op een herziening van een plan of
programma.
2.Zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Algemene wet
bestuursrecht kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
3.Een wijziging van de in het eerste lid genoemde richtlijn of
van een bijlage bij die richtlijn gaat voor de toepassing van dit
hoofdstuk gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij een besluit van
Onze Minister, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 4.1b
1. Voorzover op de voorbereiding van een in deze wet voorzien
plan of programma dat wordt genoemd in bijlage I bij richtlijn nr.
2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003
tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van
bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu en, met
betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter,
tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de
Raad (PbEU L 156), de procedure van toepassing is die is
voorgeschreven in hoofdstuk 7, geldt uitsluitend die procedure en
blijven de bepalingen die terzake in andere hoofdstukken,
onderscheidenlijk in deze wet, zijn opgenomen, voorzover nodig
buiten toepassing.
2. Een wijziging van bijlage I bij de in het eerste lid
genoemde richtlijn gaat voor de toepassing van dit hoofdstuk
gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging
uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij een besluit van Onze
Minister, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander
tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 4.2
1.Het RIVM brengt eenmaal in de vier jaar aan Onze Minister een
wetenschappelijk rapport uit, waarin de ontwikkeling van de
kwaliteit van het milieu wordt beschreven over een door Onze
Minister aan te geven periode van ten minste de eerstvolgende tien
jaar. In ieder geval wordt die ontwikkeling beschreven, uitgaande
van de voor die periode meest waarschijnlijke ontwikkeling van de
omstandigheden die daarvoor van belang zijn. Tevens worden in het
rapport beschrijvingen opgenomen, die telkens uitgaan van andere
ontwikkelingen van die omstandigheden, die zich, naar
redelijkerwijs kan worden verondersteld, in de betrokken periode
zouden kunnen voordoen. Het rapport wordt uitgebracht ten minste 6
maanden en ten hoogste 12 maanden voordat Onze Ministers het
eerstvolgende nationale milieubeleidsplan vaststellen. Om aan deze
verplichting te kunnen voldoen in gevallen waarin de geldingsduur
van een nationaal milieubeleidsplan met toepassing van artikel
4.6, tweede lid, wordt verlengd, kan worden afgeweken van de in de
eerste volzin gestelde termijn van vier jaar.
2.Het RIVM brengt jaarlijks aan Onze Minister een
wetenschappelijk rapport uit, waarin de ontwikkeling van de
kwaliteit van het milieu wordt beschreven, die het resultaat is
van de uitvoering van de beleidsmaatregelen die van invloed zijn
op die kwaliteit en die in het jaar waarop het rapport betrekking
heeft, van kracht waren. Daarbij wordt in ieder geval aangegeven
in hoeverre die maatregelen hebben bijgedragen aan de
verwezenlijking van de resultaten, waarvan in het geldende
nationale milieubeleidsplan is aangegeven dat zij voor het
betrokken jaar zijn beoogd. Tevens wordt aangegeven hoe de
beschreven ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu zich
verhoudt tot de ontwikkeling daarvan die is beschreven in de
overeenkomstige eerder uitgebrachte rapporten. Indien zich
onvoorzien een omstandigheid voordoet die belangrijke gevolgen kan
hebben voor de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu op
langere termijn, en Onze Minister daarom verzoekt, neemt het RIVM
in een rapport tevens een beschrijving op van die ontwikkeling die
daarvan het resultaat kan zijn.
3.Onze Minister wijst, te zamen met - ieder voor zover het hem
aangaat - Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van
Economische Zaken, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, overheidsinstellingen aan, die
door het RIVM in ieder geval worden betrokken bij het opstellen
van de rapporten. Een overheidsinstelling komt voor aanwijzing
slechts in aanmerking indien zij in staat is naar organisatie,
personeel en uitrusting de voor het opstellen van de rapporten
nodige werkzaamheden op passend wetenschappelijk niveau te
verrichten.
4.Onze Minister kan, te zamen met - ieder voor zover het hem
aangaat - Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van
Economische Zaken, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, regels stellen ten aanzien van
de wijze waarop de krachtens het derde lid aangewezen
overheidsinstellingen bij het opstellen van de rapporten worden
betrokken.
Artikel 4.2a
1.Onze Minister kan aanwijzingen geven omtrent veronderstelde
ontwikkelingen die in ieder geval als grondslag voor
beschrijvingen als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, moeten
worden aangenomen. Hij kan tevens aanwijzingen geven omtrent
onderwerpen die in ieder geval in een rapport, als bedoeld in dat
artikellid, moeten worden beschreven.
2.Behoudens het in het artikel 4.2, tweede lid, vierde volzin,
en in het eerste lid van dit artikel bepaalde, geven Onze
betrokken Ministers het RIVM en de krachtens artikel 4.2, derde
lid, aangewezen instellingen geen aanwijzingen met betrekking tot
de inhoud van de rapporten.
3.Onze Minister zendt de rapporten aan de Staten-Generaal; een
rapport als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, voor of
gelijktijdig met het eerstvolgende nationale milieubeleidsplan;
een rapport als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, voor of
gelijktijdig met het eerstvolgende nationale milieuprogramma. Het
RIVM draagt ervoor zorg dat de rapporten algemeen verkrijgbaar
worden gesteld.
Artikel 4.2b
Ten behoeve van het opstellen van milieubeleidsplannen en van
milieuprogramma’s verschaffen de onderscheidene overheidsorganen
elkaar desgevraagd alle inlichtingen en gegevens, waarover zij
kunnen beschikken, voor zover die voor dat opstellen redelijkerwijs
noodzakelijk zijn.
§ 4.2. Het nationale milieubeleidsplan
Artikel 4.3
1. Onze Ministers stellen ten minste eenmaal in de vier jaar
een nationaal milieubeleidsplan vast, dat met het oog op de
bescherming van het milieu richting geeft aan van rijkswege in de
eerstvolgende vier jaar te nemen beslissingen, en dat naar
verwachting tevens richting zal kunnen geven aan in de daarop
volgende vier jaar te nemen beslissingen.
2. Het plan bevat de hoofdzaken van het door de regering te
voeren milieubeleid, dat in het bijzonder is gericht op een
ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige
generatie, zonder daarmee voor toekomstige generaties de
mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te
voorzien, en op het bereiken van een zo hoog mogelijk niveau van
bescherming van het milieu als redelijkerwijze te bereiken is. De
mogelijke ontwikkelingen in de samenleving en de gewenste
kwaliteit van het milieu op lange termijn, alsmede de daarvoor van
belang zijnde internationale ontwikkelingen, worden in het plan in
beschouwing genomen.
3. Tot deze hoofdzaken behoren ten minste:
a. de in de betrokken periode van acht jaar en, voor zover
deze redelijkerwijze zijn aan te geven, de in de eerstvolgende
vier jaar beoogde resultaten inzake de kwaliteit van de
onderscheidene onderdelen van het milieu;
b. de in de betrokken periode van acht jaar en, voor zover
deze redelijkerwijze zijn aan te geven, de in de eerstvolgende
vier jaar beoogde resultaten inzake het voorkomen, beperken of
ongedaan maken van gevolgen van menselijke activiteiten die
het milieu verontreinigen, aantasten of uitputten;
c. de aanduiding van gebieden waarin de kwaliteit van het
milieu of van een of meer onderdelen daarvan bijzondere
bescherming behoeft;
d. de wijze waarop het bereiken en instandhouden van de
onder a , b en c bedoelde resultaten zal worden nagestreefd en
de termijnen die daarbij zullen worden gehanteerd, alsmede de
mate van prioriteit die aan het bereiken van die resultaten
wordt gegeven;
e. de redelijkerwijze te verwachten financiële,
economische en ruimtelijke gevolgen van het te voeren
milieubeleid.
4. In het plan geven Onze Ministers voorts aan in hoeverre het
voorgenomen beleid is afgestemd op, dan wel leidt tot aanpassing
van het nationale waterbeleid en het nationale natuurbeleid, en in
hoeverre en binnen welke termijn zij voornemens zijn het nationale
waterplan, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Waterwet,
respectievelijk het Natuurbeleidsplan, bedoeld in artikel 4 van de
Natuurbeschermingswet 1998 te herzien. Met het geldende nationale
milieubeleidsplan wordt tevens rekening gehouden bij de
vaststelling van beleid op andere beleidsterreinen, voor zover
daarbij het belang van de bescherming van het milieu wordt
geraakt.
Artikel 4.4
1.Onze Ministers betrekken bij de voorbereiding van het
nationale milieubeleidsplan de naar hun oordeel bij de te
behandelen onderwerpen meest belanghebbende bestuursorganen,
instellingen en organisaties. Daartoe behoren in elk geval
gedeputeerde staten van de provincies.
2.Op de voorbereiding van het nationale milieubeleidsplan is
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
Artikel 4.5
1.Zodra het nationale milieubeleidsplan is vastgesteld, doen
Onze Ministers hiervan mededeling door overlegging van het plan
aan de Staten-Generaal en door toezending ervan aan gedeputeerde
staten van de provincies.
2.Onze Minister maakt de vaststelling bekend in de
Staatscourant. Hierbij geeft hij aan op welke wijze kennis kan
worden gekregen van de inhoud van het plan.
Artikel 4.6
1. Het nationale milieubeleidsplan geldt met ingang van een bij
besluit van Onze Ministers vast te stellen tijdstip. Een besluit
als bedoeld in de eerste volzin, wordt niet eerder genomen dan
acht weken nadat het plan ingevolge artikel 4.5, eerste lid, is
overgelegd aan de Staten-Generaal. Indien door of namens een der
kamers der Staten-Generaal binnen acht weken nadat het plan is
overgelegd, te kennen wordt gegeven dat zij over het plan in het
openbaar wil beraadslagen, wordt een besluit als bedoeld in de
eerste volzin, niet eerder genomen dan zes maanden na de
overlegging van het plan, dan wel, indien de beraadslagingen op
een eerder tijdstip zijn beëindigd, na die beraadslagingen. Onze
Ministers stellen de Staten-Generaal schriftelijk op de hoogte van
de gevolgtrekkingen die zij aan de beraadslagingen verbinden voor
het nationale milieubeleid en voor de uitvoering van het plan.
Onze Minister maakt een besluit als bedoeld in de eerste volzin,
bekend in de Staatscourant en vermeldt daarbij de gevolgtrekkingen
die aan de Staten-Generaal zijn meegedeeld.
2. Het plan geldt, behoudens ingeval eerder een nieuw plan is
vastgesteld, voor een tijdvak van vier jaar. Onze Ministers kunnen
de geldingsduur van het plan eenmaal met ten hoogste twee jaar
verlengen. Onze Minister doet mededeling van een besluit als
bedoeld in de tweede volzin, door overlegging van het besluit aan
de Staten-Generaal en maakt het bekend in de Staatscourant.
3. De organen van het Rijk houden in elk geval rekening met het
geldende nationale milieubeleidsplan bij het nemen van een besluit
dat daartoe is aangewezen in deze wet, en bij het nemen van een
besluit krachtens een wet, genoemd in bijlage 1, voor zover
daarbij het belang van de bescherming van het milieu in
beschouwing moet of kan worden genomen.
4. Het derde lid is niet van toepassing op besluiten:
a. met betrekking tot het nationale waterplan, bedoeld in
artikel 4.1, eerste lid, van de Waterwet;
b. die door een orgaan van het Rijk worden genomen in de
plaats van een orgaan van een ander openbaar lichaam, wegens
het in gebreke blijven van dat orgaan.
5. Voor de toepassing van het derde lid worden gevolgtrekkingen
die overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid aan de
Staten-Generaal zijn meegedeeld, aangemerkt als onderdeel van het
plan.
§ 4.3. Het nationale milieuprogramma
Artikel 4.7
1.Onze Ministers stellen jaarlijks een nationaal
milieuprogramma vast.
2.Het programma bevat ten minste:
a. een programma van van rijkswege in de eerstvolgende vier
jaar te verrichten activiteiten ter bescherming van het
milieu;
b. een programma voor de vaststelling en herziening van
milieukwaliteitseisen krachtens artikel 5.1, eerste lid, onder
aanduiding van de daarbij beoogde resultaten;
c. een overzicht van de in de onderscheidene
begrotingshoofdstukken opgenomen begrotingsposten op het
gebied van het milieubeheer, alsmede een aanduiding van de
financiële gevolgen van de onder a bedoelde activiteiten voor
het Rijk voor de volgende jaren;
d. een verslag van de voortgang van de uitvoering van het
geldende nationale milieubeleidsplan.
3.Bij de vaststelling van het programma houden Onze Ministers
rekening met het geldende nationale milieubeleidsplan.
4.Op de voorbereiding van het nationale milieuprogramma is
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
Artikel 4.8
1.Onze Minister maakt het nationale milieuprogramma bekend door
het bij de aanbieding van de rijksbegroting over te leggen aan de
Staten-Generaal.
2.Onze Minister doet van het programma mededeling door
toezending aan gedeputeerde staten van de provincies.
§ 4.4. Het provinciale milieubeleidsplan
Artikel 4.9
1. Provinciale staten stellen ten minste eenmaal in de vier
jaar een provinciaal milieubeleidsplan vast, dat met het oog op de
bescherming van het milieu richting geeft aan in de eerstvolgende
vier jaar te nemen beslissingen van provinciale staten en
gedeputeerde staten en van bestuursorganen waaraan provinciale
bevoegdheden zijn gedelegeerd bij de uitoefening waarvan met het
plan rekening moet worden gehouden, en dat naar verwachting tevens
richting zal kunnen geven aan in de daarop volgende vier jaar te
nemen beslissingen.
2. Het plan bevat de hoofdzaken van het door provinciale staten
en gedeputeerde staten te voeren milieubeleid.
3. Tot deze hoofdzaken behoren ten minste:
a. de in de betrokken periode van acht jaar en, voor zover
deze redelijkerwijze zijn aan te geven, de in de eerstvolgende
vier jaar beoogde resultaten inzake de kwaliteit van de
onderscheidene onderdelen van het milieu, mede gelet op de
krachtens of overeenkomstig artikel 5.1, eerste lid,
vastgestelde grenswaarden en richtwaarden en de in bijlage 2
opgenomen luchtkwaliteitseisen;
b. de in de betrokken periode van acht jaar en, voor zover
deze redelijkerwijze zijn aan te geven, de in de eerstvolgende
vier jaar beoogde resultaten inzake het voorkomen, beperken of
ongedaan maken van gevolgen van menselijke activiteiten die
het milieu verontreinigen, aantasten of uitputten;
c. de aanduiding van gebieden waarin de kwaliteit van het
milieu of van een of meer onderdelen daarvan bijzondere
bescherming behoeft;
d. de wijze waarop het bereiken en instandhouden van de
onder a, b en c bedoelde resultaten door de in het eerste lid
bedoelde bestuursorganen zal worden nagestreefd en de
termijnen die daarbij zullen worden gehanteerd, alsmede de
mate van prioriteit die aan het bereiken van die resultaten
wordt gegeven;
e. de redelijkerwijze te verwachten financiële en
economische gevolgen van het te voeren milieubeleid.
4. Tot de gebieden, bedoeld in het derde lid, onder c, behoren
ten minste:
a. de gebieden die krachtens de Natuurbeschermingswet zijn
aangewezen als beschermd natuurmonument,
b. de gebieden die zijn aangewezen ter uitvoering van de
Overeenkomst inzake watergebieden van internationale
betekenis, in het bijzonder als verblijfplaats voor
watervogels (Conventie van Ramsar, Trb. 1975, 84), en
c. de archeologische attentiegebieden, die zijn aangewezen
op grond van artikel 44 van de Monumentenwet 1998
behoudens voor zover bij die aanwijzing anders is bepaald.
5. In het plan geven provinciale staten voorts aan in hoeverre
het voorgenomen beleid is afgestemd op, dan wel leidt tot
aanpassing van het regionale waterbeleid, het provinciale
ruimtelijk beleid of het provinciale verkeers- en vervoerbeleid en
in hoeverre en binnen welke termijn zij voornemens zijn het
geldende regionale waterplan, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid,
van de Waterwet, een of meer geldende structuurvisies als bedoeld
in artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening of het geldende
provinciale verkeers- en vervoerplan als bedoeld in artikel 5 van
de Planwet verkeer en vervoer, te herzien.
Artikel 4.10
1.Het provinciale milieubeleidsplan wordt voorbereid door
gedeputeerde staten.
2.Gedeputeerde staten betrekken bij de voorbereiding van het
plan de naar hun oordeel bij de te behandelen onderwerpen meest
belanghebbende overheidsorganen. Daartoe behoren in elk geval:
a. gedeputeerde staten van de aangrenzende provincies,
b. de bestuursorganen waaraan provinciale bevoegdheden zijn
gedelegeerd bij de uitoefening waarvan met het plan rekening
moet worden gehouden, en
c. Onze Minister.
3.Gedeputeerde staten betrekken bij de voorbereiding van het
plan voorts de ingezetenen en belanghebbenden, op de wijze
voorzien in de krachtens artikel 147 van de Provinciewet
vastgestelde verordening.
Artikel 4.11
1.Zodra het provinciale milieubeleidsplan is vastgesteld, doen
gedeputeerde staten hiervan mededeling door toezending van het
plan aan Onze Minister en aan de bestuursorganen waaraan
provinciale bevoegdheden zijn gedelegeerd bij de uitoefening
waarvan met het plan rekening moet worden gehouden.
2.Gedeputeerde staten maken de vaststelling bekend in de
Staatscourant. Hierbij geven zij aan op welke wijze kennis kan
worden gekregen van de inhoud van het plan.
Artikel 4.12
1. Het provinciale milieubeleidsplan geldt, behoudens ingeval
eerder een nieuw plan is vastgesteld, voor een tijdvak van vier
jaar nadat de vaststelling ervan overeenkomstig artikel 4.11,
tweede lid, is bekendgemaakt.
2. Provinciale staten kunnen de geldingsduur van het plan
eenmaal met ten hoogste twee jaar verlengen. Gedeputeerde staten
doen mededeling van een besluit als bedoeld in de eerste volzin,
door toezending daarvan aan Onze Minister en aan de
bestuursorganen waaraan provinciale bevoegdheden zijn gedelegeerd
bij de uitoefening waarvan met het plan rekening moet worden
gehouden. Zij maken het bekend in de Staatscourant.
3. Provinciale staten en gedeputeerde staten houden in elk
geval rekening met het geldende provinciale milieubeleidsplan bij
het nemen van een besluit dat daartoe is aangewezen in deze wet,
en bij het nemen van een besluit krachtens een wet, genoemd in
bijlage 1, voor zover daarbij het belang van de bescherming van
het milieu in beschouwing moet of kan worden genomen.
4. Het derde lid is niet van toepassing op besluiten:
a. met betrekking tot een regionaal waterplan als bedoeld
in artikel 4.4, eerste lid, van de Waterwet;
b. die door provinciale staten of gedeputeerde staten
worden genomen in de plaats van een orgaan van een ander
openbaar lichaam, wegens het in gebreke blijven van dat
orgaan.
5. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op
besluiten:
a. die door een orgaan van een ander openbaar lichaam
worden genomen in de plaats van provinciale staten of
gedeputeerde staten wegens het in gebreke blijven van
provinciale staten onderscheidenlijk gedeputeerde staten;
b. krachtens een provinciale bevoegdheid die aan een orgaan
van een ander openbaar lichaam is overgedragen.
Artikel 4.13
1.Onze Ministers kunnen, voor zover dat in het algemeen belang
geboden is, gedeputeerde staten gehoord, aan provinciale staten
aanwijzingen geven omtrent de inhoud van het provinciale
milieubeleidsplan. Bij een aanwijzing wordt een termijn gesteld,
binnen welke het plan in overeenstemming met de aanwijzing moet
zijn gebracht.
2.Bij het geven van een aanwijzing houden Onze Ministers
rekening met het geldende nationale milieubeleidsplan en het
geldende afvalbeheersplan.
3.Onze Minister doet van het besluit, houdende de aanwijzing,
mededeling door overlegging van het besluit aan de Staten-Generaal
en door plaatsing ervan in de Staatscourant.
§ 4.5. Het provinciale milieuprogramma
Artikel 4.14
1.Gedeputeerde staten stellen jaarlijks een provinciaal
milieuprogramma vast.
2.Het programma bevat ten minste:
a. een programma van door gedeputeerde staten in de
eerstvolgende vier jaar te verrichten activiteiten ter
bescherming van het milieu, daaronder begrepen:
1°. een overzicht van onderzoeksgevallen en gevallen
van ernstige verontreiniging als bedoeld in artikel 1 van
de Wet bodembescherming, alsmede, met betrekking tot die
gevallen, een overzicht van de door of vanwege
gedeputeerde staten, onderscheidenlijk van de aan
gedeputeerde staten bekende door anderen in de
eerstvolgende vier jaren te verrichten activiteiten en een
aanduiding van het tijdstip waarop met het onderzoek of de
sanering van die gevallen zal of dient worden aangevangen;
2°. een overzicht van de in de volgende vier jaren
noodzakelijke maatregelen tot bestrijding van de
geluidhinder;
b. een overzicht van de financiële gevolgen van de onder
a, onder 2°, bedoelde activiteiten, met inbegrip van de
subsidies die met het oog daarop aan het Rijk worden gevraagd;
c. een verslag van de voortgang van de uitvoering van het
geldende provinciale milieubeleidsplan.
3.Bij de vaststelling van het programma houden gedeputeerde
staten rekening met het geldende provinciale milieubeleidsplan.
Artikel 4.15
1.Artikel 4.10, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
2.Gedeputeerde staten maken het programma bekend door het bij
het ontwerp van de begroting over te leggen aan provinciale
staten. Zij doen gelijktijdig mededeling van het programma door
toezending aan Onze Minister.
3.Artikel 4.11, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 4.5a. Het regionale milieubeleidsplan
Artikel 4.15a
1.Het algemeen bestuur van een plusregio als bedoeld in artikel
104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen die de gemeente of
gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond,
Enschede en Hengelo, ’s-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat,
kan een regionaal milieubeleidsplan vaststellen, dat met het oog
op de bescherming van het milieu richting geeft aan beslissingen
tot het nemen waarvan de bevoegdheid bij of krachtens de wet aan
een orgaan van dat lichaam is toegekend.
2.De artikelen 4.13, 4.16, tweede lid, 4.17, 4.18 en 4.19 zijn
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat naast de in
artikel 4.17, tweede lid, genoemde bestuursorganen ook
burgemeester en wethouders van de in de plusregio gelegen
gemeenten bij de voorbereiding van het plan worden betrokken.
§ 4.5b. Het regionale milieuprogramma
Artikel 4.15b
1.Het dagelijks bestuur van een plusregio als bedoeld in
artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen die de
gemeente of gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en
Helmond, Enschede en Hengelo, ’s-Gravenhage, Rotterdam of
Utrecht omvat, stelt jaarlijks een milieuprogramma vast.
2.De artikelen 4.20, tweede en derde lid, en 4.21 zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het programma
naast de in artikel 4.20, tweede lid, genoemde onderdelen ook een
verslag van de voortgang van de uitvoering van het geldende
regionale milieubeleidsplan bevat.
§ 4.6. Het gemeentelijke milieubeleidsplan
Artikel 4.16
1.De gemeenteraad kan een gemeentelijk milieubeleidsplan
vaststellen, dat met het oog op de bescherming van het milieu
richting geeft aan door de gemeenteraad onderscheidenlijk
burgemeester en wethouders te nemen beslissingen.
2.Het plan bevat de hoofdzaken van het door de gemeenteraad
onderscheidenlijk burgemeester en wethouders te voeren
milieubeleid.
Artikel 4.17
1.Het gemeentelijke milieubeleidsplan wordt voorbereid door
burgemeester en wethouders.
2.Burgemeester en wethouders betrekken bij de voorbereiding van
het plan de naar hun oordeel bij de te behandelen onderwerpen
meest belanghebbende bestuursorganen. Daartoe behoren in elk
geval:
a. gedeputeerde staten,
b. burgemeester en wethouders van de aangrenzende
gemeenten, en
c. Onze Minister.
3.Burgemeester en wethouders betrekken bij de voorbereiding van
het plan voorts de ingezetenen en belanghebbenden, op de wijze
voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
vastgestelde verordening.
Artikel 4.18
1.Zodra het gemeentelijke milieubeleidsplan is vastgesteld,
doen burgemeester en wethouders hiervan mededeling door toezending
van het plan aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur.
2.Burgemeester en wethouders maken de vaststelling bekend in
één of meer dag- of nieuwsbladen die in de gemeente verspreid
worden. Hierbij geven zij aan op welke wijze kennis kan worden
gekregen van de inhoud van het plan.
Artikel 4.19
1.Bij de vaststelling van het gemeentelijke milieubeleidsplan
bepaalt de gemeenteraad het tijdvak gedurende hetwelk het geldt.
2.De gemeenteraad kan de geldingsduur eenmaal met ten hoogste
twee jaar verlengen. Artikel 4.18, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3.Indien in de gemeente een gemeentelijk milieubeleidsplan
geldt, houdt de gemeenteraad onderscheidenlijk houden burgemeester
en wethouders in elk geval rekening met dat plan bij het nemen van
een besluit dat daartoe is aangewezen in deze wet, en bij het
nemen van een besluit krachtens een wet, genoemd in bijlage 1,
voor zover daarbij het belang van de bescherming van het milieu in
beschouwing moet of kan worden genomen.
4.Het derde lid is niet van toepassing op besluiten krachtens
een bevoegdheid van een ander openbaar lichaam, die aan de
gemeenteraad of burgemeester en wethouders is gedelegeerd.
5.Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten
die door een orgaan van een ander openbaar lichaam worden genomen
in de plaats van de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en
wethouders, wegens het in gebreke blijven van de gemeenteraad
onderscheidenlijk burgemeester en wethouders.
§ 4.7. Het gemeentelijke milieuprogramma
Artikel 4.20
1.De gemeenteraad stelt jaarlijks voor een daarbij vast te
stellen periode een gemeentelijk milieuprogramma vast.
2.Het programma bevat ten minste:
a. een programma van door de gemeenteraad en burgemeester
en wethouders in de betrokken periode te verrichten
activiteiten ter uitvoering van de bij wettelijk voorschrift
met het oog op de bescherming van het milieu aan de
gemeenteraad en burgemeester en wethouders opgedragen taken;
b. een overzicht van de financiële gevolgen van de onder a
bedoelde activiteiten.
3.Indien in de gemeente een gemeentelijk milieubeleidsplan
geldt, houdt de gemeenteraad met dat plan rekening bij de
vaststelling van een gemeentelijk milieuprogramma.
Artikel 4.21
1.Het gemeentelijke milieuprogramma wordt voorbereid door
burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders leggen het
ontwerp van het programma bij het ontwerp van de begroting voor
aan de gemeenteraad.
2.Artikel 4.17, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.Zodra het gemeentelijke milieuprogramma is vastgesteld, doen
burgemeester en wethouders hiervan mededeling door toezending van
het programma aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur.
4.Burgemeester en wethouders maken de vaststelling bekend in
één of meer dag- of nieuwsbladen die in de gemeente verspreid
worden. Hierbij geven zij aan op welke wijze kennis kan worden
gekregen van de inhoud van het programma.
§ 4.8. Het gemeentelijke rioleringsplan
Artikel 4.22
1. De gemeenteraad stelt telkens voor een daarbij vast te
stellen periode een gemeentelijk rioleringsplan vast.
2. Het plan bevat ten minste:
a. een overzicht van de in de gemeente aanwezige
voorzieningen voor de inzameling en het transport van
stedelijk afvalwater als bedoeld in artikel 10.33, alsmede de
inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater als
bedoeld in artikel 3.5 van de Waterwet, en maatregelen
teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand
voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te
voorkomen of te beperken, als bedoeld in artikel 3.6 van
laatstgenoemde wet en een aanduiding van het tijdstip waarop
die voorzieningen naar verwachting aan vervanging toe zijn;
b. een overzicht van de in de door het plan bestreken
periode aan te leggen of te vervangen voorzieningen als
bedoeld onder a ;
c. een overzicht van de wijze waarop de voorzieningen,
bedoeld onder a en b , worden of zullen worden beheerd;
d. de gevolgen voor het milieu van de aanwezige
voorzieningen als bedoeld onder a, en van de in het plan
aangekondigde activiteiten;
e. een overzicht van de financiële gevolgen van de in het
plan aangekondigde activiteiten.
3. Indien in de gemeente een gemeentelijk milieubeleidsplan
geldt, houdt de gemeenteraad met dat plan rekening bij de
vaststelling van een gemeentelijk rioleringsplan.
4. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat, aan gemeenten de plicht opleggen tot
prestatievergelijking ten aanzien van de uitvoering van de taak,
bedoeld in artikel 10.33, alsmede de taken, bedoeld in de
artikelen 3.5 en 3.6 van de Waterwet. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de
frequentie, inhoud en omvang van de prestatievergelijking.
Artikel 4.23
1.Het gemeentelijke rioleringsplan wordt voorbereid door
burgemeester en wethouders. Zij betrekken bij de voorbereiding van
het plan in elk geval:
a. gedeputeerde staten,
b. de beheerders van de zuiveringstechnische werken
waarnaar het ingezamelde afvalwater wordt getransporteerd, en
c. de beheerders van de oppervlaktewateren waarop het
ingezamelde water wordt geloosd.
2.Zodra het plan is vastgesteld, doen burgemeester en
wethouders hiervan mededeling door toezending van het plan aan de
in het eerste lid, onder a tot en met c, genoemde instanties, en
Onze Minister.
3.Burgemeester en wethouders maken de vaststelling bekend in
één of meer dag- of nieuwsbladen die in de gemeente verspreid
worden. Hierbij geven zij aan op welke wijze kennis kan worden
gekregen van de inhoud van het plan.
Artikel 4.24
1. Gedeputeerde staten kunnen, nadat burgemeester en wethouders
in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te
brengen, aan de gemeenteraad aanwijzingen geven omtrent de inhoud
van het gemeentelijk rioleringsplan. Bij een aanwijzing wordt een
termijn gesteld, binnen welke het plan in overeenstemming met de
aanwijzing moet zijn gebracht.
2. Bij het geven van een aanwijzing houden gedeputeerde staten
rekening met het geldende provinciale milieubeleidsplan en met het
geldende regionale waterplan.
Hoofdstuk 5. Milieukwaliteitseisen
Titel 5.1. Algemene bepalingen ten aanzien van
milieukwaliteitseisen
Artikel 5.1
1.In het belang van de bescherming van het milieu kunnen, voor
zover dit van meer dan provinciaal belang is, bij algemene
maatregel van bestuur eisen worden gesteld ten aanzien van de
kwaliteit van onderdelen van het milieu vanaf een daarbij te
bepalen tijdstip.
2.Bij de beslissing tot het vaststellen van een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, worden in
ieder geval betrokken:
a. de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens,
b. de beschikbare gegevens inzake de bestaande toestand van
het milieu,
c. de redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van
belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu,
d. de mogelijkheid om de risico’s voor het milieu als
gevolg van de bij het stellen van de eis in aanmerking te
nemen milieubelastende factoren zo klein als redelijkerwijze
mogelijk is te maken, en
e. de redelijkerwijs te verwachten, uit de verwerkelijking
van de te stellen eis voortvloeiende financiële en
economische gevolgen,
voor zover deze voor de vaststelling van de milieukwaliteitseis
van belang zijn. In een toelichting bij de maatregel wordt
aangegeven op welke wijze deze aspecten bij de voorbereiding van
de maatregel zijn betrokken.
3.Bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid, wordt ten
aanzien van de daarbij gestelde milieukwaliteitseisen bepaald of
zij worden aangemerkt als grenswaarde of als richtwaarde. Een
grenswaarde geeft de kwaliteit aan die op het in de maatregel
aangegeven tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij
aanwezig is, ten minste moet worden instandgehouden. Een
richtwaarde geeft de kwaliteit aan die op het in de maatregel
aangegeven tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt, en die,
waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk moet worden instandgehouden.
4.Bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid kan worden
bepaald dat een daarbij gestelde milieukwaliteitseis slechts geldt
voor een of meer bij of krachtens de maatregel aan te wijzen
gebieden, dan wel voor gebieden die behoren tot een bij de
maatregel aangegeven categorie. Een tijdstip als bedoeld in het
eerste lid kan voor verschillende bij of krachtens de maatregel
aan te geven gebieden of categorieën van gebieden verschillend
zijn.
5.Bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt ten
aanzien van de daarbij gestelde milieukwaliteitseisen een termijn
bepaald, voor het verstrijken waarvan Onze Minister en, voor zover
het onderdelen van het milieubeleid betreft die tot hun
verantwoordelijkheid behoren, Onze Ministers van Verkeer en
Waterstaat en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit dienen aan
te geven in hoeverre de desbetreffende milieukwaliteitseis naar
hun oordeel herziening behoeft. Indien een gestelde
milieukwaliteitseis niet een zodanige waarde heeft dat
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat, indien aan die eis is
voldaan, de risico’s voor het milieu als gevolg van de bij het
stellen van de eis in aanmerking genomen milieubelastende factoren
verwaarloosbaar klein zijn, bedraagt de termijn, bedoeld in de
vorige volzin, ten hoogste acht jaar.
Artikel 5.2
1.Bij een maatregel als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid,
worden de bevoegdheden aangewezen bij de uitoefening waarvan de
bij de maatregel gestelde grenswaarden in acht moeten worden
genomen, of met de bij de maatregel gestelde richtwaarden rekening
moet worden gehouden. Bij de maatregel kunnen voorts regels worden
gesteld met betrekking tot de wijze waarop aan de daarin opgenomen
verplichtingen uitvoering moet worden gegeven.
2.Het eerste lid vindt slechts toepassing voor zover de
wettelijke regeling waarop een bevoegdheid als bedoeld in dat lid
berust, zich daartegen niet verzet.
3.Indien in een gebied waarvoor een milieukwaliteitseis geldt,
voor het betrokken onderdeel van het milieu de kwaliteit beter is
dan de eis aangeeft, treedt die kwaliteit voor de toepassing van
de krachtens het eerste lid aangewezen bevoegdheden voor dit
gebied in de plaats van de in de eis aangegeven kwaliteit. In een
maatregel als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, kan worden
bepaald dat de eerste volzin ten aanzien van de daarbij gestelde
milieukwaliteitseis niet van toepassing is.
4.Indien bij de uitoefening van een bevoegdheid ten aanzien
waarvan krachtens het eerste lid is bepaald dat daarbij rekening
moet worden gehouden met een richtwaarde, van die waarde wordt
afgeweken, vermeldt de motivering van het desbetreffende besluit
in ieder geval welke gewichtige redenen daartoe hebben geleid.
Artikel 5.2a [Vervallen per 15-11-2007]
Artikel 5.2b
1.Bij een maatregel als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, ter
uitvoering van de kaderrichtlijn water, wordt aan provinciale
staten opgedragen milieukwaliteitseisen, voorzover die niet zijn
vastgesteld bij een maatregel op grond van artikel 5.1, eerste
lid, in een provinciale milieuverordening als bedoeld in artikel
5.5, eerste lid, vast te stellen.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld die provinciale staten bij de vaststelling van de eisen in
de provinciale milieuverordening in daarbij aan te wijzen gevallen
in acht moeten nemen. Een zodanige regeling wordt vastgesteld door
Onze Minister tezamen met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat
en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ieder voor zover het
aangelegenheden betreft die mede tot zijn verantwoordelijkheid
behoren.
3.Bij een maatregel als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid,
wordt overeenkomstig artikel 4, vierde, vijfde en zevende lid, van
de kaderrichtlijn water bepaald in hoeverre en onder welke
voorwaarden kan worden afgeweken van de eisen en streeftermijnen
van artikel 4, eerste en tweede lid, van de kaderrichtlijn water.
4.De kwaliteit van oppervlaktewateren en grondwatervoorkomens
waarvoor milieukwaliteitseisen gelden mag niet verslechteren,
behoudens voor zover overeenkomstig artikel 4, zesde of zevende
lid, van de kaderrichtlijn water bij een maatregel als bedoeld in
artikel 5.1, eerste lid, is bepaald dat een achteruitgang is
toegelaten.
Artikel 5.3
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van
milieukwaliteitseisen regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de wijze waarop en de frequentie waarmee de kwaliteit
van de betrokken onderdelen van het milieu gemeten of berekend
wordt;
b. de verantwoordelijkheid voor de onder a bedoelde
metingen, onderscheidenlijk berekeningen en de wijze waarop
daarvan verslag wordt gedaan en
c. de wijze van bekostiging van de onder a bedoelde
metingen, onderscheidenlijk berekeningen.
2.Bij de in het eerste lid bedoelde maatregel kan worden
bepaald dat de wijze van meten of berekenen en de frequentie
daarvan bij ministeriële regeling worden vastgesteld.
3.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot het opstellen van programma’s voor de monitoring
van oppervlaktewateren en grondwatervoorkomens als bedoeld in
artikel 8 van de kaderrichtlijn water, waarbij voor gebieden,
bedoeld in bijlage IV van die richtlijn, aanvullende
verplichtingen kunnen worden gesteld welke dienen ter uitvoering
van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie. Bij de maatregel kan ten aanzien van de
milieudoelstellingen, bedoeld in artikel 4 van de kaderrichtlijn
water, overeenkomstige toepassing worden gegeven aan het eerste en
tweede lid.
Artikel 5.4
Indien ter uitvoering van deze titel een ministeriële regeling
als bedoeld in artikel 21.6, zesde lid, wordt vastgesteld, zijn
daarop de artikelen 5.1, derde, vierde en vijfde lid, 5.2 en 5.3 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.5
1.Provinciale staten kunnen in de provinciale milieuverordening
milieukwaliteitseisen stellen als bedoeld in artikel 5.1, eerste
lid. De artikelen 5.1, derde, vierde en vijfde lid, 5.2 en 5.3
zijn van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van
milieukwaliteitseisen als bedoeld in de eerste volzin, met dien
verstande, dat overeenkomstig artikel 5.2, eerste lid, geen
bevoegdheden van organen van het Rijk worden aangewezen.
2.Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel
5.1, eerste lid, of bij een ministeriële regeling als bedoeld in
artikel 21.6, zesde lid, kan de bevoegdheid, bedoeld in het eerste
lid, met betrekking tot een onderwerp ten aanzien waarvan in die
maatregel of in die regeling een milieukwaliteitseis is
vastgesteld, voor zover dat in het algemeen belang geboden is,
worden beperkt.
Titel 5.2. Luchtkwaliteitseisen
§ 5.2.1. Algemene bepalingen
Artikel 5.6
1. In afwijking van titel 5.1 gelden ten aanzien van de
kwaliteit van de buitenlucht uitsluitend deze titel, bijlage 2 en
de op deze titel berustende bepalingen.
2. Deze titel, bijlage 2 en de op deze titel berustende
bepalingen zijn niet van toepassing op plaatsen als gedefinieerd
in artikel 2 van de Richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30
november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid
en gezondheid voor arbeidsplaatsen (PbEG L 393), op welke plaatsen
bepalingen betreffende gezondheid en veiligheid op de
arbeidsplaats van toepassing zijn en waartoe leden van het publiek
gewoonlijk geen toegang hebben.
Artikel 5.7
1. In deze titel, bijlage 2 en de op deze titel berustende
bepalingen met betrekking tot de kwaliteit van de buitenlucht
wordt verstaan onder:
acht-uurgemiddelde concentratie: concentratie in de
buitenlucht, gemiddeld over acht achtereenvolgende uurgemiddelde
concentraties, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een
temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal;
agglomeratie: stedelijk gebied met ten minste 250 000 inwoners;
alarmdrempel: kwaliteitsniveau bij het bereiken waarvan het
waarschuwen van de bevolking noodzakelijk is teneinde de risico’s
voor de gezondheid van de mens ingeval van een kortstondige
overschrijding van dat kwaliteitsniveau te beperken;
AOT40-waarde: gesommeerd verschil tussen de uurgemiddelde
concentraties van ozon boven 80 microgram per m3 en 80 microgram
per m3 tussen 08.00 uur en 20.00 uur Midden-Europese-Tijd, over
een bepaalde periode, uitgedrukt in (microgram per m3) • uur;
autosnelweg: autosnelweg als bedoeld in artikel 1, onder c, van
het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
beoordelen van de luchtkwaliteit: vaststellen van het
kwaliteitsniveau en bepalen van de mate waarin een vastgesteld
kwaliteitsniveau voldoet aan een grenswaarde,
blootstellingsconcentratieverplichting, richtwaarde, plandrempel,
alarmdrempel of informatiedrempel als bedoeld in bijlage 2;
blootstellingsconcentratieverplichting: een op grond van de
gemiddelde blootstellingsindex bepaald kwaliteitsniveau met het
doel de schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens te
verminderen, waaraan binnen een bepaalde termijn moet worden
voldaan;
buitenlucht: buitenlucht in de troposfeer;
bijdragen van natuurlijke bronnen: emissies van
verontreinigende stoffen die niet direct of indirect zijn
veroorzaakt door menselijke activiteiten, met inbegrip van
natuurverschijnselen zoals vulkanische uitbarstingen, seismische
activiteiten, geothermische activiteiten, bosbranden, stormen,
zeezout als gevolg van verstuivend zeewater of de atmosferische
opwerveling of verplaatsing van natuurlijke deeltjes uit droge
regio’s;
EG-richtlijn luchtkwaliteit: richtlijn nr. 2008/50/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 mei 2008
betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PbEG
L 152);
gemiddelde blootstellingsindex: gemiddeld kwaliteitsniveau dat
overeenkomstig de Regeling beoordeling luchtkwaliteit wordt
bepaald op basis van stedelijke achtergrondlocaties verspreid over
het gehele Nederlandse grondgebied en dat de blootstelling van de
bevolking weergeeft;
grenswaarde: kwaliteitsniveau met als doel schadelijke gevolgen
voor de menselijke gezondheid of het milieu als geheel te
vermijden, te voorkomen of te verminderen en dat binnen een
bepaalde termijn moet worden bereikt en, wanneer het eenmaal is
bereikt, niet meer mag worden overschreden;
informatiedrempel: kwaliteitsniveau bij het bereiken waarvan
het informeren van de bevolking noodzakelijk is, teneinde de
risico’s voor de gezondheid van bijzonder gevoelige
bevolkingsgroepen ingeval van een kortstondige overschrijding van
dat kwaliteitsniveau te beperken;
jaargemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht,
gemiddeld over vierentwintig-uurgemiddelde concentraties in een
kalenderjaar, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een
temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal voor
zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, lood en benzeen en
bij heersende temperatuur en druk voor zwevende deeltjes (PM10) en
voor zwevende deeltjes (PM2,5);
kwaliteitsniveau: concentratie in de buitenlucht of de
depositiesnelheid van een verontreinigende stof;
luchtverontreiniging: aanwezigheid in de buitenlucht van
verontreinigende stoffen;
plandrempel: kwaliteitsniveau bij het bereiken waarvan een
planmatige aanpak van de luchtverontreiniging noodzakelijk is;
richtwaarde: kwaliteitsniveau dat is vastgesteld met het doel
om schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid of het
milieu als geheel te vermijden, te voorkomen of te verminderen en
dat voor zover mogelijk binnen een bepaalde termijn moet worden
bereikt;
stikstofoxiden: het totale aantal volumedelen stikstofmonoxide
en stikstofdioxide per miljard volumedelen, uitgedrukt in
microgrammen stikstofdioxide per m3;
uurgemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht,
gemiddeld over een heel uur, uitgedrukt in microgram per m3 lucht
bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3
kiloPascal;
vaststellen van het kwaliteitsniveau: door middel van meting of
berekening bepalen of prognosticeren van de concentratie van een
verontreinigende stof in de buitenlucht of van de depositie van
die stof;
verontreinigende stof: stof die zich in de lucht bevindt en die
waarschijnlijk schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid
of het milieu als geheel heeft;
vierentwintig-uurgemiddelde concentratie: concentratie in de
buitenlucht, gemiddeld over het tijdvak van 0.00 uur tot 24.00 uur
Midden-Europese-Tijd, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een
temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal voor
zwaveldioxide en bij heersende temperatuur en druk voor zwevende
deeltjes (PM10);
winterhalfjaargemiddelde concentratie: concentratie in de
buitenlucht, gemiddeld over vierentwintig-uurgemiddelde
concentraties van 1 oktober tot en met 31 maart, uitgedrukt in
microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een
druk van 101,3 kilo Pascal;
zone: gedeelte van het Nederlandse grondgebied;
zwevende deeltjes (PM10): in de buitenlucht voorkomende
stofdeeltjes die een op grootte selecterende instroomopening
passeren met een efficiencygrens van 50 procent bij een
aërodynamische diameter van 10 micrometer;
zwevende deeltjes (PM2,5): in de buitenlucht voorkomende
stofdeeltjes die een op grootte selecterende instroomopening
passeren met een efficiencygrens van 50 procent bij een
aerodynamische diameter van 2,5 micrometer.
2. In afwijking van artikel 1.1, eerste lid, wordt in deze
titel, bijlage 2 en de op deze titel berustende bepalingen onder
stoffen verstaan: chemische elementen en hun verbindingen, zoals
deze voorkomen in de natuur of door toedoen van de mens worden
voortgebracht.
Artikel 5.8 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is
ingetrokken door Stb. 2009/158.]
1. Indien wijziging van deze titel, bijlage 2 of de op deze
titel berustende bepalingen wenselijk is ter uitvoering van een
richtlijn van de Raad van de Europese Unie betreffende de
kwaliteit van de buitenlucht, kan Onze Minister, gehoord de
Tweede Kamer der Staten-Generaal, een tijdelijke regeling
vaststellen, die voor zover daarbij is aangegeven in de plaats
treedt van deze titel, bijlage 2 of de op deze titel berustende
bepalingen.
2. Binnen achttien maanden na het tijdstip van
inwerkingtreding van die regeling wordt een voorstel van wet van
gelijke strekking aanhangig gemaakt bij de Tweede Kamer der
Staten-Generaal.
§ 5.2.2. Plannen
Artikel 5.9
1. Burgemeester en wethouders stellen in de in bijlage 2,
voorschrift 13.1, aangegeven gevallen waarin een plandrempel wordt
overschreden een plan vast, waarin wordt aangegeven op welke wijze
en door middel van welke maatregelen voldaan zal worden aan de
desbetreffende in de bijlage genoemde grenswaarde, binnen de voor
die waarde gestelde termijn. Zij dragen zorg voor de uitvoering
van het plan.
2. Op de voorbereiding van een plan als bedoeld in het eerste
lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een
ieder.
3. Gedeputeerde staten, Onze Minister, Onze Ministers van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Verkeer en Waterstaat
en andere bestuursorganen die maatregelen kunnen treffen leveren
op verzoek van burgemeester en wethouders een bijdrage aan het
opstellen en uitvoeren van een plan als bedoeld in het eerste lid.
Daarbij geven de desbetreffende bestuursorganen in het plan
gemotiveerd rekenschap van het al dan niet treffen van
maatregelen. Omtrent het opstellen en uitvoeren van het plan
bevorderen burgemeester en wethouders overleg met die
bestuursorganen.
4. Voor 1 mei van het jaar volgend op het jaar waarin de
overschrijding van de desbetreffende plandrempel, met inachtneming
van de krachtens artikel 5.20 gestelde regels, is vastgesteld en
gerapporteerd, stellen burgemeester en wethouders gedeputeerde
staten in kennis van een vastgesteld plan als bedoeld in het
eerste lid. Voor 1 juli van dat jaar stellen gedeputeerde staten
Onze Minister in kennis van alle door hen ontvangen plannen.
5. Burgemeester en wethouders rapporteren eenmaal in de drie
jaar, voor 1 mei van het op die periode volgende jaar, aan
gedeputeerde staten omtrent de voortgang van de uitvoering van een
plan of plannen als bedoeld in het eerste lid. Voor 1 juli van dat
jaar stellen gedeputeerde staten Onze Minister in kennis van alle
door hen ontvangen voortgangsrapportages.
6. Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat het plan,
bedoeld in het eerste lid, in overeenstemming is met een programma
als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid.
Artikel 5.10 [Vervallen per 01-08-2009]
Artikel 5.11
1. Een plan als bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, 5.12,
eerste lid, of 5.13, eerste lid, bevat ten minste de gegevens,
bedoeld in bijlage XV, deel A, van de EG-richtlijn luchtkwaliteit.
2. Een wijziging van bijlage XV, deel A, van de EG-richtlijn
luchtkwaliteit geldt voor de toepassing van het eerste lid met
ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn
uitvoering moet zijn gegeven en heeft geen betrekking op een
vóór die dag vastgesteld plan, tenzij uit de desbetreffende
wijziging anders volgt.
3. Voor gevallen waarin ingevolge artikel 5.9, eerste lid,
5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid, voor meer dan één stof
een plan wordt vastgesteld en uitgevoerd, draagt het betrokken
bestuursorgaan zorg voor één plan voor de desbetreffende
stoffen. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
§ 5.2.3. Nationaal programma en overige programma's
Artikel 5.12
1. Onze Minister stelt, in overeenstemming met het gevoelen van
de ministerraad en gehoord de Eerste en Tweede Kamer der
Staten-Generaal, met betrekking tot een in bijlage 2 opgenomen
grenswaarde die op of na het daarbij behorende tijdstip wordt
overschreden of dreigt te worden overschreden, een programma vast
dat gericht is op het bereiken van die grenswaarde. Het programma
heeft betrekking op een daarbij aan te geven periode van vijf
jaar.
2. In het programma, bedoeld in het eerste lid, worden ten
minste genoemd of beschreven de gedurende de in dat lid bedoelde
periode door een of meer bestuursorganen van het Rijk te treffen
generieke maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit en de
effecten daarvan op de luchtkwaliteit.
3. Met betrekking tot één of meer in het programma, bedoeld
in het eerste lid, aangewezen gebieden omvat het programma, na
overleg met de betrokken bestuursorganen, tevens:
a. een beschrijving van de in de buitenlucht aanwezige
concentraties verontreinigende stoffen en de autonome
ontwikkeling daarvan boven het desbetreffende gebied, op basis
van de laatst beschikbare gegevens met betrekking tot die
concentraties, alsmede een beschrijving van de oorzaken van
een overschrijding of dreigende overschrijding van de
desbetreffende grenswaarde;
b. indien op het moment van vaststelling van het programma
op één of meer plaatsen binnen een aangewezen gebied een
geldende grenswaarde wordt overschreden: een overzicht van
alle redelijkerwijs, gedurende de in het eerste lid bedoelde
periode, door de betrokken bestuursorganen te treffen
maatregelen die bijdragen aan de verwezenlijking van beleid
dat erop gericht is die grenswaarde te bereiken, de effecten
van die maatregelen op de luchtkwaliteit alsmede het tijdstip
waarop die grenswaarde naar verwachting zal zijn bereikt;
c. een beschrijving van de verwachte ontwikkelingen in het
desbetreffende gebied en van de besluiten die gedurende de in
het eerste lid bedoelde periode naar verwachting zullen worden
genomen en die in betekenende mate bijdragen aan de
concentratie in de buitenlucht in dat gebied van een stof
waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen, op basis
van de krachtens het zevende lid verstrekte gegevens, alsmede
de effecten van die ontwikkelingen en besluiten op de
luchtkwaliteit;
d. een beschrijving van de door de bestuursorganen, die
daartoe in het programma zijn aangewezen, te treffen overige
maatregelen dan bedoeld onder b, die samenhangen met de onder
c bedoelde ontwikkelingen of besluiten en die gericht zijn op
het bereiken van de grenswaarde of grenswaarden in de
betreffende gebieden, alsmede de effecten van die maatregelen
op de luchtkwaliteit;
e. een prognose van de ontwikkeling van de onder a bedoelde
concentraties, gedurende de in het eerste lid bedoelde
periode, met dien verstande dat daarbij tevens wordt
aangegeven hoeveel eerder als gevolg van de maatregelen,
bedoeld onder b en d, en rekening houdend met de effecten van
de verwachte ontwikkelingen en besluiten, bedoeld onder c, een
grenswaarde in het betreffende gebied wordt bereikt dan
overeenkomstig de autonome ontwikkeling, bedoeld onder a, naar
verwachting het geval zou zijn.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de wijze van uitvoering van de onderdelen a tot en
met e en van het vierde en zesde lid, met inbegrip van daarbij te
hanteren uitgangspunten en criteria.
4. Bij het beschrijven van:
a. de autonome ontwikkeling, bedoeld in het derde lid,
onder a, wordt mede in aanmerking genomen het gesommeerde
effect van de uitoefening van bevoegdheden en de toepassing
van wettelijke voorschriften die gedurende de in het eerste
lid bedoelde periode naar verwachting zullen plaatsvinden en
die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in
de buitenlucht in dat gebied van een stof waarvoor in bijlage
2 een grenswaarde is opgenomen;
b. de effecten van de maatregelen, bedoeld in het tweede en
derde lid, kunnen de effecten van sinds 1 januari 2005 ter
verbetering van de luchtkwaliteit ingevoerde maatregelen mede
in aanmerking worden genomen.
5. In een programma als bedoeld in het eerste lid worden geen
besluiten als bedoeld in het derde lid, onder c, opgenomen, indien
het aannemelijk is dat deze een overschrijding of verdere
overschrijding van een geldende grenswaarde tot gevolg hebben op
het tijdstip waarop, met toepassing van:
a. uitstel als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de
EG-richtlijn luchtkwaliteit, van de tijdstippen waarop aan de
in bijlage 2 opgenomen grenswaarden voor stikstofdioxide of
benzeen moet worden voldaan,
b. vrijstelling als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van
de EG-richtlijn luchtkwaliteit, van de verplichting om aan de
in bijlage 2 opgenomen grenswaarden voor zwevende deeltjes
(PM10) te voldoen,
ingevolge die richtlijn aan de desbetreffende grenswaarde moet
worden voldaan.
6. Het programma, bedoeld in het eerste lid, kan in delen
worden vastgesteld, met dien verstande dat:
a. alle onderscheiden delen binnen een tijdvak van ten
hoogste dertien weken worden vastgesteld, tenzij bijzondere
omstandigheden zich daartegen verzetten, en
b. met elkaar, vanwege de daarin opgenomen ontwikkelingen,
voorgenomen besluiten of maatregelen, samenhangende delen
zoveel mogelijk tegelijkertijd worden vastgesteld.
7. Na een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister
verstrekken de desbetreffende bestuursorganen hem binnen een
daarbij aangegeven termijn de daarbij gevraagde gegevens over de
ontwikkelingen en besluiten, bedoeld in het derde lid, onder c, en
de maatregelen, bedoeld in dat lid, onder b en d.
8. Op de voorbereiding van een programma als bedoeld in het
eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een
ieder.
9. De daartoe bevoegde bestuursorganen dragen zorg voor de
tijdige uitvoering van de maatregelen die in het programma zijn
genoemd of beschreven, met dien verstande dat maatregelen die
onlosmakelijk verbonden zijn met de ontwikkelingen en besluiten
als bedoeld in het derde lid, onder c, ten behoeve van deze
ontwikkelingen en besluiten worden uitgevoerd.
10. Onze Minister kan, in overeenstemming met het gevoelen van
de ministerraad en gehoord de Eerste en Tweede Kamer der
Staten-Generaal, het programma, bedoeld in het eerste lid,
ambtshalve wijzigen indien naar zijn oordeel:
a. uit de rapportages, bedoeld in artikel 5.14, naar voren
komt dat de in dat programma opgenomen gegevens omtrent de
effecten op de luchtkwaliteit van in het programma genoemde of
beschreven ontwikkelingen, voorgenomen besluiten of
maatregelen, niet of niet langer in redelijkheid kunnen worden
gehanteerd bij de uitoefening van de in artikel 5.16, eerste
lid, aanhef en onder c of d, juncto het tweede lid van dat
artikel, bedoelde bevoegdheden en de toepassing van de daar
bedoelde wettelijke voorschriften;
b. het programma, de periode waarop het betrekking heeft of
de daarin genoemde of beschreven ontwikkelingen, voorgenomen
besluiten of maatregelen om andere redenen wijziging behoeven.
Het achtste lid is van overeenkomstige toepassing.
11. De in het negende lid bedoelde plicht tot tijdige
uitvoering van maatregelen blijft van kracht totdat die uitvoering
of verdere uitvoering naar het oordeel van Onze Minister, in
overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad en gehoord de
Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, niet langer vereist is
om een grenswaarde te bereiken of daaraan te blijven voldoen.
12. Binnen een gebied als bedoeld in het derde lid kunnen
bestuursorganen die het aangaat, na een daartoe strekkende melding
aan Onze Minister, een of meer in het programma genoemde of
beschreven maatregelen, ontwikkelingen of besluiten wijzigen of
vervangen, of een of meer maatregelen, ontwikkelingen of besluiten
aan het programma toevoegen, indien bij de betreffende melding
aannemelijk wordt gemaakt dat die gewijzigde, vervangende of
nieuwe maatregelen, ontwikkelingen of besluiten per saldo passen
binnen of in elk geval niet in strijd zijn met het programma. Bij
de melding wordt aangegeven welke maatregelen, ontwikkelingen of
besluiten het betreft, welke samenhang er tussen die maatregelen,
ontwikkelingen of besluiten is en op welke termijn een maatregel
wordt getroffen of een besluit genomen en worden de effecten op de
luchtkwaliteit met toepassing van de artikelen 5.19 en 5.20 en de
daarop berustende bepalingen aangegeven. Het negende lid is van
overeenkomstige toepassing.
13. De bij de melding, bedoeld in het twaalfde lid, aangegeven
wijziging of wijzigingen behoeven de instemming van Onze Minister.
Onze Minister beslist hieromtrent binnen zes weken na ontvangst
van de melding. De instemming is van rechtswege gegeven indien
Onze Minister niet binnen de genoemde termijn een beslissing heeft
genomen.
14. Binnen zes weken nadat een instemming als bedoeld in het
dertiende lid is verkregen wordt door de betrokken bestuursorganen
kennis gegeven van de bij de melding aangegeven wijziging of
wijzingen en van de daarmee verleende instemming in een van
overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
huis-aan-huis blad, dan wel op een andere geschikte wijze.
Artikel 5.12a
Indien op of na het daarbij behorende tijdstip niet wordt voldaan
of dreigt te worden voldaan aan de
blootstellingsconcentratieverplichting, opgenomen in voorschrift 4.6
van bijlage 2, draagt Onze Minister zorg voor het nemen van
maatregelen waardoor aan die verplichting wordt voldaan. Deze
maatregelen kunnen deel uitmaken van het programma, bedoeld in
artikel 5.12, eerste lid.
Artikel 5.12b
1. Indien krachtens enig wettelijk voorschrift een besluit is
vereist voor de door of vanwege Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat met betrekking tot het hoofdwegennet, en anders dan met
toepassing van artikel 4a, derde lid, van de Spoedwet
wegverbreding, of artikel 15a, derde lid, van de Tracéwet, uit te
voeren maatregelen als bedoeld in artikel 5.12, negende lid, zijn
deze wettelijke voorschriften op die uitvoering niet van
toepassing.
2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het vereist
zijn van een besluit voortvloeit uit Europeesrechtelijke of
internationaalrechtelijke verplichtingen.
3. Voor zover het uitvoeren van de in het eerste lid bedoelde
maatregelen niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan of
de beheerverordening, geldt het op die maatregelen betrekking
hebbende onderdeel van het programma, bedoeld in artikel 5.12,
eerste lid, als een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.29,
eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening onderscheidenlijk als
een besluit als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van die wet.
4. In de gevallen waarin het derde lid van toepassing is, stelt
de gemeenteraad een bestemmingsplan of een beheersverordening als
bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening vast overeenkomstig de
onderdelen van het programma, bedoeld in het derde lid. Dit
geschiedt binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding van de
Crisis- en herstelwet of, ingeval van een wijziging van dat
programma die of nieuw programma dat na die datum wordt
vastgesteld, binnen een jaar nadat die wijziging of dat programma
onherroepelijk is geworden.
5. Voor zover een ontwerp van een bestemmingsplan zijn
grondslag vindt in de onderdelen van het programma, bedoeld in het
derde lid, kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel
van het ontwerp van het bestemmingsplan.
Artikel 5.13
1.Een of meerdere bestuursorganen gezamenlijk, niet zijnde
bestuursorganen van het Rijk, kunnen een programma vaststellen dat
gericht is op het bereiken van een in bijlage 2 opgenomen
grenswaarde in een bij dat programma aan te wijzen gebied, niet
zijnde een krachtens artikel 5.12, derde lid, aangewezen of aan te
wijzen gebied, waar een grenswaarde wordt overschreden of dreigt
te worden overschreden.
2.Bij de vaststelling van een programma op grond van het eerste
lid wordt het krachtens artikel 5.12, eerste lid, vastgestelde
programma in acht genomen.
3.Artikel 5.12, derde en vierde lid en achtste tot en met
veertiende lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat de wijziging, bedoeld in het tiende lid van dat
artikel, plaatsvindt in overeenstemming met de andere betrokken
bestuursorganen en dat de plicht tot melding, bedoeld in het
twaalfde lid van dat artikel, niet van toepassing is.
4.Het programma wordt na vaststelling of wijziging toegezonden
aan Onze Minister.
5.Indien voor een gebied als bedoeld in het eerste lid geen
programma als bedoeld in dat lid wordt vastgesteld, treffen de
betrokken bestuursorganen onverwijld de redelijkerwijs mogelijke
maatregelen die er op gericht zijn de betreffende grenswaarde te
bereiken. De artikelen 5.12, negende en elfde lid, en 5.14 zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.14
De daartoe in een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste
lid, of 5.13, eerste lid, aangewezen bestuursorganen rapporteren
jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister over de voortgang en
uitvoering van een programma en de daarin opgenomen maatregelen,
ontwikkelingen en besluiten, alsmede over de effecten daarvan op de
luchtkwaliteit.
Artikel 5.15
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot:
a. de wijze waarop een programma als bedoeld in artikel 5.12,
eerste lid, of 5.13, eerste lid, wordt afgestemd met andere bij
of krachtens wettelijk voorschrift vast te stellen of
vastgestelde plannen;
b. de voorbereiding, vormgeving, inhoud en uitvoering van een
programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of 5.13,
eerste lid;
c. de verslaglegging, bedoeld in artikel 5.14.
§ 5.2.4. Uitoefening van bevoegdheden of toepassing van
wettelijke voorschriften
Artikel 5.16
1. Bestuursorganen maken bij de uitoefening van een in het
tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld
wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen
kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de
volgende gronden en maken daarbij aannemelijk:
a. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met
de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die
uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter
verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het
overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang
waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen
grenswaarde;
b. dat, met inachtneming van het vijfde lid en de krachtens
dat lid gestelde regels:
1°. de concentratie in de buitenlucht van de
desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of
toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk
blijft, of
2°. bij een beperkte toename van de concentratie van
de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of
toepassing samenhangende maatregel of een door die
uitoefening of toepassing optredend effect, de
luchtkwaliteit per saldo verbetert;
c. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met
de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die
uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter
verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate
bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof
waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;
d. dat een uitoefening dan wel toepassing is genoemd of
beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling
of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan
wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op
grond van artikel 5.12, eerste lid, of artikel 5.13, eerste
lid, vastgesteld programma.
2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden of wettelijke
voorschriften zijn de bevoegdheden en wettelijke voorschriften,
bedoeld in:
a. de artikelen 1.2, 7.27, 7.35, 7.42, 8.2 en 8.40, eerste
lid;
b. de artikelen 13 en 16 van de Wet inzake de
luchtverontreiniging;
c. de artikelen 3.1, 3.10, 3.22, 3.26, 3.27, 3.28 en 3.29
van de Wet ruimtelijke ordening;
d. artikel 15 van de Tracéwet;
e. artikel 9 van de Spoedwet wegverbreding;
f. artikel 2 van de Interimwet stad-en-milieubenadering;
g. artikel 2.3 van de Crisis- en herstelwet.
3. Bij de uitoefening van een bevoegdheid of toepassing van een
wettelijk voorschrift als bedoeld in het eerste lid, aanhef en
onder c of d, gedurende de periode waar een programma als bedoeld
in artikel 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid, betrekking op
heeft, vindt met betrekking tot de effecten van de desbetreffende
ontwikkeling of het desbetreffende besluit op de luchtkwaliteit
geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit plaats voor
een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde voor die periode, noch voor
enig jaar daarna.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
regels worden gesteld omtrent het in betekenende mate bijdragen
als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, waaronder
begrepen het aanwijzen van categorieën van gevallen die in ieder
geval al dan niet in betekenende mate bijdragen in de daar
bedoelde zin.
5. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b,
aanhef en sub 2, of onder c, voor zover het betreft de
onlosmakelijk met een uitoefening of toepassing samenhangende
maatregelen:
a. worden voor iedere stof afzonderlijk de positieve of
negatieve effecten voor de luchtkwaliteit in beschouwing
genomen;
b. is er een functionele of geografische samenhang tussen
enerzijds het gebied of de gebieden waarop de uitoefening van
bevoegdheden of de toepassing van wettelijke voorschriften,
bedoeld in dat lid, betrekking heeft, en anderzijds de
maatregel of maatregelen die in verband met die uitoefening of
toepassing wordt of worden genomen;
c. worden maatregelen ter vermindering van de concentratie
van een stof niet later dan gelijktijdig met de te compenseren
activiteiten uitgevoerd, tenzij een gelijktijdige uitvoering
een vermindering van de concentratie van die stof op de
langere termijn in de weg staat of anderszins niet doelmatig
is, en
d. worden waarborgen getroffen opdat de maatregelen ter
vermindering van de concentratie van een stof daadwerkelijk
worden uitgevoerd.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.
6. Buiten een periode als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid,
of een in een programma als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid,
opgenomen periode, blijft het eerste lid, aanhef en onder d,
buiten toepassing, met dien verstande dat de uitoefening van een
bevoegdheid of de toepassing van een wettelijk voorschrift met
betrekking tot een ontwikkeling of voorgenomen besluit dat eerder
was genoemd of beschreven in een programma als bedoeld in artikel
5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid, ook na het verstrijken van
de desbetreffende periode mogelijk blijft.
Artikel 5.16a
1.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
uitoefening van een bevoegdheid of de toepassing van een wettelijk
voorschrift, bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, in daarbij
aangewezen categorieën van gevallen waarin een in bijlage 2
opgenomen grenswaarde op of na het tijdstip van ingang wordt
overschreden of dreigt te worden overschreden, en waarin de
betreffende uitoefening of toepassing betrekking heeft op een
bestaand of nieuw te bouwen bouwwerk in de zin van de Woningwet,
op een zodanige wijze plaatsvindt dat deze niet leidt tot een
toename van het aantal ter plaatse verblijvende personen met een
verhoogde gevoeligheid voor de concentraties in de buitenlucht van
een stof waar de betreffende grenswaarde betrekking op heeft.
2.Bij of krachtens de maatregel, bedoeld in het eerste lid,
kunnen nadere regels worden gegeven omtrent de wijze waarop
uitvoering wordt gegeven aan dat lid, met inbegrip van het
beperken van een categorie tot gevallen waarin niet wordt voldaan
aan daarbij gestelde eisen met betrekking tot de locatie of
afstand van een bouwwerk ten opzichte van een bron of bronnen van
luchtverontreiniging.
Artikel 5.17
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen bestuursorganen stellen alle nodige maatregelen vast,
gericht op het voor zover mogelijk bereiken van een in bijlage 2
opgenomen richtwaarde binnen de daarvoor gestelde termijn. Deze
maatregelen kunnen deel uitmaken van een plan of programma als
bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, 5.12, eerste lid, of 5.13,
eerste lid, dan wel van een ander plan of programma.
2. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld
in het eerste lid, worden nadere regels gesteld met betrekking tot
de in dat lid bedoelde maatregelen, waartoe in elk geval behoren
regels omtrent de aard van die maatregelen.
Artikel 5.18
1. De commissaris van de Koningin doet van een overschrijding
van een in bijlage 2 genoemde alarmdrempel of informatiedrempel in
zijn provincie zo spoedig mogelijk mededeling aan het publiek.
Wanneer overschrijding van een informatiedrempel of alarmdrempel
voorkomt in samenhang met overschrijding van een in bijlage 2
genoemde grenswaarde voor een andere verontreinigende stof in de
buitenlucht, doet de commissaris van de Koningin tevens mededeling
van laatstbedoelde overschrijding.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met
betrekking tot de in het eerste lid bedoelde mededeling en de
daarbij aan het publiek te verstrekken gegevens alsmede met
betrekking tot de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan
artikel 24 van de EG-richtlijn luchtkwaliteit.
3. Artikel 48, derde lid, van de Wet inzake de
luchtverontreiniging is van overeenkomstige toepassing.
§ 5.2.5. Beoordeling van de luchtkwaliteit
Artikel 5.19
1. Het beoordelen van de luchtkwaliteit vindt overeenkomstig de
bij of krachtens deze paragraaf gestelde regels plaats in alle
agglomeraties en zones, aangewezen krachtens artikel 5.22.
2. In afwijking van het eerste lid vindt op de volgende
locaties geen beoordeling van de luchtkwaliteit plaats met
betrekking tot luchtkwaliteitseisen voor de bescherming van de
gezondheid van de mens, opgenomen in bijlage 2:
a. locaties die zich bevinden in gebieden waartoe leden van
het publiek geen toegang hebben en waar geen vaste bewoning
is;
b. terreinen waarop een of meer inrichtingen zijn gelegen,
waar bepalingen betreffende gezondheid en veiligheid op
arbeidsplaatsen als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van
toepassing zijn;
c. de rijbaan van wegen en de middenberm van wegen, tenzij
voetgangers normaliter toegang tot de middenberm hebben.
3. Bij het vaststellen van het kwaliteitsniveau worden bij het
bepalen van de concentraties verontreinigende stoffen de
concentratiebijdragen van natuurlijke bronnen, na afzonderlijk te
zijn bepaald, meegerekend.
4. Bij het bepalen van de mate waarin een vastgesteld
kwaliteitsniveau voldoet aan een in bijlage 2 opgenomen
grenswaarde worden, indien dat kwaliteitsniveau hoger is dan die
grenswaarde, de concentratiebijdragen van natuurlijke bronnen
steeds in aftrek gebracht.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld indien noodzakelijk voor een juiste uitvoering van het
eerste tot en met vierde lid.
Artikel 5.20
1. Bij ministeriële regeling worden voor de toepassing van
deze titel, bijlage 2 en de op deze titel berustende bepalingen
regels gesteld ten aanzien van het beoordelen van de
luchtkwaliteit met betrekking tot de in bijlage 2 genoemde
stoffen, waartoe in elk geval kunnen behoren regels omtrent:
a. de voor beoordeling van de luchtkwaliteit
verantwoordelijke bestuursorganen;
b. de wijze waarop en de frequentie waarmee de
luchtkwaliteit wordt beoordeeld, met inbegrip van de locaties
waar de luchtkwaliteit wordt beoordeeld, en de te gebruiken
gegevens;
c. de wijze waarop en de frequentie waarmee het
kwaliteitsniveau gemeten of berekend wordt;
d. de wijze van bekostiging van de metingen en
berekeningen;
e. de wijze en het tijdstip waarop verslag wordt gedaan van
beoordeling van de luchtkwaliteit en de in het verslag op te
nemen gegevens;
f. de wijze waarop het bereiken van de grenswaarden,
bedoeld in de artikelen 5.12 of 5.13 wordt vastgesteld;
g. de wijze waarop de effecten van ontwikkelingen,
besluiten en maatregelen als bedoeld in deze titel
afzonderlijk en in samenhang worden bepaald en daarbij te
gebruiken gegevens;
h. de wijze waarop de autonome ontwikkeling als bedoeld in
deze titel wordt bepaald.
2. Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, kan worden
bepaald dat daarbij aangewezen regels van toepassing zijn dan wel
buiten toepassing blijven in daarbij genoemde gevallen.
3. Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, kan worden
bepaald dat het gebruik van andere dan de daarin genoemde methoden
voor de beoordeling van de luchtkwaliteit of voor het bepalen van
effecten of het gebruik van andere dan daarin genoemde gegevens
niet is toegestaan dan na voorafgaande goedkeuring door Onze
Minister.
4. De goedkeuring, bedoeld in het derde lid, kan worden
onthouden of ingetrokken indien het gebruik van de betreffende
methode of gegevens naar het oordeel van Onze Minister niet, of
niet langer, leidt tot een voldoende nauwkeurige of betrouwbare
beoordeling van de luchtkwaliteit of bepaling van effecten en
daarvoor meer geschikte methoden of gegevens beschikbaar zijn.
5. Aan de goedkeuring kunnen voorwaarden of beperkingen worden
verbonden. Deze kunnen worden gewijzigd of ingetrokken.
Artikel 5.21
1. Onze Minister kan:
a. de nauwkeurigheid van een meetmethode of een andere
methode waarmee het kwaliteitsniveau of effecten gemeten of
berekend wordt toetsen,
b. de nauwkeurigheid van de toepassing van een onder a
bedoelde methode toetsen.
2. De door middel van de toetsing verkregen resultaten treden
in de plaats van eerdere of anderszins verkregen resultaten.
3. Onze Minister maakt de in het tweede lid bedoelde resultaten
kenbaar aan het desbetreffende bestuursorgaan.
Artikel 5.22
1. Onze Minister wijst voor de toepassing van deze titel,
bijlage 2 en de op deze titel berustende bepalingen ten behoeve
van de metingen en berekeningen van het kwaliteitsniveau zones,
onderscheidenlijk agglomeraties, aan.
2. Onze Minister overweegt ten minste eenmaal in de vijf jaar
in hoeverre de aanwijzing van zones en agglomeraties, bedoeld in
het eerste lid, wijziging behoeft.
3. Onze Minister stelt op basis van de aanwijzing van zones en
agglomeraties, bedoeld in het eerste lid, en de resultaten van de
metingen en berekeningen, bedoeld in dat lid, lijsten vast als
bedoeld in artikel 27 van de EG-richtlijn luchtkwaliteit en
artikel 3 van richtlijn nr. 2004/107/EG van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 15 december 2004 betreffende
arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische
koolwaterstoffen in de lucht (PbEG L 23).
§ 5.2.6. Handhaving en internationale samenwerking
Artikel 5.23
1.Onze Minister kan gedeputeerde staten of burgemeester en
wethouders, indien niet of niet tijdig wordt voldaan aan een
verplichting als bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, 5.12, zevende
en negende lid, 5.14 of 5.19, vierde lid, een aanwijzing geven om
daar alsnog uitvoering aan te geven. Onze Minister houdt daarbij
rekening met een doelmatig luchtkwaliteitsbeleid dat gericht is op
het bereiken van en het blijven voldoen aan een in bijlage 2
genoemde grenswaarde.
2.Bij de aanwijzing wordt een termijn gesteld waarbinnen
uitvoering wordt gegeven aan de aanwijzing.
3.Een aanwijzing wordt niet gegeven dan nadat het betrokken
bestuursorgaan in de gelegenheid is gesteld van zijn gevoelen
omtrent het voornemen tot het geven van de aanwijzing te doen
blijken, tenzij spoedeisende omstandigheden zich daartegen
verzetten.
4.Wanneer het betrokken bestuursorgaan een krachtens het eerste
lid gevorderd besluit of gevorderde handeling niet of niet naar
behoren neemt dan wel uitvoert, is Onze Minister bevoegd daarin
namens dat bestuursorgaan en ten laste van dat bestuursorgaan te
voorzien.
Artikel 5.24
1. Onze Minister is belast met de organisatie van de
samenwerking met andere lidstaten en met de Commissie van de
Europese Gemeenschappen, ter uitvoering van de EG-richtlijn
luchtkwaliteit.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de samenwerking, bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 6. Milieuzonering
Artikel 6.1
[Gereserveerd.]
Hoofdstuk 7. Milieueffectrapportage
§ 7.1. Algemeen
Artikel 7.1
1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
Onze Ministers: Onze Minister, Onze Minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap;
de commissie: de Commissie voor de milieueffectrapportage.
2. Tenzij anders is bepaald, wordt in de paragrafen 7.3 tot en
met 7.5 en 7.7 tot met 7.12 in dit hoofdstuk verstaan onder:
a. activiteit:
1°. activiteit die is aangewezen krachtens artikel
7.2, eerste lid, onder a, krachtens artikel 7.2, eerste
lid, onder b, en waarop artikel 7.18 van toepassing is, of
krachtens artikel 7.6, eerste lid;
2°. activiteit als bedoeld in artikel 7.2a, eerste
lid;
b. plan: plan bij de voorbereiding waarvan krachtens de
artikelen 7.2, tweede lid, 7.2a, eerste lid, of 7.6, tweede
lid, een milieueffectrapport moet worden gemaakt;
c. besluit: besluit bij de voorbereiding waarvan een
milieueffectrapport moet worden gemaakt krachtens artikel 7.2,
derde lid, krachtens artikel 7.2, vierde lid, in samenhang met
artikel 7.18, of krachtens artikel 7.6, derde lid;
d. ecologische hoofdstructuur: het samenstel van de
gebieden en de verbindingen tussen die gebieden, dat krachtens
de Wet ruimtelijke ordening door het provinciebestuur als
zodanig is aangewezen en begrensd, alsmede de grote wateren en
de Noordzee, overeenkomstig kaart 5 van de Nota Ruimte, deel
3A (Kamerstukken II 2004/05, 29 435, nr. 154), voorzover die
niet behoren tot een gebied als bedoeld in artikel 10a, eerste
lid, van de Natuurbeschermingswet 1998.
3. Het tweede lid, onder a, onder 2°, geldt niet indien een
bepaling uitsluitend betrekking heeft op een besluit als bedoeld
in dat lid, onder c.
4. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt
onder bevoegd gezag verstaan het bestuursorgaan dat bevoegd is tot
het voorbereiden dan wel vaststellen van een plan of een besluit.
5. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden,
voor zover zij niet reeds op grond van andere wettelijke
bepalingen als zodanig dienen te worden aangemerkt, tevens als
adviseurs aangemerkt:
a. indien het bevoegd gezag een orgaan van de centrale
overheid is: een door Onze Minister aangewezen bestuursorgaan,
een door Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit aangewezen bestuursorgaan en een door Onze
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangewezen
bestuursorgaan;
b. indien het bevoegd gezag een ander bestuursorgaan is:
1º. een door Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit aangewezen bestuursorgaan en een door
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
aangewezen bestuursorgaan, en
2º. de inspecteur, voor zover het betreft het
oprichten, wijzigen of uitbreiden van een inrichting die
behoort tot een krachtens artikel 8.7, eerste lid, onder
a, aangewezen categorie.
Artikel 7.1a [Vervallen per 01-07-2010]
§ 7.2. Plannen en besluiten ten aanzien waarvan het maken van
een milieueffectrapport verplicht is
Artikel 7.2
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden de activiteiten
aangewezen:
a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het
milieu;
b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of
zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen
hebben.
2. Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid,
worden bij de maatregel de categorieën van plannen aangewezen bij
de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden
gemaakt. Een plan wordt slechts aangewezen indien het plan het
kader vormt voor een besluit als bedoeld in het derde of vierde
lid. Een plan vormt in elk geval het kader voor een zodanig
besluit indien in dat plan:
a. een locatie of een tracé wordt aangewezen voor die
activiteiten, of
b. een of meerdere locaties of tracés voor die
activiteiten worden overwogen.
3. Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid,
onder a, worden de categorieën van besluiten aangewezen bij de
voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
4. Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid,
onder b, worden de categorieën van besluiten aangewezen in het
kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of
7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel
bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de
voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
5. Bij de maatregel kan een plan worden aangemerkt als een
besluit als bedoeld in het derde of vierde lid, mits dat plan voor
de desbetreffende activiteit niet is aangewezen op grond van het
tweede lid.
6. Tot de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, kunnen mede
activiteiten behoren, die in samenhang met andere activiteiten
belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu.
7. Tot de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, behoren
activiteiten waarvoor bij de maatregel categorieën van plannen en
besluiten worden aangewezen en die plaatsvinden in de exclusieve
economische zone.
8. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de aanwijzing van
een activiteit, dan wel van een plan of besluit slechts geldt in
daarbij aangewezen categorieën van gevallen.
Artikel 7.2a
1. Een milieueffectrapport wordt gemaakt bij de voorbereiding
van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke
bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met
een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet
worden gemaakt op grond van artikel 19j, tweede lid, van de
Natuurbeschermingswet 1998.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van
gevallen worden aangewezen, waarin sprake is van kleine gebieden
en kleine wijzigingen die geen aanzienlijke milieueffecten hebben,
waarop de verplichting tot het maken van een milieueffectrapport,
als bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing is.
3. Tot een activiteit als bedoeld in het eerste lid behoort een
activiteit als bedoeld in dat lid die plaatsvindt in de exclusieve
economische zone.
Artikel 7.3
1. Bij de maatregel, bedoeld in artikel 7.2, worden geen
plannen aangewezen die:
a. uitsluitend betrekking hebben op de landsverdediging of
op een noodsituatie als bedoeld in de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden;
b. betrekking hebben op de begroting of financiën van het
Rijk, de provincie, de gemeente of een waterschap.
2. Artikel 7.2a is niet van toepassing met betrekking tot
plannen als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 7.4 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7.5 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7.6
1. Provinciale staten kunnen met het oog op de bescherming van
het milieu in binnen hun provincie gelegen gebieden, niet zijnde
gebieden als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van de
Natuurbeschermingswet 1998, die van bijzondere betekenis zijn of
waarin het milieu reeds in ernstige mate is verontreinigd of
aangetast in de provinciale milieuverordening activiteiten
aanwijzen, die niet zijn opgenomen in een algemene maatregel van
bestuur krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder a, en die
belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu in die
gebieden. Artikel 7.2, zesde en achtste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. Terzake van die activiteiten kunnen zij de categorieën van
plannen aanwijzen bij de voorbereiding waarvan een
milieueffectrapport moet worden gemaakt indien die activiteiten
binnen hun provincie worden uitgevoerd. De artikelen 7.2, tweede
lid, tweede en derde volzin, vijfde en achtste lid, en 7.3, eerste
lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Terzake van die activiteiten wijzen zij de categorieën van
besluiten aan bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport
moet worden gemaakt indien die activiteiten binnen hun provincie
worden uitgevoerd.
4. Op de voorbereiding van een besluit, houdende een aanwijzing
krachtens het eerste tot en met derde lid, is afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing; zienswijzen kunnen naar
voren worden gebracht door een ieder. Gedeputeerde staten plegen
over het ontwerp overleg met burgemeester en wethouders van de
gemeenten en de dagelijkse besturen van de waterschappen in hun
provincie. Zij stellen de bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.1,
vijfde lid, onder b, onder 1, en Onze Minister in de gelegenheid
omtrent het ontwerp advies uit te brengen.
5. Gedeputeerde staten leggen met het ontwerp van het besluit
aan provinciale staten een verslag over van het gevoerde overleg,
de uitgebrachte adviezen en de naar voren gebrachte zienswijzen,
waarbij zij onder opgave van redenen aangeven in hoeverre daarmee
rekening is gehouden.
6. Tegelijkertijd met de bekendmaking van het besluit, houdende
een aanwijzing als bedoeld in het eerste tot en met derde lid,
wordt daarvan mededeling gedaan door toezending van een exemplaar
aan ieder van Onze Ministers en, voorzover het de aanwijzing
betreft van categorieën van besluiten als bedoeld in het derde
lid, aan de commissie.
§ 7.3. Het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan
Artikel 7.7
1. Het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan,
wordt opgesteld door het bevoegd gezag en bevat ten minste:
a. een beschrijving van hetgeen met de voorgenomen
activiteit wordt beoogd;
b. een beschrijving van de voorgenomen activiteit, alsmede
van de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in
beschouwing dienen te worden genomen, en de motivering van de
keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven;
c. een overzicht van eerder vastgestelde plannen die
betrekking hebben op de voorgenomen activiteit en de
beschreven alternatieven;
d. een beschrijving van de bestaande toestand van het
milieu, voor zover de voorgenomen activiteit of de beschreven
alternatieven daarvoor gevolgen kunnen hebben, alsmede van de
te verwachten ontwikkeling van dat milieu, indien die
activiteit noch de alternatieven worden ondernomen;
e. een beschrijving van de gevolgen voor het milieu, die de
voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven
alternatieven kunnen hebben, alsmede een motivering van de
wijze waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven;
f. een vergelijking van de ingevolge onderdeel d beschreven
te verwachten ontwikkeling van het milieu met de beschreven
mogelijke gevolgen voor het milieu van de voorgenomen
activiteit, alsmede met de beschreven mogelijke gevolgen voor
het milieu van elk der in beschouwing genomen alternatieven;
g. een beschrijving van de maatregelen om belangrijke
nadelige gevolgen op het milieu van de activiteit te
voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk teniet te doen;
h. een overzicht van de leemten in de beschrijvingen,
bedoeld in de onderdelen d en e, ten gevolge van het ontbreken
van de benodigde gegevens;
i. een samenvatting die aan een algemeen publiek voldoende
inzicht geeft voor de beoordeling van het milieueffectrapport
en van de daarin beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu
van de voorgenomen activiteit en van de beschreven
alternatieven.
2. Het milieueffectrapport is gesteld in de Nederlandse taal.
De in het eerste lid, onder i, bedoelde samenvatting is steeds in
de Nederlandse taal gesteld. Indien een activiteit belangrijke
nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu in een ander land,
zendt degene die de activiteit onderneemt, op verzoek van het
bevoegd gezag binnen een bij dat verzoek te bepalen termijn een
vertaling van de samenvatting in de landstaal van het gebied in
het andere land waar de activiteit belangrijke nadelige gevolgen
kan hebben.
3. Het bevoegd gezag:
a. stemt het rapport, waaronder het detailniveau daarvan,
af op de mate van gedetailleerdheid van het plan en op de fase
van het besluitvormingsproces waarin het plan zich bevindt,
alsmede, indien het plan deel uitmaakt van een hiërarchie van
plannen, in het bijzonder op de plaats die het plan inneemt in
die hiërarchie;
b. mag gebruik maken van andere milieueffectrapporten die
voldoen aan het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de wijze waarop de in het eerste lid
bedoelde gegevens worden bepaald en beschreven.
§ 7.4. De voorbereiding van een milieueffectrapport dat
betrekking heeft op een plan
Artikel 7.8
Alvorens het milieueffectrapport op te stellen, raadpleegt het
bevoegd gezag de adviseurs en de bestuursorganen die ingevolge het
wettelijk voorschrift waarop het plan berust bij de voorbereiding
van het plan worden betrokken over de reikwijdte en het detailniveau
van de informatie die gericht is op wat relevant is voor het plan en
die op grond van artikel 7.7 in het milieueffectrapport moet worden
opgenomen.
Artikel 7.9
1. Zo spoedig mogelijk nadat een bestuursorgaan het voornemen
heeft opgevat tot het voorbereiden van een plan, maar uiterlijk op
het moment dat het toepassing geeft aan artikel 7.8, geeft het
kennis van dat voornemen, met overeenkomstige toepassing van
artikel 3:12, eerste en tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht.
2. In de kennisgeving wordt vermeld:
a. dat stukken betreffende het voornemen openbaar zullen
worden gemaakt, en waar en wanneer,
b. dat er gelegenheid wordt geboden zienswijzen over het
voornemen naar voren te brengen, aan wie, op welke wijze en
binnen welke termijn,
c. of de commissie of een andere onafhankelijke instantie
in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen over het
voornemen, en
d. of met betrekking tot het ontwerp van het plan
toepassing moet worden gegeven aan artikel 7.11.
3. In de kennisgeving wordt voorts vermeld, indien het
milieueffectrapport betrekking heeft op een krachtens artikel 7.2,
tweede lid, aangewezen plan, en de daarin voorgenomen, krachtens
het eerste lid van dat artikel aangewezen, activiteit plaatsvindt
in een gebied dat onderdeel uitmaakt van de ecologische
hoofdstructuur: dat de in het plan voorgenomen activiteit
plaatsvindt in de ecologische hoofdstructuur.
4. Kennisgeving vindt plaats in een publicatie in een ander
land ingeval er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige
gevolgen voor het milieu in dat andere land.
Artikel 7.10
1. Een milieueffectrapport is gereed op het moment dat het
ontwerp van het plan ter inzage wordt gelegd.
2. Het milieueffectrapport kan worden opgenomen bij of in het
plan, mits het daarbij of daarin als zodanig herkenbaar is
weergegeven.
§ 7.5. Het plan
Artikel 7.11
1. Indien de procedure van totstandkoming van een plan er niet
in voorziet dat het ontwerp van dat plan ter inzage wordt gelegd
en een ieder in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze over
dat ontwerp naar voren te brengen, wordt in afwijking van die
procedure:
a. met betrekking tot het ontwerp van dat plan toepassing
gegeven aan de artikelen 3:11 en 3:12 van de Algemene wet
bestuursrecht, en
b. een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over
het ontwerp naar voren te brengen, overeenkomstig de artikelen
3:15 en 3:16 van die wet.
2. Indien het milieueffectrapport niet is opgenomen in het
ontwerp van het plan:
a. wordt bij de terinzagelegging, bedoeld in artikel 3:11,
van de Algemene wet bestuursrecht, tevens het rapport ter
inzage gelegd,
b. wordt bij de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12, van
die wet, tevens kennisgegeven van het rapport, en
c. kan een zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 van die
wet tevens betrekking hebben op het rapport.
3. Indien het eerste lid, onder a, van toepassing is, wordt,
indien krachtens wettelijk voorschrift een plan binnen een
bepaalde termijn moet worden vastgesteld, welke termijn korter is
dan de termijn, bedoeld in artikel 3:16 van de Algemene wet
bestuursrecht, die termijn verlengd tot de termijn, bedoeld in
artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht, vermeerderd met
twee weken.
Artikel 7.12
1. Indien het milieueffectrapport betrekking heeft op een
krachtens artikel 7.2, tweede lid, aangewezen plan of op een plan
als bedoeld in artikel 7.2a, eerste lid, wordt de commissie
uiterlijk op het moment dat de in artikel 7.11 genoemde stukken
ter inzage worden gelegd in de gelegenheid gesteld advies uit te
brengen over dat rapport overeenkomstig de termijn die geldt voor
het inbrengen van zienswijzen.
2. Indien er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige
grensoverschrijdende gevolgen voor het milieu, gaat de commissie,
indien zij advies uitbrengt, daar in haar advies op in.
Artikel 7.13
Het bevoegd gezag stelt een plan niet vast:
a. dan nadat het toepassing heeft gegeven aan de paragrafen
7.3 en 7.4;
b. indien het plan ten opzichte van het ontwerp van dat plan
zodanig is gewijzigd dat de gegevens die in het
milieueffectrapport zijn opgenomen redelijkerwijs niet meer aan
het plan ten grondslag kunnen worden gelegd.
Artikel 7.14
1. In of bij het plan wordt in ieder geval vermeld:
a. de wijze waarop rekening is gehouden met de in het
milieueffectrapport beschreven mogelijke gevolgen voor het
milieu van de activiteit waarop het plan betrekking heeft;
b. hetgeen is overwogen omtrent de in het
milieueffectrapport beschreven alternatieven;
c. hetgeen is overwogen omtrent de bij het ontwerp van het
plan terzake van het milieueffectrapport naar voren gebrachte
zienswijzen;
d. hetgeen is overwogen omtrent het door de commissie
overeenkomstig artikel 7.12 uitgebrachte advies.
2. Indien van toepassing wordt in het plan tevens vermeld:
a. hetgeen in het milieueffectrapport of in het advies,
bedoeld in artikel 7.12, omtrent mogelijke belangrijke
nadelige grensoverschrijdende milieugevolgen is overwogen;
b. hetgeen is overwogen omtrent de uitkomsten van het
overleg, bedoeld in artikel 7.38a, vijfde lid.
3. Het bevoegd gezag bepaalt bij het plan de termijn of de
termijnen waarop met het onderzoek, bedoeld in artikel 7.39, wordt
begonnen, alsmede de wijze waarop het dat onderzoek zal
verrichten.
4. Degene die de in dat plan voorgenomen activiteit onderneemt,
verleent aan het bevoegd gezag desgevraagd alle medewerking en
verstrekt alle inlichtingen, die het redelijkerwijs voor het
verrichten van het onderzoek, bedoeld in het derde lid, behoeft.
Artikel 7.15
1. Indien de procedure van totstandkoming van een plan niet
voorziet in:
a. een openbare kennisgeving van een vastgesteld plan,
wordt dat plan bekend gemaakt op de wijze, voorzien in artikel
3:42 van de Algemene wet bestuursrecht;
b. mededeling door toezending van een exemplaar van een
vastgesteld plan aan de commissie en degenen die bij de
voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht,
wordt mededeling gedaan zoals voorzien in artikel 3:43 van de
Algemene wet bestuursrecht.
2. Indien het milieueffectrapport niet is opgenomen in het plan
wordt van dat rapport kennisgegeven tegelijk met het plan.
§ 7.6. Besluiten ten aanzien waarvan moet worden beoordeeld of
een milieueffectrapport moet worden gemaakt
Artikel 7.16
1. Indien degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen
krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, voornemens is een
verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in
het vierde lid van dat artikel, deelt hij dat voornemen
schriftelijk mee aan het bevoegd gezag.
2. Bij de mededeling, bedoeld in het eerste lid, wordt in elk
geval aandacht besteed aan de in artikel 7.17, eerste lid,
bedoelde nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan
hebben.
3. Bij een mededeling als bedoeld in het eerste lid kan degene
die de activiteit wil ondernemen, verklaren dat hij bij de
voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport maakt.
Artikel 7.17
1. Behoudens in het geval dat toepassing is gegeven aan artikel
7.16, derde lid, neemt het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de
datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de
voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit,
vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu
kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
2. Indien met betrekking tot de activiteit meer dan één
besluit is aangewezen, nemen de bevoegde bestuursorganen de in het
eerste lid bedoelde beslissing gezamenlijk.
3. Het bevoegd gezag houdt bij zijn beslissing rekening met de
in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling
aangegeven criteria.
4. Het bevoegd gezag doet mededeling van zijn beslissing door:
a. kennisgeving in een of meer dag-, nieuws- of
huis-aan-huis-bladen, en indien is beslist dat voor de
activiteit geen milieueffectrapport moet worden gemaakt,
kennisgeving in de Staatscourant;
b. kennisgeving in een publicatie in een ander land indien
er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor
het milieu in dat andere land;
c. terinzagelegging.
5. In kennisgevingen als bedoeld in het vierde lid vermeldt het
bevoegd gezag ten minste:
a. het tijdstip waarop een exemplaar van de beslissing ter
inzage wordt gelegd, alsmede de uren waarop en de plaats waar
het ter inzage ligt;
b. de strekking van de beslissing.
Artikel 7.18
Degene die een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2,
eerste lid, onder b, wil ondernemen, maakt een milieueffectrapport,
indien:
a. het bevoegd gezag heeft beslist dat bij de voorbereiding
van het betrokken besluit een milieueffectrapport moet worden
gemaakt;
b. hij een verklaring gegeven heeft als bedoeld in artikel
7.16, derde lid.
Artikel 7.19
1. Indien het bevoegd gezag degene is die een activiteit,
aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, wil
ondernemen, neemt het in een zo vroeg mogelijk stadium voor de
voorbereiding van het besluit dat krachtens het vierde lid van dat
artikel is aangewezen een beslissing omtrent de vraag of vanwege
de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu
kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Artikel
7.17, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Onder een zo vroeg mogelijk stadium wordt het volgende
verstaan:
a. indien het een besluit betreft waarvan krachtens
wettelijk voorschrift het voorontwerp van het besluit ter
inzage wordt gelegd, het stadium voorafgaand aan de
terinzagelegging van dat voorontwerp, of
b. indien onderdeel a niet van toepassing is, het stadium
voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp-besluit.
3. Het bevoegd gezag neemt de beslissing na overleg met de
bestuursorganen die bij of krachtens een wet moeten worden
betrokken bij de voorbereiding van het betrokken besluit.
4. Het bevoegd gezag doet van zijn beslissing mededeling door:
a. kennisgeving in een of meer dag-, nieuws- of
huis-aan-huis-bladen, en indien is beslist dat voor de
activiteit geen milieueffectrapport wordt gemaakt,
kennisgeving in de Staatscourant;
b. kennisgeving in een publicatie in een ander land indien
er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor
het milieu in dat andere land;
c. terinzagelegging.
5. In de kennisgevingen, bedoeld in het vierde lid, vermeldt
het bevoegd gezag ten minste:
a. het tijdstip waarop een exemplaar van de beslissing ter
inzage wordt gelegd, alsmede de uren waarop en de plaats waar
het ter inzage ligt;
b. de strekking van de beslissing.
Artikel 7.20
De artikelen 7.16 tot en met 7.19 vinden geen toepassing ten
aanzien van een activiteit, aangewezen in een algemene maatregel van
bestuur krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, voor zover die
activiteit bij een provinciale verordening krachtens artikel 7.6,
eerste lid, overeenkomstig de omschrijving in die algemene maatregel
van bestuur is aangewezen en het een besluit betreft dat ter zake
van die activiteit bij die verordening overeenkomstig die maatregel
is aangewezen.
§ 7.7. Het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een
besluit
Artikel 7.21
1. Het bevoegd gezag kan op verzoek van degene die de
activiteit onderneemt ontheffing verlenen van de verplichting tot
het maken van een milieueffectrapport bij de voorbereiding van een
krachtens artikel 7.2, derde lid, dan wel artikel 7.6, derde lid,
aangewezen besluit in gevallen waarin het algemeen belang het
onverwijld ondernemen van de activiteit waarop die besluiten
betrekking hebben, noodzakelijk maakt.
2. Een verzoek om ontheffing bevat in elk geval:
a. een beschrijving van de voorgenomen activiteit;
b. een beschrijving van de omstandigheden waaronder de
activiteit zal worden uitgevoerd;
c. de redenen voor het verzoek, en
d. een aanduiding van de mogelijke belangrijke nadelige
gevolgen voor het milieu.
3. Indien in een verzoek als bedoeld in het tweede lid wordt
verwezen naar stukken, gaat het verzoek vergezeld van die stukken.
4. De beslissing op het verzoek wordt genomen uiterlijk negen
weken na de ontvangst daarvan. Tegelijkertijd met de bekendmaking
wordt van de beslissing mededeling gedaan aan Onze Ministers.
5. Uiterlijk twee weken na de mededeling, bedoeld in het vierde
lid, doet het bevoegd gezag gelijktijdig mededeling van de
beslissing op het verzoek, bedoeld in dat lid, door kennisgeving
in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen, en in de
Staatscourant, en wordt een exemplaar van de beslissing ter inzage
gelegd, ten aanzien waarvan in de kennisgeving de plaats, het
tijdstip en de uren worden vermeld.
Artikel 7.22
1. In gevallen waarin een besluit wordt genomen op verzoek van
degene die de betrokken activiteit onderneemt, maakt deze het
milieueffectrapport.
2. In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen maakt
het bevoegd gezag het milieueffectrapport.
Artikel 7.23
1. Een milieueffectrapport bevat de volgende gegevens:
a. een beschrijving van hetgeen met de voorgenomen
activiteit wordt beoogd;
b. een beschrijving van de voorgenomen activiteit en van de
wijze waarop zij zal worden uitgevoerd, alsmede van de
alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing
dienen te worden genomen, en de motivering van de keuze voor
de in beschouwing genomen alternatieven;
c. een aanduiding van het besluit of de besluiten bij de
voorbereiding waarvan het milieueffectrapport wordt gemaakt,
en een overzicht van de eerder genomen beslissingen van
bestuursorganen, die betrekking hebben op de voorgenomen
activiteit en de beschreven alternatieven.
d. een beschrijving van de bestaande toestand van het
milieu, voor zover de voorgenomen activiteit of de beschreven
alternatieven daarvoor gevolgen kunnen hebben, alsmede van de
te verwachten ontwikkeling van dat milieu, indien die
activiteit noch de alternatieven worden ondernomen;
e. een beschrijving van de gevolgen voor het milieu, die de
voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven
alternatieven kunnen hebben, alsmede een motivering van de
wijze waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven;
f. een vergelijking van de ingevolge onderdeel d beschreven
te verwachten ontwikkeling van het milieu met de beschreven
mogelijke gevolgen voor het milieu van de voorgenomen
activiteit, alsmede met de beschreven mogelijke gevolgen voor
het milieu van elk der in beschouwing genomen alternatieven;
g. een beschrijving van de maatregelen om belangrijke
nadelige milieueffecten van de activiteit te voorkomen, te
beperken of zoveel mogelijk teniet te doen;
h. een overzicht van de leemten in de beschrijvingen,
bedoeld in de onderdelen d en e, ten gevolge van het ontbreken
van de benodigde gegevens;
i. een samenvatting die aan een algemeen publiek voldoende
inzicht geeft voor de beoordeling van het milieueffectrapport
en van de daarin beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu
van de voorgenomen activiteit en van de beschreven
alternatieven;
j. alsmede de gegevens die zijn aangewezen in bijlage IV
van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling, voor zover het
milieueffectrapport deze gegevens niet reeds op grond van de
onderdelen a tot en met i bevat.
2. Het milieueffectrapport is gesteld in de Nederlandse taal.
Het bevoegd gezag kan aan degene die de activiteit onderneemt, bij
het geven van het in artikel 7.26 onderscheidenlijk artikel 7.27
bedoelde advies toestemming verlenen het rapport in een daarbij
aan te wijzen andere taal te stellen. De in het eerste lid, onder
i, bedoelde samenvatting is steeds in de Nederlandse taal gesteld.
Indien een activiteit bij de voorbereiding waarvan een
milieueffectrapport moet worden gemaakt, belangrijke nadelige
gevolgen kan hebben voor het milieu in een ander land, zendt
degene die de activiteit onderneemt, op verzoek van het bevoegd
gezag binnen een bij dat verzoek te bepalen termijn een vertaling
van de samenvatting in de landstaal van het gebied in het andere
land waar de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de wijze waarop de in het eerste lid
bedoelde gegevens worden bepaald en beschreven.
§ 7.8. De voorbereiding van het milieueffectrapport dat
betrekking heeft op een besluit waarop afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van toepassing zijn, met
uitzondering van een besluit met betrekking tot een activiteit
waarvoor tevens een besluit is vereist waarvoor op grond van artikel
19f, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 een passende
beoordeling moet worden gemaakt
Artikel 7.24
1. Degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen
krachtens de artikelen 7.2, eerste lid, onder a, onder b in
samenhang met artikel 7.18, of 7.6, eerste lid, en die voornemens
is een aanvraag in te dienen tot het nemen van een besluit,
aangewezen krachtens artikel 7.2, derde of vierde lid, of 7.6,
derde lid, en waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht en afdeling 13.2 van toepassing zijn, deelt dat
voornemen schriftelijk mee aan het bevoegd gezag.
2. Op verzoek van de aanvrager brengt het bevoegd gezag advies
uit inzake de reikwijdte en het detailniveau van de informatie ten
behoeve van een milieueffectrapport.
3. Bij afwezigheid van een verzoek als bedoeld in het tweede
lid kan het bevoegd gezag ambtshalve advies uitbrengen.
Artikel 7.25
Het bevoegd gezag raadpleegt de adviseurs en de bestuursorganen,
die ingevolge het wettelijk voorschrift waarop het besluit berust
bij de voorbereiding van het besluit worden betrokken, ten behoeve
van het geven van advies als bedoeld in artikel 7.24, tweede en
derde lid, en pleegt voorts overleg over dat advies met degene die
de activiteit onderneemt.
Artikel 7.26
Het bevoegd gezag geeft uiterlijk zes weken na ontvangst van het
verzoek dan wel bij ontstentenis daarvan uiterlijk zes weken na de
mededeling van het voornemen, een advies als bedoeld in artikel
7.24. Het bevoegd gezag kan de termijn eenmaal met ten hoogste zes
weken verlengen.
Artikel 7.26a
Op de voorbereiding van een milieueffectrapport, ten aanzien van
een activiteit als bedoeld in artikel 7.24, eerste lid, dat
betrekking heeft op een besluit als bedoeld in dat lid en voor welke
activiteit tevens een besluit is vereist waarvoor op grond van
artikel 19f, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 een
passende beoordeling moet worden gemaakt, is in afwijking van de
artikelen 7.24 tot en met 7.26, artikel 7.27 van overeenkomstige
toepassing.
§ 7.9. De voorbereiding van het milieueffectrapport dat
betrekking heeft op een besluit waarop afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht of afdeling 13.2 niet van toepassing zijn alsmede
een besluit waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en
afdeling 13.2 van toepassing zijn met betrekking tot een activiteit
waarvoor tevens een besluit is vereist waarvoor op grond van artikel
19f, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 een passende
beoordeling moet worden gemaakt
Artikel 7.27
1. Degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen
krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder a, dan wel onder b, in
samenhang met artikel 7.18, of 7.6, eerste lid, en die voornemens
is een aanvraag in te dienen tot het nemen van een besluit,
aangewezen krachtens artikel 7.2, derde of vierde lid, en waarop
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht of afdeling 13.2
niet van toepassing zijn, deelt dat voornemen zo spoedig mogelijk
schriftelijk mee aan het bevoegd gezag.
2. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de mededeling, bedoeld
in het eerste lid, dan wel alvorens het milieueffectrapport op te
stellen, indien een bestuursorgaan degene is die de activiteit wil
ondernemen, raadpleegt het bevoegd gezag de adviseurs en de
bestuursorganen die ingevolge het wettelijk voorschrift waarop het
besluit berust bij de voorbereiding van het besluit worden
betrokken, over de reikwijdte en het detailniveau van de
informatie die is gericht op wat relevant is voor het besluit en
die op grond van artikel 7.23 in het milieueffectrapport moet
worden opgenomen.
3. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de mededeling dan wel
na het opvatten van het voornemen door een bestuursorgaan, maar
uiterlijk op het moment dat het toepassing geeft aan het tweede
lid, geeft het bevoegd gezag kennis van het voornemen, bedoeld in
het eerste lid, dan wel van zijn eigen voornemen, met
overeenkomstige toepassing van artikel 3:12, eerste en tweede lid,
van de Algemene wet bestuursrecht.
4. In de kennisgeving wordt vermeld:
a. dat stukken betreffende het voornemen openbaar zullen
worden gemaakt, en waar en wanneer,
b. dat er gelegenheid wordt geboden zienswijzen over het
voornemen naar voren te brengen, aan wie, op welke wijze en
binnen welke termijn, en
c. of de commissie of een andere onafhankelijke instantie
in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen over het
voornemen.
5. In de kennisgeving wordt voorts vermeld indien het
milieueffectrapport betrekking heeft op een krachtens artikel 7.2,
derde of vierde lid, aangewezen besluit en voor de daarin
voorgenomen, krachtens het eerste lid, onder a, van dat artikel
aangewezen, activiteit een passende beoordeling moet worden
gemaakt in verband met de mogelijke significante gevolgen voor een
Natura 2000-gebied: dat voor de activiteit een passende
beoordeling moet worden gemaakt in verband met de mogelijke
significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied.
6. Kennisgeving vindt plaats in een publicatie in een ander
land ingeval er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige
gevolgen voor het milieu in dat andere land.
7. In het geval het bevoegd gezag niet degene is die de
activiteit wil ondernemen, geeft het uiterlijk zes weken na
ontvangst van de mededeling, een advies inzake de reikwijdte en
het detailniveau van de informatie ten behoeve van een
milieueffectrapport. Het bevoegd gezag kan de termijn eenmaal met
ten hoogste zes weken verlengen.
§ 7.10. Het besluit
Artikel 7.28
1. Het bevoegd gezag laat een aanvraag om een besluit buiten
behandeling indien
a. bij het indienen van de aanvraag geen
milieueffectrapport is overgelegd, tenzij van de plicht tot
het opstellen van een milieueffectrapport op grond van artikel
7.21 ontheffing is verleend;
b. het overgelegde milieueffectrapport, mede gelet op het
advies wanneer dat daarover op grond van artikel 7.26
onderscheidenlijk artikel 7.27 is gegeven, niet voldoet aan
artikel 7.23, dan wel onjuistheden bevat;
c. in gevallen waarin krachtens artikel 14.5 ter
voorbereiding van meer dan een besluit één
milieueffectrapport wordt gemaakt, de van de aanvrager
afkomstige aanvragen tot het nemen van de andere betrokken
besluiten niet tegelijkertijd worden ingediend.
2. Het bevoegd gezag laat de aanvraag tevens buiten behandeling
indien deze een besluit als bedoeld in artikel 7.2, vierde lid,
betreft, dat krachtens wettelijk voorschrift op aanvraag wordt
genomen, en waarover krachtens artikel 7.17, eerste lid, geen
beslissing is genomen dan wel is beslist dat een
milieueffectrapport moet worden gemaakt hetwelk niet is
overgelegd.
Artikel 7.29
1. Indien van een aanvraag als bedoeld in artikel 7.28,
openbaar kennis wordt gegeven, wordt van het milieueffectrapport
gelijktijdig openbaar kennisgegeven.
2. In het geval er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige
gevolgen voor het milieu in een ander land, geschiedt de openbare
kennisgeving van de aanvraag en het milieueffectrapport in een
publicatie in dat andere land.
Artikel 7.30
1. Indien de procedure van totstandkoming van het besluit
voorziet in openbare kennisgeving van het voorontwerp of het
ontwerp van een besluit, wordt van het milieueffectrapport
gelijktijdig openbaar kennisgegeven, behoudens in gevallen als
bedoeld in artikel 7.29. Indien die procedure voorziet in openbare
kennisgeving van zowel een voorontwerp als een ontwerp van het
besluit, wordt van het milieueffectrapport gelijktijdig met het
voorontwerp kennisgegeven.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de
openbare kennisgeving in een publicatie in een ander land in het
geval er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen
voor het milieu in dat andere land.
3. Indien de procedure van totstandkoming van het besluit niet
voorziet in openbare kennisgeving van de aanvraag, het voorontwerp
of het ontwerp van een besluit, wordt in afwijking van die
procedure, van het milieueffectrapport gelijktijdig met het
ontwerp van het besluit openbaar kennisgegeven met toepassing van
artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 7.31 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 7.32
1. Indien een aanvraag als bedoeld in artikel 7.28, dan wel het
voorontwerp of het ontwerp van een besluit als bedoeld in artikel
7.30, ter inzage wordt gelegd en een ieder in de gelegenheid wordt
gesteld daarover zienswijzen naar voren te brengen, kunnen
zienswijzen over het milieueffectrapport gelijktijdig naar voren
worden gebracht met zienswijzen over die aanvraag dan wel dat
voorontwerp of ontwerp, waarmee het milieueffectrapport ter inzage
is gelegd.
2. Indien de procedure van totstandkoming van een besluit er
niet in voorziet dat de aanvraag, het voorontwerp of het ontwerp
van het besluit ter inzage wordt gelegd en een ieder in de
gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te
brengen, zijn in afwijking van die procedure de artikelen 3:11,
3:12, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing. Zienswijzen over het milieueffectrapport kunnen naar
voren worden gebracht door een ieder. Zienswijzen over het
milieueffectrapport kunnen gelijktijdig naar voren worden gebracht
met de zienswijzen over het ontwerp van het besluit.
3. De zienswijzen op het milieueffectrapport kunnen slechts
betrekking hebben op de inhoud van het milieueffectrapport, het
niet voldoen van het rapport aan de bij of krachtens artikel 7.23
gestelde regels dan wel op onjuistheden die het rapport bevat.
4. Indien het eerste lid van toepassing is en de procedure van
totstandkoming van een besluit voorziet in de vaststelling van een
besluit binnen een bepaalde termijn, dan wordt die termijn,
wanneer deze korter is dan de termijn, bedoeld in artikel 3:16 van
de Algemene wet bestuursrecht, verlengd tot de termijn, bedoeld in
artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht vermeerderd met
twee weken.
5. Artikel 7.12 is van overeenkomstige toepassing op een
besluit waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht of
afdeling 13.2 niet van toepassing zijn, en op een besluit ter zake
van een activiteit als bedoeld in artikel 7.26a.
Artikel 7.33 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 7.34 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7.35
1.Bij het nemen van een besluit houdt het bevoegd gezag
rekening met alle gevolgen die de activiteit waarop het besluit
betrekking heeft, voor het milieu kan hebben.
2.Behoudens voor zover bij of krachtens het derde tot en met
zesde lid anders is voorzien, is het eerste lid slechts van
toepassing voor zover de wettelijke regeling waarop het besluit
berust, zich daartegen niet verzet.
3.Het bevoegd gezag kan, indien ter zake van een activiteit
slechts één besluit is aangewezen, ongeacht de beperkingen die
ter zake in de wettelijke regeling waarop het besluit berust, zijn
gesteld:
a. naast de voorwaarden, voorschriften en beperkingen tot
het opnemen waarvan het ingevolge die wettelijke regeling
bevoegd is, in het besluit tevens alle andere voorwaarden,
voorschriften en beperkingen opnemen, die nodig zijn ter
bescherming van het milieu;
b. een beslissing nemen, ertoe strekkende dat de activiteit
niet wordt ondernomen, indien het ondernemen van die
activiteit tot ontoelaatbare nadelige gevolgen voor het milieu
kan leiden.
4.Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het derde
lid is, ongeacht hetgeen ter zake in de betrokken wettelijke
regeling is bepaald, afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing.
5.Indien op de voorbereiding van meer dan een van de ter zake
van eenzelfde activiteit aangewezen besluiten afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt een van die
besluiten aangewezen als het besluit waarop het derde lid van
toepassing is. Bij die aanwijzing kan worden bepaald dat zij
slechts geldt in daarbij aangegeven gevallen. De aanwijzing
geschiedt bij algemene maatregel van bestuur.
6.Met betrekking tot het krachtens het vijfde lid aangewezen
besluit is het derde lid van toepassing, met dien verstande dat
slechts voorwaarden, voorschriften en beperkingen kunnen worden
gesteld met betrekking tot onderwerpen waaromtrent geen
voorwaarden, voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld
bij de andere in het vijfde lid bedoelde besluiten.
7.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden
gesteld met betrekking tot de toepassing van het derde lid.
Artikel 7.36
Een krachtens een andere wettelijke regeling te nemen besluit
wordt, ook voor zover daarbij artikel 7.35 wordt toegepast, geacht
krachtens die regeling te worden genomen.
Artikel 7.36a
Het bevoegd gezag neemt een besluit niet:
a. dan nadat het toepassing heeft gegeven aan de artikelen
7.22 en 7.23 en aan paragraaf 7.8 of 7.9;
b. indien de gegevens die in het milieueffectrapport zijn
opgenomen redelijkerwijs niet meer aan het besluit ten grondslag
kunnen worden gelegd.
Artikel 7.37
1. In het besluit wordt in ieder geval vermeld:
a. de wijze waarop rekening is gehouden met de in het
milieueffectrapport beschreven mogelijke gevolgen voor het
milieu van de activiteit waarop het besluit betrekking heeft;
b. hetgeen is overwogen omtrent de in het
milieueffectrapport beschreven alternatieven;
c. hetgeen is overwogen omtrent de overeenkomstig artikel
7.32 ter zake van het milieueffectrapport naar voren gebrachte
zienswijzen.
2. In het besluit wordt tevens vermeld:
a. indien de commissie overeenkomstig artikel 7.32, vijfde
lid, in samenhang met artikel 7.12, advies heeft uitgebracht,
hetgeen is overwogen omtrent dat advies;
b. indien van toepassing, hetgeen in het
milieueffectrapport omtrent mogelijke belangrijke nadelige
grensoverschrijdende milieugevolgen is overwogen, en
c. indien van toepassing, hetgeen is overwogen omtrent de
uitkomsten van het overleg, bedoeld in artikel 7.38a, vijfde
lid.
3. Het bevoegd gezag bepaalt bij het besluit de termijn of de
termijnen waarop met het onderzoek, bedoeld in artikel 7.39, wordt
begonnen, alsmede de wijze waarop het dat onderzoek zal
verrichten.
4. Degene die de in dat besluit voorgenomen activiteit
onderneemt, verleent aan het bevoegd gezag desgevraagd alle
medewerking en verstrekt alle inlichtingen, die het redelijkerwijs
voor het verrichten van het onderzoek, bedoeld in het derde lid,
behoeft.
Artikel 7.38
Indien de procedure van totstandkoming van een besluit niet
voorziet in:
a. bekendmaking van een besluit, wordt dat besluit bekend
gemaakt op de wijze, voorzien in afdeling 3.6 van de Algemene
wet bestuursrecht;
b. mededeling door toezending van een exemplaar van een
besluit aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun
zienswijze naar voren hebben gebracht en, voor zover van
toepassing, aan de commissie, de adviseurs en de bestuursorganen
die bij de voorbereiding worden betrokken, wordt mededeling
gedaan zoals voorzien in artikel 3:44 van de Algemene wet
bestuursrecht.
§ 7.11. Activiteiten met mogelijke grensoverschrijdende
milieugevolgen
Artikel 7.38a
1. Nadat uit de in het kader van dit hoofdstuk verzamelde
informatie duidelijk is geworden dat er sprake is van mogelijke
belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een ander land
als gevolg van een voorgenomen activiteit, wordt de regering of
een door die regering aan te wijzen autoriteit van dat andere land
zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
2. Indien een in een plan voorgenomen activiteit belangrijke
nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben in een ander land,
wordt, onverminderd het eerste lid, aan de regering van dat land
of aan een door die regering aan te wijzen autoriteit van dat land
verstrekt:
a. het ontwerp van het plan, en, indien het
milieueffectrapport niet is opgenomen in dat ontwerp, het
milieueffectrapport, gelijktijdig met de terinzagelegging
daarvan in Nederland;
b. het vastgestelde plan, en, indien het
milieueffectrapport niet is opgenomen in dat plan, het
milieueffectrapport, gelijktijdig met de bekendmaking daarvan
in Nederland.
3. Indien een in een besluit voorgenomen activiteit belangrijke
nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu in een ander land,
wordt, onverminderd het eerste lid, aan de regering van dat land
of een door die regering aan te wijzen autoriteit van dat land
verstrekt:
a. de aanvraag, bedoeld in artikel 7.28, onderscheidenlijk
het voorontwerp of het ontwerp van het besluit alsmede de
milieueffectrapportage en, indien van toepassing, een advies
als bedoeld in artikel 7.26 onderscheidenlijk artikel 7.27,
gelijktijdig met de terinzagelegging daarvan in Nederland;
b. het besluit en het milieueffectrapport gelijktijdig met
de bekendmaking daarvan in Nederland.
4. Op de instanties die daartoe door de bevoegde autoriteit van
het andere land zijn aangewezen op grond van hun specifieke
verantwoordelijkheid op milieugebied zijn de artikelen 3:16,
eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de
artikelen 7.9, tweede lid, onder c, artikel 7.25,
onderscheidenlijk artikel 7.27, vierde lid, van overeenkomstige
toepassing. Tevens worden de in het tweede en derde lid bedoelde
bescheiden toegezonden aan deze instanties.
5. De ingevolge het tweede of derde lid te verstrekken stukken
dienen als grondslag voor het overleg met bestuursorganen in het
betrokken andere land over de belangrijke nadelige gevolgen die de
activiteit voor het milieu in dat andere land kan hebben, en de
maatregelen die worden overwogen om die gevolgen te voorkomen of
te beperken.
6. Het bevoegd gezag is belast met de taken die voortvloeien
uit de toepassing van het eerste tot en met vierde lid. Het
bevoegd gezag geeft informatie en zendt de ingevolge het tweede en
derde lid verstrekte stukken tevens aan Onze Minister, welke
stukken eveneens dienen als grondslag voor het door het bevoegd
gezag te voeren overleg, bedoeld in het vijfde lid.
7. Onze Minister is in algemene zin belast met het onderhouden
van contacten met de regering van het andere land en is betrokken
bij overleg op regeringsniveau indien het overleg over een
voorgenomen activiteit tussen het bevoegd gezag en de
bestuursorganen van dat land niet tot het gewenste resultaat heeft
geleid.
8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot het bepaalde in het tweede tot en met
vijfde lid.
Artikel 7.38b [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7.38c [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7.38d
Indien een ander land belangrijke nadelige gevolgen voor het
milieu meent te kunnen ondervinden van een in een plan dan wel
besluit voorgenomen activiteit in Nederland, geven het bevoegd
gezag, onderscheidenlijk Onze Minister op verzoek van dat land
toepassing aan artikel 7.38a, eerste tot en met vijfde lid, met
inachtneming van de taakverdeling tussen het bevoegd gezag en Onze
Minister, bedoeld in artikel 7.38a, zesde en zevende lid.
Artikel 7.38e
Indien een ander land belangrijke nadelige gevolgen voor het
milieu kan ondervinden van een in een plan, dan wel besluit
voorgenomen activiteit in Nederland kan Onze Minister bepalen dat
het bevoegd gezag dat plan dan wel besluit niet vaststelt dan nadat
Onze Minister gedurende dertien weken na het einde van de termijn
waarbinnen zienswijzen over het ontwerp van dat plan dan wel over de
aanvraag, het voorontwerp of ontwerp van dat besluit naar voren
kunnen worden gebracht, in de gelegenheid is gesteld de uitkomsten
van het overleg, bedoeld in artikel 7.38a, zevende lid, aan het
bevoegd gezag te doen toekomen.
Artikel 7.38f [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7.38g
Indien een voorgenomen activiteit in een ander land belangrijke
nadelige gevolgen voor het milieu in Nederland kan hebben, draagt
Onze Minister zorg voor het onderhouden van de contacten met dat
land indien er geen contact over een voorgenomen activiteit tot
stand is gekomen tussen de direct betrokken bestuursorganen in
Nederland en de bestuursorganen van het andere land dan wel indien
het contact niet tot het gewenste resultaat heeft geleid.
§ 7.12. Evaluatie
Artikel 7.39
1.Het bevoegd gezag dat een plan heeft vastgesteld of een
besluit heeft genomen, onderzoekt de gevolgen die de uitvoering
van dat plan, dan wel van dat besluit heeft voor het milieu,
wanneer de in het plan, dan wel in het besluit voorgenomen
activiteit wordt ondernomen of nadat zij is ondernomen.
2.Indien een in een plan opgenomen activiteit slechts kan
worden ondernomen nadat daarvoor een besluit is genomen, berust de
verplichting, bedoeld in het eerste lid, bij het gezag dat dat
besluit heeft genomen.
Artikel 7.40 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7.41
1. Het bevoegd gezag stelt een verslag op van het onderzoek.
2. Indien het milieueffectrapport betrekking heeft op een plan
zendt het bevoegd gezag het verslag aan de adviseurs, de
bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.8, en aan de commissie.
3. Indien het milieueffectrapport betrekking heeft op een
besluit zendt het bevoegd gezag het verslag aan degene die de
activiteit onderneemt, aan de bestuursorganen en aan de adviseurs.
Het maakt het verslag gelijktijdig bekend met overeenkomstige
toepassing van artikel 3:12, eerste en tweede lid, van de Algemene
wet bestuursrecht.
4. Indien het milieueffectrapport betrekking heeft op een
besluit waarover de commissie overeenkomstig artikel 7.32, vijfde
lid, in samenhang met artikel 7.12, advies heeft uitgebracht,
zendt het bevoegd gezag het verslag tevens aan die commissie.
Artikel 7.42
1.Indien uit het in artikel 7.39 bedoelde onderzoek blijkt dat
de activiteit in belangrijke mate nadeliger gevolgen voor het
milieu heeft dan die welke bij het vaststellen van het plan, dan
wel bij het nemen van het besluit werden verwacht, neemt het
bevoegd gezag, indien dat naar zijn oordeel nodig is, de hem ter
beschikking staande maatregelen ten einde die gevolgen zoveel
mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
2.Indien het bevoegd gezag met betrekking tot een besluit tot
het oordeel komt dat het moet worden gewijzigd of ingetrokken,
zijn op die wijziging of intrekking de artikelen 7.35 en 7.36 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.43 [Vervallen per 01-07-2010]
Hoofdstuk 8. Inrichtingen
Titel 8.1. Vergunningen
Afdeling 8.1.1. Algemeen
Artikel 8.1
1.Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning een
inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort:
a. op te richten;
b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;
c. in werking te hebben.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere categorieën
van inrichtingen worden aangewezen, waarvoor de in het eerste lid
bedoelde verboden gelden.
3.Voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid dan wel
voor een inrichting die behoort tot een aangewezen categorie van
inrichtingen als bedoeld in het tweede lid, geldt het verbod,
bedoeld in het eerste lid, onder b, niet met betrekking tot
veranderingen van die inrichting of van de werking daarvan, die in
overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende
vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften.
4.Voor een inrichting die behoort tot een aangewezen categorie
van inrichtingen als bedoeld in het tweede lid, geldt het verbod,
bedoeld in het eerste lid, onder b, evenmin met betrekking tot
veranderingen van die inrichting of van de werking daarvan, voor
zover daarop regels, gesteld krachtens een algemene maatregel van
bestuur op grond van artikel 8.40, van toepassing zijn.
Artikel 8.2
1. Burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de
inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, zijn
bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens
in gevallen als bedoeld in het tweede, het derde en het vierde
lid.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen
gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel
of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, of Onze Minister bevoegd
zijn te beslissen op de aanvraag om een vergunning. Een zodanige
maatregel wordt slechts vastgesteld met betrekking tot
categorieën van inrichtingen ten aanzien waarvan dat geboden is
gezien de aard en de omvang van de gevolgen die die inrichtingen
voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel met het oog op de
doelmatige bescherming van het milieu of met betrekking tot
categorieën van gevallen waarin dat geboden is met het oog op het
algemeen belang.
3. In afwijking van het eerste en het tweede lid is Onze
Minister van Economische Zaken bevoegd te beslissen op een
aanvraag om een vergunning voor een inrichting die in hoofdzaak
een krachtens artikel 1 van de Mijnbouwwet aangewezen mijnbouwwerk
is, voorzover het niet betreft de ondergronds gelegen inrichting
voor het opslaan van afvalstoffen die van buiten het betrokken
mijnbouwwerk afkomstig zijn, dan wel gevaarlijke stoffen.
4. In afwijking van het eerste en het tweede lid kan Onze
Minister - indien dat geboden is in het belang van de veiligheid
van de Staat - in overeenstemming met Onze betrokken Minister
bepalen dat hij ten aanzien van een bij zijn besluit aangewezen
inrichting bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een
vergunning.
Artikel 8.2a
1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een inrichting
die tevens een mijnbouwwerk is, maar geen aanvraag is als bedoeld
in artikel 8.2, derde lid, wordt de vergunning niet verleend dan
nadat Onze Minister van Economische Zaken heeft verklaard dat hij
daartegen, voor zover het de mijnbouwactiviteiten betreft, geen
bedenkingen heeft.
2. De verklaring, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden
geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu.
3. De artikelen 2.27, tweede, vierde, vijfde en zesde lid,
2.29, eerste lid, 2.31, eerste lid, onderdeel a, 2.33, eerste lid,
onderdeel c, 3.11 en 5.20, eerste lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht zijn van overeenkomstige toepassing met
dien verstande dat voor«omgevingsvergunning» telkens wordt
gelezen «een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet
milieubeheer» en voor «verklaring» telkens wordt gelezen:
verklaring als bedoeld in artikel 8.2a, eerste lid, van de Wet
milieubeheer.
Artikel 8.2b [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 8.3
1.Indien bij of krachtens een wettelijke bepaling, dan wel door
een verandering van de inrichting of de werking daarvan de
bevoegdheid te beslissen op aanvragen om een vergunning voor een
inrichting overgaat naar een ander orgaan, worden reeds voor die
inrichting verleende vergunningen gelijkgesteld met vergunningen,
verleend door dat andere orgaan.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot hetgeen verder regeling behoeft in
verband met een overgang als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8.4
1.Indien een vergunning wordt aangevraagd als bedoeld in
artikel 8.1, eerste lid, onder b , of artikel 8.1, tweede lid,
juncto artikel 8.1, eerste lid, onder b, voor het veranderen van
een inrichting of van de werking daarvan en voor die inrichting al
een of meer vergunningen krachtens deze wet zijn verleend, kan het
bevoegd gezag, uit eigen beweging of op verzoek, bepalen dat een
vergunning moet worden aangevraagd voor die verandering en voor
het in werking hebben na die verandering van de gehele inrichting
of onderdelen daarvan, waarmee die verandering samenhangt.
2.Indien het bevoegd gezag heeft bepaald dat een zodanige
vergunning moet worden aangevraagd, besluit het tot het buiten
behandeling laten van aanvragen om een vergunning voor de
betrokken verandering van de inrichting of van de werking daarvan,
die geen betrekking hebben op een zodanige vergunning.
3.Het bevoegd gezag kan de rechten die de vergunninghouder aan
de al eerder verleende vergunningen ontleende, niet wijzigen
anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2.
4.Een met toepassing van dit artikel verleende vergunning
vervangt met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treedt,
de eerder voor de inrichting of met betrekking tot de in het
eerste lid bedoelde onderdelen daarvan verleende vergunningen.
Deze vergunningen vervallen op het tijdstip waarop de met
toepassing van dit artikel verleende vergunning onherroepelijk
wordt.
Artikel 8.5
1.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de wijze waarop de aanvraag moet geschieden en de
gegevens die door de aanvrager moeten worden verstrekt met het oog
op de beslissing op de aanvraag.
2.Bij de maatregel wordt in ieder geval bepaald dat de
aanvrager in gevallen waarin de vergunning betrekking heeft op het
oprichten of veranderen van een inrichting, dat tevens is aan te
merken als bouwen in de zin van de Woningwet:
a. indien de aanvraag om bouwvergunning voor dat bouwen
tegelijk met de aanvraag om de vergunning krachtens deze wet
is ingediend, een afschrift van die aanvraag om bouwvergunning
bij zijn aanvraag overlegt;
b. indien de aanvraag om bouwvergunning voor dat bouwen
niet tegelijk met de aanvraag om de vergunning krachtens deze
wet wordt ingediend, een afschrift van die aanvraag om
bouwvergunning aan het bevoegd gezag overlegt gelijktijdig met
de indiening van die aanvraag.
3.Onze Minister kan nadere regels stellen ter uitvoering van
het bepaalde krachtens het eerste en tweede lid.
Artikel 8.6
Op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een
vergunning is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing.
Artikel 8.7
1.Het bevoegd gezag stelt
a. de inspecteur, indien de betrokken inrichting behoort
tot een door Onze Minister bij ministeriële regeling
aangewezen categorie,
b. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de
betrokken inrichting zal zijn of is gelegen, in gevallen
waarin zij niet het bevoegd gezag zijn,
c. andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
bestuursorganen in gevallen die bij die maatregel zijn
aangewezen,
in de gelegenheid hem advies uit te brengen over het ontwerp
van de beschikking op de aanvraag om een vergunning.
2.De adviseurs kunnen het bevoegd gezag te allen tijde uit
eigen beweging advies uitbrengen over de beslissing op de
aanvraag.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bestuursorganen
worden aangewezen, die - anders dan als adviseurs - eveneens bij
de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag worden
betrokken.
Artikel 8.8
1. Het bevoegd gezag betrekt bij de beslissing op de aanvraag
in ieder geval:
a. de bestaande toestand van het milieu, voor zover de
inrichting daarvoor gevolgen kan veroorzaken;
b. de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge
samenhang bezien, die de inrichting kan veroorzaken, mede
gezien haar technische kenmerken en haar geografische ligging;
c. de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar
de inrichting zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te
verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op
de bescherming van het milieu;
d. de voor het einde van de in artikel 3:16 van de Algemene
wet bestuursrecht bedoelde termijn overeenkomstig artikel 3:15
van die wet naar voren gebrachte zienswijzen en door de
krachtens artikel 8.7 aangewezen adviseurs en overeenkomstig
artikel 8.31 uitgebrachte adviezen;
e. de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de
nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting kan
veroorzaken, te voorkomen, dan wel zoveel mogelijk te
beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen;
f. het systeem van met elkaar samenhangende technische,
administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen
die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, te monitoren,
te beheersen en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, te
verminderen, dat degene die de inrichting drijft, met
betrekking tot de inrichting toepast, alsmede het milieubeleid
dat hij met betrekking tot de inrichting voert.
2. Het bevoegd gezag houdt bij de beslissing op de aanvraag in
ieder geval rekening met:
a. het voor hem geldende milieubeleidsplan;
b. het bepaalde in artikel 10.14;
c. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de
inrichting gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor
zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is
vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of artikel
5.17.
3. Het bevoegd gezag neemt bij de beslissing op de aanvraag in
ieder geval in acht:
a. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de
inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor
zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is
vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2, is
vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 dan wel voortvloeit
uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met
56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid , 64, 65 of 66 van de Wet
geluidhinder;
b. de voor hem geldende, krachtens artikel 8.45 gestelde
regels;
c. de voor hem geldende, krachtens artikel 8.46 gestelde
regels, behoudens voor zover een aanwijzing van Onze Minister
krachtens artikel 8.27 afwijking noodzakelijk maakt;
d. aanwijzingen die met betrekking tot de beslissing op de
aanvraag krachtens artikel 8.27 door Onze Minister zijn
gegeven.
4. In afwijking van het derde lid, onderdeel a, voor zover het
de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat
onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, neemt het
bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag voor een vergunning
voor een inrichting, gelegen op een industrieterrein waarvoor een
geluidreductieplan als bedoeld in artikel 67 van de Wet
geluidhinder is vastgesteld, het geldende geluidreductieplan in
acht.
5. Het derde lid, onderdeel a, voor zover het de geldende
grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel
genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, en het vierde lid zijn
niet van toepassing, indien blijkens de aanvraag de
geluidsbelasting van het gehele industrieterrein niet toeneemt.
6. Het bevoegd gezag geeft in de motivering van de beslissing
op de aanvraag aan, op welke wijze de in het eerste lid genoemde
aspecten de inhoud van het besluit hebben beïnvloed. Indien
toepassing wordt gegeven aan het vierde of vijfde lid, vermeldt
het bevoegd gezag dit in de motivering.
Artikel 8.9
Het bevoegd gezag draagt er bij de beslissing op de aanvraag zorg
voor dat er geen strijd ontstaat met regels die met betrekking tot
de inrichting gelden, gesteld bij of krachtens deze wet dan wel bij
of krachtens de in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wetten.
Artikel 8.10
1. De vergunning kan slechts in het belang van de bescherming
van het milieu worden geweigerd.
2. De vergunning wordt in ieder geval geweigerd indien:
a. door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de
inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking
komende beste beschikbare technieken worden toegepast;
b. verlening daarvan niet in overeenstemming zou zijn met
hetgeen overeenkomstig artikel 8.8, derde lid, door het
bevoegd gezag in acht moet worden genomen;
c. door verlening daarvan strijd zou ontstaan met regels
als bedoeld in artikel 8.9.
3. In afwijking van het eerste lid kan de vergunning tevens
worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou
ontstaan met een bestemmings- of inpassingsplan, een
projectbesluit daaronder begrepen een beheersverordening of regels
gesteld bij of krachtens een provinciale verordening of een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.1, derde
lid, onderscheidenlijk artikel 4.3, derde lid, van de Wet
ruimtelijke ordening.
4. In afwijking van het eerste lid kan de vergunning tevens
worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in
artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door
het openbaar bestuur.
5. Voordat toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, kan het
Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies
als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
Artikel 8.11
1.In een vergunning wordt duidelijk aangegeven waarop zij
betrekking heeft.
2.Een vergunning kan in het belang van de bescherming van het
milieu onder beperkingen worden verleend.
3.In het belang van het bereiken van een hoog niveau van
bescherming van het milieu worden aan de vergunning de
voorschriften verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen
die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen
of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur
bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt
ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de
inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken
worden toegepast.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de wijze waarop de voor een inrichting
in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden bepaald.
Daarbij kan worden bepaald dat de gestelde regels slechts gelden
in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
5.Voor zover met betrekking tot de inrichting regels gelden,
gesteld bij of krachtens deze wet, dan wel bij of krachtens de in
artikel 13.1, tweede lid, genoemde wetten, kunnen de beperkingen
en voorschriften daarvan alleen afwijken voor zover dat bij
wettelijk voorschrift is toegestaan.
6.Indien de vergunning betrekking heeft op een inrichting
waartoe een gpbv-installatie behoort, wordt in de voorschriften
die aan de vergunning worden verbonden, van de in het vijfde lid
bedoelde regels afgeweken voor zover met die regels voor de
gpbv-installatie niet wordt voldaan aan het bepaalde in de
artikelen 8.8 en 8.11, derde lid.
Artikel 8.12
1. De aan een vergunning te verbinden voorschriften geven de
doeleinden aan, die de vergunninghouder in het belang van de
bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient
te verwezenlijken.
2. Bij de voorschriften worden emissiegrenswaarden gesteld voor
stoffen of voor daarbij aan te wijzen groepen, families of
categorieën van stoffen – in het bijzonder die, genoemd in
bijlage III van de EG-richtlijn inzake geïntegreerde preventie en
bestrijding van verontreiniging –, die in aanmerkelijke
hoeveelheden uit de inrichting kunnen vrijkomen en die direct of
door overdracht tussen water, lucht en bodem nadelige gevolgen
voor het milieu kunnen veroorzaken.
3. Bij het vaststellen van de emissiegrenswaarden wordt
uitgegaan van de emissies op het punt waar zij de bron, in
voorkomend geval na reiniging, verlaten, tenzij dat redelijkerwijs
niet mogelijk is. De emissiegrenswaarden worden vastgesteld zonder
rekening te houden met een mogelijke verdunning. Bij het
vaststellen van emissiegrenswaarden voor afvalwater dat in een
voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater
wordt gebracht, kan rekening worden gehouden met het effect van
een zuiveringstechnisch werk waarop die voorziening is
aangesloten, voor zover daarvan geen nadeliger gevolgen voor het
milieu zijn te verwachten en voldaan wordt aan de bepalingen die
gelden ter uitvoering van richtlijn nr. 2006/11/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende de
verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die
in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PbEU L
64), en de in bijlage IX bij de kaderrichtlijn water genoemde
richtlijnen.
4. Voor zover aan een vergunning voor een inrichting waartoe
een gpbv-installatie behoort, voor zover het die gpbv-installatie
betreft, voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste
en tweede lid, worden daaraan in ieder geval ook voorschriften
verbonden, inhoudende dat:
a. moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde
voorschriften wordt voldaan, waarbij de wijze van bepaling
wordt aangegeven, die ten minste betrekking heeft op de
methode en de frequentie van de bepaling en de procedure voor
de beoordeling van de bij die bepaling verkregen gegevens en
die tevens betrekking kan hebben op de organisatie van die
bepalingen en beoordelingen en op de registratie van die
gegevens en de resultaten van die beoordelingen;
b. de bij die bepaling verkregen gegevens aan het bevoegd
gezag moeten worden gemeld of ter inzage gegeven of anderszins
ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag.
5. In afwijking van het vierde lid, onder b, worden geen
voorschriften aan de vergunning verbonden met betrekking tot het
ter beschikking stellen van gegevens als bedoeld in dat onderdeel,
voor zover die gegevens krachtens titel 12.3 moeten worden
opgenomen in een PRTR-verslag dat ten behoeve van een
bestuursorgaan moet worden opgesteld, of daardoor anderszins
strijd ontstaat met het gestelde bij of krachtens die titel.
6. Voor inrichtingen waartoe geen gpbv-installatie behoort en
voor inrichtingen waartoe een gpbv-installatie behoort voor zover
het andere activiteiten dan die gpbv-installatie betreft, kunnen
voorschriften als bedoeld in het vierde lid, onder a en b, aan een
vergunning worden verbonden.
Artikel 8.12a
1.Voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag
noodzakelijk is, kunnen aan de vergunning voorschriften worden
verbonden, inhoudende de verplichting tot het treffen van
technische maatregelen. Voor zover die voorschriften betrekking
hebben op gpbv-installaties wordt daarbij niet het gebruik van
bepaalde technieken of technologieën voorgeschreven.
2.Indien voorschriften als bedoeld in het eerste lid, aan de
vergunning worden verbonden in plaats van voorschriften als
bedoeld in artikel 8.12, eerste en tweede lid, leiden de
technische maatregelen tot een gelijkwaardige bescherming van het
milieu.
3.Voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden
als bedoeld in het eerste lid, kunnen daaraan in ieder geval ook
voorschriften worden verbonden, inhoudende dat:
a. over de uitvoering van technische maatregelen waartoe
die voorschriften verplichten, verslag wordt gedaan aan het
bevoegd gezag;
b. daarbij aangegeven metingen, berekeningen of tellingen
moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de
inrichting de nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt,
ter voorkoming of beperking waarvan die voorschriften zijn
bedoeld.
4.Voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden
als bedoeld in het derde lid, is artikel 8.12, vierde lid, onder
b, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.12b
Aan de vergunning worden in ieder geval de voor de betrokken
inrichting in aanmerking komende voorschriften verbonden met
betrekking tot:
a. een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen;
b. de bescherming van bodem en grondwater;
c. het voorkomen van het ontstaan van afvalstoffen en
afvalwater en, voor zover dat niet mogelijk is, het doelmatig
beheer van afvalstoffen en van afvalwater;
d. het beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu van
het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting;
e. het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van door
de inrichting veroorzaakte verontreinigingen over lange afstand
of grensoverschrijdende verontreinigingen;
f. het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van de
nadelige gevolgen voor het milieu, die kunnen worden veroorzaakt
door opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen,
definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere
bedrijfsomstandigheden;
g. het voorkomen van ongevallen en het beperken van de
gevolgen van ongevallen;
h. het treffen van maatregelen om bij definitieve
bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting
heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd,
ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat
terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie.
Artikel 8.13
1. Aan een vergunning kunnen in het belang van de bescherming
van het milieu andere voorschriften worden verbonden. Die
voorschriften kunnen in ieder geval inhouden:
a. dat daarbij aangegeven metingen, berekeningen of
tellingen – andere dan bedoeld in de artikelen 8.12 en 8.12a
– moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de
inrichting nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt;
b. dat in een mate als bij het voorschrift aangegeven,
onderzoek moet worden verricht naar mogelijkheden tot
verdergaande bescherming van het milieu dan waarin de andere
aan de vergunning verbonden voorschriften voorzien;
c. dat de uitkomsten van daarbij aangegeven metingen,
berekeningen, tellingen of onderzoeken moeten worden
geregistreerd en bewaard dan wel moeten worden gemeld of ter
beschikking gesteld van bij het voorschrift aangewezen
bestuursorganen;
d. dat moet worden voldaan aan daarbij aangegeven eisen ten
aanzien van de vakbekwaamheid van in de inrichting werkzame
personen;
e. dat aan de in de inrichting werkzame personen
schriftelijk instructies worden gegeven om handelen in strijd
met de vergunning, de daaraan verbonden voorschriften of bij
of krachtens artikel 8.40 gestelde regels tegen te gaan, en
dat toezicht wordt gehouden op het naleven van die
instructies;
f. dat met betrekking tot in het voorschrift geregelde,
daarbij aangegeven onderwerpen moet worden voldaan aan nadere
eisen die door een bij het voorschrift aangewezen
bestuursorgaan worden gesteld;
g. dat van daarbij aangegeven veranderingen als bedoeld in
artikel 8.1, derde lid, binnen een in het voorschrift te
bepalen termijn schriftelijk mededeling wordt gedaan aan het
bevoegd gezag of een door hem aangewezen instantie;
h. dat met het oog op het kunnen voldoen aan de andere aan
de vergunning verbonden voorschriften daarbij aangegeven
organisatorische en administratieve maatregelen moeten worden
getroffen;
i. dat met betrekking tot een bij het voorschrift
aangegeven onderwerp waarover geen andere voorschriften aan de
vergunning zijn verbonden, voldoende zorg in acht moet worden
genomen.
2. In afwijking van het eerste lid, onder c, worden geen
voorschriften aan de vergunning verbonden met betrekking tot het
melden of ter beschikking stellen van uitkomsten als bedoeld in
dat onderdeel, indien die uitkomsten als gegevens krachtens titel
12.3 moeten worden opgenomen in een PRTR-verslag dat ten behoeve
van een bestuursorgaan moet worden opgesteld, of daardoor
anderszins strijd ontstaat met het gestelde bij of krachtens die
titel.
3. Bij een voorschrift inzake nadere eisen als bedoeld in het
eerste lid, onder f, kan worden aangegeven hoe van die eisen door
het aangewezen bestuursorgaan openbaar wordt kennisgegeven.
Artikel 8.13a
1.Aan een vergunning worden geen voorschriften verbonden, die
het naar of uit de provincie brengen van afvalstoffen beperken of
uitsluiten.
2.Aan een vergunning worden, indien het een inrichting betreft
waarop de in artikel 16.5, eerste lid, vervatte verboden
betrekking hebben, geen voorschriften verbonden:
a. inhoudende een emissiegrenswaarde voor de directe
emissie van broeikasgassen waarop de in artikel 16.5, eerste
lid, vervatte verboden betrekking hebben, tenzij zulks
noodzakelijk is om te verzekeren dat geen significante
gevolgen voor het milieu in de onmiddellijke omgeving van de
inrichting worden veroorzaakt;
b. ter bevordering van een zuinig gebruik van energie in de
inrichting.
3.Voorzover aan een vergunning die betrekking heeft op een
inrichting als bedoeld in het tweede lid voorschriften zijn
verbonden als in dat lid bedoeld, vervallen die voorschriften.
Artikel 8.14
1.Indien de vergunning betrekking heeft op een inrichting
waarin afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd,
bevat de vergunning ten minste de verplichtingen:
a. tot het registreren van:
1°. daarbij aangewezen afvalstoffen die in de
inrichting nuttig worden toegepast of worden verwijderd:
naar hoeveelheid, aard en oorsprong;
2°. stoffen die bij de nuttige toepassing of
verwijdering van die afvalstoffen worden gebruikt of
verbruikt: naar aard en hoeveelheid;
3°. stoffen, preparaten en producten, hieronder mede
begrepen afvalstoffen, die bij de nuttige toepassing of
verwijdering ontstaan: naar aard en hoeveelheid;
4°. de wijze waarop de onder 3° bedoelde afvalstoffen
nuttig worden toegepast of worden verwijderd;
5°. stoffen, preparaten en producten die de inrichting
verlaten, voor zover deze bij de nuttige toepassing of
verwijdering zijn ontstaan: naar aard en hoeveelheid, en
b. tot het bewaren van de geregistreerde gegevens gedurende
ten minste vijf jaren.
2.Onze Minister kan regels stellen omtrent de wijze waarop de
registratie plaatsvindt.
Artikel 8.15
1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald dat in
daarbij aangegeven categorieën van gevallen waarin inrichtingen
ernstige nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, aan
de vergunning tevens voorschriften kunnen worden verbonden, die de
verplichting inhouden dat degene die de inrichting drijft:
a. financiële zekerheid stelt voor het nakomen van
krachtens de vergunning voor hem geldende verplichtingen;
b. financiële zekerheid stelt ter dekking van zijn
aansprakelijkheid voor schade die voortvloeit uit door de
inrichting veroorzaakte nadelige gevolgen voor het milieu.
2. Bij een maatregel krachtens het eerste lid worden nadere
regels gesteld met betrekking tot de op te leggen voorschriften.
Daarbij worden in ieder geval aangegeven het bedrag waarvoor en de
termijn gedurende welke de zekerheid ten hoogste in stand moet
worden gehouden, alsmede de voorwaarden waaraan moet worden
voldaan alvorens de verplichting kan komen te vervallen.
3. Bij de maatregel kunnen regels worden gesteld voor gevallen
waarin aan de verplichting uitvoering wordt gegeven door het
sluiten en in stand houden van een verzekering. Daarbij wordt
rekening gehouden met hetgeen redelijkerwijs door verzekering kan
worden gedekt.
4. Indien overeenkomstig het eerste lid een voorschrift als
bedoeld in dat lid, onder a, aan een vergunning is verbonden, kan
het bevoegd gezag bij het niet nakomen door de houder van de
vergunning van een krachtens de vergunning voor hem geldende
verplichting waarvoor financiële zekerheid is gesteld, bepalen
tot welk bedrag het verhaal zal nemen op de gestelde zekerheid.
Het bevoegd gezag kan het te verhalen bedrag invorderen bij
dwangbevel.
Artikel 8.16
In een vergunning kan worden bepaald:
a. dat daarbij aangewezen voorschriften eerst in werking
treden op een daarbij aangegeven tijdstip, dan wel wanneer een
daarbij aangegeven omstandigheid zich voordoet;
b. dat daarbij aangewezen voorschriften slechts gelden tot
een daarbij aangegeven tijdstip, dan wel omstandigheid;
c. dat daarbij aangewezen voorschriften nadat de vergunning
haar gelding heeft verloren, gedurende een daarbij aangegeven
termijn van kracht blijven.
Artikel 8.17
1.In een vergunning kan worden bepaald dat zij slechts geldt
voor een daarbij vast te stellen termijn van ten hoogste vijf
jaar, indien:
a. de inrichting waarop de vergunning betrekking heeft,
naar haar aard tijdelijk is;
b. uit de aanvraag blijkt dat de vergunning slechts voor
een daarbij aangegeven termijn wordt gevraagd;
c. dat nodig is in het belang van het ontwikkelen van
werkwijzen in de inrichting, die minder nadelige gevolgen voor
het milieu veroorzaken;
d. dat nodig is in verband met het ontwikkelen van een
beter inzicht in de gevolgen van de inrichting voor het
milieu.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën van
inrichtingen waarin afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden
verwijderd, aangewezen, ten aanzien waarvan de vergunning,
voorzover zij deze handelingen betreft, slechts geldt voor een bij
de vergunning te stellen termijn van ten hoogste tien jaar. Bij de
maatregel kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts betrekking
heeft op daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
3.In een vergunning wordt bepaald dat zij slechts geldt voor
een daarbij aangegeven termijn, voor zover dat is bepaald bij een
algemene maatregel van bestuur, die is vastgesteld ter uitvoering
van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland
verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie. De bij
de maatregel aangegeven termijn kan zo nodig afwijken van de in
het eerste en tweede lid genoemde termijnen.
Artikel 8.18
1.De vergunning voor een inrichting vervalt
a. indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de
vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in
werking gebracht;
b. indien de inrichting een stortplaats is, als bedoeld in
artikel 8.47: indien de stortplaats krachtens het derde lid
van genoemd artikel voor gesloten is verklaard.
2.Indien kan worden verwacht dat de inrichting niet binnen de
in het eerste lid, onder a, bedoelde termijn kan worden voltooid
en in werking gebracht, kan in de vergunning een andere termijn
worden vastgesteld, die daarvoor in de plaats treedt.
3.Het eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige
toepassing op afvalvoorzieningen.
Artikel 8.19
1. Een voor een inrichting verleende vergunning geldt tevens
voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die
niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende
vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften,
maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor
het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de
daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken,
onder voorwaarde dat:
a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting
dan waarvoor vergunning is verleend;
b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door
de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens
het zesde lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag
is gemeld, en
c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk
heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de
aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen
aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of
8.25.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op veranderingen ten
aanzien waarvan, indien zij vergunningplichtig zouden zijn
geweest, bij de voorbereiding van de besluiten terzake, een
milieueffectrapport had moeten worden gemaakt.
3. Een besluit inzake een verklaring als bedoeld in het eerste
lid, onder c, wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk acht weken
na ontvangst van de melding, bekendgemaakt.
4. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee weken na de
bekendmaking van de verklaring geeft het bevoegd gezag openbaar
kennis daarvan. Indien de verklaring betrekking heeft op een
inrichting die behoort tot een krachtens artikel 8.7, eerste lid,
onder a, aangewezen categorie, zendt het bevoegd gezag bovendien
een afschrift van de melding en de verklaring aan de inspecteur.
5. Het bevoegd gezag geeft een ieder desgevraagd kosteloos
inzage in de melding en de daarbij behorende stukken en verstrekt
daarvan desgevraagd tegen betaling van de kosten een afschrift.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld met betrekking tot:
a. de gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt;
b. de openbare kennisgeving van de verklaring.
Artikel 8.20
1.Een voor een inrichting verleende vergunning geldt voor ieder
die de inrichting drijft. Deze draagt ervoor zorg dat de aan de
vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.
2.Indien een vergunning zal gaan gelden voor een ander dan de
vergunninghouder, meldt de vergunninghouder dat ten minste een
maand voordien aan het bevoegd gezag, onder vermelding van de bij
algemene maatregel van bestuur aangegeven gegevens.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van
gevallen worden aangegeven, waarin de vergunning slechts geldt
voor degene aan wie zij is verleend. Daarbij kan tevens worden
bepaald dat in daarbij aangegeven categorieën van gevallen:
a. de vergunning nog gedurende een daarbij aangegeven
termijn blijft gelden voor rechtsopvolgers van degene aan wie
zij is verleend;
b. de vergunning ook geldt voor een rechtspersoon, aan wie
zij is overgedragen door een andere rechtspersoon, indien
daarvoor door het bevoegd gezag toestemming is verleend.
Artikel 8.21
1.Indien met betrekking tot een inrichting waarvoor de bij of
krachtens artikel 8.1 gestelde verboden niet gelden, die verboden
op enig tijdstip gaan gelden, kan die inrichting in afwijking van
die bepaling zonder vergunning in werking worden gehouden tot
twaalf weken na dat tijdstip en, indien binnen deze termijn een
aanvraag om de krachtens die bepaling vereiste vergunning is
ingediend, vervolgens tot acht weken na het tijdstip waarop de
beschikking op die aanvraag in werking is getreden.
2.Indien zodanige verboden gaan gelden ten gevolge van een
verandering van de inrichting of van de werking daarvan, is het
eerste lid niet van toepassing, voor zover het die verandering
betreft.
3.Indien de bij of krachtens artikel 8.1 gestelde verboden met
betrekking tot de inrichting niet golden, blijven de voorschriften
die krachtens een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel
8.40 voor de inrichting golden of krachtens de provinciale
milieuverordening krachtens artikel 1.2, zesde lid, onder a ,
onmiddellijk voor het gaan gelden van die verboden, voor de
inrichting van toepassing gedurende de periode waarin de
inrichting ingevolge het eerste lid zonder vergunning in werking
mag worden gehouden, behoudens voor zover het veranderingen als
bedoeld in het tweede lid betreft.
Afdeling 8.1.2. Wijziging of intrekking van vergunningen
Artikel 8.22
1.Het bevoegd gezag beziet regelmatig of de beperkingen
waaronder een vergunning is verleend, en de voorschriften die aan
een vergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de
ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot
bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot
de kwaliteit van het milieu.
2.Het bevoegd gezag wijzigt de beperkingen waaronder de
vergunning is verleend en de voorschriften die daaraan zijn
verbonden, vult deze aan of trekt ze in, dan wel brengt alsnog
beperkingen aan, of verbindt alsnog voorschriften aan de
vergunning, voor zover blijkt dat de nadelige gevolgen die de
inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van
de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu verder
kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het
milieu, verder moeten worden beperkt.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van
de bescherming van het milieu regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze waarop het eerste lid wordt toegepast met betrekking
tot daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen. Bij de
maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts
gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
4.Met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van de
beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 8.6 tot en met 8.17
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.23
1.Het bevoegd gezag kan beperkingen waaronder een vergunning is
verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen,
aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of
voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de
bescherming van het milieu.
2.Een belanghebbende, met uitzondering van de vergunninghouder,
kan het bevoegd gezag verzoeken een vergunning in het belang van
de bescherming van het milieu met toepassing van het eerste lid te
wijzigen.
3.Met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van de
beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 8.6 tot en met 8.17
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.24
1.Op aanvraag van de vergunninghouder kan het bevoegd gezag
beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften
die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan
wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een
vergunning verbinden.
2.Met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van
die beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 8.6 tot en met
8.17 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.25
1.Het bevoegd gezag kan - onverminderd het in de artikelen
8.34, 8.39 en 18.12 bepaalde - een vergunning voor een inrichting
geheel of gedeeltelijk intrekken:
a. indien de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen
voor het milieu veroorzaakt en toepassing van artikel 8.23
redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt;
b. indien dit in het belang van een doelmatig beheer van
afvalstoffen noodzakelijk is;
c. indien gedurende drie jaar geen handelingen zijn
verricht met gebruikmaking van de vergunning;
d. indien de inrichting geheel of gedeeltelijk is verwoest;
e. indien, in gevallen als aangegeven krachtens artikel
8.20, derde lid, de vergunninghouder niet meer degene is, die
de inrichting drijft;
f. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel
3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
openbaar bestuur.
2.Het bevoegd gezag trekt de vergunning in:
a. indien door toepassing van artikel 8.22, tweede lid,
redelijkerwijs niet kan worden bereikt dat in de inrichting
ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste
beschikbare technieken worden toegepast;
b. voor zover regels vastgesteld bij algemene maatregel van
bestuur ter uitvoering van een voor Nederland verbindend
verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een
volkenrechtelijke organisatie, hiertoe verplichten.
3.Een belanghebbende, met uitzondering van de vergunninghouder,
kan het bevoegd gezag verzoeken een vergunning met toepassing van
het eerste lid in te trekken.
4.Met betrekking tot een beslissing als bedoeld in het eerste
lid zijn de artikelen 8.6 tot en met 8.9 van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht niet van toepassing is op de voorbereiding van
de intrekking van een vergunning op grond van het eerste lid,
onder c, d, e of f, of tweede lid.
5.In een geval als aangegeven krachtens artikel 8.15 kan een
voorschrift overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van
bestuur aan de beschikking tot intrekking worden verbonden.
Artikel 8.15, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6.In de beschikking tot intrekking kan worden bepaald dat een
voorschrift als bedoeld in het vijfde lid, dan wel daarbij
aangewezen aan de vergunning verbonden voorschriften gedurende een
daarbij aan te geven termijn blijven gelden.
7.Met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking
krachtens het eerste lid, onder f, is artikel 8.10, vierde lid,
van overeenkomstige toepassing.
8.Het bevoegd gezag gaat tot intrekking van een vergunning op
grond van het eerste lid, onder c, d, e of f, of het tweede lid
niet over zonder de vergunninghouder in de gelegenheid te hebben
gesteld binnen een termijn van zes weken schriftelijk of mondeling
zienswijzen over de intrekking naar voren te brengen. Van de
beschikking wordt mededeling gedaan door toezending daarvan aan de
adviseurs.
Artikel 8.26
1.Het bevoegd gezag kan de vergunning geheel of gedeeltelijk
intrekken op verzoek van de vergunninghouder, indien het belang
van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
2.Met betrekking tot de beslissing ter zake zijn de artikelen
8.6, 8.8 en 8.9 van overeenkomstige toepassing.
3.Artikel 8.25, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 8.26a
Een ingevolge deze afdeling ambtshalve gegeven beschikking op de
voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
van toepassing is, wordt gegeven binnen twaalf weken na de
terinzagelegging van het ontwerp van die beschikking.
Afdeling 8.1.3. Bijzondere gevallen
§ 8.1.3.1. Algemeen
Artikel 8.27
1.In gevallen waarin een ander bestuursorgaan dan een Onzer
Ministers het bevoegd gezag is, kan Onze Minister, indien dat in
het algemeen belang geboden is, aan het bevoegd gezag een bindende
aanwijzing geven ter zake van het nemen van een besluit ten
aanzien van een aanvraag om een vergunning of ten aanzien van een
reeds verleende vergunning. Daarbij houdt hij rekening met het
geldende nationale milieubeleidsplan.
2.Onze Minister pleegt over een voornemen tot het geven van een
aanwijzing overleg met het betrokken bevoegd gezag. Hij deelt het
voornemen, onder vermelding van de redenen daarvoor, mee aan de
Staten-Generaal.
3.De aanwijzing wordt vermeld in de beschikking van het bevoegd
gezag, ter zake waarvan zij is gegeven. Een exemplaar ervan wordt
gevoegd bij ieder exemplaar van die beschikking.
§ 8.1.3.2. Gevallen waarin mede een vergunning krachtens artikel
6.2 van de Waterwet vereist is
Artikel 8.28
In gevallen waarin een vergunning krachtens deze wet wordt
aangevraagd, die betrekking heeft op een inrichting waartoe een
gpbv-installatie behoort van waaruit stoffen als bedoeld in artikel
6.1 van de Waterwet in het oppervlaktewater worden gebracht, worden,
indien daarvoor krachtens artikel 6.2 van die wet een vergunning
vereist is, bij de toepassing van dit hoofdstuk, van hoofdstuk 13 en
van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht de bepalingen van
deze paragraaf in acht genomen.
Artikel 8.29
Indien in de vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet een
bepaling wordt opgenomen als bedoeld in artikel 8.17 over de termijn
waarvoor zij geldt, kan een gelijke bepaling worden opgenomen in de
vergunning krachtens deze wet.
Artikel 8.30
1. De aanvraag om een vergunning of wijziging van de vergunning
overeenkomstig artikel 8.24 wordt tegelijk ingediend met de
aanvraag om verlening of wijziging van de vergunning krachtens
artikel 6.2 van de Waterwet. De aanvraag wordt door de aanvrager
tevens gezonden aan het bestuursorgaan dat tot verlening van de
vergunning krachtens die wet bevoegd is.
2. Indien de aanvraag om verlening of wijziging van de
vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet niet is ingediend
binnen zes weken na het tijdstip waarop de aanvraag om een
vergunning of wijziging van de vergunning krachtens deze wet is
ingediend, wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing indien de
aanvraag om verlening of wijziging van de vergunning krachtens
artikel 6.2 van de Waterwet buiten behandeling wordt gelaten.
Artikel 8.31
1. Het bestuursorgaan dat tot verlening van de vergunning
krachtens artikel 6.2 van de Waterwet bevoegd is, brengt een
advies uit met het oog op de samenhang tussen de beschikkingen op
de onderscheidene aanvragen. Het advies wordt uitgebracht binnen
acht weken na ontvangst van de aanvraag om een vergunning of
wijziging van de vergunning krachtens deze wet.
2. Het orgaan dat tot verlening van de vergunning krachtens
artikel 6.2 van de Waterwet bevoegd is, wordt voorts in de
gelegenheid gesteld advies uit te brengen over het ontwerp van de
beschikking op de aanvraag om een vergunning of wijziging van de
vergunning.
3. In een geval als bedoeld in artikel 3:18, tweede lid van de
Algemene wet bestuursrecht kan het bevoegd gezag de in het eerste
lid bedoelde termijn met een bij zijn besluit te bepalen redelijke
termijn verlengen. Indien artikel 31, vierde lid, van de
Dienstenwet op de aanvraag van toepassing is, wordt de
verlengingstermijn afgestemd op de duur waarmee ingevolge dat
artikellid de termijn voor het geven van de beschikking op de
aanvraag kan worden verlengd.
Artikel 8.31a
1. In een geval als bedoeld in artikel 8.28, waarin
burgemeester en wethouders bevoegd zijn de beschikking op de
aanvraag om de vergunning krachtens deze wet te verlenen, kunnen
gedeputeerde staten, indien dat met het oog op de samenhang tussen
de beschikkingen op de onderscheidene aanvragen in het belang van
de bescherming van het milieu geboden is, en zo nodig in afwijking
van regels, gesteld krachtens artikel 8.46, op een daartoe
strekkend verzoek van het orgaan dat bevoegd is de vergunning
krachtens artikel 6.2 van de Waterwet te verlenen, aan
burgemeester en wethouders een bindende aanwijzing geven ter zake
van de inhoud van die beschikking.
2. Een aanwijzing wordt gegeven binnen acht weken na de dag
waarop het ontwerp van de beschikking op de aanvraag
overeenkomstig artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht ter inzage is gelegd. Zij wordt niet gegeven dan na
overleg met het bevoegd gezag.
3. De aanwijzing wordt vermeld in de beschikking van het
bevoegd gezag, ter zake waarvan zij is gegeven. Een exemplaar
ervan wordt gevoegd bij ieder exemplaar van die beschikking.
Artikel 8.32
De motivering van de beschikking vermeldt in ieder geval de
invloed die de samenhang tussen de beschikkingen op de
onderscheidene aanvragen heeft gehad op de inhoud van de vergunning
of de beschikking tot wijziging van de vergunning krachtens deze
wet.
Artikel 8.33
Ten aanzien van een wijziging van een vergunning overeenkomstig
de artikelen 8.22, tweede lid, en 8.23 zijn de artikelen 8.28, 8.29,
8.31, eerste en tweede lid, 8.31a en 8.32 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 8.34
1. Het bevoegd gezag kan een vergunning geheel of gedeeltelijk
intrekken, indien de krachtens artikel 6.2 van de Waterwet
verleende vergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken.
2. Met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking is
artikel 8.25, achtste lid, van overeenkomstige toepassing.
§ 8.1.3.3. Gevallen waarin afvalstoffen op een bepaalde wijze
nuttig worden toegepast of worden verwijderd
Artikel 8.35 [Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.36 [Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.36a [Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.36b [Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.36c [Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.36d [Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.36e [Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.36f
1. Inrichtingen waarin van anderen afkomstige afvalstoffen
worden gestort, brengen bij het in ontvangst nemen van
afvalstoffen een bedrag in rekening waarbij in ieder geval
rekening wordt gehouden:
a. met de kosten van het totstandbrengen, instandhouden en
in werking hebben van de inrichting,
b. met de kosten van de voorzieningen die bewerkstelligen
dat de inrichting, nadat zij buiten gebruik is gesteld, geen
nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, daaronder mede
begrepen de kosten van de krachtens artikel 15.44, eerste lid,
verschuldigde heffing, en
c. met de kosten van financiële zekerheid in categorieën
van gevallen waarvoor het stellen van financiële zekerheid
krachtens artikel 8.15 is voorgeschreven.
2. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot
het eerste lid.
Artikel 8.37 [Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.38 [Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.39
1.Onze Minister kan het bevoegd gezag verzoeken:
a. beperkingen waaronder de vergunning is verleend, en
voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, te
wijzigen, aan te vullen of in te trekken, dan wel alsnog
beperkingen aan te brengen of voorschriften aan de vergunning
te verbinden,
b. de vergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken,
voor zover dat in het belang van een doelmatig beheer van de
betrokken afvalstoffen nodig is. Bij het verzoek kan Onze Minister
een termijn bepalen waarbinnen aan zijn verzoek wordt voldaan.
2.Overeenkomstig het verzoek wijzigt het bevoegd gezag de
vergunning of trekt het deze in.
3.Het bevoegd gezag brengt adviezen en overeenkomstig artikel
3:15 van de Algemene wet bestuursrecht naar voren gebrachte
zienswijzen ter kennis van Onze Minister. Deze deelt zijn oordeel
daarover aan het bevoegd gezag mee. Artikel 8.7 is van
overeenkomstige toepassing.
Titel 8.2. Algemene regels
Artikel 8.40
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld, die nodig zijn ter bescherming van het milieu tegen de
nadelige gevolgen die inrichtingen daarvoor kunnen veroorzaken.
Daarbij kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts
gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
2.Bij de beslissing tot het vaststellen van een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, worden in
ieder geval betrokken:
a. de bestaande toestand van het milieu, voor zover
inrichtingen die tot de betrokken categorieën behoren,
daarvoor gevolgen kunnen veroorzaken;
b. de gevolgen voor het milieu, die inrichtingen die tot de
betrokken categorieën behoren, kunnen veroorzaken, mede in
hun onderlinge samenhang bezien;
c. de met betrekking tot inrichtingen die tot de betrokken
categorieën behoren, en de omgeving waarin zodanige
inrichtingen zijn of kunnen zijn gelegen, redelijkerwijs te
verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op
de bescherming van het milieu;
d. de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de
nadelige gevolgen voor het milieu, die inrichtingen die tot de
betrokken categorieën behoren, kunnen veroorzaken, te
voorkomen, dan wel zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij
niet kunnen worden voorkomen;
e. de voor onderdelen van het milieu, waarvoor de betrokken
categorieën van inrichtingen gevolgen kunnen hebben, geldende
milieukwaliteitseisen, vastgesteld krachtens of overeenkomstig
artikel 5.1 of bij Bijlage 2;
f. de redelijkerwijs te verwachten financiële en
economische gevolgen van de maatregel.
In een toelichting bij de maatregel wordt aangegeven op welke
wijze deze aspecten bij de voorbereiding van de maatregel zijn
betrokken.
3.Ten aanzien van bij de regels te stellen voorschriften zijn
de artikelen 8.11, derde lid, 8.12 tot en met 8.16 en 8.22, eerste
en tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat het stellen van financiële zekerheid slechts kan worden
voorgeschreven in de vorm van het sluiten van een verzekering
tegen aansprakelijkheid voor schade, voortvloeiend uit de nadelige
gevolgen voor het milieu, die de inrichting veroorzaakt.
Artikel 8.40a
1.Indien bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in artikel 8.40 een verplichting is opgenomen voor
degene die de inrichting drijft, om daarbij aangegeven maatregelen
te treffen, kan daarbij worden bepaald dat diegene in plaats
daarvan andere maatregelen kan treffen, wanneer met die andere
maatregelen ten minste een gelijkwaardig niveau van bescherming
van het milieu wordt bereikt.
2.Degene die de inrichting drijft dient een aanvraag in tot het
kunnen treffen van andere maatregelen bij het bestuursorgaan,
aangegeven bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
eerste lid, welke aanvraag gegevens bevat waaruit blijkt dat met
die andere maatregelen ten minste een gelijkwaardig niveau van
bescherming van het milieu wordt bereikt.
3.Het bestuursorgaan, bedoeld in het tweede lid, beslist binnen
acht weken over de gelijkwaardigheid van de andere maatregelen.
Het bestuursorgaan kan deze termijn eenmaal met ten hoogste zes
weken verlengen.
Artikel 8.41
1.Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40
kan met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van
inrichtingen de verplichting worden opgelegd tot het melden van
het oprichten of het veranderen van een inrichting waarop de
maatregel betrekking heeft, dan wel van het veranderen van de
werking daarvan.
2.Bij de maatregel wordt aangegeven:
a. het bestuursorgaan waaraan de melding wordt gericht;
b. het tijdstip, voorafgaand aan het oprichten of
veranderen, waarop de melding uiterlijk moet zijn gedaan;
c. de gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt;
d. in welke gevallen de melding geheel of gedeeltelijk
elektronisch wordt verricht of in welke gevallen het bevoegd
gezag geheel of gedeeltelijk elektronisch gedane meldingen in
ontvangst neemt.
3.Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de
in het tweede lid, onder c, bedoelde gegevens en de wijze waarop
zij moeten worden verstrekt.
4.Van de melding wordt openbaar kennisgegeven in één of meer
dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen. Indien op grond van een
algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 ook
anderszins gegevens moeten worden verstrekt, kunnen bij de
maatregel regels over de openbare kennisgeving daarvan worden
gesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bestuursorganen
worden aangewezen, waaraan een exemplaar van de melding of de
anderszins verstrekte gegevens moet worden toegezonden.
Artikel 8.42
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld
in artikel 8.40 kan met betrekking tot daarbij aangegeven
onderwerpen de verplichting worden opgelegd te voldoen aan
voorschriften die nodig zijn ter bescherming van het milieu,
gesteld door een bij die maatregel aangegeven bestuursorgaan.
2.Op het stellen van voorschriften als bedoeld in het eerste
lid, is artikel 8.40, tweede en derde lid, van overeenkomstige
toepassing.
3.Het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, kan
voorschriften stellen die afwijken van de regels, gesteld bij of
krachtens de maatregel, bedoeld in dat lid, indien dat bij of
krachtens die maatregel is bepaald. Bij of krachtens de maatregel
kan worden bepaald in welke mate de voorschriften kunnen afwijken
en kan worden bepaald dat slechts kan worden afgeweken in daarbij
aangegeven categorieën van gevallen.
4.Het bestuursorgaan kan de voorschriften aanvullen, wijzigen
of intrekken indien dat nodig is ter bescherming van het milieu.
5.Bij of krachtens de maatregel worden categorieën van
gevallen aangegeven, waarin van de beschikking waarbij het
voorschrift wordt gesteld, mededeling wordt gedaan door
kennisgeving in één of meer dag-, nieuws- of
huis-aan-huisbladen.
Artikel 8.42a
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld
in artikel 8.40 kan met betrekking tot daarbij aangegeven
onderwerpen worden bepaald dat het bevoegd gezag bij het verlenen
of wijzigen van de vergunning daaraan voorschriften kan verbinden.
2.Op het stellen van voorschriften als bedoeld in het eerste
lid, is artikel 8.40, tweede en derde lid, van overeenkomstige
toepassing.
3.Het bevoegd gezag kan voorschriften stellen die afwijken van
de regels, gesteld bij of krachtens de maatregel, bedoeld in het
eerste lid, indien dat bij of krachtens die maatregel is bepaald.
Bij of krachtens de maatregel kan worden bepaald in welke mate de
voorschriften kunnen afwijken en kan worden bepaald dat slechts
kan worden afgeweken in daarbij aangegeven categorieën van
gevallen.
4.Het bevoegd gezag kan de voorschriften aanvullen, wijzigen of
intrekken indien dat nodig is ter bescherming van het milieu.
5.Artikel 8.42, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.42b
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld
in artikel 8.40 kan met betrekking tot daarbij aangegeven
onderwerpen worden bepaald dat bij provinciale of gemeentelijke
verordening gestelde regels omtrent die onderwerpen van de bij of
krachtens de maatregel gestelde regels kunnen afwijken, in welke
mate kan worden afgeweken en kan worden bepaald dat slechts kan
worden afgeweken in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
2.Op het stellen van provinciale of gemeentelijke regels als
bedoeld in het eerste lid, is artikel 8.40, tweede en derde lid,
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.43 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 8.44 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 8.45
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld, inhoudende de verplichting voor het bevoegd gezag
beperkingen of voorschriften, die nodig zijn ter bescherming van
het milieu en waarvan de inhoud in die maatregel is aangegeven,
aan te brengen onderscheidenlijk te verbinden aan de vergunningen
voor inrichtingen die behoren tot een bij de maatregel aangewezen
categorie. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de daarbij
gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën
van gevallen. Artikel 8.40, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
2.Ten aanzien van krachtens het eerste lid aan te geven
beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 8.11, derde lid,
8.12 tot en met 8.16 en 8.22, eerste en tweede lid, van
overeenkomstige toepassing.
3.Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens het eerste
lid wordt bepaald in hoeverre het bevoegd gezag met betrekking tot
daarbij aangegeven onderwerpen van bij de maatregel gestelde
regels kan afwijken of nadere eisen kan stellen. Daarbij kan
worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken of tot het stellen
van nadere eisen slechts geldt in bij de maatregel aangegeven
categorieën van gevallen.
4.Bij de maatregel wordt voor de daarbij opgelegde
verplichtingen het tijdstip aangegeven, waarop zij met betrekking
tot de al verleende vergunningen moeten zijn uitgevoerd.
Artikel 8.46
1. Bij de provinciale milieuverordening kunnen regels worden
gesteld inhoudende de verplichting voor het bevoegd gezag
beperkingen of voorschriften, die nodig zijn ter bescherming van
het milieu en waarvan de inhoud in die verordening is aangegeven,
aan te brengen onderscheidenlijk te verbinden aan de vergunningen
voor inrichtingen die behoren tot een bij de verordening
aangewezen categorie. Bij de verordening kan worden bepaald dat de
daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven
categorieën van gevallen.
2. Regels als bedoeld in het eerste lid kunnen niet betrekking
hebben op beslissingen inzake vergunningen ten aanzien waarvan
Onze Minister of Onze Minister van Economische Zaken het bevoegd
gezag is.
3. Artikel 8.45, tweede tot en met vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Titel 8.3. Regels met betrekking tot gesloten stortplaatsen en
gesloten afvalvoorzieningen
Artikel 8.47
1.In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. stortplaats: inrichting waar afvalstoffen worden
gestort, dan wel het gedeelte van een inrichting, waar
afvalstoffen worden gestort, indien in de inrichting niet
uitsluitend afvalstoffen worden gestort, met uitzondering van
afvalvoorzieningen;
b. gesloten stortplaats: stortplaats ten aanzien waarvan de
in het derde lid bedoelde verklaring is afgegeven;
c. bedrijfsgebonden stortplaats: stortplaats waar
uitsluitend afvalstoffen worden gestort, die afkomstig zijn
van binnen de inrichting waartoe de stortplaats behoort.
2.Onder stortplaats wordt mede verstaan een gesloten
stortplaats. Tot de stortplaats wordt mede gerekend het gedeelte
van de stortplaats waar het storten van afvalstoffen is
beëindigd.
3.Het bevoegd gezag verklaart een stortplaats voor gesloten,
indien:
a. het storten van afvalstoffen is beëindigd,
b. voor zover een daartoe strekkend voorschrift voor de
inrichting geldt, een bovenafdichting is aangebracht, en
c. een eindinspectie door het bevoegd gezag is uitgevoerd
waaruit is gebleken dat aan alle voorschriften, verbonden aan
de vergunning voor de stortplaats, is voldaan en dat ook geen
andere maatregelen ingevolge de Wet bodembescherming getroffen
dienen te worden door degene die de stortplaats drijft, in
geval van verontreiniging of aantasting van de bodem onder de
stortplaats.
Artikel 8.47a
Het bevoegd gezag stelt Onze Minister zo spoedig mogelijk op de
hoogte van een verklaring als bedoeld in artikel 8.47, derde lid.
Artikel 8.48
1.Deze titel is van toepassing op stortplaatsen waarvoor een
vergunning ingevolge artikel 8.1 is vereist, waar op of na 1
september 1996 afvalstoffen worden gestort, en
a. waarvoor een algemene maatregel van bestuur geldt als
bedoeld in artikel 8.45, of
b. uitsluitend baggerspecie wordt gestort.
2.Deze titel is, met uitzondering van het eerste lid van dit
artikel, van overeenkomstige toepassing op afvalvoorzieningen.
3.Het tweede lid is niet van toepassing op bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen categorieën van naar haar aard
tijdelijke afvalvoorzieningen.
Artikel 8.49
1.Met betrekking tot een gesloten stortplaats worden zodanige
maatregelen getroffen dat wordt gewaarborgd dat die stortplaats
geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, dan wel, voor
zover dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de grootst
mogelijke bescherming wordt geboden tegen die nadelige gevolgen.
2.Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, worden in
ieder geval gerekend:
a. maatregelen strekkende tot het in stand houden en
onderhouden, alsmede het herstellen, verbeteren of vervangen
van voorzieningen ter bescherming van de bodem;
b. het regelmatig inspecteren van voorzieningen ter
bescherming van de bodem, en
c. het regelmatig onderzoeken van de bodem onder de
stortplaats.
3.Degene die een stortplaats drijft, stelt een nazorgplan op
ter uitvoering van de maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede
lid. Het nazorgplan behoeft de instemming van het bevoegd gezag.
Het bevoegd gezag beslist hierover binnen dertien weken na de
indiening van het nazorgplan. Indien het bevoegd gezag niet binnen
de gestelde termijn heeft beslist, is de instemming van rechtswege
gegeven. Het bevoegd gezag maakt de instemming van rechtswege
onverwijld nadat de beslistermijn is verstreken, bekend.
4.Het bevoegd gezag kan degene die een stortplaats drijft,
bevelen het nazorgplan waarmee het heeft ingestemd, aan te passen
gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische
mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen
met betrekking tot de kwaliteit van het milieu, dan wel in verband
met een verandering van de stortplaats sedert de datum van
instemming met het nazorgplan.
5.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot
de in het eerste en tweede lid bedoelde maatregelen alsmede met
betrekking tot het in het derde lid bedoelde nazorgplan nadere
regels worden gesteld.
Artikel 8.50
1.Het bevoegd gezag is belast met de maatregelen, bedoeld in
artikel 8.49.
2.Het bevoegd gezag kan de zorg voor de uitvoering van de
werkzaamheden die verband houden met de in artikel 8.49 bedoelde
maatregelen, opdragen aan een daartoe door hem aangewezen
rechtspersoon of instantie.
3.In afwijking van het eerste lid berust de zorg voor de
uitvoering van de werkzaamheden die verband houden met de in
artikel 8.49 bedoelde maatregelen met betrekking tot:
a. gesloten stortplaatsen waar baggerspecie is gestort en
die worden gedreven of mede worden gedreven door Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat, bij die minister;
b. gesloten afvalvoorzieningen, waarvoor ingevolge artikel
8.2, derde lid, Onze Minister van Economische Zaken bevoegd
gezag is, bij degene die de afvalvoorziening het laatst heeft
gedreven.
4.Op verzoek van degene die een bedrijfsgebonden stortplaats
het laatst heeft gedreven, wordt bij het al dan niet toepassen van
het tweede lid rekening gehouden met de mogelijkheid die zorg aan
die persoon op te dragen.
Artikel 8.51
De rechthebbende ten aanzien van de plaats waar de in artikel
8.49 bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt
uitgevoerd, is verplicht te gedogen dat werkzaamheden worden
verricht ten behoeve van die zorg, onverminderd zijn recht op
schadevergoeding.
Titel 8.4. Regels met betrekking tot plaatsing van stortplaatsen
op een lijst
Artikel 8.52
Naar aanleiding van de door de provincie uitgevoerde
inventarisatie van plaatsen waar afvalstoffen zijn gestort en waar
dat storten voor 1 september 1996 is beëindigd, delen gedeputeerde
staten van de provincie waar de desbetreffende stortplaatsen liggen,
Onze Minister zo spoedig mogelijk mede welke stortplaatsen dit
betreft.
Artikel 8.53
1. Onze Minister houdt een lijst bij van gesloten stortplaatsen
als bedoeld in artikel 8.47, en van de stortplaatsen, bedoeld in
artikel 8.52.
2. Hij draagt zorgt voor bekendmaking van deze lijst en doet
een afschrift van de lijst alsmede de aanvullingen erop toekomen
aan de ter zake van de afvalstoffenbelasting bevoegde inspecteur
van de Belastingdienst.
Hoofdstuk 9. Stoffen en produkten
Titel 9.2. Stoffen, preparaten en genetisch gemodificeerde
organismen
§ 9.2.1. Algemeen
Artikel 9.2.1.1
Deze titel en de daarop berustende bepalingen zijn, met
uitzondering van de regels die uitsluitend strekken ter uitvoering
van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland
verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, niet van
toepassing op voedingsmiddelen, genotmiddelen en diervoeders.
Artikel 9.2.1.2
Een ieder die beroepshalve een stof, preparaat of genetisch
gemodificeerd organisme vervaardigt, in Nederland invoert, toepast,
bewerkt, verwerkt of aan een ander ter beschikking stelt, en die
weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door zijn
handelingen met die stof of dat preparaat of organisme gevaren
kunnen optreden voor de gezondheid van de mens of voor het milieu,
is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem
kunnen worden gevergd, teneinde die gevaren zoveel mogelijk te
voorkomen of te beperken.
Artikel 9.2.1.3
1.Een ieder die beroepshalve een stof, preparaat of genetisch
gemodificeerd organisme vervaardigt, in Nederland invoert,
toepast, bewerkt, verwerkt of aan een ander ter beschikking stelt,
verstrekt desgevraagd aan Onze Minister gegevens over die stof of
dat preparaat of organisme waarover hij beschikt of redelijkerwijs
kan beschikken.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde
gegevens.
Artikel 9.2.1.4
1.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
degene die beroepshalve stoffen, preparaten of genetisch
gemodificeerde organismen vervaardigt, in Nederland invoert,
toepast, bewerkt of verwerkt, in daarbij aangegeven categorieën
van gevallen een administratie bijhoudt van de hoeveelheden die
hij daarvan heeft vervaardigd, in Nederland heeft ingevoerd, heeft
toegepast, bewerkt of verwerkt of aan een ander ter beschikking
heeft gesteld.
2.Bij of krachtens de maatregel worden regels gesteld met
betrekking tot de wijze waarop de administratie wordt bijgehouden
en kunnen andere gegevens worden aangewezen die in de
administratie dienen te worden opgenomen.
Artikel 9.2.1.5
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan in het belang van de
landsverdediging vrijstelling worden verleend van de in artikel
9.2.3.1, 9.2.3.3 , 9.3.3 of 9.3a.3 gestelde verplichtingen.
2. Bij koninklijk besluit kan in het belang van de
landsverdediging ontheffing worden verleend van de bij of
krachtens artikel 9.2.1.4, 9.2.2.1, 9.2.2.2, 9.2.2.6, 9.2.3.1,
9.2.3.2, 9.2.3.3, 9.2.3.5, tweede lid, 9.3.3 of 9.3a.3 gestelde
verboden en verplichtingen.
3. Aan een vrijstelling of ontheffing worden de voorschriften
verbonden die nodig zijn in het belang van de bescherming van de
gezondheid van de mens en van het milieu.
4. De voordracht voor een besluit krachtens het eerste of
tweede lid wordt Ons niet gedaan dan op verzoek van Onze Minister
van Defensie.
§ 9.2.2. Maatregelen
Artikel 9.2.2.1
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien een
redelijk vermoeden is gerezen dat door handelingen met stoffen,
preparaten of genetisch gemodificeerde organismen ongewenste
effecten voor de gezondheid van de mens of voor het milieu zullen
ontstaan, regels worden gesteld met betrekking tot het
vervaardigen, in Nederland invoeren, toepassen, bewerken,
verwerken, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking
stellen, vervoeren, uitvoeren en zich ontdoen van deze stoffen,
preparaten of organismen.
2.Hiertoe kunnen behoren regels, inhoudende:
a. een verbod een of meer van de in het eerste lid genoemde
handelingen te verrichten met betrekking tot bij de maatregel
aangewezen stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde
organismen;
b. een verbod een zodanige handeling te verrichten op een
bij de maatregel aangegeven wijze, voor daarbij aangegeven
doeleinden, op daarbij aangegeven plaatsen of onder daarbij
aangegeven omstandigheden;
c. een verbod een handeling als onder a of b bedoeld te
verrichten zonder daartoe verleende vergunning;
d. een verbod een zodanige handeling te verrichten indien
met betrekking tot de stoffen, preparaten of genetisch
gemodificeerde organismen niet aan bij de maatregel gestelde
eisen wordt voldaan;
e. een verbod een zodanige handeling te verrichten indien
bij degene die die handeling verricht, niet de bij de
maatregel aangegeven deskundigheid aanwezig is;
f. een verbod een zodanige handeling te verrichten met
betrekking tot producten, indien deze daarbij aangewezen
stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde organismen
bevatten, of indien deze zodanige stoffen, preparaten of
genetisch gemodificeerde organismen bevatten in grotere dan
daarbij aangegeven hoeveelheden;
g. een verbod bij de maatregel aangewezen stoffen of
preparaten toe te passen in producten die niet behoren tot een
type dat bij een keuring, verricht aan de hand van de bij de
maatregel daartoe vastgestelde regels, is goedgekeurd;
h. een verbod bij de maatregel aangewezen stoffen,
preparaten of genetisch gemodificeerde organismen ter
beschikking te stellen aan een daarbij aangewezen categorie
van personen;
i. een verplichting een of meer van de in het eerste lid
genoemde handelingen met betrekking tot bij de maatregel
aangewezen stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde
organismen of daarbij aangewezen categorieën van producten
waarin die stoffen, preparaten of organismen voorkomen, of een
voornemen tot het verrichten van die handelingen, te melden op
een daarbij aangegeven wijze aan een daarbij aangewezen
bestuursorgaan onder overlegging van daarbij aangegeven
gegevens;
j. een verplichting met betrekking tot zodanige handelingen
volgens bij de maatregel gestelde regels controleonderzoeken
te verrichten en de resultaten van die onderzoeken op de bij
de maatregel aangegeven wijze aan Onze Minister over te
leggen;
k. een verplichting bij de maatregel aangewezen stoffen,
preparaten of daarbij aangewezen categorieën van producten
waarin die stoffen of preparaten voorkomen, na toepassing
terug te zenden aan degene die de stoffen, preparaten of
producten ter beschikking heeft gesteld;
l. een verplichting bij de maatregel aangewezen stoffen,
preparaten of genetisch gemodificeerde organismen of daarbij
aangewezen categorieën van producten waarin die stoffen,
preparaten of organismen voorkomen, af te geven aan daarbij
aangewezen personen of instellingen;
m. een verplichting voor degenen die bij de maatregel
aangewezen stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde
organismen of daarbij aangewezen categorieën van producten
waarin die stoffen, preparaten of organismen voorkomen,
vervaardigen, in Nederland invoeren of aan een ander ter
beschikking stellen, voor daarbij aangewezen personen of
instellingen die krachtens hoofdstuk 10 bevoegd zijn tot of
vergunning hebben voor het nuttig toepassen of verwijderen van
gevaarlijke afvalstoffen, dan wel voor bij de maatregel
aangewezen bestuursorganen, om die stoffen, preparaten,
organismen of producten in te zamelen.
3.Onze Minister kan omtrent in een maatregel krachtens het
eerste lid geregelde onderwerpen nadere regels stellen.
Artikel 9.2.2.2
Een algemene maatregel van bestuur waarbij toepassing is gegeven
aan artikel 9.2.2.1, tweede lid, onder b, d, g, i, j, k, l of m, kan
tevens de verplichting inhouden te voldoen aan door bestuursorganen
die bij de maatregel zijn aangewezen, omtrent onderwerpen die in de
maatregel zijn geregeld, gestelde nadere eisen. Bij het stellen van
een zodanige eis wordt tevens het tijdstip bepaald waarop ten
aanzien van die eis de verplichting ingaat.
Artikel 9.2.2.3
1.Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 9.2.2.1, tweede
lid, onder c, worden tevens bij algemene maatregel van bestuur
regels gesteld betreffende de wijze waarop de aanvraag om een
vergunning geschiedt, en de gegevens die van de aanvrager kunnen
worden verlangd.
2.De vergunning kan slechts in het belang van de bescherming
van de gezondheid van de mens en van het milieu worden geweigerd.
3.Op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een
vergunning zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en
afdeling 13.2 van toepassing. Bij een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in het eerste lid kunnen categorieën van
gevallen worden aangewezen, waarin afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht en afdeling 13.2 geheel of gedeeltelijk buiten
toepassing blijven.
4.Een vergunning kan in het belang van de bescherming van de
gezondheid van de mens en van het milieu onder beperkingen worden
verleend. Aan een vergunning kunnen in het belang van de
bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu
voorschriften worden verbonden. Deze kunnen, voorzover bij de
maatregel niet anders is bepaald, de verplichting inhouden te
voldoen aan door bestuursorganen die bij het voorschrift zijn
aangewezen, in het belang van de bescherming van de gezondheid van
de mens en van het milieu gestelde nadere eisen. Bij het stellen
van een zodanige eis wordt tevens het tijdstip bepaald, waarop ten
aanzien van die eis de verplichting ingaat.
5.Onverminderd artikel 18.12, eerste lid, kan een vergunning
worden ingetrokken indien de handeling aanmerkelijk gevaar
oplevert voor de gezondheid van de mens of voor het milieu en
wijziging of aanvulling van de aan de vergunning verbonden
voorschriften redelijkerwijs geen oplossing kan bieden.
6.Voor zover bij algemene maatregel van bestuur is bepaald, kan
de vergunning worden gewijzigd.
7.Op de voorbereiding van een intrekking of wijziging als
bedoeld in het vijfde lid, respectievelijk het zesde lid, zijn
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2
niet van toepassing.
Artikel 9.2.2.4
Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 9.2.2.1, tweede lid,
onder g, wijst Onze Minister de instantie aan, die de in die
bepaling bedoelde keuring verricht. Bij de maatregel worden regels
gesteld ten aanzien van de wijze waarop een zodanige keuring
plaatsheeft.
Artikel 9.2.2.5
Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 9.2.2.1, tweede lid,
onder k, l of m, kan tevens worden bepaald dat de schade, geleden
door degene die de stoffen, preparaten, genetisch gemodificeerde
organismen of producten moet terugzenden of afgeven, of de kosten,
gemaakt door degene die is aangewezen om die stoffen, preparaten,
organismen of producten in te zamelen, ten laste kunnen worden
gebracht van degenen die deze stoffen, preparaten, organismen of
producten hebben vervaardigd of in Nederland ingevoerd. Daarbij
kunnen tevens regels worden gesteld inzake de berekening van die
schade of kosten en de bepaling van degenen ten laste van wie die
schade of kosten worden gebracht.
Artikel 9.2.2.6
1.Indien de verwachte of gebleken effecten van stoffen,
preparaten of genetisch gemodificeerde organismen op de gezondheid
van de mens of op het milieu het stellen van regels als bedoeld in
artikel 9.2.2.1, eerste lid, naar het oordeel van Onze Minister
dringend noodzakelijk maken en naar zijn oordeel de totstandkoming
van een algemene maatregel van bestuur krachtens dat artikel niet
kan worden afgewacht, kan hij een besluit nemen van de in dat lid
bedoelde strekking. Onze Minister neemt een zodanig besluit in
overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat, tenzij de
vereiste spoed zich daartegen naar zijn oordeel verzet. De
artikelen 9.2.2.2 tot en met 9.2.2.5 zijn van overeenkomstige
toepassing.
2.Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid
vervalt een jaar nadat zij in werking is getreden of indien binnen
die termijn een algemene maatregel van bestuur ter vervanging van
die regeling in werking is getreden, op het tijdstip waarop die
maatregel in werking treedt. De termijn kan bij ministeriële
regeling eenmaal met ten hoogste een jaar worden verlengd.
Artikel 9.2.2.7
1.Onze Minister kan in bijzondere gevallen van het krachtens
artikel 9.2.1.4, 9.2.2.1 of 9.2.2.6 bepaalde op een daartoe
strekkende aanvraag ontheffing verlenen, indien het belang van de
bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu zich
daartegen niet verzet.
2.Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
ontheffing kunnen de voorschriften worden verbonden, die naar het
oordeel van Onze Minister in het belang van de bescherming van de
gezondheid van de mens en van het milieu noodzakelijk zijn.
3.Op de voorbereiding van een beschikking op een aanvraag om
een ontheffing als bedoeld eerste lid, zijn afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van toepassing.
4.Een ontheffing kan door Onze Minister worden gewijzigd of
ingetrokken, indien dat in het belang van de bescherming van de
gezondheid van de mens en van het milieu noodzakelijk is.
§ 9.2.3. Verpakking, aanduiding en aanbeveling
Artikel 9.2.3.1
1.Degene die een stof of preparaat aan een ander ter
beschikking stelt of in Nederland invoert, behorende tot een of
meer van de in het tweede lid aangewezen categorieën, draagt er
zorg voor dat die stof of dat preparaat bij de aflevering en bij
het ter aflevering voorhanden hebben is verpakt en op de
verpakking is aangeduid overeenkomstig het bepaalde bij of
krachtens de artikelen van deze paragraaf.
2.De in het eerste lid bedoelde categorieën zijn:
a. de categorie ontplofbaar;
b. de categorie oxiderend;
c. de categorie zeer licht ontvlambaar;
d. de categorie licht ontvlambaar;
e. de categorie ontvlambaar;
f. de categorie zeer vergiftig;
g. de categorie vergiftig;
h. de categorie schadelijk;
i. de categorie bijtend;
j. de categorie irriterend;
k. de categorie sensibiliserend;
l. de categorie kankerverwekkend;
m. de categorie mutageen;
n. de categorie voor de voortplanting vergiftig;
o. de categorie milieugevaarlijk.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de
criteria en methoden aangewezen volgens welke wordt bepaald of een
stof of preparaat behoort tot een categorie als bedoeld in het
tweede lid.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de aanduiding van stoffen of
preparaten waarvan nog niet is bepaald in hoeverre zij behoren tot
een of meer van de in het tweede lid bedoelde categorieën.
Artikel 9.2.3.2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de aanduiding van stoffen en
preparaten waarin daarbij aangewezen stoffen voorkomen, alsmede met
betrekking tot de aanduiding van producten waarin daarbij aangewezen
stoffen of preparaten voorkomen. Daarbij kan worden bepaald dat die
regels slechts gelden in daarbij aangewezen gevallen.
Artikel 9.2.3.3
1.De verpakking en sluiting die een stof of preparaat als
bedoeld in artikel 9.2.3.1, eerste lid, of een genetisch
gemodificeerd organisme rechtstreeks omsluiten, zijn:
a. zodanig dat ongewild verlies van de inhoud niet kan
plaatsvinden,
b. vervaardigd van materiaal dat niet door de stof, het
preparaat of het organisme kan worden aangetast, noch hiermee
een gevaarlijke reactie kan aangaan of een gevaarlijke
verbinding kan vormen, en
c. zodanig dat zij niet kunnen losraken en tegen normale
behandeling bestand zijn.
2.Indien de verpakking is voorzien van een sluiting die
meermalen kan worden gebruikt, zijn de verpakking en sluiting
zodanig dat de verpakking meermalen opnieuw kan worden afgesloten
zonder dat ongewild verlies van de inhoud plaatsvindt.
3.In afwijking van het eerste lid, onder a, mogen aan de
verpakking, indien nodig, een of meer ontluchtingsventielen of
andersoortige veiligheidsvoorzieningen aangebracht zijn.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met
betrekking tot de verpakking en sluiting regels worden gesteld.
Daarbij kan worden bepaald dat die regels slechts gelden voor
daarbij aangewezen stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde
organismen of categorieën daarvan of in daarbij aangewezen
gevallen.
Artikel 9.2.3.4
1.Het aanbevelen of aanprijzen van een stof of preparaat,
behorende tot een of meer van de in artikel 9.2.3.1, tweede lid,
bedoelde categorieën, zonder vermelding van de categorie of
categorieën waartoe die stof of dat preparaat behoort, is
verboden.
2.Het aanduiden van een stof, preparaat of genetisch
gemodificeerd organisme op een wijze die misleidend is ten aanzien
van de effecten daarvan op de gezondheid van de mens of op het
milieu of ten aanzien van het krachtens artikel 9.2.2.1 of 9.2.2.6
bepaalde, is verboden.
Artikel 9.2.3.5
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat in daarbij aangewezen gevallen de artikelen 9.2.3.1,
9.2.3.3 en 9.2.3.4 geheel of voor een daarbij te bepalen gedeelte
niet van toepassing zijn:
a. ter uitvoering van een krachtens het Verdrag betreffende
de oprichting van de Europese Unie tot stand gekomen bindende
regeling of
b. indien het belang van de bescherming van de gezondheid
van de mens en van het milieu zich daartegen niet verzet.
2.Bij of krachtens een maatregel als bedoeld in het eerste lid
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de in de artikelen
9.2.3.1, 9.2.3.3 en 9.2.3.4 geregelde onderwerpen.
Titel 9.3. De EG-verordening registratie, evaluatie en
autorisatie van chemische stoffen
Artikel 9.3.1
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ter uitvoering van de EG-verordening registratie,
evaluatie en autorisatie van chemische stoffen.
Artikel 9.3.2
1.Onze Minister is de bevoegde instantie, bedoeld in de
EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische
stoffen.
2.Voor onderdelen van de verordening die betrekking hebben op
beleid dat behoort tot de verantwoordelijkheid van een Onzer
andere Ministers, wordt voor die onderdelen die minister als
bevoegde instantie aangewezen. De aanwijzing geschiedt bij
regeling van Onze Minister in overeenstemming met die minister.
Artikel 9.3.3
1. Het is verboden te handelen in strijd met de volgende
bepalingen van de EG-verordening registratie, evaluatie en
autorisatie van chemische stoffen: de artikelen 5, 7, derde lid,
8, tweede lid, 9, vierde en zesde lid, 14, eerste, zesde en
zevende lid, 31, eerste, tweede, derde, zevende en negende lid,
32, eerste en derde lid, 33, 34, 35, 37, vierde tot en met zevende
lid, 38, eerste, derde en vierde lid, 39, eerste en tweede lid,
40, derde en vierde lid, 50, vierde lid, 55, 56, eerste en tweede
lid, 60, tiende lid, 65 en 67, eerste lid.
2. Het is eveneens verboden te handelen in strijd met de
volgende bepalingen van de EG-verordening registratie, evaluatie
en autorisatie van chemische stoffen: de artikelen 6, eerste en
derde lid, 7, eerste, tweede en vijfde lid, 9, tweede lid, 11,
eerste lid, 13, eerste, derde en vierde lid, 17, eerste lid, 18,
eerste lid, 19, eerste lid, 22, eerste, tweede en vierde lid, 24,
tweede lid, 25, eerste en tweede lid, 26, eerste en derde lid, 30,
eerste, tweede, derde en vierde lid, 31, vijfde en achtste lid,
32, tweede lid, 36, 37, tweede en derde lid, 41, vierde lid, 46,
tweede lid, 49, 50, tweede en derde lid, 61, eerste en derde lid,
63, derde lid, 66, eerste lid en 105.
3. Het is verboden handelingen te verrichten of na te laten in
strijd met andere bepalingen van de EG-verordening registratie,
evaluatie en autorisatie van chemische stoffen dan genoemd in het
eerste of tweede lid, voor zover die bepalingen ter uitvoering van
artikel 126 van die verordening bij algemene maatregel van bestuur
zijn aangewezen.
4. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde
lid vervalt een jaar nadat hij in werking is getreden, dan wel,
indien binnen die termijn een voorstel van wet tot wijziging van
het eerste of tweede lid bij de Staten-Generaal is ingediend, op
het tijdstip waarop dat voorstel is verworpen of, na tot wet te
zijn verheven, in werking is getreden.
5. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op
gedragingen, voorzover daaromtrent regels zijn gesteld bij of
krachtens de Warenwet.
Titel 9.3a. De EG-verordening indeling, etikettering en
verpakking van stoffen en mengsels
Artikel 9.3a.1
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wijst bij
ministeriële regeling het orgaan aan dat belast is met de
uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de
EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en
mengsels. In de ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de wijze van uitvoeren van die taak.
Artikel 9.3a.2
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is de
bevoegde instantie, bedoeld in artikel 43 van de EG-verordening
indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, voor
zover het betreft het doen van voorstellen voor een geharmoniseerde
indeling en etikettering van stoffen en mengsels.
Artikel 9.3a.3
1. Het is verboden te handelen in strijd met de volgende
bepalingen van de EG-verordening indeling, etikettering en
verpakking van stoffen en mengsels: de artikelen 4, eerste tot en
met vierde lid, zevende lid, achtste lid en tiende lid, 7, eerste
tot en met derde lid, 13, 15, vierde lid, 17, eerste en tweede
lid, 18, eerste tot en met derde lid, 19, eerste en tweede lid,
20, eerste en derde lid, 21, eerste en derde lid, 22, eerste en
vierde lid, 23, 25, eerste, tweede en vierde tot en met zesde lid,
28, tweede en derde lid, 29, eerste en derde lid, 30, eerste lid,
31, eerste tot en met vijfde lid, 32, eerste tot en met vierde en
zesde lid, 33, eerste tot en met derde lid, 35, eerste en tweede
lid, en 48, eerste en tweede lid.
2. Het is eveneens verboden te handelen in strijd met de
volgende bepalingen van de EG-verordening indeling, etikettering
en verpakking van stoffen en mengsels: de artikelen 16, eerste
lid, 26, eerste en tweede lid, 27, 28, eerste lid, 30, tweede en
derde lid, 40, eerste tot en met derde lid, en 49, eerste en
tweede lid.
3. Het is verboden handelingen te verrichten of na te laten in
strijd met andere bepalingen van de EG-verordening indeling,
etikettering en verpakking van stoffen en mengsels dan genoemd in
het eerste of tweede lid, voor zover die bepalingen ter uitvoering
van artikel 47 van die verordening bij algemene maatregel van
bestuur zijn aangewezen.
4. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde
lid vervalt een jaar nadat hij in werking is getreden, dan wel,
indien binnen die termijn een voorstel van wet tot wijziging van
het eerste of tweede lid bij de Staten-Generaal is ingediend, op
het tijdstip waarop dat voorstel is verworpen of, na tot wet te
zijn verheven, in werking is getreden.
Artikel 9.3a.4
Indien een stof of een mengsel overeenkomstig de titels II, III
en IV van de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van
stoffen en mengsels wordt ingedeeld, geëtiketteerd en verpakt, is
het bij of krachtens de artikelen 9.2.3.1, eerste en vierde lid,
9.2.3.3 en 9.2.3.5 gestelde op die stof of dat mengsel niet van
toepassing.
Titel 9.4. De EG-richtlijn ecologisch ontwerp energieverbruikende
producten
Artikel 9.4.1
1. In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
CE-markering: markering als bedoeld in besluit nr. 93/465/EEG
van de Raad van de Europese Unie van 22 juli 1993 betreffende de
modules voor de verschillende fasen van de
conformiteitbeoordelingsprocedures en de voorschriften inzake het
aanbrengen en het gebruik van de CE-markering van overeenstemming
(PbEG L 220) en bestaande uit het opschrift «CE» als weergegeven
in bijlage III bij de EG-richtlijn ecologisch ontwerp
energieverbruikende producten;
componenten en subeenheden: onderdelen die bedoeld zijn om in
een ingevolge een algemene maatregel van bestuur of een
uitvoeringsmaatregel als bedoeld in artikel 9.4.4, tweede lid,
aangewezen energieverbruikend product te worden ingebouwd en die
niet als losse onderdelen ten behoeve van gebruikers op de markt
worden gebracht of in gebruik worden genomen, dan wel waarvan de
milieuprestaties niet onafhankelijk van voornoemd product kunnen
worden beoordeeld;
conformiteitsverklaring: document waarbij de fabrikant
overeenkomstig bijlage VI bij de EG-richtlijn ecologisch ontwerp
energieverbruikende producten verklaart dat aan alle voor dat
product relevante bepalingen van de toepasselijke
uitvoeringsmaatregel wordt voldaan, onder verwijzing naar die
uitvoeringsmaatregel;
EG-richtlijn ecologisch ontwerp energieverbruikende producten:
richtlijn nr. 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 6 juli 2005 betreffende de totstandbrenging
van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch
ontwerp voor energieverbruikende producten en tot wijziging van
richtlijn 92/42/EEG van de Raad en de richtlijnen 96/57/EG en
2000/55/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 191);
energieverbruikend product:
1°. product dat wanneer het op de markt is gebracht of in
gebruik is genomen, voor zijn functioneren afhankelijk is van
energietoevoer in de vorm van elektriciteit of van fossiele of
hernieuwbare brandstoffen;
2°. product voor de opwekking, overbrenging en meting van
de onder 1° bedoelde energie, met inbegrip van onderdelen die
van energietoevoer afhankelijk zijn en bedoeld zijn om te
worden ingebouwd in het onder 1° bedoelde product en die ten
behoeve van gebruikers op de markt worden gebracht of in
gebruik worden genomen als losse onderdelen waarvan de
milieuprestaties onafhankelijk van het onder 1° bedoelde
product kunnen worden beoordeeld;
fabrikant: degene die een energieverbruikend product
vervaardigt met het oog op het op de markt brengen onder zijn
eigen naam of handelsmerk of voor eigen gebruik;
importeur: in de Europese Gemeenschap gevestigde persoon die in
het kader van zijn commerciële activiteiten een product uit een
land buiten de Europese Unie op de markt brengt;
op de markt brengen: op de markt brengen, tegen vergoeding of
kosteloos, met het oog op de distributie of het gebruik ervan,
ongeacht de wijze waarop dat geschiedt;
uitvoeringsmaatregel: krachtens de EG-richtlijn ecologisch
ontwerp energieverbruikende producten goedgekeurde maatregel tot
vaststelling van voorschriften voor een ecologisch ontwerp voor
daarin aangegeven energieverbruikende producten, alsmede
uitvoeringsmaatregel als bedoeld in artikel 21 van de EG-richtlijn
ecologisch ontwerp energieverbruikende producten.
2. Voor de toepassing van deze titel en de daarop berustende
bepalingen wordt onder ecologisch ontwerp, ecologisch profiel,
geharmoniseerde norm, materialen, milieuprestaties, productontwerp
onderscheidenlijk verbetering van de milieuprestaties verstaan
hetgeen daaronder in artikel 2 van de EG-richtlijn ecologisch
ontwerp energieverbruikende producten wordt verstaan.
3. Bij het ontbreken van een fabrikant of importeur van een
energieverbruikend product wordt degene die dat
energieverbruikende product op de markt brengt of in gebruik
neemt, voor de toepassing van deze titel en de daarop berustende
bepalingen als fabrikant aangemerkt.
4. Een wijziging van de in het tweede lid genoemde begrippen in
de EG-richtlijn ecologisch ontwerp energieverbruikende producten
of van een bijlage bij die richtlijn waarnaar bij of krachtens
deze titel wordt verwezen, gaat voor de toepassing van het bij of
krachtens deze titel bepaalde gelden met ingang van de dag waarop
aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij
bij een besluit van Onze Minister, dat in de Staatscourant wordt
bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 9.4.2
Een fabrikant kan een persoon schriftelijk machtigen om namens
hem bij of krachtens deze titel geldende verplichtingen na te komen,
mits deze gemachtigde binnen de Europese Gemeenschap is gevestigd.
Artikel 9.4.3
Deze titel is niet van toepassing op middelen voor het vervoer
van personen of goederen.
Artikel 9.4.4
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in
het belang van energie-efficiëntie en bescherming van het milieu
met betrekking tot het ecologisch ontwerp van een categorie van
energieverbruikende producten en de verstrekking van daarmee
verband houdende informatie over die producten aan de gebruikers
regels worden gesteld.
2. Het is de fabrikant onderscheidenlijk importeur van een
energieverbruikend product dat behoort tot een bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen categorie of tot een categorie,
aangewezen in een uitvoeringsmaatregel die in de vorm van een
verordening is gesteld, verboden dat product op de markt te
brengen of in gebruik te nemen, indien met betrekking tot dat
product niet wordt voldaan aan de bij of krachtens deze titel en
in de uitvoeringsmaatregel gestelde eisen.
Artikel 9.4.5
1. De fabrikant onderscheidenlijk importeur draagt er zorg voor
dat een energieverbruikend product dat behoort tot een ingevolge
een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4,
tweede lid, aangewezen categorie of tot een categorie, aangewezen
in een uitvoeringsmaatregel die in de vorm van een verordening is
gesteld, alvorens dat product op de markt wordt gebracht of in
gebruik wordt genomen, aan een conformiteitsbeoordeling wordt
onderworpen, waarbij wordt getoetst of het voldoet aan de bij of
krachtens deze titel en in de uitvoeringsmaatregel gestelde eisen.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven
met betrekking tot de wijze waarop de toetsing met betrekking tot
dat product plaatsvindt.
2. De fabrikant maakt met betrekking tot een energieverbruikend
product dat behoort tot een ingevolge een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen
categorie of tot een categorie, aangewezen in een
uitvoeringsmaatregel die in de vorm van een verordening is
gesteld, een conformiteitsverklaring op en brengt een CE-markering
op het product aan. De importeur draagt er zorg voor dat hij met
betrekking tot een dergelijk product beschikt over de
conformiteitsverklaring en dat op het product een CE-markering is
aangebracht.
Artikel 9.4.6
1. De fabrikant onderscheidenlijk importeur van een
energieverbruikend product dat behoort tot een ingevolge een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4,
tweede lid, aangewezen categorie of tot een categorie, aangewezen
in een uitvoeringsmaatregel die in de vorm van een verordening is
gesteld, bewaart na het in Nederland op de markt brengen of in
gebruik nemen van dat product de relevante documenten betreffende
de conformiteitsbeoordeling, als bedoeld in artikel 9.4.5, eerste
lid, en de daaromtrent afgegeven conformiteitsverklaringen
gedurende een periode van tien jaar na beëindiging van de
vervaardiging van dat product.
2. De fabrikant onderscheidenlijk importeur stelt de in het
eerste lid bedoelde documenten binnen tien dagen na ontvangst van
een verzoek van het bevoegd gezag, belast met het toezicht op de
naleving van de wet, beschikbaar aan dat bevoegde gezag.
3. Fabrikanten van componenten en subeenheden kunnen bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot een
energieverbruikend product dat behoort tot een ingevolge een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4,
tweede lid, aangewezen categorie of tot een categorie, aangewezen
in een uitvoeringsmaatregel die in de vorm van een verordening is
gesteld, worden verplicht aan de fabrikant onderscheidenlijk
importeur van dat product daarbij aangegeven relevante informatie
te verstrekken over de materiaalsamenstelling en het verbruik van
energie, materialen of hulpbronnen van de door hen geproduceerde
componenten of subeenheden.
Artikel 9.4.7
1. Het is verboden op een energieverbruikend product een
markering aan te brengen, die de gebruikers van dat product kan
misleiden omtrent de betekenis of de vorm van de CE-markering.
2. Het is verboden een energieverbruikend product dat behoort
tot een ingevolge een algemene maatregel van bestuur als bedoeld
in artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen categorie of tot een
categorie, aangewezen in een uitvoeringsmaatregel die in de vorm
van een verordening is gesteld, dat nog niet op de markt is
gebracht en niet in overeenstemming is met het bij of krachtens
deze titel bepaalde en met de toepasselijke uitvoeringsmaatregel,
te tonen of te demonstreren op handelsbeurzen, tentoonstellingen
of soortgelijke evenementen. Het verbod geldt niet indien
duidelijk zichtbaar is aangegeven dat het product nog niet met die
uitvoeringsmaatregel in overeenstemming is en niet op de markt zal
worden gebracht, zolang het product nog niet met het bij of
krachtens deze titel bepaalde en met de toepasselijke
uitvoeringsmaatregel in overeenstemming is.
Artikel 9.4.8
1. Een energieverbruikend product, behorende tot een ingevolge
een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4,
tweede lid, aangewezen categorie of tot een categorie, aangewezen
in een uitvoeringsmaatregel die in de vorm van een verordening is
gesteld, dat van een CE-markering is voorzien, wordt vermoed te
voldoen aan de voor dat product bij of krachtens deze titel en in
de uitvoeringsmaatregel gestelde eisen.
2. Een energieverbruikend product, behorende tot een ingevolge
een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4,
tweede lid, aangewezen categorie of tot een categorie, aangewezen
in een uitvoeringsmaatregel die in de vorm van een verordening is
gesteld, waarvoor een geharmoniseerde norm is toegepast waarvan
het referentienummer in het Publicatieblad van de Europese Unie is
bekendgemaakt, wordt vermoed te voldoen aan de voorschriften van
de toepasselijke uitvoeringsmaatregel waarop die norm betrekking
heeft.
3. Een energieverbruikend product, behorende tot een ingevolge
een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4,
tweede lid, aangewezen categorie of tot een categorie, aangewezen
in een uitvoeringsmaatregel die in de vorm van een verordening is
gesteld, waarvoor overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1980/2000 de
communautaire milieukeur is verleend, wordt vermoed te voldoen aan
de voorschriften inzake ecologisch ontwerp van de toepasselijke
uitvoeringsmaatregel voor zover de milieukeur aan die
voorschriften voldoet.
Hoofdstuk 10. Afvalstoffen
Titel 10.1. Algemeen
Artikel 10.1
1.Een ieder die handelingen met betrekking tot afvalstoffen
verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten
dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen
ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten
die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die
gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
2.Het is een ieder bij wie afvalstoffen ontstaan, verboden
handelingen met betrekking tot die afvalstoffen te verrichten of
na te laten, waarvan hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten
dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen
ontstaan.
3.Het is een ieder verboden bedrijfsmatig of in een omvang of
op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met
betrekking tot afvalstoffen te verrichten, indien daardoor, naar
hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen
voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.
4.Onder handelingen als bedoeld in het derde lid wordt in ieder
geval verstaan: inzamelen of anderszins in ontvangst nemen,
bewaren, nuttig toepassen, verwijderen, vervoeren of verhandelen
van afvalstoffen of bemiddelen bij het beheer van afvalstoffen.
5.De verboden, bedoeld in het tweede en derde lid, gelden niet
voor zover deze handelingen betreffen, die degene die deze
verricht, uitdrukkelijk zijn toegestaan bij of krachtens deze wet
of een in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wet of de
EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
Artikel 10.1a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 10.1b [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 10.2
1.Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze -
al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten,
anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, indien
het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet
verzet, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen
vrijstelling worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste
lid.
3.Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, kunnen bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur in het belang van de
bescherming van het milieu regels worden gesteld met betrekking
tot het zich ontdoen van afvalstoffen als bedoeld in het eerste
lid.
Titel 10.2. Het afvalbeheersplan
Artikel 10.3
Onze Minister stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een
afvalbeheersplan vast.
Artikel 10.4
Bij de vaststelling van het afvalbeheersplan houdt Onze Minister
er rekening mee dat het belang van de bescherming van het milieu
vereist dat in de navolgende voorkeursvolgorde:
a. het ontstaan van afvalstoffen wordt voorkomen of beperkt;
b. bij het vervaardigen van stoffen, preparaten of producten
gebruik wordt gemaakt van stoffen en materialen die na gebruik
van het product geen of zo min mogelijk nadelige gevolgen voor
het milieu veroorzaken;
c. stoffen, preparaten of producten na gebruik als zodanig
opnieuw worden gebruikt;
d. stoffen en materialen waaruit een product bestaat, na
gebruik van het product opnieuw worden gebruikt;
e. afvalstoffen worden toegepast met een hoofdgebruik als
brandstof of voor een andere wijze van energieopwekking;
f. afvalstoffen worden verwijderd door deze te verbranden op
land;
g. afvalstoffen worden gestort.
Artikel 10.5
Bij de vaststelling van het afvalbeheersplan houdt Onze Minister
er rekening mee dat het belang van een doelmatig beheer van
afvalstoffen vereist dat:
a. het beheer van afvalstoffen op effectieve en efficiënte
wijze geschiedt;
b. effectief toezicht dan wel douanecontrole op het beheer
van afvalstoffen mogelijk is.
Artikel 10.5a [Vervallen per 08-05-2002]
Artikel 10.6
Bij de vaststelling van het afvalbeheersplan houdt Onze Minister
rekening met het geldende nationale milieubeleidsplan.
Artikel 10.7
1.Het afvalbeheersplan bevat de onderwerpen die ingevolge voor
Nederland bindende besluiten van de instellingen van de Europese
Unie moeten worden opgenomen in een zodanig plan.
2.Het afvalbeheersplan bevat voorts in ieder geval:
a. de hoofdlijnen van het beleid ter uitvoering van deze
wet met betrekking tot het voorkomen of beperken van het
ontstaan van afvalstoffen en het beheer van afvalstoffen in de
betrokken periode van vier jaar en, voor zover mogelijk, in de
daarop volgende zes jaar;
b. een uitwerking van deze hoofdlijnen met betrekking tot
daarbij aangewezen categorieën van afvalstoffen of wijzen van
beheer van afvalstoffen;
c. de capaciteit die benodigd is voor de daarbij aangewezen
wijzen van beheer van afvalstoffen in de betrokken periode van
vier jaar en, voor zover mogelijk, in de daaropvolgende zes
jaar;
d. een beschrijving van het beleid ter uitvoering van de
EG-verordening overbrenging van afvalstoffen in de betrokken
periode van vier jaar.
Artikel 10.8
1.Onze Minister stelt het onderdeel van het afvalbeheersplan,
bedoeld in artikel 10.7, tweede lid, onder a, op na overleg met
een instantie die representatief kan worden geacht voor de
provinciebesturen en met een instantie die representatief kan
worden geacht voor de gemeentebesturen.
2.Onze Minister stelt de onderdelen van het afvalbeheersplan,
bedoeld in artikel 10.7, tweede lid, onder b en c, op in
gezamenlijk overleg met een instantie die representatief kan
worden geacht voor de provinciebesturen en met een instantie die
representatief kan worden geacht voor de gemeentebesturen.
3.Onze Minister betrekt voorts bij de voorbereiding van het
afvalbeheersplan de naar zijn oordeel bij de te behandelen
onderwerpen meest belanghebbende andere bestuursorganen,
instellingen en organisaties.
4.Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de
wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in het
eerste tot en met derde lid.
Artikel 10.9
1.Met betrekking tot de voorbereiding van het afvalbeheersplan
is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
2.Het ontwerp van het afvalbeheersplan wordt, gelijktijdig met
de terinzagelegging ervan, overgelegd aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 10.10
Ten behoeve van het opstellen van het afvalbeheersplan
verschaffen de bestuursorganen aan Onze Minister op zijn verzoek
alle inlichtingen en gegevens waarover zij kunnen beschikken, voor
zover die voor dat opstellen redelijkerwijs noodzakelijk zijn.
Artikel 10.11
1.Zodra het afvalbeheersplan is vastgesteld, doet Onze Minister
hiervan mededeling door overlegging van het afvalbeheersplan aan
de beide kamers der Staten-Generaal en door toezending ervan aan
gedeputeerde staten van de provincies en burgemeester en
wethouders van de gemeenten.
2.Onze Minister zendt het afvalbeheersplan tevens toe aan de
bestuursorganen, instellingen en organisaties, die overeenkomstig
artikel 10.8, derde lid, waren betrokken bij de voorbereiding
ervan.
Artikel 10.12
1.Het afvalbeheersplan geldt met ingang van de dag waarop vier
weken zijn verstreken na de dag waarop de vaststelling van het
afvalbeheersplan is bekendgemaakt in de Staatscourant. Onze
Minister kan bepalen dat het afvalbeheersplan, of onderdelen
daarvan, eerst op een later tijdstip gaan gelden.
2.Het afvalbeheersplan geldt, behoudens indien eerder een nieuw
afvalbeheersplan is vastgesteld, voor een tijdvak van vier jaar.
Onze Minister kan de geldingsduur van het afvalbeheersplan eenmaal
met ten hoogste twee jaar verlengen.
Artikel 10.12a [Vervallen per 08-05-2002]
Artikel 10.12b [Vervallen per 08-05-2002]
Artikel 10.13
1.Het afvalbeheersplan kan worden gewijzigd.
2.Met betrekking tot een wijziging van het afvalbeheersplan
zijn de artikelen 10.4 tot en met 10.11 en 10.12, eerste lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.14
1.Ieder bestuursorgaan houdt rekening met het geldende
afvalbeheersplan bij het uitoefenen van een bevoegdheid krachtens
deze wet, voor zover de bevoegdheid wordt uitgeoefend met
betrekking tot afvalstoffen.
2.Voor zover het afvalbeheersplan niet voorziet in het
onderwerp met betrekking waartoe de bevoegdheid wordt uitgeoefend,
houdt het bestuursorgaan rekening met de voorkeursvolgorde,
aangegeven in artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel
10.5, eerste lid.
3.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij het
uitoefenen van een bevoegdheid krachtens de EG-verordening
overbrenging van afvalstoffen.
Titel 10.3. Preventie en nuttige toepassing
Artikel 10.15
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van
het voorkomen of beperken van het ontstaan van afvalstoffen,
regels worden gesteld ten aanzien van het vervaardigen, invoeren,
toepassen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking
stellen of in ontvangst nemen van bij die maatregel aangewezen
categorieën van stoffen, preparaten of producten.
2.Hiertoe kunnen in ieder geval behoren regels, inhoudende een
verbod met betrekking tot zodanige stoffen, preparaten of
producten:
a. een of meer van de in het eerste lid genoemde
handelingen te verrichten;
b. zodanige handelingen te verrichten:
1°. op een bij de maatregel aangegeven wijze,
2°. onder daarbij aangegeven omstandigheden, of
3°. voor daarbij aangewezen doeleinden;
c. zodanige handelingen te verrichten, indien met
betrekking tot de stoffen, preparaten of producten niet aan
bij de maatregel gestelde eisen wordt voldaan;
d. deze te vervaardigen of aan een ander ter beschikking te
stellen, indien bij de vervaardiging niet aan bij de maatregel
gestelde eisen wordt of is voldaan.
3.Met betrekking tot inrichtingen worden regels als bedoeld in
het eerste lid alleen gesteld, indien dit uit een oogpunt van
doelmatige regelgeving bijzonder aangewezen is.
4.In een algemene maatregel van bestuur krachtens het eerste
lid wordt een termijn bepaald, eerst bij het verstrijken waarvan
de bij die maatregel gestelde regels ten aanzien van stoffen,
preparaten of producten, die bij het in werking treden van de
maatregel reeds vervaardigd en hier te lande aanwezig waren, gaan
gelden.
5.Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent onderwerpen
die zijn geregeld in een maatregel krachtens het eerste lid.
Artikel 10.16
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van
een doelmatig beheer van afvalstoffen regels worden gesteld,
inhoudende een verplichting voor degene die bij die maatregel
aangewezen categorieën van stoffen, preparaten of producten op de
markt brengt, die stoffen, preparaten of producten of de
verpakking ervan te voorzien van een door Onze Minister aangegeven
aanduiding. Bij de maatregel kan worden bepaald dat die regels
slechts gelden in daarbij aangewezen categorieën van gevallen.
2.Een aanduiding kan een aanbeveling inhouden met betrekking
tot het beheer van de desbetreffende stoffen, preparaten of
producten, de verpakking of de bij het gebruik vrijkomende
afvalstoffen.
3.Onze Minister kan nadere regels stellen die aangeven welke
producten worden begrepen onder de krachtens het eerste lid
aangewezen categorieën van stoffen, preparaten of producten.
Artikel 10.16a [Vervallen per 08-05-2002]
Artikel 10.16b [Vervallen per 08-05-2002]
Artikel 10.16c [Vervallen per 08-05-2002]
Artikel 10.16d [Vervallen per 08-05-2002]
Artikel 10.17
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van
het bevorderen van nuttige toepassing of anderszins in het belang
van de bescherming van het milieu regels worden gesteld met
betrekking tot het innemen, nuttig toepassen of verwijderen van
daarbij aangewezen categorieën van stoffen, preparaten of
producten.
2.Hiertoe kunnen in ieder geval behoren regels, inhoudende de
verplichting voor degene die stoffen, preparaten of producten op
de markt brengt:
a. die producten, na gebruik, in te nemen;
b. zorg te dragen voor het treffen van voorzieningen die
erop gericht zijn om die producten na inname op een bij die
maatregel aangegeven wijze nuttig toe te passen of te
verwijderen;
c. zorg te dragen voor het, na inname, afgeven van die
producten aan een persoon, behorende tot een bij die maatregel
aangewezen categorie.
Artikel 10.18
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van het
bevorderen van nuttige toepassing of anderszins in het belang van de
bescherming van het milieu, personen, behorende tot een bij de
maatregel aangewezen categorie, worden verplicht bij die maatregel
aangewezen categorieën van afvalstoffen of andere stoffen,
preparaten of producten in ontvangst te nemen en vervolgens op een
bij die maatregel aangegeven wijze toe te passen.
Artikel 10.19
1.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
burgemeester en wethouders er zorg voor dragen dat er op ten
minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de
gemeente of binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, in
voldoende mate gelegenheid wordt geboden om daarbij aangewezen
stoffen, preparaten of producten achter te laten die zijn
ingenomen krachtens artikel 10.17.
2.Bij de maatregel kunnen regels worden gesteld omtrent de
wijze waarop burgemeester en wethouders uitvoering geven aan de
verplichting, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 10.20
1.Onze Minister kan, indien naar zijn oordeel in het belang van
een doelmatig beheer van afvalstoffen een onverwijlde voorziening
noodzakelijk is, een regeling vaststellen van de in de artikelen
10.15 tot en met 10.19 bedoelde strekking.
2.Een zodanige regeling vervalt een jaar nadat zij in werking
is getreden of, indien binnen die termijn een algemene maatregel
van bestuur ter vervanging van die regeling in werking is
getreden, op het tijdstip waarop die maatregel in werking treedt.
Onze Minister kan de termijn bij ministeriële regeling eenmaal
met ten hoogste een jaar verlengen.
Titel 10.4. Het beheer van huishoudelijke en andere afvalstoffen
Artikel 10.21
1.De gemeenteraad en burgemeester en wethouders dragen, al dan
niet in samenwerking met de gemeenteraad en burgemeester en
wethouders van andere gemeenten, ervoor zorg dat ten minste
eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering
van grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk
binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen
geregeld kunnen ontstaan.
2.Groente-, fruit- en tuinafval wordt daarbij in ieder geval
afzonderlijk ingezameld.
3.De gemeenteraad kan besluiten tot het afzonderlijk inzamelen
van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen.
Artikel 10.22
1.Elke gemeente draagt er zorg voor:
a. dat grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld
bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige
afvalstoffen ontstaan, en
b. dat er op ten minste één daartoe ter beschikking
gestelde plaats binnen de gemeente of binnen de gemeenten
waarmee wordt samengewerkt, in voldoende mate gelegenheid
wordt geboden om grove huishoudelijke afvalstoffen achter te
laten.
2.In het belang van een doelmatig beheer van grove
huishoudelijke afvalstoffen kan bij algemene maatregel van bestuur
worden bepaald dat het eerste lid geheel of gedeeltelijk buiten
toepassing blijft met betrekking tot bij de maatregel aangewezen
categorieën van grove huishoudelijke afvalstoffen, al dan niet
voor zover deze vrijkomen in een hoeveelheid of een omvang die, of
een gewicht dat groter is dan bij de maatregel is aangegeven.
Artikel 10.22a [Vervallen per 08-05-2002]
Artikel 10.23
1.De gemeenteraad stelt in het belang van de bescherming van
het milieu een afvalstoffenverordening vast.
2.Onverminderd artikel 10.14 wordt bij het vaststellen of
wijzigen van de verordening rekening gehouden met:
a. het gemeentelijke milieubeleidsplan;
b. het gemeentelijke milieuprogramma, indien in de gemeente
geen milieubeleidsplan geldt.
3.De afvalstoffenverordening bevat geen regels als bedoeld in
artikel 10.48.
Artikel 10.24
1.De afvalstoffenverordening bevat ten minste regels omtrent:
a. het overdragen of het ter inzameling aanbieden van
huishoudelijke afvalstoffen aan een bij of krachtens de
verordening aangewezen inzameldienst;
b. het overdragen van zodanige afvalstoffen aan een ander;
c. het achterlaten van zodanige afvalstoffen op een daartoe
ter beschikking gestelde plaats.
2.Bij de afvalstoffenverordening kunnen voorts regels worden
gesteld omtrent het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen.
Artikel 10.25
Bij de afvalstoffenverordening kunnen in ieder geval regels
worden gesteld:
a. ten einde te voorkomen dat afvalstoffen als zwerfafval in
het milieu terechtkomen dan wel teneinde te bereiken dat zulks
zo min mogelijk gebeurt;
b. omtrent het opruimen van afvalstoffen die als zwerfafval
in het milieu terecht zijn gekomen;
c. omtrent het op een voor het publiek zichtbare plaats
aanwezig hebben van afvalstoffen.
Artikel 10.26
1.De gemeenteraad kan, in afwijking van artikel 10.21, in het
belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen
bij de afvalstoffenverordening bepalen dat:
a. huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld nabij elk
perceel;
b. huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld met een
daarbij aangegeven regelmaat;
c. in een gedeelte van het grondgebied van de gemeente geen
huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld;
d. daarbij aangegeven bestanddelen van het groente-, fruit-
en tuinafval afzonderlijk worden ingezameld;
e. groente-, fruit- en tuinafval met andere daarbij
aangegeven bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen
afzonderlijk van het overige huishoudelijk afval wordt
ingezameld.
2.De gemeenteraad betrekt bij de voorbereiding van een zodanig
besluit de ingezetenen en belanghebbenden, op de wijze voorzien in
de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde
verordening.
Artikel 10.27
In gevallen als bedoeld in artikel 10.26, eerste lid, onder b en
c, dragen de gemeenteraad en burgemeester en wethouders er zorg voor
dat op ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats
binnen de gemeente of binnen de gemeenten waarmee wordt
samengewerkt, in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om
huishoudelijke afvalstoffen achter te laten.
Artikel 10.28
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot het opnemen in de verordening van een
verplichting bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen te
brengen naar een daartoe beschikbaar gestelde plaats.
2.Bij de maatregel kan worden aangegeven op welke wijze de
gemeenteraad en burgemeester en wethouders er zorg voor dragen dat
plaatsen als bedoeld in het eerste lid, binnen de gemeente in
voldoende mate beschikbaar zijn.
3.Bij de maatregel kan worden bepaald dat de artikelen 10.21,
eerste lid, en 10.24, eerste lid, onder a, niet van toepassing
zijn met betrekking tot de inzameling van de bestanddelen van
huishoudelijke afvalstoffen, die zijn aangewezen krachtens het
eerste lid.
Artikel 10.29
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, voor zover het
betreft gevallen waarin een doelmatig beheer van huishoudelijke
afvalstoffen van meer dan gemeentelijk belang is, regels worden
gesteld omtrent de inzameling van die afvalstoffen.
2.Hiertoe kunnen in ieder geval behoren regels die inhouden dat
burgemeester en wethouders maatregelen treffen voor de inzameling
van die afvalstoffen of daartoe voorzieningen tot stand brengen en
in stand houden.
Titel 10.5. Het zich ontdoen, de inzameling en het transport van
afvalwater
Artikel 10.29a
Een bestuursorgaan houdt er bij het uitoefenen van een
bevoegdheid krachtens deze wet, voor zover die bevoegdheid wordt
uitgeoefend met betrekking tot afvalwater, rekening mee dat het
belang van de bescherming van het milieu vereist dat in de
navolgende voorkeursvolgorde:
a. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
b. verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
c. afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het
niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een
doelmatig beheer van afvalwater;
d. huishoudelijk afvalwater en, voor zover doelmatig en
kostenefficiënt, afvalwater dat daarmee wat biologische
afbreekbaarheid betreft overeenkomt worden ingezameld en naar
een inrichting als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet
getransporteerd;
e. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d zo nodig na
retentie of zuivering bij de bron, wordt hergebruikt;
f. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d lokaal, zo
nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt
gebracht en
g. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d naar een
inrichting als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet wordt
getransporteerd.
Artikel 10.30
1.Het is verboden zich, anders dan vanuit een inrichting, van
afvalwater of andere afvalstoffen te ontdoen door deze in een
voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater te
brengen.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het
brengen van:
a. huishoudelijk afvalwater in een voorziening voor de
inzameling en het transport van stedelijk afvalwater;
b. afvloeiend hemelwater in een openbaar hemelwaterstelsel
of in een voorziening voor de inzameling en het transport van
stedelijk afvalwater, die blijkens het gemeentelijk
rioleringsplan mede voor afvoer van afvloeiend hemelwater is
bestemd, en
c. grondwater in een openbaar ontwateringsstelsel of in een
voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk
afvalwater, die blijkens het gemeentelijk rioleringsplan mede
voor afvoer van grondwater is bestemd.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kan in het belang van een
doelmatig beheer van afvalwater voor daarbij aangegeven
categorieën van gevallen vrijstelling worden verleend van het
verbod, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 10.31
De artikelen 10.21 tot en met 10.29 en titel 10.6 zijn niet van
toepassing op het brengen van afvalwater en andere afvalstoffen in
een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater,
het inzamelen en transporteren van afvalwater in een zodanige
voorziening en het vanuit een zodanige voorziening afgeven van
afvalwater aan een persoon die een zuiveringstechnisch werk beheert.
Artikel 10.32
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het
belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld met
betrekking tot het brengen van afvalwater en andere afvalstoffen in
een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater,
anders dan vanuit een inrichting. Artikel 8.42 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.32a
1.De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat:
a. bij het brengen van afvloeiend hemelwater of van
grondwater op of in de bodem of in een voorziening voor de
inzameling en het transport van afvalwater, wordt voldaan aan
de in die verordening gestelde regels, en
b. het brengen van afvloeiend hemelwater of van grondwater
in een voorziening voor de inzameling en het transport van
stedelijk afvalwater binnen een in die verordening aangegeven
termijn wordt beëindigd.
2.Van de mogelijkheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
wordt geen gebruikgemaakt, indien van degene bij wie afvloeiend
hemelwater of grondwater vrijkomt redelijkerwijs geen andere wijze
van afvoer van dat water kan worden gevergd.
Artikel 10.33
1. De gemeenteraad of burgemeester en wethouders dragen zorg
voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater dat
vrijkomt bij de binnen het grondgebied van de gemeente gelegen
percelen, door middel van een openbaar vuilwaterriool naar een
inrichting als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet.
2. In plaats van een openbaar vuilwaterriool en een inrichting
als bedoeld in het eerste lid kunnen afzonderlijke systemen of
andere passende systemen in beheer bij een gemeente, waterschap of
een rechtspersoon die door een gemeente of waterschap met het
beheer is belast, worden toegepast, indien met die systemen
blijkens het gemeentelijk rioleringsplan eenzelfde graad van
bescherming van het milieu wordt bereikt.
3. Op verzoek van burgemeester en wethouders kunnen
gedeputeerde staten in het belang van de bescherming van het
milieu ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het
eerste lid, voor:
a. een gedeelte van het grondgebied van een gemeente, dat
gelegen is buiten de bebouwde kom, en
b. een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater met
een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten
wordt geloosd.
4. De ontheffing bedoeld in het derde lid kan, indien de
ontwikkelingen in het gebied waarvoor de ontheffing is verleend
daartoe aanleiding geven, door gedeputeerde staten worden
ingetrokken. Bij de intrekking wordt aangegeven binnen welke
termijn in inzameling en transport van stedelijk afvalwater wordt
voorzien.
Artikel 10.34
Onze Minister stelt regels over het ontwerpen, bouwen, aanpassen
en onderhouden van de voorzieningen voor de inzameling en het
transport van stedelijk afvalwater ter uitvoering van een voor
Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend
besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
Artikel 10.35
1.Onze Minister stelt iedere twee jaar een rapport op, waarin
de stand van zaken wordt beschreven met betrekking tot de
inzameling en het transport van stedelijk afvalwater en de afvoer
van slib dat geheel of in hoofdzaak afkomstig is van de
rioolwaterzuiveringsinrichtingen die door een provincie, een
gemeente of een waterschap worden beheerd.
2.Van de vaststelling van het rapport wordt mededeling gedaan
in de Staatscourant.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste
lid. Deze regels kunnen voor burgemeester en wethouders de
verplichting inhouden jaarlijks op een daarbij aangegeven wijze
gegevens te verstrekken, die voor de opstelling van het rapport
nodig zijn.
Titel 10.6. Het beheer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke
afvalstoffen
§ 10.6.1. De afgifte en ontvangst van bedrijfsafvalstoffen en
gevaarlijke afvalstoffen
Artikel 10.36
Voor de toepassing van deze titel worden ingezamelde of afgegeven
huishoudelijke afvalstoffen gelijkgesteld met bedrijfsafvalstoffen.
Artikel 10.36a [Vervallen per 08-05-2002]
Artikel 10.36b [Vervallen per 08-05-2002]
Artikel 10.37
1. Het is verboden zich door afgifte aan een ander van
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen.
2. Het verbod geldt niet indien bedrijfsafvalstoffen of
gevaarlijke afvalstoffen worden afgegeven aan een persoon:
a. die krachtens artikel 10.45 of 10.48 bevoegd is de
betrokken afvalstoffen in te zamelen;
b. die bevoegd is de betrokken afvalstoffen nuttig toe te
passen of te verwijderen:
1°. krachtens hoofdstuk 8;
2°. op grond van een krachtens artikel 10.2, tweede
lid, verleende vrijstelling of een ontheffing krachtens
artikel 10.63, tweede of derde lid, van het verbod,
bedoeld in artikel 10.2, eerste lid;
3°. krachtens artikel 10.52;
4°. op grond van een krachtens artikel 10.54, derde
lid, verleende vrijstelling of een ontheffing krachtens
artikel 10.63, derde lid, van het verbod, bedoeld in
artikel 10.54, eerste lid;
c. die krachtens artikel 10.50 is vrijgesteld van de
verplichtingen, gesteld bij of krachtens de artikelen 10.38
tot en met 10.40, 10.45, 10.46 en 10.48;
d. die op grond van een krachtens de Waterwet verleende
vergunning bevoegd is de betrokken afvalstoffen te lozen, dan
wel aan boord van een vaartuig of luchtvaartuig te neme | |