Nadere regelgeving:
- Besluit
bodemkwaliteit
- Besluit
brandstoffen luchtverontreiniging
- Besluit
emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A
- Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B
(vervallen)
- Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer
- Besluit
gewasbeschermingsmiddelen en biociden
- Besluit
glastuinbouw (vervallen)
- Besluit handel in emissierechten
- Besluit
informatie inzake rampen en zware ongevallen
- Besluit
kwaliteitseisen en monitoring water 2009
- Besluit kwaliteitseisen handhaving milieubeheer
(vervallen)
- Besluit landbouw milieubeheer
(vervallen)
- Besluit
lozing afvalwater huishoudens
- Besluit LPG-tankstations milieubeheer
- Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
- Besluit milieu-effectrapportage
- Besluit milieuverslaglegging
- Besluit omgevingsrecht
- Besluit
risico’s zware ongevallen 1999
- Besluit
verbranden afvalstoffen (vervallen)
- Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en
preparaten
- Drinkwaterbesluit
- Drinkwaterregeling
- Inrichtingen-
en vergunningenbesluit milieubeheer (vervallen)
- Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007
- Regeling bodemkwaliteit
- Regeling genetisch gemodificeerde
organismen
- Regeling milieukwaliteitseisen gevaarlijke stoffen
oppervlaktewateren (vervallen)
- Regeling omgevingsrecht
- Regeling
risico's zware ongevallen 1999'
- Stortbesluit
bodembescherming
- Uitvoeringsbesluit
Meststoffenwet
- Vuurwerkbesluit
WET van 13 juni 1979, houdende regelen
met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op het gebied van de
milieuhygiëne
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, naast de
wettelijke regelingen, geldende voor de onderscheidene onderdelen van
het gebied van de milieuhygiëne, regelen te stellen met betrekking tot
een aantal algemene onderwerpen op dat gebied;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemeen
§ 1.1. Algemeen
Artikel 1.1
1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
adviseurs: bestuursorganen die
krachtens wettelijk voorschrift in de gelegenheid moeten worden
gesteld advies uit te brengen met betrekking tot het geven van een
beschikking of het nemen van een ander besluit;
afvalbeheerplan: afvalbeheerplan,
bedoeld in artikel 10.3;
afvalstoffen: alle stoffen,
preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet,
voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;
afvalstoffenhandelaar: natuurlijke
of rechtspersoon die als verantwoordelijke optreedt bij het
bedrijfsmatig aankopen en vervolgens verkopen van afvalstoffen,
met inbegrip van natuurlijke of rechtspersonen die de afvalstoffen
niet fysiek in hun bezit hebben;
afvalstoffenhouder:
afvalstoffenproducent dan wel de natuurlijke of rechtspersoon die
de afvalstoffen in zijn bezit heeft;
afvalstoffenmakelaar: natuurlijke
of rechtspersoon die ten behoeve van anderen bedrijfsmatig de
verwijdering of de nuttige toepassing van afvalstoffen
organiseert, met inbegrip van de natuurlijke of rechtspersonen die
de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben;
afvalstoffenproducent: natuurlijke
of rechtspersoon wiens activiteiten afvalstoffen voortbrengen of
die voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen verricht
die leiden tot een wijziging in de aard of de samenstelling van
die afvalstoffen;
afvalstoffenverordening: de
verordening, bedoeld in artikel 10.23;
afvalvoorziening: inrichting waar
uitsluitend winningsafvalstoffen worden gestort of verzameld, dan
wel het gedeelte van een inrichting waar winningsafvalstoffen
worden gestort of verzameld;
afvalvoorziening categorie A:
afvalvoorziening, welke door het bevoegd gezag is ingedeeld in
categorie A, overeenkomstig de criteria gesteld in bijlage III bij
de richtlijn beheer winningsafval;
afvalwater: alle water waarvan de
houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet
ontdoen;
bedrijfsafvalstoffen: afvalstoffen,
niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke
afvalstoffen;
bedrijfsafvalwater: afvalwater dat
vrijkomt bij door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid, dat geen
huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater of grondwater is;
beheer van afvalstoffen:
inzameling, vervoer, nuttige toepassing en verwijdering van
afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en
de nazorg voor stortplaatsen na sluiting en met inbegrip van de
activiteiten van afvalstoffenhandelaars en afvalstoffenmakelaars;
betrokken bestuursorganen:
adviseurs en andere bestuursorganen die krachtens wettelijk
voorschrift worden betrokken bij de totstandkoming van de in
artikel 13.1, eerste lid, bedoelde beschikkingen.
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat
bevoegd is tot het geven van een beschikking of het nemen van een
ander besluit;
bijlage: bij deze wet behorende
bijlage;
biochemisch zuurstofverbruik:
massaconcentratie aan opgeloste zuurstof die gedurende vijf dagen
wordt verbruikt door biochemische oxydatie van organische
bestanddelen onder uitsluiting van ammoniumoxydatie onder
omstandigheden die zijn gespecificeerd in een door Onze Minister
aangewezen norm van het Nederlands Normalisatie Instituut;
broeikasgas: gas, genoemd in
bijlage II bij de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten;
broeikasgasemissierecht:
overeenkomstig het bepaalde bij en krachtenshoofdstuk 16
overdraagbaar recht, uitsluitend teneinde aan het bepaalde bij en
krachtens dat hoofdstuk te voldoen, om gedurende een bepaalde
periode een emissie van één ton kooldioxide-equivalent in de
lucht te veroorzaken;
Commissie genetische modificatie:
de Commissie genetische modificatie, bedoeld in artikel 2.26;
Commissie voor de
milieueffectrapportage: de Commissie voor de
milieueffectrapportage, bedoeld in artikel 2.17;
doelmatig beheer van afvalstoffen:
zodanig beheer van afvalstoffen dat daarbij rekening wordt
gehouden met het geldende afvalbeheerplan, dan wel de voor de
vaststelling van het plan geldende bepalingen, dan wel de
voorkeursvolgorde aangegeven in artikel 10.4, en de criteria,
genoemd in artikel 10.5;
EEG-richtlijn
milieu-effectbeoordeling: richtlijn nr. 85/337/EEG van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1985 betreffende de
milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere
projecten (PbEG L 175), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 97/11/EG
van de Raad van de Europese gemeenschappen van 3 maart 1997 (PbEG
L 73) tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG betreffende de
milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere
projecten;
één ton kooldioxide-equivalent:
een metrische ton kooldioxide of een hoeveelheid van een ander
broeikasgas met een gelijkwaardig aardopwarmingsvermogen;
de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten: richtlijn nr. 2003/87/EGvan het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober
2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in
broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging
van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU L 275);
EG-richtlijn inzake geïntegreerde
preventie en bestrijding van verontreiniging: richtlijn nr.
2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en
bestrijding van verontreiniging (PbEU L 24);
EG-verordening indeling,
etikettering en verpakking van stoffen en mengsels: verordening
(EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 16 december 2008 betreffende de indeling,
etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging
en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot
wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PbEU L 353);
EG-verordening overbrenging van
afvalstoffen: verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006
betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU L 190);
EG-verordening PRTR: verordening
(EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 18 januari 2006 betreffende de instelling van
een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van
verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen
91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU L 33);
EG-verordening registratie,
evaluatie en autorisatie van chemische stoffen: verordening (EG)
nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18
december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de
autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH),
tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen,
houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking
van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG)
nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de
Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en
2000/21/EG van de Commissie (PbEU 2007, L 136);
emissie: stoffen, trillingen,
warmte, die of geluid dat direct of indirect vanuit een bron in de
lucht, het water of de bodem worden, onderscheidenlijk wordt
gebracht;
de emissieautoriteit: de
Nederlandse emissieautoriteit, genoemd in artikel 2.1;
emissiegrenswaarde: massa
gerelateerd aan bepaalde parameters, dan wel concentratie of
niveau van een emissie uit een of meer bronnen, die gedurende een
bepaalde periode niet mag worden overschreden;
emissiereductie-eenheid: eenheid,
uitgegeven overeenkomstig artikel 6 van het Protocol van Kyoto en
de overeenkomstig het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake
klimaatverandering of het Protocol van Kyoto genomen besluiten (ERU);
energie uit hernieuwbare bronnen:
energie geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen als bedoeld
in artikel 2, onderdeel a, van richtlijn nr.2009/28/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering
van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende
wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn
2003/30/EG (PbEU L 140);
EU-verordening register handel in
broeikasgasemissierechten: verordening (EU) nr. 920/2010 van de
Commissie van 7 oktober 2010 inzake een gestandaardiseerd en
beveiligd registersysteem overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van
het Europees Parlement en de Raad en Beschikking nr. 280/2004/EG
van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 270);
gecertificeerde emissiereductie:
eenheid, uitgegeven overeenkomstig artikel 12 van het Protocol van
Kyoto en de overeenkomstig het Raamverdrag van de Verenigde Naties
inzake klimaatverandering of het Protocol van Kyoto genomen
besluiten (CER);
geluid: met het menselijk oor
waarneembare luchttrillingen;
geluidhinder: gevaar, schade of
hinder, als gevolg van geluid;
gemeentelijk milieubeleidsplan: het
gemeentelijke milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 4.16;
gescheiden inzameling: inzameling
waarbij een afvalstoffenstroom gescheiden gehouden wordt naar
soort en aard van de afvalstoffen om een specifieke behandeling te
vergemakkelijken;
gevaarlijke afvalstof: afvalstof
die een of meer van de in bijlage III bij de kaderrichtlijn
afvalstoffen genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit;
hergebruik: elke handeling waarbij
producten of componenten die geen afvalstoffen zijn, opnieuw
worden gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor zij waren
bedoeld;
huishoudelijk afvalwater:
afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke
stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden;
huishoudelijke afvalstoffen:
afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens, behoudens
voor zover het ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen
betreft, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen;
inrichting: elke door de mens
bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was,
ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt
te worden verricht;
inspecteur: als zodanig bij besluit
van Onze Minister aangewezen ambtenaar;
inwonerequivalent: biochemisch
zuurstofverbruik van 54 gram per etmaal;
inzameling: verzameling van
afvalstoffen, met inbegrip van de voorlopige sortering en de
voorlopige opslag van afvalstoffen, om deze daarna te vervoeren
naar een afvalverwerkingsinstallatie;
kaderrichtlijn afvalstoffen:
richtlijn nr. 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en
tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU L 312);
de kaderrichtlijn water: richtlijn
nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader
voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L
327), zoals deze is gewijzigd bij beschikking nr. 2455/2001/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 tot
vaststelling van de lijst van prioritaire stoffen op het gebied
van het waterbeleid en tot wijziging van richtlijn 2000/60/EG (PbEG
L 331) en met inbegrip van wijzigingen uit hoofde van artikel 20,
eerste lid, van de richtlijn, doch voor het overige naar de tekst
zoals deze bij de richtlijn is vastgesteld;
luchtverontreiniging: aanwezigheid
in de buitenlucht van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, niet
zijnde splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld
in de Kernenergiewet, die op zichzelf dan wel tezamen of in
verbinding met andere stoffen nadelige gevolgen voor het milieu
kunnen veroorzaken;
nationaal milieubeleidsplan: het
nationale milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 4.3;
NOx-emissierecht: overeenkomstig
het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk 16 overdraagbaar recht,
uitsluitend teneinde aan het bepaalde bij en krachtens dat
hoofdstuk te voldoen, om gedurende een bepaalde periode een
emissie van één kilogram stikstofoxiden in de lucht te
veroorzaken;
nuttige toepassing: elke handeling
met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel
dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de
ruimere economie, andere materialen te vervangen die anders voor
een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de
afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt, tot welke
handelingen in ieder geval behoren de handelingen die zijn genoemd
in bijlage II bij de kaderrichtlijn afvalstoffen;
omgevingsvergunning:
omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
omgevingsvergunning voor een
inrichting: omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking
tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
Onze Minister: Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
openbaar hemelwaterstelsel:
voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van
afvloeiend hemelwater, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool, in
beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente
met het beheer is belast;
openbaar ontwateringsstelsel:
voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van
grondwater, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool, in beheer bij
een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het
beheer is belast;
openbaar vuilwaterriool:
voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk
afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die
door een gemeente met het beheer is belast;
preparaten: mengsels of oplossingen
van twee of meer stoffen;
preventie: maatregelen die worden
genomen voordat een stof, materiaal of product afvalstof is
geworden, ter vermindering van:
a. de hoeveelheden
afvalstoffen, al dan niet via het hergebruik van producten of
de verlenging van de levensduur van producten;
b. de negatieve gevolgen van de
geproduceerde afvalstoffen voor het milieu en de menselijke
gezondheid, of
c. het gehalte aan schadelijke
stoffen in materialen en producten;
Protocol van Kyoto: op 11 december
1997 te Kyoto totstandgekomen Protocol van Kyoto bij het
Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Trb.
1998, 170, en 1999, 110);
provinciaal milieubeleidsplan: het
provinciale milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 4.9;
provinciale milieucommissie: de
provinciale milieucommissie, bedoeld in artikel 2.41;
provinciale milieuverordening: de
verordening, bedoeld in artikel 1.2;
Raamverdrag van de Verenigde Naties
inzake klimaatverandering: op 9 mei 1992 te New York
totstandgekomen Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake
klimaatverandering (Trb. 1992, 189);
recycling: nuttige toepassing
waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten,
materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een
ander doel, met inbegrip van het opnieuw bewerken van organische
afvalstoffen, en met uitsluiting van energieterugwinning en het
opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden
gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal;
richtlijn beheer winningsafval:
richtlijn nr. 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 15 maart 2006 betreffende het beheer van
afval van de winningsindustrieën en houdende wijziging van
Richtlijn nr. 2004/35/EG (PbEU L 102);
stedelijk afvalwater: huishoudelijk
afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater,
afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater;
stikstofoxiden (NOx):
stikstofmonoxide en stikstofdioxide, uitgedrukt als
stikstofdioxide;
stoffen: chemische elementen en de
verbindingen ervan, zoals deze voorkomen in natuurlijke toestand
of bij de vervaardiging ontstaan, met inbegrip van alle additieven
die nodig zijn voor het behoud van de stabiliteit ervan en alle
onzuiverheden ten gevolge van het toegepaste procédé, doch met
uitzondering van elk oplosmiddel dat kan worden afgescheiden
zonder dat de stabiliteit van de stof wordt aangetast of de
samenstelling ervan wordt gewijzigd;
storten: op of in de bodem brengen
van afvalstoffen om deze daar te laten;
verwerking: nuttige toepassing of
verwijdering, met inbegrip van aan toepassing of verwijdering
voorafgaande voorbereidende handelingen;
verwijdering: elke handeling met
afvalstoffen die geen nuttige toepassing is zelfs indien de
handeling er in tweede instantie toe leidt dat stoffen of energie
worden teruggewonnen, tot welke handelingen in ieder geval behoren
de handelingen die zijn genoemd in bijlage I bij de kaderrichtlijn
afvalstoffen;
vliegtuigexploitant:
vliegtuigexploitant als bedoeld in artikel 3, onder o, van de
EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten;
voorbereiding voor hergebruik:
nuttige toepassing bestaande uit controleren, schoonmaken of
repareren, waarbij producten of componenten van producten, die
afvalstoffen zijn geworden, worden klaargemaakt zodat ze zullen
worden hergebruikt zonder dat verdere voorbehandeling nodig is;
winningsafvalstoffen: afvalstoffen
die rechtstreeks afkomstig zijn uit de prospectie, winning,
behandeling en opslag van mineralen en de exploitatie van groeven,
met uitzondering van afvalstoffen afkomstig van
offshore-prospectie, -winning en-behandeling;
RIVM: Rijksinstituut voor
volksgezondheid en milieu, genoemd in de Wet op het RIVM.
2. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen:
a. worden onder gevolgen voor
het milieu in ieder geval verstaan gevolgen voor het fysieke
milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van
mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht
en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en
cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het
klimaat, alsmede van de relaties daartussen;
b. worden onder gevolgen voor
het milieu mede verstaan gevolgen die verband houden met een
doelmatig beheer van afvalstoffen of een doelmatig beheer van
afvalwater, gevolgen die verband houden met het verbruik van
energie en grondstoffen, alsmede gevolgen die verband houden
met het verkeer van personen of goederen van en naar de
inrichting;
c. worden onder bescherming van
het milieu mede verstaan de verbetering van het milieu, de
zorg voor een doelmatig beheer van afvalstoffen of een
doelmatig beheer van afvalwater, de zorg voor een zuinig
gebruik van energie en grondstoffen, alsmede de zorg voor de
beperking van de nadelige gevolgen voor het milieu van het
verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur worden categorieën van inrichtingen aangewezen, die
nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.
4. Elders in deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt onder inrichting verstaan een
inrichting, behorende tot een categorie die krachtens het derde
lid is aangewezen. Daarbij worden als één inrichting beschouwd
de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties
die onderling technische, organisatorische of functionele
bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn
gelegen. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking
tot hetgeen in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder
inrichting wordt verstaan.
5. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt:
a. onder het zich ontdoen van
afvalstoffen mede verstaan het nuttig toepassen of verwijderen
van afvalstoffen binnen de inrichting waarin deze zijn
ontstaan;
b. onder het zich door afgifte
ontdoen van afvalstoffen mede verstaan:
1°. het voor nuttige
toepassing of verwijdering brengen van afvalstoffen vanuit
een inrichting naar een elders gelegen inrichting die aan
dezelfde natuurlijke of rechtspersoon behoort;
2°. het tijdelijk voor
nuttige toepassing afgeven van afvalstoffen;
3°. het voor verwerking
afgeven van afvalstoffen aan een afvalstoffenhandelaar.
6. Indien afvalstoffen die een
behandeling voor nuttige toepassing hebben ondergaan, voldoen aan
de ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, van de
kaderrichtlijn afvalstoffen vastgestelde criteria en tevens
behoren tot het soort afvalstoffen waarop die criteria van
toepassing zijn, worden zij niet langer als afvalstoffen
aangemerkt. Onze Minister kan inzake een afvalstof die een
behandeling voor nuttige toepassing heeft ondergaan, besluiten dat
deze niet langer als afvalstof wordt aangemerkt, voor zover voor
deze afvalstof geen criteria van toepassing zijn als bedoeld in de
eerste volzin en ook overigens wordt voldaan aan artikel 6, vierde
lid, eerste volzin, van de kaderrichtlijn afvalstoffen. Bij
ministeriële regeling wordt aangegeven welke stoffen, preparaten
of voorwerpen in ieder geval, onverminderd het bepaalde in de
eerste en tweede volzin, worden aangemerkt als afvalstoffen,
indien de houder zich daarvan ontdoet, voornemens is zich daarvan
te ontdoen of zich daarvan moet ontdoen. Als afvalstoffen worden
in elk geval niet aangemerkt stoffen, preparaten of voorwerpen die
bijproducten zijn in de zin van artikel 5 van de kaderrichtlijn
afvalstoffen, indien deze bijproducten voldoen aan de in dat
artikel gestelde voorwaarden en aan de in een krachtens dat
artikel vastgestelde uitvoeringsmaatregel daartoe aangegeven
criteria.
7. Bij algemene maatregel van
bestuur kan in het belang van het bevorderen van nuttige
toepassing worden bepaald dat geen sprake is van het zich ontdoen
van afvalstoffen, indien bij die maatregel aangewezen stoffen,
preparaten of voorwerpen:
a. door de houder rechtstreeks
worden afgegeven aan een persoon die deze stoffen, preparaten
of voorwerpen geheel toepast op een bij die maatregel
aangegeven wijze;
b. voldoen aan bij die
maatregel te stellen eisen.
Onze Minister kan nadere regels
stellen omtrent de aanwijzing van stoffen, preparaten of
voorwerpen, de wijze van toepassing en de eisen, bedoeld in dit
lid.
8. Een afvalstof wordt in ieder
geval aangemerkt als huishoudelijke afvalstof onderscheidenlijk
bedrijfsafvalstof, indien die afvalstof bij algemene maatregel van
bestuur als zodanig is aangewezen.
9. Onze Minister kan, indien naar
zijn oordeel in het belang van een doelmatig beheer van
afvalstoffen een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, een
regeling vaststellen van de in het zevende of achtste lid bedoelde
strekking. Een zodanige regeling vervalt een jaar nadat zij in
werking is getreden of, indien binnen die termijn een algemene
maatregel van bestuur ter vervanging van die regeling in werking
is getreden, op het tijdstip waarop die maatregel in werking
treedt. Onze Minister kan de termijn bij ministeriële regeling
eenmaal met ten hoogste een jaar verlengen.
10. Onze Minister kan nadere regels
stellen omtrent de aanwijzing van gevaarlijke afvalstoffen,
bedoeld in het eerste lid. Tevens kan Onze Minister of een door
hem aan te wijzen instantie vaststellen dat een afvalstof, zoals
die door de houder ter beoordeling wordt aangeboden:
a. niet de eigenschappen bezit
op grond waarvan deze ingevolge bijlage III bij de
kaderrichtlijn afvalstoffen als gevaarlijke afvalstof dient te
worden aangemerkt, uitgezonderd de gevallen waarin dat het
gevolg is van verdunning of vermenging, bedoeld om de
concentratie van gevaarlijke stoffen onder de drempelwaarde
voor gevaarlijke stoffen te brengen;
b. hoewel deze niet als
gevaarlijke afvalstof is aangewezen, toch de eigenschappen
bezit op grond waarvan deze ingevolge de in onderdeel a
genoemde bijlage als gevaarlijke afvalstof dient te worden
aangemerkt.
11. Bij algemene maatregel van
bestuur wordt bepaald wat in deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder «genetisch gemodificeerde
organismen».
12. Een wijziging van de bijlagen
onderscheidenlijk een wijziging van een ingevolge artikel 5 of 6
van de kaderrichtlijn afvalstoffen vastgestelde maatregel gaat
voor de toepassing van de in het eerste lid gegeven omschrijvingen
van «nuttige toepassing» en «verwijdering» en voor de
toepassing van het tiende lid, onderscheidenlijk het eerste en
zesde lid, gelden met ingang van de dag waarop aan de
desbetreffende wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt,
een ander tijdstip wordt vastgesteld.
13. Een wijziging uit hoofde van
artikel 20, eerste lid, van de kaderrichtlijn water gaat voor de
toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop aan de
betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij
bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant of op andere
geschikte wijze wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt
vastgesteld.
Artikel 1.1a
1. Een ieder neemt voldoende zorg
voor het milieu in acht.
2. De zorg, bedoeld in het eerste
lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of
redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten
nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt,
verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover
zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen
te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde
die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen
worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te
maken.
3. Het bepaalde in het eerste en
tweede lid laat onverlet de uit het burgerlijk recht
voortvloeiende aansprakelijkheid en de mogelijkheid van
rechtspersonen als bedoeld in artikel 1, boek 2, van het
Burgerlijk Wetboek, om uit dien hoofde in rechte op te treden.
§ 1.2. De provinciale
milieuverordening
Artikel 1.2
1. Provinciale staten stellen ter
bescherming van het milieu een verordening vast.
2. De verordening bevat ten minste:
a. regels ter bescherming van
de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning
in bij de verordening aangewezen gebieden;
b. regels inzake het voorkomen
of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen
gebieden.
3. Bij de verordening worden, voor
zover dit naar het oordeel van provinciale staten van meer dan
gemeentelijk belang is, verdere regels gesteld ter bescherming van
het milieu.
4. Bij de verordening kan worden
bepaald dat bij de verordening gestelde regels slechts gelden voor
een of meer daarbij aan te wijzen delen van het grondgebied van de
provincie.
5. De verordening bevat geen regels
met betrekking tot de samenstelling of eigenschappen van produkten.
Ten aanzien van gebieden die door Onze Minister in overeenstemming
met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zijn
aangewezen, houdt de verordening geen regels in, die betrekking
hebben op de agrarische bedrijfsvoering.
6. De verordening kan slechts, voor
zover dit uit een oogpunt van doelmatige regelgeving bijzonder
aangewezen is, regels bevatten die rechtstreeks betrekking hebben
op bij die regels aangewezen categorieën van inrichtingen, voor
zover:
a. ten aanzien van die
inrichtingen het in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gestelde verbod niet
geldt en die regels noodzakelijk zijn ter bescherming van de
kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in
bij de verordening aangewezen gebieden, of
b. het regels betreft,
inhoudende een verbod tot het oprichten of in werking hebben
van dergelijke inrichtingen in gebieden als bedoeld onder a,
dan wel tot het op een bij die verordening aan te geven wijze
veranderen van dergelijke inrichtingen in die gebieden, of het
veranderen van de werking daarvan.
7. Bij de verordening kan, voor
zover het gevallen betreft als bedoeld in het zesde lid, worden
bepaald dat het orgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning voor
een inrichting te verlenen, bij het verlenen of wijzigen van de
vergunning met betrekking tot de daarbij aangegeven onderwerpen in
de daaraan verbonden voorschriften van bij de verordening gestelde
regels kan afwijken. In dat geval wordt bij de verordening
aangegeven in hoeverre het bevoegd gezag van de regels kan
afwijken. Bij de verordening kan tevens worden bepaald dat de
bevoegdheid tot afwijken slechts geldt in daarbij aangegeven
categorieën van gevallen.
8. Bij de vaststelling van de
verordening houden provinciale staten rekening met het geldende
provinciale milieubeleidsplan.
Artikel 1.2a
Bij de provinciale milieuverordening
worden geen regels gesteld, die het naar of uit de provincie brengen
van afvalstoffen beperken of uitsluiten.
Artikel 1.3
1. Bij de provinciale
milieuverordening kan worden bepaald dat daarbij aangewezen
bestuursorganen in daarbij aangegeven categorieën van gevallen
ontheffing kunnen verlenen van bij die verordening aangewezen
regels, indien het belang van de bescherming van het milieu zich
daartegen niet verzet.
2. De bevoegdheid, bedoeld in het
eerste lid, geldt niet met betrekking tot inrichtingen waarvoor
een omgevingsvergunning is vereist.
3. Het betrokken orgaan houdt bij
de beslissing op de aanvraag om een ontheffing in ieder geval
rekening met het voor hem geldende milieubeleidsplan.
4. Op de voorbereiding van een
beschikking krachtens het eerste lid is afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Indien uit het oogpunt
van bescherming van het milieu redelijkerwijs geen zienswijzen
zijn te verwachten, kan bij de provinciale milieuverordening
anders worden bepaald. Met toepassing van artikel 28, eerste lid,
laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om
een beschikking krachtens het eerste lid.
Artikel 1.3a
1. De aanvrager van een
omgevingsvergunning die betrekking heeft op een project waarvan
een activiteit deel uitmaakt waarvoor tevens een ontheffing als
bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, is vereist van:
a. regels ter bescherming van
de kwaliteit van het grondwater als bedoeld inartikel 1.2,
tweede lid, onder a,
b. regels met betrekking tot
activiteiten in, op, onder of over een plaats waar de
inartikel 8.49 bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten
stortplaats wordt uitgevoerd, of
c. andere bij provinciale
milieuverordening daartoe aangewezen regels, draagt er zorg
voor dat de aanvraag mede betrekking heeft op die activiteit.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing voor zover de activiteit is toegestaan krachtens een
ontheffing als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, of voor de
activiteit een zodanige ontheffing is aangevraagd.
3. De krachtens artikel 1.3, eerste
lid, aangewezen regels gelden niet voor zover de activiteiten
waarop die regels betrekking hebben, zijn toegestaan krachtens een
omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid.
4. Het is verboden te handelen in
strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat
betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in het eerste lid.
5. Artikel 2.2 van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht is niet van toepassing op ontheffingen
die ingevolge een provinciale milieuverordening zijn vereist.
Artikel 1.3b
1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht en paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht zijn van toepassing op de voorbereiding van de
beschikking op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld
in artikel 1.3a, eerste lid.
2. Voor zover de aanvraag om een
omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld
in artikel 1.3a, eerste lid, kan de omgevingsvergunning slechts
worden verleend en wordt de omgevingsvergunning geweigerd op de
gronden die ten aanzien van een ontheffing voor de activiteit zijn
aangegeven in de provinciale milieuverordening.
3. Indien toepassing wordt gegeven
aan artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, is
het tweede lid van overeenkomstige toepassing op de beschikking
met betrekking tot de eerste en tweede fase.
4. Voor zover de
omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld
in artikel 1.3a, eerste lid, kan deze geheel of gedeeltelijk
worden ingetrokken of kunnen de daaraan verbonden voorschriften
worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken, dan wel kunnen alsnog
voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning, op de
gronden die ten aanzien van een ontheffing voor die activiteit
zijn aangegeven in de provinciale milieuverordening.
5. Indien bij provinciale
milieuverordening regels zijn aangewezen als bedoeld inartikel
1.3a, eerste lid, onder c, worden bij de verordening regels
gesteld met betrekking tot de gegevens en bescheiden die door de
aanvrager om een omgevingsvergunning worden verstrekt met het oog
op de beslissing op de aanvraag met betrekking tot de activiteiten
waarop die regels van toepassing zijn.
Artikel 1.3c
1. Bij de provinciale
milieuverordening kunnen regels worden gesteld inhoudende de
verplichting voor het bevoegd gezag voorschriften die nodig zijn
ter bescherming van het milieu en waarvan de inhoud in die
verordening is aangegeven, te verbinden aan de
omgevingsvergunningen voor activiteiten als bedoeld in artikel
1.3a, eerste lid, of voor inrichtingen die behoren tot een bij de
verordening aangewezen categorie. Bij de verordening kan worden
bepaald dat de daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij
aangegeven categorieën van gevallen.
2. Regels als bedoeld in het eerste
lid kunnen niet betrekking hebben op beslissingen inzake
vergunningen ten aanzien waarvan Onze Minister of Onze Minister
van Economische Zaken het bevoegd gezag is.
3. Bij de verordening wordt bepaald
in hoeverre het bevoegd gezag met betrekking tot daarbij
aangegeven onderwerpen van bij de verordening gestelde regels kan
afwijken of nadere eisen kan stellen. Daarbij kan worden bepaald
dat de bevoegdheid tot afwijken of tot het stellen van nadere
eisen slechts geldt in bij de verordening aangegeven categorieën
van gevallen.
4. Bij de verordening wordt voor de
daarbij opgelegde verplichtingen het tijdstip aangegeven, waarop
zij met betrekking tot de al verleende omgevingsvergunningen
moeten zijn uitgevoerd.
Artikel 1.4
1. Bij de voorbereiding van het
voorstel voor een provinciale milieuverordening plegen
gedeputeerde staten overleg met de niet tot de provincie behorende
bestuursorganen die het aangaat.
2. Gedeputeerde staten stellen de
provinciale milieucommissie in de gelegenheid over het ontwerp van
een verordening advies uit te brengen.
3. Van een besluit tot vaststelling
of wijziging van de verordening wordt door gedeputeerde staten
mededeling gedaan door toezending aan Onze Minister.
Hoofdstuk 2. Zelfstandige
bestuursorganen en adviesorganen
§ 2.1. De Nederlandse
emissieautoriteit
Artikel 2.1
Er is een Nederlandse
emissieautoriteit, gevestigd te 's-Gravenhage.
Artikel 2.2
1. De emissieautoriteit heeft de in
de hoofdstukken 16en 18 en titel 12.4 opgedragen taken.
2. De emissieautoriteit heeft
voorts tot taak:
a. het bijhouden van gegevens
en het opstellen van rapportages met betrekking tot de
naleving door Nederland van een voor Nederland verbindend
verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een
volkenrechtelijke organisatie, dat de beperking van de
emissies van broeikasgassen of stikstofoxiden in de lucht tot
doel heeft;
b. het verzamelen van gegevens
over technieken ter bepaling van de emissies van
broeikasgassen of stikstofoxiden, waarop titel
16.2onderscheidenlijk titel 16.3 van toepassing is;
c. het verzamelen van andere
gegevens die met het oog op de uitoefening van haar taken van
belang zijn;
d. het rapporteren aan Onze
Minister en aan andere bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen instanties over de ontwikkeling van de onder a
bedoelde emissies in Nederland alsmede over de overige
aspecten van duurzaamheid van in Nederland te gebruiken
brandstoffen en elektriciteit ten behoeve van vervoer.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur kan de emissieautoriteit, voorzover die taken niet de
uitoefening van openbaar gezag inhouden, worden belast met andere
taken dan in het eerste of tweede lid bedoeld, in het bijzonder
taken betreffende de uitvoering door Nederland van een voor
Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend
besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dat de beperking
van de emissies van broeikasgassen of stikstofoxiden in de lucht
tot doel heeft.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de inhoud van de
taken van de emissieautoriteit nadere regels worden gesteld.
Artikel 2.3
1. Het bestuur van de
emissieautoriteit bestaat uit ten hoogste vijf leden.
2. Onze Minister benoemt uit de
leden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.
3. De leden worden benoemd voor een
periode van vier jaren. Zij zijn aansluitend twee malen
herbenoembaar.
Artikel 2.4 [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 2.5
Leden van het bestuur van de
emissieautoriteit en medewerkers van de emissieautoriteit zijn
direct noch indirect betrokken bij het overdragen van
broeikasgasemissierechten, emissiereductie-eenheden, gecertificeerde
emissiereducties, toegewezen eenheden en verwijderingseenheden,
behoudens voor zover die betrokkenheid noodzakelijk is ter
uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Artikel 2.6 [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 2.7
1. Onze Minister stelt aan het
bestuur van de emissieautoriteit ambtenaren ter beschikking.
2. Het bestuur van de
emissieautoriteit draagt er zorg voor dat de werkzaamheden die
voortvloeien uit artikel 18.2f, gescheiden worden uitgevoerd van
de overige werkzaamheden.
Artikel 2.8
De emissieautoriteit stelt een
bestuursreglement vast waarin haar werkwijze wordt vastgelegd.
Artikel 2.9 [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 2.10 [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 2.11 [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 2.12 [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 2.13 [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 2.14 [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 2.15 [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 2.16
1. Het bestuur van de
emissieautoriteit en het bestuursorgaan dat bevoegd is een
omgevingsvergunning te verlenen voor een inrichting
waarophoofdstuk 16 betrekking heeft, verstrekken elkaar
desgevraagd of uit eigen beweging tijdig alle voor de uitoefening
van hun taken redelijkerwijs benodigde inlichtingen.
2. Bij het verstrekken van de in
het eerste lid bedoelde inlichtingen wordt waar nodig aangegeven
welke gegevens een vertrouwelijk karakter dragen. Dit
vertrouwelijk karakter kan voortvloeien uit de aard van de
gegevens, dan wel uit het feit dat personen deze aan de
bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, hebben verstrekt onder
het beding dat zij als vertrouwelijk zullen gelden.
3. [Vervallen.]
4. In geval voor een inrichting
waarop hoofdstuk 16 betrekking heeft, het in artikel 40, tweede
lid, van de Mijnbouwwet vervatte verbod geldt, verstrekken het
bestuur van de emissieautoriteit en Onze Minister van Economische
Zaken elkaar desgevraagd of uit eigen beweging tijdig alle voor de
uitoefening van hun taken redelijkerwijs benodigde inlichtingen.
Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.16a
1. Onverminderdartikel 16.8 van
deze wet en het bepaalde krachtens artikel 5.3 van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht stemmen het bestuur van de
emissieautoriteit en het bestuursorgaan dat bevoegd is een
omgevingsvergunning te verlenen voor een inrichting waarop
hoofdstuk 16van deze wet betrekking heeft, onderling de
uitoefening van de taken af, waarmee zij zijn belast bij of
krachtens de hoofdstukken 16 en 18van deze wet, onderscheidenlijk
de hoofdstukken 2, 3 en 5 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht.
2. Onverminderdartikel 16.8 stemmen
het bestuur van de emissieautoriteit en Onze Minister van
Economische Zaken ingeval voor een inrichting waarophoofdstuk 16
van deze wet betrekking heeft, het in artikel 40, tweede lid, van
de Mijnbouwwet vervatte verbod geldt, onderling de uitoefening van
de taken af, waarmee zij zijn belast bij of krachtens hoofdstuk 16
van deze wet, onderscheidenlijk artikel 40 van de Mijnbouwwet.
Artikel 2.16b [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 2.16c [Vervallen per
01-01-2012]
§ 2.2. De Commissie voor de
milieueffectrapportage
Artikel 2.17
1. Er is een Commissie voor de
milieueffectrapportage.
2. De commissie heeft tot taak het
bevoegd gezag overeenkomstig artikel 7.12, eerste lid, dan wel
artikel 7.32, vijfde lid, in samenhang met artikel 7.12, eerste
lid, van advies te dienen met betrekking tot
milieueffectrapporten.
Artikel 2.18
De commissie brengt elk jaar aan Onze
Minister, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een verslag uit
van haar werkzaamheden. Onze Ministers maken het verslag openbaar.
Artikel 2.19
1. De commissie bestaat uit leden
die deskundig zijn op het gebied van de beschrijving, de
bescherming en de verontreiniging en aantasting van het milieu en
op het gebied van de overeenkomstig de artikelen 7.2 en 7.6
aangewezen activiteiten.
2. De voorzitter en een of meer
plaatsvervangende voorzitters van de commissie worden door Ons, op
gezamenlijke voordracht van Onze Minister, Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, benoemd en ontslagen. De
voordracht tot benoeming van de voorzitter geschiedt in
overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad.
3. De voorzitter en de
plaatsvervangende voorzitter of plaatsvervangende voorzitters
kunnen te allen tijde ontslag nemen door een schriftelijke
kennisgeving aan Onze Minister, Onze Minister van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap.
4. De overige leden van de
commissie worden benoemd en ontslagen door de voorzitter van de
commissie voor de tijd van vijf jaren en zijn terstond
wederbenoembaar. Zij kunnen te allen tijde ontslag nemen door een
schriftelijke kennisgeving aan de voorzitter.
Artikel 2.20 [Vervallen per
01-07-2010]
Artikel 2.21
1. Zodra de commissie in de
gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen met betrekking tot
een milieueffectrapport, stelt de voorzitter, na overleg met de
plaatsvervangende voorzitters, uit de leden van de commissie een
werkgroep samen, die aan het bevoegd gezag advies uitbrengt. De
voorzitter of de door hem aangewezen plaatsvervangende voorzitter
van de commissie is voorzitter van de werkgroep.
2. Als lid van een werkgroep worden
slechts leden van de commissie aangewezen, die niet rechtstreeks
betrokken zijn of zijn geweest bij de activiteit of bij de
alternatieven daarvoor, als bedoeld in artikel 7.7, eerste lid,
onder b, onderscheidenlijk artikel 7.23, eerste lid, onder b, of
bij een plan onderscheidenlijk een besluit bij de voorbereiding
waarvan het milieueffectrapport wordt of zou moeten worden
gemaakt.
3. Indien een lid van een werkgroep
niet meer voldoet aan het in het tweede lid gestelde vereiste,
ontheft de voorzitter van de werkgroep hem, na overleg met de
voorzitter van de commissie, van zijn lidmaatschap van de
werkgroep.
4. De werkgroep kan zich doen
bijstaan door deskundigen die geen lid zijn van de commissie. Het
tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
5. De voorzitter van de commissie
deelt aan het bevoegd gezag en aan degene die het
milieueffectrapport maakt of zou moeten maken, mede uit welke
leden van de commissie de werkgroep bestaat en door welke
deskundigen zij zich doet bijstaan.
Artikel 2.22
1. De adviezen worden uitgebracht
in overeenstemming met het gevoelen van de meerderheid van de
leden van de werkgroep.
2. Op verzoek van de leden die in
de werkgroep een standpunt hebben verdedigd, dat afwijkt van het
gevoelen van de meerderheid, wordt dat standpunt in het advies
vermeld. Deze leden kunnen omtrent een zodanig standpunt een
afzonderlijke nota bij het advies voegen.
Artikel 2.23
De commissie heeft een secretaris,
die door de voorzitter wordt benoemd en ontslagen, de commissie
gehoord. De commissie heeft een bureau, dat onder leiding staat van
de secretaris.
Artikel 2.24
De commissie stelt nadere regels
betreffende haar werkwijze en zendt deze aan Onze Minister.
§ 2.3. De Commissie genetische
modificatie
Artikel 2.25 [Vervallen per
01-06-2007]
Artikel 2.26
Er is een Commissie genetische
modificatie.
Artikel 2.27
1. De commissie heeft tot taak:
a. Onze Minister te adviseren
over kennisgevingen en aanvragen om vergunning met betrekking
tot het vervaardigen van of handelen met genetisch
gemodificeerde organismen en over veiligheidsmaatregelen die
in het kader daarvan moeten worden getroffen ter bescherming
van mens en milieu;
b. het bestuursorgaan dat
bevoegd is tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor
een inrichting, te adviseren over aanvragen om vergunning met
betrekking tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
inrichtingen voor zover die aanvragen betrekking hebben op het
vervaardigen van of handelen met genetisch gemodificeerde
organismen;
c. het bestuursorgaan dat
belast is met het toezicht op het vervaardigen van of handelen
met genetisch gemodificeerde organismen, te adviseren met
betrekking tot dat toezicht.
2. Op verzoek van Onze Minister of
Onze Minister wie het aangaat, of uit eigen beweging informeert de
commissie Onze betrokken Minister indien aan het vervaardigen van
of aan handelingen met genetisch gemodificeerde organismen
ethische of maatschappelijke aspecten zijn verbonden die naar het
oordeel van de commissie van belang zijn.
Artikel 2.28
Onze Minister en Onze Ministers wie
het mede aangaat, dragen er zorg voor dat de commissie op de hoogte
wordt gehouden ten aanzien van het beleid op het terrein van het
vervaardigen van of van handelingen met genetisch gemodificeerde
organismen.
Artikel 2.29
Telkens binnen een termijn van vier
jaren brengt de commissie een rapport uit aan Onze Minister, waarin
ten minste de taak, de samenstelling, de inrichting en werkwijze van
de commissie aan een onderzoek worden onderworpen en voorstellen
kunnen worden gedaan voor gewenste veranderingen. Onze Minister
zendt dit rapport, voorzien van zijn standpunt, aan de beide kamers
der Staten-Generaal.
Artikel 2.30
1. De commissie bestaat uit een
voorzitter en ten minste vijftien en ten hoogste twintig andere
leden.
2. De voorzitter en de andere leden
van de commissie worden benoemd op grond van hun deskundigheid op
het gebied van het vervaardigen van of van handelingen met
genetisch gemodificeerde organismen en de mogelijke gevolgen
daarvan voor mens en milieu, daarbij inbegrepen de ecologische
gevolgen en de daarbij te nemen veiligheidsmaatregelen.
Artikel 2.31
1. De voorzitter van de commissie
wordt door Onze Minister benoemd. Onze Minister hoort de commissie
alvorens hij de voorzitter benoemt.
2. Onze Minister benoemt ten minste
veertien en ten hoogste negentien andere leden van de commissie.
3. De voorzitter en de leden worden
voor de tijd van vier jaren benoemd. Zij zijn terstond weer
benoembaar.
4. De voorzitter en de leden kunnen
te allen tijde hun functie neerleggen door een schriftelijke
kennisgeving aan Onze Minister.
5. Onze Minister kan in bijzondere
gevallen de voorzitter en de andere leden in hun functie schorsen
en uit hun functie ontslaan.
Artikel 2.32
1. De commissie wijst uit haar
midden een plaatsvervangend voorzitter aan.
2. De plaatsvervangend voorzitter
kan te allen tijde zijn functie neerleggen door een schriftelijke
kennisgeving aan de voorzitter.
3. In bijzondere gevallen kan de
commissie de plaatsvervangend voorzitter in zijn functie schorsen
en uit zijn functie ontslaan.
Artikel 2.33
1. De commissie wordt bijgestaan
door een secretaris. Aan de secretaris kan een adjunct-secretaris
worden toegevoegd.
2. De secretaris en de
adjunct-secretaris worden door Onze Minister benoemd, in hun
functie geschorst en uit hun functie ontslagen, de commissie
gehoord.
3. De secretaris is geen lid van de
commissie.
4. De secretaris is voor de
uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan
de commissie.
5. Onze Minister kan voorzien in
een bureau voor de commissie, dat onder leiding staat van de
secretaris.
Artikel 2.34
1. De commissie kan voor bepaalde
onderwerpen subcommissies instellen.
2. De voorzitter van een
subcommissie wordt door de commissie uit haar midden benoemd.
Artikel 2.35
1. De commissie en haar
subcommissies kunnen zich bij hun werkzaamheden doen bijstaan door
personen die geen lid zijn van de commissie.
2. Onze Minister en Onze Ministers
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kunnen, ieder
voor hun ministerie, ambtenaren aanwijzen, die bevoegd zijn tot
het bijwonen van de door de commissie en haar subcommissies te
houden vergaderingen, met dien verstande dat in de vergaderingen
van de commissie voor ieder van die ministeries ten hoogste één
ambtenaar aanwezig is.
Artikel 2.36
1. De vergaderingen van de
commissie zijn openbaar. De commissie stelt bij haar in artikel
2.40 bedoelde besluit regels betreffende de openbaarheid van de
vergaderingen van de subcommissies.
2. Een vergadering of een gedeelte
daarvan is niet openbaar in gevallen als bedoeld in artikel 10,
eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur en in gevallen
waarin het belang van openbaarheid niet opweegt tegen de in
artikel 10, tweede lid, van die wet genoemde belangen.
Artikel 2.37
1. De adviezen van de commissie
worden uitgebracht overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid
van de vergadering.
2. Ter vergadering ingebrachte
minderheidsstandpunten worden in of bij de adviezen vermeld.
Artikel 2.38
De commissie houdt de op de door haar
uitgebrachte adviezen betrekking hebbende voorbereidende stukken ter
beschikking van Onze Minister en van de bestuursorganen, bedoeld in
artikel 2.27, eerste lid, onder b en c.
Artikel 2.39
1. De voorzitter van de commissie
pleegt ten minste eenmaal per jaar overleg met Onze Minister over
de door de commissie voorgenomen werkzaamheden voor de komende
twaalf maanden. De commissie stelt vervolgens het programma van
haar werkzaamheden vast en zendt dit aan Onze Minister.
2. Ten behoeve van de voorbereiding
van het in het eerste lid bedoelde overleg stelt de commissie een
overzicht van de door haar voorgenomen werkzaamheden op en legt
dit tijdig aan Onze Minister voor. De commissie voegt bij het
overzicht een raming van de met de uitvoering van de werkzaamheden
gepaard gaande kosten.
3. De commissie oefent haar
werkzaamheden uit binnen het raam van de middelen welke haar
jaarlijks ingevolge de begrotingswet ter beschikking worden
gesteld.
Artikel 2.40
De commissie stelt nadere regels
betreffende haar werkwijze en de werkwijze van haar subcommissies en
zendt deze aan Onze Minister.
§ 2.4. De provinciale
milieucommissie
Artikel 2.41
1. Provinciale staten en
gedeputeerde staten stellen overeenkomstig artikel 82 van de
Provinciewet gezamenlijk een provinciale milieucommissie in, die
door provinciale staten en gedeputeerde staten vooraf wordt
gehoord over maatregelen en plannen, die van betekenis zijn voor
het provinciale milieubeheer.
2. Provinciale staten en
gedeputeerde staten benoemen elk een gelijk aantal leden.
3. De inspecteur is ambtshalve lid
van de commissie.
Hoofdstuk 3. Internationale zaken
Artikel 3.1
[Gereserveerd.]
Hoofdstuk 4. Plannen
§ 4.1. Algemeen
Artikel 4.1
In dit hoofdstuk wordt onder Onze
Ministers verstaan: Onze Minister, te zamen met Onze Ministers van
Verkeer en Waterstaat, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van
Economische Zaken, en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor
zover het onderdelen van het milieubeleid betreft, die tot hun
verantwoordelijkheid behoren.
Artikel 4.1a
1. Indien ter uitvoering van een
voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke
organisatie een plan of programma moet worden vastgesteld waarvoor
geen grondslag in de wet is opgenomen en ten aanzien waarvan
ingevolge artikel 2, tweede lid, vanrichtlijn nr. 2003/35/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening
in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen
en programma’s betreffende het milieu en, met betrekking tot
inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging
van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU L 156)
in inspraak van het publiek moet worden voorzien, is op de
voorbereiding van dat plan of programma afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De eerste volzin is van
overeenkomstige toepassing op een herziening van een plan of
programma.
2. Zienswijzen als bedoeld in
artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen naar voren
worden gebracht door een ieder.
3. Een wijziging van de in het
eerste lid genoemde richtlijn of van een bijlage bij die richtlijn
gaat voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden met ingang van de
dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn
gegeven, tenzij bij een besluit van Onze Minister, dat in de
Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt
vastgesteld.
Artikel 4.1b
1. Voorzover op de voorbereiding
van een in deze wet voorzien plan of programma dat wordt genoemd
in bijlage I bijrichtlijn nr. 2003/35/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak
van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s
betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het
publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de
Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU L 156), de
procedure van toepassing is die is voorgeschreven in hoofdstuk 7,
geldt uitsluitend die procedure en blijven de bepalingen die
terzake in andere hoofdstukken, onderscheidenlijk in deze wet,
zijn opgenomen, voorzover nodig buiten toepassing.
2. Een wijziging van bijlage I bij
de in het eerste lid genoemde richtlijn gaat voor de toepassing
van dit hoofdstuk gelden met ingang van de dag waarop aan de
betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij een
besluit van Onze Minister, dat in de Staatscourant wordt
bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 4.2
1. Het RIVM brengt eenmaal in de
vier jaar aan Onze Minister een wetenschappelijk rapport uit,
waarin de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu wordt
beschreven over een door Onze Minister aan te geven periode van
ten minste de eerstvolgende tien jaar. In ieder geval wordt die
ontwikkeling beschreven, uitgaande van de voor die periode meest
waarschijnlijke ontwikkeling van de omstandigheden die daarvoor
van belang zijn. Tevens worden in het rapport beschrijvingen
opgenomen, die telkens uitgaan van andere ontwikkelingen van die
omstandigheden, die zich, naar redelijkerwijs kan worden
verondersteld, in de betrokken periode zouden kunnen voordoen. Het
rapport wordt uitgebracht ten minste 6 maanden en ten hoogste 12
maanden voordat Onze Ministers het eerstvolgende nationale
milieubeleidsplan vaststellen. Om aan deze verplichting te kunnen
voldoen in gevallen waarin de geldingsduur van een nationaal
milieubeleidsplan met toepassing van artikel 4.6, tweede lid,
wordt verlengd, kan worden afgeweken van de in de eerste volzin
gestelde termijn van vier jaar.
2. Het RIVM brengt jaarlijks aan
Onze Minister een wetenschappelijk rapport uit, waarin de
ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu wordt beschreven, die
het resultaat is van de uitvoering van de beleidsmaatregelen die
van invloed zijn op die kwaliteit en die in het jaar waarop het
rapport betrekking heeft, van kracht waren. Daarbij wordt in ieder
geval aangegeven in hoeverre die maatregelen hebben bijgedragen
aan de verwezenlijking van de resultaten, waarvan in het geldende
nationale milieubeleidsplan is aangegeven dat zij voor het
betrokken jaar zijn beoogd. Tevens wordt aangegeven hoe de
beschreven ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu zich
verhoudt tot de ontwikkeling daarvan die is beschreven in de
overeenkomstige eerder uitgebrachte rapporten. Indien zich
onvoorzien een omstandigheid voordoet die belangrijke gevolgen kan
hebben voor de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu op
langere termijn, en Onze Minister daarom verzoekt, neemt het RIVM
in een rapport tevens een beschrijving op van die ontwikkeling die
daarvan het resultaat kan zijn.
3. Onze Minister wijst, te zamen
met - ieder voor zover het hem aangaat - Onze Ministers van
Verkeer en Waterstaat, van Economische Zaken, van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
overheidsinstellingen aan, die door het RIVM in ieder geval worden
betrokken bij het opstellen van de rapporten. Een
overheidsinstelling komt voor aanwijzing slechts in aanmerking
indien zij in staat is naar organisatie, personeel en uitrusting
de voor het opstellen van de rapporten nodige werkzaamheden op
passend wetenschappelijk niveau te verrichten.
4. Onze Minister kan, te zamen met
- ieder voor zover het hem aangaat - Onze Ministers van Verkeer en
Waterstaat, van Economische Zaken, van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, regels
stellen ten aanzien van de wijze waarop de krachtens het derde lid
aangewezen overheidsinstellingen bij het opstellen van de
rapporten worden betrokken.
Artikel 4.2a
1. Onze Minister kan aanwijzingen
geven omtrent veronderstelde ontwikkelingen die in ieder geval als
grondslag voor beschrijvingen als bedoeld in artikel 4.2, eerste
lid, moeten worden aangenomen. Hij kan tevens aanwijzingen geven
omtrent onderwerpen die in ieder geval in een rapport, als bedoeld
in dat artikellid, moeten worden beschreven.
2. Behoudens het in het artikel
4.2, tweede lid, vierde volzin, en in het eerste lid van dit
artikel bepaalde, geven Onze betrokken Ministers het RIVM en de
krachtens artikel 4.2, derde lid, aangewezen instellingen geen
aanwijzingen met betrekking tot de inhoud van de rapporten.
3. Onze Minister zendt de rapporten
aan de Staten-Generaal; een rapport als bedoeld in artikel 4.2,
eerste lid, voor of gelijktijdig met het eerstvolgende nationale
milieubeleidsplan; een rapport als bedoeld in artikel 4.2, tweede
lid, voor of gelijktijdig met het eerstvolgende nationale
milieuprogramma. Het RIVM draagt ervoor zorg dat de rapporten
algemeen verkrijgbaar worden gesteld.
Artikel 4.2b
Ten behoeve van het opstellen van
milieubeleidsplannen en van milieuprogramma’s verschaffen de
onderscheidene overheidsorganen elkaar desgevraagd alle inlichtingen
en gegevens, waarover zij kunnen beschikken, voor zover die voor dat
opstellen redelijkerwijs noodzakelijk zijn.
§ 4.2. Het nationale
milieubeleidsplan
Artikel 4.3
1. Onze Ministers stellen ten
minste eenmaal in de vier jaar een nationaal milieubeleidsplan
vast, dat met het oog op de bescherming van het milieu richting
geeft aan van rijkswege in de eerstvolgende vier jaar te nemen
beslissingen, en dat naar verwachting tevens richting zal kunnen
geven aan in de daarop volgende vier jaar te nemen beslissingen.
2. Het plan bevat de hoofdzaken van
het door de regering te voeren milieubeleid, dat in het bijzonder
is gericht op een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de
huidige generatie, zonder daarmee voor toekomstige generaties de
mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te
voorzien, en op het bereiken van een zo hoog mogelijk niveau van
bescherming van het milieu als redelijkerwijze te bereiken is. De
mogelijke ontwikkelingen in de samenleving en de gewenste
kwaliteit van het milieu op lange termijn, alsmede de daarvoor van
belang zijnde internationale ontwikkelingen, worden in het plan in
beschouwing genomen.
3. Tot deze hoofdzaken behoren ten
minste:
a. de in de betrokken periode
van acht jaar en, voor zover deze redelijkerwijze zijn aan te
geven, de in de eerstvolgende vier jaar beoogde resultaten
inzake de kwaliteit van de onderscheidene onderdelen van het
milieu;
b. de in de betrokken periode
van acht jaar en, voor zover deze redelijkerwijze zijn aan te
geven, de in de eerstvolgende vier jaar beoogde resultaten
inzake het voorkomen, beperken of ongedaan maken van gevolgen
van menselijke activiteiten die het milieu verontreinigen,
aantasten of uitputten;
c. de aanduiding van gebieden
waarin de kwaliteit van het milieu of van een of meer
onderdelen daarvan bijzondere bescherming behoeft;
d. de wijze waarop het bereiken
en instandhouden van de onder a , b en c bedoelde resultaten
zal worden nagestreefd en de termijnen die daarbij zullen
worden gehanteerd, alsmede de mate van prioriteit die aan het
bereiken van die resultaten wordt gegeven;
e. de redelijkerwijze te
verwachten financiële, economische en ruimtelijke gevolgen
van het te voeren milieubeleid.
4. In het plan geven Onze Ministers
voorts aan in hoeverre het voorgenomen beleid is afgestemd op, dan
wel leidt tot aanpassing van het nationale waterbeleid en het
nationale natuurbeleid, en in hoeverre en binnen welke termijn zij
voornemens zijn het nationale waterplan, bedoeld in artikel 4.1,
eerste lid, van de Waterwet, respectievelijk het
Natuurbeleidsplan, bedoeld in artikel 4 van de
Natuurbeschermingswet 1998 te herzien. Met het geldende nationale
milieubeleidsplan wordt tevens rekening gehouden bij de
vaststelling van beleid op andere beleidsterreinen, voor zover
daarbij het belang van de bescherming van het milieu wordt
geraakt.
Artikel 4.4
1. Onze Ministers betrekken bij de
voorbereiding van het nationale milieubeleidsplan de naar hun
oordeel bij de te behandelen onderwerpen meest belanghebbende
bestuursorganen, instellingen en organisaties. Daartoe behoren in
elk geval gedeputeerde staten van de provincies.
2. Op de voorbereiding van het
nationale milieubeleidsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden
gebracht door een ieder.
Artikel 4.5
1. Zodra het nationale
milieubeleidsplan is vastgesteld, doen Onze Ministers hiervan
mededeling door overlegging van het plan aan de Staten-Generaal en
door toezending ervan aan gedeputeerde staten van de provincies.
2. Onze Minister maakt de
vaststelling bekend in de Staatscourant. Hierbij geeft hij aan op
welke wijze kennis kan worden gekregen van de inhoud van het plan.
Artikel 4.6
1. Het nationale milieubeleidsplan
geldt met ingang van een bij besluit van Onze Ministers vast te
stellen tijdstip. Een besluit als bedoeld in de eerste volzin,
wordt niet eerder genomen dan acht weken nadat het plan ingevolge
artikel 4.5, eerste lid, is overgelegd aan de Staten-Generaal.
Indien door of namens een der kamers der Staten-Generaal binnen
acht weken nadat het plan is overgelegd, te kennen wordt gegeven
dat zij over het plan in het openbaar wil beraadslagen, wordt een
besluit als bedoeld in de eerste volzin, niet eerder genomen dan
zes maanden na de overlegging van het plan, dan wel, indien de
beraadslagingen op een eerder tijdstip zijn beëindigd, na die
beraadslagingen. Onze Ministers stellen de Staten-Generaal
schriftelijk op de hoogte van de gevolgtrekkingen die zij aan de
beraadslagingen verbinden voor het nationale milieubeleid en voor
de uitvoering van het plan. Onze Minister maakt een besluit als
bedoeld in de eerste volzin, bekend in de Staatscourant en
vermeldt daarbij de gevolgtrekkingen die aan de Staten-Generaal
zijn meegedeeld.
2. Het plan geldt, behoudens
ingeval eerder een nieuw plan is vastgesteld, voor een tijdvak van
vier jaar. Onze Ministers kunnen de geldingsduur van het plan
eenmaal met ten hoogste twee jaar verlengen. Onze Minister doet
mededeling van een besluit als bedoeld in de tweede volzin, door
overlegging van het besluit aan de Staten-Generaal en maakt het
bekend in de Staatscourant.
3. De organen van het Rijk houden
in elk geval rekening met het geldende nationale milieubeleidsplan
bij het nemen van een besluit dat daartoe is aangewezen in deze
wet, en bij het nemen van een besluit krachtens een wet, genoemd
in bijlage 1, voor zover daarbij het belang van de bescherming van
het milieu in beschouwing moet of kan worden genomen.
4. Het derde lid is niet van
toepassing op besluiten:
a. met betrekking tot het
nationale waterplan, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van
de Waterwet;
b. die door een orgaan van het
Rijk worden genomen in de plaats van een orgaan van een ander
openbaar lichaam, wegens het in gebreke blijven van dat
orgaan.
5. Voor de toepassing van het derde
lid worden gevolgtrekkingen die overeenkomstig het bepaalde in het
eerste lid aan de Staten-Generaal zijn meegedeeld, aangemerkt als
onderdeel van het plan.
§ 4.3. Het nationale milieuprogramma
Artikel 4.7
1. Onze Ministers stellen jaarlijks
een nationaal milieuprogramma vast.
2. Het programma bevat ten minste:
a. een programma van van
rijkswege in de eerstvolgende vier jaar te verrichten
activiteiten ter bescherming van het milieu;
b. een programma voor de
vaststelling en herziening van milieukwaliteitseisen krachtens
artikel 5.1, eerste lid, onder aanduiding van de daarbij
beoogde resultaten;
c. een overzicht van de in de
onderscheidene begrotingshoofdstukken opgenomen
begrotingsposten op het gebied van het milieubeheer, alsmede
een aanduiding van de financiële gevolgen van de onder a
bedoelde activiteiten voor het Rijk voor de volgende jaren;
d. een verslag van de voortgang
van de uitvoering van het geldende nationale
milieubeleidsplan.
3. Bij de vaststelling van het
programma houden Onze Ministers rekening met het geldende
nationale milieubeleidsplan.
4. Op de voorbereiding van het
nationale milieuprogramma is afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden
gebracht door een ieder.
Artikel 4.8
1. Onze Minister maakt het
nationale milieuprogramma bekend door het bij de aanbieding van de
rijksbegroting over te leggen aan de Staten-Generaal.
2. Onze Minister doet van het
programma mededeling door toezending aan gedeputeerde staten van
de provincies.
§ 4.4. Het provinciale
milieubeleidsplan
Artikel 4.9
1. Provinciale staten stellen ten
minste eenmaal in de vier jaar een provinciaal milieubeleidsplan
vast, dat met het oog op de bescherming van het milieu richting
geeft aan in de eerstvolgende vier jaar te nemen beslissingen van
provinciale staten en gedeputeerde staten en van bestuursorganen
waaraan provinciale bevoegdheden zijn gedelegeerd bij de
uitoefening waarvan met het plan rekening moet worden gehouden, en
dat naar verwachting tevens richting zal kunnen geven aan in de
daarop volgende vier jaar te nemen beslissingen.
2. Het plan bevat de hoofdzaken van
het door provinciale staten en gedeputeerde staten te voeren
milieubeleid.
3. Tot deze hoofdzaken behoren ten
minste:
a. de in de betrokken periode
van acht jaar en, voor zover deze redelijkerwijze zijn aan te
geven, de in de eerstvolgende vier jaar beoogde resultaten
inzake de kwaliteit van de onderscheidene onderdelen van het
milieu, mede gelet op de krachtens of overeenkomstig artikel
5.1, eerste lid, vastgestelde milieukwaliteitseisen en de in
bijlage 2 opgenomen luchtkwaliteitseisen;
b. de in de betrokken periode
van acht jaar en, voor zover deze redelijkerwijze zijn aan te
geven, de in de eerstvolgende vier jaar beoogde resultaten
inzake het voorkomen, beperken of ongedaan maken van gevolgen
van menselijke activiteiten die het milieu verontreinigen,
aantasten of uitputten;
c. de aanduiding van gebieden
waarin de kwaliteit van het milieu of van een of meer
onderdelen daarvan bijzondere bescherming behoeft;
d. de wijze waarop het bereiken
en instandhouden van de onder a, b en c bedoelde resultaten
door de in het eerste lid bedoelde bestuursorganen zal worden
nagestreefd en de termijnen die daarbij zullen worden
gehanteerd, alsmede de mate van prioriteit die aan het
bereiken van die resultaten wordt gegeven;
e. de redelijkerwijze te
verwachten financiële en economische gevolgen van het te
voeren milieubeleid.
4. Tot de gebieden, bedoeld in het
derde lid, onder c, behoren ten minste:
a. de gebieden die krachtens de
Natuurbeschermingswet zijn aangewezen als beschermd
natuurmonument,
b. de gebieden die zijn
aangewezen ter uitvoering van de Overeenkomst inzake
watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder
als verblijfplaats voor watervogels (Conventie van Ramsar, Trb.
1975, 84), en
c. de archeologische
attentiegebieden, die zijn aangewezen op grond van artikel 44
van de Monumentenwet 1998
behoudens voor zover bij die
aanwijzing anders is bepaald.
5. In het plan geven provinciale
staten voorts aan in hoeverre het voorgenomen beleid is afgestemd
op, dan wel leidt tot aanpassing van het regionale waterbeleid,
het provinciale ruimtelijk beleid of het provinciale verkeers- en
vervoerbeleid en in hoeverre en binnen welke termijn zij
voornemens zijn het geldende regionale waterplan, bedoeld in
artikel 4.4, eerste lid, van de Waterwet, een of meer geldende
structuurvisies als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke
ordening of het geldende provinciale verkeers- en vervoerplan als
bedoeld in artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer, te
herzien.
Artikel 4.10
1. Het provinciale
milieubeleidsplan wordt voorbereid door gedeputeerde staten.
2. Gedeputeerde staten betrekken
bij de voorbereiding van het plan de naar hun oordeel bij de te
behandelen onderwerpen meest belanghebbende overheidsorganen.
Daartoe behoren in elk geval:
a. gedeputeerde staten van de
aangrenzende provincies,
b. de bestuursorganen waaraan
provinciale bevoegdheden zijn gedelegeerd bij de uitoefening
waarvan met het plan rekening moet worden gehouden, en
c. Onze Minister.
3. Gedeputeerde staten betrekken
bij de voorbereiding van het plan voorts de ingezetenen en
belanghebbenden, op de wijze voorzien in de krachtens artikel 147
van de Provinciewet vastgestelde verordening.
Artikel 4.11
1. Zodra het provinciale
milieubeleidsplan is vastgesteld, doen gedeputeerde staten hiervan
mededeling door toezending van het plan aan Onze Minister en aan
de bestuursorganen waaraan provinciale bevoegdheden zijn
gedelegeerd bij de uitoefening waarvan met het plan rekening moet
worden gehouden.
2. Gedeputeerde staten maken de
vaststelling bekend in de Staatscourant. Hierbij geven zij aan op
welke wijze kennis kan worden gekregen van de inhoud van het plan.
Artikel 4.12
1. Het provinciale
milieubeleidsplan geldt, behoudens ingeval eerder een nieuw plan
is vastgesteld, voor een tijdvak van vier jaar nadat de
vaststelling ervan overeenkomstig artikel 4.11, tweede lid, is
bekendgemaakt.
2. Provinciale staten kunnen de
geldingsduur van het plan eenmaal met ten hoogste twee jaar
verlengen. Gedeputeerde staten doen mededeling van een besluit als
bedoeld in de eerste volzin, door toezending daarvan aan Onze
Minister en aan de bestuursorganen waaraan provinciale
bevoegdheden zijn gedelegeerd bij de uitoefening waarvan met het
plan rekening moet worden gehouden. Zij maken het bekend in de
Staatscourant.
3. Provinciale staten en
gedeputeerde staten houden in elk geval rekening met het geldende
provinciale milieubeleidsplan bij het nemen van een besluit dat
daartoe is aangewezen in deze wet, en bij het nemen van een
besluit krachtens een wet, genoemd in bijlage 1, voor zover
daarbij het belang van de bescherming van het milieu in
beschouwing moet of kan worden genomen.
4. Het derde lid is niet van
toepassing op besluiten:
a. met betrekking tot een
regionaal waterplan als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid,
van de Waterwet;
b. die door provinciale staten
of gedeputeerde staten worden genomen in de plaats van een
orgaan van een ander openbaar lichaam, wegens het in gebreke
blijven van dat orgaan.
5. Het derde lid is van
overeenkomstige toepassing op besluiten:
a. die door een orgaan van een
ander openbaar lichaam worden genomen in de plaats van
provinciale staten of gedeputeerde staten wegens het in
gebreke blijven van provinciale staten onderscheidenlijk
gedeputeerde staten;
b. krachtens een provinciale
bevoegdheid die aan een orgaan van een ander openbaar lichaam
is overgedragen.
Artikel 4.13 [Vervallen per
01-10-2012]
§ 4.5. Het provinciale
milieuprogramma
Artikel 4.14
1. Gedeputeerde staten stellen
jaarlijks een provinciaal milieuprogramma vast.
2. Het programma bevat ten minste:
a. een programma van door
gedeputeerde staten in de eerstvolgende vier jaar te
verrichten activiteiten ter bescherming van het milieu,
daaronder begrepen:
1°. een overzicht van
onderzoeksgevallen en gevallen van ernstige
verontreiniging als bedoeld in artikel 1 van de Wet
bodembescherming, alsmede, met betrekking tot die
gevallen, een overzicht van de door of vanwege
gedeputeerde staten, onderscheidenlijk van de aan
gedeputeerde staten bekende door anderen in de
eerstvolgende vier jaren te verrichten activiteiten en een
aanduiding van het tijdstip waarop met het onderzoek of de
sanering van die gevallen zal of dient worden aangevangen;
2°. een overzicht van de
in de volgende vier jaren noodzakelijke maatregelen tot
bestrijding van de geluidhinder;
b. een overzicht van de
financiële gevolgen van de onder a, onder 2°, bedoelde
activiteiten, met inbegrip van de subsidies die met het oog
daarop aan het Rijk worden gevraagd;
c. een verslag van de voortgang
van de uitvoering van het geldende provinciale
milieubeleidsplan.
3. Bij de vaststelling van het
programma houden gedeputeerde staten rekening met het geldende
provinciale milieubeleidsplan.
Artikel 4.15
1. Artikel 4.10, tweede en derde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Gedeputeerde staten maken het
programma bekend door het bij het ontwerp van de begroting over te
leggen aan provinciale staten. Zij doen gelijktijdig mededeling
van het programma door toezending aan Onze Minister.
3. Artikel 4.11, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
§ 4.5a. Het regionale
milieubeleidsplan
Artikel 4.15a
1. Het algemeen bestuur van een
plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke
regelingen die de gemeente of gemeenten Amsterdam, Arnhem en
Nijmegen, Eindhoven en Helmond, Enschede en Hengelo,’s-Gravenhage,
Rotterdam of Utrecht omvat, kan een regionaal milieubeleidsplan
vaststellen, dat met het oog op de bescherming van het milieu
richting geeft aan beslissingen tot het nemen waarvan de
bevoegdheid bij of krachtens de wet aan een orgaan van dat lichaam
is toegekend.
2. De artikelen 4.16, tweede lid,
4.17, 4.18 en 4.19 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat naast de in artikel 4.17, tweede lid, genoemde
bestuursorganen ook burgemeester en wethouders van de in de
plusregio gelegen gemeenten bij de voorbereiding van het plan
worden betrokken.
§ 4.5b. Het regionale
milieuprogramma
Artikel 4.15b
1. Het dagelijks bestuur van een
plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke
regelingen die de gemeente of gemeenten Amsterdam, Arnhem en
Nijmegen, Eindhoven en Helmond, Enschede en Hengelo, ’s-Gravenhage,
Rotterdam of Utrecht omvat, stelt jaarlijks een milieuprogramma
vast.
2. De artikelen 4.20, tweede en
derde lid, en 4.21 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat het programma naast de in artikel 4.20, tweede lid,
genoemde onderdelen ook een verslag van de voortgang van de
uitvoering van het geldende regionale milieubeleidsplan bevat.
§ 4.6. Het gemeentelijke
milieubeleidsplan
Artikel 4.16
1. De gemeenteraad kan een
gemeentelijk milieubeleidsplan vaststellen, dat met het oog op de
bescherming van het milieu richting geeft aan door de gemeenteraad
onderscheidenlijk burgemeester en wethouders te nemen
beslissingen.
2. Het plan bevat de hoofdzaken van
het door de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en
wethouders te voeren milieubeleid.
Artikel 4.17
1. Het gemeentelijke
milieubeleidsplan wordt voorbereid door burgemeester en
wethouders.
2. Burgemeester en wethouders
betrekken bij de voorbereiding van het plan de naar hun oordeel
bij de te behandelen onderwerpen meest belanghebbende
bestuursorganen. Daartoe behoren in elk geval:
a. gedeputeerde staten,
b. burgemeester en wethouders
van de aangrenzende gemeenten, en
c. Onze Minister.
3. Burgemeester en wethouders
betrekken bij de voorbereiding van het plan voorts de ingezetenen
en belanghebbenden, op de wijze voorzien in de krachtens artikel
150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening.
Artikel 4.18
1. Zodra het gemeentelijke
milieubeleidsplan is vastgesteld, doen burgemeester en wethouders
hiervan mededeling door toezending van het plan aan gedeputeerde
staten en aan de inspecteur.
2. Burgemeester en wethouders maken
de vaststelling bekend in één of meer dag- of nieuwsbladen die
in de gemeente verspreid worden. Hierbij geven zij aan op welke
wijze kennis kan worden gekregen van de inhoud van het plan.
Artikel 4.19
1. Bij de vaststelling van het
gemeentelijke milieubeleidsplan bepaalt de gemeenteraad het
tijdvak gedurende hetwelk het geldt.
2. De gemeenteraad kan de
geldingsduur eenmaal met ten hoogste twee jaar verlengen. Artikel
4.18, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien in de gemeente een
gemeentelijk milieubeleidsplan geldt, houdt de gemeenteraad
onderscheidenlijk houden burgemeester en wethouders in elk geval
rekening met dat plan bij het nemen van een besluit dat daartoe is
aangewezen in deze wet, en bij het nemen van een besluit krachtens
een wet, genoemd in bijlage 1, voor zover daarbij het belang van
de bescherming van het milieu in beschouwing moet of kan worden
genomen.
4. Het derde lid is niet van
toepassing op besluiten krachtens een bevoegdheid van een ander
openbaar lichaam, die aan de gemeenteraad of burgemeester en
wethouders is gedelegeerd.
§ 4.7. Het gemeentelijke
milieuprogramma
Artikel 4.20
1. De gemeenteraad stelt jaarlijks
voor een daarbij vast te stellen periode een gemeentelijk
milieuprogramma vast.
2. Het programma bevat ten minste:
a. een programma van door de
gemeenteraad en burgemeester en wethouders in de betrokken
periode te verrichten activiteiten ter uitvoering van de bij
wettelijk voorschrift met het oog op de bescherming van het
milieu aan de gemeenteraad en burgemeester en wethouders
opgedragen taken;
b. een overzicht van de
financiële gevolgen van de onder a bedoelde activiteiten.
3. Indien in de gemeente een
gemeentelijk milieubeleidsplan geldt, houdt de gemeenteraad met
dat plan rekening bij de vaststelling van een gemeentelijk
milieuprogramma.
Artikel 4.21
1. Het gemeentelijke
milieuprogramma wordt voorbereid door burgemeester en wethouders.
Burgemeester en wethouders leggen het ontwerp van het programma
bij het ontwerp van de begroting voor aan de gemeenteraad.
2. Artikel 4.17, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3. Zodra het gemeentelijke
milieuprogramma is vastgesteld, doen burgemeester en wethouders
hiervan mededeling door toezending van het programma aan
gedeputeerde staten en aan de inspecteur.
4. Burgemeester en wethouders maken
de vaststelling bekend in één of meer dag- of nieuwsbladen die
in de gemeente verspreid worden. Hierbij geven zij aan op welke
wijze kennis kan worden gekregen van de inhoud van het programma.
§ 4.8. Het gemeentelijke
rioleringsplan
Artikel 4.22
1. De gemeenteraad stelt telkens
voor een daarbij vast te stellen periode een gemeentelijk
rioleringsplan vast.
2. Het plan bevat ten minste:
a. een overzicht van de in de
gemeente aanwezige voorzieningen voor de inzameling en het
transport van stedelijk afvalwater als bedoeld in artikel
10.33, alsmede de inzameling en verdere verwerking van
afvloeiend hemelwater als bedoeld in artikel 3.5 van de
Waterwet, en maatregelen teneinde structureel nadelige
gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven
bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, als
bedoeld in artikel 3.6 van laatstgenoemde wet en een
aanduiding van het tijdstip waarop die voorzieningen naar
verwachting aan vervanging toe zijn;
b. een overzicht van de in de
door het plan bestreken periode aan te leggen of te vervangen
voorzieningen als bedoeld onder a ;
c. een overzicht van de wijze
waarop de voorzieningen, bedoeld onder a en b , worden of
zullen worden beheerd;
d. de gevolgen voor het milieu
van de aanwezige voorzieningen als bedoeld onder a, en van de
in het plan aangekondigde activiteiten;
e. een overzicht van de
financiële gevolgen van de in het plan aangekondigde
activiteiten.
3. Indien in de gemeente een
gemeentelijk milieubeleidsplan geldt, houdt de gemeenteraad met
dat plan rekening bij de vaststelling van een gemeentelijk
rioleringsplan.
4. Onze Minister kan, in
overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, aan
gemeenten de plicht opleggen tot prestatievergelijking ten aanzien
van de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 10.33, alsmede
de taken, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6 van de Waterwet. Bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld over de frequentie, inhoud en omvang van de
prestatievergelijking.
Artikel 4.23
1. Het gemeentelijke rioleringsplan
wordt voorbereid door burgemeester en wethouders. Zij betrekken
bij de voorbereiding van het plan in elk geval:
a. gedeputeerde staten,
b. de beheerders van de
zuiveringstechnische werken waarnaar het ingezamelde
afvalwater wordt getransporteerd, en
c. de beheerders van de
oppervlaktewateren waarop het ingezamelde water wordt geloosd.
2. Zodra het plan is vastgesteld,
doen burgemeester en wethouders hiervan mededeling door toezending
van het plan aan de in het eerste lid, onder a tot en met c,
genoemde instanties, en Onze Minister.
3. Burgemeester en wethouders maken
de vaststelling bekend in één of meer dag- of nieuwsbladen die
in de gemeente verspreid worden. Hierbij geven zij aan op welke
wijze kennis kan worden gekregen van de inhoud van het plan.
Artikel 4.24 [Vervallen per
01-10-2012]
Hoofdstuk 5. Milieukwaliteitseisen
Titel 5.1. Algemene bepalingen ten
aanzien van milieukwaliteitseisen
Artikel 5.1
1. In het belang van de bescherming
van het milieu kunnen, voor zover dit van meer dan provinciaal
belang is, bij algemene maatregel van bestuur eisen worden gesteld
ten aanzien van de kwaliteit van onderdelen van het milieu vanaf
een daarbij te bepalen tijdstip.
2. Bij de beslissing tot het
vaststellen van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
het eerste lid, worden in ieder geval betrokken:
a. de beschikbare
wetenschappelijke en technische gegevens,
b. de beschikbare gegevens
inzake de bestaande toestand van het milieu,
c. de redelijkerwijs te
verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op
de bescherming van het milieu,
d. de mogelijkheid om de risico’s
voor het milieu als gevolg van de bij het stellen van de eis
in aanmerking te nemen milieubelastende factoren zo klein als
redelijkerwijze mogelijk is te maken, en
e. de redelijkerwijs te
verwachten, uit de verwerkelijking van de te stellen eis
voortvloeiende financiële en economische gevolgen,
voor zover deze voor de
vaststelling van de milieukwaliteitseis van belang zijn en dit
niet strijdig is met een op die milieukwaliteitseis betrekking
hebbende EU-richtlijn of EU-verordening. In een toelichting bij de
maatregel wordt aangegeven op welke wijze deze aspecten bij de
voorbereiding van de maatregel zijn betrokken.
3. Bij een maatregel als bedoeld in
het eerste lid, wordt ten aanzien van een daarbij gestelde
milieukwaliteitseis bepaald of deze wordt aangemerkt als
grenswaarde, richtwaarde dan wel andere ter uitvoering van een
daarbij genoemde EU-richtlijn of EU-verordening gestelde
milieukwaliteitseis, met dien verstande dat:
a. een grenswaarde de kwaliteit
aangeeft die op het in de maatregel aangegeven tijdstip ten
minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten
minste moet worden in stand gehouden;
b. een richtwaarde de kwaliteit
aangeeft die op het in de maatregel aangegeven tijdstip zoveel
mogelijk moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is,
zoveel mogelijk moet worden in stand gehouden;
c. een ter uitvoering van een
EU-richtlijn of EU-verordening gestelde milieukwaliteitseis de
overeenkomstig die richtlijn of verordening te bereiken
kwaliteit aangeeft, met inbegrip van een met betrekking tot
die eis van toepassing zijnde afwijkingsmogelijkheid.
4. Bij een maatregel als bedoeld in
het eerste lid kan worden bepaald dat een daarbij gestelde
milieukwaliteitseis slechts geldt voor een of meer bij of
krachtens de maatregel aan te wijzen gebieden, dan wel voor
gebieden die behoren tot een bij de maatregel aangegeven
categorie. Een tijdstip als bedoeld in het eerste lid kan voor
verschillende bij of krachtens de maatregel aan te geven gebieden
of categorieën van gebieden verschillend zijn.
5. Bij een maatregel als bedoeld in
het eerste lid wordt ten aanzien van de daarbij gestelde
milieukwaliteitseisen een termijn bepaald, voor het verstrijken
waarvan Onze Minister en, voor zover het onderdelen van het
milieubeleid betreft die tot hun verantwoordelijkheid behoren,
Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit dienen aan te geven in hoeverre de
desbetreffende milieukwaliteitseis naar hun oordeel herziening
behoeft. Indien een gestelde milieukwaliteitseis niet een zodanige
waarde heeft dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat, indien
aan die eis is voldaan, de risico’s voor het milieu als gevolg
van de bij het stellen van de eis in aanmerking genomen
milieubelastende factoren verwaarloosbaar klein zijn, bedraagt de
termijn, bedoeld in de vorige volzin, ten hoogste acht jaar.
Artikel 5.2
1. Bij een maatregel als bedoeld in
artikel 5.1, eerste lid, worden de bevoegdheden aangewezen bij de
uitoefening waarvan:
a. de bij de maatregel gestelde
grenswaarden in acht moeten worden genomen,
b. met de bij de maatregel
gestelde richtwaarden rekening moet worden gehouden, of
c. de bij die maatregel ter
uitvoering van een EU-richtlijn of EU-verordening gestelde
milieukwaliteitseisen worden betrokken, op de bij die
maatregel bepaalde wijze.
Bij de maatregel kunnen voorts
regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop aan de
daarin opgenomen verplichtingen uitvoering moet worden gegeven.
2. Het eerste lid vindt slechts
toepassing voor zover de wettelijke regeling waarop een
bevoegdheid als bedoeld in dat lid berust, zich daartegen niet
verzet.
3. Indien in een gebied waarvoor
een milieukwaliteitseis geldt, voor het betrokken onderdeel van
het milieu de kwaliteit beter is dan de eis aangeeft, treedt die
kwaliteit voor de toepassing van de krachtens het eerste lid
aangewezen bevoegdheden voor dit gebied in de plaats van de in de
eis aangegeven kwaliteit. In een maatregel als bedoeld in artikel
5.1, eerste lid, kan worden bepaald dat de eerste volzin ten
aanzien van de daarbij gestelde milieukwaliteitseis niet van
toepassing is.
4. Indien bij de uitoefening van
een bevoegdheid ten aanzien waarvan krachtens het eerste lid is
bepaald dat daarbij rekening moet worden gehouden met een
richtwaarde, van die waarde wordt afgeweken, vermeldt de
motivering van het desbetreffende besluit in ieder geval welke
gewichtige redenen daartoe hebben geleid.
Artikel 5.2a [Vervallen per
15-11-2007]
Artikel 5.2b
1. Bij een maatregel als bedoeld in
artikel 5.1, eerste lid, ter uitvoering van de kaderrichtlijn
water, wordt aan provinciale staten opgedragen
milieukwaliteitseisen, voorzover die niet zijn vastgesteld bij een
maatregel op grond van artikel 5.1, eerste lid, in een provinciale
milieuverordening als bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, vast te
stellen.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld die provinciale staten bij de
vaststelling van de eisen in de provinciale milieuverordening in
daarbij aan te wijzen gevallen in acht moeten nemen. Een zodanige
regeling wordt vastgesteld door Onze Minister tezamen met Onze
Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit, ieder voor zover het aangelegenheden betreft die
mede tot zijn verantwoordelijkheid behoren.
3. Bij een maatregel als bedoeld in
artikel 5.1, eerste lid, wordt overeenkomstig artikel 4, vierde,
vijfde en zevende lid, van de kaderrichtlijn water bepaald in
hoeverre en onder welke voorwaarden kan worden afgeweken van de
ter uitvoering van artikel 4, eerste en tweede lid, van die
richtlijn gestelde milieukwaliteitseisen en termijnen.
4. In:
a. het nationale waterplan,
bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Waterwet,
b. een regionaal waterplan als
bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de Waterwet,
c. een beheerplan als bedoeld
in artikel 4.6, eerste lid, van de Waterwet, worden de
maatregelen opgenomen of uiteengezet ter voorkoming van
achteruitgang van de toestand van alle
oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen die in verband
met de uitvoering van de verplichtingen van de kaderrichtlijn
water zijn aangewezen, behoudens voor zover overeenkomstig
artikel 4, zesde, zevende en achtste lid, van die richtlijn
bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld inartikel
5.1, eerste lid, is bepaald dat achteruitgang van een toestand
is toegelaten.
5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de toepassing van het vierde lid.
Artikel 5.3
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen ten aanzien van milieukwaliteitseisen regels worden
gesteld met betrekking tot:
a. de wijze waarop en de
frequentie waarmee de kwaliteit van de betrokken onderdelen
van het milieu gemeten of berekend wordt;
b. de verantwoordelijkheid voor
de onder a bedoelde metingen, onderscheidenlijk berekeningen
en de wijze waarop daarvan verslag wordt gedaan en
c. de wijze van bekostiging van
de onder a bedoelde metingen, onderscheidenlijk berekeningen.
2. Bij de in het eerste lid
bedoelde maatregel kan worden bepaald dat de wijze van meten of
berekenen en de frequentie daarvan bij ministeriële regeling
worden vastgesteld.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het opstellen van
programma’s voor de monitoring van oppervlaktewaterlichamen en
grondwaterlichamen als bedoeld in artikel 8 van de kaderrichtlijn
water, waarbij voor gebieden, bedoeld in bijlage IV van die
richtlijn, aanvullende verplichtingen kunnen worden gesteld welke
dienen ter uitvoering van een EU-richtlijn of EU-verordening. Bij
de maatregel kan ten aanzien van de milieudoelstellingen, bedoeld
in artikel 4 van de kaderrichtlijn water, overeenkomstige
toepassing worden gegeven aan het eerste en tweede lid.
Artikel 5.4
Indien ter uitvoering van deze titel
een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 21.6, zesde lid,
wordt vastgesteld, zijn daarop de artikelen 5.1, derde, vierde en
vijfde lid, 5.2 en 5.3 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.5
1. Provinciale staten kunnen in de
provinciale milieuverordening milieukwaliteitseisen stellen als
bedoeld in artikel 5.1, eerste lid. De artikelen 5.1, derde,
vierde en vijfde lid, 5.2 en 5.3 zijn van overeenkomstige
toepassing op de vaststelling van milieukwaliteitseisen als
bedoeld in de eerste volzin, met dien verstande, dat
overeenkomstig artikel 5.2, eerste lid, geen bevoegdheden van
organen van het Rijk worden aangewezen.
2. Bij een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, of bij een
ministeriële regeling als bedoeld in artikel 21.6, zesde lid, kan
de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot een
onderwerp ten aanzien waarvan in die maatregel of in die regeling
een milieukwaliteitseis is vastgesteld, voor zover dat in het
algemeen belang geboden is, worden beperkt.
Titel 5.2. Luchtkwaliteitseisen
§ 5.2.1. Algemene bepalingen
Artikel 5.6
1. In afwijking van titel 5.1
gelden ten aanzien van de kwaliteit van de buitenlucht uitsluitend
deze titel, bijlage 2en de op deze titel berustende bepalingen.
2. Deze titel, bijlage 2 en de op
deze titel berustende bepalingen zijn niet van toepassing op
plaatsen als gedefinieerd in artikel 2 van de Richtlijn 89/654/EEG
van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften
inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (PbEG L 393),
op welke plaatsen bepalingen betreffende gezondheid en veiligheid
op de arbeidsplaats van toepassing zijn en waartoe leden van het
publiek gewoonlijk geen toegang hebben.
Artikel 5.7
1. In deze titel, bijlage 2 en de
op deze titel berustende bepalingen met betrekking tot de
kwaliteit van de buitenlucht wordt verstaan onder:
acht-uurgemiddelde concentratie:
concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over acht
achtereenvolgende uurgemiddelde concentraties, uitgedrukt in
microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een
druk van 101,3 kiloPascal;
agglomeratie: stedelijk gebied met
ten minste 250 000 inwoners;
alarmdrempel: kwaliteitsniveau bij
het bereiken waarvan het waarschuwen van de bevolking noodzakelijk
is teneinde de risico’s voor de gezondheid van de mens ingeval
van een kortstondige overschrijding van dat kwaliteitsniveau te
beperken;
AOT40-waarde: gesommeerd verschil
tussen de uurgemiddelde concentraties van ozon boven 80 microgram
per m3 en 80 microgram per m3tussen 08.00 uur en 20.00 uur
Midden-Europese-Tijd, over een bepaalde periode, uitgedrukt in
(microgram per m3) •uur;
autosnelweg: autosnelweg als
bedoeld in artikel 1, onder c, van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990;
beoordelen van de luchtkwaliteit:
vaststellen van het kwaliteitsniveau en bepalen van de mate waarin
een vastgesteld kwaliteitsniveau voldoet aan een grenswaarde,
blootstellingsconcentratieverplichting, richtwaarde, plandrempel,
alarmdrempel of informatiedrempel als bedoeld in bijlage 2;
blootstellingsconcentratieverplichting:
een op grond van de gemiddelde blootstellingsindex bepaald
kwaliteitsniveau met het doel de schadelijke gevolgen voor de
gezondheid van de mens te verminderen, waaraan binnen een bepaalde
termijn moet worden voldaan;
buitenlucht: buitenlucht in de
troposfeer;
bijdragen van natuurlijke bronnen:
emissies van verontreinigende stoffen die niet direct of indirect
zijn veroorzaakt door menselijke activiteiten, met inbegrip van
natuurverschijnselen zoals vulkanische uitbarstingen, seismische
activiteiten, geothermische activiteiten, bosbranden, stormen,
zeezout als gevolg van verstuivend zeewater of de atmosferische
opwerveling of verplaatsing van natuurlijke deeltjes uit droge
regio’s;
EG-richtlijn luchtkwaliteit:
richtlijn nr. 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en
schonere lucht voor Europa (PbEG L 152);
gemiddelde blootstellingsindex:
gemiddeld kwaliteitsniveau dat overeenkomstig de Regeling
beoordeling luchtkwaliteit wordt bepaald op basis van stedelijke
achtergrondlocaties verspreid over het gehele Nederlandse
grondgebied en dat de blootstelling van de bevolking weergeeft;
grenswaarde: kwaliteitsniveau met
als doel schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid of het
milieu als geheel te vermijden, te voorkomen of te verminderen en
dat binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt en, wanneer
het eenmaal is bereikt, niet meer mag worden overschreden;
informatiedrempel: kwaliteitsniveau
bij het bereiken waarvan het informeren van de bevolking
noodzakelijk is, teneinde de risico’s voor de gezondheid van
bijzonder gevoelige bevolkingsgroepen ingeval van een kortstondige
overschrijding van dat kwaliteitsniveau te beperken;
jaargemiddelde concentratie:
concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over
vierentwintig-uurgemiddelde concentraties in een kalenderjaar,
uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 293
Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal voor zwaveldioxide,
stikstofdioxide, stikstofoxiden, lood en benzeen en bij heersende
temperatuur en druk voor zwevende deeltjes (PM10) en voor zwevende
deeltjes (PM2,5);
kwaliteitsniveau: concentratie in
de buitenlucht of de depositiesnelheid van een verontreinigende
stof;
luchtverontreiniging: aanwezigheid
in de buitenlucht van verontreinigende stoffen;
plandrempel: kwaliteitsniveau bij
het bereiken waarvan een planmatige aanpak van de
luchtverontreiniging noodzakelijk is;
richtwaarde: kwaliteitsniveau dat
is vastgesteld met het doel om schadelijke gevolgen voor de
menselijke gezondheid of het milieu als geheel te vermijden, te
voorkomen of te verminderen en dat voor zover mogelijk binnen een
bepaalde termijn moet worden bereikt;
stikstofoxiden: het totale aantal
volumedelen stikstofmonoxide en stikstofdioxide per miljard
volumedelen, uitgedrukt in microgrammen stikstofdioxide per m3;
uurgemiddelde concentratie:
concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over een heel uur,
uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 293
Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal;
vaststellen van het
kwaliteitsniveau: door middel van meting of berekening bepalen of
prognosticeren van de concentratie van een verontreinigende stof
in de buitenlucht of van de depositie van die stof;
verontreinigende stof: stof die
zich in de lucht bevindt en die waarschijnlijk schadelijke
gevolgen voor de menselijke gezondheid of het milieu als geheel
heeft;
vierentwintig-uurgemiddelde
concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over het
tijdvak van 0.00 uur tot 24.00 uur Midden-Europese-Tijd,
uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 293
Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal voor zwaveldioxide en bij
heersende temperatuur en druk voor zwevende deeltjes (PM10);
winterhalfjaargemiddelde
concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over
vierentwintig-uurgemiddelde concentraties van 1 oktober tot en met
31 maart, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur
van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kilo Pascal;
zone: gedeelte van het Nederlandse
grondgebied;
zwevende deeltjes (PM10): in de
buitenlucht voorkomende stofdeeltjes die een op grootte
selecterende instroomopening passeren met een efficiencygrens van
50 procent bij een aërodynamische diameter van 10 micrometer;
zwevende deeltjes (PM2,5): in de
buitenlucht voorkomende stofdeeltjes die een op grootte
selecterende instroomopening passeren met een efficiencygrens van
50 procent bij een aerodynamische diameter van 2,5 micrometer.
2. In afwijking van artikel 1.1,
eerste lid, wordt in deze titel, bijlage 2en de op deze titel
berustende bepalingen onderstoffen verstaan: chemische elementen
en hun verbindingen, zoals deze voorkomen in de natuur of door
toedoen van de mens worden voortgebracht.
Artikel 5.8
[Red: Dit artikel treedt niet meer in
werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2009/158.]
1. Indien wijziging van deze
titel, bijlage 2 of de op deze titel berustende bepalingen
wenselijk is ter uitvoering van een richtlijn van de Raad van de
Europese Unie betreffende de kwaliteit van de buitenlucht, kan
Onze Minister, gehoord de Tweede Kamer der Staten-Generaal, een
tijdelijke regeling vaststellen, die voor zover daarbij is
aangegeven in de plaats treedt van deze titel, bijlage 2 of de
op deze titel berustende bepalingen.
2. Binnen achttien maanden na het
tijdstip van inwerkingtreding van die regeling wordt een
voorstel van wet van gelijke strekking aanhangig gemaakt bij de
Tweede Kamer der Staten-Generaal.
§ 5.2.2. Plannen
Artikel 5.9
1. Burgemeester en wethouders
stellen in de inbijlage 2, voorschrift 13.1, aangegeven gevallen
waarin een plandrempel wordt overschreden een plan vast, waarin
wordt aangegeven op welke wijze en door middel van welke
maatregelen voldaan zal worden aan de desbetreffende in debijlage
genoemde grenswaarde, binnen de voor die waarde gestelde termijn.
Zij dragen zorg voor de uitvoering van het plan.
2. Op de voorbereiding van een plan
als bedoeld in het eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden
gebracht door een ieder.
3. Gedeputeerde staten, Onze
Minister, Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
en van Verkeer en Waterstaat en andere bestuursorganen die
maatregelen kunnen treffen leveren op verzoek van burgemeester en
wethouders een bijdrage aan het opstellen en uitvoeren van een
plan als bedoeld in het eerste lid. Daarbij geven de
desbetreffende bestuursorganen in het plan gemotiveerd rekenschap
van het al dan niet treffen van maatregelen. Omtrent het opstellen
en uitvoeren van het plan bevorderen burgemeester en wethouders
overleg met die bestuursorganen.
4. Voor 1 mei van het jaar volgend
op het jaar waarin de overschrijding van de desbetreffende
plandrempel, met inachtneming van de krachtens artikel 5.20
gestelde regels, is vastgesteld en gerapporteerd, stellen
burgemeester en wethouders gedeputeerde staten in kennis van een
vastgesteld plan als bedoeld in het eerste lid. Voor 1 juli van
dat jaar stellen gedeputeerde staten Onze Minister in kennis van
alle door hen ontvangen plannen.
5. Burgemeester en wethouders
rapporteren eenmaal in de drie jaar, voor 1 mei van het op die
periode volgende jaar, aan gedeputeerde staten omtrent de
voortgang van de uitvoering van een plan of plannen als bedoeld in
het eerste lid. Voor 1 juli van dat jaar stellen gedeputeerde
staten Onze Minister in kennis van alle door hen ontvangen
voortgangsrapportages.
6. Burgemeester en wethouders
dragen er zorg voor dat het plan, bedoeld in het eerste lid, in
overeenstemming is met een programma als bedoeld in artikel 5.12,
eerste lid, of 5.13, eerste lid.
Artikel 5.10 [Vervallen per
01-08-2009]
Artikel 5.11
1. Een plan als bedoeld in artikel
5.9, eerste lid, 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid, bevat ten
minste de gegevens, bedoeld in bijlage XV, deel A, van de
EG-richtlijn luchtkwaliteit.
2. Een wijziging van bijlage XV,
deel A, van de EG-richtlijn luchtkwaliteit geldt voor de
toepassing van het eerste lid met ingang van de dag waarop aan de
betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven en
heeft geen betrekking op een vóór die dag vastgesteld plan,
tenzij uit de desbetreffende wijziging anders volgt.
3. Voor gevallen waarin ingevolge
artikel 5.9, eerste lid, 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid,
voor meer dan één stof een plan wordt vastgesteld en uitgevoerd,
draagt het betrokken bestuursorgaan zorg voor één plan voor de
desbetreffende stoffen. Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing.
§ 5.2.3. Nationaal programma en
overige programma's
Artikel 5.12
1. Onze Minister stelt, in
overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad en gehoord de
Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, met betrekking tot een
in bijlage 2 opgenomen grenswaarde die op of na het daarbij
behorende tijdstip wordt overschreden of dreigt te worden
overschreden, een programma vast dat gericht is op het bereiken
van die grenswaarde. Het programma heeft betrekking op een daarbij
aan te geven periode van vijf jaar.
2. In het programma, bedoeld in het
eerste lid, worden ten minste genoemd of beschreven de gedurende
de in dat lid bedoelde periode door een of meer bestuursorganen
van het Rijk te treffen generieke maatregelen ter verbetering van
de luchtkwaliteit en de effecten daarvan op de luchtkwaliteit.
3. Met betrekking tot één of meer
in het programma, bedoeld in het eerste lid, aangewezen gebieden
omvat het programma, na overleg met de betrokken bestuursorganen,
tevens:
a. een beschrijving van de in
de buitenlucht aanwezige concentraties verontreinigende
stoffen en de autonome ontwikkeling daarvan boven het
desbetreffende gebied, op basis van de laatst beschikbare
gegevens met betrekking tot die concentraties, alsmede een
beschrijving van de oorzaken van een overschrijding of
dreigende overschrijding van de desbetreffende grenswaarde;
b. indien op het moment van
vaststelling van het programma op één of meer plaatsen
binnen een aangewezen gebied een geldende grenswaarde wordt
overschreden: een overzicht van alle redelijkerwijs, gedurende
de in het eerste lid bedoelde periode, door de betrokken
bestuursorganen te treffen maatregelen die bijdragen aan de
verwezenlijking van beleid dat erop gericht is die grenswaarde
te bereiken, de effecten van die maatregelen op de
luchtkwaliteit alsmede het tijdstip waarop die grenswaarde
naar verwachting zal zijn bereikt;
c. een beschrijving van de
verwachte ontwikkelingen in het desbetreffende gebied en van
de besluiten die gedurende de in het eerste lid bedoelde
periode naar verwachting zullen worden genomen en die in
betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de
buitenlucht in dat gebied van een stof waarvoor in bijlage 2
een grenswaarde is opgenomen, op basis van de krachtens het
zevende lid verstrekte gegevens, alsmede de effecten van die
ontwikkelingen en besluiten op de luchtkwaliteit;
d. een beschrijving van de door
de bestuursorganen, die daartoe in het programma zijn
aangewezen, te treffen overige maatregelen dan bedoeld onder
b, die samenhangen met de onder c bedoelde ontwikkelingen of
besluiten en die gericht zijn op het bereiken van de
grenswaarde of grenswaarden in de betreffende gebieden,
alsmede de effecten van die maatregelen op de luchtkwaliteit;
e. een prognose van de
ontwikkeling van de onder a bedoelde concentraties, gedurende
de in het eerste lid bedoelde periode, met dien verstande dat
daarbij tevens wordt aangegeven hoeveel eerder als gevolg van
de maatregelen, bedoeld onder b en d, en rekening houdend met
de effecten van de verwachte ontwikkelingen en besluiten,
bedoeld onder c, een grenswaarde in het betreffende gebied
wordt bereikt dan overeenkomstig de autonome ontwikkeling,
bedoeld onder a, naar verwachting het geval zou zijn.
Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van uitvoering
van de onderdelen a tot en met e en van het vierde en zesde lid,
met inbegrip van daarbij te hanteren uitgangspunten en criteria.
4. Bij het beschrijven van:
a. de autonome ontwikkeling,
bedoeld in het derde lid, onder a, wordt mede in aanmerking
genomen het gesommeerde effect van de uitoefening van
bevoegdheden en de toepassing van wettelijke voorschriften die
gedurende de in het eerste lid bedoelde periode naar
verwachting zullen plaatsvinden en die niet in betekenende
mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht in dat
gebied van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is
opgenomen;
b. de effecten van de
maatregelen, bedoeld in het tweede en derde lid, kunnen de
effecten van sinds 1 januari 2005 ter verbetering van de
luchtkwaliteit ingevoerde maatregelen mede in aanmerking
worden genomen.
5. In een programma als bedoeld in
het eerste lid worden geen besluiten als bedoeld in het derde lid,
onder c, opgenomen, indien het aannemelijk is dat deze een
overschrijding of verdere overschrijding van een geldende
grenswaarde tot gevolg hebben op het tijdstip waarop, met
toepassing van:
a. uitstel als bedoeld in
artikel 22, eerste lid, van de EG-richtlijn luchtkwaliteit,
van de tijdstippen waarop aan de in bijlage 2 opgenomen
grenswaarden voor stikstofdioxide of benzeen moet worden
voldaan,
b. vrijstelling als bedoeld in
artikel 22, tweede lid, van de EG-richtlijn luchtkwaliteit,
van de verplichting om aan de in bijlage 2 opgenomen
grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) te voldoen,
ingevolge die richtlijn aan de
desbetreffende grenswaarde moet worden voldaan.
6. Het programma, bedoeld in het
eerste lid, kan in delen worden vastgesteld, met dien verstande
dat:
a. alle onderscheiden delen
binnen een tijdvak van ten hoogste dertien weken worden
vastgesteld, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen
verzetten, en
b. met elkaar, vanwege de
daarin opgenomen ontwikkelingen, voorgenomen besluiten of
maatregelen, samenhangende delen zoveel mogelijk
tegelijkertijd worden vastgesteld.
7. Na een daartoe strekkend verzoek
van Onze Minister verstrekken de desbetreffende bestuursorganen
hem binnen een daarbij aangegeven termijn de daarbij gevraagde
gegevens over de ontwikkelingen en besluiten, bedoeld in het derde
lid, onder c, en de maatregelen, bedoeld in dat lid, onder b en d.
8. Op de voorbereiding van een
programma als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar
voren worden gebracht door een ieder.
9. De daartoe bevoegde
bestuursorganen dragen zorg voor de tijdige uitvoering van de
maatregelen die in het programma zijn genoemd of beschreven, met
dien verstande dat maatregelen die onlosmakelijk verbonden zijn
met de ontwikkelingen en besluiten als bedoeld in het derde lid,
onder c, ten behoeve van deze ontwikkelingen en besluiten worden
uitgevoerd.
10. Onze Minister kan, in
overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad en gehoord de
Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, het programma, bedoeld
in het eerste lid, ambtshalve wijzigen indien naar zijn oordeel:
a. uit de rapportages, bedoeld
in artikel 5.14, naar voren komt dat de in dat programma
opgenomen gegevens omtrent de effecten op de luchtkwaliteit
van in het programma genoemde of beschreven ontwikkelingen,
voorgenomen besluiten of maatregelen, niet of niet langer in
redelijkheid kunnen worden gehanteerd bij de uitoefening van
de in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c of d, juncto
het tweede lid van dat artikel, bedoelde bevoegdheden en de
toepassing van de daar bedoelde wettelijke voorschriften;
b. het programma, de periode
waarop het betrekking heeft of de daarin genoemde of
beschreven ontwikkelingen, voorgenomen besluiten of
maatregelen om andere redenen wijziging behoeven.
Het achtste lid is van
overeenkomstige toepassing.
11. De in het negende lid bedoelde
plicht tot tijdige uitvoering van maatregelen blijft van kracht
totdat die uitvoering of verdere uitvoering naar het oordeel van
Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de
ministerraad en gehoord de Eerste en Tweede Kamer der
Staten-Generaal, niet langer vereist is om een grenswaarde te
bereiken of daaraan te blijven voldoen.
12. Binnen een gebied als bedoeld
in het derde lid kunnen bestuursorganen die het aangaat, na een
daartoe strekkende melding aan Onze Minister, een of meer in het
programma genoemde of beschreven maatregelen, ontwikkelingen of
besluiten wijzigen of vervangen, of een of meer maatregelen,
ontwikkelingen of besluiten aan het programma toevoegen, indien
bij de betreffende melding aannemelijk wordt gemaakt dat die
gewijzigde, vervangende of nieuwe maatregelen, ontwikkelingen of
besluiten per saldo passen binnen of in elk geval niet in strijd
zijn met het programma. Bij de melding wordt aangegeven welke
maatregelen, ontwikkelingen of besluiten het betreft, welke
samenhang er tussen die maatregelen, ontwikkelingen of besluiten
is en op welke termijn een maatregel wordt getroffen of een
besluit genomen en worden de effecten op de luchtkwaliteit met
toepassing van de artikelen 5.19 en 5.20 en de daarop berustende
bepalingen aangegeven. Het negende lid is van overeenkomstige
toepassing.
13. De bij de melding, bedoeld in
het twaalfde lid, aangegeven wijziging of wijzigingen behoeven de
instemming van Onze Minister. Onze Minister beslist hieromtrent
binnen zes weken na ontvangst van de melding. De instemming is van
rechtswege gegeven indien Onze Minister niet binnen de genoemde
termijn een beslissing heeft genomen.
14. Binnen zes weken nadat een
instemming als bedoeld in het dertiende lid is verkregen wordt
door de betrokken bestuursorganen kennis gegeven van de bij de
melding aangegeven wijziging of wijzingen en van de daarmee
verleende instemming in een van overheidswege uitgegeven blad of
een dag-,nieuws- of huis-aan-huis blad, dan wel op een andere
geschikte wijze.
Artikel 5.12a
Indien op of na het daarbij behorende
tijdstip niet wordt voldaan of dreigt te worden voldaan aan de
blootstellingsconcentratieverplichting, opgenomen in voorschrift 4.6
van bijlage 2, draagt Onze Minister zorg voor het nemen van
maatregelen waardoor aan die verplichting wordt voldaan. Deze
maatregelen kunnen deel uitmaken van het programma, bedoeld in
artikel 5.12, eerste lid.
Artikel 5.12b
1. Indien krachtens enig wettelijk
voorschrift een besluit is vereist voor de door of vanwege Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat met betrekking tot het
hoofdwegennet uit te voeren maatregelen als bedoeld in artikel
5.12, negende lid, zijn deze wettelijke voorschriften op die
uitvoering niet van toepassing.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing voor zover het vereist zijn van een besluit voortvloeit
uit Europeesrechtelijke of internationaalrechtelijke
verplichtingen.
3. Voor zover het uitvoeren van de
in het eerste lid bedoelde maatregelen niet in overeenstemming is
met het bestemmingsplan of de beheerverordening, geldt het op die
maatregelen betrekking hebbende onderdeel van het programma,
bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, als een omgevingsvergunning
waarbij ten behoeve van een project van nationaal belang, met
toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan
of de beheersverordening wordt afgeweken. Bij de toepassing van
artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden
onder bestemmingsplan of beheersverordening mede de betrokken
onderdelen van het programma, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid,
begrepen.
4. In de gevallen waarin het derde
lid van toepassing is, stelt de gemeenteraad een bestemmingsplan
of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke
ordening vast overeenkomstig de onderdelen van het programma,
bedoeld in het derde lid. Dit geschiedt binnen een jaar na de
datum van inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet of,
ingeval van een wijziging van dat programma die of nieuw programma
dat na die datum wordt vastgesteld, binnen een jaar nadat die
wijziging of dat programma onherroepelijk is geworden.
5. Voor zover een ontwerp van een
bestemmingsplan zijn grondslag vindt in de onderdelen van het
programma, bedoeld in het derde lid, kunnen zienswijzen geen
betrekking hebben op dat deel van het ontwerp van het
bestemmingsplan.
Artikel 5.13
1. Een of meerdere bestuursorganen
gezamenlijk, niet zijnde bestuursorganen van het Rijk, kunnen een
programma vaststellen dat gericht is op het bereiken van een in
bijlage 2opgenomen grenswaarde in een bij dat programma aan te
wijzen gebied, niet zijnde een krachtens artikel 5.12, derde lid,
aangewezen of aan te wijzen gebied, waar een grenswaarde wordt
overschreden of dreigt te worden overschreden.
2. Bij de vaststelling van een
programma op grond van het eerste lid wordt het krachtens artikel
5.12, eerste lid, vastgestelde programma in acht genomen.
3. Artikel 5.12, derde en vierde
lid en achtste tot en met veertiende lid, is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de wijziging, bedoeld in het
tiende lid van dat artikel, plaatsvindt in overeenstemming met de
andere betrokken bestuursorganen en dat de plicht tot melding,
bedoeld in hettwaalfde lid van dat artikel, niet van toepassing
is.
4. Het programma wordt na
vaststelling of wijziging toegezonden aan Onze Minister.
5. Indien voor een gebied als
bedoeld in het eerste lid geen programma als bedoeld in dat lid
wordt vastgesteld, treffen de betrokken bestuursorganen onverwijld
de redelijkerwijs mogelijke maatregelen die er op gericht zijn de
betreffende grenswaarde te bereiken. De artikelen 5.12, negende en
elfde lid, en 5.14 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.14
De daartoe in een programma als
bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of5.13, eerste lid, aangewezen
bestuursorganen rapporteren jaarlijks voor 1 juli aan Onze
Minister over de voortgang en uitvoering van een programma en de
daarin opgenomen maatregelen, ontwikkelingen en besluiten, alsmede
over de effecten daarvan op de luchtkwaliteit.
Artikel 5.15
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de wijze waarop een programma
als bedoeld inartikel 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid,
wordt afgestemd met andere bij of krachtens wettelijk
voorschrift vast te stellen of vastgestelde plannen;
b. de voorbereiding, vormgeving,
inhoud en uitvoering van een programma als bedoeld in artikel
5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid;
c. de verslaglegging, bedoeld in
artikel 5.14.
§ 5.2.4. Uitoefening van
bevoegdheden of toepassing van wettelijke voorschriften
Artikel 5.16
1. Bestuursorganen maken bij de
uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of
toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke
uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de
luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en
maken daarbij aannemelijk:
a. dat een uitoefening of
toepassing, rekening houdend met de effecten op de
luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of
toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de
luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het
op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden,
van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde;
b. dat, met inachtneming van
het vijfde lid en de krachtens dat lid gestelde regels:
1°. de concentratie in de
buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die
uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten
minste gelijk blijft, of
2°. bij een beperkte
toename van de concentratie van de desbetreffende stof,
door een met die uitoefening of toepassing samenhangende
maatregel of een door die uitoefening of toepassing
optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert;
c. dat een uitoefening of
toepassing, rekening houdend met de effecten op de
luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of
toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de
luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de
concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in
bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;
d. dat een uitoefening dan wel
toepassing is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking
heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is
genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval
niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12, eerste
lid, of artikel 5.13, eerste lid, vastgesteld programma.
2. De in het eerste lid bedoelde
bevoegdheden of wettelijke voorschriften zijn de bevoegdheden en
wettelijke voorschriften, bedoeld in:
a. deartikelen 1.2, 7.27, 7.35,
7.42 en 8.40, eerste lid;
b. de artikelen 9.5.1 en 9.5.6;
c. de artikelen 3.1, 3.26 en
3.28 van de Wet ruimtelijke ordening;
d. artikel 9, eerste lid, van
de Tracéwet;
e. artikel 9 van de Spoedwet
wegverbreding;
f. artikel 2 van de Interimwet
stad-en-milieubenadering;
g. artikel 2.4 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover die bevoegdheid
betrekking heeft op:
1°. activiteiten met
betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1,
eerste lid, onder e, van die wet;
2°. activiteiten die op
grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van die wet,
bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor
zover die activiteiten plaatsvinden binnen een inrichting
en voor zover dat bij die maatregel is bepaald;
3°. gevallen waarin van
het bestemmingsplan wordt afgeweken met toepassing van
artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, of artikel
2.12, tweede lid, van die wet;
h. artikel 2.3 van de Crisis-
en herstelwet.
3. Bij de uitoefening van een
bevoegdheid of toepassing van een wettelijk voorschrift als
bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c of d, gedurende de
periode waar een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste
lid, of 5.13, eerste lid, betrekking op heeft, vindt met
betrekking tot de effecten van de desbetreffende ontwikkeling of
het desbetreffende besluit op de luchtkwaliteit geen afzonderlijke
beoordeling van de luchtkwaliteit plaats voor een in bijlage
2opgenomen grenswaarde voor die periode, noch voor enig jaar
daarna.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het in
betekenende mate bijdragen als bedoeld in het eerste lid, aanhef
en onder c, waaronder begrepen het aanwijzen van categorieën van
gevallen die in ieder geval al dan niet in betekenende mate
bijdragen in de daar bedoelde zin.
5. Voor de toepassing van het
eerste lid, aanhef en onder b, aanhef en sub 2, of onder c, voor
zover het betreft de onlosmakelijk met een uitoefening of
toepassing samenhangende maatregelen:
a. worden voor iedere stof
afzonderlijk de positieve of negatieve effecten voor de
luchtkwaliteit in beschouwing genomen;
b. is er een functionele of
geografische samenhang tussen enerzijds het gebied of de
gebieden waarop de uitoefening van bevoegdheden of de
toepassing van wettelijke voorschriften, bedoeld in dat lid,
betrekking heeft, en anderzijds de maatregel of maatregelen
die in verband met die uitoefening of toepassing wordt of
worden genomen;
c. worden maatregelen ter
vermindering van de concentratie van een stof niet later dan
gelijktijdig met de te compenseren activiteiten uitgevoerd,
tenzij een gelijktijdige uitvoering een vermindering van de
concentratie van die stof op de langere termijn in de weg
staat of anderszins niet doelmatig is, en
d. worden waarborgen getroffen
opdat de maatregelen ter vermindering van de concentratie van
een stof daadwerkelijk worden uitgevoerd.
Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld.
6. Buiten een periode als bedoeld
in artikel 5.12, eerste lid, of een in een programma als bedoeld
in artikel 5.13, eerste lid, opgenomen periode, blijft het eerste
lid, aanhef en onder d, buiten toepassing, met dien verstande dat
de uitoefening van een bevoegdheid of de toepassing van een
wettelijk voorschrift met betrekking tot een ontwikkeling of
voorgenomen besluit dat eerder was genoemd of beschreven in een
programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste
lid, ook na het verstrijken van de desbetreffende periode mogelijk
blijft.
Artikel 5.16a
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat de uitoefening van een bevoegdheid
of de toepassing van een wettelijk voorschrift, bedoeld in artikel
5.16, eerste lid, in daarbij aangewezen categorieën van gevallen
waarin een in bijlage 2opgenomen grenswaarde op of na het tijdstip
van ingang wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, en
waarin de betreffende uitoefening of toepassing betrekking heeft
op een bestaand of nieuw te bouwen bouwwerk in de zin van de
Woningwet, op een zodanige wijze plaatsvindt dat deze niet leidt
tot een toename van het aantal ter plaatse verblijvende personen
met een verhoogde gevoeligheid voor de concentraties in de
buitenlucht van een stof waar de betreffende grenswaarde
betrekking op heeft.
2. Bij of krachtens de maatregel,
bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere regels worden gegeven
omtrent de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan dat lid, met
inbegrip van het beperken van een categorie tot gevallen waarin
niet wordt voldaan aan daarbij gestelde eisen met betrekking tot
de locatie of afstand van een bouwwerk ten opzichte van een bron
of bronnen van luchtverontreiniging.
Artikel 5.17
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen bestuursorganen stellen alle
nodige maatregelen vast, gericht op het voor zover mogelijk
bereiken van een in bijlage 2 opgenomen richtwaarde binnen de
daarvoor gestelde termijn. Deze maatregelen kunnen deel uitmaken
van een plan of programma als bedoeld in artikel 5.9, eerste lid,
5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid, dan wel van een ander plan
of programma.
2. Bij of krachtens de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden nadere
regels gesteld met betrekking tot de in dat lid bedoelde
maatregelen, waartoe in elk geval behoren regels omtrent de aard
van die maatregelen.
Artikel 5.18
1. De commissaris van de Koningin
doet van een overschrijding van een in bijlage 2 genoemde
alarmdrempel of informatiedrempel in zijn provincie zo spoedig
mogelijk mededeling aan het publiek. Wanneer overschrijding van
een informatiedrempel of alarmdrempel voorkomt in samenhang met
overschrijding van een in bijlage 2 genoemde grenswaarde voor een
andere verontreinigende stof in de buitenlucht, doet de
commissaris van de Koningin tevens mededeling van laatstbedoelde
overschrijding.
2. Bij ministeriële regeling
worden regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid
bedoelde mededeling en de daarbij aan het publiek te verstrekken
gegevens alsmede met betrekking tot de wijze waarop uitvoering
wordt gegeven aan artikel 24 van de EG-richtlijn luchtkwaliteit.
3. Artikel 48, derde lid, van de
Wet inzake de luchtverontreiniging is van overeenkomstige
toepassing.
§ 5.2.5. Beoordeling van de
luchtkwaliteit
Artikel 5.19
1. Het beoordelen van de
luchtkwaliteit vindt overeenkomstig de bij of krachtens deze
paragraaf gestelde regels plaats in alle agglomeraties en zones,
aangewezen krachtens artikel 5.22.
2. In afwijking van het eerste lid
vindt op de volgende locaties geen beoordeling van de
luchtkwaliteit plaats met betrekking tot luchtkwaliteitseisen voor
de bescherming van de gezondheid van de mens, opgenomen in bijlage
2:
a. locaties die zich bevinden
in gebieden waartoe leden van het publiek geen toegang hebben
en waar geen vaste bewoning is;
b. terreinen waarop een of meer
inrichtingen zijn gelegen, waar bepalingen betreffende
gezondheid en veiligheid op arbeidsplaatsen als bedoeld in
artikel 5.6, tweede lid, van toepassing zijn;
c. de rijbaan van wegen en de
middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang
tot de middenberm hebben.
3. Bij het vaststellen van het
kwaliteitsniveau worden bij het bepalen van de concentraties
verontreinigende stoffen de concentratiebijdragen van natuurlijke
bronnen, na afzonderlijk te zijn bepaald, meegerekend.
4. Bij het bepalen van de mate
waarin een vastgesteld kwaliteitsniveau voldoet aan een in bijlage
2 opgenomen grenswaarde worden, indien dat kwaliteitsniveau hoger
is dan die grenswaarde, de concentratiebijdragen van natuurlijke
bronnen steeds in aftrek gebracht.
5. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld indien noodzakelijk voor een
juiste uitvoering van het eerste tot en met vierde lid.
Artikel 5.20
1. Bij ministeriële regeling
worden voor de toepassing van deze titel,bijlage 2 en de op deze
titel berustende bepalingen regels gesteld ten aanzien van het
beoordelen van de luchtkwaliteit met betrekking tot de in bijlage
2 genoemde stoffen, waartoe in elk geval kunnen behoren regels
omtrent:
a. de voor beoordeling van de
luchtkwaliteit verantwoordelijke bestuursorganen;
b. de wijze waarop en de
frequentie waarmee de luchtkwaliteit wordt beoordeeld, met
inbegrip van de locaties waar de luchtkwaliteit wordt
beoordeeld, en de te gebruiken gegevens;
c. de wijze waarop en de
frequentie waarmee het kwaliteitsniveau gemeten of berekend
wordt;
d. de wijze van bekostiging van
de metingen en berekeningen;
e. de wijze en het tijdstip
waarop verslag wordt gedaan van beoordeling van de
luchtkwaliteit en de in het verslag op te nemen gegevens;
f. de wijze waarop het bereiken
van de grenswaarden, bedoeld in de artikelen 5.12of 5.13 wordt
vastgesteld;
g. de wijze waarop de effecten
van ontwikkelingen, besluiten en maatregelen als bedoeld in
deze titel afzonderlijk en in samenhang worden bepaald en
daarbij te gebruiken gegevens;
h. de wijze waarop de autonome
ontwikkeling als bedoeld in deze titel wordt bepaald.
2. Bij de regeling, bedoeld in het
eerste lid, kan worden bepaald dat daarbij aangewezen regels van
toepassing zijn dan wel buiten toepassing blijven in daarbij
genoemde gevallen.
3. Bij de regeling, bedoeld in het
eerste lid, kan worden bepaald dat het gebruik van andere dan de
daarin genoemde methoden voor de beoordeling van de luchtkwaliteit
of voor het bepalen van effecten of het gebruik van andere dan
daarin genoemde gegevens niet is toegestaan dan na voorafgaande
goedkeuring door Onze Minister.
4. De goedkeuring, bedoeld in het
derde lid, kan worden onthouden of ingetrokken indien het gebruik
van de betreffende methode of gegevens naar het oordeel van Onze
Minister niet, of niet langer, leidt tot een voldoende nauwkeurige
of betrouwbare beoordeling van de luchtkwaliteit of bepaling van
effecten en daarvoor meer geschikte methoden of gegevens
beschikbaar zijn.
5. Aan de goedkeuring kunnen
voorwaarden of beperkingen worden verbonden. Deze kunnen worden
gewijzigd of ingetrokken.
Artikel 5.21
1. Onze Minister kan:
a. de nauwkeurigheid van een
meetmethode of een andere methode waarmee het kwaliteitsniveau
of effecten gemeten of berekend wordt toetsen,
b. de nauwkeurigheid van de
toepassing van een onder a bedoelde methode toetsen.
2. De door middel van de toetsing
verkregen resultaten treden in de plaats van eerdere of anderszins
verkregen resultaten.
3. Onze Minister maakt de in het
tweede lid bedoelde resultaten kenbaar aan het desbetreffende
bestuursorgaan.
Artikel 5.22
1. Onze Minister wijst voor de
toepassing van deze titel, bijlage 2 en de op deze titel
berustende bepalingen ten behoeve van de metingen en berekeningen
van het kwaliteitsniveau zones, onderscheidenlijk agglomeraties,
aan.
2. Onze Minister overweegt ten
minste eenmaal in de vijf jaar in hoeverre de aanwijzing van zones
en agglomeraties, bedoeld in het eerste lid, wijziging behoeft.
3. Onze Minister stelt op basis van
de aanwijzing van zones en agglomeraties, bedoeld in het eerste
lid, en de resultaten van de metingen en berekeningen, bedoeld in
dat lid, lijsten vast als bedoeld in artikel 27 van de
EG-richtlijn luchtkwaliteit en artikel 3 van richtlijn nr.
2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 15 december 2004 betreffende arseen, cadmium, kwik,
nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht (PbEG
L 23).
§ 5.2.6. Handhaving en
internationale samenwerking
Artikel 5.23 [Vervallen per
01-10-2012]
Artikel 5.24
1. Onze Minister is belast met de
organisatie van de samenwerking met andere lidstaten en met de
Commissie van de Europese Gemeenschappen, ter uitvoering van de
EG-richtlijn luchtkwaliteit.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de samenwerking,
bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 6. Milieuzonering
Artikel 6.1
[Gereserveerd.]
Hoofdstuk 7. Milieueffectrapportage
§ 7.1. Algemeen
Artikel 7.1
1. In dit hoofdstuk en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Onze Ministers: Onze Minister, Onze
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
de commissie: de Commissie voor de
milieueffectrapportage.
2. Tenzij anders is bepaald, wordt
in deparagrafen 7.3 tot en met 7.5 en 7.7 tot en met 7.12 in dit
hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:
a. activiteit:
1°. activiteit die is
aangewezen krachtensartikel 7.2, eerste lid, onder a,
krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en waarop
artikel 7.18 van toepassing is, of krachtens artikel 7.6,
eerste lid;
2°. activiteit als bedoeld
in artikel 7.2a, eerste lid;
b. plan: plan bij de
voorbereiding waarvan krachtens de artikelen 7.2, tweede lid,
7.2a, eerste lid, of 7.6, tweede lid, een milieueffectrapport
moet worden gemaakt;
c. besluit: besluit bij de
voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden
gemaakt krachtens artikel 7.2, derde lid, krachtens artikel
7.2, vierde lid, in samenhang met artikel 7.18, of krachtens
artikel 7.6, derde lid.
3. Het tweede lid, onder a, onder
2°, geldt niet indien een bepaling uitsluitend betrekking heeft
op een besluit als bedoeld in dat lid, onder c.
4. In dit hoofdstuk en de daarop
berustende bepalingen wordt onder bevoegd gezag verstaan het
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het voorbereiden dan wel
vaststellen van een plan of een besluit.
5. In dit hoofdstuk en de daarop
berustende bepalingen worden, voor zover zij niet reeds op grond
van andere wettelijke bepalingen als zodanig dienen te worden
aangemerkt, tevens als adviseurs aangemerkt:
a. indien het bevoegd gezag een
orgaan van de centrale overheid is: een door Onze Minister
aangewezen bestuursorgaan, een door Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen bestuursorgaan
en een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
aangewezen bestuursorgaan;
b. indien het bevoegd gezag een
ander bestuursorgaan is:
1º. een door Onze Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen
bestuursorgaan en een door Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap aangewezen bestuursorgaan, en
2º. de inspecteur, voor
zover het betreft een activiteit met betrekking tot een
inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in een
geval dat behoort tot een krachtens artikel 2.26, derde
lid, van die wet aangewezen categorie.
Artikel 7.1a [Vervallen per
01-07-2010]
§ 7.2. Plannen en besluiten ten
aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapport verplicht is
Artikel 7.2
1. Bij algemene maatregel van
bestuur worden de activiteiten aangewezen:
a. die belangrijke nadelige
gevolgen kunnen hebben voor het milieu;
b. ten aanzien waarvan het
bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige
gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
2. Terzake van de activiteiten,
bedoeld in het eerste lid, worden bij de maatregel de categorieën
van plannen aangewezen bij de voorbereiding waarvan een
milieueffectrapport moet worden gemaakt. Een plan wordt slechts
aangewezen indien het plan het kader vormt voor een besluit als
bedoeld in het derde of vierde lid. Een plan vormt in elk geval
het kader voor een zodanig besluit indien in dat plan:
a. een locatie of een tracé
wordt aangewezen voor die activiteiten, of
b. een of meerdere locaties of
tracés voor die activiteiten worden overwogen.
3. Terzake van de activiteiten,
bedoeld in het eerste lid, onder a, worden de categorieën van
besluiten aangewezen bij de voorbereiding waarvan een
milieueffectrapport moet worden gemaakt.
4. Terzake van de activiteiten,
bedoeld in het eerste lid, onder b, worden de categorieën van
besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag
krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die
activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en
indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een
milieueffectrapport moet worden gemaakt.
5. Bij de maatregel kan een plan
worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in het derde of
vierde lid, mits dat plan voor de desbetreffende activiteit niet
is aangewezen op grond van het tweede lid.
6. Tot de activiteiten, bedoeld in
het eerste lid, kunnen mede activiteiten behoren, die in samenhang
met andere activiteiten belangrijke nadelige gevolgen kunnen
hebben voor het milieu.
7. Tot de activiteiten, bedoeld in
het eerste lid, behoren activiteiten waarvoor bij de maatregel
categorieën van plannen en besluiten worden aangewezen en die
plaatsvinden in de exclusieve economische zone.
8. Bij de maatregel kan worden
bepaald dat de aanwijzing van een activiteit, dan wel van een plan
of besluit slechts geldt in daarbij aangewezen categorieën van
gevallen.
Artikel 7.2a
1. Een milieueffectrapport wordt
gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke
of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan
waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een
passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19j,
tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen categorieën van gevallen worden aangewezen, waarin
sprake is van kleine gebieden en kleine wijzigingen die geen
aanzienlijke milieueffecten hebben, waarop de verplichting tot het
maken van een milieueffectrapport, als bedoeld in het eerste lid,
niet van toepassing is.
3. Tot een activiteit als bedoeld
in het eerste lid behoort een activiteit als bedoeld in dat lid
die plaatsvindt in de exclusieve economische zone.
Artikel 7.3
1. Bij de maatregel, bedoeld in
artikel 7.2, worden geen plannen aangewezen die:
a. uitsluitend betrekking
hebben op de landsverdediging of op een noodsituatie als
bedoeld in de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden;
b. betrekking hebben op de
begroting of financiën van het Rijk, de provincie, de
gemeente of een waterschap.
2. Artikel 7.2a is niet van
toepassing met betrekking tot plannen als bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 7.4 [Vervallen per
01-07-2010]
Artikel 7.5 [Vervallen per
01-07-2010]
Artikel 7.6
1. Provinciale staten kunnen met
het oog op de bescherming van het milieu in binnen hun provincie
gelegen gebieden, niet zijnde gebieden als bedoeld in artikel 10a,
eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, die van bijzondere
betekenis zijn of waarin het milieu reeds in ernstige mate is
verontreinigd of aangetast in de provinciale milieuverordening
activiteiten aanwijzen, die niet zijn opgenomen in een algemene
maatregel van bestuur krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder a,
en die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu
in die gebieden. Artikel 7.2, zesde en achtste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. Terzake van die activiteiten
kunnen zij de categorieën van plannen aanwijzen bij de
voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt
indien die activiteiten binnen hun provincie worden uitgevoerd.
Deartikelen 7.2, tweede lid, tweede en derde volzin, vijfde en
achtste lid, en 7.3, eerste lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
3. Terzake van die activiteiten
wijzen zij de categorieën van besluiten aan bij de voorbereiding
waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt indien die
activiteiten binnen hun provincie worden uitgevoerd.
4. Op de voorbereiding van een
besluit, houdende een aanwijzing krachtens het eerste tot en met
derde lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing; zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een
ieder. Gedeputeerde staten plegen over het ontwerp overleg met
burgemeester en wethouders van de gemeenten en de dagelijkse
besturen van de waterschappen in hun provincie. Zij stellen de
bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.1, vijfde lid, onder b,
onder 1, en Onze Minister in de gelegenheid omtrent het ontwerp
advies uit te brengen.
5. Gedeputeerde staten leggen met
het ontwerp van het besluit aan provinciale staten een verslag
over van het gevoerde overleg, de uitgebrachte adviezen en de naar
voren gebrachte zienswijzen, waarbij zij onder opgave van redenen
aangeven in hoeverre daarmee rekening is gehouden.
6. Tegelijkertijd met de
bekendmaking van het besluit, houdende een aanwijzing als bedoeld
in het eerste tot en met derde lid, wordt daarvan mededeling
gedaan door toezending van een exemplaar aan ieder van Onze
Ministers en, voorzover het de aanwijzing betreft van categorieën
van besluiten als bedoeld in het derde lid, aan de commissie.
§ 7.3. Het milieueffectrapport dat
betrekking heeft op een plan
Artikel 7.7
1. Het milieueffectrapport dat
betrekking heeft op een plan, wordt opgesteld door het bevoegd
gezag en bevat ten minste:
a. een beschrijving van hetgeen
met de voorgenomen activiteit wordt beoogd;
b. een beschrijving van de
voorgenomen activiteit, alsmede van de alternatieven daarvoor,
die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en
de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen
alternatieven;
c. een overzicht van eerder
vastgestelde plannen die betrekking hebben op de voorgenomen
activiteit en de beschreven alternatieven;
d. een beschrijving van de
bestaande toestand van het milieu, voor zover de voorgenomen
activiteit of de beschreven alternatieven daarvoor gevolgen
kunnen hebben, alsmede van de te verwachten ontwikkeling van
dat milieu, indien die activiteit noch de alternatieven worden
ondernomen;
e. een beschrijving van de
gevolgen voor het milieu, die de voorgenomen activiteit,
onderscheidenlijk de beschreven alternatieven kunnen hebben,
alsmede een motivering van de wijze waarop deze gevolgen zijn
bepaald en beschreven;
f. een vergelijking van de
ingevolge onderdeel d beschreven te verwachten ontwikkeling
van het milieu met de beschreven mogelijke gevolgen voor het
milieu van de voorgenomen activiteit, alsmede met de
beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van elk der in
beschouwing genomen alternatieven;
g. een beschrijving van de
maatregelen om belangrijke nadelige gevolgen op het milieu van
de activiteit te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk
teniet te doen;
h. een overzicht van de leemten
in de beschrijvingen, bedoeld in de onderdelen d en e, ten
gevolge van het ontbreken van de benodigde gegevens;
i. een samenvatting die aan een
algemeen publiek voldoende inzicht geeft voor de beoordeling
van het milieueffectrapport en van de daarin beschreven
mogelijke gevolgen voor het milieu van de voorgenomen
activiteit en van de beschreven alternatieven.
2. Het milieueffectrapport is
gesteld in de Nederlandse taal. Indien een activiteit belangrijke
nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu in een ander land,
zendt degene die de activiteit onderneemt, op verzoek van het
bevoegd gezag binnen een bij dat verzoek te bepalen termijn een
vertaling van de samenvatting in de landstaal van het gebied in
het andere land waar de activiteit belangrijke nadelige gevolgen
kan hebben.
3. Het bevoegd gezag:
a. stemt het rapport, waaronder
het detailniveau daarvan, af op de mate van gedetailleerdheid
van het plan en op de fase van het besluitvormingsproces
waarin het plan zich bevindt, alsmede, indien het plan deel
uitmaakt van een hiërarchie van plannen, in het bijzonder op
de plaats die het plan inneemt in die hiërarchie;
b. mag gebruik maken van andere
milieueffectrapporten die voldoen aan het bepaalde bij of
krachtens dit hoofdstuk.
4. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze
waarop de in het eerste lid bedoelde gegevens worden bepaald en
beschreven.
§ 7.4. De voorbereiding van een
milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan
Artikel 7.8
Alvorens het milieueffectrapport op
te stellen, raadpleegt het bevoegd gezag de adviseurs en de
bestuursorganen die ingevolge het wettelijk voorschrift waarop het
plan berust bij de voorbereiding van het plan worden betrokken over
de reikwijdte en het detailniveau van de informatie die gericht is
op wat relevant is voor het plan en die op grond van artikel 7.7 in
het milieueffectrapport moet worden opgenomen.
Artikel 7.9
1. Zo spoedig mogelijk nadat het
bevoegd gezag het voornemen heeft opgevat tot het voorbereiden van
een plan, maar uiterlijk op het moment dat het toepassing geeft
aan artikel 7.8, geeft het kennis van dat voornemen, met
overeenkomstige toepassing van artikel 3:12, eerste en tweede lid,
van de Algemene wet bestuursrecht.
2. In de kennisgeving wordt
vermeld:
a. dat stukken betreffende het
voornemen openbaar zullen worden gemaakt, en waar en wanneer,
b. dat er gelegenheid wordt
geboden zienswijzen over het voornemen naar voren te brengen,
aan wie, op welke wijze en binnen welke termijn,
c. of de commissie of een
andere onafhankelijke instantie in de gelegenheid wordt
gesteld advies uit te brengen over het voornemen, en
d. of met betrekking tot het
ontwerp van het plan toepassing moet worden gegeven aan
artikel 7.11.
3. In de kennisgeving wordt voorts
vermeld dat in het milieueffectrapport tevens een passende
beoordeling wordt opgenomen in verband met de mogelijk
significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied als bedoeld in
artikel 1, onderdeel n, van de Natuurbeschermingswet 1998 indien
dat milieueffectrapport betrekking heeft op:
a. een krachtens artikel 7.2,
tweede lid, aangewezen plan, en voor dat plan een passende
beoordeling moet worden gemaakt in verband met de mogelijke
significante gevolgen voor een Natura-2000 gebied;
b. een plan als bedoeld in
artikel 7.2a, eerste lid.
4. Kennisgeving vindt plaats in een
publicatie in een ander land ingeval er sprake is van mogelijke
belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in dat andere land.
Artikel 7.10
1. Een milieueffectrapport is
gereed op het moment dat het ontwerp van het plan ter inzage wordt
gelegd.
2. Het milieueffectrapport kan
worden opgenomen bij of in het plan, mits het daarbij of daarin
als zodanig herkenbaar is weergegeven.
§ 7.5. Het plan
Artikel 7.11
1. Indien de procedure van
totstandkoming van een plan er niet in voorziet dat het ontwerp
van dat plan ter inzage wordt gelegd en een ieder in de
gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze over dat ontwerp naar
voren te brengen, wordt in afwijking van die procedure:
a. met betrekking tot het
ontwerp van dat plan toepassing gegeven aan de artikelen 3:11
en 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht, en
b. een ieder in de gelegenheid
gesteld zijn zienswijze over het ontwerp naar voren te
brengen, overeenkomstig de artikelen 3:15 en 3:16 van die wet.
2. Indien het milieueffectrapport
niet is opgenomen in het ontwerp van het plan:
a. wordt bij de
terinzagelegging, bedoeld in artikel 3:11, van de Algemene wet
bestuursrecht, tevens het rapport ter inzage gelegd,
b. wordt bij de kennisgeving,
bedoeld in artikel 3:12, van die wet, tevens kennisgegeven van
het rapport, en
c. kan een zienswijze als
bedoeld in artikel 3:15 van die wet tevens betrekking hebben
op het rapport.
3. Indien het eerste lid, onder a,
van toepassing is, wordt, indien krachtens wettelijk voorschrift
een plan binnen een bepaalde termijn moet worden vastgesteld,
welke termijn korter is dan de termijn, bedoeld in artikel 3:16
van de Algemene wet bestuursrecht, die termijn verlengd tot de
termijn, bedoeld in artikel 3:16 van de Algemene wet
bestuursrecht, vermeerderd met twee weken.
Artikel 7.12
1. Indien het milieueffectrapport
betrekking heeft op een krachtens artikel 7.2, tweede lid,
aangewezen plan of op een plan als bedoeld in artikel 7.2a, eerste
lid, wordt de commissie uiterlijk op het moment dat de inartikel
7.11 genoemde stukken ter inzage worden gelegd in de gelegenheid
gesteld advies uit te brengen over dat rapport overeenkomstig de
termijn die geldt voor het inbrengen van zienswijzen.
2. Indien er sprake is van
mogelijke belangrijke nadelige grensoverschrijdende gevolgen voor
het milieu, gaat de commissie, indien zij advies uitbrengt, daar
in haar advies op in.
Artikel 7.13
Het bevoegd gezag stelt een plan niet
vast:
a. dan nadat het toepassing heeft
gegeven aan de paragrafen 7.3 en7.4;
b. indien het plan ten opzichte
van het ontwerp van dat plan zodanig is gewijzigd dat de
gegevens die in het milieueffectrapport zijn opgenomen
redelijkerwijs niet meer aan het plan ten grondslag kunnen
worden gelegd.
Artikel 7.14
1. In of bij het plan wordt in
ieder geval vermeld:
a. de wijze waarop rekening is
gehouden met de in het milieueffectrapport beschreven
mogelijke gevolgen voor het milieu van de activiteit waarop
het plan betrekking heeft;
b. hetgeen is overwogen omtrent
de in het milieueffectrapport beschreven alternatieven;
c. hetgeen is overwogen omtrent
de bij het ontwerp van het plan terzake van het
milieueffectrapport naar voren gebrachte zienswijzen;
d. hetgeen is overwogen omtrent
het door de commissie overeenkomstig artikel 7.12uitgebrachte
advies.
2. Indien van toepassing wordt in
het plan tevens vermeld:
a. hetgeen in het
milieueffectrapport of in het advies, bedoeld in artikel 7.12,
omtrent mogelijke belangrijke nadelige grensoverschrijdende
milieugevolgen is overwogen;
b. hetgeen is overwogen omtrent
de uitkomsten van het overleg, bedoeld in artikel 7.38a,
vijfde lid.
3. Het bevoegd gezag bepaalt bij
het plan de termijn of de termijnen waarop met het onderzoek,
bedoeld in artikel 7.39, wordt begonnen, alsmede de wijze waarop
het dat onderzoek zal verrichten.
4. Degene die de in dat plan
voorgenomen activiteit onderneemt, verleent aan het bevoegd gezag
desgevraagd alle medewerking en verstrekt alle inlichtingen, die
het redelijkerwijs voor het verrichten van het onderzoek, bedoeld
in het derde lid, behoeft.
Artikel 7.15
1. Indien de procedure van
totstandkoming van een plan niet voorziet in:
a. een openbare kennisgeving
van een vastgesteld plan, wordt dat plan bekend gemaakt op de
wijze, voorzien in artikel 3:42 van de Algemene wet
bestuursrecht;
b. mededeling door toezending
van een exemplaar van een vastgesteld plan aan de commissie en
degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar
voren hebben gebracht, wordt mededeling gedaan zoals voorzien
in artikel 3:43 van de Algemene wet bestuursrecht.
2. Indien het milieueffectrapport
niet is opgenomen in het plan wordt van dat rapport kennisgegeven
tegelijk met het plan.
§ 7.6. Besluiten ten aanzien waarvan
moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden
gemaakt
Artikel 7.16
1. Indien degene die een activiteit
wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid,
onder b, voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van
een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, deelt
hij dat voornemen schriftelijk mee aan het bevoegd gezag.
2. Bij de mededeling, bedoeld in
het eerste lid, wordt in elk geval aandacht besteed aan de in
artikel 7.17, eerste lid, bedoelde nadelige gevolgen die de
activiteit voor het milieu kan hebben.
3. Bij een mededeling als bedoeld
in het eerste lid kan degene die de activiteit wil ondernemen,
verklaren dat hij bij de voorbereiding van het besluit een
milieueffectrapport maakt.
Artikel 7.17
1. Behoudens in het geval dat
toepassing is gegeven aan artikel 7.16, derde lid, neemt het
bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een
beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het
betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke
nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een
milieueffectrapport moet worden gemaakt.
2. Indien met betrekking tot de
activiteit meer dan één besluit is aangewezen, nemen de bevoegde
bestuursorganen de in het eerste lid bedoelde beslissing
gezamenlijk.
3. Het bevoegd gezag houdt bij zijn
beslissing rekening met de in bijlage III bij de EEG-richtlijn
milieu-effectbeoordeling aangegeven criteria.
4. Het bevoegd gezag doet
mededeling van zijn beslissing door:
a. kennisgeving in een of meer
dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen, en indien is beslist
dat voor de activiteit geen milieueffectrapport moet worden
gemaakt, kennisgeving in de Staatscourant;
b. kennisgeving in een
publicatie in een ander land indien er sprake is van mogelijke
belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in dat andere
land;
c. terinzagelegging.
5. In kennisgevingen als bedoeld in
het vierde lid vermeldt het bevoegd gezag ten minste:
a. het tijdstip waarop een
exemplaar van de beslissing ter inzage wordt gelegd, alsmede
de uren waarop en de plaats waar het ter inzage ligt;
b. de strekking van de
beslissing.
Artikel 7.18
Degene die een activiteit, aangewezen
krachtensartikel 7.2, eerste lid, onder b, wil ondernemen, maakt een
milieueffectrapport, indien:
a. het bevoegd gezag heeft
beslist dat bij de voorbereiding van het betrokken besluit een
milieueffectrapport moet worden gemaakt;
b. hij een verklaring gegeven
heeft als bedoeld in artikel 7.16, derde lid.
Artikel 7.19
1. Indien het bevoegd gezag degene
is die een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste
lid, onder b, wil ondernemen, neemt het in een zo vroeg mogelijk
stadium voor de voorbereiding van het besluit dat krachtens het
vierde lid van dat artikel is aangewezen een beslissing omtrent de
vraag of vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de
activiteit voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport
moet worden gemaakt. Artikel 7.17, tweede en derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. Onder een zo vroeg mogelijk
stadium wordt verstaan het stadium voorafgaand aan de
terinzagelegging van het ontwerp-besluit.
3. Het bevoegd gezag neemt de
beslissing na overleg met de bestuursorganen die bij of krachtens
een wet moeten worden betrokken bij de voorbereiding van het
betrokken besluit.
4. Het bevoegd gezag doet van zijn
beslissing mededeling door:
a. kennisgeving in een of meer
dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen, en indien is beslist
dat voor de activiteit geen milieueffectrapport wordt gemaakt,
kennisgeving in de Staatscourant;
b. kennisgeving in een
publicatie in een ander land indien er sprake is van mogelijke
belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in dat andere
land;
c. terinzagelegging.
5. In de kennisgevingen, bedoeld in
het vierde lid, vermeldt het bevoegd gezag ten minste:
a. het tijdstip waarop een
exemplaar van de beslissing ter inzage wordt gelegd, alsmede
de uren waarop en de plaats waar het ter inzage ligt;
b. de strekking van de
beslissing.
Artikel 7.20
Deartikelen 7.16 tot en met 7.19
vinden geen toepassing ten aanzien van een activiteit, aangewezen in
een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 7.2, eerste
lid, onder b, voor zover die activiteit bij een provinciale
verordening krachtens artikel 7.6, eerste lid, overeenkomstig de
omschrijving in die algemene maatregel van bestuur is aangewezen en
het een besluit betreft dat ter zake van die activiteit bij die
verordening overeenkomstig die maatregel is aangewezen.
§ 7.7. Het milieueffectrapport dat
betrekking heeft op een besluit
Artikel 7.21
1. Het bevoegd gezag kan op verzoek
van degene die de activiteit onderneemt ontheffing verlenen van de
verplichting tot het maken van een milieueffectrapport bij de
voorbereiding van een krachtens artikel 7.2, derde lid, dan wel
artikel 7.6, derde lid, aangewezen besluit in gevallen waarin het
algemeen belang het onverwijld ondernemen van de activiteit waarop
die besluiten betrekking hebben, noodzakelijk maakt.
2. Een verzoek om ontheffing bevat
in elk geval:
a. een beschrijving van de
voorgenomen activiteit;
b. een beschrijving van de
omstandigheden waaronder de activiteit zal worden uitgevoerd;
c. de redenen voor het verzoek,
en
d. een aanduiding van de
mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
3. Indien in een verzoek als
bedoeld in het tweede lid wordt verwezen naar stukken, gaat het
verzoek vergezeld van die stukken.
4. De beslissing op het verzoek
wordt genomen uiterlijk negen weken na de ontvangst daarvan.
Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van de beslissing
mededeling gedaan aan Onze Ministers.
5. Uiterlijk twee weken na de
mededeling, bedoeld in het vierde lid, doet het bevoegd gezag
gelijktijdig mededeling van de beslissing op het verzoek, bedoeld
in dat lid, door kennisgeving in een of meer dag-, nieuws- of
huis-aan-huis-bladen, en in de Staatscourant, en wordt een
exemplaar van de beslissing ter inzage gelegd, ten aanzien waarvan
in de kennisgeving de plaats, het tijdstip en de uren worden
vermeld.
Artikel 7.22
1. In gevallen waarin een besluit
wordt genomen op verzoek van degene die de betrokken activiteit
onderneemt, maakt deze het milieueffectrapport.
2. In andere dan de in het eerste
lid bedoelde gevallen maakt het bevoegd gezag het
milieueffectrapport.
Artikel 7.23
1. Een milieueffectrapport bevat de
volgende gegevens:
a. een beschrijving van hetgeen
met de voorgenomen activiteit wordt beoogd;
b. een beschrijving van de
voorgenomen activiteit en van de wijze waarop zij zal worden
uitgevoerd, alsmede van de alternatieven daarvoor, die
redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en de
motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen
alternatieven;
c. een aanduiding van het
besluit of de besluiten bij de voorbereiding waarvan het
milieueffectrapport wordt gemaakt, en een overzicht van de
eerder genomen beslissingen van bestuursorganen, die
betrekking hebben op de voorgenomen activiteit en de
beschreven alternatieven.
d. een beschrijving van de
bestaande toestand van het milieu, voor zover de voorgenomen
activiteit of de beschreven alternatieven daarvoor gevolgen
kunnen hebben, alsmede van de te verwachten ontwikkeling van
dat milieu, indien die activiteit noch de alternatieven worden
ondernomen;
e. een beschrijving van de
gevolgen voor het milieu, die de voorgenomen activiteit,
onderscheidenlijk de beschreven alternatieven kunnen hebben,
alsmede een motivering van de wijze waarop deze gevolgen zijn
bepaald en beschreven;
f. een vergelijking van de
ingevolge onderdeel d beschreven te verwachten ontwikkeling
van het milieu met de beschreven mogelijke gevolgen voor het
milieu van de voorgenomen activiteit, alsmede met de
beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van elk der in
beschouwing genomen alternatieven;
g. een beschrijving van de
maatregelen om belangrijke nadelige milieueffecten van de
activiteit te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk teniet
te doen;
h. een overzicht van de leemten
in de beschrijvingen, bedoeld in de onderdelen d en e, ten
gevolge van het ontbreken van de benodigde gegevens;
i. een samenvatting die aan een
algemeen publiek voldoende inzicht geeft voor de beoordeling
van het milieueffectrapport en van de daarin beschreven
mogelijke gevolgen voor het milieu van de voorgenomen
activiteit en van de beschreven alternatieven;
j. alsmede de gegevens die zijn
aangewezen in bijlage IV van de EEG-richtlijn
milieu-effectbeoordeling, voor zover het milieueffectrapport
deze gegevens niet reeds op grond van de onderdelen a tot en
met i bevat.
2. Het milieueffectrapport is
gesteld in de Nederlandse taal. Het bevoegd gezag kan aan degene
die de activiteit onderneemt, bij het geven van het in artikel
7.26 onderscheidenlijk artikel 7.27 bedoelde advies toestemming
verlenen het rapport in een daarbij aan te wijzen andere taal te
stellen. De in het eerste lid, onder i, bedoelde samenvatting is
steeds in de Nederlandse taal gesteld. Indien een activiteit bij
de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden
gemaakt, belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu
in een ander land, zendt degene die de activiteit onderneemt, op
verzoek van het bevoegd gezag binnen een bij dat verzoek te
bepalen termijn een vertaling van de samenvatting in de landstaal
van het gebied in het andere land waar de activiteit belangrijke
nadelige gevolgen kan hebben.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze
waarop de in het eerste lid bedoelde gegevens worden bepaald en
beschreven.
§ 7.8. De beperkte voorbereiding
inzake het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een besluit
Artikel 7.24
1. Degene die een activiteit wil
ondernemen, aangewezen krachtens de artikelen 7.2, eerste lid,
onder a, onder b in samenhang met artikel 7.18, of7.6, eerste lid,
en die voornemens is een aanvraag in te dienen tot het nemen van
een besluit, aangewezen krachtens artikel 7.2, derde of vierde
lid, of 7.6, derde lid, en waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht en een of meer artikelen van afdeling 13.2 van
toepassing zijn, deelt dat voornemen schriftelijk mee aan het
bevoegd gezag.
2. Op verzoek van de aanvrager
brengt het bevoegd gezag advies uit inzake de reikwijdte en het
detailniveau van de informatie ten behoeve van een
milieueffectrapport.
3. Bij afwezigheid van een verzoek
als bedoeld in het tweede lid kan het bevoegd gezag ambtshalve
advies uitbrengen.
4. In afwijking van deze paragraaf
is paragraaf 7.9 van overeenkomstige toepassing op de
voorbereiding van een milieueffectrapport, ten aanzien van een
activiteit als bedoeld in het eerste lid, dat betrekking heeft op
een besluit als bedoeld in dat lid en voor welke activiteit
tevens:
a. een besluit is vereist
waarvoor op grond van artikel 19f, eerste lid, van de
Natuurbeschermingswet 1998 een passende beoordeling moet
worden gemaakt,
b. een besluit is vereist dat
mede uitvoering geeft aan artikel 2.1, eerste lid, onder c,
juncto artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, of het
tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of
c. een plan is vereist als
bedoeld in artikel 14.4b.
Artikel 7.25
Het bevoegd gezag raadpleegt de
adviseurs en de bestuursorganen, die ingevolge het wettelijk
voorschrift waarop het besluit berust bij de voorbereiding van het
besluit worden betrokken, ten behoeve van het geven van advies als
bedoeld in artikel 7.24, tweede en derde lid, en pleegt voorts
overleg over dat advies met degene die de activiteit onderneemt.
Artikel 7.26
Het bevoegd gezag geeft uiterlijk zes
weken na ontvangst van het verzoek dan wel bij ontstentenis daarvan
uiterlijk zes weken na de mededeling van het voornemen, een advies
als bedoeld inartikel 7.24. Het bevoegd gezag kan de termijn eenmaal
met ten hoogste zes weken verlengen.
Artikel 7.26a [Vervallen per
30-03-2012]
§ 7.9. De uitgebreide voorbereiding
inzake het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een besluit
Artikel 7.27
1. Degene die een activiteit wil
ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder a,
dan wel onder b, in samenhang met artikel 7.18, of7.6, eerste lid,
en die voornemens is een aanvraag in te dienen tot het nemen van
een besluit, aangewezen krachtens artikel 7.2, derde of vierde
lid, en waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht of
een of meer artikelen van afdeling 13.2 niet van toepassing zijn,
deelt dat voornemen zo spoedig mogelijk schriftelijk mee aan het
bevoegd gezag.
2. Zo spoedig mogelijk na ontvangst
van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, dan wel alvorens het
milieueffectrapport op te stellen, indien het bevoegd gezag degene
is die de activiteit wil ondernemen, raadpleegt het bevoegd gezag
de adviseurs en de bestuursorganen die ingevolge het wettelijk
voorschrift waarop het besluit berust bij de voorbereiding van het
besluit worden betrokken, over de reikwijdte en het detailniveau
van de informatie die is gericht op wat relevant is voor het
besluit en die op grond van artikel 7.23 in het
milieueffectrapport moet worden opgenomen.
3. Zo spoedig mogelijk na ontvangst
van de mededeling dan wel na het opvatten van het voornemen door
het bevoegd gezag, maar uiterlijk op het moment dat het toepassing
geeft aan het tweede lid, geeft het bevoegd gezag kennis van het
voornemen, bedoeld in het eerste lid, dan wel van zijn eigen
voornemen, met overeenkomstige toepassing van artikel 3:12, eerste
en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4. In de kennisgeving wordt
vermeld:
a. dat stukken betreffende het
voornemen openbaar zullen worden gemaakt, en waar en wanneer,
b. dat er gelegenheid wordt
geboden zienswijzen over het voornemen naar voren te brengen,
aan wie, op welke wijze en binnen welke termijn, en
c. of de commissie of een
andere onafhankelijke instantie in de gelegenheid wordt
gesteld advies uit te brengen over het voornemen.
5. In de kennisgeving wordt voorts
vermeld indien het milieueffectrapport betrekking heeft op een
krachtens artikel 7.2, derde of vierde lid, aangewezen besluit en
voor de daarin voorgenomen, krachtens het eerste lid, onder a, van
dat artikel aangewezen, activiteit een passende beoordeling moet
worden gemaakt in verband met de mogelijke significante gevolgen
voor een Natura 2000-gebied, bedoeld in artikel 1, onderdeel n,
van de Natuurbeschermingswet 1998: dat voor de activiteit een
passende beoordeling moet worden gemaakt in verband met de
mogelijke significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied,
bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van de Natuurbeschermingswet
1998.
6. Kennisgeving vindt plaats in een
publicatie in een ander land ingeval er sprake is van mogelijke
belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in dat andere land.
Degene die de activiteit wil ondernemen overlegt op verzoek van
het bevoegd gezag binnen een bij dat verzoek te bepalen termijn
een vertaling van de mededeling in de landstaal van het gebied in
het andere land waar de activiteit belangrijke nadelige gevolgen
kan hebben.
7. In het geval het bevoegd gezag
niet degene is die de activiteit wil ondernemen, geeft het
uiterlijk zes weken na ontvangst van de mededeling, een advies
inzake de reikwijdte en het detailniveau van de informatie ten
behoeve van een milieueffectrapport. Het bevoegd gezag kan de
termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen.
§ 7.10. Het besluit
Artikel 7.28
1. Het bevoegd gezag laat een
aanvraag om een besluit buiten behandeling indien
a. bij het indienen van de
aanvraag geen milieueffectrapport is overgelegd, tenzij van de
plicht tot het opstellen van een milieueffectrapport op grond
van artikel 7.21 ontheffing is verleend;
b. het overgelegde
milieueffectrapport, mede gelet op het advies wanneer dat
daarover op grond van artikel 7.26 onderscheidenlijk artikel
7.27 is gegeven, niet voldoet aan artikel 7.23, dan wel
onjuistheden bevat;
c. in gevallen waarin krachtens
artikel 14.5 ter voorbereiding van meer dan een besluit één
milieueffectrapport wordt gemaakt, de van de aanvrager
afkomstige aanvragen tot het nemen van de andere betrokken
besluiten niet tegelijkertijd worden ingediend.
2. Het bevoegd gezag laat de
aanvraag tevens buiten behandeling indien deze een krachtens
artikel 7.2, vierde lid, aangewezen besluit betreft, dat krachtens
wettelijk voorschrift op aanvraag wordt genomen, en
a. bij het indienen van de
aanvraag geen afschrift is gevoegd van de beslissing krachtens
artikel 7.17, eerste lid, inhoudende dat geen
milieueffectrapport behoeft te worden gemaakt, of
b. geen beslissing is genomen
krachtens artikel 7.17, eerste lid, dan wel is beslist dat een
milieueffectrapport moet worden gemaakt en dat rapport niet is
overgelegd.
Artikel 7.29
1. Indien van een aanvraag als
bedoeld in artikel 7.28, openbaar kennis wordt gegeven, wordt van
het milieueffectrapport gelijktijdig openbaar kennisgegeven.
2. In het geval er sprake is van
mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een
ander land, geschiedt de openbare kennisgeving van de aanvraag en
het milieueffectrapport in een publicatie in dat andere land.
Artikel 7.30
1. Indien de procedure van
totstandkoming van het besluit voorziet in openbare kennisgeving
van het ontwerp van een besluit, wordt van het milieueffectrapport
gelijktijdig openbaar kennisgegeven, behoudens in gevallen als
bedoeld in artikel 7.29.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op de openbare kennisgeving in een
publicatie in een ander land in het geval er sprake is van
mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in dat
andere land.
3. Indien de procedure van
totstandkoming van het besluit niet voorziet in openbare
kennisgeving van de aanvraag of het ontwerp van een besluit, wordt
in afwijking van die procedure, van het milieueffectrapport
gelijktijdig met het ontwerp van het besluit openbaar
kennisgegeven met toepassing van artikel 3:12 van de Algemene wet
bestuursrecht.
Artikel 7.31 [Vervallen per
01-07-2005]
Artikel 7.32
1. Indien een aanvraag als bedoeld
in artikel 7.28, dan wel het ontwerp van een besluit als bedoeld
in artikel 7.30, ter inzage wordt gelegd en een ieder in de
gelegenheid wordt gesteld daarover zienswijzen naar voren te
brengen, kunnen zienswijzen over het milieueffectrapport
gelijktijdig naar voren worden gebracht met zienswijzen over die
aanvraag dan wel dat ontwerp, waarmee het milieueffectrapport ter
inzage is gelegd.
2. Indien de procedure van
totstandkoming van een besluit er niet in voorziet dat de aanvraag
of het ontwerp van het besluit ter inzage wordt gelegd en een
ieder in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze daarover
naar voren te brengen, zijn in afwijking van die procedure de
artikelen 3:11, 3:12, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen over het
milieueffectrapport kunnen naar voren worden gebracht door een
ieder. Zienswijzen over het milieueffectrapport kunnen
gelijktijdig naar voren worden gebracht met de zienswijzen over
het ontwerp van het besluit.
3. De zienswijzen op het
milieueffectrapport kunnen slechts betrekking hebben op de inhoud
van het milieueffectrapport, het niet voldoen van het rapport aan
de bij of krachtens artikel 7.23 gestelde regels dan wel op
onjuistheden die het rapport bevat.
4. Indien het eerste lid van
toepassing is en de procedure van totstandkoming van een besluit
voorziet in de vaststelling van een besluit binnen een bepaalde
termijn, dan wordt die termijn, wanneer deze korter is dan de
termijn, bedoeld in artikel 3:16 van de Algemene wet
bestuursrecht, verlengd tot de termijn, bedoeld in artikel 3:16
van de Algemene wet bestuursrecht vermeerderd met twee weken.
5. Artikel 7.12 is van
overeenkomstige toepassing op een besluit waarop afdeling 3.4 van
de Algemene wet bestuursrecht of een of meer artikelen van
afdeling 13.2, met uitzondering van artikel 13.2 niet van
toepassing zijn, en op een besluit ter zake van een activiteit als
bedoeld in artikel 7.24, vierde lid.
Artikel 7.33 [Vervallen per
01-07-2005]
Artikel 7.34 [Vervallen per
01-07-2010]
Artikel 7.35
1. Bij het nemen van een besluit
houdt het bevoegd gezag rekening met alle gevolgen die de
activiteit waarop het besluit betrekking heeft, voor het milieu
kan hebben.
2. Behoudens voor zover bij of
krachtens het derde tot en met zesde lid anders is voorzien, is
het eerste lid slechts van toepassing voor zover de wettelijke
regeling waarop het besluit berust, zich daartegen niet verzet.
3. Het bevoegd gezag kan, indien
ter zake van een activiteit slechts één besluit is aangewezen,
ongeacht de beperkingen die ter zake in de wettelijke regeling
waarop het besluit berust, zijn gesteld:
a. naast de voorwaarden,
voorschriften en beperkingen tot het opnemen waarvan het
ingevolge die wettelijke regeling bevoegd is, in het besluit
tevens alle andere voorwaarden, voorschriften en beperkingen
opnemen, die nodig zijn ter bescherming van het milieu;
b. een beslissing nemen, ertoe
strekkende dat de activiteit niet wordt ondernomen, indien het
ondernemen van die activiteit tot ontoelaatbare nadelige
gevolgen voor het milieu kan leiden.
4. Op de voorbereiding van een
besluit als bedoeld in het derde lid is, ongeacht hetgeen ter zake
in de betrokken wettelijke regeling is bepaald, afdeling 3.4 van
de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
5. Indien op de voorbereiding van
meer dan een van de ter zake van eenzelfde activiteit aangewezen
besluiten afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing is, wordt een van die besluiten aangewezen als het
besluit waarop het derde lid van toepassing is. Bij die aanwijzing
kan worden bepaald dat zij slechts geldt in daarbij aangegeven
gevallen. De aanwijzing geschiedt bij algemene maatregel van
bestuur.
6. Met betrekking tot het krachtens
het vijfde lid aangewezen besluit is het derde lid van toepassing,
met dien verstande dat slechts voorwaarden, voorschriften en
beperkingen kunnen worden gesteld met betrekking tot onderwerpen
waaromtrent geen voorwaarden, voorschriften en beperkingen kunnen
worden gesteld bij de andere in het vijfde lid bedoelde besluiten.
7. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de
toepassing van het derde lid.
Artikel 7.36
Een krachtens een andere wettelijke
regeling te nemen besluit wordt, ook voor zover daarbij artikel 7.35
wordt toegepast, geacht krachtens die regeling te worden genomen.
Artikel 7.36a
Het bevoegd gezag neemt een besluit
niet:
a. dan nadat het toepassing heeft
gegeven aan de artikelen 7.22 en 7.23 en aanparagraaf 7.8 of7.9;
b. indien de gegevens die in het
milieueffectrapport zijn opgenomen redelijkerwijs niet meer aan
het besluit ten grondslag kunnen worden gelegd.
Artikel 7.37
1. In het besluit wordt in ieder
geval vermeld:
a. de wijze waarop rekening is
gehouden met de in het milieueffectrapport beschreven
mogelijke gevolgen voor het milieu van de activiteit waarop
het besluit betrekking heeft;
b. hetgeen is overwogen omtrent
de in het milieueffectrapport beschreven alternatieven;
c. hetgeen is overwogen omtrent
de overeenkomstig artikel 7.32 ter zake van het
milieueffectrapport naar voren gebrachte zienswijzen.
2. In het besluit wordt tevens
vermeld:
a. indien de commissie
overeenkomstig artikel 7.32, vijfde lid, in samenhang
metartikel 7.12, advies heeft uitgebracht, hetgeen is
overwogen omtrent dat advies;
b. indien van toepassing,
hetgeen in het milieueffectrapport omtrent mogelijke
belangrijke nadelige grensoverschrijdende milieugevolgen is
overwogen, en
c. indien van toepassing,
hetgeen is overwogen omtrent de uitkomsten van het overleg,
bedoeld in artikel 7.38a, vijfde lid.
3. Het bevoegd gezag bepaalt bij
het besluit de termijn of de termijnen waarop met het onderzoek,
bedoeld in artikel 7.39, wordt begonnen, alsmede de wijze waarop
het dat onderzoek zal verrichten.
4. Degene die de in dat besluit
voorgenomen activiteit onderneemt, verleent aan het bevoegd gezag
desgevraagd alle medewerking en verstrekt alle inlichtingen, die
het redelijkerwijs voor het verrichten van het onderzoek, bedoeld
in het derde lid, behoeft.
Artikel 7.38
Indien de procedure van
totstandkoming van een besluit niet voorziet in:
a. bekendmaking van een besluit,
wordt dat besluit bekend gemaakt op de wijze, voorzien in
afdeling 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht;
b. mededeling door toezending van
een exemplaar van een besluit aan degenen die bij de
voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht
en, voor zover van toepassing, aan de commissie, de adviseurs en
de bestuursorganen die bij de voorbereiding worden betrokken,
wordt mededeling gedaan zoals voorzien in artikel 3:44 van de
Algemene wet bestuursrecht.
§ 7.11. Activiteiten met mogelijke
grensoverschrijdende milieugevolgen
Artikel 7.38a
1. Nadat uit de in het kader van
dit hoofdstuk verzamelde informatie duidelijk is geworden dat er
sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het
milieu in een ander land als gevolg van een voorgenomen
activiteit, wordt de regering of een door die regering aan te
wijzen autoriteit van dat andere land zo spoedig mogelijk
geïnformeerd.
2. Indien een in een plan
voorgenomen activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het
milieu kan hebben in een ander land, wordt, onverminderd het
eerste lid, aan de regering van dat land of aan een door die
regering aan te wijzen autoriteit van dat land verstrekt:
a. het ontwerp van het plan,
en, indien het milieueffectrapport niet is opgenomen in dat
ontwerp, het milieueffectrapport, gelijktijdig met de
terinzagelegging daarvan in Nederland;
b. het vastgestelde plan, en,
indien het milieueffectrapport niet is opgenomen in dat plan,
het milieueffectrapport, gelijktijdig met de bekendmaking
daarvan in Nederland.
3. Indien een in een besluit
voorgenomen activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben
voor het milieu in een ander land, wordt, onverminderd het eerste
lid, aan de regering van dat land of een door die regering aan te
wijzen autoriteit van dat land verstrekt:
a. de aanvraag, bedoeld in
artikel 7.28, onderscheidenlijk het ontwerp van het besluit
alsmede de milieueffectrapportage en, indien van toepassing,
een advies als bedoeld in artikel 7.26onderscheidenlijk
artikel 7.27, gelijktijdig met de terinzagelegging daarvan in
Nederland;
b. het besluit en het
milieueffectrapport gelijktijdig met de bekendmaking daarvan
in Nederland.
4. Op de instanties die daartoe
door de bevoegde autoriteit van het andere land zijn aangewezen op
grond van hun specifieke verantwoordelijkheid op milieugebied zijn
de artikelen 3:16, eerste en tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht en de artikelen 7.9, tweede lid, onder c,artikel
7.25, onderscheidenlijk artikel 7.27, vierde lid, van
overeenkomstige toepassing. Tevens worden de in het tweede en
derde lid bedoelde bescheiden toegezonden aan deze instanties.
5. De ingevolge het tweede of derde
lid te verstrekken stukken dienen als grondslag voor het overleg
met bestuursorganen in het betrokken andere land over de
belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu in
dat andere land kan hebben, en de maatregelen die worden overwogen
om die gevolgen te voorkomen of te beperken.
6. Het bevoegd gezag is belast met
de taken die voortvloeien uit de toepassing van het eerste tot en
met vierde lid. Het bevoegd gezag geeft informatie en zendt de
ingevolge het tweede en derde lid verstrekte stukken tevens aan
Onze Minister, welke stukken eveneens dienen als grondslag voor
het door het bevoegd gezag te voeren overleg, bedoeld in het
vijfde lid.
7. Onze Minister is in algemene zin
belast met het onderhouden van contacten met de regering van het
andere land en is betrokken bij overleg op regeringsniveau indien
het overleg over een voorgenomen activiteit tussen het bevoegd
gezag en de bestuursorganen van dat land niet tot het gewenste
resultaat heeft geleid.
8. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het
bepaalde in het tweede tot en met vijfde lid.
Artikel 7.38b [Vervallen per
01-07-2010]
Artikel 7.38c [Vervallen per
01-07-2010]
Artikel 7.38d
Indien een ander land belangrijke
nadelige gevolgen voor het milieu meent te kunnen ondervinden van
een in een plan dan wel besluit voorgenomen activiteit in Nederland,
geven het bevoegd gezag, onderscheidenlijk Onze Minister op verzoek
van dat land toepassing aan artikel 7.38a, eerste tot en met vijfde
lid, met inachtneming van de taakverdeling tussen het bevoegd gezag
en Onze Minister, bedoeld in artikel 7.38a, zesde en zevende lid.
Artikel 7.38e
Indien een ander land belangrijke
nadelige gevolgen voor het milieu kan ondervinden van een in een
plan, dan wel besluit voorgenomen activiteit in Nederland kan Onze
Minister bepalen dat het bevoegd gezag dat plan dan wel besluit niet
vaststelt dan nadat Onze Minister gedurende dertien weken na het
einde van de termijn waarbinnen zienswijzen over het ontwerp van dat
plan dan wel over de aanvraag, of het ontwerp van dat besluit naar
voren kunnen worden gebracht, in de gelegenheid is gesteld de
uitkomsten van het overleg, bedoeld in artikel 7.38a, zevende lid,
aan het bevoegd gezag te doen toekomen.
Artikel 7.38f [Vervallen per
01-07-2010]
Artikel 7.38g
Indien een voorgenomen activiteit in
een ander land belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in
Nederland kan hebben, draagt Onze Minister zorg voor het onderhouden
van de contacten met dat land indien er geen contact over een
voorgenomen activiteit tot stand is gekomen tussen de direct
betrokken bestuursorganen in Nederland en de bestuursorganen van het
andere land dan wel indien het contact niet tot het gewenste
resultaat heeft geleid.
§ 7.12. Evaluatie
Artikel 7.39
1. Het bevoegd gezag dat een plan
heeft vastgesteld of een besluit heeft genomen, onderzoekt de
gevolgen die de uitvoering van dat plan, dan wel van dat besluit
heeft voor het milieu, wanneer de in het plan, dan wel in het
besluit voorgenomen activiteit wordt ondernomen of nadat zij is
ondernomen.
2. Indien een in een plan opgenomen
activiteit slechts kan worden ondernomen nadat daarvoor een
besluit is genomen, berust de verplichting, bedoeld in het eerste
lid, bij het gezag dat dat besluit heeft genomen.
Artikel 7.40 [Vervallen per
01-07-2010]
Artikel 7.41
1. Het bevoegd gezag stelt een
verslag op van het onderzoek.
2. Indien het milieueffectrapport
betrekking heeft op een plan zendt het bevoegd gezag het verslag
aan de adviseurs, de bestuursorganen, bedoeld inartikel 7.8, en
aan de commissie.
3. Indien het milieueffectrapport
betrekking heeft op een besluit zendt het bevoegd gezag het
verslag aan degene die de activiteit onderneemt, aan de
bestuursorganen en aan de adviseurs. Het maakt het verslag
gelijktijdig bekend met overeenkomstige toepassing van artikel
3:12, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4. Indien het milieueffectrapport
betrekking heeft op een besluit waarover de commissie
overeenkomstig artikel 7.32, vijfde lid, in samenhang metartikel
7.12, advies heeft uitgebracht, zendt het bevoegd gezag het
verslag tevens aan die commissie.
Artikel 7.42
1. Indien uit het in artikel 7.39
bedoelde onderzoek blijkt dat de activiteit in belangrijke mate
nadeliger gevolgen voor het milieu heeft dan die welke bij het
vaststellen van het plan, dan wel bij het nemen van het besluit
werden verwacht, neemt het bevoegd gezag, indien dat naar zijn
oordeel nodig is, de hem ter beschikking staande maatregelen ten
einde die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te
maken.
2. Indien het bevoegd gezag met
betrekking tot een besluit tot het oordeel komt dat het moet
worden gewijzigd of ingetrokken, zijn op die wijziging of
intrekking de artikelen 7.35 en 7.36 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 7.43 [Vervallen per
01-07-2010]
Hoofdstuk 8. Inrichtingen
Paragraaf 8.1
Artikel 8.1 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.2 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.2a [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.2b [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 8.3 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.4 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.5 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.6 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.7 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.8 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.9 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.10 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.11 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.12 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.12a [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.12b [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.13 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.13a [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.14 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.15 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.16 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.17 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.18 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.19 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.20 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.21 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.22 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.23 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.24 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.25 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.26 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.26a [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.27 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.28 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.29 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.30 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.31 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.31a [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.32 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.33 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.34 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.35 [Vervallen per
26-11-2008]
Artikel 8.36 [Vervallen per
26-11-2008]
Artikel 8.36a [Vervallen per
26-11-2008]
Artikel 8.36b [Vervallen per
26-11-2008]
Artikel 8.36c [Vervallen per
26-11-2008]
Artikel 8.36d [Vervallen per
26-11-2008]
Artikel 8.36e [Vervallen per
26-11-2008]
Artikel 8.37 [Vervallen per
26-11-2008]
Artikel 8.38 [Vervallen per
26-11-2008]
Artikel 8.39 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.39a [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.39b [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.39c [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.39d [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.39e [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.39f [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.40
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld, die nodig zijn ter
bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die
inrichtingen daarvoor kunnen veroorzaken. Daarbij kan worden
bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij
aangegeven categorieën van gevallen.
2. Bij de beslissing tot het
vaststellen van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
het eerste lid, worden in ieder geval betrokken:
a. de bestaande toestand van
het milieu, voor zover inrichtingen die tot de betrokken
categorieën behoren, daarvoor gevolgen kunnen veroorzaken;
b. de gevolgen voor het milieu,
die inrichtingen die tot de betrokken categorieën behoren,
kunnen veroorzaken, mede in hun onderlinge samenhang bezien;
c. de met betrekking tot
inrichtingen die tot de betrokken categorieën behoren, en de
omgeving waarin zodanige inrichtingen zijn of kunnen zijn
gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van
belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu;
d. de mogelijkheden tot
bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het
milieu, die inrichtingen die tot de betrokken categorieën
behoren, kunnen veroorzaken, te voorkomen, dan wel zoveel
mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden
voorkomen;
e. de voor onderdelen van het
milieu, waarvoor de betrokken categorieën van inrichtingen
gevolgen kunnen hebben, geldende milieukwaliteitseisen,
vastgesteld krachtens of overeenkomstig artikel 5.1 of bij
Bijlage 2;
f. de redelijkerwijs te
verwachten financiële en economische gevolgen van de
maatregel.
In een toelichting bij de maatregel
wordt aangegeven op welke wijze deze aspecten bij de voorbereiding
van de maatregel zijn betrokken.
3. Ten aanzien van bij de regels te
stellen voorschriften zijn de bij of krachtens artikel 2.22,
tweede en derde lid, gestelde regels over activiteiten met
betrekking tot inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
alsmede de artikelen 2.23, 2.30, eerste lid, 2.31, eerste lid,
onder b, 2.33, eerste lid, onder b, en 4.1 van die wet van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het stellen van
financiële zekerheid slechts kan worden voorgeschreven in de vorm
van het sluiten van een verzekering tegen aansprakelijkheid voor
schade, voortvloeiend uit de nadelige gevolgen voor het milieu,
die de inrichting veroorzaakt.
4. Deze paragraaf en de daarop
berustende bepalingen zijn mede van toepassing op inrichtingen die
gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken binnen de exclusieve
economische zone, voor zover dat bij een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in het eerste lid, is bepaald.
Artikel 8.40a
1. Indien bij of krachtens een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 een
verplichting is opgenomen voor degene die de inrichting drijft, om
daarbij aangegeven maatregelen te treffen, kan daarbij worden
bepaald dat diegene in plaats daarvan andere maatregelen kan
treffen, wanneer met die andere maatregelen ten minste een
gelijkwaardig niveau van bescherming van het milieu wordt bereikt.
2. Degene die de inrichting drijft
dient een aanvraag in tot het kunnen treffen van andere
maatregelen bij het bestuursorgaan, aangegeven bij de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, welke aanvraag
gegevens bevat waaruit blijkt dat met die andere maatregelen ten
minste een gelijkwaardig niveau van bescherming van het milieu
wordt bereikt.
3. Het bestuursorgaan, bedoeld in
het tweede lid, beslist binnen acht weken over de
gelijkwaardigheid van de andere maatregelen. Het bestuursorgaan
kan deze termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen.
4. Indien de maatregelen waarop de
aanvraag betrekking heeft, direct verband houden met activiteiten
waarvoor een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend of
die zijn toegestaan krachtens een omgevingsvergunning, wordt de
beslissing op de aanvraag afgestemd op de betrokken aanvraag om
een omgevingsvergunning, onderscheidenlijk de betrokken
omgevingsvergunning.
Artikel 8.41
1. Bij een algemene maatregel van
bestuur krachtens artikel 8.40 kan met betrekking tot daarbij
aangewezen categorieën van inrichtingen de verplichting worden
opgelegd tot het melden van het oprichten of het veranderen van
een inrichting waarop de maatregel betrekking heeft, dan wel van
het veranderen van de werking daarvan.
2. Bij de maatregel wordt
aangegeven:
a. het bestuursorgaan waaraan
de melding wordt gericht;
b. het tijdstip, voorafgaand
aan het oprichten of veranderen, waarop de melding uiterlijk
moet zijn gedaan;
c. de gegevens die bij de
melding moeten worden verstrekt;
d. in welke gevallen de melding
geheel of gedeeltelijk elektronisch wordt verricht of in welke
gevallen het bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk elektronisch
gedane meldingen in ontvangst neemt.
3. Onze Minister kan nadere regels
stellen met betrekking tot de in het tweede lid, onder c, bedoelde
gegevens en de wijze waarop zij moeten worden verstrekt.
4. Van de melding wordt openbaar
kennisgegeven in één of meer dag-, nieuws- of
huis-aan-huisbladen. Indien op grond van een algemene maatregel
van bestuur krachtens artikel 8.40 ook anderszins gegevens moeten
worden verstrekt, kunnen bij de maatregel regels over de openbare
kennisgeving daarvan worden gesteld. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen bestuursorganen worden aangewezen, waaraan een
exemplaar van de melding of de anderszins verstrekte gegevens moet
worden toegezonden.
Artikel 8.41a
1. Indien activiteiten ten aanzien
waarvan ingevolge het bepaalde krachtensartikel 8.41 een melding
moet worden gedaan, tevens zijn aan te merken als activiteiten die
behoren tot een categorie waarvoor ingevolge artikel 2.1 of 2.2,
eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een
omgevingsvergunning is vereist, wordt, indien de melding nog niet
gedaan is of de bij de melding te verstrekken gegevens niet
volledig zijn, tegelijkertijd met de indiening van de aanvraag om
een omgevingsvergunning een melding van die activiteiten
overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 8.41 gedaan.
2. Indien niet is voldaan aan het
bepaalde in het eerste lid besluit het bevoegd gezag de aanvraag
niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad
binnen de door dat bestuursorgaan gestelde termijn alsnog te
melden dan wel de ontbrekende gegevens te verstrekken.
3. Een besluit om de aanvraag niet
te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt nadat de
krachtens het tweede lid gestelde termijn ongebruikt is verstreken
of binnen die termijn de gegevens, bedoeld in het tweede lid, niet
of niet volledig zijn verstrekt.
4. In gevallen als bedoeld in het
eerste lid wordt de melding gedaan bij het bestuursorgaan waarbij
de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend.
5. Indien het bestuursorgaan
waaraan de melding is gedaan, niet het bestuursorgaan is waaraan
ingevolge het bepaalde krachtens artikel 8.41, tweede lid, onder
a, de melding moet worden gericht, zendt het eerstbedoelde
bestuursorgaan onverwijld de bij die melding verstrekte gegevens
door naar het bestuursorgaan, bedoeld in dat onderdeel, onder
gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.
Artikel 8.42
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 kan met
betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen de verplichting
worden opgelegd te voldoen aan voorschriften die nodig zijn ter
bescherming van het milieu, gesteld door een bij die maatregel
aangegeven bestuursorgaan.
2. Op het stellen van voorschriften
als bedoeld in het eerste lid, is artikel 8.40, tweede en derde
lid, van overeenkomstige toepassing.
3. Het bestuursorgaan, bedoeld in
het eerste lid, kan voorschriften stellen die afwijken van de
regels, gesteld bij of krachtens de maatregel, bedoeld in dat lid,
indien dat bij of krachtens die maatregel is bepaald. Bij of
krachtens de maatregel kan worden bepaald in welke mate de
voorschriften kunnen afwijken en kan worden bepaald dat slechts
kan worden afgeweken in daarbij aangegeven categorieën van
gevallen.
4. Het bestuursorgaan kan de
voorschriften aanvullen, wijzigen of intrekken indien dat nodig is
ter bescherming van het milieu.
5. Bij of krachtens de maatregel
worden categorieën van gevallen aangegeven, waarin van de
beschikking waarbij het voorschrift wordt gesteld, mededeling
wordt gedaan door kennisgeving in één of meer dag-, nieuws- of
huis-aan-huisbladen.
6. Voorschriften als bedoeld in het
eerste lid die betrekking hebben op activiteiten die direct
verband houden met activiteiten waarvoor een aanvraag om een
omgevingsvergunning is ingediend of die zijn toegestaan krachtens
een omgevingsvergunning, worden afgestemd op de betrokken aanvraag
om een omgevingsvergunning, onderscheidenlijk de betrokken
omgevingsvergunning.
7. Op de voorbereiding van een
beschikking op de aanvraag tot het stellen van voorschriften zijn
de artikelen 3.8 en 3.9, eerste en tweede lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht van overeenkomstige toepassing, tenzij
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht daarop van
toepassing is.
Artikel 8.42a
Het bevoegd gezag kan voorschriften
aan een omgevingsvergunning voor een inrichting verbinden die
afwijken van de regels, gesteld bij of krachtens een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40, indien dat bij of
krachtens die maatregel is bepaald. Bij of krachtens de maatregel
kan worden bepaald in welke mate de voorschriften kunnen afwijken en
kan worden bepaald dat slechts kan worden afgeweken in daarbij
aangegeven categorieën van gevallen.
Artikel 8.42b
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 kan met
betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen worden bepaald dat
bij provinciale of gemeentelijke verordening gestelde regels
omtrent die onderwerpen van de bij of krachtens de maatregel
gestelde regels kunnen afwijken, in welke mate kan worden
afgeweken en kan worden bepaald dat slechts kan worden afgeweken
in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
2. Op het stellen van provinciale
of gemeentelijke regels als bedoeld in het eerste lid, isartikel
8.40, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.43
1. Inrichtingen waarin van anderen
afkomstige afvalstoffen worden gestort, brengen bij het in
ontvangst nemen van afvalstoffen een bedrag in rekening waarbij in
ieder geval rekening wordt gehouden:
a. met de kosten van het
totstandbrengen, instandhouden en in werking hebben van de
inrichting,
b. met de kosten van de
voorzieningen die bewerkstelligen dat de inrichting, nadat zij
buiten gebruik is gesteld, geen nadelige gevolgen voor het
milieu veroorzaakt, daaronder mede begrepen de kosten van de
krachtens artikel 15.44, eerste lid, verschuldigde heffing, en
c. met de kosten van
financiële zekerheid in categorieën van gevallen waarvoor
het stellen van financiële zekerheid krachtens artikel 4.1
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is
voorgeschreven.
2. Onze Minister kan nadere regels
stellen met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 8.44 [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 8.45 [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 8.46
[Door vernummering vervallen.]
Paragraaf 8.2
Artikel 8.47
1. In deze paragraaf en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. stortplaats: inrichting waar
afvalstoffen worden gestort, dan wel het gedeelte van een
inrichting, waar afvalstoffen worden gestort, indien in de
inrichting niet uitsluitend afvalstoffen worden gestort, met
uitzondering van afvalvoorzieningen;
b. gesloten stortplaats:
stortplaats ten aanzien waarvan de in het derde lid bedoelde
verklaring is afgegeven;
c. bedrijfsgebonden
stortplaats: stortplaats waar uitsluitend afvalstoffen worden
gestort, die afkomstig zijn van binnen de inrichting waartoe
de stortplaats behoort.
2. Onder stortplaats wordt mede
verstaan een gesloten stortplaats. Tot de stortplaats wordt mede
gerekend het gedeelte van de stortplaats waar het storten van
afvalstoffen is beëindigd.
3. Het bevoegd gezag verklaart een
stortplaats voor gesloten, indien:
a. het storten van afvalstoffen
is beëindigd,
b. voor zover een daartoe
strekkend voorschrift voor de inrichting geldt, een
bovenafdichting is aangebracht, en
c. een eindinspectie door het
bevoegd gezag is uitgevoerd waaruit is gebleken dat aan alle
voorschriften, verbonden aan de omgevingsvergunning voor de
inrichting, is voldaan en dat ook geen andere maatregelen
ingevolge de Wet bodembescherming getroffen dienen te worden
door degene die de stortplaats drijft, in geval van
verontreiniging of aantasting van de bodem onder de
stortplaats.
Artikel 8.47a
Het bevoegd gezag stelt Onze Minister
zo spoedig mogelijk op de hoogte van een verklaring als bedoeld in
artikel 8.47, derde lid.
Artikel 8.48
1. Deze paragraaf is van toepassing
op stortplaatsen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, waar
op of na 1 september 1996 afvalstoffen worden gestort, en
a. waarvoor een algemene
maatregel van bestuur geldt als bedoeld in artikel 2.22, derde
lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of
b. uitsluitend baggerspecie
wordt gestort.
2. Deze paragraaf is, met
uitzondering van het eerste lid van dit artikel, van
overeenkomstige toepassing op afvalvoorzieningen.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
categorieën van naar haar aard tijdelijke afvalvoorzieningen.
Artikel 8.49
1. Met betrekking tot een gesloten
stortplaats worden zodanige maatregelen getroffen dat wordt
gewaarborgd dat die stortplaats geen nadelige gevolgen voor het
milieu veroorzaakt, dan wel, voor zover dat redelijkerwijs niet
kan worden gevergd, de grootst mogelijke bescherming wordt geboden
tegen die nadelige gevolgen.
2. Tot de maatregelen, bedoeld in
het eerste lid, worden in ieder geval gerekend:
a. maatregelen strekkende tot
het in stand houden en onderhouden, alsmede het herstellen,
verbeteren of vervangen van voorzieningen ter bescherming van
de bodem;
b. het regelmatig inspecteren
van voorzieningen ter bescherming van de bodem, en
c. het regelmatig onderzoeken
van de bodem onder de stortplaats.
3. Degene die een stortplaats
drijft, stelt een nazorgplan op ter uitvoering van de maatregelen,
bedoeld in het eerste en tweede lid. Het nazorgplan behoeft de
instemming van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag beslist
hierover binnen dertien weken na de indiening van het nazorgplan.
Indien het bevoegd gezag niet binnen de gestelde termijn heeft
beslist, is de instemming van rechtswege gegeven. Het bevoegd
gezag maakt de instemming van rechtswege onverwijld nadat de
beslistermijn is verstreken, bekend.
4. Het bevoegd gezag kan degene die
een stortplaats drijft, bevelen het nazorgplan waarmee het heeft
ingestemd, aan te passen gezien de ontwikkelingen op het gebied
van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en
de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu,
dan wel in verband met een verandering van de stortplaats sedert
de datum van instemming met het nazorgplan.
5. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen met betrekking tot de in het eerste en tweede lid
bedoelde maatregelen alsmede met betrekking tot het in het derde
lid bedoelde nazorgplan nadere regels worden gesteld.
Artikel 8.50
1. Het bevoegd gezag is belast met
de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49.
2. Het bevoegd gezag kan de zorg
voor de uitvoering van de werkzaamheden die verband houden met de
in artikel 8.49 bedoelde maatregelen, opdragen aan een daartoe
door hem aangewezen rechtspersoon of instantie.
3. In afwijking van het eerste lid
berust de zorg voor de uitvoering van de werkzaamheden die verband
houden met de in artikel 8.49 bedoelde maatregelen met betrekking
tot:
a. gesloten stortplaatsen waar
baggerspecie is gestort en die worden gedreven of mede worden
gedreven door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, bij die
minister;
b. gesloten afvalvoorzieningen
waarin zich een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 1, onder
n, van de Mijnbouwwet bevindt, bij degene die de
afvalvoorziening het laatst heeft gedreven.
4. Op verzoek van degene die een
bedrijfsgebonden stortplaats het laatst heeft gedreven, wordt bij
het al dan niet toepassen van het tweede lid rekening gehouden met
de mogelijkheid die zorg aan die persoon op te dragen.
Artikel 8.51
De rechthebbende ten aanzien van de
plaats waar de in artikel 8.49 bedoelde zorg met betrekking tot een
gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, is verplicht te gedogen dat
werkzaamheden worden verricht ten behoeve van die zorg, onverminderd
zijn recht op schadevergoeding.
Paragraaf 8.3
Artikel 8.52
Naar aanleiding van de door de
provincie uitgevoerde inventarisatie van plaatsen waar afvalstoffen
zijn gestort en waar dat storten voor 1 september 1996 is
beëindigd, delen gedeputeerde staten van de provincie waar de
desbetreffende stortplaatsen liggen, Onze Minister zo spoedig
mogelijk mede welke stortplaatsen dit betreft.
Artikel 8.53
1. Onze Minister houdt een lijst
bij van gesloten stortplaatsen als bedoeld inartikel 8.47, en van
de stortplaatsen, bedoeld in artikel 8.52.
2. Hij draagt zorgt voor
bekendmaking van deze lijst en doet een afschrift van de lijst
alsmede de aanvullingen erop toekomen aan de ter zake van de
afvalstoffenbelasting bevoegde inspecteur van de Belastingdienst.
Hoofdstuk 9. Stoffen en produkten
Titel 9.1. Algemeen
Artikel 9.1.1
Dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen zijn mede van toepassing op handelingen verricht binnen
de exclusieve economische zone, voor zover dat bij algemene
maatregel van bestuur is bepaald.
Titel 9.2. Stoffen, preparaten en
genetisch gemodificeerde organismen
§ 9.2.1. Algemeen
Artikel 9.2.1.1
Deze titel en de daarop berustende
bepalingen zijn, met uitzondering van de regels die uitsluitend
strekken ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of
een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke
organisatie, niet van toepassing op voedingsmiddelen, genotmiddelen
en diervoeders.
Artikel 9.2.1.2
Een ieder die beroepshalve een stof,
preparaat of genetisch gemodificeerd organisme vervaardigt, in
Nederland invoert, toepast, bewerkt, verwerkt of aan een ander ter
beschikking stelt, en die weet of redelijkerwijs had kunnen
vermoeden dat door zijn handelingen met die stof of dat preparaat of
organisme gevaren kunnen optreden voor de gezondheid van de mens of
voor het milieu, is verplicht alle maatregelen te nemen die
redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevaren
zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 9.2.1.3
1. Een ieder die beroepshalve een
stof, preparaat of genetisch gemodificeerd organisme vervaardigt,
in Nederland invoert, toepast, bewerkt, verwerkt of aan een ander
ter beschikking stelt, verstrekt desgevraagd aan Onze Minister
gegevens over die stof of dat preparaat of organisme waarover hij
beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
in het eerste lid bedoelde gegevens.
Artikel 9.2.1.4
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat degene die beroepshalve stoffen,
preparaten of genetisch gemodificeerde organismen vervaardigt, in
Nederland invoert, toepast, bewerkt of verwerkt, in daarbij
aangegeven categorieën van gevallen een administratie bijhoudt
van de hoeveelheden die hij daarvan heeft vervaardigd, in
Nederland heeft ingevoerd, heeft toegepast, bewerkt of verwerkt of
aan een ander ter beschikking heeft gesteld.
2. Bij of krachtens de maatregel
worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de
administratie wordt bijgehouden en kunnen andere gegevens worden
aangewezen die in de administratie dienen te worden opgenomen.
Artikel 9.2.1.5
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kan in het belang van de landsverdediging vrijstelling
worden verleend van de inartikel 9.2.3.1, 9.2.3.3 , 9.3.3 of9.3a.3
gestelde verplichtingen.
2. Bij koninklijk besluit kan in
het belang van de landsverdediging ontheffing worden verleend van
de bij of krachtens artikel 9.2.1.4, 9.2.2.1, 9.2.2.2, 9.2.2.6,
9.2.3.1, 9.2.3.2, 9.2.3.3, 9.2.3.5, tweede lid, 9.3.3
of9.3a.3gestelde verboden en verplichtingen.
3. Aan een vrijstelling of
ontheffing worden de voorschriften verbonden die nodig zijn in het
belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het
milieu.
4. De voordracht voor een besluit
krachtens het eerste of tweede lid wordt Ons niet gedaan dan op
verzoek van Onze Minister van Defensie.
§ 9.2.2. Maatregelen
Artikel 9.2.2.1
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen, indien een redelijk vermoeden is gerezen dat door
handelingen met stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde
organismen ongewenste effecten voor de gezondheid van de mens of
voor het milieu zullen ontstaan, regels worden gesteld met
betrekking tot het vervaardigen, in Nederland invoeren, toepassen,
bewerken, verwerken, voorhanden hebben, aan een ander ter
beschikking stellen, vervoeren, uitvoeren en zich ontdoen van deze
stoffen, preparaten of organismen.
2. Hiertoe kunnen behoren regels,
inhoudende:
a. een verbod een of meer van
de in het eerste lid genoemde handelingen te verrichten met
betrekking tot bij de maatregel aangewezen stoffen, preparaten
of genetisch gemodificeerde organismen;
b. een verbod een zodanige
handeling te verrichten op een bij de maatregel aangegeven
wijze, voor daarbij aangegeven doeleinden, op daarbij
aangegeven plaatsen of onder daarbij aangegeven
omstandigheden;
c. een verbod een handeling als
onder a of b bedoeld te verrichten zonder daartoe verleende
vergunning;
d. een verbod een zodanige
handeling te verrichten indien met betrekking tot de stoffen,
preparaten of genetisch gemodificeerde organismen niet aan bij
de maatregel gestelde eisen wordt voldaan;
e. een verbod een zodanige
handeling te verrichten indien bij degene die die handeling
verricht, niet de bij de maatregel aangegeven deskundigheid
aanwezig is;
f. een verbod een zodanige
handeling te verrichten met betrekking tot producten, indien
deze daarbij aangewezen stoffen, preparaten of genetisch
gemodificeerde organismen bevatten, of indien deze zodanige
stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde organismen
bevatten in grotere dan daarbij aangegeven hoeveelheden;
g. een verbod bij de maatregel
aangewezen stoffen of preparaten toe te passen in producten
die niet behoren tot een type dat bij een keuring, verricht
aan de hand van de bij de maatregel daartoe vastgestelde
regels, is goedgekeurd;
h. een verbod bij de maatregel
aangewezen stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde
organismen ter beschikking te stellen aan een daarbij
aangewezen categorie van personen;
i. een verplichting een of meer
van de in het eerste lid genoemde handelingen met betrekking
tot bij de maatregel aangewezen stoffen, preparaten of
genetisch gemodificeerde organismen of daarbij aangewezen
categorieën van producten waarin die stoffen, preparaten of
organismen voorkomen, of een voornemen tot het verrichten van
die handelingen, te melden op een daarbij aangegeven wijze aan
een daarbij aangewezen bestuursorgaan onder overlegging van
daarbij aangegeven gegevens;
j. een verplichting met
betrekking tot zodanige handelingen volgens bij de maatregel
gestelde regels controleonderzoeken te verrichten en de
resultaten van die onderzoeken op de bij de maatregel
aangegeven wijze aan Onze Minister over te leggen;
k. een verplichting bij de
maatregel aangewezen stoffen, preparaten of daarbij aangewezen
categorieën van producten waarin die stoffen of preparaten
voorkomen, na toepassing terug te zenden aan degene die de
stoffen, preparaten of producten ter beschikking heeft
gesteld;
l. een verplichting bij de
maatregel aangewezen stoffen, preparaten of genetisch
gemodificeerde organismen of daarbij aangewezen categorieën
van producten waarin die stoffen, preparaten of organismen
voorkomen, af te geven aan daarbij aangewezen personen of
instellingen;
m. een verplichting voor
degenen die bij de maatregel aangewezen stoffen, preparaten of
genetisch gemodificeerde organismen of daarbij aangewezen
categorieën van producten waarin die stoffen, preparaten of
organismen voorkomen, vervaardigen, in Nederland invoeren of
aan een ander ter beschikking stellen, voor daarbij aangewezen
personen of instellingen die krachtens hoofdstuk 10 bevoegd
zijn tot of vergunning hebben voor het nuttig toepassen of
verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen, dan wel voor bij de
maatregel aangewezen bestuursorganen, om die stoffen,
preparaten, organismen of producten in te zamelen.
3. Onze Minister kan omtrent in een
maatregel krachtens het eerste lid geregelde onderwerpen nadere
regels stellen.
Artikel 9.2.2.2
Een algemene maatregel van bestuur
waarbij toepassing is gegeven aanartikel 9.2.2.1, tweede lid, onder
b, d, g, i, j, k, l of m, kan tevens de verplichting inhouden te
voldoen aan door bestuursorganen die bij de maatregel zijn
aangewezen, omtrent onderwerpen die in de maatregel zijn geregeld,
gestelde nadere eisen. Bij het stellen van een zodanige eis wordt
tevens het tijdstip bepaald waarop ten aanzien van die eis de
verplichting ingaat.
Artikel 9.2.2.3
1. Indien toepassing wordt gegeven
aan artikel 9.2.2.1, tweede lid, onder c, worden tevens bij
algemene maatregel van bestuur regels gesteld betreffende het ter
zake bevoegde gezag, de wijze waarop de aanvraag om een vergunning
geschiedt, en de gegevens die van de aanvrager kunnen worden
verlangd.
2. De vergunning kan slechts worden
geweigerd in het belang van de bescherming van de gezondheid van
de mens en van het milieu, alsmede indien de uitvoering van een
voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend
besluit van een volkenrechtelijke organisatie daartoe noopt.
3. Op de voorbereiding van de
beschikking op de aanvraag om een vergunning zijn afdeling 3.4 van
de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van toepassing. Bij
een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid
kunnen categorieën van gevallen worden aangewezen, waarin
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2
geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven.
4. Een vergunning kan in het belang
van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu
onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen in
het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van
het milieu voorschriften worden verbonden. Deze kunnen, voorzover
bij de maatregel niet anders is bepaald, de verplichting inhouden
te voldoen aan door bestuursorganen die bij het voorschrift zijn
aangewezen, in het belang van de bescherming van de gezondheid van
de mens en van het milieu gestelde nadere eisen. Bij het stellen
van een zodanige eis wordt tevens het tijdstip bepaald, waarop ten
aanzien van die eis de verplichting ingaat.
5. Onverminderd artikel 5.19,
eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan een
vergunning worden ingetrokken indien de handeling aanmerkelijk
gevaar oplevert voor de gezondheid van de mens of voor het milieu
en wijziging of aanvulling van de aan de vergunning verbonden
voorschriften redelijkerwijs geen oplossing kan bieden, alsmede
indien de uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of
een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke
organisatie daartoe noopt.
6. Voor zover bij algemene
maatregel van bestuur is bepaald, kan de vergunning in het belang
van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu
worden gewijzigd.
7. Op de voorbereiding van een
intrekking of wijziging als bedoeld in het vijfde lid,
respectievelijk het zesde lid, zijn afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht en afdeling 13.2 niet van toepassing, tenzij
uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor
Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie
daartoe noopt.
Artikel 9.2.2.4
Indien toepassing wordt gegeven aan
artikel 9.2.2.1, tweede lid, onder g, wijst Onze Minister de
instantie aan, die de in die bepaling bedoelde keuring verricht. Bij
de maatregel worden regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop
een zodanige keuring plaatsheeft.
Artikel 9.2.2.5
Indien toepassing wordt gegeven aan
artikel 9.2.2.1, tweede lid, onder k, l of m, kan tevens worden
bepaald dat de schade, geleden door degene die de stoffen,
preparaten, genetisch gemodificeerde organismen of producten moet
terugzenden of afgeven, of de kosten, gemaakt door degene die is
aangewezen om die stoffen, preparaten, organismen of producten in te
zamelen, ten laste kunnen worden gebracht van degenen die deze
stoffen, preparaten, organismen of producten hebben vervaardigd of
in Nederland ingevoerd. Daarbij kunnen tevens regels worden gesteld
inzake de berekening van die schade of kosten en de bepaling van
degenen ten laste van wie die schade of kosten worden gebracht.
Artikel 9.2.2.6
1. Indien de verwachte of gebleken
effecten van stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde
organismen op de gezondheid van de mens of op het milieu het
stellen van regels als bedoeld in artikel 9.2.2.1, eerste lid,
naar het oordeel van Onze Minister dringend noodzakelijk maken en
naar zijn oordeel de totstandkoming van een algemene maatregel van
bestuur krachtens dat artikel niet kan worden afgewacht, kan hij
een besluit nemen van de in dat lid bedoelde strekking. Onze
Minister neemt een zodanig besluit in overeenstemming met Onze
Ministers wie het mede aangaat, tenzij de vereiste spoed zich
daartegen naar zijn oordeel verzet. De artikelen 9.2.2.2 tot en
met 9.2.2.5 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Een ministeriële regeling als
bedoeld in het eerste lid vervalt een jaar nadat zij in werking is
getreden of indien binnen die termijn een algemene maatregel van
bestuur ter vervanging van die regeling in werking is getreden, op
het tijdstip waarop die maatregel in werking treedt. De termijn
kan bij ministeriële regeling eenmaal met ten hoogste een jaar
worden verlengd.
Artikel 9.2.2.6a
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat bij het op de markt brengen van
brandstoffen ten behoeve van vervoer in bij de maatregel
aangewezen gevallen wordt voldaan aan bij of krachtens de
maatregel gestelde eisen van duurzaamheid, waaronder begrepen de
uitstoot van broeikasgassen.
2. De eisen, bedoeld in het eerste
lid, kunnen in elk geval betrekking hebben op de voor brandstoffen
gebruikte grondstoffen en de omstandigheden waaronder die
grondstoffen worden vervaardigd, omgezet en, al dan niet omgezet,
worden overgebracht voor eindgebruik in Nederland.
3. Bij of krachtens de maatregel
kunnen tevens regels worden gesteld omtrent de overlegging van
gegevens waaruit blijkt dat de brandstoffen voldoen aan de
krachtens het eerste lid gestelde eisen van duurzaamheid, alsmede
van gegevens, waaruit blijkt in hoeverre de brandstoffen aan
andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen duurzaamheidscriteria voldoen.
4. Artikel 9.2.2.6 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 9.2.2.7
1. Onze Minister kan in bijzondere
gevallen van het krachtens artikel 9.2.1.4, 9.2.2.1, 9.2.2.6
of9.2.2.6a bepaalde op een daartoe strekkende aanvraag ontheffing
verlenen, indien het belang van de bescherming van de gezondheid
van de mens en van het milieu zich daartegen niet verzet.
2. Een ontheffing kan onder
beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen de
voorschriften worden verbonden, die naar het oordeel van Onze
Minister in het belang van de bescherming van de gezondheid van de
mens en van het milieu noodzakelijk zijn.
3. Op de voorbereiding van een
beschikking op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld eerste
lid, zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en
afdeling 13.2 van toepassing.
4. Een ontheffing kan door Onze
Minister worden gewijzigd of ingetrokken, indien dat in het belang
van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu
noodzakelijk is.
§ 9.2.3. Verpakking, aanduiding en
aanbeveling
Artikel 9.2.3.1
1. Degene die een preparaat aan een
ander ter beschikking stelt of in Nederland invoert, behorende tot
een of meer van de in het tweede lid aangewezen categorieën,
draagt er zorg voor dat dat preparaat bij de aflevering en bij het
ter aflevering voorhanden hebben is verpakt en op de verpakking is
aangeduid overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de
artikelen van deze paragraaf.
2. De in het eerste lid bedoelde
categorieën zijn:
a. de categorie ontplofbaar;
b. de categorie oxiderend;
c. de categorie zeer licht
ontvlambaar;
d. de categorie licht
ontvlambaar;
e. de categorie ontvlambaar;
f. de categorie zeer vergiftig;
g. de categorie vergiftig;
h. de categorie schadelijk;
i. de categorie bijtend;
j. de categorie irriterend;
k. de categorie
sensibiliserend;
l. de categorie
kankerverwekkend;
m. de categorie mutageen;
n. de categorie voor de
voortplanting vergiftig;
o. de categorie
milieugevaarlijk.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden de criteria en methoden aangewezen
volgens welke wordt bepaald of een stof of preparaat behoort tot
een categorie als bedoeld in het tweede lid.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de aanduiding van preparaten waarvan nog niet is bepaald in
hoeverre zij behoren tot een of meer van de in het tweede lid
bedoelde categorieën.
Artikel 9.2.3.2
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
aanduiding van preparaten waarin daarbij aangewezen stoffen
voorkomen, alsmede met betrekking tot de aanduiding van producten
waarin daarbij aangewezen stoffen of preparaten voorkomen. Daarbij
kan worden bepaald dat die regels slechts gelden in daarbij
aangewezen gevallen.
Artikel 9.2.3.3
1. De verpakking en sluiting die
een preparaat als bedoeld in artikel 9.2.3.1, eerste lid, of een
genetisch gemodificeerd organisme rechtstreeks omsluiten, zijn:
a. zodanig dat ongewild verlies
van de inhoud niet kan plaatsvinden,
b. vervaardigd van materiaal
dat niet door het preparaat of het organisme kan worden
aangetast, noch hiermee een gevaarlijke reactie kan aangaan of
een gevaarlijke verbinding kan vormen, en
c. zodanig dat zij niet kunnen
losraken en tegen normale behandeling bestand zijn.
2. Indien de verpakking is voorzien
van een sluiting die meermalen kan worden gebruikt, zijn de
verpakking en sluiting zodanig dat de verpakking meermalen opnieuw
kan worden afgesloten zonder dat ongewild verlies van de inhoud
plaatsvindt.
3. In afwijking van het eerste lid,
onder a, mogen aan de verpakking, indien nodig, een of meer
ontluchtingsventielen of andersoortige veiligheidsvoorzieningen
aangebracht zijn.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot de verpakking en
sluiting regels worden gesteld. Daarbij kan worden bepaald dat die
regels slechts gelden voor daarbij aangewezen preparaten of
genetisch gemodificeerde organismen of categorieën daarvan of in
daarbij aangewezen gevallen.
Artikel 9.2.3.4
1. Het aanbevelen of aanprijzen van
een stof of preparaat, behorende tot een of meer van de in artikel
9.2.3.1, tweede lid, bedoelde categorieën, zonder vermelding van
de categorie of categorieën waartoe die stof of dat preparaat
behoort, is verboden.
2. Het aanduiden van een stof,
preparaat of genetisch gemodificeerd organisme op een wijze die
misleidend is ten aanzien van de effecten daarvan op de gezondheid
van de mens of op het milieu of ten aanzien van het krachtens
artikel 9.2.2.1 of 9.2.2.6 bepaalde, is verboden.
3. Het aanbevelen of aanprijzen van
een stof, preparaat of product op een wijze die misleidend is ten
aanzien van de duurzaamheidsaspecten daarvan of ten aanzien van
het overige krachtens artikel 9.2.2.6a bepaalde, is verboden.
Artikel 9.2.3.5
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in daarbij aangewezen
gevallen deartikelen 9.2.3.1, 9.2.3.3 en 9.2.3.4 geheel of voor
een daarbij te bepalen gedeelte niet van toepassing zijn:
a. ter uitvoering van een
krachtens het Verdrag betreffende de oprichting van de
Europese Unie tot stand gekomen bindende regeling of
b. indien het belang van de
bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu
zich daartegen niet verzet.
2. Bij of krachtens een maatregel
als bedoeld in het eerste lid kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de in deartikelen 9.2.3.1, 9.2.3.3 en 9.2.3.4
geregelde onderwerpen.
Titel 9.3. De EG-verordening
registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen
Artikel 9.3.1
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van de
EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische
stoffen.
Artikel 9.3.2
1. Onze Minister is de bevoegde
instantie, bedoeld in de EG-verordening registratie, evaluatie en
autorisatie van chemische stoffen.
2. Voor onderdelen van de
verordening die betrekking hebben op beleid dat behoort tot de
verantwoordelijkheid van een Onzer andere Ministers, wordt voor
die onderdelen die minister als bevoegde instantie aangewezen. De
aanwijzing geschiedt bij regeling van Onze Minister in
overeenstemming met die minister.
Artikel 9.3.3
1. Het is verboden te handelen in
strijd met de volgende bepalingen van de EG-verordening
registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen: de
artikelen 5, 7, derde lid, 8, tweede lid, 9, vierde en zesde lid,
14, eerste, zesde en zevende lid, 31, eerste, tweede, derde,
zevende en negende lid, 32, eerste en derde lid, 33, 34, 35, 37,
vierde tot en met zevende lid, 38, eerste, derde en vierde lid,
39, eerste en tweede lid, 40, derde en vierde lid, 50, vierde lid,
55, 56, eerste en tweede lid, 60, tiende lid, 65 en 67, eerste
lid.
2. Het is eveneens verboden te
handelen in strijd met de volgende bepalingen van de
EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische
stoffen: de artikelen 6, eerste en derde lid, 7, eerste, tweede en
vijfde lid, 9, tweede lid, 11, eerste lid, 13, eerste, derde en
vierde lid, 17, eerste lid, 18, eerste lid, 19, eerste lid, 22,
eerste, tweede en vierde lid, 24, tweede lid, 25, eerste en tweede
lid, 26, eerste en derde lid, 30, eerste, tweede, derde en vierde
lid, 31, vijfde en achtste lid, 32, tweede lid, 36, 37, tweede en
derde lid, 41, vierde lid, 46, tweede lid, 49, 50, tweede en derde
lid, 61, eerste en derde lid, 63, derde lid, 66, eerste lid en
105.
3. Het is verboden handelingen te
verrichten of na te laten in strijd met andere bepalingen van de
EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische
stoffen dan genoemd in het eerste of tweede lid, voor zover die
bepalingen ter uitvoering van artikel 126 van die verordening bij
algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen.
4. Een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in het derde lid vervalt een jaar nadat hij in
werking is getreden, dan wel, indien binnen die termijn een
voorstel van wet tot wijziging van het eerste of tweede lid bij de
Staten-Generaal is ingediend, op het tijdstip waarop dat voorstel
is verworpen of, na tot wet te zijn verheven, in werking is
getreden.
5. Het eerste tot en met vierde lid
zijn niet van toepassing op gedragingen, voorzover daaromtrent
regels zijn gesteld bij of krachtens de Warenwet.
Titel 9.3a. De EG-verordening
indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels
Artikel 9.3a.1
De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport wijst bij ministeriële regeling het orgaan aan dat
belast is met de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 45,
eerste lid, van de EG-verordening indeling, etikettering en
verpakking van stoffen en mengsels. In de ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van
uitvoeren van die taak.
Artikel 9.3a.2
Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport is de bevoegde instantie, bedoeld in artikel 43 van
de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen
en mengsels, voor zover het betreft het doen van voorstellen voor
een geharmoniseerde indeling en etikettering van stoffen en
mengsels.
Artikel 9.3a.3
1. Het is verboden te handelen in
strijd met de volgende bepalingen van de EG-verordening indeling,
etikettering en verpakking van stoffen en mengsels: de artikelen
4, eerste tot en met vierde lid, zevende lid, achtste lid en
tiende lid, 7, eerste tot en met derde lid, 13, 15, vierde lid,
17, eerste en tweede lid, 18, eerste tot en met derde lid, 19,
eerste en tweede lid, 20, eerste en derde lid, 21, eerste en derde
lid, 22, eerste en vierde lid, 23, 25, eerste, tweede en vierde
tot en met zesde lid, 28, tweede en derde lid, 29, eerste en derde
lid, 30, eerste lid, 31, eerste tot en met vijfde lid, 32, eerste
tot en met vierde en zesde lid, 33, eerste tot en met derde lid,
35, eerste en tweede lid, en 48, eerste en tweede lid.
2. Het is eveneens verboden te
handelen in strijd met de volgende bepalingen van de
EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en
mengsels: de artikelen 16, eerste lid, 26, eerste en tweede lid,
27, 28, eerste lid, 30, tweede en derde lid, 40, eerste tot en met
derde lid, en 49, eerste en tweede lid.
3. Het is verboden handelingen te
verrichten of na te laten in strijd met andere bepalingen van de
EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en
mengsels dan genoemd in het eerste of tweede lid, voor zover die
bepalingen ter uitvoering van artikel 47 van die verordening bij
algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen.
4. Een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in het derde lid vervalt een jaar nadat hij in
werking is getreden, dan wel, indien binnen die termijn een
voorstel van wet tot wijziging van het eerste of tweede lid bij de
Staten-Generaal is ingediend, op het tijdstip waarop dat voorstel
is verworpen of, na tot wet te zijn verheven, in werking is
getreden.
Artikel 9.3a.4
Indien een stof of een mengsel
overeenkomstig de titels II, III en IV van de EG-verordening
indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels wordt
ingedeeld, geëtiketteerd en verpakt, is het bij of krachtens de
artikelen 9.2.3.1, eerste en vierde lid, 9.2.3.3 en 9.2.3.5 gestelde
op die stof of dat mengsel niet van toepassing.
Titel 9.4. De EG-richtlijn ecologisch
ontwerp energiegerelateerde producten
Artikel 9.4.1
1. In deze titel en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
CE-markering: markering als bedoeld
in besluit nr. 93/465/EEG van de Raad van de Europese Unie van 22
juli 1993 betreffende de modules voor de verschillende fasen van
de conformiteitbeoordelingsprocedures en de voorschriften inzake
het aanbrengen en het gebruik van de CE-markering van
overeenstemming (PbEG L 220) en bestaande uit het opschrift«CE»
als weergegeven in bijlage III bij de EG-richtlijn ecologisch
ontwerp energiegerelateerde producten;
componenten en subeenheden:
onderdelen die bedoeld zijn om in een ingevolge een algemene
maatregel van bestuur of een uitvoeringsmaatregel als bedoeld in
artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen energiegerelateerd product
te worden ingebouwd en die niet als losse onderdelen ten behoeve
van gebruikers op de markt worden geïntroduceerd of in gebruik
worden genomen, dan wel waarvan de milieuprestaties niet
onafhankelijk van voornoemd product kunnen worden beoordeeld;
conformiteitsverklaring: document
waarbij de fabrikant overeenkomstig bijlage VI bij de EG-richtlijn
ecologisch ontwerp energiegerelateerde producten verklaart dat aan
alle voor dat product relevante bepalingen van de toepasselijke
uitvoeringsmaatregel wordt voldaan, onder verwijzing naar die
uitvoeringsmaatregel;
EG-richtlijn ecologisch ontwerp
energiegerelateerde producten: richtlijn nr. 2009/125/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober
2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het
vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor
energiegerelateerde producten (herschikking) (PbEU L 285);
energiegerelateerd product: product
dat wanneer het op de markt is geïntroduceerd of in gebruik is
genomen, een effect heeft op het energieverbruik, met inbegrip van
onderdelen die bedoeld zijn om in dat product te worden ingebouwd
en die ten behoeve van gebruikers op de markt worden
geïntroduceerd of in gebruik worden genomen als losse onderdelen
waarvan de milieuprestaties onafhankelijk kunnen worden
beoordeeld;
fabrikant: degene die een
energiegerelateerd product vervaardigt met het oog op het op de
markt introduceren onder zijn eigen naam of handelsmerk of voor
eigen gebruik;
importeur: in de Europese
Gemeenschap gevestigde persoon die in het kader van zijn
commerciële activiteiten een product uit een land buiten de
Europese Unie op de markt introduceert;
op de markt introduceren: op de
markt aanbieden, tegen vergoeding of kosteloos, met het oog op de
distributie of het gebruik ervan, ongeacht de wijze waarop dat
geschiedt;
uitvoeringsmaatregel: krachtens de
EG-richtlijn ecologisch ontwerp energiegerelateerde producten
goedgekeurde maatregel tot vaststelling van voorschriften voor een
ecologisch ontwerp voor daarin aangegeven energiegerelateerde
producten.
2. Voor de toepassing van deze
titel en de daarop berustende bepalingen wordt onderecologisch
ontwerp, ecologisch profiel, geharmoniseerde norm, materialen,
milieuprestaties, productontwerp onderscheidenlijkverbetering van
de milieuprestaties verstaan hetgeen daaronder in artikel 2 van de
EG-richtlijn ecologisch ontwerp energiegerelateerde producten
wordt verstaan.
3. Bij het ontbreken van een
fabrikant of importeur van een energiegerelateerd product wordt
degene die dat energiegerelateerde product op de markt
introduceert of in gebruik neemt, voor de toepassing van deze
titel en de daarop berustende bepalingen als fabrikant aangemerkt.
4. Een wijziging van de in het
tweede lid genoemde begrippen in de EG-richtlijn ecologisch
ontwerp energiegerelateerde producten of van een bijlage bij die
richtlijn waarnaar bij of krachtens deze titel wordt verwezen,
gaat voor de toepassing van het bij of krachtens deze titel
bepaalde gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij een besluit van
Onze Minister, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 9.4.2
Een fabrikant kan een persoon
schriftelijk machtigen om namens hem bij of krachtens deze titel
geldende verplichtingen na te komen, mits deze gemachtigde binnen de
Europese Gemeenschap is gevestigd.
Artikel 9.4.3
Deze titel is niet van toepassing op
middelen voor het vervoer van personen of goederen.
Artikel 9.4.4
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen in het belang van
energie-efficiëntie en bescherming van het milieu met betrekking
tot het ecologisch ontwerp van een categorie van
energiegerelateerde producten en de verstrekking van daarmee
verband houdende informatie over die producten aan de gebruikers
regels worden gesteld.
2. Het is de fabrikant
onderscheidenlijk importeur van een energiegerelateerd product dat
behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
categorie of tot een categorie, aangewezen in een
uitvoeringsmaatregel die in de vorm van een verordening is
gesteld, verboden dat product op de markt te introduceren of in
gebruik te nemen, indien met betrekking tot dat product niet wordt
voldaan aan de bij of krachtens deze titel en in de
uitvoeringsmaatregel gestelde eisen.
Artikel 9.4.5
1. De fabrikant onderscheidenlijk
importeur draagt er zorg voor dat een energiegerelateerd product
dat behoort tot een ingevolge een algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen categorie of
tot een categorie, aangewezen in een uitvoeringsmaatregel die in
de vorm van een verordening is gesteld, alvorens dat product op de
markt wordt geïntroduceerd of in gebruik wordt genomen, aan een
conformiteitsbeoordeling wordt onderworpen, waarbij wordt getoetst
of het voldoet aan de bij of krachtens deze titel en in de
uitvoeringsmaatregel gestelde eisen. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot de wijze
waarop de toetsing met betrekking tot dat product plaatsvindt.
2. De fabrikant maakt met
betrekking tot een energiegerelateerd product dat behoort tot een
ingevolge een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen categorie of tot een
categorie, aangewezen in een uitvoeringsmaatregel die in de vorm
van een verordening is gesteld, een conformiteitsverklaring op en
brengt een CE-markering op het product aan. De importeur draagt er
zorg voor dat hij met betrekking tot een dergelijk product
beschikt over de conformiteitsverklaring en dat op het product een
CE-markering is aangebracht.
Artikel 9.4.6
1. De fabrikant onderscheidenlijk
importeur van een energiegerelateerd product dat behoort tot een
ingevolge een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen categorie of tot een
categorie, aangewezen in een uitvoeringsmaatregel die in de vorm
van een verordening is gesteld, bewaart na het in Nederland op de
markt introduceren of in gebruik nemen van dat product de
relevante documenten betreffende de conformiteitsbeoordeling, als
bedoeld in artikel 9.4.5, eerste lid, en de daaromtrent afgegeven
conformiteitsverklaringen gedurende een periode van tien jaar na
beëindiging van de vervaardiging van dat product.
2. De fabrikant onderscheidenlijk
importeur stelt de in het eerste lid bedoelde documenten binnen
tien dagen na ontvangst van een verzoek van het bevoegd gezag,
belast met het toezicht op de naleving van de wet, beschikbaar aan
dat bevoegde gezag.
3. Fabrikanten van componenten en
subeenheden kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
met betrekking tot een energiegerelateerd product dat behoort tot
een ingevolge een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen categorie of tot een
categorie, aangewezen in een uitvoeringsmaatregel die in de vorm
van een verordening is gesteld, worden verplicht aan de fabrikant
onderscheidenlijk importeur van dat product daarbij aangegeven
relevante informatie te verstrekken over de materiaalsamenstelling
en het verbruik van energie, materialen of hulpbronnen van de door
hen geproduceerde componenten of subeenheden.
Artikel 9.4.7
1. Het is verboden op een
energiegerelateerd product een markering aan te brengen, die de
gebruikers van dat product kan misleiden omtrent de betekenis of
de vorm van de CE-markering.
2. Het is verboden een
energiegerelateerd product dat behoort tot een ingevolge een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4,
tweede lid, aangewezen categorie of tot een categorie, aangewezen
in een uitvoeringsmaatregel die in de vorm van een verordening is
gesteld, dat nog niet op de markt is geïntroduceerd en niet in
overeenstemming is met het bij of krachtens deze titel bepaalde en
met de toepasselijke uitvoeringsmaatregel, te tonen of te
demonstreren op handelsbeurzen, tentoonstellingen of soortgelijke
evenementen. Het verbod geldt niet indien duidelijk zichtbaar is
aangegeven dat het product nog niet met die uitvoeringsmaatregel
in overeenstemming is en niet op de markt zal worden
geïntroduceerd, zolang het product nog niet met het bij of
krachtens deze titel bepaalde en met de toepasselijke
uitvoeringsmaatregel in overeenstemming is.
Artikel 9.4.8
1. Een energiegerelateerd product,
behorende tot een ingevolge een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen categorie of tot
een categorie, aangewezen in een uitvoeringsmaatregel die in de
vorm van een verordening is gesteld, dat van een CE-markering is
voorzien, wordt vermoed te voldoen aan de voor dat product bij of
krachtens deze titel en in de uitvoeringsmaatregel gestelde eisen.
2. Een energiegerelateerd product,
behorende tot een ingevolge een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen categorie of tot
een categorie, aangewezen in een uitvoeringsmaatregel die in de
vorm van een verordening is gesteld, waarvoor een geharmoniseerde
norm is toegepast waarvan het referentienummer in het
Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt, wordt
vermoed te voldoen aan de voorschriften van de toepasselijke
uitvoeringsmaatregel waarop die norm betrekking heeft.
3. Een energiegerelateerd product,
behorende tot een ingevolge een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen categorie of tot
een categorie, aangewezen in een uitvoeringsmaatregel die in de
vorm van een verordening is gesteld, waarvoor overeenkomstig
verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 25 november 2009 betreffende de
EU-milieukeur (PbEU L 27) de communautaire milieukeur is verleend,
wordt vermoed te voldoen aan de voorschriften inzake ecologisch
ontwerp van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel voor zover de
milieukeur aan die voorschriften voldoet.
Titel 9.5. Overige bepalingen met
betrekking tot stoffen, preparaten en producten
Artikel 9.5.1
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen in het belang van het voorkomen of beperken van
luchtverontreiniging of geluidhinder regels worden gesteld met
betrekking tot het vervaardigen, in Nederland invoeren, voorhanden
hebben, aan een ander ter beschikking stellen, vervoeren en
gebruiken van bij de maatregel aangewezen producten.
2. In afwijking van het eerste lid
worden in het belang van het voorkomen of beperken van
geluidhinder bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid geen
regels gesteld met betrekking tot luchtvaartuigen.
3. Tot de regels, bedoeld in het
eerste lid, kunnen behoren regels, inhoudende een verbod met
betrekking tot zodanige producten een of meer van de in het eerste
lid genoemde handelingen:
a. te verrichten;
b. te verrichten anders dan met
inachtneming van de omtrent die handelingen of die producten
bij de maatregel gestelde regels;
c. te verrichten met producten,
behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie, op de
bij de maatregel aangegeven plaatsen, op de bij de maatregel
aangegeven wijze of onder de bij de maatregel aangegeven
omstandigheden;
d. te verrichten indien de
producten niet voldoen aan de bij de maatregel gestelde eisen;
e. te verrichten indien de
producten niet behoren tot een type dat bij een keuring,
verricht overeenkomstig bij de maatregel gestelde regels is
goedgekeurd;
f. te verrichten indien de
producten niet overeenkomstig bij de maatregel gestelde regels
zijn goedgekeurd.
4. Bij een maatregel als bedoeld in
het eerste lid kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels
slechts gelden in bij de maatregel aangegeven categorieën van
gevallen of in de bij de maatregel aangewezen gebieden.
5. Bij een maatregel als bedoeld in
het eerste lid kan in het belang van de landsverdediging
vrijstelling worden verleend van de krachtens het eerste lid
gestelde verboden en verplichtingen. Aan een vrijstelling kunnen
voorschriften worden verbonden die nodig zijn in het belang van
het voorkomen of beperken van luchtverontreiniging dan wel van
geluidhinder.
6. Voor zover een maatregel als
bedoeld in het eerste lid strekt tot nakoming van verplichtingen
op grond van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor
Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke
organisatie, kunnen tot de regels, bedoeld in het eerste lid,
tevens behoren regels die voorzien in:
a. een verbod om zonder
vergunning, verleend door een bij die maatregel aangewezen
bestuursorgaan, handelingen te verrichten met betrekking tot
de bij die maatregel aangewezen producten of categorieën
daarvan;
b. een verplichting om ten
aanzien van die producten of categorieën daarvan in bij de
maatregel aangegeven gevallen van het gebruik daarvan aangifte
te doen bij een bestuursorgaan, dat bij die maatregel is
aangewezen, dan wel te voldoen aan meetvoorschriften op een
bij de maatregel te bepalen wijze;
c. een verplichting te voldoen
aan door een bestuursorgaan, dat bij de maatregel is
aangewezen, gestelde nadere eisen omtrent de onderwerpen die
in die maatregel zijn geregeld, op een door het bestuursorgaan
te bepalen tijdstip.
7. Indien toepassing wordt gegeven
aan het derde lid, onder e of f, wijst Onze Minister op grond van
de bij of krachtens een maatregel als bedoeld in het eerste lid te
stellen eisen de instanties aan die de in die onderdelen bedoelde
keuringen verrichten. Bij of krachtens die maatregel wordt in dat
geval tevens bepaald op grond waarvan Onze Minister de aanwijzing
kan schorsen of intrekken en worden regels gesteld over de wijze
waarop de keuringen plaatsvinden.
8. Onze Minister kan omtrent in een
maatregel krachtens het eerste lid geregelde onderwerpen nadere
regels stellen.
Artikel 9.5.2
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen ter stimulering van hergebruik, preventie,
recycling en andere nuttige toepassing, van een doelmatig beheer
van afvalstoffen of anderszins in het belang van de bescherming
van het milieu regels worden gesteld met betrekking tot het
vervaardigen, in Nederland invoeren, toepassen, voorhanden hebben,
aan een ander ter beschikking stellen, in ontvangst nemen,
innemen, nuttig toepassen en verwijderen van bij de maatregel
aangewezen stoffen, preparaten of producten of afvalstoffen. Met
betrekking tot producten worden zodanige regels niet gesteld in
het belang dat artikel 9.5.1beoogt te beschermen.
2. Tot de regels, bedoeld in het
eerste lid, kunnen behoren regels, inhoudende een verbod met
betrekking tot zodanige stoffen, preparaten of producten of
afvalstoffen een of meer van de in het eerste lid genoemde
handelingen:
a. te verrichten;
b. te verrichten anders dan met
inachtneming van de omtrent die handelingen of die stoffen,
preparaten of producten of afvalstoffen bij de maatregel
gestelde regels;
c. te verrichten op een bij de
maatregel aangewezen wijze, onder daarbij aangegeven
omstandigheden, of voor daarbij aangewezen doeleinden;
d. te verrichten indien de
stoffen, preparaten of producten of afvalstoffen niet voldoen
aan de bij de maatregel gestelde eisen.
3. Tot de regels, bedoeld in het
eerste lid, kunnen tevens behoren regels, inhoudende de
verplichting voor degene die bij de maatregel aangewezen stoffen,
preparaten of producten op de markt brengt:
a. die stoffen, preparaten of
producten of de verpakking ervan te voorzien van een door Onze
Minister aangegeven aanduiding;
b. die stoffen, preparaten of
producten en de daarvan overgebleven afvalstoffen, na gebruik,
in te nemen en te beheren, alsmede de financiële
verantwoordelijkheid daarvoor of de verantwoordelijkheid voor
het regelen van het afvalbeheer geheel of gedeeltelijk te
dragen;
c. zorg te dragen voor het
treffen van voorzieningen die erop gericht zijn om die
stoffen, preparaten of producten na inname op een bij de
maatregel aangegeven wijze nuttig toe te passen of te
verwijderen;
d. zorg te dragen voor het, na
inname, afgeven van die stoffen, preparaten of producten aan
een persoon, behorende tot een bij de maatregel aangewezen
categorie;
e. openbaar beschikbare
informatie te verstrekken over de mate waarin die stoffen,
preparaten of producten geschikt zijn voor hergebruik en
recycleerbaar zijn.
4. Tot de regels, bedoeld in het
eerste lid, kunnen verder behoren regels, inhoudende de
verplichting:
a. voor bij de maatregel
aangewezen personen bij de maatregel aangewezen afvalstoffen
of andere stoffen, preparaten of producten in ontvangst te
nemen en vervolgens op een bij de maatregel aangegeven wijze
toe te passen;
b. voor burgemeester en
wethouders er zorg voor te dragen dat er op ten minste één
daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente of
binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, in voldoende
mate gelegenheid wordt geboden om bij de maatregel aangewezen
stoffen, preparaten of producten achter te laten die zijn
ingenomen krachtens het derde lid, onder b, op een bij de
maatregel aangegeven wijze.
5. Bij een maatregel als bedoeld in
het eerste lid kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels
slechts gelden in bij de maatregel aangegeven categorieën van
gevallen of in de bij de maatregel aangewezen gebieden.
6. Artikel 9.5.1, zesde lid, is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de regels,
bedoeld in dat lid, tevens kunnen worden gesteld ten aanzien van
bij de maatregel, bedoeld in het eerste lid, aangewezen stoffen en
preparaten of categorieën daarvan.
7. Onze Minister kan omtrent in een
maatregel krachtens het eerste lid geregelde onderwerpen nadere
regels stellen.
Artikel 9.5.3
Bij een algemene maatregel van
bestuur, vastgesteld krachtens artikel 9.5.1, kan worden bepaald dat
het gezag dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 voor
een inrichting te verlenen, bij het verlenen of wijzigen van de
vergunning met betrekking tot bij de maatregel aangegeven
onderwerpen in de beperkingen waaronder de vergunning wordt
verleend, of in de daaraan verbonden voorschriften van bij de
maatregel of de krachtens artikel 9.5.1, zesde lid, gestelde regels
met betrekking tot producten kan afwijken. In dat geval wordt bij de
maatregel aangegeven in hoeverre het bevoegd gezag van de regels kan
afwijken. Bij de maatregel kan tevens worden bepaald dat de
bevoegdheid tot afwijken slechts geldt in daarbij aangegeven
categorieën van gevallen.
Artikel 9.5.4
Onze Minister kan, indien naar zijn
oordeel in het belang van het voorkomen of beperken van
luchtverontreiniging of geluidhinder, dan wel in het belang van de
stimulering van hergebruik, preventie, recycling of andere nuttige
toepassing, van een doelmatig beheer van afvalstoffen of anderszins
in het belang van de bescherming van het milieu een onverwijlde
voorziening noodzakelijk is, een regeling vaststellen van de in de
artikelen 9.5.1 of 9.5.2 bedoelde strekking voor een termijn van ten
hoogste twee jaar.
Artikel 9.5.5
1. Bij koninklijk besluit kan in
het belang van de landsverdediging op verzoek van Onze Minister
van Defensie ontheffing worden verleend van het bepaalde krachtens
artikel 9.5.1.
2. Onze Minister kan voorts op
aanvraag ontheffing verlenen van het bepaalde krachtens de
artikelen 9.5.1 of 9.5.2 indien het belang dat die artikelen
beogen te beschermen, zich daartegen niet verzet.
3. Bij een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in de artikelen 9.5.1 of9.5.2 kan worden
bepaald dat een bij de maatregel aangewezen ander bestuursorgaan
in plaats van Onze Minister ontheffing kan verlenen van het
bepaalde krachtens deze artikelen, indien het belang dat die
artikelen beogen te beschermen, zich daartegen niet verzet.
4. Aan een ontheffing als bedoeld
in het eerste tot en met derde lid kunnen voorschriften en
beperkingen worden verbonden in het belang dat deartikelen 9.5.1
of 9.5.2 beogen te beschermen.
5. De voorschriften en beperkingen,
bedoeld in het vierde lid, kunnen worden gewijzigd, aangevuld of
ingetrokken in het belang dat de artikelen 9.5.1 of 9.5.2 beogen
te beschermen.
6. Een ontheffing als bedoeld in
het eerste tot en met derde lid kan geheel of gedeeltelijk worden
ingetrokken in het belang dat de artikelen 9.5.1 of9.5.2 beogen te
beschermen.
7. Bij algemene maatregel van
bestuur krachtens artikel 9.5.2 kan worden bepaald dat in daarbij
aangegeven categorieën van gevallen op de voorbereiding van een
beschikking op de aanvraag om ontheffing te verlenen, afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is.
Artikel 9.5.6
1. Indien toepassing wordt gegeven
aan artikel 9.5.1, zesde lid, onder a, ofartikel 9.5.2, zesde lid,
in samenhang met artikel 9.5.1, zesde lid, onder a, is afdeling
3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing op de
voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om een
vergunning. Artikel 8.7 is van overeenkomstige toepassing.
2. Een vergunning kan slechts
worden geweigerd in het belang dat de artikelen 9.5.1 of 9.5.2
beogen te beschermen.
3. Een vergunning kan onder
beperkingen worden verleend.
4. Aan een vergunning kunnen
voorschriften worden verbonden. Hiertoe kan behoren het
voorschrift, dat met betrekking tot in het voorschrift geregelde
onderwerpen moet worden voldaan aan nadere eisen, die door een bij
het voorschrift aangewezen bestuursorgaan worden gesteld.
5. Bij de betrokken algemene
maatregel van bestuur kunnen categorieën van gevallen worden
aangewezen waarin het eerste lid niet van toepassing is.
6. Voor zover dat bij de betrokken
maatregel is bepaald, kan de vergunning worden gewijzigd of
ingetrokken. Op de voorbereiding van een zodanige wijziging of
intrekking is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing. Artikel 8.7 is van overeenkomstige toepassing.
Titel 9.6. De EG-richtlijn ter
bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen
Artikel 9.6.1
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld om te bevorderen dat bij de
aankoop van de in of bij die maatregel aangewezen wegvoertuigen
rekening wordt gehouden met de energie- en milieueffecten, bedoeld
in artikel 5, tweede lid, van richtlijn nr. 2009/33/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009
inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen (PbEU
L 120) door de volgende partijen:
a. aanbestedende diensten als
bedoeld in artikel 4, onder 1, van die richtlijn, en
b. exploitanten als bedoeld in
artikel 3, onder b, van die richtlijn.
Hoofdstuk 10. Afvalstoffen
Titel 10.1. Algemeen
Artikel 10.1
1. Een ieder die handelingen met
betrekking tot afvalstoffen verricht of nalaat en die weet of
redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen
voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, is verplicht alle
maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem
kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te
voorkomen of te beperken.
2. Het is een ieder bij wie
afvalstoffen ontstaan, verboden handelingen met betrekking tot die
afvalstoffen te verrichten of na te laten, waarvan hij weet of
redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen
voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.
3. Het is een ieder verboden
bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze
bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen te
verrichten, indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs had
kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen
ontstaan.
4. Onder handelingen als bedoeld in
het derde lid wordt in ieder geval verstaan: inzamelen of
anderszins in ontvangst nemen, bewaren, nuttig toepassen,
verwijderen, vervoeren of verhandelen van afvalstoffen of
bemiddelen bij het beheer van afvalstoffen.
5. De verboden, bedoeld in het
tweede en derde lid, gelden niet voor zover deze handelingen
betreffen, die degene die deze verricht, uitdrukkelijk zijn
toegestaan bij of krachtens deze wet of een in artikel 13.1,
tweede lid, genoemde wet of de EG-verordening overbrenging van
afvalstoffen.
Artikel 10.1a
1. Dit hoofdstuk is niet van
toepassing op de volgende stoffen, preparaten en voorwerpen:
a. gasvormige effluenten die in
de atmosfeer worden uitgestoten, alsmede kooldioxide dat wordt
afgevangen en getransporteerd met het oog op geologische
opslag en dat geologisch is opgeslagen overeenkomstig het
bepaalde in richtlijn nr. 2009/31/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009
betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot
wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen
2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en
Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en
de Raad (PbEU L 140), dan wel op grond van artikel 2, tweede
lid, van die richtlijn buiten de werkingssfeer van die
richtlijn valt;
b. bodem met inbegrip van
niet-uitgegraven verontreinigde grond en duurzaam met de bodem
verbonden gebouwen;
c. niet-verontreinigde grond en
ander van nature voorkomend materiaal, afgegraven bij
bouwactiviteiten, indien vaststaat dat het materiaal in
natuurlijke staat zal worden gebruikt voor bouwdoeleinden op
de locatie waar het werd afgegraven;
d. radioactieve afvalstoffen;
e. afgedankte explosieven;
f. uitwerpselen, voor zover
niet vallend onder onderdeel h, onder 1°, stro en ander
natuurlijk, niet-gevaarlijk materiaal rechtstreeks afkomstig
uit de land- of bosbouw dat wordt gebruikt in de landbouw, de
bosbouw of voor de productie van energie uit die biomassa door
middel van processen of methoden die onschadelijk zijn voor
het milieu en die de menselijke gezondheid niet in gevaar
brengen;
g. sediment dat binnen
oppervlaktewater wordt verplaatst met het oog op het beheer
van water en waterwegen of om overstromingen te voorkomen of
de gevolgen van overstromingen en droogte te verminderen, of
met het oog op landwinning, indien is aangetoond dat het
sediment ongevaarlijk is;
h.
1°. dierlijke
bijproducten, met inbegrip van verwerkte producten, in de
zin van verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 oktober
2002, behalve die welke bestemd zijn om te worden verbrand
of gestort of voor gebruik in een biogas- of
composteerinstallatie;
2°. kadavers van niet door
slachting gestorven dieren, met inbegrip van dieren die
worden gedood om een epizoötie uit te roeien en
overeenkomstig de onder 1° genoemde verordening worden
verwijderd;
voor zover daarover bij of
krachtens communautaire regelgeving regels zijn gesteld.
2. Op de in het eerste lid bedoelde
stoffen, preparaten en voorwerpen is, voor zover het afvalstoffen
betreft, het bepaalde bij of krachtens deartikelen 15.33, 15.35 en
15.36, alsmede de artikelen 2.4, 2.22, derde lid, en 2.23, tweede
lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, evenmin van
toepassing.
Artikel 10.1b [Vervallen per
01-01-1994]
Artikel 10.2
1. Het is verboden zich van
afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking -
buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te
brengen of te verbranden.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan, indien het belang van de bescherming
van het milieu zich daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven
categorieën van gevallen vrijstelling worden verleend van het
verbod, bedoeld in het eerste lid.
3. Indien toepassing is gegeven aan
het tweede lid, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur in het belang van de bescherming van het milieu regels
worden gesteld met betrekking tot het zich ontdoen van
afvalstoffen als bedoeld in het eerste lid.
Titel 10.2. Het afvalbeheerplan
Artikel 10.3
Onze Minister stelt ten minste
eenmaal in de zes jaar een afvalbeheerplan vast.
Artikel 10.4
1. Bij de vaststelling van het
afvalbeheerplan en bij het nemen van andere maatregelen voor de
preventie en het beheer van afvalstoffen hanteert Onze Minister
als prioriteitsvolgorde de volgende afvalhiërarchie:
a. preventie;
b. voorbereiding voor
hergebruik;
c. recycling;
d. andere nuttige toepassing,
waaronder energieterugwinning;
e. veilige verwijdering.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot het nemen van
maatregelen als bedoeld in dat lid door gedeputeerde staten en
burgemeester en wethouders.
Artikel 10.5
Bij de vaststelling van het
afvalbeheerplan en bij het nemen van andere maatregelen voor de
preventie en het beheer van afvalstoffen:
a. kan zonodig voor bepaalde
specifieke afvalstromen van de afvalhiërarchie, bedoeld in
artikel 10.4, worden afgeweken, indien dit, de gehele
levenscyclus in beschouwing nemende, met betrekking tot de
algemene effecten van het produceren en beheren van dergelijke
afvalstoffen gerechtvaardigd is;
b. houdt Onze Minister er
rekening mee dat het belang van een doelmatig beheer van
afvalstoffen vereist dat het beheer op effectieve en efficiënte
wijze geschiedt en effectief toezicht dan wel douanecontrole op
het beheer mogelijk is.
Artikel 10.5a [Vervallen per
08-05-2002]
Artikel 10.6
Bij de vaststelling van het
afvalbeheerplan houdt Onze Minister rekening met het geldende
nationale milieubeleidsplan.
Artikel 10.7
1. Het afvalbeheerplan bevat de
onderwerpen die ingevolge voor Nederland bindende besluiten van de
instellingen van de Europese Unie moeten worden opgenomen in een
zodanig plan. Het afvalbeheerplan voldoet aan het bij of krachtens
de kaderrichtlijn afvalstoffen daaromtrent bepaalde, met inbegrip
van hetgeen bij of krachtens die richtlijn is bepaald met
betrekking tot afvalpreventieprogramma’s.
2. Het afvalbeheerplan bevat voorts
in ieder geval:
a. de hoofdlijnen van het
beleid ter uitvoering van deze wet met betrekking tot het
voorkomen of beperken van het ontstaan van afvalstoffen en het
beheer van afvalstoffen in de betrokken periode van zes jaar
en, voor zover mogelijk, in de daarop volgende zes jaar;
b. een uitwerking van deze
hoofdlijnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën
van afvalstoffen of wijzen van beheer van afvalstoffen;
c. de capaciteit die benodigd
is voor de daarbij aangewezen wijzen van beheer van
afvalstoffen in de betrokken periode van zes jaar en, voor
zover mogelijk, in de daaropvolgende zes jaar;
d. een beschrijving van het
beleid ter uitvoering van de EG-verordening overbrenging van
afvalstoffen in de betrokken periode van zes jaar.
Artikel 10.8
1. Onze Minister stelt het
onderdeel van het afvalbeheerplan, bedoeld in artikel 10.7, tweede
lid, onder a, op na overleg met een instantie die representatief
kan worden geacht voor de provinciebesturen en met een instantie
die representatief kan worden geacht voor de gemeentebesturen.
2. Onze Minister stelt de
onderdelen van het afvalbeheerplan, bedoeld in artikel 10.7,
tweede lid, onder b en c, op in gezamenlijk overleg met een
instantie die representatief kan worden geacht voor de
provinciebesturen en met een instantie die representatief kan
worden geacht voor de gemeentebesturen.
3. Onze Minister betrekt voorts bij
de voorbereiding van het afvalbeheerplan de naar zijn oordeel bij
de te behandelen onderwerpen meest belanghebbende andere
bestuursorganen, instellingen en organisaties.
4. Onze Minister kan nadere regels
stellen met betrekking tot de wijze waarop uitvoering wordt
gegeven aan het bepaalde in het eerste tot en met derde lid.
Artikel 10.9
1. Met betrekking tot de
voorbereiding van het afvalbeheerplan is afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
2. Het ontwerp van het
afvalbeheerplan wordt, gelijktijdig met de terinzagelegging ervan,
overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 10.10
Ten behoeve van het opstellen van het
afvalbeheerplan verschaffen de bestuursorganen aan Onze Minister op
zijn verzoek alle inlichtingen en gegevens waarover zij kunnen
beschikken, voor zover die voor dat opstellen redelijkerwijs
noodzakelijk zijn.
Artikel 10.11
1. Zodra het afvalbeheerplan is
vastgesteld, doet Onze Minister hiervan mededeling door
overlegging van het afvalbeheerplan aan de beide kamers der
Staten-Generaal en door toezending ervan aan gedeputeerde staten
van de provincies en burgemeester en wethouders van de gemeenten.
2. Onze Minister zendt het
afvalbeheerplan tevens toe aan de bestuursorganen, instellingen en
organisaties, die overeenkomstig artikel 10.8, derde lid, waren
betrokken bij de voorbereiding ervan.
Artikel 10.12
1. Het afvalbeheerplan geldt met
ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken na de dag
waarop de vaststelling van het afvalbeheerplan is bekendgemaakt in
de Staatscourant. Onze Minister kan bepalen dat het
afvalbeheerplan, of onderdelen daarvan, eerst op een later
tijdstip gaan gelden.
2. Het afvalbeheerplan geldt,
behoudens indien eerder een nieuw afvalbeheerplan is vastgesteld,
voor een tijdvak van zes jaar. Onze Minister kan de geldingsduur
van het afvalbeheerplan eenmaal met ten hoogste twee jaar
verlengen.
Artikel 10.12a [Vervallen per
01-01-1994]
Artikel 10.12b [Vervallen per
01-01-1994]
Artikel 10.13
1. Het afvalbeheerplan kan worden
gewijzigd.
2. Met betrekking tot een wijziging
van het afvalbeheerplan zijn de artikelen 10.4 tot en met 10.11 en
10.12, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.14
1. Ieder bestuursorgaan houdt
rekening met het geldende afvalbeheerplan bij het uitoefenen van
een bevoegdheid krachtens deze wet, voor zover de bevoegdheid
wordt uitgeoefend met betrekking tot afvalstoffen.
2. Voor zover het afvalbeheerplan
niet voorziet in het onderwerp met betrekking waartoe de
bevoegdheid wordt uitgeoefend, houdt het bestuursorgaan rekening
met de voorkeursvolgorde, aangegeven in artikel 10.4, en de
criteria, genoemd in artikel 10.5, eerste lid.
3. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing bij het uitoefenen van een bevoegdheid
krachtens de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
Titel 10.3. Hergebruik, preventie en
recycling en andere nuttige toepassing
Artikel 10.15 [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 10.16 [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 10.16a [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 10.16b [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 10.16c [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 10.16d [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 10.17 [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 10.18 [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 10.19 [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 10.20 [Vervallen per
01-01-2012]
Titel 10.4. Het beheer van
huishoudelijke en andere afvalstoffen
Artikel 10.21
1. De gemeenteraad en burgemeester
en wethouders dragen, al dan niet in samenwerking met de
gemeenteraad en burgemeester en wethouders van andere gemeenten,
ervoor zorg dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke
afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke
afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied
gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen
ontstaan.
2. Groente-, fruit- en tuinafval
wordt daarbij in ieder geval afzonderlijk ingezameld.
3. De gemeenteraad kan besluiten
tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van
huishoudelijke afvalstoffen.
Artikel 10.22
1. Elke gemeente draagt er zorg
voor:
a. dat grove huishoudelijke
afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied
gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen ontstaan, en
b. dat er op ten minste één
daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente of
binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, in voldoende
mate gelegenheid wordt geboden om grove huishoudelijke
afvalstoffen achter te laten.
2. In het belang van een doelmatig
beheer van grove huishoudelijke afvalstoffen kan bij algemene
maatregel van bestuur worden bepaald dat het eerste lid geheel of
gedeeltelijk buiten toepassing blijft met betrekking tot bij de
maatregel aangewezen categorieën van grove huishoudelijke
afvalstoffen, al dan niet voor zover deze vrijkomen in een
hoeveelheid of een omvang die, of een gewicht dat groter is dan
bij de maatregel is aangegeven.
Artikel 10.22a [Vervallen per
08-05-2002]
Artikel 10.23
1. De gemeenteraad stelt in het
belang van de bescherming van het milieu een
afvalstoffenverordening vast.
2. Onverminderd artikel 10.14 wordt
bij het vaststellen of wijzigen van de verordening rekening
gehouden met:
a. het gemeentelijke
milieubeleidsplan;
b. het gemeentelijke
milieuprogramma, indien in de gemeente geen milieubeleidsplan
geldt.
3. De afvalstoffenverordening bevat
geen regels als bedoeld in artikel 10.48.
Artikel 10.24
1. De afvalstoffenverordening bevat
ten minste regels omtrent:
a. het overdragen of het ter
inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan een
bij of krachtens de verordening aangewezen inzameldienst;
b. het overdragen van zodanige
afvalstoffen aan een ander;
c. het achterlaten van zodanige
afvalstoffen op een daartoe ter beschikking gestelde plaats.
2. Bij de afvalstoffenverordening
kunnen voorts regels worden gesteld omtrent het inzamelen van
huishoudelijke afvalstoffen.
Artikel 10.25
Bij de afvalstoffenverordening kunnen
in ieder geval regels worden gesteld:
a. ten einde te voorkomen dat
afvalstoffen als zwerfafval in het milieu terechtkomen dan wel
teneinde te bereiken dat zulks zo min mogelijk gebeurt;
b. omtrent het opruimen van
afvalstoffen die als zwerfafval in het milieu terecht zijn
gekomen;
c. omtrent het op een voor het
publiek zichtbare plaats aanwezig hebben van afvalstoffen.
Artikel 10.26
1. De gemeenteraad kan, in
afwijking van artikel 10.21, in het belang van een doelmatig
beheer van huishoudelijke afvalstoffen bij de
afvalstoffenverordening bepalen dat:
a. huishoudelijke afvalstoffen
worden ingezameld nabij elk perceel;
b. huishoudelijke afvalstoffen
worden ingezameld met een daarbij aangegeven regelmaat;
c. in een gedeelte van het
grondgebied van de gemeente geen huishoudelijke afvalstoffen
worden ingezameld;
d. daarbij aangegeven
bestanddelen van het groente-, fruit- en tuinafval
afzonderlijk worden ingezameld;
e. groente-,fruit- en tuinafval
met andere daarbij aangegeven bestanddelen van huishoudelijke
afvalstoffen afzonderlijk van het overige huishoudelijk afval
wordt ingezameld.
2. De gemeenteraad betrekt bij de
voorbereiding van een zodanig besluit de ingezetenen en
belanghebbenden, op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150
van de Gemeentewet vastgestelde verordening.
Artikel 10.27
In gevallen als bedoeld in artikel
10.26, eerste lid, onder b en c, dragen de gemeenteraad en
burgemeester en wethouders er zorg voor dat op ten minste één
daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente of binnen
de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, in voldoende mate
gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen achter te
laten.
Artikel 10.28
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het
opnemen in de verordening van een verplichting bestanddelen van
huishoudelijke afvalstoffen te brengen naar een daartoe
beschikbaar gestelde plaats.
2. Bij de maatregel kan worden
aangegeven op welke wijze de gemeenteraad en burgemeester en
wethouders er zorg voor dragen dat plaatsen als bedoeld in het
eerste lid, binnen de gemeente in voldoende mate beschikbaar zijn.
3. Bij de maatregel kan worden
bepaald dat de artikelen 10.21, eerste lid, en 10.24, eerste lid,
onder a, niet van toepassing zijn met betrekking tot de inzameling
van de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, die zijn
aangewezen krachtens het eerste lid.
Artikel 10.29
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen, voor zover het betreft gevallen waarin een
doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen van meer dan
gemeentelijk belang is, regels worden gesteld omtrent de
inzameling van die afvalstoffen.
2. Hiertoe kunnen in ieder geval
behoren regels die inhouden dat burgemeester en wethouders
maatregelen treffen voor de inzameling van die afvalstoffen of
daartoe voorzieningen tot stand brengen en in stand houden. Indien
zulks uitvoerbaar is op technisch, milieu- en economisch gebied,
wordt bij de algemene maatregel van bestuur teneinde nuttige
toepassing van afvalstoffen te faciliteren of te verbeteren de
verplichting opgenomen daarbij aan te geven huishoudelijke
afvalstoffen gescheiden en niet gemengd met afvalstoffen of
materialen die niet dezelfde eigenschappen bezitten, in te
zamelen.
Titel 10.5. Het zich ontdoen, de
inzameling en het transport van afvalwater
Artikel 10.29a
Een bestuursorgaan houdt er bij het
uitoefenen van een bevoegdheid krachtens deze wet, voor zover die
bevoegdheid wordt uitgeoefend met betrekking tot afvalwater,
rekening mee dat het belang van de bescherming van het milieu
vereist dat in de navolgende voorkeursvolgorde:
a. het ontstaan van afvalwater
wordt voorkomen of beperkt;
b. verontreiniging van afvalwater
wordt voorkomen of beperkt;
c. afvalwaterstromen gescheiden
worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige
gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater;
d. huishoudelijk afvalwater en,
voor zover doelmatig en kostenefficiënt, afvalwater dat daarmee
wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt worden
ingezameld en naar een inrichting als bedoeld in artikel 3.4 van
de Waterwet getransporteerd;
e. ander afvalwater dan bedoeld
in onderdeel d zo nodig na retentie of zuivering bij de bron,
wordt hergebruikt;
f. ander afvalwater dan bedoeld
in onderdeel d lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de
bron, in het milieu wordt gebracht en
g. ander afvalwater dan bedoeld
in onderdeel d naar een inrichting als bedoeld in artikel 3.4
van de Waterwet wordt getransporteerd.
Artikel 10.30
1. Het is verboden zich, anders dan
vanuit een inrichting, van afvalwater of andere afvalstoffen te
ontdoen door deze in een voorziening voor de inzameling en het
transport van afvalwater te brengen.
2. Het verbod, bedoeld in het
eerste lid, geldt niet voor het brengen van:
a. huishoudelijk afvalwater in
een voorziening voor de inzameling en het transport van
stedelijk afvalwater;
b. afvloeiend hemelwater in een
openbaar hemelwaterstelsel of in een voorziening voor de
inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, die
blijkens het gemeentelijk rioleringsplan mede voor afvoer van
afvloeiend hemelwater is bestemd, en
c. grondwater in een openbaar
ontwateringsstelsel of in een voorziening voor de inzameling
en het transport van stedelijk afvalwater, die blijkens het
gemeentelijk rioleringsplan mede voor afvoer van grondwater is
bestemd.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur kan in het belang van een doelmatig beheer van afvalwater
voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling
worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 10.31
De artikelen 10.21 tot en met 10.29
en titel 10.6 zijn niet van toepassing op het brengen van afvalwater
en andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het
transport van afvalwater, het inzamelen en transporteren van
afvalwater in een zodanige voorziening en het vanuit een zodanige
voorziening afgeven van afvalwater aan een persoon die een
zuiveringstechnisch werk beheert.
Artikel 10.32
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen in het belang van de bescherming van het milieu
regels worden gesteld met betrekking tot het brengen van afvalwater
en andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het
transport van afvalwater, anders dan vanuit een inrichting. Artikel
8.42, eerste tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 10.32a
1. De gemeenteraad kan bij
verordening bepalen dat:
a. bij het brengen van
afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of
in een voorziening voor de inzameling en het transport van
afvalwater, wordt voldaan aan de in die verordening gestelde
regels, en
b. het brengen van afvloeiend
hemelwater of van grondwater in een voorziening voor de
inzameling en het transport van stedelijk afvalwater binnen
een in die verordening aangegeven termijn wordt beëindigd.
2. Van de mogelijkheid, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel b, wordt geen gebruikgemaakt, indien van
degene bij wie afvloeiend hemelwater of grondwater vrijkomt
redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van dat water kan
worden gevergd.
Artikel 10.33
1. De gemeenteraad of burgemeester
en wethouders dragen zorg voor de inzameling en het transport van
stedelijk afvalwater dat vrijkomt bij de binnen het grondgebied
van de gemeente gelegen percelen, door middel van een openbaar
vuilwaterriool naar een inrichting als bedoeld in artikel 3.4 van
de Waterwet.
2. In plaats van een openbaar
vuilwaterriool en een inrichting als bedoeld in het eerste lid
kunnen afzonderlijke systemen of andere passende systemen in
beheer bij een gemeente, waterschap of een rechtspersoon die door
een gemeente of waterschap met het beheer is belast, worden
toegepast, indien met die systemen blijkens het gemeentelijk
rioleringsplan eenzelfde graad van bescherming van het milieu
wordt bereikt.
3. Op verzoek van burgemeester en
wethouders kunnen gedeputeerde staten in het belang van de
bescherming van het milieu ontheffing verlenen van de
verplichting, bedoeld in het eerste lid, voor:
a. een gedeelte van het
grondgebied van een gemeente, dat gelegen is buiten de
bebouwde kom, en
b. een bebouwde kom van waaruit
stedelijk afvalwater met een vervuilingswaarde van minder dan
2000 inwonerequivalenten wordt geloosd.
4. De ontheffing bedoeld in het
derde lid kan, indien de ontwikkelingen in het gebied waarvoor de
ontheffing is verleend daartoe aanleiding geven, door gedeputeerde
staten worden ingetrokken. Bij de intrekking wordt aangegeven
binnen welke termijn in inzameling en transport van stedelijk
afvalwater wordt voorzien.
Artikel 10.34
Onze Minister stelt regels over het
ontwerpen, bouwen, aanpassen en onderhouden van de voorzieningen
voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater ter
uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor
Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
Artikel 10.35
1. Onze Minister stelt iedere twee
jaar een rapport op, waarin de stand van zaken wordt beschreven
met betrekking tot de inzameling en het transport van stedelijk
afvalwater en de afvoer van slib dat geheel of in hoofdzaak
afkomstig is van de rioolwaterzuiveringsinrichtingen die door een
provincie, een gemeente of een waterschap worden beheerd.
2. Van de vaststelling van het
rapport wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de toepassing van het eerste lid. Deze regels kunnen voor
burgemeester en wethouders de verplichting inhouden jaarlijks op
een daarbij aangegeven wijze gegevens te verstrekken, die voor de
opstelling van het rapport nodig zijn.
Titel 10.6. Het beheer van
bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
§ 10.6.1. De afgifte en ontvangst
van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Artikel 10.36
Voor de toepassing van deze titel
worden ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen
gelijkgesteld met bedrijfsafvalstoffen.
Artikel 10.36a [Vervallen per
08-05-2002]
Artikel 10.36b [Vervallen per
08-05-2002]
Artikel 10.37
1. Het is verboden zich door
afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke
afvalstoffen te ontdoen.
2. Het verbod geldt niet indien
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden afgegeven
aan een persoon:
a. die krachtens artikel 10.45
of 10.48 bevoegd is de betrokken afvalstoffen in te zamelen;
b. die bevoegd is de betrokken
afvalstoffen nuttig toe te passen of te verwijderen:
1°. krachtens hoofdstuk 8
of op grond van een omgevingsvergunning;
2°. op grond van een
krachtens artikel 10.2, tweede lid, verleende vrijstelling
of een ontheffing krachtens artikel 10.63, tweede of derde
lid, van het verbod, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid;
3°. krachtens artikel
10.52;
4°. op grond van een
krachtens artikel 10.54, derde lid, verleende vrijstelling
of een ontheffing krachtens artikel 10.63, derde lid, van
het verbod, bedoeld in artikel 10.54, eerste lid;
c. die krachtens artikel 10.50
is vrijgesteld van de verplichtingen, gesteld bij of krachtens
de artikelen 10.38 tot en met 10.40, 10.45, 10.46 en 10.48;
d. die op grond van een
krachtens de Waterwet verleende vergunning bevoegd is de
betrokken afvalstoffen te lozen, dan wel aan boord van een
vaartuig of luchtvaartuig te nemen met het oogmerk ze te
lozen;
e. die krachtens de Waterwet
bevoegd is afvalstoffen van de betrokken aard en samenstelling
te brengen in oppervlaktewateren;
f. die in een ander land dan
Nederland is gevestigd, en die overeenkomstig de
EG-verordening overbrenging van afvalstoffen en titel 10.7 die
afvalstoffen naar dat land brengt;
g. die krachtens artikel 10.55
bevoegd is de betrokken afvalstoffen te vervoeren of te
verhandelen.
Artikel 10.38
1. Degene die zich van
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door deze
af te geven aan een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede
lid, onder a tot en met f, registreert met betrekking tot zodanige
afgifte:
a. de datum van afgifte;
b. de naam en het adres van
degene aan wie de afvalstoffen worden afgegeven;
c. de gebruikelijke benaming en
de hoeveelheid van die afvalstoffen;
d. de plaats waar en de wijze
waarop de afvalstoffen worden afgegeven;
e. de voorgenomen wijze van
beheer van de afvalstoffen;
f. ingeval de afgifte geschiedt
door tussenkomst van een ander die opdracht heeft de
afvalstoffen te vervoeren naar degene voor wie deze zijn
bestemd: diens naam en adres en de naam en het adres van
degene in wiens opdracht het vervoer geschiedt.
2. De geregistreerde gegevens
worden ten minste vijf jaar bewaard en gedurende die periode door
de afvalstoffenhouder ter beschikking gehouden van degenen die
zijn belast met het toezicht of de douanecontrole op de naleving
van de wet en van voorgaande afvalstoffenhouders.
3. Een persoon als bedoeld in
artikel 10.37, tweede lid, onder a of b, die zich van
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door deze
af te geven aan een andere zodanige persoon, meldt met betrekking
tot een zodanige afgifte de in het eerste lid bedoelde gegevens
aan een door Onze Minister aan te wijzen instantie.
Artikel 10.39
1. Degene die zich van
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door
afgifte aan een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid,
onder a tot en met e, verstrekt:
a. aan deze persoon een
omschrijving van aard, eigenschappen en samenstelling van die
afvalstoffen;
b. aan degene die opdracht
heeft de afvalstoffen naar die persoon te vervoeren, een
begeleidingsbrief.
2. De begeleidingsbrief bevat ten
minste de in het eerste lid, onder a, en de in artikel 10.38,
eerste lid, bedoelde gegevens.
Artikel 10.40
1. Een persoon als bedoeld in
artikel 10.37, tweede lid, onder a of b, aan wie
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden afgegeven,
meldt met betrekking tot een zodanige afgifte, aan een door Onze
Minister aan te wijzen instantie:
a. de datum van afgifte;
b. de naam en het adres van
degene van wie de afvalstoffen afkomstig zijn;
c. de gebruikelijke benaming en
de hoeveelheid van de afvalstoffen;
d. de plaats waar en de wijze
waarop de afvalstoffen worden afgegeven;
e. de wijze waarop de
afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd;
f. ingeval de afgifte geschiedt
door tussenkomst van een ander die opdracht had de
afvalstoffen naar hem te vervoeren: diens naam en adres en de
naam en het adres van degene in wiens opdracht het vervoer
geschiedt.
2. Het is een persoon als bedoeld
in het eerste lid verboden bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke
afvalstoffen in ontvangst te nemen zonder dat hem daarbij een
omschrijving en een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel
10.39, eerste lid, onder a en b, worden verstrekt.
3. Op verzoek van gedeputeerde
staten van een provincie of burgemeester en wethouders van een
gemeente die terzake bevoegd gezag zijn, worden de gegevens, als
bedoeld in het eerste lid, aan gedeputeerde staten of burgemeester
en wethouders gezonden.
Artikel 10.40a
1. De in artikel 10.38 gestelde
verplichting de afgifte van afvalstoffen te registreren of te
melden, geldt niet voor degene die zich ontdoet van bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen afvalstoffen afkomstig van
schepen.
2. Degene die bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen afvalstoffen afkomstig van
schepen in ontvangst neemt, bevestigt deze ontvangst op een bij
algemene maatregel van bestuur aan te geven wijze op een
formulier, vastgesteld ingevolge artikel 10.1 van de Waterwet.
Artikel 10.41
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
wijze waarop aan de artikelen 10.38 tot en met 10.40 uitvoering
wordt gegeven.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur wordt bepaald of de melding, bedoeld in de
artikelen 10.38, derde lid, en 10.40, voorafgaand aan de afgifte,
onderscheidenlijk de ontvangst van afvalstoffen plaatsvindt of
erna. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt naar categorie
van afvalstoffen.
Artikel 10.42
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan aan in artikel 10.38, eerste lid,
bedoelde personen de verplichting worden opgelegd de in dat
artikel bedoelde gegevens te melden aan een door Onze Minister aan
te wijzen instantie.
2. De artikelen 10.40, derde lid,
en 10.41 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.43
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot
bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen categorieën van
gevallen worden aangewezen waarvoor verplichtingen als bedoeld in
de artikelen 10.38 tot en met 10.40 niet gelden.
2. Indien toepassing wordt gegeven
aan het eerste lid, wordt bij of krachtens de algemene maatregel
van bestuur aan personen als bedoeld in artikel 10.40, eerste lid,
de verplichting opgelegd de in de betrokken bepalingen bedoelde
gegevens te registreren op een daarbij aan te geven wijze.
Artikel 10.43a [Vervallen per
08-05-2002]
§ 10.6.2. Het vervoer van
bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Artikel 10.44
1. Degene die bedrijfsafvalstoffen
of gevaarlijke afvalstoffen vervoert, is verplicht zolang hij die
afvalstoffen onder zich heeft, een begeleidingsbrief als bedoeld
in artikel 10.39 bij die afvalstoffen aanwezig te hebben.
2. Hij geeft, indien een ander de
afvalstoffen in ontvangst neemt, de begeleidingsbrief aan die
ander af, bij dat in ontvangst nemen.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
wijze waarop aan de verplichtingen, bedoeld in het eerste en
tweede lid, uitvoering wordt gegeven. Tevens kunnen daarbij
categorieën van gevallen worden aangewezen waarvoor zodanige
verplichtingen niet gelden.
Artikel 10.44a [Vervallen per
08-05-2002]
Artikel 10.44b [Vervallen per
08-05-2002]
Artikel 10.44c [Vervallen per
08-05-2002]
Artikel 10.44d [Vervallen per
08-05-2002]
Artikel 10.44e [Vervallen per
08-05-2002]
§ 10.6.3. De inzameling van
bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Artikel 10.45
1. Het is verboden
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in te zamelen:
a. zonder vermelding op een
lijst van inzamelaars, of
b. ingeval de afvalstoffen tot
de krachtens artikel 10.48 aangewezen categorieën behoren,
zonder vergunning van Onze Minister.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan, indien het belang van de bescherming
van het milieu zich daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven
categorieën van gevallen vrijstelling worden verleend van het
verbod, bedoeld in het eerste lid.
3. Onze Minister wijst een
instantie aan die namens hem zorg draagt voor de vermelding van
inzamelaars op de in het eerste lid bedoelde lijst van
inzamelaars.
4. Op aanwijzing van Onze Minister
wordt de vermelding van een inzamelaar op de lijst beëindigd.
5. Onze Minister stelt regels met
betrekking tot de criteria voor vermelding op de lijst en
beëindiging daarvan.
Artikel 10.46
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden in het belang van een doelmatig
beheer van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen regels
gesteld omtrent het inzamelen van die afvalstoffen, al dan niet
afkomstig van personen, behorende tot een bij of krachtens die
maatregel aangewezen categorie.
2. Tot de regels behoren:
a. regels omtrent de wijze
waarop een inzamelaar zich bij de krachtens artikel 10.45,
derde lid, aangewezen instantie meldt en de gegevens die
daarbij worden overgelegd;
b. regels inhoudende de
verplichting een wijziging te melden in de gegevens welke bij
de melding zijn overgelegd;
c. regels omtrent het aan een
ieder inzage geven van de gegevens, overgelegd bij de melding
alsmede van een wijziging als bedoeld onder b;
d. regels inhoudende de
verplichting dat de inzamelaar tijdens het inzamelen daarbij
aan te geven bescheiden aanwezig heeft, waaruit blijkt dat hij
staat vermeld op de lijst van inzamelaars.
3. Bij de regels kan worden bepaald
dat de vermelding op de lijst van inzamelaars slechts geldt voor
een daarbij aangegeven termijn.
Artikel 10.47
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen in het belang van een doelmatig beheer van
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen regels worden
gesteld omtrent de inzameling van die afvalstoffen.
2. Hiertoe kunnen in ieder geval
behoren regels die inhouden dat:
a. burgemeester en wethouders
of gedeputeerde staten voor de inzameling van die afvalstoffen
maatregelen treffen of daartoe voorzieningen tot stand brengen
en in stand houden;
b. daarbij aangewezen
categorieën van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke
afvalstoffen die gescheiden worden afgegeven, afzonderlijk
worden ingezameld.
3. Indien zulks uitvoerbaar is op
technisch, milieu- en economisch gebied, wordt bij de algemene
maatregel van bestuur teneinde nuttige toepassing van afvalstoffen
te faciliteren of te verbeteren de verplichting opgenomen daarbij
aangegeven bedrijfsafvalstoffen gescheiden en niet gemengd met
afvalstoffen of materialen die niet dezelfde eigenschappen
bezitten, in te zamelen.
4. Bij de maatregel wordt
aangegeven binnen welke termijn de regels door de daarbij
aangewezen bestuursorganen moeten worden uitgevoerd.
Artikel 10.48
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kan in het belang van een doelmatig beheer van
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden bepaald
dat voor het inzamelen van daarbij aangewezen categorieën van
zodanige afvalstoffen een vergunning van Onze Minister is vereist.
2. Het voor activiteiten met
betrekking tot inrichtingen bij of krachtens de artikelen 2.8,
2.14, 2.20, 2.22, 2.23, 2.25, 2.26, derde en vierde lid, 2.29,
2.30, 2.31, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, onder b,
2.33, eerste lid, onder a tot en met d, en tweede lid, onder a, b
en d, 3.2, 3.10, 3.12, 3.13, 3.15 en 4.1 van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht bepaalde is van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot het verlenen, weigeren, wijzigen en
intrekken van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, met
dien verstande dat voor de toepassing van genoemde artikelen het
belang van de bescherming van het milieu beperkt wordt tot het
belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen.
3. Onze Minister kan in het belang
van een doelmatig beheer van afvalstoffen de tarieven vaststellen,
die ten minste dan wel ten hoogste in rekening worden gebracht bij
het in ontvangst nemen van afvalstoffen door de houder van een
vergunning als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 10.49
1. De aan de vergunning, bedoeld in
artikel 10.48, eerste lid, te verbinden voorschriften kunnen in
ieder geval inhouden:
a. dat in daarbij aangewezen
categorieën van gevallen afvalstoffen niet mogen worden
ingezameld zonder afzonderlijke toestemming van Onze Minister;
b. de verplichting, daarbij
aangewezen afvalstoffen, wanneer zij aan de inzamelaar worden
aangeboden, in ontvangst te nemen;
c. de verplichting, daarbij
aangewezen categorieën van afvalstoffen die gescheiden worden
afgegeven, afzonderlijk in te zamelen;
d. de verplichting, daarbij
aangewezen afvalstoffen, wanneer zij aan de inzamelaar worden
aangeboden, op te halen;
e. de verplichting afvalstoffen
af te geven aan daarbij aangewezen personen.
2. Een vergunning geldt slechts
voor degene aan wie zij is verleend. Deze draagt ervoor zorg dat
de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.
§ 10.6.4. Verdere bepalingen omtrent
het beheer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Artikel 10.50
1. Onze Minister kan, indien voor
het beheer van de betrokken stoffen, preparaten of voorwerpen een
verplichting deze in te nemen als bedoeld in artikel 10.17 of een
daaraan gelijkwaardige vrijwillige inname bestaat, bij
ministeriële regeling categorieën van gevallen aangeven waarin
de verplichtingen, gesteld bij of krachtens de artikelen 10.38 tot
en met 10.40, 10.45, 10.46 en 10.48 niet gelden.
2. Een ministeriële regeling als
bedoeld in het eerste lid omvat de verplichting tot het
registreren van daarbij aan te geven gegevens op een daarbij aan
te geven wijze.
Artikel 10.51
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen in het belang van een doelmatig beheer van
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen regels worden
gesteld omtrent het zich ontdoen buiten een inrichting van bij de
maatregel aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen of
gevaarlijke afvalstoffen.
2. Bij de maatregel kunnen in ieder
geval regels worden gesteld, inhoudende de verplichting:
a. die afvalstoffen te scheiden
en – mede van andere stoffen en afvalstoffen – gescheiden
te houden;
b. ingeval van afgifte aan een
ander, die afvalstoffen gescheiden af te geven.
Artikel 10.52
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen in het belang van de bescherming van het milieu
regels worden gesteld omtrent het beheer van bij de maatregel
aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen.
2. Bij de maatregel kunnen in ieder
geval regels worden gesteld, inhoudende een verbod bij de
maatregel aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen buiten
een inrichting nuttig toe te passen of te verwijderen zonder
vergunning van het bestuursorgaan dat daartoe bij de maatregel is
aangewezen.
3. Bij de maatregel kan de
verplichting worden opgelegd te voldoen aan nadere eisen met
betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen. Bij de maatregel
wordt het bestuursorgaan aangewezen, dat die eisen kan stellen.
Artikel 10.53
Het voor activiteiten met betrekking
tot inrichtingen bij of krachtens de artikelen 2.8, 2.14, 2.20,
2.22, 2.23, 2.25, 2.26, derde en vierde lid, 2.29, 2.30, 2.31,
eerste lid, onder a en b, en tweede lid, onder b, 2.33, eerste lid,
onder a tot en met d, en tweede lid, onder a, b en d, 3.2, 3.10,
3.12, 3.13, 3.15 en 4.1 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht bepaalde is van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot het verlenen, weigeren, wijzigen en intrekken van een
vergunning als bedoeld in artikel 10.52, tweede lid.
Artikel 10.54
1. Het is verboden gevaarlijke
afvalstoffen buiten een inrichting nuttig toe te passen of te
verwijderen.
2. Het verbod geldt niet voor
handelingen die aan degene die gevaarlijke afvalstoffen inzamelt,
uitdrukkelijk zijn toegestaan krachtens artikel 10.47, 10.48 of
10.54a, tweede lid.
3. Artikel 10.2, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.54a
1. Het is verboden gevaarlijke
afvalstoffen te mengen, daaronder mede begrepen verdunnen, met
andere categorieën gevaarlijke afvalstoffen of met andere
afvalstoffen, stoffen of materialen.
2. Het verbod, bedoeld in het
eerste lid, geldt niet voor zover het mengen van gevaarlijke
afvalstoffen is toegestaan krachtens een omgevingsvergunning.
3. Onze Minister bepaalt bij
ministeriële regeling in welke gevallen gevaarlijke afvalstoffen
die in strijd met het eerste lid zijn gemengd, gescheiden dienen
te worden.
Artikel 10.55
1. Het is verboden:
a. bedrijfsafvalstoffen of
gevaarlijke afvalstoffen voor anderen tegen vergoeding te
vervoeren,
b. bedrijfsafvalstoffen of
gevaarlijke afvalstoffen te verhandelen,
c. ten behoeve van anderen te
bemiddelen bij het beheer van bedrijfsafvalstoffen of
gevaarlijke afvalstoffen,
zonder vermelding als respectievelijk
vervoerder, handelaar of bemiddelaar op de lijst van vervoerders,
handelaars en bemiddelaars.
2. Het verbod, bedoeld in het
eerste lid, onder a, geldt niet voor degene die krachtens
artikel 10.45 bevoegd is tot het inzamelen van
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.
3. Onze Minister wijst een
instantie aan die namens hem zorg draagt voor de vermelding van
vervoerders, handelaars en bemiddelaars op de lijst, bedoeld in
het eerste lid.
4. Onze Minister stelt nadere
regels omtrent de vermelding van vervoerders, handelaars en
bemiddelaars op de lijst, bedoeld in het eerste lid. Deze regels
bevatten in ieder geval criteria voor vermelding op de lijst en
voor beëindiging daarvan.
5. Een vervoerder, handelaar of
bemiddelaar als bedoeld in het eerste lid registreert met
betrekking tot de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, de
volgende gegevens:
a. de naam en het adres van
degene:
1° van wie de
afvalstoffen afkomstig zijn,
2° aan wie de
afvalstoffen worden afgegeven;
b. de gebruikelijke benaming
en de hoeveelheid van de afvalstoffen.
6. Artikel 10.38, tweede lid, is
van overeenkomstige toepassing.
7. Onze Minister stelt regels
inhoudende de verplichting dat een vervoerder als bedoeld in het
eerste lid tijdens het vervoeren daarbij aan te geven bescheiden
aanwezig heeft, waaruit blijkt dat hij staat vermeld op de lijst
van vervoerders.
Titel 10.7. Het overbrengen van
afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap
Artikel 10.56
1. Onze Minister stelt regels ter
uitvoering van artikel 6 van de EG-verordening overbrenging van
afvalstoffen.
2. Ter uitvoering van andere
artikelen dan het in het eerste lid genoemde artikel van de
EG-verordening overbrenging van afvalstoffen kan Onze Minister
regels stellen.
Artikel 10.57
Bij algemene maatregel van bestuur
kan worden bepaald dat de titels II en VII van de EG-verordening
overbrenging van afvalstoffen van overeenkomstige toepassing zijn
met betrekking tot de overbrenging van afvalstoffen binnen
Nederland.
Artikel 10.58
Onze Minister is de bevoegde
autoriteit, bedoeld in artikel 53 van de EG-verordening overbrenging
van afvalstoffen.
Artikel 10.59
Op een kennisgeving als bedoeld in de
EG-verordening overbrenging van afvalstoffen is artikel 4:15 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 10.60
1. Het is verboden afvalstoffen
waarop de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen van
toepassing is, binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen,
indien de voorgenomen overbrenging, nuttige toepassing of
verwijdering, naar het oordeel van Onze Minister in strijd zou
zijn met het belang van de bescherming van het milieu.
2. Het is verboden handelingen te
verrichten als bedoeld in artikel 2, onder 35, van de
EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
3. Het is verboden te handelen in
strijd met artikel 49, eerste lid, van de EG-verordening
overbrenging van afvalstoffen.
4. Het is verboden te handelen in
strijd met de voorschriften als bedoeld in de artikelen 35, vijfde
lid, 37, vierde lid, of 38, zesde lid, van de EG-verordening
overbrenging van afvalstoffen.
5. Het is verboden afvalstoffen
over te brengen indien gehandeld wordt in strijd met een
voorschrift gesteld bij:
a. artikel 13, tweede lid, 15,
onder c, 16, onder a, b, c, eerste of tweede volzin, of d, 18,
eerste of tweede lid, of 19 van de EG-verordening overbrenging
van afvalstoffen;
b. artikel 35, eerste lid, 38,
eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 45 in verbinding
met 42, eerste lid, 46, eerste lid, 47 in verbinding met 42,
eerste lid, of 48, eerste lid, in verbinding met 47 en 42,
eerste lid, van de EG-verordening overbrenging van
afvalstoffen, telkens in verbinding met één of meer van de
onder a genoemde bepalingen;
c. artikel 55, laatste volzin,
van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
6. Het is verboden afvalstoffen
over te brengen indien gehandeld wordt in strijd met een
voorwaarde gesteld krachtens:
a. artikel 10, eerste of tweede
lid, of 13, derde lid, van de EG-verordening overbrenging van
afvalstoffen;
b. artikel 35, eerste lid, 38,
eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 45 in verbinding
met 42, eerste lid, 46, eerste lid, 47 in verbinding met 42,
eerste lid, of 48, eerste lid, in verbinding met 47 en 42,
eerste lid, van de EG-verordening overbrenging van
afvalstoffen, telkens in verbinding met één of meer van de
onder a genoemde bepalingen.
7. Het is verboden afvalstoffen
over te brengen indien gehandeld wordt in strijd met een
voorschrift gesteld bij:
a. artikel 15, onder d of e,
laatste volzin, 16, onder c, laatste volzin, of onder e, of 20
van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen;
b. artikel 35, eerste lid, 38,
eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 45 in verbinding
met 42, eerste lid, 46, eerste lid, 47 in verbinding met 42,
eerste lid, of 48, eerste lid, in verbinding met 47 en 42,
eerste lid, van de EG-verordening overbrenging van
afvalstoffen, telkens in verbinding met één of meer van de
onder a genoemde bepalingen;
c. artikel 35, derde lid, onder
c, 38, derde lid, onder b, 42, derde lid, onder c, 44, derde
lid, in verbinding met 42, derde lid, onder c, 45 in
verbinding met artikel 42, derde lid, onder c, 47 in
verbinding met 42, derde lid, onder c, 48, eerste lid, in
verbinding met 47 en 42, derde lid, onder c, of 48, tweede
lid, aanhef, in verbinding met 44, derde lid, en 42, derde
lid, onder c, van de EG-verordening overbrenging van
afvalstoffen.
Titel 10.8. Verdere bepalingen
Artikel 10.61
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen, voor zover dat in het belang van een doelmatig
beheer van afvalstoffen noodzakelijk is, regels worden gesteld met
betrekking tot het opnemen in de afvalstoffenverordening van
regels als bedoeld in de artikelen 10.21, 10.24, 10.25 en 10.26.
2. Bij een maatregel als bedoeld in
het eerste lid wordt aangegeven binnen welke termijn en, indien
nodig, op welke wijze die regels moeten zijn opgenomen in de
verordening.
Artikel 10.62 [Vervallen per
01-10-2012]
Artikel 10.63
1. Burgemeester en wethouders
kunnen, indien het belang van een doelmatig beheer van afvalwater
zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van het in artikel
10.30, eerste lid, gestelde verbod.
2. Burgemeester en wethouders
kunnen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich
daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van het in artikel
10.2, eerste lid, gestelde verbod om zich van afvalstoffen te
ontdoen door deze buiten een inrichting te verbranden, voorzover
het geen gevaarlijke afvalstoffen betreft. Op de ontheffing,
bedoeld in de vorige volzin, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
wet bestuursrecht van toepassing.
3. Gedeputeerde staten kunnen,
indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen
niet verzet, ontheffing verlenen van het in artikel 10.2, eerste
lid, gestelde verbod om zich van afvalstoffen te ontdoen door deze
buiten een inrichting te storten of anderszins op of in de bodem
te brengen, voorzover het geen gevaarlijke afvalstoffen betreft,
en, indien het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen
zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van de in de
artikelen 10.37 en 10.54 gestelde verboden.
4. Onze Minister kan, indien het
belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen zich daartegen
niet verzet, ontheffing verlenen van het bepaalde in een algemene
maatregel van bestuur krachtens de artikelen 10.28, 10.29, 10.47,
10.51 en, indien het belang van de bescherming van het milieu zich
daartegen niet verzet, van 10.52, van het bepaalde bij of
krachtens een algemene maatregel van bestuur op grond van de
artikelen 10.41, eerste en tweede lid, 10.42, eerste lid, 10.43,
eerste lid, 10.44, derde lid, en 10.46, eerste lid, alsmede van
het bepaalde in de artikelen 10.23, derde lid, en 10.48.
Artikel 10.64
1. Het voor activiteiten met
betrekking tot inrichtingen bij of krachtens de artikelen 2.8,
2.14, 2.20, 2.22, 2.23, 2.25, 2.26, derde en vierde lid, 2.29,
2.30, 2.31, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, onder b,
2.33, eerste lid, onder a tot en met d, en tweede lid, onder a, b
en d, 3.2, 3.10, 3.12, 3.13, 3.15 en 4.1 van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht bepaalde is van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot het verlenen, weigeren, wijzigen en
intrekken van een ontheffing als bedoeld in artikel 10.63, met
dien verstande dat – behalve ten aanzien van een ontheffing van
de in artikel 10.2, eerste lid, en artikel 10.54, eerste lid,
gestelde verboden –, voor die toepassing het belang van de
bescherming van het milieu wordt beperkt tot het belang van een
doelmatig beheer van de betrokken categorie van afvalstoffen.
2. In afwijking van het eerste lid
is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing op een ontheffing als bedoeld inartikel 10.63, tweede
lid.
Hoofdstuk 11. Geluid
Titel 11.1. Algemeen
Artikel 11.1
1. In dit hoofdstuk en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
beheerder: beheerder van de weg
of spoorweg;
beheersverordening: verordening
als bedoeld in artikel 3.38, eerste lid, van de Wet
ruimtelijke ordening;
bestemmingsplan:
bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet
ruimtelijke ordening;
binnenwaarde: binnenwaarde als
bedoeld in artikel 11.2;
brongegevens: bij ministeriële
regeling als zodanig aangewezen gegevens, benodigd voor de
vaststelling van de geluidproductie en de geluidsbelasting
vanwege een weg of spoorweg;
geluidbeperkende maatregel: bij
ministeriële regeling aangewezen maatregel die de
geluidproductie vanwege een weg of spoorweg beperkt, met
uitzondering van een maatregel inzake het gebruik van de weg
of spoorweg;
geluidplafondkaart: kaart met
daarop aangegeven de wegen en spoorwegen, alsmede de
geprojecteerde wegen en spoorwegen, waarop titel 11.3 en de
daarop berustende bepalingen van toepassing zijn;
geluidplan: plan als bedoeld in
artikel 6, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding;
geluidproductie: geluidwaarde
vanwege een weg of spoorweg in Lden;
geluidproductieplafond:
toegestane geluidproductie;
geluidsbelasting:
geluidsbelasting in Lden;
geluidsbelasting Lnight:
geluidsbelasting van een plaats en vanwege een bron over alle
perioden van 23.00–07.00 uur van een jaar als omschreven in
bijlage I, onderdeel 2, van richtlijn nr. 2002/49/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni
2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai
(PbEG L 189);
geluidsgevoelig object: bij
algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw
of terrein dat vanwege de bestemming daarvan bijzondere
bescherming tegen geluid behoeft, waarbij wat betreft de
bestemming wordt uitgegaan van het gebruik dat is toegestaan
op grond van het bestemmingsplan, bedoeld in artikel 3.1 van
de Wet ruimtelijke ordening, een inpassingsplan als bedoeld in
artikel 3.26 of 3.28 van die wet daaronder mede begrepen, de
beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van die wet, of,
indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of
de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning,
bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet;
geluidsgevoelige ruimte: bij
algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen ruimte
van een geluidsgevoelig object;
geluidwerende maatregel:
maatregel aan een geluidsgevoelig object die de
geluidsbelasting binnen de geluidsgevoelige ruimten van dat
object beperkt;
geprojecteerde weg of spoorweg:
nog niet aangelegde weg of spoorweg, in de aanleg waarvan
wordt voorzien door een geldend bestemmingsplan, tracébesluit,
of wegaanpassingsbesluit als bedoeld in de Spoedwet
wegverbreding, dan wel door een omgevingsvergunning waarbij
met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder
3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het
bestemmingsplan wordt afgeweken;
hoofdspoorweg: krachtens
artikel 2 van de Spoorwegwet aangewezen hoofdspoorweg;
Lden: maat ter bepaling van de
geluidsbelasting of een andere geluidwaarde op een plaats en
vanwege een bron over alle perioden van 07.00–19.00 uur, van
19.00–23.00 uur en van 23.00–07.00 uur van een jaar als
omschreven in bijlage I, onderdeel 1, van richtlijn nr.
2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de
beheersing van omgevingslawaai (PbEG L 189);
maximale waarde: ten hoogste
toelaatbare waarde van de geluidsbelasting als bedoeld in
artikel 11.2;
saneringsmaatregel:
geluidbeperkende maatregel dan wel een andere als zodanig
aangewezen maatregel;
saneringsobject: object als
bedoeld in artikel 11.57;
spoorweg: spoorweg als bedoeld
in artikel 1 van de Spoorwegwet;
tracébesluit: tracébesluit
als bedoeld in de Tracéwet;
verzameling van inrichtingen:
a. inrichtingen op een
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet
geluidhinder;
b. bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen inrichtingen, die zijn gelegen
binnen een daarbij aangegeven gebied;
voorkeurswaarde:
voorkeurswaarde van de geluidsbelasting, als bedoeld in
artikel 11.2;
weg: voor het openbaar rij- of
ander verkeer openstaande weg, met inbegrip van de daarin
liggende bruggen of viaducten;
woonwagenstandplaats:
standplaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van
de Huisvestingswet.
2. Voor de toepassing van het bij
of krachtens dit hoofdstuk bepaalde wordt mede verstaan onder:
a. bestemmingsplan:
inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of artikel 3.28 van
de Wet ruimtelijke ordening;
b. geluidsgevoelig object: nog
niet aanwezig geluidsgevoelig object waarvoor een geldend
bestemmingsplan verlening van een omgevingsvergunning voor een
bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht toelaat,
ongeacht of deze vergunning reeds is afgegeven, dan wel
waarvoor een zodanige omgevingsvergunning met afwijking van
het bestemmingsplan is afgegeven;
c. weg, spoorweg of
hoofdspoorweg: deel van een weg, spoorweg of hoofdspoorweg.
Artikel 11.2
1. Voor de toepassing van dit
hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen gelden de in de
onderstaande tabel aangegeven voorkeurswaarden, maximale waarden
en binnenwaarden, in dB.
Tabel voorkeurswaarden, maximale
waarden en binnenwaarden
|
|
voorkeurswaarde |
maximale waarde |
binnenwaarde A |
binnenwaarde B |
|
wegen |
50 |
65 |
36 |
41 |
|
spoorwegen |
55 |
70 |
36 |
41 |
2. De voorkeurswaarden en de
maximale waarden hebben betrekking op de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten.
3. Binnenwaarde A is van
toepassing op geluidsgevoelige ruimten van:
a. geluidsgevoelige objecten,
voor zover deze zijn gelegen langs:
1°. wegen die in gebruik
zijn genomen op of na 1 januari 1982;
2°. spoorwegen die in
gebruik zijn genomen op of na 1 juli 1987;
b. geluidsgevoelige objecten
langs overige wegen of spoorwegen, indien voor de bouw van
die objecten een bouwvergunning is afgegeven na 1 januari
1982.
4. Binnenwaarde B is van
toepassing op geluidsgevoelige ruimten van andere
geluidsgevoelige objecten dan bedoeld in het derde lid.
Artikel 11.3
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden eisen gesteld met betrekking tot de
akoestische kwaliteit van wegen in beheer bij het Rijk en
hoofdspoorwegen.
2. De beheerder draagt er zorg voor
dat een weg of spoorweg die wordt aangelegd of vervangen, ten
minste voldoet aan deze eisen, tenzij overwegende bezwaren van
technische aard zich hiertegen verzetten.
3. Onze Minister evalueert de eisen
in 2017 en vervolgens ten minste eenmaal in de vijf jaar.
Titel 11.2. Geluidsbelastingkaarten
en actieplannen
§ 11.2.1. Algemeen
Artikel 11.4
1. Gedeputeerde staten melden
vóór 1 april 2015 en vervolgens elke vijf jaar vóór 1 april
aan Onze Minister:
a. op welke delen van
provinciale wegen naar verwachting in het daaropvolgende
kalenderjaar meer dan drie miljoen maal een motorvoertuig zal
passeren;
b. op welke delen van andere
spoorwegen dan hoofdspoorwegen naar verwachting in het
daaropvolgende kalenderjaar meer dan 30 000 maal een trein zal
passeren.
2. Onze Minister publiceert vóór
30 juni 2015 en vervolgens elke vijf jaar vóór 30 juni in de
Staatscourant welke delen van wegen en spoorwegen overeenkomstig
het eerste lid zijn gemeld.
Artikel 11.5
Onze Minister wijst vóór 30 juni
2015 en vervolgens elke vijf jaar vóór 30 juni als agglomeratie
aan verstedelijkte gebieden met ten minste 100 000 inwoners.
§ 11.2.2. Geluidsbelastingkaarten
Artikel 11.6
1. Onze Minister stelt
geluidsbelastingkaarten vast voor wegen in beheer bij het Rijk en
hoofdspoorwegen.
2. Gedeputeerde staten stellen
geluidsbelastingkaarten vast voor de krachtens artikel 11.4,
tweede lid, gepubliceerde delen van wegen en spoorwegen.
3. De geluidsbelastingkaarten
hebben betrekking op:
a. de geluidsbelasting en de
geluidsbelasting Lnight van geluidsgevoelige objecten vanwege
de betrokken wegen en spoorwegen;
b. de bij algemene maatregel
van bestuur of overeenkomstig de maatregel als stille gebieden
aangewezen categorieën van gebieden die zijn gelegen in de
omgeving van wegen en spoorwegen als bedoeld onder a.
4. Burgemeester en wethouders van
gemeenten die behoren tot krachtens artikel 11.5 aangewezen
agglomeraties, stellen geluidsbelastingkaarten vast die betrekking
hebben op de geluidsbelasting en de geluidsbelasting Lnight
vanwege:
a. wegen, daaronder begrepen
spoorwegen die deel uitmaken van een weg;
b. spoorwegen die niet deel
uitmaken van een weg;
c. luchthavens als bedoeld in
artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;
d. de luchthaven Schiphol,
bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet luchtvaart;
e. inrichtingen of
verzamelingen van inrichtingen.
5. De geluidsbelastingkaarten geven
ten minste een weergave van:
a. de geluidsbelasting en de
geluidsbelasting Lnight veroorzaakt door de in het eerste,
tweede onderscheidenlijk vierde lid, bedoelde geluidsbronnen
in het kalenderjaar voorafgaand aan dat van de vaststelling
van de geluidsbelastingkaart;
b. het aantal geluidsgevoelige
objecten en bewoners van woningen die aan bepaalde waarden van
de geluidsbelasting en de geluidsbelasting Lnight worden
blootgesteld.
6. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de
inhoud, vormgeving en inrichting van geluidsbelastingkaarten,
welke regels kunnen verschillen voor wegen en spoorwegen als
bedoeld in het eerste en tweede lid en agglomeraties.
7. De vaststelling van de
geluidsbelastingkaarten geschiedt ten minste elk vijf jaar vóór
30 juni, te rekenen vanaf 2012.
Artikel 11.7
1. Ten behoeve van de vaststelling
van een geluidsbelastingkaart als bedoeld in artikel 11.6, eerste
en tweede lid, verstrekken burgemeester en wethouders aan Onze
Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten op hun verzoek,
alle inlichtingen en gegevens waarover zij kunnen beschikken, voor
zover die voor het opstellen van die kaart noodzakelijk zijn.
2. Ten behoeve van de vaststelling
van een geluidsbelastingkaart als bedoeld in artikel 11.6, vierde
lid, verstrekken Onze Minister, gedeputeerde staten en
burgemeester en wethouders aan betrokken burgemeester en
wethouders op hun verzoek, alle inlichtingen en gegevens waarover
zij kunnen beschikken, voor zover die voor het opstellen van die
kaart noodzakelijk zijn. Op een dergelijk verzoek verstrekt Onze
Minister van Defensie de contourenkaarten, bedoeld in artikel
10.23 van de Wet Luchtvaart.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld inzake
de te verstrekken inlichtingen en gegevens, waaronder de wijze
waarop en de termijn waarbinnen of de datum waarvoor deze
verstrekt worden.
Artikel 11.8
1. Ten behoeve van de bepaling van
de geluidsbelasting en de geluidsbelasting Lnight vanwege een weg,
spoorweg, inrichting of verzameling van inrichtingen worden bij
regeling van Onze Minister regels gesteld.
2. Ten behoeve van de bepaling van
de geluidsbelasting en de geluidsbelasting Lnight vanwege een
luchthaven kunnen bij regeling van Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Defensie regels worden
gesteld.
Artikel 11.9
1. Binnen één maand na de
vaststelling van een geluidsbelastingkaart als bedoeld in artikel
11.6, eerste, tweede en vierde lid, geven Onze Minister,
gedeputeerde staten, onderscheidenlijk burgemeester en wethouders
van deze vaststelling kennis in één of meer dag-, nieuws-, of
huis-aan-huisbladen, dan wel op andere geschikte wijze. Hierbij
geven zij aan op welke wijze kennis kan worden gekregen van de
inhoud van de geluidsbelastingkaart.
2. De in het eerste lid bedoelde
bestuursorganen:
a. stellen de
geluidsbelastingkaart voor een ieder langs elektronische weg
beschikbaar;
b. voegen bij de
geluidsbelastingkaart een overzicht van de belangrijkste
punten van die kaart.
3. Binnen één maand na
vaststelling zenden gedeputeerde staten, onderscheidenlijk
burgemeester en wethouders de geluidsbelastingkaart langs
elektronische weg aan Onze Minister.
4. Bij regeling van Onze Minister
kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop de
geluidsbelastingkaart ter beschikking van Onze Minister wordt
gesteld.
Artikel 11.10
1. Indien gedeputeerde staten niet
of niet tijdig voldoen aan een verplichting als bedoeld in artikel
11.6, tweede lid, is artikel 121 van de Provinciewet van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat Onze Minister in
de plaats treedt van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
2. Indien burgemeester en
wethouders niet of niet tijdig voldoen aan een verplichting als
bedoeld in artikel 11.6, vierde lid, is artikel 124 van de
Gemeentewet van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat
Onze Minister in de plaats treedt van gedeputeerde staten.
§ 11.2.3. Actieplannen
Artikel 11.11
1. Onze Minister stelt vóór 18
juli 2013 aan de hand van de geluidsbelastingkaarten, bedoeld in
artikel 11.6, eerste lid, een actieplan vast met betrekking tot de
wegen in beheer bij het Rijk en hoofdspoorwegen. Indien er sprake
is van een belangrijke ontwikkeling die van invloed is op de
geluidhindersituatie, en daarnaast ten minste elke vijf jaar na de
vaststelling, wordt het actieplan opnieuw overwogen en zo nodig
aangepast.
2. Een actieplan bevat ten minste
een beschrijving van:
a. het te voeren beleid om de
geluidsbelasting en de geluidsbelasting Lnight te beperken, en
b. de voorgenomen in de
eerstvolgende vijf jaar te treffen maatregelen om
overschrijding van overeenkomstig algemene maatregel van
bestuur vast te stellen waarden van de geluidsbelasting of de
geluidsbelasting Lnight te voorkomen of ongedaan te maken en
de te verwachten effecten van die maatregelen.
3. Het actieplan houdt rekening met
de resultaten van de evaluatie, bedoeld in artikel 11.3, derde
lid.
4. In het actieplan wordt
aangegeven in hoeverre het voornemen bestaat om de
geluidproductieplafonds voor wegen en spoorwegen aan te passen aan
ontwikkelingen met betrekking tot het bronbeleid.
5. Het actieplan bevat tevens:
a. een overzicht van de
geldende overschrijdingsbesluiten, bedoeld in artikel 11.49;
b. een beschrijving van de
ontwikkelingen met betrekking tot het bronbeleid en andere
relevante ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op een of
meer van de geldende overschrijdingsbesluiten;
c. een motivering of de in
onderdeel b bedoelde ontwikkelingen aanleiding geven tot het
intrekken of wijzigen van een of meer van de geldende
overschrijdingsbesluiten;
d. de planning van de sanering
voor de eerstvolgende vijf jaar.
Artikel 11.12
1. Gedeputeerde staten stellen
vóór 18 juli 2013 aan de hand van de geluidsbelastingkaarten,
bedoeld in artikel 11.6, tweede lid, een actieplan vast met
betrekking tot de krachtens artikel 11.4, tweede lid,
gepubliceerde delen van wegen en spoorwegen. Indien er sprake is
van een belangrijke ontwikkeling die van invloed is op de
geluidhindersituatie, en daarnaast ten minste elke vijf jaar na de
vaststelling, wordt het actieplan opnieuw overwogen en zo nodig
aangepast.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op burgemeester en wethouders van
gemeenten die behoren tot krachtens artikel 11.5 aangewezen
agglomeraties, met dien verstande dat het actieplan betrekking
heeft op de in artikel 11.6, vierde lid, bedoelde geluidsbronnen.
3. Artikel 11.11, tweede lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11.13
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de
inhoud, vormgeving en inrichting van actieplannen. Deze regels
kunnen verschillen voor wegen en spoorwegen als bedoeld in artikel
11.6, eerste en tweede lid, en agglomeraties.
2. Een actieplan met betrekking tot
een weg wordt niet vastgesteld, dan nadat daarover overleg is
gevoerd met de beheerder van die weg en de verantwoordelijke voor
het bronbeleid.
Artikel 11.14
1. Een actieplan wordt voorbereid
met overeenkomstige toepassing van de in afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure, met dien verstande
dat in afwijking van artikel 3:15 van de Algemene wet
bestuursrecht, een ieder zienswijzen naar voren kan brengen.
2. Burgemeester en wethouders
stellen een actieplan niet vast dan nadat de gemeenteraad een
ontwerp van het actieplan is toegezonden en deze in de gelegenheid
is gesteld zijn wensen en zienswijze ter kennis van burgemeester
en wethouders te brengen.
Artikel 11.15
Artikel 11.9 is van overeenkomstige
toepassing op de vaststelling van actieplannen.
§ 11.2.4. Inlichtingen aan een
andere lidstaat van de Europese Unie
Artikel 11.16
1. Onze Minister, gedeputeerde
staten en burgemeester en wethouders verstrekken op verzoek van
een bevoegde autoriteit van een van de lidstaten van de Europese
Unie alle inlichtingen en gegevens waarover zij kunnen beschikken,
voor zover die voor het opstellen van een geluidsbelastingkaart in
de desbetreffende lidstaat noodzakelijk zijn. Op een dergelijk
verzoek verstrekt Onze Minister van Defensie de contourenkaarten,
bedoeld in artikel 10.23 van de Wet luchtvaart.
2. Artikel 11.7, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Titel 11.3. Wegen en spoorwegen met
geluidproductieplafonds
Afdeling 11.3.1. Algemeen
Artikel 11.17
1. Deze titel is van toepassing op
de wegen in het beheer van het Rijk en de hoofdspoorwegen, alsmede
de aan te leggen wegen in het beheer van het Rijk en
hoofdspoorwegen, die zijn aangegeven op de geluidplafondkaart.
2. Op de geluidplafondkaart kunnen
andere wegen en spoorwegen, alsmede aan te leggen wegen en
spoorwegen, worden aangegeven, waarop deze titel van toepassing
is.
Artikel 11.18
1. De geluidplafondkaart wordt bij
regeling van Onze Minister vastgesteld.
2. Onze Minister stelt de
geluidplafondkaart voor een ieder langs elektronische weg
beschikbaar.
Artikel 11.19
1. Aan weerszijden van een weg of
spoorweg of een geprojecteerde weg of spoorweg bevinden zich
referentiepunten.
2. Op elk referentiepunt geldt een
geluidproductieplafond:
a. dat tot stand gekomen is met
toepassing van artikel 11.45;
b. dat vastgesteld is op grond
van artikel 11.27, of
c. dat gewijzigd is op grond
van artikel 11.28.
3. In bijzondere gevallen bevinden
de referentiepunten zich langs een samenstel van wegen of
geprojecteerde wegen dan wel langs een samenstel van spoorwegen of
geprojecteerde spoorwegen. Voor de toepassing van titel 11.3 wordt
onder weg of spoorweg dan wel geprojecteerde weg of geprojecteerde
spoorweg een dergelijk samenstel van al dan niet geprojecteerde
wegen of spoorwegen begrepen.
4. Voor de toepassing van dit
hoofdstuk wordt onder een geluidproductieplafond als bedoeld in
het tweede lid, onder a of b, mede begrepen een
geluidproductieplafond dat is opgenomen in een tracébesluit, een
wegaanpassingsbesluit als bedoeld in artikel 5 van de Spoedwet
wegverbreding, of een geluidplan.
Afdeling 11.3.2. Naleving en
registratie van geluidproductieplafonds
§ 11.3.2.1. Naleving van de
geluidproductieplafonds
Artikel 11.20
De beheerder draagt zorg voor de
naleving van de geluidproductieplafonds.
Artikel 11.21
Een maatregel die de geluidoverdracht
vanwege een weg of spoorweg beperkt, wordt ten aanzien van de
naleving van de geluidproductieplafonds in de beschouwing betrokken,
indien zij in het geluidregister is opgenomen. De beheerder kan
daartoe een verzoek doen als bedoeld in artikel 11.31, tweede lid.
Artikel 11.22
1. De beheerder zendt voor 1
oktober van het kalenderjaar, volgend op het eerste kalenderjaar
waarin dit hoofdstuk het gehele jaar van toepassing is, en
vervolgens elk kalenderjaar voor 1 oktober, aan Onze Minister een
verslag met betrekking tot de naleving van de
geluidproductieplafonds in het voorafgaande kalenderjaar.
2. Onze Minister stelt het verslag,
vergezeld van zijn bevindingen, voor een ieder langs elektronische
weg beschikbaar.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
gegevens die het verslag ten minste bevat.
4. Tot de in het derde lid bedoelde
gegevens behoren in elk geval:
a. een vergelijking van de
hoogte van de berekende geluidproductie op de referentiepunten
met de geldende geluidproductieplafonds;
b. een overzicht van de weg- of
baanvakken waar de berekende geluidproductie op een of meer
referentiepunten 0,5 dB of minder onder het geldende
geluidproductieplafond ligt;
c. een verantwoording van de
validatie van de berekende waarden voor de referentiepunten,
waarbij de validatie in ieder geval plaatsvindt middels
steekproefsgewijze metingen door een onafhankelijke partij.
5. Onze Minister stelt nadere
regels omtrent de wijze waarop de geluidproductie, bedoeld in het
vierde lid, wordt berekend.
Artikel 11.23
1. Artikel 11.20 geldt niet met
betrekking tot geluidproductieplafonds voor een spoorweg, die tot
stand zijn gekomen met toepassing van artikel 11.45, waarvoor door
de beheerder op verzoek van een gerechtigde als bedoeld in artikel
57 van de Spoorwegwet extra capaciteit is verdeeld, indien:
a. op die spoorweg op een of
meer dagen in het kalenderjaar voorafgaand aan 1 juli 2012 een
of meer goederentreinen hebben gereden tussen 23.00 en 07.00
uur, en
b. de berekende geluidproductie
op de langs die spoorweg gelegen referentiepunten inclusief de
extra vervoerscapaciteit niet meer bedraagt dan 60 dB, en
c. er langs die spoorweg geen
overdrachtsmaatregelen aanwezig zijn.
2. Deze vrijstelling is eenmalig
voor een termijn van vier jaren met ingang van het kalenderjaar
waarin de extra capaciteit is verdeeld. De vrijstelling geldt
alleen voor de referentiepunten waarvoor de
geluidproductieplafonds sinds 1 juli 2012 niet zijn gewijzigd.
3. Een wijziging van een
geluidproductieplafond op grond van artikel 11.28, vierde lid,
wordt voor de toepassing van het tweede lid buiten beschouwing
gelaten.
4. De beheerder meldt onverwijld en
gemotiveerd aan Onze Minister dat:
a. hij een verzoek als bedoeld
in het eerste lid heeft ingewilligd;
b. daardoor een overschrijding
optreedt van een of meer geluidproductieplafonds langs het
daarbij aangegeven baanvak;
c. is voldaan aan de
voorwaarden van dit artikel.
5. Onze Minister doet mededeling
van de vrijstelling in de Staatscourant. De mededeling bevat ten
minste de kalenderjaren waarvoor de vrijstelling geldt, alsmede
een geografische omschrijving van het baanvak waarop de
vrijstelling betrekking heeft.
Artikel 11.24
1. Onze Minister kan op verzoek van
de beheerder in verband met bijzondere omstandigheden voor een
termijn van ten hoogste vijf jaar ontheffing verlenen van de
verplichting tot naleving van een geluidproductieplafond.
2. Onze Minister beslist binnen
vier weken na ontvangst van de aanvraag. Paragraaf 4.1.3.3 van de
Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
3. Onze Minister kan aan de
ontheffing voorschriften verbinden met betrekking tot:
a. de mate en de duur van de
overschrijding van het geluidproductieplafond;
b. het treffen van
geluidwerende maatregelen aan de gevel van een
geluidsgevoelige object, indien de ontheffing kan leiden tot
een overschrijding van de binnenwaarde voor het betrokken
geluidsgevoelig object met meer dan 5 dB.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
gegevens die bij de aanvraag worden verstrekt.
5. Onze Minister kan de
voorschriften die aan de ontheffing verbonden zijn, wijzigen of de
ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken, indien gewijzigde
omstandigheden daartoe aanleiding geven.
6. Onze Minister doet mededeling
van de ontheffing in de Staatscourant. De mededeling bevat ten
minste de kalenderjaren waarvoor de ontheffing geldt, alsmede een
geografische omschrijving van het baanvak of wegvak waarop de
ontheffing betrekking heeft.
7. De artikelen 11.37 en 11.39 zijn
van overeenkomstige toepassing.
§ 11.3.2.2. Het geluidregister
Artikel 11.25
1. Er is een openbaar
geluidregister dat gegevens bevat met betrekking tot de geldende
geluidproductieplafonds.
2. Voor zover in artikel 11.46,
tweede lid, niet anders is bepaald, worden de gegevens in het
register opgenomen op de dag van de bekendmaking van het besluit
tot vaststelling of wijziging van een geluidproductieplafond of
tot verlening of wijziging van een ontheffing dan wel op de dag
waarop mededeling wordt gedaan van een vrijstelling.
3. Tot de gegevens behoren ten
minste voor elk geluidproductieplafond:
a. het laatstelijk genomen
besluit waarbij het geluidproductieplafond is vastgesteld of
gewijzigd;
b. de ligging van de
referentiepunten;
c. de brongegevens;
d. indien van toepassing:
1°. de mededeling, bedoeld
in artikel 11.36 en artikel 11.63, derde lid;
2°. een krachtens artikel
11.23, vijfde lid, gepubliceerde vrijstelling;
3°. een krachtens artikel
11.24, eerste lid, verleende ontheffing.
4. In het geluidregister wordt
geregistreerd voor welke wegen en spoorwegen een saneringsplan is
vastgesteld.
5. Indien de werking van een
besluit tot verlaging van het geluidproductieplafond is opgeschort
op grond van artikel 11.63, derde lid, bevat het geluidregister in
afwijking van het derde lid de brongegevens met betrekking tot het
geluidproductieplafond opgenomen in dat besluit.
6. Het register wordt beheerd door
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
7. Het register is voor een ieder
langs elektronische weg toegankelijk.
8. Onze Minister kan nadere regels
stellen omtrent de inhoud, vorm en inrichting van het register,
alsmede omtrent de wijze waarop het register wordt beheerd,
bijgehouden en gecontroleerd.
Afdeling 11.3.3. Vaststelling of
wijziging van geluidproductieplafonds
§ 11.3.3.1. Algemeen
Artikel 11.26
[Dit artikel treedt niet meer in
werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2012/267.]
In deze afdeling wordt onder bevoegd
gezag verstaan: het bevoegd gezag, genoemd in artikel 11 van de
Tracéwet, dan wel indien de Tracéwet niet van toepassing is, de
Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 11.27
1. Onze Minister stelt een
geluidproductieplafond vast op elk daartoe door hem aangegeven
referentiepunt.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien op een referentiepunt reeds een
geluidproductieplafond geldt, dat tot stand is gekomen met
toepassing van artikel 11.45.
Artikel 11.28
1. Onze Minister kan een
geluidproductieplafond wijzigen. Ingeval een ambtshalve wijziging
geen deel uitmaakt van een tracébesluit, een
wegaanpassingsbesluit als bedoeld in artikel 5 van de Spoedwet
wegverbreding, of een geluidplan, zijn de artikelen 11.29 en 11.30
niet van toepassing.
2. Indien de beheerder een verzoek
heeft ingediend tot verhoging van een geluidproductieplafond,
wordt dat geluidproductieplafond niet verhoogd indien:
a. de beheerder niet heeft
voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 11.3, tweede
lid, of
b. het geldende
geluidproductieplafond naar redelijke verwachting niet binnen
een periode van tien jaar volledig zal worden benut.
3. Een geluidproductieplafond wordt
niet op verzoek verlaagd indien het gewijzigde
geluidproductieplafond na verlaging naar redelijke verwachting
binnen een periode van minder dan tien jaar volledig zou worden
benut.
4. Onze Minister kan op verzoek van
burgemeester en wethouders van een gemeente een
geluidproductieplafond verlagen, indien de gemeente voornemens is
een maatregel te treffen of te bekostigen dan wel een maatregel
heeft getroffen of bekostigd die de geluidsbelasting vanwege een
weg of spoorweg vermindert.
5. Artikel 11.29 is bij de
behandeling van een aanvraag als bedoeld in het vierde lid niet
van toepassing.
Artikel 11.29
1. Bij de voorbereiding van een
besluit omtrent het vaststellen of wijzigen van een
geluidproductieplafond neemt Onze Minister een geluidbeperkende
maatregel niet in aanmerking, indien het treffen daarvan:
a. financieel niet doelmatig is
met betrekking tot het beperken van de geluidsbelasting van
een of meer geluidsgevoelige objecten, dan wel
b. stuit op overwegende
bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige,
vervoerskundige, landschappelijke of technische aard.
2. Het eerste lid, aanhef en onder
a, is niet van toepassing, indien de beheerder Onze Minister
uitdrukkelijk verzoekt om bij de besluitvorming rekening te houden
met een door hem voorgestelde financieel niet doelmatige
geluidbeperkende maatregel.
3. Op uitdrukkelijk verzoek van de
beheerder houdt Onze Minister bij de voorbereiding van een besluit
omtrent het vaststellen of wijzigen van een geluidproductieplafond
rekening met een door de beheerder voorgestelde maatregel die niet
is aangewezen als geluidbeperkende maatregel.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de toepassing van
het criterium, bedoeld in het eerste lid, onder a.
Artikel 11.30
1. Onze Minister stelt een
geluidproductieplafond op een zodanige waarde vast dat de
geluidsbelasting die de geluidsgevoelige objecten vanwege de
betrokken weg of spoorweg ondervinden, de voorkeurswaarde niet
overschrijdt.
2. Bij wijziging wordt een
geluidproductieplafond op een zodanige waarde vastgesteld dat de
geluidsbelasting vanwege de weg of spoorweg niet hoger is dan de
geluidsbelasting, die de betrokken geluidsgevoelige objecten
vanwege die weg of spoorweg ondervinden bij volledige benutting
van het geldende geluidproductieplafond.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing, indien de geluidsbelasting na de wijziging van het
geluidproductieplafond de voorkeurswaarde niet overschrijdt.
4. Onze Minister kan afwijken van
het eerste of tweede lid, indien geen geluidbeperkende maatregelen
in aanmerking komen om aan die leden te voldoen. De afwijking
wordt zoveel mogelijk beperkt door het treffen van
geluidbeperkende maatregelen.
5. Onze Minister kan voorts
afwijken van het eerste of tweede lid, indien een geluidsgevoelig
object tevens een geluidsbelasting boven de voorkeurswaarde kan
ondervinden vanwege een andere geluidsbron die behoort tot een bij
ministeriële regeling aangegeven categorie. Artikel 11.29, eerste
lid, onder a, is niet van toepassing.
6. Bij de toepassing van het vierde
en vijfde lid wordt de maximale waarde niet overschreden.
7. Het zesde lid is niet van
toepassing indien in samenhang met het besluit tot het wijzigen
van een geluidproductieplafond een overschrijdingsbesluit als
bedoeld in artikel 11.49 wordt genomen.
§ 11.3.3.2. Procedures voor
vaststelling of wijziging van geluidproductieplafonds
Artikel 11.31
1. Vaststelling of wijziging van
een geluidproductieplafond geschiedt ambtshalve of op verzoek.
2. Een verzoek tot vaststelling of
wijziging van een geluidproductieplafond kan worden gedaan door de
beheerder van de betreffende weg of spoorweg.
3. Een verzoek tot wijziging van
een geluidproductieplafond kan tevens worden gedaan door
burgemeester en wethouders van de gemeente:
a. waarin het desbetreffende
referentiepunt is gelegen, of
b. waartoe gronden behoren die
zijn gelegen langs de betreffende weg of spoorweg binnen de
zone, bedoeld in hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
gegevens die bij de aanvraag worden verstrekt.
Artikel 11.32
Afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een besluit
tot vaststelling of wijziging van een geluidproductieplafond dat
wordt genomen op een verzoek als bedoeld in artikel 11.31, tweede of
derde lid. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een
ieder.
Artikel 11.33
1. Ter voorbereiding van een
besluit tot vaststelling of wijziging van een
geluidproductieplafond wordt een akoestisch onderzoek verricht.
2. Het akoestisch onderzoek heeft
betrekking op de geluidsbelasting die vanwege de weg of spoorweg
zou kunnen worden ondervonden door geluidsgevoelige objecten,
andere objecten en gebieden. Het onderzoek bevat een berekening
van de geluidproductie op elk betrokken referentiepunt.
3. Bij het berekenen van de
geluidproductie, bedoeld in het vorige lid, wordt uitgegaan van de
gemiddelde waarden over de technische levensduur van de weg of
spoorweg, welke zijn gevalideerd door metingen uitgevoerd door een
onafhankelijke partij.
4. Het akoestisch onderzoek wordt
uitgevoerd:
a. bij een ambtshalve besluit:
door de beheerder;
b. bij een besluit op verzoek:
door de aanvrager.
5. In afwijking van het vierde lid
wordt de geluidproductie op de referentiepunten in alle gevallen
berekend door de beheerder. De beheerder stelt de resultaten
desgevraagd ter beschikking van een aanvrager als bedoeld in het
derde lid, onder b.
6. Degene die het akoestisch
onderzoek uitvoert, doet tevens akoestisch onderzoek naar de
effecten van de samenloop van de geluidsbelasting van de weg of
spoorweg en een andere geluidsbron als bedoeld in artikel 11.30,
vijfde lid.
7. Onze Minister stelt nadere
regels omtrent:
a. de wijze waarop het
akoestisch onderzoek en de berekeningen worden uitgevoerd;
b. de situaties waarop het
akoestisch onderzoek en de berekeningen betrekking hebben;
c. de gevallen waarin
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat geen behoefte bestaat
aan een onderzoek naar de effecten van samenloop.
Artikel 11.34
Ter voorbereiding van een besluit tot
ambtshalve vaststelling of wijziging van een geluidproductieplafond
verstrekt de beheerder op verzoek van Onze Minister en binnen de
gestelde termijn, alle inlichtingen en gegevens die hij
redelijkerwijs nodig heeft ter voorbereiding van het besluit,
waaronder de resultaten van het akoestisch onderzoek en de
berekeningen, bedoeld in artikel 11.33.
Artikel 11.35
In het besluit tot vaststelling of
wijziging van een geluidproductieplafond wordt aangegeven welke
maatregelen met toepassing van artikel 11.29 bij de besluitvorming
in aanmerking zijn genomen.
Artikel 11.36
In een besluit tot verlaging van een
geluidproductieplafond, waarin overeenkomstig artikel 11.35
maatregelen zijn aangegeven, wordt bepaald dat de werking van het
besluit in afwijking van artikel 20.3 wordt opgeschort totdat Onze
Minister heeft medegedeeld dat de maatregelen ten genoegen van Onze
Minister zijn getroffen. Deze mededeling geschiedt op dezelfde wijze
als waarop van het besluit is kennisgegeven.
Artikel 11.37
Een afschrift van het besluit tot
vaststelling of wijziging van een geluidproductieplafond wordt
gezonden aan burgemeester en wethouders van de gemeente:
a. waarin het desbetreffende
referentiepunt is gelegen;
b. waartoe de gronden behoren die
zijn gelegen langs de desbetreffende weg of spoorweg binnen de
zone, bedoeld in hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder.
§ 11.3.3.3. De binnenwaarde
Artikel 11.38
1. Indien in een onherroepelijk
besluit tot vaststelling of wijziging van een
geluidproductieplafond toepassing is gegeven aan artikel 11.30,
vierde of vijfde lid, en het geluidproductieplafond een zodanige
waarde heeft dat de binnenwaarde bij volledige benutting van het
geluidproductieplafond wordt overschreden, treft de beheerder
geluidwerende maatregelen.
2. De verplichting, bedoeld in het
eerste lid, strekt ertoe dat binnen een termijn van twee jaar
nadat het besluit onherroepelijk is geworden de geluidsbelasting
binnen de geluidsgevoelige ruimten van het betreffende
geluidsgevoelige object wordt teruggebracht tot een waarde die ten
minste 3 dB is gelegen onder de binnenwaarde.
3. Onze Minister kan op verzoek van
de beheerder een andere termijn vaststellen waarbinnen de
maatregelen worden getroffen.
4. Indien een
geluidproductieplafond wordt verlaagd, is dit artikel uitsluitend
van toepassing ten aanzien van geluidsgevoelige objecten waarvan
de geluidsbelasting vanwege de weg of spoorweg toeneemt bij
volledige benutting van het verlaagde geluidproductieplafond.
Artikel 11.39
1. Indien de rechthebbende ten
aanzien van een geluidsgevoelig object niet heeft toegestemd mee
te werken aan maatregelen die moeten worden getroffen ingevolge
artikel 11.38, eerste lid, verklaart Onze Minister, op verzoek van
de beheerder, de verplichting, bedoeld in artikel 11.38, eerste
lid, vervallen.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
wijze waarop aan de rechthebbende wordt verzocht om mee te werken
aan de realisatie van de maatregelen en de wijze waarop deze zijn
toestemming verleent of onthoudt.
3. Onze Minister zendt een
afschrift van de vervallenverklaring bij aangetekend schrijven aan
de rechthebbende.
4. Onze Minister zendt onverwijld
een afschrift van de vervallenverklaring aan de Dienst voor het
kadaster en de openbare registers ter inschrijving van die
verklaring in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van
titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. De artikelen 24,
eerste lid, en 26 van Boek 3 van dat wetboek zijn niet van
toepassing.
§ 11.3.3.4. Verdere bepalingen
omtrent vaststelling en wijziging van geluidproductieplafonds
Artikel 11.40
De artikelen 11.30 en 11.38 zijn niet
van toepassing op een geluidsgevoelig object met betrekking waartoe
met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering een hogere
geluidsbelasting is toegestaan dan de wettelijke maximumwaarde
ingevolge de Wet geluidhinder.
Artikel 11.41
Bij vaststelling of wijziging van een
geluidproductieplafond wordt de geluidproductie vanwege een
spoorwegemplacement als bedoeld in het Besluit omgevingsrecht,
bijlage I, onderdeel C, categorie 14.1, alleen betrokken voor zover
op die geluidproductie de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en
hoofdstuk 8 niet van toepassing zijn.
Artikel 11.42
1. Het tweede tot en met vijfde lid
zijn van toepassing indien een verzoek tot wijziging van een
geluidproductieplafond of een wijziging van een
geluidproductieplafond in het kader van een tracébesluit
betrekking heeft op een weg of spoorweg waarvoor de beheerder op
grond van artikel 11.56, eerste lid, een verzoek tot vaststelling
van een saneringsplan moet doen, en er voor deze weg of spoorweg
nog niet eerder een saneringsplan is vastgesteld.
2. In afwijking van artikel 11.30,
tweede lid, wordt het geluidproductieplafond op een zodanige
waarde vastgesteld dat op saneringsobjecten de geluidsbelasting
vanwege de weg of spoorweg niet hoger is dan de streefwaarde,
bedoeld in artikel 11.59, eerste lid, dan wel de overeenkomstig
artikel 11.59, tweede lid, gereduceerde geluidsbelasting.
3. Artikel 11.30, derde tot en met
zevende lid, is voor een saneringsobject van toepassing, met dien
verstande dat:
a. in het vierde en vijfde lid
van dat artikel in plaats van «het eerste of tweede lid»
wordt gelezen: het tweede lid van artikel 11.42;
b. het zesde lid slechts van
toepassing is indien toepassing van het vierde of vijfde lid
ertoe leidt dat de geluidsbelasting bij volledige benutting
van het gewijzigde geluidproductieplafond hoger is dan de
geluidsbelasting die de betrokken geluidsgevoelige objecten
vanwege de weg of spoorweg ondervinden bij volledige benutting
van het geldende geluidproductieplafond.
4. Voor saneringsobjecten zijn de
artikelen 11.64 en 11.65 van overeenkomstige toepassing en is
artikel 11.38 niet van toepassing.
5. In afwijking van artikel 11.64,
derde lid, worden de geluidwerende maatregelen, bedoeld in artikel
11.64, eerste lid en tweede lid, getroffen uiterlijk twee jaar na
het onherroepelijk worden van het besluit tot wijziging van het
geluidproductieplafond.
Artikel 11.43
1. Voor zover de in artikel 11.35
bedoelde maatregelen en het bestemmingsplan, of de
beheersverordening niet met elkaar in overeenstemming zijn, geldt
het besluit tot vaststelling of wijziging van het
geluidproductieplafond voor de uitvoering van de daarin opgenomen
maatregelen als een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van
artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de
beheersverordening wordt afgeweken.
2. Voor zover een bestemmingsplan
of een ander besluit een omgevingsvergunning voor een
aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b,
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist, geldt
zodanige eis niet voor de uitvoering van de in het eerste lid
bedoelde maatregelen.
Afdeling 11.3.4.
Geluidproductieplafonds voor op «datum van inwerkingtreding van
deze wet» bestaande of geprojecteerde wegen en spoorwegen
§ 11.3.4.1. Het tot stand komen van
de geluidproductieplafonds
Artikel 11.44
Deze afdeling is van toepassing op
geluidproductieplafonds die tot stand zijn gekomen met toepassing
van artikel 11.45 voor een op 1 juli 2012 bestaande weg of spoorweg
en geprojecteerde weg of spoorweg, die wordt geplaatst op de
geluidplafondkaart.
Artikel 11.45
1. De geluidproductieplafonds voor
de wegen of spoorwegen, bedoeld in artikel 11.44, zijn de over de
door Onze Minister aangewezen referentieperiode door hem berekende
heersende geluidproducties op de daartoe door hem aangegeven
referentiepunten, vermeerderd met 1,5 dB.
2. In afwijking van het eerste lid
zijn de geluidproductieplafonds voor bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen wegen of spoorwegen de in die maatregel
aangegeven, of de op basis van de in de maatregel aangegeven
gegevens door Onze Minister berekende, geluidproducties op de
desbetreffende referentiepunten.
3. In afwijking van het eerste lid
zijn voor een spoorweg waarvan de heersende geluidproductie op
referentiepunten lager is dan 50,5 dB, en waarlangs geen
geluidbeperkende maatregelen aanwezig zijn, de
geluidproductieplafonds op 1 juli 2012 52,0 dB.
4. De heersende geluidproductie
wordt met betrekking tot bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen wegen, bepaald op basis van de situatie waarbij een
daarbij aangegeven wegdek is aangebracht.
5. Indien de heersende
geluidproductie op een referentiepunt langs een weg als bedoeld in
het vierde lid, blijkens het verslag hoger is dan het krachtens
het vierde lid berekende geluidproductieplafond, geldt voor het
betreffende referentiepunt een vrijstelling van artikel 11.20
totdat door vervanging van de wegverharding het
geluidproductieplafond wordt nageleefd, maar uiterlijk tot 1
januari 2016.
6. Een vrijstelling van artikel
11.20 geldt voor geluidproductieplafonds die op grond van het
tweede lid zijn bepaald met inachtneming van het effect van nog te
treffen maatregelen. De vrijstelling geldt tot het moment waarop
de maatregelen zijn uitgevoerd, of uiterlijk tot het moment waarop
de maatregelen moeten zijn uitgevoerd ingevolge het besluit op
grond waarvan zij moeten worden getroffen.
Artikel 11.46
1. Onze Minister stelt nadere
regels omtrent de wijze waarop de geluidproductie, bedoeld in
artikel 11.45, wordt berekend.
2. In afwijking van artikel 11.25,
tweede en derde lid, worden ten minste de navolgende gegevens in
het geluidregister opgenomen op 1 juli 2012:
a. de ligging van de
referentiepunten, bedoeld in artikel 11.45, eerste tot en met
derde lid;
b. de heersende geluidproductie
op elk van die referentiepunten;
c. de hoogte van het
geluidproductieplafond op elk van die referentiepunten;
d. een vermelding van het lid
van artikel 11.45 met toepassing waarvan elk van die
geluidproductieplafonds tot stand is gekomen;
e. de brongegevens die behoren
bij elk van deze geluidproductieplafonds.
§ 11.3.4.2. Bijzondere bepalingen
met betrekking tot het wijzigen van geluidproductieplafonds die tot
stand zijn gekomen met toepassing van artikel 11.45, eerste lid
Artikel 11.47
1. De artikelen 11.30, 11.32 en
11.38 blijven buiten toepassing indien een geluidproductieplafond
wordt gewijzigd omdat:
a. onjuiste brongegevens met
betrekking tot de weg of spoorweg zijn opgenomen in het
geluidregister, bedoeld in artikel 11.25;
b. het geluidproductieplafond
niet overeenkomt met de brongegevens.
2. In een geval als bedoeld in het
eerste lid, kan Onze Minister besluiten dat de beheerder
geluidbeperkende of geluidwerende maatregelen treft ten behoeve
van geluidsgevoelige objecten die geprojecteerd zijn na 1 juli
2012. De artikelen 11.29, 11.39 en 11.43 zijn van overeenkomstige
toepassing.
3. Onze Minister kan een termijn
stellen waarbinnen de beheerder de maatregelen treft.
Artikel 11.48
1. Tot 18 juli 2018 wordt een
geluidproductieplafond op verzoek van burgemeester en wethouders
van een gemeente slechts verlaagd in verband met door die gemeente
te treffen of te bekostigen dan wel getroffen of bekostigde
maatregelen tot verlaging van de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten.
2. In afwijking van het eerste lid
kan verlaging van een geluidproductieplafond op verzoek van
burgemeester en wethouders van een gemeente eerder dan 18 juli
2018 plaatsvinden, indien uit de gegevens van het verslag, bedoeld
in artikel 11.22, vierde lid, onder a, blijkt dat de berekende
geluidproductie ten minste 5 dB lager is dan het geldende
geluidproductieplafond.
3. Onze Minister overweegt in het
actieplan dat in 2018 wordt vastgesteld, of de
geluidproductieplafonds, bedoeld in artikel 11.45, eerste lid,
gelet op de geluidproductie van de weg of spoorweg, kunnen worden
verlaagd.
Afdeling 11.3.5. Overschrijding van
de maximale waarde
Artikel 11.49
1. Onze Minister kan op verzoek van
de beheerder een besluit nemen, inhoudende dat het naar hun
oordeel onvermijdelijk is om met toepassing van artikel 11.30,
zevende lid, een geluidproductieplafond zodanig te wijzigen dat
een geluidsgevoelig object vanwege een weg of spoorweg bij
volledige benutting van dat plafond een geluidsbelasting
ondervindt die de maximale waarde overschrijdt.
2. Een overschrijdingsbesluit als
bedoeld in het eerste lid kan slechts worden genomen, indien:
a. een geluidproductieplafond:
1°. niet kan worden
nageleefd met maatregelen die ingevolge artikel 11.29,
eerste lid, in aanmerking komen;
2°. ingevolge artikel
11.30, zesde lid, niet kan worden gewijzigd,
3°. niet kan worden
nageleefd met toepassing van de maatregelen, bedoeld in
artikel 11.50, eerste lid, en
b. voor de overschrijding van
het geluidproductieplafond geen ontheffing van de verplichting
tot naleving van het geluidproductieplafond, bedoeld in
artikel 11.24, kan worden verleend.
3. Onze Minister kan aan een
overschrijdingsbesluit voorschriften verbinden, inhoudende dat de
beheerder binnen een daarbij aangegeven termijn maatregelen treft
die de geluidsbelasting vanwege de weg of spoorweg beperken.
4. Toepassing van het eerste lid
laat de toepasselijkheid van de artikelen 11.38 en 11.39 onverlet.
Artikel 11.50
1. In een overschrijdingsbesluit
wordt gemotiveerd aangegeven op welke gronden de volgende
maatregelen in het specifieke geval in redelijkheid te kostbaar
zijn, of op maatschappelijke bezwaren of de bezwaren, genoemd in
artikel 11.29, eerste lid, onder b, stuiten, dan wel niet geschikt
of niet voldoende zijn om de overschrijding van de maximale
waarde, of een verdere toename van die overschrijding, te
voorkomen:
a. een minnelijke overeenkomst
met de rechthebbende over:
1°. het nemen van
bouwkundige maatregelen met betrekking tot een
geluidsgevoelig object of een wijziging van de bestemming
of functie van het geluidsgevoelige object, tegen
vergoeding van de kosten daarvan, of
2°. de aankoop van het
geluidsgevoelige object;
b. het treffen van andere
maatregelen tot verlaging van de geluidsbelasting dan
geluidbeperkende maatregelen;
c. het treffen van
geluidbeperkende maatregelen die financieel niet doelmatig
zijn als bedoeld in artikel 11.29;
d. het gaan voldoen aan de
akoestische kwaliteit, bedoeld in artikel 11.3, terwijl geen
sprake is van aanleg of vervanging;
e. onteigening van het
geluidsgevoelige object.
2. De beheerder verstrekt bij een
verzoek om een overschrijdingsbesluit alle inlichtingen en
gegevens die noodzakelijk zijn voor de voorbereiding en motivering
van het overschrijdingsbesluit.
3. Indien het verzoek om een
overschrijdingsbesluit wordt geweigerd, bevordert Onze Minister de
naleving van de geldende geluidproductieplafonds door:
a. het benutten van zijn
wettelijke bevoegdheden met het oog op het treffen van
maatregelen als bedoeld in het eerste lid, of
b. het ter beschikking stellen
van budget voor het treffen van bedoelde maatregelen, voor
zover de kosten van die maatregelen redelijkerwijze niet ten
laste van de beheerder behoren te komen.
4. Indien de beheerder ingevolge
het derde lid van artikel 11.49 een of meer maatregelen als
bedoeld in het eerste lid moet treffen, bevordert Onze Minister
het treffen van die maatregelen op de wijze, aangegeven in het
derde lid, onder a en b.
Artikel 11.51
1. Indien een belanghebbende ten
gevolge van een overschrijdingsbesluit schade lijdt of zal lijden,
die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te
blijven en ten aanzien waarvan de vergoeding niet of niet
voldoende anderszins is verzekerd, kent Onze Minister hem op zijn
verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
2. Bij regeling van Onze Minister
kunnen regels worden gesteld omtrent de indiening en afhandeling
van een verzoek om schadevergoeding.
Artikel 11.52
1. De voorbereiding en het nemen
van een overschrijdingsbesluit vinden gelijktijdig plaats met de
voorbereiding en het nemen van het besluit tot wijziging van een
geluidproductieplafond.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot het weigeren van de
in dat lid bedoelde besluiten.
3. De artikelen 11.32 en 11.37 zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11.53
1. Onze Minister zendt onverwijld
een afschrift van het overschrijdingsbesluit aan de Dienst voor
het kadaster en de openbare registers ter inschrijving van dat
besluit in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel
1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. De artikelen 24, eerste
lid, en 26 van Boek 3 van dat wetboek zijn niet van toepassing.
2. Indien een
overschrijdingsbesluit ingevolge een besluit of uitspraak in
rechte is vernietigd, is ingetrokken of gewijzigd, doet Onze
Minister daarvan mededeling aan de Dienst, bedoeld in het eerste
lid. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11.54
1. Onze Minister kan een
overschrijdingsbesluit wijzigen of intrekken.
2. Op een besluit tot wijziging van
een overschrijdingsbesluit zijn de artikelen 11.50, 11.51, 11.52
en 11.53 van overeenkomstige toepassing.
3. Op een besluit tot intrekking
van een overschrijdingsbesluit zijn de artikelen 11.52 en 11.53
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11.55
1. Voor de mogelijkheid van beroep
worden als één besluit aangemerkt het overschrijdingsbesluit en
het besluit tot wijziging van het geluidproductieplafond, dan wel
de weigering om deze besluiten te nemen.
2. Indien het
overschrijdingsbesluit wordt vernietigd, vervalt het besluit tot
wijziging van het geluidproductieplafond van rechtswege.
Afdeling 11.3.6. Sanering
Artikel 11.56
1. De beheerder van een weg of
spoorweg waarvoor de geluidproductieplafonds tot stand zijn
gekomen met toepassing van artikel 11.45, eerste lid, doet
uiterlijk 31 december 2020 een verzoek aan Onze Minister tot
vaststelling van een saneringsplan.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op een weg of spoorweg waarvoor de
geluidproductieplafonds tot stand zijn gekomen met toepassing van
artikel 11.45, tweede lid, voor zover dit is aangegeven bij
algemene maatregel van bestuur.
3. Bij het verzoek worden ten
minste overgelegd:
a. een akoestisch onderzoek
naar de geluidsbelasting die vanwege de weg of spoorweg bij
volledige benutting van de geluidproductieplafonds wordt
ondervonden door saneringsobjecten;
b. het mede op basis van het
akoestisch onderzoek opgesteld voorstel voor een
saneringsplan;
c. een planning voor de
uitvoering van het saneringsplan;
d. een voorstel voor de
saneringsmaatregelen, bedoeld in artikel 11.59.
4. Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de gegevens die bij
het verzoek worden overgelegd.
5. Op het akoestisch onderzoek is
artikel 11.33, tweede en zevende lid, van overeenkomstige
toepassing.
6. Dit artikel is niet van
toepassing op wegen en spoorwegen met betrekking waartoe
toepassing is gegeven aan artikel 11.42.
Artikel 11.57
1. Saneringsobjecten zijn objecten
die vallen onder een of meer van de volgende categorieën:
a. woningen en andere
geluidsgevoelige objecten langs wegen en spoorwegen die op de
geluidplafondkaart zijn aangegeven, die op grond van artikel
88 van de Wet geluidhinder, zoals dat luidde voor 1 januari
2007, of artikel 4.17 van het Besluit geluidhinder bij Onze
Minister tijdig zijn gemeld, voor zover deze nog niet zijn
gesaneerd, en de geluidsbelasting bij volledige benutting van
de geluidproductieplafonds hoger is dan 60 dB als het een weg
betreft of 65 dB als het een spoorweg betreft,
b. woningen alsmede in een
bestemmingsplan opgenomen ligplaatsen voor woonschepen en
standplaatsen voor woonwagens, waarvan de geluidsbelasting
vanwege een in artikel 11.56 bedoelde weg of spoorweg bij
volledige benutting van de geluidproductieplafonds hoger is
dan 65 dB als het een weg betreft of 70 dB als het een
spoorweg betreft,
c. woningen alsmede in een
bestemmingsplan opgenomen ligplaatsen voor woonschepen en
standplaatsen voor woonwagens, waarvan de geluidsbelasting
vanwege bij algemene maatregel van bestuur genoemde delen van
wegen of spoorwegen bij volledige benutting van de
geluidproductieplafonds hoger is dan 55 dB als het een weg
betreft of 60 dB als het een spoorweg betreft.
2. Onder saneringsobjecten als
bedoeld in het eerste lid worden niet verstaan geluidsgevoelige
objecten met betrekking waartoe met toepassing van de Interimwet
stad-en-milieubenadering een hogere geluidsbelasting is toegestaan
dan de wettelijke maximumwaarde ingevolge de Wet geluidhinder.
Artikel 11.58
1. Een saneringsplan kan betrekking
hebben op een of meer delen van wegen of spoorwegen.
2. Voor een deel van een weg of
spoorweg wordt slechts eenmaal een saneringsplan vastgesteld.
Artikel 11.59
1. Een saneringsplan bevat voor
saneringsobjecten de maatregelen die met toepassing van artikel
11.29 in aanmerking zijn genomen om de geluidsbelasting vanwege de
desbetreffende weg of spoorweg bij volledige benutting van de
geluidproductieplafonds op de gevel van de saneringsobjecten te
beperken tot de streefwaarde van 60 dB als het een weg betreft of
65 dB als het een spoorweg betreft.
2. In afwijking van het eerste lid
bevat een saneringsplan de maatregelen die met toepassing van
artikel 11.29 in aanmerking zijn genomen om de geluidsbelasting
vanwege de desbetreffende weg of spoorweg op de gevel van de
saneringsobjecten die voldoen aan artikel 11.57, eerste lid, onder
c, met minimaal 5 dB te reduceren, tenzij toepassing van het
eerste lid leidt tot een lagere geluidsbelasting.
3. Een saneringsplan kan voor
saneringsobjecten voorts andere in aanmerking komende
saneringsmaatregelen bevatten.
Artikel 11.60
1. Een saneringsplan wordt
vastgesteld door Onze Minister.
2. Op de voorbereiding van de
vaststelling van een saneringplan is afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Zienswijzen
kunnen naar voren worden gebracht door eenieder.
3. Bij zijn beslissing geeft Onze
Minister aan binnen hoeveel tijd na het onherroepelijk worden van
het saneringsplan, de saneringsmaatregelen uit het saneringsplan
getroffen moeten zijn.
4. Artikel 11.37 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 11.61
In bijzondere gevallen kan Onze
Minister het saneringsplan of de termijn waarbinnen de
saneringsmaatregelen uit het saneringsplan getroffen moeten zijn,
wijzigen.
Artikel 11.62
1. Voor zover de in een vastgesteld
saneringsplan opgenomen saneringsmaatregelen en het
bestemmingsplan of de beheersverordening niet met elkaar in
overeenstemming zijn, geldt het besluit tot vaststelling van het
saneringsplan voor de uitvoering van de daarin opgenomen
saneringsmaatregelen als een omgevingsvergunning waarbij met
toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan
of de beheersverordening wordt afgeweken.
2. Artikel 11.43, tweede en derde
lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11.63
1. Indien de saneringsmaatregelen,
bedoeld in artikel 11.59, eerste of tweede lid, leiden tot een
verlaging van de geluidsbelasting van de saneringsobjecten, doet
de beheerder gelijktijdig met het verzoek, bedoeld in artikel
11.56, eerste lid, een verzoek tot een verlaging van de betrokken
geluidproductieplafonds overeenkomstig het geluideffect van die
maatregelen.
2. De voorbereiding, het nemen en
het ter inzage leggen van een wijziging van een
geluidproductieplafond als bedoeld in het eerste lid vinden
gelijktijdig plaats met de voorbereiding, het vaststellen en het
ter inzage leggen van het saneringsplan waarop die wijziging
betrekking heeft.
3. In afwijking van artikel 11.36
wordt in het besluit tot verlaging bepaald dat de werking van het
besluit wordt opgeschort tot het eerste van de volgende
tijdstippen:
a. het tijdstip waarop Onze
Minister heeft medegedeeld dat de ingevolge het saneringsplan
te treffen maatregelen ten genoegen van het bevoegd gezag zijn
getroffen, of
b. het tijdstip met ingang
waarvan de maatregelen ingevolge artikel 11.60, derde lid,
eventueel verlengd overeenkomstig artikel 11.61, getroffen
moeten zijn.
4. In afwijking van het derde lid
heeft een verzoek tot wijziging van een betrokken
geluidproductieplafond dat wordt gedaan tussen het besluit tot
verlaging, bedoeld in het tweede lid, en het tijdstip waarop de
laatstgenoemde verlaging gaat werken, betrekking op de waarde van
het geluidproductieplafond na het gaan werken van deze verlaging.
5. Op het besluit tot verlaging van
het geluidproductieplafond zijn de artikelen 11.29, 11.30, 11.33,
11.35 en 11.38 niet van toepassing.
6. De mededeling, bedoeld in het
derde lid, onder a, geschiedt op dezelfde wijze als waarop is
kennisgegeven van het besluit.
7. Voor de mogelijkheid van beroep
worden als één besluit aangemerkt een wijziging van een
geluidproductieplafond als bedoeld in het eerste lid en het
vaststellen van het saneringsplan waarop die wijziging betrekking
heeft.
8. Indien het saneringsplan wordt
vernietigd, vervalt het besluit tot wijziging van het
geluidproductieplafond van rechtswege.
Artikel 11.64
1. Indien bij volledige benutting
van het op grond van artikel 11.63 gewijzigde
geluidproductieplafond de geluidsbelasting van een saneringsobject
hoger is dan de in artikel 11.59, eerste lid, genoemde
streefwaarde, en de binnenwaarde wordt overschreden, treft de
beheerder geluidwerende maatregelen.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing indien geen maatregelen in aanmerking
komen om de geluidsbelasting van een saneringsobject te beperken
tot de in artikel 11.59, eerste lid, genoemde streefwaarde, en de
binnenwaarde wordt overschreden.
3. De verplichting, bedoeld in het
eerste lid, strekt ertoe dat uiterlijk 31 december 2021 de
geluidsbelasting binnen de geluidsgevoelige ruimten van het
betreffende saneringsobject wordt teruggebracht tot een waarde die
ten minste 3 dB is gelegen onder de binnenwaarde.
4. Onze Minister kan op verzoek van
de beheerder een andere termijn vaststellen waarbinnen de
maatregelen worden getroffen.
5. Artikel 11.39 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 11.65
1. Op saneringsobjecten waarop de
geluidsbelasting, vanwege de weg of spoorweg, bij volledige
benutting van het op grond van artikel 11.63 gewijzigde
geluidproductieplafond, de maximale waarde overschrijdt, zijn het
tweede en derde lid van toepassing.
2. Onze Minister zendt onverwijld
een afschrift van het besluit inzake wijziging van het
geluidproductieplafond aan de Dienst voor het kadaster en de
openbare registers ter inschrijving van dat besluit in de openbare
registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek. De artikelen 24, eerste lid, en 26 van Boek 3
van dat wetboek zijn niet van toepassing.
3. Indien de geluidsbelasting
vanwege de weg of spoorweg, voor een saneringsobject als bedoeld
in het eerste lid niet meer de maximale waarde zal overschrijden
ingevolge een besluit tot wijziging van een
geluidproductieplafond, doet Onze Minister daarvan mededeling aan
de Dienst, bedoeld in het tweede lid. Het tweede lid is van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 11.3.7. Overige bepalingen
Artikel 11.66
Onze Minister zenden op 1 juli 2022
aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van dit hoofdstuk in de praktijk.
Hoofdstuk 11a. Andere handelingen
Titel 11a.1. Kwaliteit van
werkzaamheden en integriteit van degenen die deze werkzaamheden
uitvoeren
Artikel 11a.1
In deze titel wordt, voor zover het
onderdelen van het milieubeleid betreft die tot de
verantwoordelijkheid behoren van Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat, onder Onze betrokken Minister verstaan: Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 11a.2
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen ter bevordering van de kwaliteit van
bij of krachtens de maatregel aangewezen werkzaamheden als bedoeld
in het tweede lid, en ter bevordering van de integriteit van
degenen die deze werkzaamheden uitvoeren, regels worden gesteld,
die nodig zijn in verband met de bescherming van het milieu.
2. Werkzaamheden als bedoeld in het
eerste lid zijn:
a. het verrichten van
berekeningen, metingen of tellingen;
b. het nemen of analyseren van
monsters of het anderszins verrichten van onderzoek naar de
aard of mate van verontreinigingen in stoffen, producten,
afvalstoffen, afvalwater, lucht, oppervlaktewater, grond,
organismen of bodem;
c. het beperken, ongedaan maken
of anderszins saneren van een verontreiniging in stoffen,
producten, afvalstoffen, afvalwater, lucht, oppervlaktewater,
grond of bodem;
d. het beoordelen of
inspecteren van stoffen, producten, voorzieningen of
installaties;
e. het toepassen of geschikt
maken voor toepassing, van stoffen, producten of afvalstoffen
in een werk of het uitvoeren van een werk op of in de bodem;
f. het houden van toezicht op
of het voorbereiden of begeleiden van werkzaamheden als
bedoeld in de onderdelen a tot en met e;
g. bemiddelen bij, beoordelen
van of adviseren of rapporteren over werkzaamheden als bedoeld
in de onderdelen a tot en met f;
h. het afgeven, wijzigen,
schorsen, intrekken of weigeren van certificaten, of
i. werkzaamheden met betrekking
tot een bodemenergiesysteem.
3. Tot de bij een maatregel
krachtens het eerste lid te stellen regels kunnen behoren regels,
inhoudende een verbod een aangewezen werkzaamheid uit te voeren
zonder dat voor die werkzaamheid wordt beschikt over:
a. een erkenning waarmee Onze
Minister, in overeenstemming met Onze betrokken Minister, of
een bij de maatregel aangewezen instantie, heeft vastgesteld
dat degene die een werkzaamheid als bedoeld in het eerste lid
uitvoert voldoet aan bij of krachtens de maatregel gestelde
eisen met betrekking tot onafhankelijkheid, deskundigheid,
bekwaamheid, betrouwbaarheid, financiële draagkracht of
andere eisen waarmee de kwaliteit van de werkzaamheden en de
integriteit van degene die een werkzaamheid uitvoert kan
worden bevorderd;
b. een certificaat waarmee een
krachtens onderdeel a erkende certificeringsinstelling kenbaar
heeft gemaakt dat er gedurende een bepaalde periode een
gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat een natuurlijk persoon
of rechtspersoon voldoet aan de voor de certificering geldende
normen met betrekking tot deskundigheid, bekwaamheid, het
kwaliteitssysteem, de interne kwaliteitsbewaking,
werkinstructies, klachtbehandeling of andere normen waarmee de
kwaliteit van de werkzaamheden kan worden bevorderd;
c. een accreditatie waarmee de
Stichting Raad voor Accreditatie te Utrecht kenbaar heeft
gemaakt dat er gedurende een bepaalde periode een
gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat een
certificeringsinstelling, een inspectie-instelling, een
laboratorium of een andere instelling competent is voor het
uitvoeren van de desbetreffende werkzaamheid en dat wordt
voldaan aan eisen omtrent de onafhankelijkheid,
onpartijdigheid, continuïteit of andere eisen waarmee de
kwaliteit van de werkzaamheden kan worden bevorderd.
4. Tot de bij een maatregel
krachtens het eerste lid te stellen regels kunnen tevens behoren
regels, inhoudende de verplichting:
a. te handelen overeenkomstig
de aan de erkenning verbonden voorschriften;
b. te handelen overeenkomstig
het voor de desbetreffende werkzaamheid bij of krachtens de
maatregel aangewezen document;
c. te handelen overeenkomstig
bij of krachtens de maatregel gestelde eisen omtrent de
onafhankelijkheid, deskundigheid, bekwaamheid,
betrouwbaarheid, financiële draagkracht of andere eisen
waarmee de kwaliteit van de werkzaamheden en de integriteit
van degene die een werkzaamheid uitvoert kan worden bevorderd;
d. van een intrekking of een
schorsing van een certificaat of een accreditatie een
kennisgeving te doen aan Onze Minister of een bij de maatregel
aangewezen instantie.
5. Indien toepassing wordt gegeven
aan het derde lid, aanhef en onderdeel a, worden bij de maatregel
regels gesteld met betrekking tot:
a. de wijze waarop de aanvraag
voor een erkenning moet geschieden en de gegevens die door de
aanvrager moeten worden verstrekt met het oog op de beslissing
op de aanvraag;
b. de gronden waarop en de
voorwaarden waaronder Onze Minister, in overeenstemming met
Onze betrokken Minister, of een bij de maatregel aangewezen
instantie, een erkenning kan verlenen, wijzigen, weigeren,
schorsen of intrekken, en
c. de termijn waarvoor een
erkenning kan worden verleend of geschorst.
6. Onze Minister kan, in
overeenstemming met Onze betrokken Minister, voor daarbij
aangegeven categorieën van werkzaamheden of categorieën van
natuurlijke personen, rechtspersonen of instellingen die
werkzaamheden verrichten, vrijstelling verlenen van krachtens het
derde tot en met vijfde lid gestelde regels, voor zover het belang
van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
Artikel 11a.3
Voor zover uitvoering is gegeven aan
artikel 11A.2, eerste en derde lid, kan bij de maatregel worden
bepaald dat in bij de maatregel aangegeven gevallen:
a. het bevoegd gezag een aanvraag
om een beschikking die bij of krachtens deze wet, dan wel bij of
krachtens de in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wetten wordt
gegeven, niet in behandeling neemt indien daarbij gegevens zijn
gevoegd die afkomstig zijn van een natuurlijk persoon,
rechtspersoon of instelling die in strijd heeft gehandeld met
artikel 11A.2, derde lid;
b. ter voldoening aan een bij of
krachtens deze wet, dan wel bij of krachtens de in artikel 13.1,
tweede lid, genoemde wetten geldende verplichting geen gegevens
worden verstrekt die afkomstig zijn van een natuurlijk persoon,
rechtspersoon of instelling die in strijd heeft gehandeld met
artikel 11A.2, derde lid.
Hoofdstuk 12. Verslag-, registratie-
en meetverplichtingen
Titel 12.1. Registers beschermde
gebieden
Artikel 12.1 [Vervallen per
01-07-2009]
Artikel 12.2 [Vervallen per
30-06-2005]
Artikel 12.3 [Vervallen per
30-06-2005]
Artikel 12.4 [Vervallen per
01-07-2009]
Artikel 12.5 [Vervallen per
01-07-2009]
Artikel 12.6 [Vervallen per
01-07-2009]
Artikel 12.7 [Vervallen per
01-07-2009]
Artikel 12.8 [Vervallen per
01-07-2009]
Artikel 12.9 [Vervallen per
01-07-2009]
Artikel 12.10
1. Onze Minister, Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat, Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit, provinciale besturen, gemeentebesturen alsmede
beheerders als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet, dragen er
zorg voor dat overeenkomstig artikel 6 van de kaderrichtlijn water
één of meer registers worden bijgehouden van de in bijlage IV
van de kaderrichtlijn water bedoelde beschermde gebieden, voor
zover die gebieden onder hun beheer vallen.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld aangaande de
registers. Daarbij kan, in afwijking van het eerste lid, worden
voorzien in de mogelijkheid dat de registratie van beschermde
gebieden wordt gedaan door provinciale besturen dan wel Onze in
het eerste lid genoemde ministers, mede als het gaat om gebieden
die in beheer zijn bij andere bestuursorganen.
Titel 12.2. Registratie gegevens
externe veiligheid inrichtingen, transportroutes en buisleidingen
Artikel 12.11
1. In deze titel en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. bevoegd gezag:
1°. bestuursorgaan dat
bevoegd is een omgevingsvergunning voor een inrichting te
verlenen;
2°. bestuursorgaan waaraan
krachtens artikel 8.41, tweede lid, onder a, een melding
wordt gericht;
3°. Onze Minister voor
zover de bevoegdheid tot vergunningverlening betrekking
heeft op inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b,
van de Kernenergiewet;
4°. Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat voor openbare wegen en vaarwegen
voorzover deze door het Rijk worden beheerd en voor
krachtens artikel 2 van de Spoorwegwet aangewezen
hoofdspoorwegen;
5°. gedeputeerde staten
voor openbare wegen en vaarwegen voor zover deze door de
provincie worden beheerd;
6°. burgemeester en
wethouders voor openbare wegen en vaarwegen voor zover
deze door de gemeente worden beheerd;
7°. dagelijks bestuur van
het waterschap voor openbare wegen en vaarwegen voor zover
deze door het waterschap worden beheerd;
8°. Onze Minister voor
buisleidingen voor zover die door of namens het Rijk
worden beheerd en voor buisleidingen waarvoor door het
Rijk concessie is verleend;
9°. Onze Minister van
Economische Zaken voor inrichtingen waarop de Mijnbouwwet
van toepassing is;
b. gevaarlijke stoffen:
1°. voor zover het betreft
inrichtingen en buisleidingen: stoffen die behoren tot een
of meer van de in artikel 9.2.3.1, tweede lid, bedoelde
categorieën, alsmede splijtstoffen en radioactieve
stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Kernenergiewet;
2°. voor zover het betreft
transportroutes: stoffen die ingevolge de Wet vervoer
gevaarlijke stoffen als gevaarlijk zijn aangewezen;
c. transportroute: openbare
weg, krachtens artikel 2 van de Spoorwegwet aangewezen
hoofdspoorweg of vaarweg;
d. buisleiding: vaste leiding
waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd en die geen deel
uitmaakt van een inrichting;
e. externe veiligheid:
veiligheid buiten inrichtingen waar gevaarlijke stoffen
aanwezig zijn of krachtens een omgevingsvergunning aanwezig
mogen zijn en veiligheid buiten transportroutes en
buisleidingen waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden
vervoerd, voor zover die veiligheid kan worden beïnvloed door
een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen andere stoffen dan bedoeld in het eerste lid, onder
b, worden aangewezen die, voor zover het betreft inrichtingen en
buisleidingen, voor de toepassing van deze titel en de daarop
gebaseerde bepalingen worden aangemerkt als gevaarlijke stof.
Artikel 12.12
1. Er is een openbaar register dat
gegevens bevat over de externe veiligheid.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden de categorieën van inrichtingen,
transportroutes en buisleidingen aangewezen dan wel mede de
gevallen waarover het register gegevens bevat inzake de externe
veiligheid.
3. Het register wordt beheerd door
het RIVM.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
gegevens die door het RIVM in het register worden opgenomen.
5. Bij of krachtens de in het
vierde lid bedoelde maatregel kunnen tevens regels worden gesteld
omtrent de vorm, inrichting en de toegankelijkheid van het
register en de wijze waarop het register wordt bijgehouden.
Artikel 12.13
1. Het bevoegd gezag is verplicht
gegevens over externe veiligheid aan het RIVM te verstrekken,
evenals de wijzigingen die in deze gegevens optreden.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
te verstrekken gegevens. Voor zover deze regels betrekking hebben
op gegevens in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen
over een transportroute worden deze regels gesteld in
overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld omtrent het tijdstip waarop de
gegevens, bedoeld in het eerste lid, dienen te worden verstrekt.
4. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de
gegevens door het bevoegd gezag aan het RIVM worden verstrekt.
Artikel 12.14
1. Degene die een inrichting drijft
waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, degene die een buisleiding
gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of degene aan
wie een concessie voor die buisleiding is verleend, verstrekt op
verzoek van het bevoegd gezag de gegevens benodigd voor de
uitvoering van artikel 12.13, eerste lid, en voert de voor de
totstandkoming van de gegevens benodigde berekeningen uit.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op degene die gevaarlijke stoffen voor
vervoer aanbiedt en op degene aan wie een concessie voor het
beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur is verleend voor zover
de hoofdspoorweg wordt gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke
stoffen, met dien verstande dat geen gegevens hoeven te worden
verstrekt voor zover voor de totstandkoming van de gegevens
berekeningen moeten worden uitgevoerd.
3. Het eerste en tweede lid blijven
buiten toepassing voor zover de gegevens reeds door het bevoegd
gezag zijn verkregen of door het bevoegd gezag op grond van het
vijfde lid kunnen worden verkregen.
4. Tot de ingevolge het eerste lid
op verzoek van het bevoegd gezag te verstrekken gegevens behoren
mede de berekeningen die aan de te verstrekken gegevens ten
grondslag liggen.
5. Een bestuursorgaan dat beschikt
over gegevens benodigd voor de uitvoering van artikel 12.13,
eerste lid, verstrekt op verzoek van het bevoegd gezag die
gegevens.
6. De verstrekking van gegevens,
bedoeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op het uitvoeren
van nieuwe berekeningen in verband met de vaststelling van
besluiten krachtens de Wet op de Ruimtelijke Ordening die
betrekking hebben op het gebied dat van belang is voor de externe
veiligheid, indien reeds eerder berekeningen ingevolge het eerste
lid aan het bevoegd gezag zijn verstrekt, dan wel anderszins bij
dat gezag beschikbaar zijn.
7. Het verzoek om gegevens te
verstrekken wordt schriftelijk gedaan en vermeldt een termijn van
ten hoogste drie maanden waarbinnen aan het verzoek moet worden
voldaan.
8. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de op grond van
het eerste en tweede lid te verstrekken gegevens, en de wijze
waarop deze aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Voor zover
deze regels betrekking hebben op het vervoer van gevaarlijke
stoffen over een transportroute worden deze regels gesteld in
overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 12.15
1. Het RIVM maakt de door het
bevoegd gezag verstrekte gegevens zo spoedig mogelijk doch
uiterlijk binnen 8 weken na ontvangst geschikt voor weergave in
het register.
2. Het RIVM maakt de door het
bevoegd gezag verstrekte gegevens in het register niet voor een
ieder toegankelijk dan nadat het bevoegd gezag met de door het
RIVM voorgestelde weergave heeft ingestemd. Het bevoegd gezag
beslist hierover binnen vier weken na ontvangst van de
voorgestelde weergave. Alvorens in te stemmen met de voorgestelde
weergave zendt het bevoegd gezag ten minste twee weken voordat
wordt ingestemd aan degene die de inrichting drijft waar
gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, onderscheidenlijk degene die
een buisleiding gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen,
onderscheidenlijk degene aan wie een concessie voor die
buisleiding is verleend, een afschrift van de voorgestelde
weergave.
Artikel 12.16
1. Op verzoek verstrekt het RIVM
een afschrift van in het register opgenomen gegevens over de
externe veiligheid.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de vorm en wijze
van het verstrekken door het RIVM van de gegevens, bedoeld in het
eerste lid.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot in
rekening te brengen vergoedingen voor het op verzoek vervaardigen
van afschriften van in het register opgenomen gegevens. De
vergoeding bedraagt niet meer dan de werkelijke kosten.
Artikel 12.17
1. Een verzoek tot herstel van een
fout in het register bevat de redenen voor dat verzoek en zo
mogelijk de aan te brengen wijzigingen. Het verzoek wordt gericht
tot het bevoegd gezag.
2. Uiterlijk binnen acht weken na
de dag van ontvangst van een verzoek als bedoeld in het eerste lid
beslist het bevoegd gezag op het verzoek. Het bevoegd gezag deelt
zijn beslissing mede aan de verzoeker en aan degene die de
betreffende inrichting drijft onderscheidenlijk degene die de
betreffende buisleiding gebruikt, onderscheidenlijk degene aan wie
een concessie voor die buisleiding is verleend, waarop het verzoek
tot herstel van een fout betrekking heeft.
3. Op de beslissing van het bevoegd
gezag tot herstel van een fout is artikel 12.13 van
overeenkomstige toepassing.
Titel 12.3. De EG-verordening PRTR en
het PRTR-protocol
§ 12.3.1. Algemeen
Artikel 12.18
In deze titel en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
PRTR: register inzake de emissie en
overbrenging van verontreinigende stoffen als bedoeld in artikel
12.25, eerste lid;
PRTR-protocol: op 21 mei 2003 te Kiev
tot stand gekomen Protocol betreffende registers inzake de uitstoot
en overbrenging van verontreinigende stoffen, met Bijlagen (Trb.
2003, 153, en Trb. 2007, 95);
PRTR-verslag: verslag als bedoeld
inartikel 12.20, eerste lid;
verslagjaar: kalenderjaar waarover
ingevolge artikel 5, eerste lid, van de EG-verordening PRTR of
artikel 12.20a, eerste lid, een PRTR-verslag moet worden opgesteld.
§ 12.3.2. Rapportage door
inrichtingen
Artikel 12.19
1. Deze titel is van toepassing op
inrichtingen waarin een of meer van de in bijlage I bij de
EG-verordening PRTR genoemde activiteiten worden verricht in een
mate die de ingevolge die bijlage van toepassing zijnde
capaciteitsdrempelwaarde overschrijdt.
2. Onder inrichtingen als bedoeld
in het eerste lid worden mede begrepen inrichtingen binnen de
Nederlandse exclusieve economische zone.
Artikel 12.20
1. Indien degene die een inrichting
drijft, ingevolge artikel 5, eerste lid, van de EG-verordening
PRTR met betrekking tot een kalenderjaar rapportageplichtig is,
zendt hij uiterlijk op 31 maart van het kalenderjaar volgend op
het verslagjaar aan de op grond van artikel 12.21 bevoegde
instantie langs elektronische weg een verslag bevattende de in
artikel 5, eerste en tweede lid, van de EG-verordening PRTR
bedoelde gegevens.
2. Het PRTR-verslag voldoet aan de
in artikel 9, tweede lid, van de EG-verordening PRTR genoemde
kwaliteitseisen.
3. Het eerste verslagjaar is 2007.
Artikel 12.20a
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen andere gegevens dan de in artikel 5,
eerste lid, van de EG-verordening PRTR bedoelde gegevens worden
aangewezen, die in het PRTR-verslag moeten worden opgenomen. Als
gegevens als bedoeld in de eerste volzin worden uitsluitend
aangewezen gegevens omtrent de nadelige gevolgen voor het milieu
die de inrichting in het verslagjaar heeft veroorzaakt, en die
redelijkerwijs nodig zijn voor:
a. de vervulling door het
bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning dan wel
een vergunning krachtens artikel 6.2, eerste lid, van de
Waterwet voor de betrokken inrichting te verlenen, van de in
onderscheidenlijk artikel 18.2 van deze wet, artikel 5.2 van
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 8.1 van
de Waterwet bedoelde taak,
b. de vaststelling van het door
die bestuursorganen of andere bestuursorganen te voeren
milieubeleid en de controle op de voortgang van de uitvoering
van dat beleid, of
c. de uitvoering van een voor
Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend
besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
2. De artikelen 5, tweede tot en
met vijfde lid, en 9, eerste en tweede lid, van de EG-verordening
PRTR en artikel 12.20, eerste lid, zijn van overeenkomstige
toepassing op de krachtens het eerste lid aangewezen gegevens.
Artikel 12.20b
Degene die de inrichting drijft,
zendt gelijktijdig met toezending van het PRTR-verslag aan de op
grond vanartikel 12.21 bevoegde instantie, langs elektronische weg
een afschrift hiervan aan Onze Minister.
Artikel 12.21
1. Als bevoegde instantie als
bedoeld in artikel 2, onder 2, van de EG-verordening PRTR en
ingevolge deze titel wordt aangewezen het bestuursorgaan dat voor
de inrichting bevoegd is een omgevingsvergunning of een vergunning
als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet te
verlenen, dan wel, in geval op de inrichting de Mijnbouwwet van
toepassing is, Onze Minister van Economische Zaken.
2. In afwijking van het eerste lid
wordt Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
aangewezen als bevoegde instantie voor inrichtingen waar
activiteiten worden verricht als bedoeld in bijlage I, nummer 7,
onder a, bij de EG-verordening PRTR.
Artikel 12.22
De kwaliteitsbeoordeling van het
PRTR-verslag, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de
EG-verordening PRTR, geschiedt uiterlijk op 30 juni van het
kalenderjaar volgend op het verslagjaar.
Artikel 12.23
1. De op grond van artikel 12.21
bevoegde instantie kan uiterlijk op 30 juni van het kalenderjaar
volgend op het verslagjaar verklaren dat een PRTR-verslag niet
voldoet aan de bij artikel 5, eerste of tweede lid, van de
EG-verordening PRTR, de bij of krachtens artikel 12.20a, eerste
lid, van deze wet of de bij artikel 9, tweede lid, van de
EG-verordening PRTR gestelde eisen of niet is opgesteld met
inachtneming van de bij artikel 5, derde of vierde lid, van de
EG-verordening PRTR of de krachtens artikel 12.29, aanhef en onder
a tot en met c, gestelde eisen.
2. De bevoegde instantie kan het
afgeven van de in het eerste lid bedoelde verklaring voor ten
hoogste drie maanden verdagen. Van de verdaging wordt uiterlijk op
het in het eerste lid bedoelde tijdstip schriftelijk mededeling
gedaan aan degene die de betrokken inrichting drijft.
3. De bevoegde instantie kan na het
tijdstip, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk indien
toepassing is gegeven aan het tweede lid, na het tijdstip dat met
toepassing van het tweede lid is vastgesteld, alsnog verklaren dat
het PRTR-verslag niet voldoet aan de in het eerste lid bedoelde
eisen, indien:
a. het verslag onjuiste of
onvolledige gegevens bevat of
b. het verslag anderszins
onjuist was, en degene die het verslag heeft ingediend, dit
wist of behoorde te weten.
4. De bevoegdheid, bedoeld in het
derde lid, vervalt vijf jaren na afloop van het verslagjaar.
5. In gevallen waarin niet tijdig
een PRTR-verslag is ingediend, is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de verklaring
inhoudt dat geen PRTR-verslag is ingediend en dat in plaats van 30
juni wordt gelezen: 30 september. Het tweede lid is niet van
toepassing.
Artikel 12.24
1. De op grond van artikel 12.21
bevoegde instanties verstrekken de in de artikelen 12.20, eerste
lid, en 12.20a, eerste lid, bedoelde gegevens waarvan zij
overeenkomstig artikel 9, tweede lid, van de EG-verordening PRTR
de kwaliteit hebben beoordeeld, aan Onze Minister. De verstrekking
vindt plaats in elektronische vorm telkens uiterlijk op 30
september van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing:
a. op gegevens, opgenomen in
een PRTR-verslag ten aanzien waarvan een verklaring als
bedoeld in artikel 12.23, eerste lid, is afgegeven, en
b. indien een verklaring als
bedoeld in artikel 12.23, vijfde lid, is afgegeven,
in welke gevallen de bevoegde
instantie uiterlijk op het in het eerste lid bedoelde tijdstip aan
Onze Minister meldt dat een verklaring als bedoeld onder a
onderscheidenlijk b is afgegeven.
3. De bevoegde instantie kan op
verzoek van degene die de inrichting drijft, of ambtshalve bepalen
dat bepaalde in een PRTR-verslag opgenomen gegevens niet aan Onze
Minister worden verstrekt. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van
bestuur is van overeenkomstige toepassing. Een verzoek als bedoeld
in de eerste volzin wordt ingediend gelijktijdig met het toezenden
van het PRTR-verslag, doch uiterlijk op 31 maart van het
kalenderjaar volgend op het verslagjaar. Een ambtshalve bepaling
als bedoeld in de eerste volzin vindt plaats uiterlijk op 30
september van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar.
4. Indien toepassing is gegeven aan
het derde lid, deelt de bevoegde instantie uiterlijk op het in het
eerste lid, tweede volzin, genoemde tijdstip aan Onze Minister
mee:
a. welk type informatie geheim
is gehouden;
b. op welke grond tot
geheimhouding is besloten.
5. In afwijking van het eerste lid
worden gegevens ten aanzien waarvan een verzoek als bedoeld in het
derde lid is afgewezen, niet eerder verstrekt dan nadat het
betrokken besluit ingevolge artikel 20.3 in werking is getreden.
Artikel 20.5, eerste lid, is niet van toepassing.
6. In afwijking van het tweede lid
worden verklaringen als bedoeld in artikel 12.23 niet eerder
gemeld dan nadat het betrokken besluit ingevolge artikel 20.3 in
werking is getreden. Artikel 20.5, eerste lid, is niet van
toepassing.
§ 12.3.3. PRTR
Artikel 12.25
1. Er is een register dat gegevens
bevat over de emissie en overbrenging van verontreinigende
stoffen.
2. Het PRTR is voor een ieder langs
elektronische weg toegankelijk.
3. Het PRTR wordt beheerd door Onze
Minister.
4. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld omtrent de vorm en de inrichting van
het PRTR.
Artikel 12.26
1. Het PRTR bevat de door de op
grond vanartikel 12.21 bevoegde instanties overeenkomstig artikel
12.24, eerste lid, aan Onze Minister verstrekte gegevens alsmede
de overeenkomstigartikel 12.24, tweede lid, aan Onze Minister
gemelde verklaringen.
2. Het PRTR bevat tevens gegevens
over emissies vanuit diffuse bronnen als bedoeld in artikel 2,
negende lid, van het PRTR-protocol, voorzover die gegevens bij
Onze Minister aanwezig zijn, die gegevens een voldoende mate van
ruimtelijke detaillering bezitten en het opnemen van die gegevens
in het PRTR in praktische zin mogelijk is. Indien in het PRTR
gegevens over emissies vanuit diffuse bronnen worden opgenomen,
wordt tevens aangegeven met behulp van welke methode die gegevens
zijn vergaard.
3. Indien een bevoegde instantie
bepaalde gegevens met toepassing van artikel 12.24, derde lid,
niet aan Onze Minister heeft verstrekt, wordt in het PRTR
aangegeven:
a. welk type informatie geheim
is gehouden;
b. op welke grond tot
geheimhouding is besloten.
Artikel 12.27
1. Onze Minister maakt de in
artikel 12.26bedoelde gegevens per verslagjaar via het PRTR
openbaar telkens uiterlijk op 31 maart van het tweede kalenderjaar
volgend op het verslagjaar.
2. In afwijking van het eerste lid
geschiedt de openbaarmaking met betrekking tot het verslagjaar
2007 uiterlijk op 30 juni 2009.
Artikel 12.28
Onze Minister is belast met de
uitvoering van artikel 7, tweede lid, van de EG-verordening PRTR.
§ 12.3.4. Aanvullende
rapportageverplichtingen
Artikel 12.28a
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur wordt bepaald in hoeverre een bestuursorgaan als bedoeld
in artikel 12.20a, eerste lid, onder a, voorschriften aan de
vergunning kan verbinden, die de verplichting inhouden andere
gegevens dan de in artikel 5, eerste lid, van de EG-verordening PRTR
bedoelde en de krachtens artikel 12.20a, eerste lid, aangewezen
gegevens aan te wijzen, die in het PRTR-verslag moeten worden
opgenomen. Als andere gegevens als bedoeld in de eerste volzin
worden uitsluitend aangemerkt gegevens:
a. omtrent de lokale nadelige
gevolgen voor het milieu, die de inrichting in het verslagjaar
heeft veroorzaakt, en
b. die redelijkerwijs nodig zijn
voor de vervulling door het bestuursorgaan van de in artikel
12.20a, eerste lid, onder a, bedoelde taak.
§ 12.3.5. Slotbepalingen
Artikel 12.29
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen in het belang van de goede werking van het PRTR
en ter uitvoering van de EG-verordening PRTR regels worden gesteld
met betrekking tot:
a. de voor de gegevensinzameling
gebruikte methodiek, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de
EG-verordening PRTR;
b. de frequentie van
informatievergaring, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de
EG-verordening PRTR;
c. de wijze waarop een
PRTR-verslag moet worden opgesteld en de inhoud van een
dergelijk verslag;
d. de geheimhouding van gegevens,
bedoeld in de artikelen 12.24, derde en vierde lid, en 12.26,
derde lid;
e. de wijze waarop de
kwaliteitsbeoordeling van een PRTR-verslag, bedoeld in artikel
9, tweede lid, van de EG-verordening PRTR, moet worden
uitgevoerd, of
f. de informatie die mag worden
gebruikt om vast te stellen of een inrichting rapportageplichtig
is op grond van artikel 12.20, eerste lid, ofartikel 12.20a,
eerste lid.
Artikel 12.30
Het is verboden te handelen in strijd
met artikel 5 van de EG-verordening PRTR.
Titel 12.4. Registratie gegevens
brandstoffen en elektriciteit uit hernieuwbare bronnen ten behoeve
van vervoer
Artikel 12.31
1. Er is een register dat de bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur genoemde gegevens bevat
over in Nederland te gebruiken brandstoffen en elektriciteit uit
hernieuwbare bronnen ten behoeve van vervoer, die behoren tot een
bij die maatregel aangewezen categorie.
2. Het register bevat in elk geval
door ondernemingen die brandstoffen ten behoeve van vervoer aan
een ander ter beschikking stellen en behoren tot een bij de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid,
aangewezen categorie, te openen rekeningen. Bij die maatregel
kunnen regels worden gesteld omtrent op vrijwillige basis door
andere ondernemingen openen van rekeningen.
3. Het register wordt beheerd door
de emissieautoriteit.
4. De ondernemingen, bedoeld in het
tweede lid, leveren de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en
beheren de rekeningen, bedoeld in het tweede lid, volgens bij
ministeriële regeling gegeven regels.
5. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. de werking, organisatie,
beschikbaarheid en beveiliging van het register, en
b. het openen, bijhouden en
opheffen van rekeningen als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 12.32
1. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat voor het openen, bijhouden en opheffen van
rekeningen als bedoeld in artikel 12.31, tweede lid, vergoedingen
verschuldigd zijn overeenkomstig bij die regeling te stellen
regels.
2. Bij de regeling, bedoeld in het
eerste lid:
a. wordt de hoogte van de
vergoeding vastgesteld, welke niet hoger is dan noodzakelijk
is ter dekking van de ten laste van de emissieautoriteit
komende kosten van het verrichten van de werkzaamheden
waarvoor de vergoeding is verschuldigd, en
b. worden regels gesteld
omtrent de wijze waarop de vergoeding wordt betaald.
Artikel 12.33
1. De emissieautoriteit maakt ieder
jaar een overzicht openbaar, waarin voor bij ministeriële
regeling aan te wijzen categorieën van ondernemingen als bedoeld
in artikel 12.31, tweede lid, per onderneming de aard, herkomst en
duurzaamheidsaspecten van de door die onderneming ten behoeve van
vervoer aan een ander ter beschikking gestelde, in Nederland te
gebruiken, brandstoffen uit hernieuwbare bronnen zijn opgenomen.
Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van
overeenkomstige toepassing.
2. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels gesteld omtrent de inhoud en de wijze van
openbaarmaking van het overzicht, bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 13. Procedures voor
vergunningen en ontheffingen
Afdeling 13.1. Algemeen
Artikel 13.1
1. Bij de toepassing van afdeling
3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op de voorbereiding van
beschikkingen krachtens deze wet en van beschikkingen krachtens de
in het tweede lid genoemde wetten of wettelijke bepalingen, wordt
afdeling 13.2 in acht genomen, voor zover dat bij of krachtens de
betrokken wet is bepaald.
2. De in het eerste lid bedoelde
wetten of wettelijke bepalingen zijn:
de Mijnbouwwet,
de artikelen 3.1, 3.3, 3.4, 3.5 en
3.6 van de Wet dieren,
de Kernenergiewet,
de Wet geluidhinder,
de Wet inzake de
luchtverontreiniging,
de Wet bodembescherming,
de Ontgrondingenwet,
de Wet bescherming Antarctica,
de Waterwet,
de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht.
Afdeling 13.2. Bijzondere bepalingen
Artikel 13.2
Indien bij de voorbereiding van de
beslissing op de aanvraag om een vergunning of een ontheffing een
milieueffectrapport moet worden gemaakt, wordt van die aanvraag
kennisgegeven. Met betrekking tot die kennisgeving zijn de artikelen
3:11, 3:12, eerste en tweede lid, en derde lid, onder a, en 3:14 van
de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 13.4 en 13.6 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 13.3
Zienswijzen als bedoeld in artikel
3:15 van de Algemene wet bestuursrecht, kunnen naar voren worden
gebracht door een ieder.
Artikel 13.4
Indien de aanvraag om een vergunning
of ontheffing betrekking heeft op een inrichting of werk, geschiedt
de terinzagelegging, bedoeld in artikel 3:13, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, in ieder geval ter secretarie van de
gemeente waarin de inrichting of het werk geheel of in hoofdzaak zal
zijn gelegen.
Artikel 13.5 [Vervallen per
01-07-2005]
Artikel 13.6
Indien de aanvrager daarom heeft
verzocht, stelt het bevoegd gezag hem, voordat het stukken ter
inzage legt die niet van zijn kant zijn ingebracht, in de
gelegenheid die stukken in te zien met het oog op de toepassing van
de artikelen 19.3 tot en met 19.5. Tot de in de eerste volzin
bedoelde stukken behoren niet de verslagen, gemaakt overeenkomstig
artikel 3:17, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, en
afschriften van zienswijzen, door anderen dan betrokken
bestuursorganen ingebracht overeenkomstig artikel 3:15 van die wet.
Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is niet van
toepassing.
Artikel 13.7 [Vervallen per
28-12-2009]
Artikel 13.8
1. Indien op de voorbereiding van
de beschikking op een of meerdere van de aanvragen die
gecoördineerd worden behandeld met andere aanvragen artikel 31,
vierde lid, van de Dienstenwet van toepassing is, is dat lid van
toepassing op de voorbereiding van alle beschikkingen op die
aanvragen.
2. Indien de termijn voor het geven
van een beschikking op een aanvraag wordt verlengd overeenkomstig
artikel 31, vierde lid, van de Dienstenwet of artikel 3:18, tweede
lid, van de Algemene wet bestuursrecht, geldt die termijn tevens
voor de beschikking op de andere aanvragen waarmee de aanvraag
gecoördineerd wordt behandeld.
Artikel 13.9
Indien een beslissing op een aanvraag
om een vergunning of ontheffing of een beschikking tot wijziging
daarvan niet kan worden gegeven dan nadat is voldaan aan een uit een
voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend
besluit van een volkenrechtelijke organisatie voortvloeiende
verplichting, wordt de termijn voor het geven van die beschikking
opgeschort tot de ten aanzien van die verplichting geldende
procedure is afgerond.
Artikel 13.10
In gevallen waarin Onze Minister
bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, kan hij in
overeenstemming met Onze betrokken Minister in het belang van de
veiligheid van de Staat de toepassing van afdeling 3.4 en artikel
3:44 van de Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk
achterwege laten, voor zover dat belang zulks vereist.
Artikel 13.11
Het bevoegd gezag kan bepalen dat
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing
blijft bij de voorbereiding van de beschikking op een aanvraag om
een vergunning of ontheffing of van een beschikking tot wijziging
daarvan, indien die beschikking:
a. betrekking heeft op het beheer
van gevaarlijke afvalstoffen waarvan het beheer door een
ongewone omstandigheid op korte termijn nodig is;
b. betrekking heeft op het beheer
van andere dan gevaarlijke afvalstoffen waarvan het beheer door
een ongewone omstandigheid en in verband met de hoeveelheid
waarin die afvalstoffen vrijkomen, op korte termijn nodig is;
c. strekt tot uitvoering van een
verplichting, opgelegd krachtens artikel 17.4
Afdeling 13.3. Afvalvoorzieningen
categorie A met mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen
Artikel 13.12
Indien de aanvraag om een
omgevingsvergunning betrekking heeft op een afvalvoorziening
categorie A, die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan
hebben in een ander land, en over het op die aanvraag te nemen
besluit overleg plaatsvindt met bestuursorganen in het betrokken
andere land, wordt dit overleg in de kennisgeving vermeld.
Artikel 13.13
1. Indien de aanvraag om een
omgevingsvergunning betrekking heeft op een afvalvoorziening
categorie A, die is gelegen in een ander land en die belangrijke
nadelige gevolgen voor het milieu in Nederland kan hebben, wordt
de aanvraag met de daarop betrekking hebbende stukken door
gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen bedoelde gevolgen
zich kunnen voordoen, ter inzage gelegd.
2. Artikel 3:12, derde lid,
onderdelen a, b en c, van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 14. Coördinatie
§ 14.1. Coördinatie bij aanvragen
om een beschikking
Artikel 14.1
1. Ingeval ten behoeve van een
zelfde inrichting aanvragen zijn gedaan tot het geven van met
elkaar samenhangende beschikkingen en op de voorbereiding van ten
minste een daarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
van toepassing is, kunnen gedeputeerde staten van de provincie
waar die inrichting geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen,
indien ten minste één van die aanvragen tot hen is gericht, een
gecoördineerde behandeling van die aanvragen bevorderen.
2. Gedeputeerde staten zijn
gehouden een gecoördineerde behandeling van aanvragen als bedoeld
in de aanhef van het eerste lid, indien zij zijn gericht tot
verschillende bestuursorganen, te bevorderen wanneer een van die
organen dan wel de aanvrager of een der aanvragers hun daarom
verzoekt.
3. Gedeputeerde staten zijn voorts
gehouden op verzoek van degene die voornemens is een of meer
aanvragen te doen als in de aanhef van het eerste lid bedoeld,
indien die aanvragen zullen worden gericht tot verschillende
bestuursorganen, een gecoördineerde voorbereiding van die
aanvragen te bevorderen.
4. De verplichtingen, bedoeld in
het tweede en derde lid, gelden, voor zover het betreft aanvragen
om beschikkingen op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is, slechts voor
zover nakoming daarvan mogelijk is in verband met de wettelijke
voorschriften betreffende de totstandkoming van die beschikkingen.
5. Indien gedeputeerde staten
toepassing geven aan het eerste, tweede of derde lid, delen zij
dit onverwijld schriftelijk mede aan de aanvragers en elk der
andere bestuursorganen waartoe één of meer der aanvragen mocht
zijn gericht.
Artikel 14.2
1. Ten aanzien van aanvragen als
bedoeld in de aanhef van artikel 14.1, eerste lid, die binnen een
tijdsverloop van zes weken zijn gedaan, kunnen gedeputeerde
staten, indien ten minste één van die aanvragen tot hen is
gericht, bepalen dat als datum van ontvangst van die aanvragen
geldt de datum waarop de laatste daarvan is ontvangen. Indien het
ontwerp van de beschikking op een aanvraag al overeenkomstig
artikel 3:13 eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is
toegezonden, blijft de eerste volzin met betrekking tot die
aanvraag buiten toepassing.
2. Gedeputeerde staten zijn
gehouden ten aanzien van aanvragen als bedoeld in het eerste lid
een bepaling als daar bedoeld te stellen wanneer een ander
bestuursorgaan waartoe één of meer der aanvragen is gericht, dan
wel de aanvrager of een der aanvragers hun daarom verzoekt. Een
verzoek wordt schriftelijk bij gedeputeerde staten ingediend.
3. Indien gedeputeerde staten
toepassing geven aan het eerste of tweede lid, delen zij dit
onverwijld mede aan de aanvragers en aan elk der andere
bestuursorganen waartoe één of meer der aanvragen mocht zijn
gericht, onder vermelding van de datum waarop de laatste aanvraag
is ontvangen.
Artikel 14.3
1. In geval van gecoördineerde
behandeling van aanvragen bevorderen gedeputeerde staten in ieder
geval, dat bij de beoordeling van de aanvragen door de
onderscheidene bestuursorganen die bevoegd zijn daarop te
beslissen, rekening wordt gehouden met de onderlinge samenhang
tussen de betrokken aanvragen en dat door die organen tevens gelet
wordt op de samenhang tussen de beschikkingen die op de aanvragen
worden gegeven.
2. Zij dragen er daarnaast ten
minste zorg voor dat zoveel mogelijk:
a. ten aanzien van de ontwerpen
van de betrokken beschikkingen gezamenlijk toepassing wordt
gegeven aan de artikelen 3:11, eerste lid, en 3:12 van de
Algemene wet bestuursrecht en artikel 13.4;
b. de gelegenheid tot het
mondeling naar voren brengen van zienswijzen overeenkomstig
artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht wordt gegeven
met betrekking tot de ontwerpen van de betrokken beschikkingen
te zamen;
c. de betrokken beschikkingen
gezamenlijk overeenkomstig artikel 3:44 van de Algemene wet
bestuursrecht worden bekendgemaakt.
Artikel 14.4
Gedeputeerde staten kunnen van de
bestuursorganen die bevoegd zijn te beslissen op de aanvragen
waarover de in artikel 14.1 bedoelde coördinatie zich uitstrekt,
alsmede van de bij de beslissingen op die aanvragen betrokken
adviseurs de medewerking vorderen, die voor het welslagen van de
coördinatie nodig is. Die bestuursorganen en adviseurs zijn
gehouden de van hen gevorderde medewerking te verlenen.
§ 14.2. Coördinatie bij het maken
van een milieueffectrapport
Artikel 14.4a
In deze paragraaf wordt onder
activiteit, plan of besluit verstaan een activiteit, plan of besluit
als bedoeld in artikel 7.1.
Artikel 14.4b
Ingeval terzake van een activiteit
tegelijkertijd een besluit en een plan worden voorbereid en dat plan
uitsluitend wordt voorbereid met het oog op de inpassing van die
activiteit in dat plan wordt ter voorbereiding van dat besluit en
dat plan één milieueffectrapport gemaakt. Het rapport wordt
voorbereid met toepassing van artikel 7.10 en de paragrafen 7.9 en
7.10, met dien verstande dat de aanvraag om een besluit, het ontwerp
van een besluit, het ontwerpplan en het milieueffectrapport
tegelijkertijd ter inzage worden gelegd. Het milieueffectrapport
voldoet aan de artikelen 7.7 en 7.23.
Artikel 14.4c
1. Ingeval terzake van een
activiteit, dan wel terzake van verscheidene met elkaar
samenhangende activiteiten meer dan een plan is aangewezen, bij de
voorbereiding waarvan op grond van het bij of krachtens deze wet
bepaalde een milieueffectrapport moet worden gemaakt, wordt ter
voorbereiding van die plannen één milieueffectrapport gemaakt.
2. Buiten de gevallen, bedoeld in
het eerste lid, kan, ingeval terzake van een activiteit, dan wel
terzake van verscheidene met elkaar samenhangende activiteiten
meer dan een plan moet worden vastgesteld, bij de voorbereiding
waarvan op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde een
milieueffectrapport moet worden gemaakt, door de bestuursorganen
die die plannen moeten vaststellen, worden besloten dat ter
voorbereiding van die plannen één milieueffectrapport wordt
gemaakt.
Artikel 14.5
1. Ingeval ter zake van een
activiteit, dan wel ter zake van verscheidene met elkaar
samenhangende activiteiten meer dan een besluit is aangewezen, bij
de voorbereiding waarvan op grond van het bij of krachtens deze
wet bepaalde een milieueffectrapport moet worden gemaakt, wordt
ter voorbereiding van die besluiten één milieueffectrapport
gemaakt, met toepassing van paragraaf 7.8 in geval op al die
besluiten paragraaf 7.8 van toepassing is en met toepassing van
paragraaf 7.9 in de overige gevallen.
2. Buiten de gevallen, in het
eerste lid bedoeld, kan, ingeval ter zake van een activiteit, dan
wel ter zake van verscheidene met elkaar samenhangende
activiteiten meer dan een besluit moet worden genomen, bij de
voorbereiding waarvan op grond van het bij of krachtens deze wet
bepaalde een milieueffectrapport moet worden gemaakt, worden
besloten dat ter voorbereiding van die besluiten één
milieueffectrapport wordt gemaakt, met toepassing van paragraaf
7.9.
3. Een besluit krachtens het tweede
lid wordt genomen:
a. indien de bevoegdheid tot
het nemen van de in het tweede lid bedoelde besluiten berust
bij één bestuursorgaan: door dat orgaan;
b. indien die besluiten
ingevolge wettelijk voorschrift op aanvraag worden genomen en
de betrokken aanvragen ingevolge artikel 14.1 gecoördineerd
kunnen worden voorbereid of behandeld: door gedeputeerde
staten van de betrokken provincie;
c. in andere gevallen: door de
bestuursorganen die bevoegd zijn tot het nemen van de
betrokken besluiten, te zamen.
4. Een besluit krachtens het tweede
lid kan ambtshalve of op verzoek worden genomen. In gevallen als
bedoeld in het derde lid, onder b, kan het besluit, indien
gedeputeerde staten niet bevoegd zijn tot het nemen van een der
betrokken besluiten, uitsluitend op verzoek worden genomen.
Artikel 14.6
1. Degene die een activiteit
onderneemt in een geval als bedoeld in artikel 14.5, kan
tegelijkertijd met een mededeling als bedoeld in artikel 7.24,
eerste lid, dan wel in artikel 7.27, eerste lid, verzoeken aan
artikel 14.5, tweede lid, toepassing te geven.
2. In gevallen als bedoeld in
artikel 14.5, derde lid, onder b en c, kan een zodanig verzoek ook
worden gedaan door een bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen
van een besluit als bedoeld in het tweede lid van dat artikel. Het
wordt ingediend uiterlijk twee weken na de dag waarop met
betrekking tot het milieueffectrapport de mededeling krachtens
artikel 7.24, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 7.27, eerste
lid, heeft plaatsgevonden.
3. Het verzoek - waarin alle
besluiten vermeld zijn, waarop het betrekking heeft - wordt
schriftelijk ingediend bij het orgaan dat erover moet beslissen.
In een geval als bedoeld in artikel 14.5, derde lid, onder c,
wordt het verzoek ingediend bij een der bevoegde bestuursorganen;
dat orgaan zendt het onverwijld aan de andere bevoegde organen.
Artikel 14.7
1. Een verzoek wordt ingewilligd,
tenzij het belang van een goede besluitvorming zich daartegen
verzet.
2. Op een verzoek wordt niet
beslist dan nadat degene die de betrokken activiteit onderneemt,
en de tot het nemen van de betrokken besluiten bevoegde
bestuursorganen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze
daarover te geven.
3. Het besluit op het verzoek wordt
genomen uiterlijk vier weken na de datum van ontvangst.
Artikel 14.8
In gevallen als bedoeld in artikel
14.5, derde lid, onder c, wordt bij de beslissing op het verzoek uit
de bevoegde bestuursorganen het orgaan aangewezen dat met de in
artikel 14.9, eerste lid, bedoelde coördinatie wordt belast.
Artikel 14.9
1. Indien op grond van artikel
14.5, eerste lid, een milieueffectrapport moet worden gemaakt, dan
wel overeenkomstig artikel 14.5, tweede lid, is besloten tot het
maken van één milieueffectrapport, wordt dat rapport
gecoördineerd voorbereid en behandeld.
2. Met de coördinatie is belast:
a. indien de bevoegdheid tot
het nemen van de betrokken besluiten berust bij één
bestuursorgaan: dat orgaan;
b. indien die besluiten
ingevolge wettelijk voorschrift op aanvraag worden genomen en
de betrokken aanvragen ingevolge artikel 14.1 gecoördineerd
kunnen worden voorbereid of behandeld: gedeputeerde staten van
de betrokken provincie;
c. in andere gevallen: het
krachtens artikel 14.8 daartoe aangewezen bestuursorgaan.
Artikel 14.10
1. Het met de coördinatie belaste
orgaan bevordert dat bij het geven van de in artikel
7.26onderscheidenlijk artikel 7.27, zevende lid, bedoelde adviezen
rekening wordt gehouden met de onderlinge samenhang tussen die
adviezen en dat bij het nemen van de besluiten bij de
voorbereiding waarvan het milieueffectrapport wordt gemaakt,
rekening wordt gehouden met de onderlinge samenhang tussen die
besluiten.
2. Het met de coördinatie belaste
orgaan draagt er in ieder geval zoveel mogelijk zorg voor dat:
a. van de mededelingen van de
voornemens tot het indienen van een aanvraag als bedoeld in
artikel 7.24 onderscheidenlijk artikel 7.27, eerste lid,
alsmede van het opvatten door het bevoegd gezag van het
voornemen, als bedoeld in artikel 7.27, tweede lid, te zamen
overeenkomstig artikel 7.27, derde lid, wordt kennisgegeven;
b. de krachtens artikel 7.26
onderscheidenlijk artikel 7.27, zevende lid, te geven adviezen
te zamen worden toegezonden aan degene die het
milieueffectrapport maakt;
c. het milieueffectrapport
wordt toegezonden aan elk der bevoegde organen, aan de
adviseurs en de bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.25,
onderscheidenlijk artikel 7.27, tweede lid;
d. van het milieueffectrapport
overeenkomstig artikel 7.29 of 7.30 wordt kennisgegeven;
e. overigens toepassing wordt
gegeven aan artikel 7.32.
3. Artikel 14.4 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 14.11
1. In gevallen waarin een orgaan
met de coördinatie van de voorbereiding en behandeling van een
milieueffectrapport is belast:
a. kan het rapport aan dat
orgaan worden overgelegd;
b. kunnen de adviseurs en de
bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.25onderscheidenlijk
artikel 7.27, tweede lid, en de Comissie voor de
milieueffectrapportage hun adviezen over het geven van
adviezen inzake de inhoud van het rapport en over het rapport
bij dat orgaan indienen;
c. kan degene die gebruik maakt
van de in artikel 3:15, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht juncto artikel 7.32 geboden gelegenheid zijn
zienswijze naar voren te brengen over het rapport, die
zienswijze bij dat orgaan naar voren brengen.
2. Indien stukken met een inhoud
als bedoeld in het eerste lid worden overgelegd onderscheidenlijk
ingediend bij een ander bevoegd gezag, zendt het deze onverwijld
aan het met de coördinatie belaste orgaan.
Artikel 14.12
1. Ingeval ter zake van een
activiteit een besluit is aangewezen, bij de voorbereiding waarvan
op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde een
milieueffectrapport moet worden gemaakt, en ter zake van die
activiteit één of meer besluiten moeten worden genomen ten
aanzien waarvan artikel 14.1 niet kan worden toegepast, kan op
verzoek van degene die de activiteit onderneemt, dan wel
ambtshalve, worden besloten tot een gecoördineerde voorbereiding
van deze besluiten.
2. Een besluit krachtens het eerste
lid wordt genomen:
a. indien de bevoegdheid tot
het nemen van de in het eerste lid bedoelde besluiten berust
bij één bestuursorgaan: door dat orgaan;
b. in andere gevallen: door de
bestuursorganen die bevoegd zijn tot het nemen van de
betrokken besluiten, te zamen.
Artikel 14.13
1. Een verzoek als bedoeld in
artikel 14.12, eerste lid, wordt schriftelijk bij het bevoegd
gezag ingediend gelijktijdig met de mededeling, bedoeld in artikel
7.24 onderscheidenlijk artikel 7.27, eerste lid. Het verzoek
vermeldt alle besluiten waarop het betrekking heeft.
2. Het bevoegd gezag zendt
onverwijld een afschrift van het verzoek aan de andere bevoegde
organen.
3. Een verzoek als bedoeld in
artikel 14.12, eerste lid, wordt alleen ingewilligd, indien het
bevoegd gezag en de andere bevoegde organen daarmee instemmen.
Artikel 14.7, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 14.14
1. Indien een verzoek als bedoeld
in artikel 14.12, eerste lid, wordt ingewilligd, treedt het orgaan
dat bevoegd is tot het nemen van het besluit bij de voorbereiding
waarvan het milieueffectrapport moet worden gemaakt, op als het
met de coördinatie belaste orgaan.
De overige betrokken organen worden
voor wat betreft de toepassing van de artikelen 7.24 tot en met
7.26, onderscheidenlijkartikel 7.27 aangemerkt als adviseur.
2. Indien ter zake van de
activiteit waarop het verzoek betrekking heeft, meer dan één
besluit moet worden genomen, bij de voorbereiding waarvan op grond
van het bij of krachtens deze wet bepaalde een milieueffectrapport
moet worden gemaakt, wordt bij de beslissing op het verzoek uit de
bestuursorganen die bevoegd zijn tot het nemen van die besluiten,
het met de coördinatie belaste orgaan aangewezen.
3. Het met de coördinatie belaste
orgaan draagt er in ieder geval zo veel mogelijk zorg voor dat:
a. bij het geven van de in
artikel 7.26 onderscheidenlijk artikel 7.27, zevende lid,
bedoelde adviezen rekening wordt gehouden met de onderlinge
samenhang van de besluiten waarop het verzoek betrekking
heeft;
b. tussen de bevoegde
bestuursorganen tijdig overleg wordt gevoerd, teneinde een zo
goed mogelijke afstemming tussen de te nemen besluiten te
bevorderen.
4. Artikel 14.4 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 14.15
Met betrekking tot de termijn
waarbinnen de betrokken besluiten moeten worden genomen, is artikel
7.32, vierde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 14.16
Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de taken van
het met de coördinatie belaste orgaan.
Hoofdstuk 15. Financiële bepalingen
Titel 15.1
Artikel 15.1 [Vervallen per
01-01-1998]
Artikel 15.2 [Vervallen per
01-01-1998]
Titel 15.2. Verbruiksbelastingen van
brandstoffen
§ 15.2.1. Grondslag en maatstaf
Artikel 15.3 [Vervallen per
01-01-1995]
Artikel 15.4 [Vervallen per
01-01-1995]
§ 15.2.2. Belastingplichtigen
Artikel 15.5 [Vervallen per
01-01-1995]
Artikel 15.6 [Vervallen per
01-01-1993]
§ 15.2.3. Vrijstelling
Artikel 15.7 [Vervallen per
01-01-1993]
§ 15.2.4. Teruggaafregeling
Artikel 15.8 [Vervallen per
01-01-1995]
§ 15.2.5. Tarief
Artikel 15.9 [Vervallen per
01-01-1995]
§ 15.2.6. Heffing en invordering
Artikel 15.10 [Vervallen per
01-01-1995]
Artikel 15.11 [Vervallen per
01-01-1995]
Titel 15.3. Voorschriften omtrent het
verstrekken van subsidies
Artikel 15.12
In afwijking van artikel 4:21, derde
lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is titel 4.2 van de Algemene
wet bestuursrecht van toepassing op subsidies die krachtens deze
titel uitsluitend worden verstrekt aan rechtspersonen die krachtens
publiekrecht zijn ingesteld.
Artikel 15.13
1. Onze Minister kan voor bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële
regeling aangewezen activiteiten op het gebied van het
milieubeheer subsidie verstrekken.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen in
ieder geval regels worden gesteld omtrent:
a. criteria voor de
verstrekking;
b. het tijdvak waarvoor de
subsidie wordt verleend;
c. de voorwaarden waaronder de
subsidie wordt verleend;
d. de aanvraag van een subsidie
en de besluitvorming daarover;
e. de verplichtingen voor de
subsidie-ontvanger;
f. het bedrag van de subsidie
dan wel de wijze waarop dit wordt bepaald;
g. de betaling van de subsidie
en het verlenen van voorschotten.
3. Onze Minister kan ieder jaar bij
ministeriële regeling subsidieplafonds vaststellen voor de
verschillende activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt.
Daarbij bepaalt hij de wijze van verdeling van het beschikbare
bedrag.
4. Een aanvraag kan worden
afgewezen en een beschikking inhoudende de verstrekking van een
subsidie op grond van deze wet kan worden ingetrokken of gewijzigd
voor zover subsidieverstrekking in strijd zou zijn respectievelijk
in strijd is met ingevolge een verdrag voor de staat geldende
verplichtingen. Bij de intrekking of wijziging kan worden bepaald,
dat over onverschuldigd betaalde subsidiebedragen een
rentevergoeding verschuldigd is. De intrekking of wijziging werkt
terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verstrekt,
tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald. De
artikelen 4:49, derde lid, en 4:57, vierde lid, van de Algemene
wet bestuursrecht zijn niet van toepassing op de intrekking of
wijziging.
Artikel 15.14
1. De door Onze Minister aangewezen
personen zijn bevoegd van de aanvrager van een subsidie
inlichtingen te vorderen. De artikelen 5:13, 5:15, voor zover het
door de aanvrager gebruikte plaatsen betreft, en 5:17 van de
Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Een aanvraag kan worden
afgewezen, indien de aanvrager geen medewerking verleent bij de
uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden.
Artikel 15.15
1. Met het toezicht op de naleving
van de aan de subsidie-ontvanger opgelegde verplichtingen zijn
belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen.
2. De toezichthouder beschikt niet
over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de
Algemene wet bestuursrecht.
3. Van een besluit als bedoeld in
het eerste lid, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
4. Aan de krachtens deze wet
verstrekte subsidies is de verplichting verbonden dat de
subsidie-ontvanger aan een toezichthouder alle medewerking
verleent die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening
van zijn bevoegdheden.
Artikel 15.16 [Vervallen per
01-01-1998]
Artikel 15.17 [Vervallen per
01-01-1998]
Artikel 15.18 [Vervallen per
01-12-1998]
Artikel 15.19 [Vervallen per
01-12-1998]
Titel 15.4. Vergoeding van kosten en
schade
Artikel 15.20
1. Indien degene tot wie een
beschikking is gericht krachtens:
a. artikel 9.2.2.1, eerste lid,
juncto artikel 9.2.2.3, zevende lid,
b. de artikelen 10.48 of 10.52
juncto één of meer der onder a genoemde bepalingen,
c. de artikelen 13, eerste lid,
onder b, juncto 16, vijfde lid, of 43, eerste lid, van de Wet
inzake de luchtverontreiniging,
d. de artikelen 30 of 31 van de
Wet bodembescherming,
zich ten gevolge daarvan voor
kosten ziet gesteld dan wel schade lijdt, welke redelijkerwijs
niet of niet geheel te zijnen laste behoren te blijven, kent het
gezag dat de beschikking in eerste aanleg heeft gegeven, hem, voor
zover op andere wijze in een redelijke vergoeding niet is of kan
worden voorzien, op zijn verzoek dan wel uit eigen beweging een
naar billijkheid te bepalen vergoeding toe.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene die tengevolge
van een maatregel als bedoeld in artikel 17.19 zich voor kosten
ziet gesteld dan wel daardoor schade lijdt, als in het eerste lid
bedoeld.
3. Indien een beschikking als
bedoeld in het eerste lid op aanvraag wordt gegeven, kan een
verzoek om vergoeding worden ingediend na de toezending van een
exemplaar van het ontwerp van die beschikking aan de aanvrager.
4. Indien het in het eerste lid
bedoelde gezag een advies van deskundigen heeft ingewonnen omtrent
een verzoek om vergoeding of omtrent het voornemen tot een
toekenning daarvan uit eigen beweging zendt het een exemplaar van
het advies aan de belanghebbende. Het vermeldt daarbij de termijn
waarbinnen de belanghebbende zijn opvattingen omtrent het advies
kenbaar kan maken.
5. Een beschikking op een verzoek
om schadevergoeding wordt zo spoedig mogelijk gegeven, doch
uiterlijk vier maanden na de datum waarop het verzoek is
ontvangen, of, in gevallen als bedoeld in het vierde lid,
uiterlijk zeven maanden na die datum.
6. Het in het eerste lid bedoelde
gezag kan de beslissing, bedoeld in het vijfde lid, eenmaal voor
ten hoogste twee maanden verdagen. Van de verdaging wordt
schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 15.21
1. Artikel 15.20 is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene op wie
bepalingen van een algemene maatregel van bestuur,
onderscheidenlijk een ministeriële regeling of een verordening
als bedoeld in
a. artikel 1.2 van deze wet,
b. de artikelen 9.2.2.1
en9.2.2.6,
c. artikel 9.5.2, eerste lid,
d. de artikelen 6 tot en met 11
van de Wet bodembescherming,
van toepassing worden en die zich
daardoor voor kosten ziet gesteld dan wel schade lijdt, die
redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te
blijven.
2. In gevallen als bedoeld in het
eerste lid, beslist Onze Minister over het toekennen van de
vergoeding, behoudens in gevallen als bedoeld in het eerste lid,
onder a. In die gevallen beslissen gedeputeerde staten.
Artikel 15.22
1. Voor zover de toekenning van de
vergoeding niet is geschied met instemming van Onze Minister,
komen de kosten daarvan ten laste van het bevoegd gezag.
2. In afwijking van het eerste lid
komen in gevallen als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, onder a,
d, f of h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor
zover kosten zijn gemaakt in verband met de verlening van
schadevergoeding vanwege het van toepassing worden van bepalingen
van een provinciale milieuverordening als bedoeld in artikel 1.2,
tweede lid, onder a, en de verlening van schadevergoeding niet is
geschied met instemming van gedeputeerde staten, de kosten daarvan
ten laste van het bevoegd gezag.
Artikel 15.23
1. Bij koninklijk besluit kan, naar
aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd
gezag, worden bepaald dat de kosten van een toegekende vergoeding
alsnog geheel of gedeeltelijk ten laste van het Rijk komen.
2. Artikel 20 van de Wet op de Raad
van State is van overeenkomstige toepassing.
Titel 15.5. Fonds
Luchtverontreiniging
Artikel 15.24 [Vervallen per
01-04-2008]
Artikel 15.25 [Vervallen per
01-04-2008]
Artikel 15.26 [Vervallen per
01-04-2008]
Artikel 15.27 [Vervallen per
01-04-2008]
Artikel 15.28 [Vervallen per
01-04-2008]
Titel 15.6. Regulerende
verbruiksbelastingen
Artikel 15.29 [Vervallen per
01-01-1995]
Artikel 15.30 [Vervallen per
01-01-1995]
Titel 15.7. Keuringen
Artikel 15.31
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regelen worden gesteld ten aanzien van
vergoedingen voor keuringen als bedoeld in
a. artikel 9.2.2.4;
b. artikel 9.5.1, derde lid,
onder e en f;
c. artikel 15, tweede lid, van de
Wet bodembescherming.
Titel 15.8. Statiegeld, retourpremies
Artikel 15.32
1. Bij een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in artikel 9.5.2, eerste lid, kunnen regels
worden gesteld,
a. inhoudende een verplichting
voor bij de maatregel aangewezen categorieën van personen die
stoffen, preparaten of produkten in Nederland op de markt
brengen in bij de maatregel aangewezen verpakkingen, voor
zodanige verpakkingen een bij of krachtens de maatregel te
bepalen statiegeld in rekening te brengen en zodanige
verpakkingen na gebruik met terugbetaling van het statiegeld
in te nemen;
b. inhoudende een verplichting
voor bij de maatregel aangewezen categorieën van personen die
daarbij aangewezen stoffen, preparaten of produkten in
Nederland op de markt brengen, voor zodanige stoffen,
preparaten of produkten een bij of krachtens de maatregel te
bepalen statiegeld in rekening te brengen en zodanige stoffen,
preparaten of produkten na gebruik met terugbetaling van het
statiegeld in te nemen.
2. Bij een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in artikel 9.5.2, eerste lid, kunnen regels
worden gesteld,
a. inhoudende een verplichting
voor bij de maatregel aangewezen categorieën van personen die
stoffen, preparaten of produkten in Nederland op de markt
brengen in bij de maatregel aangewezen verpakkingen, zodanige
verpakkingen na gebruik tegen betaling van een bij of
krachtens de maatregel te bepalen premie in te nemen;
b. inhoudende een verplichting
voor bij de maatregel aangewezen categorieën van personen die
daarbij aangewezen stoffen, preparaten of produkten in
Nederland op de markt brengen, deze na gebruik tegen betaling
van een bij of krachtens de maatregel te bepalen premie in te
nemen.
3. Indien toepassing wordt gegeven
aan het eerste of tweede lid, kan worden bepaald dat daarbij
aangegeven handelingen door andere dan de in het eerste en tweede
lid bedoelde, bij die maatregel aangewezen categorieën van
personen moeten worden verricht. In deze gevallen kan tevens
worden bepaald dat eveneens bij de maatregel aangewezen
categorieën van personen het statiegeld, bedoeld in het eerste
lid, of de premie, bedoeld in het tweede lid, geheel of
gedeeltelijk op een daarbij aangegeven wijze dienen af te dragen
aan een of meer daarbij aangewezen andere personen.
4. Indien toepassing wordt gegeven
aan het eerste of tweede lid, wordt een termijn bepaald, eerst bij
het verstrijken waarvan die regels ten aanzien van stoffen,
preparaten of produkten die bij het in werking treden van de
maatregel reeds vervaardigd en in Nederland aanwezig waren, gaan
gelden.
Titel 15.9. Heffingen op gemeentelijk
en provinciaal niveau
Artikel 15.33
1. De gemeenteraad kan ter
bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het
beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen,
waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet
krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een
perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22
een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen
geldt.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid, wordt:
a. gebruikmaken van een perceel
door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruikmaken
door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van
de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van
dat huishouden;
b. gebruikmaken door degene aan
wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt
als gebruikmaken door degene die dat deel in gebruik heeft
gegeven, met dien verstande dat degene die het deel in gebruik
heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen
op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
c. het ter beschikking stellen
van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als
gebruikmaken door degene die dat perceel ter beschikking heeft
gesteld, met dien verstande dat degene die het perceel ter
beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig
te verhalen op degene aan wie het perceel ter beschikking is
gesteld.
3. Onder de in het eerste lid
bedoelde kosten wordt mede verstaan de omzetbelasting die
ingevolge de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een
bijdrage uit het fonds.
4. Met betrekking tot deze
heffingen zijn de artikelen 216 tot en met 219 en 230 tot en met
257 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15.34
1. Voor zover kosten zijn gemaakt
in verband met de verlening van schadevergoeding krachtens artikel
4.2, eerste lid, onder a, d, f of h, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht ofartikel 15.21, eerste lid, onder a,
van deze wet, vanwege het van toepassing worden van bepalingen van
een provinciale milieuverordening als bedoeld in artikel 1.2,
tweede lid, onder a, kunnen provinciale staten ter bestrijding van
die kosten een heffing instellen ter zake van het onttrekken van
grondwater.
2. De heffing wordt geheven van
houders van inrichtingen, bestemd tot het onttrekken van
grondwater, daaronder niet begrepen inrichtingen welke uitsluitend
dienen tot het regelen van de vrije grondwaterspiegel of van de
stijghoogte van het grondwater.
3. In de verordening tot instelling
van de heffing kan worden bepaald dat de heffing wordt geheven van
houders van inrichtingen als bedoeld in het tweede lid in één of
meer beschermingsgebieden als bedoeld in hoofdstuk VI, paragraaf
2, van de Wet bodembescherming, dan wel van houders van zodanige
inrichtingen in de gehele provincie.
4. Als grondslag voor de heffing
geldt de onttrokken hoeveelheid water.
5. Tot het instellen van een
heffing wordt overgegaan binnen een jaar nadat de beschikking
waarbij de in het eerste lid bedoelde schadevergoeding is
verleend, ingevolge artikel 20.3 in werking is getreden.
6. De heffing wordt jaarlijks
geheven gedurende een termijn van ten hoogste tien jaren. In de
verordening tot instelling van de heffing kan worden bepaald dat
de heffing op verzoek van de heffingplichtige voor de ten tijde
van de indiening van het verzoek nog niet aangevangen jaren
waarover de heffing wordt geheven, ineens kan worden voldaan
volgens een in de verordening op te nemen regeling.
7. Hoofdstuk XV van de Provinciewet
is van overeenkomstige toepassing.
Titel 15.9A. Rechten
Artikel 15.34a
Met betrekking tot beschikkingen tot
verlening, wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing
krachtens deze wet worden geen rechten geheven.
Titel 15.10. Afvalbeheersbijdragen
Artikel 15.35
Voor de toepassing van deze titel en
de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
afvalbeheersbijdrage: bijdrage in de
kosten van het beheer van een afvalstof;
overeenkomst over een
afvalbeheersbijdrage: schriftelijke overeenkomst tussen degenen die
een stof, preparaat of product in Nederland invoeren of op de markt
brengen, tot het afdragen van een afvalbeheersbijdrage.
Artikel 15.36
1. Onze Minister kan, indien dat in
het belang is van een doelmatig beheer van afvalstoffen, op een
met redenen omkleed verzoek, na overleg met Onze Minister van
Economische Zaken een overeenkomst over een afvalbeheersbijdrage
algemeen verbindend verklaren voor een ieder die die stof, dat
preparaat of dat produkt in Nederland invoert of op de markt
brengt.
2. Onze Minister stelt regels met
betrekking tot de onderwerpen die in ieder geval in een
overeenkomst over een afvalbeheersbijdrage, waarvoor een algemeen
verbindend verklaring wordt gevraagd, aan de orde dienen te komen,
alsmede met betrekking tot de bij een verzoek als bedoeld in het
eerste lid over te leggen gegevens. Tot die gegevens behoren in
ieder geval gegevens, waaruit duidelijk wordt dat redelijkerwijs
is getracht te voorkomen, dat gebruikers van die stof, dat
preparaat of dat produkt in de praktijk meer dan eenmaal een
bijdrage voor het beheer daarvan verschuldigd zullen zijn.
Artikel 15.37
1. Een verzoek als bedoeld in
artikel 15.36 kan slechts worden ingediend door degenen die,
onderscheidenlijk organisaties van degenen die wat betreft de
gezamenlijke omzet van de betrokken stoffen, preparaten of
produkten een naar het oordeel van Onze Minister belangrijke
meerderheid vormen van degenen die deze stoffen, preparaten of
produkten in Nederland invoeren of op de markt brengen. Onze
Minister betrekt bij zijn oordeel met betrekking tot de vraag of
degenen die, onderscheidenlijk de organisaties van degenen die het
verzoek hebben ingediend, een belangrijke meerderheid vormen, in
ieder geval het aantal van hen in verhouding met het totale aantal
van degenen die deze stoffen, preparaten of produkten in Nederland
invoeren of op de markt brengen.
2. Op de voorbereiding van een
besluit op het verzoek is afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden
gebracht door een ieder.
3. Indien een besluit niet kan
worden genomen dan nadat is voldaan aan een uit een voor Nederland
verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van
een volkenrechtelijke organisatie voortvloeiende verplichting,
wordt de termijn voor het nemen van dat besluit opgeschort tot de
ten aanzien van die verplichting geldende procedure is afgerond.
Van de opschorting wordt mededeling gedaan aan de verzoeker.
4. Indien bij het besluit een
overeenkomst over een afvalbeheersbijdrage algemeen verbindend
wordt verklaard, wordt de tekst van de overeenkomst in de
Staatscourant geplaatst.
Artikel 15.38
1. Onze Minister kan van een
algemeen verbindend verklaarde overeenkomst over een
afvalbeheersbijdrage op een daartoe strekkend verzoek, na overleg
met Onze Minister van Economische Zaken ontheffing verlenen,
indien de verzoeker zorg draagt voor een zodanig beheer van de
betrokken afvalstoffen dat deze naar het oordeel van Onze Minister
ten minste gelijkwaardig is aan het beheer overeenkomstig de
betrokken algemeen verbindend verklaarde overeenkomst over een
afvalbeheersbijdrage.
2. Een ontheffing kan onder
beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen
voorschriften worden verbonden.
3. Een krachtens het eerste lid
verleende ontheffing kan ambtshalve of op een daartoe strekkend
verzoek worden gewijzigd of ingetrokken. Artikel 15.39, tweede
lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
voor het in onderdeel b van dat lid genoemde belang in de plaats
treedt: het niet langer voldoen aan het in het eerste lid van dit
artikel genoemde vereiste.
4. Op de voorbereiding van een
besluit als bedoeld in het eerste en derde lid, is artikel 15.37,
tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing. Onze
Minister stelt de houder van de ontheffing, behoudens in gevallen
waarin deze om wijziging of intrekking verzoekt, van zijn
voornemen tot wijziging of intrekking in kennis, alvorens een
besluit te nemen.
Artikel 15.39
1. Een besluit krachtens artikel
15.36, eerste lid, geldt voor een daarbij aangegeven termijn van
ten hoogste vijf jaar.
2. Onze Minister kan een besluit
krachtens artikel 15.36, eerste lid, na overleg met Onze Minister
van Economische Zaken intrekken, indien:
a. de ter zake verstrekte
gegevens zodanig onjuist zijn of onvolledig blijken, dat op
het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de
beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;
b. op grond van een verandering
van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het nemen van
het besluit, moet worden aangenomen dat het van kracht blijven
van het besluit het belang van een doelmatig beheer van
afvalstoffen op onaanvaardbare wijze zou schaden;
c. een voor Nederland
verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit
van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel regels ter
uitvoering daarvan, hiertoe verplichten.
3. Alvorens een besluit krachtens
artikel 15.36, eerste lid, op grond van het tweede lid, onder a,
in te trekken, stelt Onze Minister degenen die het verzoek tot
algemeen verbindend verklaring hebben gedaan, in de gelegenheid
hun zienswijze naar voren te brengen.
4. Op de voorbereiding van een
besluit tot intrekking van een besluit krachtens artikel 15.36,
eerste lid, op grond van het tweede lid, onder b of c, is artikel
15.37, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 15.40
Een ieder is tot naleving van een
voor hem geldende algemeen verbindend verklaarde overeenkomst over
een afvalbeheersbijdrage gehouden tegenover ieder ander, die bij de
naleving een redelijk belang heeft.
Artikel 15.41
Indien een of meer van degenen die
een stof, preparaat of product in Nederland invoeren of op de markt
brengen, waarvoor een overeenkomst over een afvalbeheersbijdrage
algemeen verbindend is verklaard, het vermoeden gegrond achten dat
door een of meer anderen een of meer van de algemeen verbindend
verklaarde bepalingen uit die overeenkomst niet worden nageleefd,
kunnen zij met het oog op het instellen van een rechtsvordering op
grond van artikel 15.40 Onze Minister verzoeken een onderzoek
daarnaar te doen instellen. De inspecteur stelt het onderzoek in en
brengt aan Onze Minister verslag uit van hetgeen bij het onderzoek
is gebleken. Onze Minister stelt het verslag ter beschikking van
degene of degenen, die om het onderzoek hebben gevraagd.
Titel 15.11. Financiering van de zorg
voor gesloten stortplaatsen
Artikel 15.42
In deze titel en de daarop berustende
bepalingen wordt onder «stortplaats», «gesloten stortplaats» en
«bedrijfsgebonden stortplaats» verstaan hetgeen daaronder wordt
verstaan in paragraaf 8.2.
Artikel 15.43
Deze titel is niet van toepassing op
stortplaatsen waar baggerspecie is gestort en die worden gedreven of
mede worden gedreven door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 15.44
1. Provinciale staten stellen een
heffing in ter bestrijding van de kosten die gemoeid zullen zijn
met:
a. de in artikel 8.49 bedoelde
zorg voor de in de betrokken provincie gelegen stortplaatsen;
b. een voor de betrokken
provincie geldende verplichting tot afdracht aan een fonds als
bedoeld in artikel 15.48;
c. de door de provincie
uitgevoerde inventarisatie van plaatsen waar afvalstoffen zijn
gestort en waar dat storten vóór 1 september 1996 is
beëindigd, en het onderzoek naar en systematische controle
van aanwezigheid, aard en omvang van eventuele verontreiniging
aldaar.
2. De in het eerste lid bedoelde
heffing kan mede betrekking hebben op de kosten die gemoeid zullen
zijn met de dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in artikel
176 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Met betrekking tot de heffing en
invordering zijn de artikelen 227 tot en met 232h van de
Provinciewet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15.45
1. De heffing wordt geheven van
degene die een stortplaats drijft.
2. Het bedrag van de heffing wordt
zodanig vastgesteld dat uit de opbrengst van de heffing en de
daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten de kosten
kunnen worden bestreden, die naar verwachting gemoeid zullen zijn
met de uitvoering van het in artikel 8.49, derde en vierde lid,
bedoelde nazorgplan waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd,
of, indien geen nazorgplan geldt, de in artikel 8.49, eerste lid,
bedoelde zorg voor die stortplaats. Indien na de vaststelling
blijkt dat de opbrengst van de heffing hoger dan wel lager is dan
het bedrag dat nodig is om de kosten te bestrijden die naar
verwachting met die zorg van die stortplaats gemoeid zullen zijn,
kan het bedrag van de heffing opnieuw worden vastgesteld. Het
reeds betaalde bedrag van de heffing wordt hierop in mindering
gebracht.
3. In afwijking van het tweede lid
kan de heffing terzake van de niet-bedrijfsgebonden stortplaatsen
in de betrokken provincie worden vastgesteld aan de hand van de
hoeveelheid en de aard van de afvalstoffen die op de stortplaats
zijn afgegeven. Het bedrag wordt zodanig vastgesteld dat uit het
totaal van de opbrengsten van de heffing en de daarover verkregen
rentebaten en beleggingsopbrengsten voor de niet-bedrijfsgebonden
stortplaatsen in die provincie de kosten kunnen worden bestreden
die naar verwachting gemoeid zullen zijn met de zorg voor die
stortplaatsen. De kosten, bedoeld in de tweede volzin, worden
berekend met inachtneming van de voor die stortplaatsen geldende
nazorgplannen waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd.
4. Het derde lid is niet van
toepassing op stortplaatsen waar baggerspecie is gestort.
Artikel 15.46
1. Gedeputeerde staten kunnen
bepalen dat degenen die een stortplaats drijven, waarop artikel
15.45, derde lid, niet van toepassing is, financiële zekerheid
stellen voor het nakomen van de krachtens de artikelen 15.44,
eerste lid, onder a, en 15.45 voor hen geldende verplichting.
Daarbij wordt in ieder geval aangegeven het bedrag waarvoor de
zekerheid ten hoogste in stand moet worden gehouden.
2. De verplichting financiële
zekerheid in stand te houden vervalt op het tijdstip waarop een
bedrag aan heffing, als bedoeld in artikel 15.45, tweede lid, is
betaald, voor zover het betreft het gedeelte dat overeenkomt met
het bedrag dat is betaald.
3. Gedeputeerde staten kunnen
verhaal nemen op de gestelde zekerheid, voor zover degene die de
zekerheid heeft gesteld, het bedrag van de heffing, zoals dat is
vastgesteld ingevolge artikel 15.45, tweede lid, niet tijdig heeft
betaald.
4. Gedeputeerde staten kunnen het
ingevolge het derde lid te verhalen bedrag invorderen bij
dwangbevel.
5. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze
waarop financiële zekerheid wordt gesteld.
Artikel 15.47
1. Gedeputeerde staten van een
provincie richten voor hun provincie een fonds op, bestemd voor de
in artikel 8.49 bedoelde zorg voor gesloten stortplaatsen.
2. In afwijking van het eerste lid
kunnen gedeputeerde staten van verschillende provincies
gezamenlijk voor hun provincies een fonds als bedoeld in het
eerste lid oprichten.
3. Een fonds is rechtspersoon.
4. Gedeputeerde staten van de
betrokken provincie, onderscheidenlijk provincies zijn belast met
het beheer van het in hun provincie, onderscheidenlijk provincies
werkzame fonds.
5. Een fonds ontvangt jaarlijks:
a. de opbrengst van de in
artikel 15.44 bedoelde heffing, verminderd met het bedrag ter
bestrijding van de kosten in verband met de in artikel 15.44,
eerste lid, onder c, bedoelde handelingen en met het gedeelte
van de heffingen, bedoeld in artikel 15.48, tweede lid;
b. de bedragen die ingevolge
artikel 15.46, derde lid, worden verhaald;
c. rentebaten en
beleggingsopbrengsten die via het fonds zijn verkregen;
d. het batig saldo van de
laatstelijk afgesloten rekening van het fonds.
6. Een fonds is gerechtigd ook
andere bedragen, bestemd voor de in artikel 8.49 bedoelde zorg,
dan die, bedoeld in het vijfde lid, in ontvangst te nemen.
7. Uit het fonds worden uitsluitend
bestreden de kosten die:
a. worden gemaakt in verband
met de uitvoering van de in artikel 8.49 bedoelde zorg met
betrekking tot gesloten stortplaatsen in de betrokken
provincie of provincies;
b. zijn verbonden aan de
werkzaamheden van het fonds dat in de betrokken provincie,
onderscheidenlijk provincies werkzaam is;
c. worden gemaakt ter dekking
van de aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 176, vierde lid,
van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, doch slechts voor zover
de in artikel 15.44 bedoelde heffing mede op deze kosten
betrekking heeft.
8. Onder de kosten, bedoeld in het
zevende lid, worden niet begrepen de kosten die in verband met de
in artikel 8.49 bedoelde zorg voor gesloten stortplaatsen door de
betrokken provincie, onderscheidenlijk provincies worden gemaakt
ten behoeve van haar bestuurlijk apparaat.
Artikel 15.48
1. Gedeputeerde staten van
provincies kunnen gezamenlijk een fonds oprichten ter dekking van
grote financiële risico's in verband met de in artikel 8.49
bedoelde zorg voor gesloten stortplaatsen.
2. Het in het eerste lid bedoelde
fonds ontvangt jaarlijks van die provincies een door het bestuur
van dat fonds te bepalen gedeelte van de aan die provincies
afgedragen heffingen als bedoeld in artikel 15.45.
3. Van artikel 15.47 zijn het derde
en vierde lid, alsmede het achtste lid, in verbinding met het
zevende lid, onder b, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15.49
1. Ter zake van door een
stortplaats veroorzaakte schade, die bekend is geworden na het
tijdstip waarop een verklaring als bedoeld in artikel 8.47, derde
lid, met betrekking tot die stortplaats is afgegeven, doet noch
een provincie, noch het in deze titel bedoelde fonds een beroep op
de aansprakelijkheid van degene die als laatste de stortplaats
heeft gedreven op grond van artikel 176, vierde lid, van Boek 6
van het Burgerlijk Wetboek.
2. Indien degene die als laatste
een stortplaats heeft gedreven, waarvoor een verklaring als
bedoeld in artikel 8.47, derde lid, is afgegeven, aansprakelijk is
voor de door die stortplaats veroorzaakte schade op grond van
artikel 176, vierde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek,
kan degene jegens wie deze aansprakelijkheid bestaat, zijn recht
op schadevergoeding geldend maken tegen het in deze titel bedoelde
fonds dat in de betrokken provincie werkzaam is.
Titel 15.12. Financiële
tegemoetkomingen
Artikel 15.50
1. Onze Minister kan uitkeringen
verlenen aan personen bij wie ten gevolge van blootstelling aan
asbest maligne mesothelioom is vastgesteld en die niet in
aanmerking kunnen komen voor een daarmee verband houdende
uitkering op grond van de Kaderwet SZW-subsidies.
2. Onze Minister stelt nadere
regels ter uitvoering van het eerste lid.
Titel 15.13. Kostenverevening
reductie CO2-emissies glastuinbouw
Artikel 15.51
1. Op inrichtingen die:
a. uitsluitend of in hoofdzaak
zijn bestemd tot het telen van gewassen onder een permanente
opstand van glas of van kunststof, of
b. mede zijn bestemd tot het
telen van gewassen onder een permanente opstand van glas of
van kunststof met een minimale oppervlakte van 2 500 m2,
is een systeem van verevening van
kosten verbonden aan het overschrijden van de voor die
inrichtingen gezamenlijk voor een bepaalde periode vastgestelde
hoeveelheid CO2-emissies van toepassing.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op inrichtingen:
a. die uitsluitend of in
hoofdzaak zijn bestemd tot het telen van eetbare paddenstoelen
of witlof onder een opstand als bedoeld in dat lid, of
b. waarop titel 16.2van
toepassing is.
3. Onze Minister stelt, in
overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw
en Innovatie, de in het eerste lid bedoelde hoeveelheid emissies
vast. Het besluit tot vaststelling van die hoeveelheid emissies
wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
Artikel 15.52
Indien de hoeveelheid emissies,
bedoeld in artikel 15.51, eerste lid, wordt overschreden, zijn de
inrichtingen die behoren tot een bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen categorie een vergoeding verschuldigd. Bij algemene
maatregel van bestuur wordt de hoogte van die vergoeding dan wel de
wijze van berekenen van de hoogte van die vergoeding vastgesteld.
Artikel 15.53
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kan ten behoeve van de uitvoering van deartikelen 15.51 en
15.52 medewerking worden gevorderd van het bestuur van een
bedrijfslichaam als bedoeld in artikel 66 van de Wet op de
bedrijfsorganisatie.
2. Indien de in het eerste lid
bedoelde medewerking bestaat uit het stellen van nadere regels bij
verordening, behoeft die verordening de goedkeuring van Onze
Minister. Krachtens de verordening genomen besluiten behoeven,
voor zover zulks bij de maatregel, bedoeld in het eerste lid, is
bepaald, de goedkeuring van Onze Minister.
3. Bij de maatregel, bedoeld in het
eerste lid, kunnen overtredingen van de verordening, bedoeld in
het tweede lid, worden aangewezen als feiten waarvoor een
tuchtrechtelijke maatregel als bedoeld in de Wet tuchtrechtspraak
bedrijfsorganisatie 2004 kan worden opgelegd.
4. De artikelen 1, onderdeel b, 2,
3 tot en met 6, 15 tot en met 44, eerste lid, en 46 van de Wet
tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 zijn van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de in artikel 46 van die wet
genoemde instemming dient te worden verkregen van Onze Minister.
5. Met het toezicht op de naleving
van de verordening, bedoeld in het tweede lid, zijn belast de bij
besluit van het bestuur van het op grond van het eerste lid
aangewezen bedrijfslichaam aangewezen personen. Dat besluit
behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Onze Minister kan het
bestuur van het bedrijfslichaam een aanwijzing geven omtrent het
aanwijzen van toezichthouders en de wijze waarop toezicht wordt
uitgeoefend.
Hoofdstuk 16. Handel in
emissierechten
Titel 16.1. Algemeen
Artikel 16.1
1. In dit hoofdstuk en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
handelsperiode: periode als bedoeld
in artikel 16.24, eerste lid;
jaarvracht: totale hoeveelheid van
een emissie gedurende een kalenderjaar;
nationaal toewijzingsbesluit:
besluit als bedoeld in artikel 16.24, eerste lid;
projectactiviteit: project of
activiteit als bedoeld in artikel 6 onderscheidenlijk artikel 12
van het Protocol van Kyoto;
register voor handel in
broeikasgasemissierechten: register als bedoeld in artikel 16.43,
eerste lid;
register voor handel in
NOx-emissierechten: register als bedoeld in artikel 16.58, eerste
lid;
toegewezen eenheid: eenheid als
bedoeld in artikel 2, onder e, van de EU-verordening register
handel in broeikasgasemissierechten (AAU);
tonkilometer: één ton vracht,
vervoerd over een afstand van één kilometer, waarbij onder
vracht wordt verstaan: de totale massa aan vracht, post en
passagiers die wordt vervoerd;
tonkilometergegevens: gegevens
betreffende de omvang van een luchtvaartactiviteit als bedoeld in
bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten;
verkoopplafond: het aantal
NOx-emissierechten, bedoeld in artikel 16.49, derde lid;
verwijderingseenheid: eenheid als
bedoeld in artikel 2, onder r, van de EU-verordening register
handel in broeikasgasemissierechten (RMU).
2. Voor de toepassing van titel
16.2 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
broeikasgasinstallatie: vaste
technische eenheid, waarin een of meer activiteiten worden
verricht, die een emissie van een broeikasgas in de lucht
veroorzaken en die behoren tot een categorie die met betrekking
tot het betrokken broeikasgas bij algemene maatregel van bestuur
is aangewezen, alsmede andere activiteiten die met eerstbedoelde
activiteiten rechtstreeks samenhangen en daarmee technisch in
verband staan en die gevolgen kunnen hebben voor de emissie van
het betrokken broeikasgas in de lucht.
3. Voor de toepassing van titel
16.3 en de daarop berustende bepalingen wordt onder
NOx-installatie verstaan: vaste technische eenheid die een emissie
van stikstofoxiden in de lucht veroorzaakt en die behoort tot een
categorie die bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen.
4. Voor de toepassing van afdeling
16.2.1 onderscheidenlijk afdeling 16.2.2 wordt verstaan onder:
emissieverslag: verslag als
bedoeld in artikel 16.12 onderscheidenlijkartikel 16.39f,
eerste lid;
monitoringsplan: plan als
bedoeld in artikel 16.6, tweede lid, onderscheidenlijk artikel
16.39c;
verificateur: onafhankelijke
deskundige als bedoeld in artikel 16.12, eerste lid,
onderscheidenlijk de artikelen 16.39f, tweede lid, en 16.39j,
tweede lid;
verificatie: beoordeling als
bedoeld in artikel 16.12, eerste lid, onderscheidenlijkartikel
16.39g.
Titel 16.2. Broeikasgassen en
broeikasgasemissierechten
Afdeling 16.2.1. Inrichtingen
Paragraaf 16.2.1.1. Algemeen
Artikel 16.2
1. Deze afdeling is van toepassing
op inrichtingen waarin zich een of meer broeikasgasinstallaties
bevinden.
2. Een emissie van een broeikasgas
in de lucht wordt uitgedrukt in tonnen kooldioxide-equivalent.
3. Voor de toepassing van deze
afdeling wordt onder brandstofverbruik en grondstofgebruik
verstaan het verbruik van brandstoffen, onderscheidenlijk het
gebruik van grondstoffen, voorzover dat verbruik,
onderscheidenlijk gebruik, waarschijnlijk tot emissies van een
broeikasgas zal leiden.
Artikel 16.2a
1. Deze afdeling is, met
uitzondering van paragraaf 16.2.1.3, mede van toepassing op het
transport van CO2 (CCS).
2. Voor de toepassing van deze
afdeling op het transport van CO2 (CCS) wordt onder «degene die
de inrichting drijft» verstaan: de natuurlijke persoon of de
rechtspersoon die de transportactiviteit verricht of aan wie een
doorslaggevende economische zeggenschap over het technisch
functioneren van die activiteit is overgedragen.
Artikel 16.2b
1. De artikelen 16.11a tot en met
16.13, 16.14 tot en met 16.18 en 16.24 tot en met 16.30a zijn van
overeenkomstige toepassing op inrichtingen die op grond van
artikel 27, eerste lid, van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten zijn uitgesloten van het systeem van
handel in broeikasgasemissierechten. Een inrichting als bedoeld in
de eerste volzin beschikt over een door het bestuur van de
emissieautoriteit goedgekeurd monitoringsplan. Indien bij of
krachtens de in de eerste volzin genoemde artikelen regels worden
gesteld, kan daarbij worden bepaald dat voor de in artikel 27,
eerste lid, onder b, van genoemde richtlijn bedoelde categorie
inrichtingen vereenvoudigde eisen gelden met betrekking tot het
bepalen en registreren van de jaarvracht, het indienen van een
emissieverslag alsmede de inhoud en verificatie van dat verslag.
2. Het eerste lid geldt met ingang
van 1 januari van het eerste kalenderjaar van de betrokken
handelsperiode.
3. Indien een inrichting op grond
van artikel 27, derde lid, van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten weer is opgenomen in het systeem van
handel in broeikasgasemissierechten omdat de door die inrichting
veroorzaakte emissies de in artikel 27, eerste lid, van die
richtlijn opgenomen hoeveelheid overschrijden, is het eerste lid
niet langer van toepassing en is deze afdeling, met uitzondering
van artikel 16.37, op die inrichting van toepassing met ingang van
1 januari van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin
de inrichting niet meer voldoet aan de voorwaarden voor
uitsluiting. Artikel 16.37 is van toepassing met ingang van 1
januari van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar
waarin de inrichting niet meer aan bedoelde voorwaarden voldoet.
4. Indien een inrichting op grond
van artikel 27, derde lid, van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten weer is opgenomen in het systeem van
handel in broeikasgasemissierechten omdat de maatregelen die een
gelijkwaardige bijdrage leveren tot emissiereductie, niet langer
van toepassing zijn, is het eerste lid niet langer van toepassing
en is deze afdeling, met uitzondering van artikel 16.37, op die
inrichting van toepassing met ingang van de dag volgend op de dag
waarop bedoelde maatregelen zijn vervallen. Artikel 16.37 is van
toepassing met ingang van 1 januari van het kalenderjaar volgend
op het kalenderjaar waarin bedoelde maatregelen zijn vervallen.
Artikel 16.3
Onder inrichtingen als bedoeld in
artikel 16.2, eerste lid, worden mede begrepen inrichtingen binnen
de Nederlandse exclusieve economische zone.
Artikel 16.4
Een wijziging van de EG-richtlijn
handel in broeikasgasemissierechten of van een bijlage bij die
richtlijn gaat voor de toepassing van deze titel gelden met ingang
van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn
gegeven, tenzij bij een besluit van Onze Minister, dat in de
Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt
vastgesteld.
Artikel 16.4a
1. Het bestuur van de
emissieautoriteit draagt er zorg voor dat alle besluiten en
verslagen die verband houden met de hoeveelheid emissierechten en
de toewijzing daarvan en met de bewaking, rapportage en
verificatie van emissies onverwijld op passende wijze openbaar
worden gemaakt.
2. Artikel 10 van de Wet
openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 16.2.1.2. Vergunning
Artikel 16.5
1. Het is verboden zonder
vergunning van het bestuur van de emissieautoriteit een inrichting
in werking te hebben.
2. Indien voor een inrichting
tevens het in artikel 16.49, eerste lid, vervatte verbod geldt,
heeft het in het eerste lid bedoelde verbod tevens betrekking op
de emissies van stikstofoxiden in de lucht, die de inrichting
veroorzaakt, en is het in artikel 16.49, eerste lid, vervatte
verbod niet van toepassing. Titel 16.3, met uitzondering van
artikel 16.49, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing,
voorzover het de emissie van stikstofoxiden in de lucht betreft.
Artikel 16.6
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
wijze waarop de aanvraag om een vergunning moet geschieden, de
gegevens en de bescheiden die door de aanvrager moeten worden
verstrekt met het oog op de beslissing op de aanvraag, en de wijze
waarop die gegevens moeten worden verkregen.
2. Bij of krachtens de maatregel
wordt in ieder geval bepaald dat de aanvrager bij de aanvraag een
monitoringsplan indient, dat voor de inrichting een beschrijving
bevat van de wijze waarop:
a. de jaarvracht wordt bepaald,
b. het brandstofverbruik en het
grondstofgebruik worden bepaald,
c. gegevens die op het bepaalde
onder a en b betrekking hebben, worden geregistreerd en
bewaard, en
d. aan het bestuur van de
emissieautoriteit verslag wordt gedaan van de jaarvracht en de
gegevens betreffende het brandstofverbruik en het
grondstofgebruik.
3. Onze Minister kan nadere regels
stellen ter uitvoering van het bepaalde krachtens het eerste of
tweede lid.
4. Voor het bepalen van de
jaarvracht van een inrichting worden uitsluitend de emissies in
aanmerking genomen, die worden veroorzaakt door activiteiten die
in een broeikasgasinstallatie worden verricht en die krachtens
artikel 16.1, tweede lid, zijn aangewezen.
Artikel 16.7
Het bestuur van de emissieautoriteit
beslist binnen vier maanden op de aanvraag om een vergunning.
Artikel 16.8
1. Het bestuur van de
emissieautoriteit zendt het monitoringsplan dat is ingediend bij
de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid,
aan het bestuursorgaan dat voor de inrichting waarop de aanvraag
betrekking heeft, bevoegd is een omgevingsvergunning te verlenen,
dan wel, in geval voor de inrichting het in artikel 40, tweede
lid, van de Mijnbouwwet vervatte verbod geldt, Onze Minister van
Economische Zaken.
2. Het bestuur van de
emissieautoriteit stelt het betrokken andere bestuursorgaan,
bedoeld in het eerste lid, gedurende vier weken in de gelegenheid
advies uit te brengen over het monitoringsplan met het oog op de
samenhang tussen dit plan en de betrokken omgevingsvergunning of
vergunning, bedoeld in artikel 40 van de Mijnbouwwet, dan wel de
betrokken aanvraag om een omgevingsvergunning of vergunning als
hiervoor bedoeld.
Artikel 16.9
Het bestuur van de emissieautoriteit
draagt er bij de beslissing op de aanvraag zorg voor dat geen strijd
ontstaat met regels die met betrekking tot de inrichting gelden,
gesteld bij of krachtens dit hoofdstuk,hoofdstuk 8 van deze wet of
de hoofdstukken 2 en 3 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht.
Artikel 16.10
1. De vergunning wordt geweigerd
indien het monitoringsplan niet voldoet aan de eisen die daaraan
bij of krachtens dit hoofdstuk of bij de in artikel 14 dan wel,
voor zover van toepassing, artikel 24, derde lid, van de
EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten bedoelde
verordening zijn gesteld dan wel indien door verlening anderszins
strijd zou ontstaan met regels die met betrekking tot de
inrichting gelden, gesteld bij of krachtens dit hoofdstuk, of
indien het bestuur van de emissieautoriteit van oordeel is dat
onvoldoende is gewaarborgd dat de aanvrager in staat is het
monitoringsplan naar behoren uit te voeren.
2. In een geval als bedoeld in
artikel 16.5, tweede lid, wordt de vergunning gedeeltelijk
geweigerd voorzover het de emissies van broeikasgassen,
onderscheidenlijk de emissies van stikstofoxiden, betreft, indien
een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid,
onderscheidenlijkartikel 16.49, eerste lid, zou zijn geweigerd in
geval uitsluitend het vereiste van een vergunning krachtens
artikel 16.5, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 16.49, eerste
lid, zou gelden.
Artikel 16.11
1. In een vergunning wordt
duidelijk aangegeven waarop zij betrekking heeft. De vergunning
vermeldt de naam en het adres van degene die de inrichting drijft,
waarop de vergunning betrekking heeft.
2. Het monitoringsplan maakt in
ieder geval deel uit van de vergunning. De overige onderdelen van
de aanvraag om de vergunning maken deel uit van de vergunning,
voorzover dat in de vergunning is aangegeven.
Artikel 16.11a
1. De vergunninghouder bepaalt en
registreert gedurende ieder kalenderjaar de jaarvracht, het
brandstofverbruik en het grondstofgebruik overeenkomstig het voor
de betrokken inrichting geldende monitoringsplan.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen eisen worden gesteld met betrekking tot:
a. andere personen dan de
vergunninghouder krachtens artikel 16.5, eerste lid, die bij
de uitvoering van het monitoringsplan zijn betrokken;
b. de bepaling en de
registratie van de jaarvracht, het brandstofverbruik en het
grondstofgebruik, bedoeld in het eerste lid;
c. de kwaliteitsborging van
meetvoorzieningen en de interne bedrijfsprocedures of
bedrijfsorganisatie met het oog op de meting, monitoring en
registratie van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 16.12
1. De vergunninghouder dient met
betrekking tot ieder kalenderjaar bij het bestuur van de
emissieautoriteit voor 1 april van het daarop volgende
kalenderjaar een emissieverslag in. Dit emissieverslag gaat
vergezeld van een verklaring van een onafhankelijke deskundige,
waarin de resultaten worden weergegeven van een door hem
uitgevoerde beoordeling van het verslag overeenkomstig artikel
16.14, eerste en derde lid.
2. In het emissieverslag worden
voor de inrichting, alsmede voor elke broeikasgasinstallatie die
zich in de inrichting bevindt, met betrekking tot het kalenderjaar
waarop het verslag betrekking heeft, vermeld:
a. de jaarvracht, het
brandstofverbruik en het grondstofgebruik en de wijze waarop
deze zijn bepaald en geregistreerd;
b. de veranderingen van het
monitoringsplan die hebben plaatsgevonden;
c. de gevallen waarin van het
monitoringsplan is afgeweken, de redenen daarvoor en de wijze
waarop het meten en registreren van de emissies in die
gevallen heeft plaatsgevonden.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen eisen worden gesteld met betrekking tot het emissieverslag.
Artikel 16.13
1. De vergunninghouder beziet
regelmatig of de in het monitoringsplan opgenomen gegevens met
betrekking tot het bepalen van de jaarvracht, het
brandstofverbruik en het grondstofgebruik, het registreren en
bewaren van de daarop betrekking hebbende gegevens en de
verslaglegging aan het bestuur van de emissieautoriteit nog juist
en volledig zijn, gezien:
a. veranderingen die zijn
opgetreden in de voor het bepalen van de jaarvracht, het
brandstofverbruik en het grondstofgebruik en het registreren
van de daarop betrekking hebbende gegevens relevante
omstandigheden;
b. ontwikkelingen op het gebied
van de technische mogelijkheden inzake het bepalen van de
jaarvracht, het brandstofverbruik en het grondstofgebruik en
het registreren van de daarop betrekking hebbende gegevens.
2. Hij wijzigt het monitoringsplan
zo spoedig mogelijk, indien:
a. de veranderingen of
ontwikkelingen, bedoeld in het eerste lid, onder a
onderscheidenlijk b, daartoe aanleiding geven;
b. wijziging van de krachtens
artikel 16.6 gestelde regels daartoe aanleiding geeft;
c. het bestuur van de
emissieautoriteit daarom verzoekt.
3. De vergunninghouder legt op
verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit de meest actuele
versie van het monitoringsplan over.
Artikel 16.13a
1. Bij ministeriële regeling
worden ter uitvoering van deze paragraaf regels gesteld met
betrekking tot het melden aan het bestuur van de emissieautoriteit
van:
a. significante veranderingen
van het monitoringsplan;
b. tijdelijke afwijkingen van
het monitoringsplan;
c. het geheel, gedeeltelijk of
tijdelijk beëindigen van de werking van een
broeikasgasinstallatie;
d. het hervatten van de
productie na beëindiging van de werking van een
broeikasgasinstallatie;
e. een aanzienlijke
vermindering van de capaciteit van een broeikasgasinstallatie.
2. Significante veranderingen van
het monitoringsplan behoeven de goedkeuring van het bestuur van de
emissieautoriteit. Goedkeuring kan worden onthouden indien de
veranderingen in strijd zijn met het bij of krachtens dit
hoofdstuk bepaalde.
3. Bij ministeriële regeling kan
ter uitvoering van deze paragraaf worden bepaald dat ook andere
handelingen of omstandigheden aan het bestuur van de
emissieautoriteit moeten worden gemeld.
4. Bij ministeriële regeling
kunnen tevens regels worden gesteld met betrekking tot het
goedkeuren van veranderingen van het monitoringsplan.
Artikel 16.14
1. Bij de verificatie wordt
nagegaan of het emissieverslag voldoet aan de eisen die daaraan
bij de in artikel 15 van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten bedoelde verordening en bij of krachtens
dit hoofdstuk zijn gesteld. Indien het emissieverslag niet aan
deze eisen voldoet, geeft de verificateur geen verklaring af als
bedoeld in artikel 16.12, eerste lid.
2. De verificateur mag in een
periode van vijf jaar voorafgaand aan de verificatie niet
betrokken zijn geweest bij het opstellen, beoordelen of uitvoeren
van het monitoringsplan voor de betrokken inrichting.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld, inhoudende
eisen waaraan een verificateur en een verificatie moeten voldoen.
Deze regels voldoen in elk geval aan de eisen die terzake zijn
opgenomen in bijlage V bij de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten.
Artikel 16.15
Het bestuur van de emissieautoriteit
zendt het betrokken andere bestuurorgaan, bedoeld in artikel 16.8,
eerste lid, een exemplaar van het voor de betrokken inrichting
opgestelde emissieverslag en de daarbij gevoegde verklaring van de
verificateur.
Artikel 16.16
1. Het bestuur van de
emissieautoriteit kan uiterlijk op 30 september van het
kalenderjaar waarin het emissieverslag overeenkomstig artikel
16.12, eerste lid, moet worden ingediend, vaststellen dat dit
verslag niet voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit
hoofdstuk zijn gesteld. Het bestuur van de emissieautoriteit kan
de beslissing voor ten hoogste drie maanden verdagen. Van de
verdaging wordt voor het in de eerste volzin genoemde tijdstip
schriftelijk mededeling gedaan aan degene die het emissieverslag
heeft ingediend. De mededeling omvat de reden voor de verdaging.
2. Het bestuur van de
emissieautoriteit kan na het tijdstip, genoemd in het eerste lid,
onderscheidenlijk, indien toepassing is gegeven aan de tweede
volzin van dat lid, na het tijdstip dat met toepassing van die
volzin is vastgesteld alsnog vaststellen dat het emissieverslag
niet voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit
hoofdstuk zijn gesteld, indien:
a. degene die overeenkomstig
artikel 16.12, eerste lid, bij het bestuur van de
emissieautoriteit een emissieverslag heeft ingediend, in dat
verslag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
verstrekking van juiste of volledige gegevens zou hebben
geleid tot de vaststelling van een andere jaarvracht,
b. het betrokken emissieverslag
anderszins onjuist was,
en de betrokken persoon dit wist of
behoorde te weten.
3. De bevoegdheid, bedoeld in het
tweede lid, vervalt tien jaren na afloop van het kalenderjaar,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 16.17
Indien degene die een inrichting
drijft, waarop het in artikel 16.5, eerste lid, gestelde verbod
betrekking heeft, niet tijdig een emissieverslag bij het bestuur van
de emissieautoriteit heeft ingediend, of het bestuur van de
emissieautoriteit ingevolge artikel 16.16, eerste of tweede lid,
heeft verklaard dat het emissieverslag niet voldoet aan de eisen die
daaraan bij of krachtens dit hoofdstuk zijn gesteld, kan het bestuur
van de emissieautoriteit de betrokken gegevens op basis van bedoelde
eisen ambtshalve vaststellen. Voordat het bestuur van de
emissieautoriteit deze gegevens ambtshalve vaststelt, stelt het de
betrokken persoon in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te
brengen.
Artikel 16.18
1. Het bestuur van de
emissieautoriteit geeft desgevraagd aan een ieder kosteloos inzage
in en verstrekt tegen vergoeding van ten hoogste de kosten een
exemplaar van een emissieverslag dat bij hem is ingediend.
2. Het bestuur van de
emissieautoriteit geeft vooraf kennis van de mogelijkheid tot
inzage in en van de verkrijgbaarheid van het emissieverslag. De
kennisgeving wordt gedaan op zodanige wijze dat het daarmee
beoogde doel zo goed mogelijk wordt bereikt.
Artikel 16.19
1. Een voor een inrichting
verleende vergunning geldt voor een ieder die de inrichting
drijft. Deze draagt ervoor zorg dat het monitoringsplan wordt
nageleefd.
2. De vergunninghouder meldt aan
het bestuur van de emissieautoriteit een verandering van naam of
adres van de houder van de vergunning of, indien dit een ander is,
van degene die de inrichting drijft.
Artikel 16.20
1. Het bestuur van de
emissieautoriteit kan de vergunning wijzigen of aanvullen, de
daaraan verbonden voorschriften wijzigen, aanvullen of intrekken
of voorschriften aan de vergunning verbinden, indien dit naar zijn
oordeel nodig is in het belang van de goede werking van het
systeem van handel in emissierechten.
2. Met betrekking tot de beslissing
ter zake zijn de artikelen 16.7, 16.8 en 16.9 van overeenkomstige
toepassing.
3. In een geval als bedoeld in
artikel 16.19, tweede lid, wijzigt het bestuur van de
emissieautoriteit de vergunning overeenkomstig de melding.
4. Indien het geval, bedoeld in
artikel 16.5, tweede lid, zich voordoet en voor de betrokken
inrichting reeds een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste
lid, is verleend voor het in werking hebben van een inrichting
waarin zich een of meer broeikasgasinstallaties bevinden, vult het
bestuur van de emissieautoriteit die vergunning aan met
voorschriften en bepalingen die betrekking hebben op de emissie
van stikstofoxiden in de lucht, die de inrichting veroorzaakt, en
die noodzakelijk zijn ter uitvoering vantitel 16.3. Met betrekking
tot de beslissing terzake en de inhoud van de voorschriften en
bepalingen zijn deartikelen 16.6 tot en met 16.12 van
overeenkomstige toepassing.
5. Indien het geval, bedoeld in
artikel 16.5, tweede lid, zich voordoet en voor de betrokken
inrichting reeds een vergunning krachtens artikel 16.49, eerste
lid, is verleend voor het in werking hebben van een inrichting
waarin zich een of meer installaties bevinden, die een emissie van
stikstofoxiden in de lucht veroorzaken, vult het bestuur van de
emissieautoriteit die vergunning aan met voorschriften en
bepalingen die betrekking hebben op de emissie van broeikasgassen
in de lucht, die de inrichting veroorzaakt, en die noodzakelijk
zijn ter uitvoering van afdeling 16.2.1. Met betrekking tot de
beslissing terzake en de inhoud van de voorschriften en bepalingen
zijn deartikelen 16.6 tot en met 16.12 van overeenkomstige
toepassing.
6. In geval het vierde of vijfde
lid van toepassing is, kan het bestuur van de emissieautoriteit de
rechten die de vergunninghouder aan de al eerder verleende
vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn
met toepassing van het eerste lid.
Artikel 16.20a
1. Op aanvraag van de
vergunninghouder kan het bestuur van de emissieautoriteit de
vergunning en de daaraan verbonden voorschriften wijzigen,
aanvullen of intrekken of voorschriften aan de vergunning
verbinden.
2. Met betrekking tot de beslissing
ter zake zijn de artikelen 16.6 tot en met 16.12 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.20b
1. Het bestuur van de
emissieautoriteit beziet ten minste elke vijf jaar of de
vergunning, de aan de vergunning verbonden voorschriften en het
van de vergunning deel uitmakende monitoringsplan nog juist en
volledig zijn, mede gezien de in artikel 16.13, eerste lid, onder
a en b, genoemde veranderingen en ontwikkelingen.
2. Met betrekking tot de beslissing
ter zake en de inhoud van de voorschriften zijn de artikelen 16.6
tot en met 16.12 en 16.20, eerste lid, van overeenkomstige
toepassing. Het bestuur van de emissieautoriteit kan tevens het
van de vergunning deel uitmakende monitoringsplan wijzigen voor
zover de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, daartoe noopt.
Artikel 16.20c
1. Het bestuur van de
emissieautoriteit kan een vergunning intrekken, indien:
a. met betrekking tot de
inrichting een krachtens artikel 2.33 van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht genomen beschikking in werking is
getreden;
b. deze afdeling niet meer op
de inrichting van toepassing is.
2. De verplichting, bedoeld in
artikel 16.12, blijft, voor wat betreft het kalenderjaar waarin de
beschikking tot intrekking van de vergunning van kracht is
geworden, na intrekking van de vergunning op de laatste houder
daarvan rusten, totdat aan die verplichting is voldaan.
Artikel 16.21
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot inrichtingen
waarvoor het in artikel 16.5, eerste lid, vervatte verbod geldt en
die behoren tot een bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel
aangewezen categorie, regels worden gesteld, die nodig zijn in het
belang van de goede werking van het systeem van handel in
emissierechten. Bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel kan
worden bepaald dat bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel
gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën
van gevallen.
2. Bij of krachtens de maatregel
kan met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen worden
bepaald dat het bestuur van de emissieautoriteit bij het verlenen
of wijzigen van de vergunning daaraan voorschriften kan verbinden.
Artikel 8.42a is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.22 [Vervallen per
01-07-2012]
Paragraaf 16.2.1.3. Het toewijzen en
verlenen van broeikasgasemissierechten
Subparagraaf 16.2.1.3.1. Het veilen
en kosteloos toewijzen van broeikasgasemissierechten
Artikel 16.23
1. Overeenkomstig artikel 10 en, in
voorkomend geval, artikel 29bis van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten worden broeikasgasemissierechten die
niet overeenkomstig deze paragraaf kosteloos worden toegewezen,
geveild.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van verordening (EU)
nr. 1031/2010 van de Commissie van 12 november 2010 inzake de
tijdstippen, het beheer en andere aspecten van de veiling van
broeikasgasemissierechten overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van
het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een
regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de
Gemeenschap (PbEU L 302).
Artikel 16.24
1. Onverminderd artikel 16.31
beslist Onze Minister per periode van acht jaar over de kosteloze
toewijzing van broeikasgasemissierechten. De eerste periode vangt
aan op 1 januari 2013.
2. Het nationale toewijzingsbesluit
bevat in ieder geval:
a. een lijst van alle
inrichtingen die op 30 juni 2011 beschikken over een
vergunning op grond van artikel 16.5, eerste lid;
b. de aantallen
broeikasgasemissierechten die op grond van deze paragraaf voor
elk kalenderjaar binnen de handelsperiode kosteloos worden
toegewezen voor inrichtingen die zijn opgenomen op de lijst,
bedoeld onder a;
c. de aantallen
broeikasgasemissierechten die voor inrichtingen die op grond
van artikel 27, eerste lid, van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten bij de Europese Commissie zijn
gemeld voor uitsluiting van het systeem van handel in
broeikasgasemissierechten worden toegewezen onder de
voorwaarde dat:
1°. de Europese Commissie
op grond van artikel 27, tweede lid, van die richtlijn
binnen de in dat lid bedoelde termijn bezwaar heeft
aangetekend tegen de voorgenomen uitsluiting;
2°. de inrichting, na
uitgesloten te zijn geweest van het systeem van handel in
broeikasgasemissierechten, op grond van artikel 27, derde
lid, van die richtlijn weer in dat systeem is opgenomen.
3. Kosteloze toewijzing van
broeikasgasemissierechten voor inrichtingen die zijn opgenomen op
de lijst, bedoeld in het tweede lid, onder a, vindt in ieder geval
plaats voor de productie van warmte of koeling door:
a. stadsverwarming en
b. hoogrenderende
warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 3, onder i, van
richtlijn nr. 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 11 februari 2004 inzake de
bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag
naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt en tot
wijziging van Richtlijn 92/42/EEG van de Raad (PbEU L 52) voor
een economisch aantoonbare vraag als bedoeld in artikel 3,
onder c, van die richtlijn.
4. De kosteloze toewijzing
geschiedt overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen die de Europese
Commissie op grond van artikel 10bis, eerste lid, van de
EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten heeft
vastgesteld.
Artikel 16.25
De berekening van de aantallen
broeikasgasemissierechten met het oog op kosteloze toewijzing
geschiedt overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen die de Europese
Commissie op grond van artikel 10bis, eerste lid, van de
EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten heeft vastgesteld.
Artikel 16.26
Bij de in artikel 16.25 bedoelde
berekening wordt de in artikel 9 van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten bedoelde lineaire factor toegepast, voor
zover de in artikel 16.25 bedoelde uitvoeringsmaatregelen daartoe
nopen.
Artikel 16.27
1. Van de voor de handelsperiode
die aanvangt op 1 januari 2013 met het oog op kosteloze toewijzing
berekende aantallen broeikasgasemissierechten wordt in 2013 80%
kosteloos toegewezen, waarna de kosteloze toewijzingen per
kalenderjaar in gelijke stappen worden verminderd tot 30% van de
berekende aantallen broeikasgasemissierechten in 2020. In het
nationale toewijzingsbesluit voor de handelsperiode die aanvangt
op 1 januari 2021 wordt van de broeikasgasemissierechten
uiteindelijk in 2027 0% kosteloos toegewezen.
2. In afwijking van het eerste lid
wordt in geval van een bedrijfstak of een deeltak die
overeenkomstig artikel 10bis, dertiende lid, van de EG-richtlijn
handel in broeikasgasemissierechten geacht wordt te zijn
blootgesteld aan een significant weglekrisico voor de
handelsperiode die aanvangt op 1 januari 2013 van de voor dat
geval berekende aantallen broeikasgasemissierechten 100% kosteloos
toegewezen.
3. In afwijking van het eerste lid
wordt van de aantallen broeikasgasemissierechten die voor een
handelsperiode zijn berekend voor inrichtingen als bedoeld in
artikel 16.2b, eerste lid, 0% kosteloos toegewezen.
Artikel 16.28
Geen kosteloze toewijzing van
broeikasgasemissierechten vindt plaats voor:
a. het opwekken van
elektriciteit, behoudens voor zover de elektriciteit met
restgassen wordt geproduceerd;
b. elektriciteitsopwekkers als
bedoeld in artikel 3, onder u, van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten, tenzij het betreft een activiteit als
bedoeld in artikel 16.24, derde lid, of tenzij in de
uitvoeringsmaatregelen, bedoeld in artikel 16.25, anders is
bepaald;
c. het afvangen van CO2 met het
oog op transport en geologische opslag op een opslaglocatie als
bedoeld in artikel 3, onder 3, van richtlijn nr. 2009/31/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23
april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en
tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de
Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en
2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees
Parlement en de Raad (PbEU L 140) waarvoor op grond van
hoofdstuk 3 van die richtlijn vergunning is verleend, het
transporteren van CO2 met het oog op een dergelijke opslag
alsmede het geologisch opslaan van CO2 op een dergelijke
opslaglocatie.
Artikel 16.29
Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de kosteloze toewijzing en
de berekening van de aantallen broeikasgasemissierechten met het oog
op die toewijzing.
Artikel 16.30
1. Op de voorbereiding van het
nationale toewijzingsbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing.
2. Zienswijzen kunnen naar voren
worden gebracht door een ieder.
3. Het nationale toewijzingsbesluit
wordt vastgesteld en bekendgemaakt uiterlijk twaalf weken na de
terinzagelegging van het ontwerp van het te nemen besluit en ten
minste 15 maanden voor het begin van de handelsperiode.
4. In afwijking van artikel 3:41,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het
vastgestelde nationale toewijzingsbesluit bekendgemaakt door
kennisgeving van het besluit in de Staatscourant. Het nationale
toewijzingsbesluit wordt tevens toegezonden aan de Europese
Commissie.
Artikel 16.30a
1. Indien het nationale
toewijzingsbesluit naar aanleiding van de beoordeling door de
Europese Commissie overeenkomstig de artikelen 10bis, vijfde lid,
11, derde lid, en 27, eerste en tweede lid, van de EG-richtlijn
handel in broeikasgasemissierechten niet behoeft te worden
gewijzigd, wordt daarvan mededeling gedaan in de Staatscourant.
2. Indien het nationale
toewijzingsbesluit naar aanleiding van de in het eerste lid
bedoelde beoordeling geheel of gedeeltelijk moet worden gewijzigd,
stelt Onze Minister het nationale toewijzingsbesluit opnieuw vast
nadat daarin zijn verwerkt de door de Europese Commissie
voorgestelde wijzigingen met betrekking tot:
a. de toepassing van een
uniforme correctiefactor als bedoeld in artikel 10bis, vijfde
lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten;
b. het weigeren op grond van
artikel 11, derde lid, van de onder a genoemde richtlijn van:
1°. opname van een
inrichting op de lijst, bedoeld in artikel 16.24, tweede
lid, onder a;
2°. toewijzing van
broeikasgasemissierechten voor een inrichting als bedoeld
onder 1° of het aantal voor een dergelijke inrichting
kosteloos toegewezen broeikasgasemissierechten;
c. uitsluiting van het systeem
van handel in broeikasgasemissierechten van inrichtingen die
daartoe zijn gemeld op grond van artikel 27, eerste lid, van
de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten en de
toewijzing van broeikasgasemissierechten voor die
inrichtingen.
3. Artikel 16.30, eerste tot en met
derde lid, is niet van toepassing. Artikel 16.30, vierde lid,
eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.31
1. Indien de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State met toepassing van
artikel 20.5a een tussenuitspraak heeft gedaan, wijzigt Onze
Minister het nationale toewijzingsbesluit met inachtneming van die
uitspraak. Op de voorbereiding van het besluit tot wijziging van
het nationale toewijzingsbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht niet van toepassing.
2. Het besluit tot wijziging van
het nationale toewijzingsbesluit wordt genomen binnen tien weken
na de dag waarop de tussenuitspraak, bedoeld in artikel 20.5a, in
het openbaar is uitgesproken. Artikel 7:1 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing.
3. Voor de toepassing van dit
hoofdstuk vervangt een met toepassing van het eerste lid gewijzigd
nationaal toewijzingsbesluit het oorspronkelijke nationale
toewijzingsbesluit.
Artikel 16.32
1. Degene die een inrichting
drijft, die kan worden aangemerkt als nieuwkomer als bedoeld in
artikel 3, onder h, van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten, kan Onze Minister verzoeken om
kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten. De toewijzing
geschiedt overeenkomstig artikel 10bis, zevende lid, en de op
grond van dat artikellid door de Europese Commissie gestelde
regels en, indien het betreft een activiteit die op grond van
artikel 24 van genoemde richtlijn in het systeem van handel in
broeikasgasemissierechten is opgenomen, overeenkomstig artikel 24,
tweede lid, van genoemde richtlijn.
2. De artikelen 16.24, derde lid,
en 16.25 tot en met 16.29 zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Een op grond van het eerste lid
genomen besluit houdende kosteloze toewijzing van
broeikasgasemissierechten wordt toegezonden aan de Europese
Commissie. Toezending vindt plaats gelijktijdig met of zo spoedig
mogelijk na toezending van het besluit aan de aanvrager.
4. Indien het besluit naar
aanleiding van de beoordeling door de Europese Commissie
overeenkomstig de op grond van artikel 10bis, eerste lid, van de
EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten vastgestelde
uitvoeringsmaatregelen niet behoeft te worden gewijzigd, wordt
daarvan mededeling gedaan aan de aanvrager.
5. Indien het besluit naar
aanleiding van de in het vierde lid bedoelde beoordeling geheel of
gedeeltelijk moet worden gewijzigd, wijzigt Onze Minister het
besluit met inachtneming van de door de Europese Commissie
voorgestelde wijzigingen.
6. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop een verzoek
als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan en kunnen nadere regels
worden gesteld omtrent de procedure met betrekking tot de
behandeling van een dergelijk verzoek.
Artikel 16.33
1. Overeenkomstig artikel 10bis,
zevende lid, van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten worden broeikasgasemissierechten in de
reserve voor nieuwkomers die niet kosteloos zijn toegewezen,
geveild. Daarbij wordt rekening gehouden met de mate waarin
inrichtingen gebruik hebben kunnen maken van deze reserve.
2. Artikel 16.23, tweede lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.33a
Indien de Europese Commissie op grond
van artikel 24bis van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten uitvoeringsmaatregelen heeft vastgesteld,
kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld met
betrekking tot de kosteloze toewijzing en verlening van
broeikasgasemissierechten voor projecten die de emissie van
broeikasgassen verlagen maar waarop deze titel niet van toepassing
is. Deze regels voldoen aan genoemde uitvoeringsmaatregelen.
Artikel 16.34
Het is verboden te handelen in strijd
met de artikelen 37 tot en met 42 van verordening (EU) nr. 1031/2010
van de Commissie van 12 november 2010 inzake de tijdstippen, het
beheer en andere aspecten van de veiling van
broeikasgasemissierechten overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van
het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een regeling
voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU
L 302).
Subparagraaf 16.2.1.3.2. Wijziging
van toewijzingsbesluiten
Artikel 16.34a
Indien de Europese Commissie op grond
van artikel 10bis, dertiende lid, van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten de lijst van bedrijfstakken of deeltakken
die geacht worden te zijn blootgesteld aan een significant risico op
het weglekeffect, aanpast, en het bedrijfstakken of deeltakken
betreft die in Nederland zijn gevestigd, wijzigt Onze Minister een
overeenkomstig deze afdeling genomen besluit houdende kosteloze
toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig de
uitvoeringsmaatregelen die de Europese Commissie op grond van
artikel 10bis, eerste en dertiende lid, van die richtlijn heeft
vastgesteld. De artikelen 16.24, derde lid, en 16.25 tot en met
16.29 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.34b
1. Een overeenkomstig deze afdeling
genomen besluit houdende kosteloze toewijzing van
broeikasgasemissierechten kan overeenkomstig de
uitvoeringsmaatregelen die de Europese Commissie op grond van
artikel 10bis, eerste lid, van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten heeft vastgesteld, worden gewijzigd of
ingetrokken:
a. indien de werking van een
broeikasgasinstallatie geheel wordt beëindigd, tenzij de
vergunninghouder ten genoegen van Onze Minister aantoont dat
de productie binnen een concrete en redelijke termijn zal
worden hervat,
b. indien de werking van een
broeikasgasinstallatie tijdelijk wordt beëindigd,
c. indien de werking van een
broeikasgasinstallatie gedeeltelijk wordt beëindigd,
d. indien de capaciteit van een
broeikasgasinstallatie aanzienlijk wordt verminderd, of
e. indien de omstandigheid,
bedoeld onder c, geheel of gedeeltelijk heeft opgehouden te
bestaan.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid, onder a, wordt de werking van een
broeikasgasinstallatie geacht geheel beëindigd te zijn indien de
vergunning, bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, voor de betrokken
inrichting is ingetrokken of indien de broeikasgasinstallatie
technisch gezien niet meer kan werken of in werking kan worden
gesteld.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.
4. De artikelen 16.25 tot en met
16.29 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.34c [Treedt in werking op
een nader te bepalen tijdstip]
1. Een overeenkomstig deze afdeling
genomen besluit houdende kosteloze toewijzing van
broeikasgasemissierechten kan tevens worden gewijzigd of
ingetrokken, indien:
a. degene die de inrichting
drijft, onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander
besluit zou hebben geleid, of
b. het besluit anderszins
onjuist was en degene die de inrichting drijft, dit wist of
behoorde te weten.
2. De artikelen 16.25 tot en met
16.29 zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Een besluit houdende kosteloze
toewijzing van broeikasgasemissierechten kan niet meer worden
ingetrokken of ten nadele van de betrokken inrichting worden
gewijzigd indien acht jaren zijn verstreken sedert de dag waarop
het besluit is bekendgemaakt.
Artikel 16.34d [Treedt in werking op
een nader te bepalen tijdstip]
Bij intrekking of wijziging op grond
van artikel 16.34b of artikel 16.34c kan worden bepaald dat de
intrekking of wijziging terugwerkt tot en met een bij dat besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 16.34e [Treedt in werking op
een nader te bepalen tijdstip]
Op de voorbereiding van een krachtens
artikel 16.34b of 16.34c genomen besluit, voor zover een dergelijk
besluit strekt tot wijziging van het nationale toewijzingsbesluit,
zijn artikel 16.30, vierde lid, van deze wet en afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Subparagraaf 16.2.1.3.3. Het verlenen
van broeikasgasemissierechten
Artikel 16.35
1. Broeikasgasemissierechten worden
overeenkomstig artikel 40 van de EU-verordening register handel in
broeikasgasemissierechten verleend aan degene die de inrichting
drijft. Verlening van broeikasgasemissierechten vindt slechts
plaats, indien voor de betrokken inrichting een vergunning als
bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, is verleend.
2. Het bestuur van de
emissieautoriteit verleent voor een inrichting als bedoeld in
artikel 16.32, eerste lid, het aantal broeikasgasemissierechten
dat overeenkomstig dat lid aan die inrichting is toegewezen. Het
eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing. De
verlening vindt plaats overeenkomstig artikel 48 van de
EG-verordening register handel in broeikasgasemissierechten.
Artikel 16.35a
1. Op verzoek van degene die een
inrichting drijft, verleent het bestuur van de emissieautoriteit
broeikasgasemissierechten die geldig zijn met ingang van 1 januari
2013 ter vervanging van emissiereductie-eenheden of
gecertificeerde emissiereducties die zijn verleend ten behoeve
van:
a. voor 1 januari 2013
gerealiseerde emissiereducties uit projectactiviteiten in het
kader van het mechanisme van gemeenschappelijke uitvoering,
bedoeld in artikel 6 van het Protocol van Kyoto,
onderscheidenlijk het mechanisme voor schone ontwikkeling,
bedoeld in artikel 12 van genoemd protocol;
b. op of na 1 januari 2013
gerealiseerde emissiereducties uit projectactiviteiten als
bedoeld onder a die voor die datum zijn geregistreerd.
2. Op verzoek van degene die een
inrichting drijft, verleent het bestuur van de emissieautoriteit
broeikasgasemissierechten die geldig zijn met ingang van 1 januari
2013 ter vervanging van gecertificeerde emissiereducties die zijn
verleend voor emissiereducties uit projectactiviteiten in het
kader van het mechanisme voor schone ontwikkeling, bedoeld in
artikel 12 van het Protocol van Kyoto, die op of na 1 januari 2013
zijn geregistreerd in een land dat ten tijde van die registratie
was opgenomen op de vanwege de Verenigde Naties uitgegeven lijst
van minst ontwikkelde landen.
3. Het eerste en tweede lid zijn
niet van toepassing op projectactiviteiten voor:
a. het opwekken van
elektriciteit door het vrijmaken van kernenergie;
b. landgebruik, verandering in
het landgebruik en bosbouwactiviteiten.
4. Het eerste en tweede lid zijn
van toepassing zolang het aantal emissiereductie-eenheden en
gecertificeerde emissiereducties het percentage ten hoogste
toegestaan gebruik dat voor de betrokken categorie inrichtingen is
gespecificeerd in de overeenkomstig artikel 11bis, achtste lid,
van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten
vastgestelde maatregelen, niet overschrijdt.
5. Het eerste lid, aanhef en onder
a, is van toepassing tot 31 maart 2015.
6. Het tweede lid is van toepassing
totdat het betrokken minst ontwikkelde land een op de betrokken
emissiereducties betrekking hebbend verdrag met de Europese Unie
heeft bekrachtigd, doch, indien voor 1 januari 2020 geen
bekrachtiging heeft plaatsgevonden, uiterlijk tot 1 januari 2020.
7. Zodra een internationale
overeenkomst over klimaatverandering tot stand is gekomen, is dit
artikel uitsluitend van toepassing indien de betrokken derde staat
die overeenkomst heeft bekrachtigd.
8. Bij de toepassing van dit
artikel neemt het bestuur van de emissieautoriteit de
uitvoeringsmaatregelen die de Europese Commissie op grond van
artikel 11bis, negende lid, van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten heeft vastgesteld, in acht.
Artikel 16.35b
1. Op verzoek van degene die een
inrichting drijft, verleent het bestuur van de emissieautoriteit
broeikasgasemissierechten die geldig zijn met ingang van 1 januari
2013 ter vervanging van kredieten uit projecten of andere
emissiereducerende activiteiten in derde staten als bedoeld in
artikel 11bis, vijfde lid, van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten.
2. Artikel 16.35a, vierde, zevende
en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.35c
1. Het bestuur van de
emissieautoriteit kan broeikasgasemissierechten die, gelet op de
wijziging van het daaraan ten grondslag liggende
toewijzingsbesluit, onverschuldigd zijn verleend, terugvorderen
van degene die de betrokken inrichting drijft. Indien degene die
de inrichting drijft, onvoldoende broeikasgasemissierechten bezit,
kan een met de waarde van die rechten corresponderend bedrag
worden teruggevorderd.
2. Het bestuur van de
emissieautoriteit kan de terug te vorderen
broeikasgasemissierechten dan wel het met de waarde van die
rechten corresponderende bedrag bij dwangbevel invorderen.
3. Het bestuur van de
emissieautoriteit kan broeikasgasemissierechten die, gelet op de
wijziging van het daaraan ten grondslag liggende
toewijzingsbesluit, onverschuldigd zijn verleend, verrekenen met
de hoeveelheid voor degene die de inrichting drijft, te verlenen
broeikasgasemissierechten voor de daarop volgende handelsperiode.
4. Terugvordering vindt niet plaats
voor zover na de dag waarop het besluit houdende kosteloze
toewijzing van broeikasgasemissierechten is bekendgemaakt, acht
jaren zijn verstreken.
5. Bij het bepalen van de waarde
van een broeikasgasemissierecht, bedoeld in het eerste lid, tweede
volzin, wordt uitgegaan van de gemiddelde marktprijs van een
dergelijk recht op het moment van terugvordering. Bij
ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking
tot de wijze waarop de gemiddelde marktprijs van een
broeikasgasemissierecht wordt bepaald.
Paragraaf 16.2.1.4. De geldigheid van
broeikasgasemissierechten, het inleveren van
broeikasgasemissierechten, het annuleren van
broeikasgasemissierechten en het compenseren van emissies in een
ander kalenderjaar
Artikel 16.36
1. Een broeikasgasemissierecht dat
op of na 1 januari 2013 overeenkomstig de EU-verordening register
handel in broeikasgasemissierechten is verleend, is geldig ten
behoeve van de handelsperiode waarvoor het is verleend.
2. Een broeikasgasemissierecht is
geldig met ingang van het tijdstip waarop het overeenkomstig de
EU-verordening register handel in broeikasgasemissierechten is
verleend.
Artikel 16.37
1. Onverminderd artikel 27, achtste
lid, van de EU-verordening register handel in
broeikasgasemissierechten, levert degene die een inrichting
drijft, met betrekking tot ieder kalenderjaar voor 1 mei van het
daarop volgende kalenderjaar ten minste een aantal
broeikasgasemissierechten, niet zijnde broeikasgasemissierechten
die zijn verleend krachtens afdeling 16.2.2, in, dat overeenkomt
met de hoeveelheid van de emissie, die de inrichting in het
eerstbedoelde kalenderjaar heeft veroorzaakt.
2. Ter bepaling van de hoeveelheid
van de emissie, bedoeld in het eerste lid, worden de gegevens in
acht genomen, die overeenkomstig de EU-verordening register handel
in broeikasgasemissierechten in het register voor handel in
broeikasgasemissierechten zijn opgenomen.
Artikel 16.37a [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 16.37b [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 16.38 [Vervallen per
01-09-2011]
Artikel 16.39
Indien degene die een inrichting
drijft, ter voldoening aan artikel 16.37, eerste lid, met betrekking
tot een kalenderjaar minder broeikasgasemissierechten heeft
ingeleverd dan overeenkomt met de hoeveelheid van de emissie, die de
inrichting gedurende dat kalenderjaar heeft veroorzaakt, wordt het
aantal broeikasgasemissierechten dat hij in het daarop volgende
kalenderjaar ter uitvoering van dat artikel dient in te leveren, van
rechtswege verhoogd met het aantal broeikasgasemissierechten dat hij
te weinig had ingeleverd.
Afdeling 16.2.2.
Luchtvaartactiviteiten
Paragraaf 16.2.2.1. Algemeen
Artikel 16.39a
1. Deze afdeling is van toepassing
op:
a. vliegtuigexploitanten ten
aanzien waarvan Nederland verantwoordelijk is voor de
administratie van de regeling voor de handel in
broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en die
luchtvaartactiviteiten als bedoeld in bijlage I bij de
EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten uitvoeren;
b. emissies van bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen broeikasgassen veroorzaakt
door luchtvaartactiviteiten als bedoeld onder a.
2. Nederland is ten aanzien van een
vliegtuigexploitant administrerende lidstaat als bedoeld in het
eerste lid, onder a:
a. indien de
vliegtuigexploitant beschikt over een geldige vergunning als
bedoeld in artikel 16 van de Luchtvaartwet die valt onder
verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en
de Raad van de Europese Unie van 24 september 2008 inzake
gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van
luchtdiensten in de Gemeenschap (PbEU L 293);
b. in gevallen waarin de
vliegtuigexploitant niet beschikt over een geldige, door een
lidstaat overeenkomstig de verordening, genoemd onder a,
verleende exploitatievergunning: indien aan Nederland het
grootste deel van de geschatte luchtvaartemissies van door de
betrokken vliegtuigexploitant in het basisjaar uitgevoerde
vluchten kan worden toegeschreven als bedoeld in artikel
18bis, eerste lid, onder b, van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten.
3. Voor de toepasselijkheid van het
tweede lid, aanhef en onder b, wordt uitgegaan van de meest
actuele uitgave van de door de Commissie van de Europese
Gemeenschappen op grond van artikel 18bis, derde lid, van de
EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten gepubliceerde
lijst.
4. Bij de administratie van
vliegtuigexploitanten neemt het bestuur van de emissieautoriteit
de richtsnoeren in acht die de Commissie van de Europese
Gemeenschappen overeenkomstig artikel 18bis, vierde lid, van de
EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten heeft
vastgesteld.
Artikel 16.39b
Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld met betrekking tot de interpretatie van de
luchtvaartactiviteiten, bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn
handel in broeikasgasemissierechten. Deze regels voldoen in elk
geval aan de richtsnoeren die de Commissie van de Europese
Gemeenschappen op grond van artikel 3b van genoemde richtlijn heeft
vastgesteld.
Paragraaf 16.2.2.2. Monitoring en
verslaglegging
Artikel 16.39c
Een vliegtuigexploitant beschikt over
een plan, dat voor de luchtvaartactiviteiten waarvoor hij
verantwoordelijk is, een beschrijving bevat van de wijze waarop:
a. de jaarvracht wordt bepaald;
b. gegevens die op de jaarvracht
betrekking hebben, worden geregistreerd en bewaard.
Artikel 16.39d
1. Het monitoringsplan behoeft de
goedkeuring van het bestuur van de emissieautoriteit.
2. Goedkeuring wordt geweigerd
indien het monitoringsplan niet voldoet aan de eisen die daaraan
bij of krachtens dit hoofdstuk zijn gesteld of indien het bestuur
van de emissieautoriteit van oordeel is dat onvoldoende is
gewaarborgd dat de vliegtuigexploitant in staat is het
monitoringsplan naar behoren uit te voeren.
Artikel 16.39e
Een vliegtuigexploitant bepaalt en
registreert de jaarvracht overeenkomstig het voor hem geldende
monitoringsplan en met inachtneming van de krachtens artikel 16.39i,
eerste lid, aanhef en onder a, gestelde regels.
Artikel 16.39f
1. Een vliegtuigexploitant dient
met betrekking tot ieder kalenderjaar bij het bestuur van de
emissieautoriteit voor 1 april van het daarop volgende
kalenderjaar een verslag in, waarin voor de luchtvaartactiviteiten
waarvoor hij verantwoordelijk is, met betrekking tot het
eerstbedoelde kalenderjaar de jaarvracht wordt vermeld. Het
verslag wordt ingediend met inachtneming van de krachtens artikel
16.39i, eerste lid, aanhef en onder f, gestelde regels.
2. Het emissieverslag gaat
vergezeld van een verklaring van een onafhankelijke deskundige,
waarin de resultaten worden weergegeven van een door hem
uitgevoerde beoordeling van het verslag overeenkomstig artikel
16.39g.
Artikel 16.39g
1. Bij de verificatie wordt
nagegaan of het emissieverslag voldoet aan de eisen die daaraan
bij de in artikel 15 van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten bedoelde verordening en bij of krachtens
dit hoofdstuk zijn gesteld. Indien het emissieverslag niet aan
deze eisen voldoet, geeft de verificateur geen verklaring af als
bedoeld in artikel 16.39f, tweede lid.
2. De verificateur mag in een
periode van vijf jaar voorafgaand aan de verificatie niet
betrokken zijn geweest bij het opstellen, beoordelen of uitvoeren
van het monitoringsplan of het plan, bedoeld inartikel 16.39j,
derde lid, onder a, voor de betrokken vliegtuigexploitant.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld, inhoudende
eisen waaraan een verificateur en een verificatie moeten voldoen.
Deze regels voldoen in elk geval aan de eisen die terzake zijn
opgenomen in bijlage V bij de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten.
Artikel 16.39h
De artikelen 16.11a, tweede lid,
aanhef en onder a en c,16.13, 16.16, 16.17, 16.18 en 16.21 zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. artikel 16.13 uitsluitend
betrekking heeft op de jaarvracht en het brandstofverbruik;
b. inartikel 16.13, tweede lid,
onder b, in plaats van «artikel 16.6» wordt gelezen: artikel
16.39i.
Artikel 16.39i
1. Bij ministeriële regeling
kunnen ter uitvoering van deze paragraaf regels worden gesteld met
betrekking tot:
a. het bepalen en registreren
van de jaarvracht;
b. het indienen van een ontwerp
van een monitoringsplan;
c. het goedkeuren van een
monitoringsplan;
d. het actualiseren van een
monitoringsplan;
e. het melden van veranderingen
en afwijkingen van een monitoringsplan;
f. het emissieverslag.
2. Indien regels worden gesteld
krachtens het eerste lid, aanhef en onder e, kan daarbij worden
bepaald dat een verandering of afwijking van het monitoringsplan
de goedkeuring behoeft van het bestuur van de emissieautoriteit.
Paragraaf 16.2.2.3. Het toewijzen en
verlenen van broeikasgasemissierechten
Artikel 16.39j
1. Een vliegtuigexploitant kan het
bestuur van de emissieautoriteit verzoeken om kosteloze toewijzing
van broeikasgasemissierechten met betrekking tot:
a. de periode van 1 januari
2012 tot en met 31 december 2012,
b. de periode van 1 januari
2013 tot en met 31 december 2020 en
c. periodes van acht jaar die
beginnen na 31 december 2020.
2. Bij de aanvraag worden
tonkilometergegevens overgelegd over de in bijlage I bij de
EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten opgenomen
luchtvaartactiviteiten die de vliegtuigexploitant in het
referentiejaar heeft uitgevoerd. De aanvraag gaat vergezeld van
een verklaring van een onafhankelijke deskundige, waarin de
resultaten worden weergegeven van een door hem uitgevoerde
beoordeling van de tonkilometergegevens.Artikel 16.39g is van
overeenkomstige toepassing.
3. De overgelegde
tonkilometergegevens zijn bepaald en geregistreerd:
a. overeenkomstig een plan dat
een beschrijving bevat van de wijze waarop de
tonkilometergegevens worden bepaald, geregistreerd en bewaard;
b. met inachtneming van de
krachtens het zevende lid, aanhef en onder a en b, gestelde
regels.
4. Het plan, bedoeld in het derde
lid, onder a, is goedgekeurd door het bestuur van de
emissieautoriteit. Artikel 16.39d, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
5. Voor de toepassing van het
tweede lid wordt als referentiejaar aangemerkt:
a. ten aanzien van de in het
eerste lid, onder a, bedoelde periode: 2010;
b. ten aanzien van de in het
eerste lid, onder b en c, bedoelde periodes: het kalenderjaar
dat eindigt 24 maanden voor het begin van de betrokken
periode.
6. De aanvraag wordt ingediend:
a. ten aanzien van de in het
eerste lid, onder a, bedoelde periode: uiterlijk 31 maart
2011;
b. ten aanzien van de in het
eerste lid, onder b en c, bedoelde periodes: ten minste 21
maanden voor het begin van de betrokken periode.
7. Bij ministeriële regeling
kunnen ter uitvoering van dit artikel regels worden gesteld met
betrekking tot:
a. de wijze waarop een
tonkilometer wordt berekend;
b. het bepalen en registreren
van tonkilometergegevens;
c. het indienen van een ontwerp
van een plan als bedoeld in het derde lid, onder a;
d. het goedkeuren van een plan
als bedoeld in het derde lid, onder a;
e. het actualiseren van een
plan als bedoeld in het derde lid, onder a;
f. het melden van veranderingen
en afwijkingen van een plan als bedoeld in het derde lid,
onder a;
g. de wijze waarop een aanvraag
om toewijzing van emissierechten dient te worden gedaan en de
gegevens die door de aanvrager dienen te worden verstrekt.
8. Artikel 16.39i, tweede lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.39k
1. Het bestuur van de
emissieautoriteit legt aanvragen die tijdig zijn ingediend en
voldoen aan artikel 16.39j, tweede lid, eerste en tweede volzin,
en derde volzin voor wat betreft de eisen waaraan de
onafhankelijke deskundige moet voldoen, voor aan de Commissie van
de Europese Gemeenschappen.
2. De toezending geschiedt ten
minste achttien maanden voor het begin van de periode waarop de
aanvraag betrekking heeft of, voor wat betreft de periode, bedoeld
in artikel 16.39j, eerste lid, onder a, uiterlijk 30 juni 2011.
Artikel 16.39l
1. Binnen drie maanden nadat de
Commissie van de Europese Gemeenschappen een besluit heeft genomen
overeenkomstig artikel 3sexies, derde lid, van de EG-richtlijn
handel in broeikasgasemissierechten, berekent het bestuur van de
emissieautoriteit:
a. het totale aantal
broeikasgasemissierechten dat voor de betrokken periode wordt
toegewezen aan de vliegtuigexploitanten wier aanvragen
overeenkomstig artikel 16.39k zijn voorgelegd aan de Commissie
van de Europese Gemeenschappen, en
b. het aantal
broeikasgasemissierechten dat voor elk kalenderjaar binnen die
periode aan de vliegtuigexploitanten, bedoeld onder a, wordt
toegewezen.
2. De berekening geschiedt:
a. in het geval van het eerste
lid, aanhef en onder a: door het aantal in de aanvraag
opgenomen tonkilometers te vermenigvuldigen met de benchmark
die de Commissie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig
artikel 3sexies, derde lid, aanhef en onder e, van de
EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten heeft
vastgesteld;
b. in het geval van het eerste
lid, aanhef en onder b: door het met toepassing van onderdeel
a berekende totale aantal broeikasgasemissierechten voor de
betrokken periode te delen door het aantal jaren in die
periode.
3. Een krachtens het eerste lid
door het bestuur van de emissieautoriteit genomen besluit wordt
bekendgemaakt binnen de in dat lid genoemde termijn van drie
maanden. Van het besluit wordt tevens mededeling gedaan door
kennisgeving ervan in de Staatscourant.
Artikel 16.39m
Voor iedere in artikel 16.39j, eerste
lid, bedoelde periode wordt van het totale aantal
broeikasgasemissierechten voor de luchtvaart, bedoeld in artikel
3quater van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, een
gedeelte geveild. Dit gedeelte komt overeen met het aantal
broeikasgasemissierechten dat de Commissie van de Europese
Gemeenschappen voor de betrokken periode op grond van artikel
3sexies, derde lid, aanhef en onder b, van genoemde richtlijn ten
aanzien van Nederland heeft vastgesteld.
Artikel 16.39n
1. Bij het bestuur van de
emissieautoriteit kan een aanvraag om kosteloze toewijzing van
broeikasgasemissierechten uit de bijzondere reserve voor bepaalde
vliegtuigexploitanten, bedoeld in artikel 3septies van de
EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, worden ingediend
door een vliegtuigexploitant:
a. die een luchtvaartactiviteit
als bedoeld in bijlage I bij genoemde richtlijn aanvangt na
het jaar waarvoor tonkilometergegevens zijn overgelegd
overeenkomstig artikel 16.39j, tweede lid, met betrekking tot
een periode, bedoeld in artikel 16.39j, eerste lid, onder b of
c, of
b. van wie het aantal
tonkilometers gemiddeld met meer dan 18% per jaar is gestegen
tussen het referentiejaar, bedoeld in artikel 16.39j, vijfde
lid, onder b, en het tweede kalenderjaar van de betrokken
periode, bedoeld in artikel 16.39j, eerste lid, onder b of c,
en waarvan de activiteit, bedoeld
onder a, of de bijkomende activiteit, bedoeld onder b, niet geheel
of gedeeltelijk een voortzetting is van een eerder door een andere
vliegtuigexploitant uitgevoerde luchtvaartactiviteit.
2. Bij de aanvraag worden
tonkilometergegevens overgelegd over de in bijlage I bij de
EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten opgenomen
luchtvaartactiviteiten die de vliegtuigexploitant heeft uitgevoerd
in het tweede kalenderjaar van de betrokken periode. Artikel
16.39j, tweede lid, tweede en derde volzin, derde, vierde en
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. De aanvraag bevat
tevens:
a. gegevens waaruit blijkt dat
aan de criteria, bedoeld in het eerste lid, onder a dan wel b,
is voldaan;
b. in het geval van een
vliegtuigexploitant als bedoeld in het eerste lid, aanhef en
onder b: gegevens met betrekking tot de procentuele stijging
en de absolute groei van het aantal door de
vliegtuigexploitant gerealiseerde tonkilometers.
3. De aanvraag wordt uiterlijk 30
juni van het derde jaar van de betrokken periode ingediend.
4. Bij de beoordeling of een
activiteit niet geheel of gedeeltelijk een voortzetting is van een
eerder door een andere vliegtuigexploitant uitgevoerde
luchtvaartactiviteit wordt tevens acht geslagen op
luchtvaartactiviteiten uitgevoerd door vliegtuigexploitanten ten
aanzien waarvan Nederland geen administrerende lidstaat is.
Artikel 16.39o
1. Het bestuur van de
emissieautoriteit legt overeenkomstig artikel 16.39ningediende
aanvragen die voldoen aan de bij of krachtens artikel 16.39n
gestelde eisen, voor aan de Commissie van de Europese
Gemeenschappen.
2. De toezending geschiedt voor 1
januari van het vierde jaar van de betrokken periode.
Artikel 16.39p
1. Binnen drie maanden nadat de
Commissie van de Europese Gemeenschappen een besluit heeft genomen
overeenkomstig artikel 3septies, vijfde lid, van de EG-richtlijn
handel in broeikasgasemissierechten, berekent het bestuur van de
emissieautoriteit:
a. het aantal
broeikasgasemissierechten dat voor de betrokken periode uit de
bijzondere reserve wordt toegewezen aan de
vliegtuigexploitanten wier aanvragen overeenkomstig artikel
16.39o zijn voorgelegd aan de Commissie van de Europese
Gemeenschappen;
b. het aantal
broeikasgasemissierechten dat voor elk kalenderjaar binnen die
periode uit de bijzondere reserve aan de
vliegtuigexploitanten, bedoeld onder a, wordt toegewezen.
2. De berekening geschiedt:
a. in het geval van het eerste
lid, aanhef en onder a: door de benchmark die de Commissie van
de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 3septies,
vijfde lid, van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten heeft vastgesteld, te
vermenigvuldigen met:
1°. in het geval van
artikel 16.39n, eerste lid, aanhef en onder a: het aantal
in de aanvraag opgenomen tonkilometers;
2°. in het geval van
artikel 16.39n, eerste lid, aanhef en onder b: de absolute
groei in tonkilometers boven het in dat onderdeel genoemde
percentage;
b. in het geval van het eerste
lid, aanhef en onder b: door het met toepassing van onderdeel
a berekende aantal broeikasgasemissierechten te delen door het
aantal volledige kalenderjaren dat resteert in de betrokken
periode.
3. In het geval van het tweede lid,
aanhef en onder b, bedraagt het aantal aan een vliegtuigexploitant
toe te wijzen broeikasgasemissierechten in de betrokken periode
ten hoogste één miljoen.
4. Een krachtens het eerste lid
door het bestuur van de emissieautoriteit genomen besluit wordt
bekendgemaakt binnen de in dat lid genoemde termijn van drie
maanden. Van het besluit wordt tevens mededeling gedaan door
kennisgeving ervan in de Staatscourant.
Artikel 16.39q
1. Broeikasgasemissierechten in de
bijzondere reserve die niet kosteloos zijn toegewezen, worden
geveild.
2. Artikel 16.23, tweede lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.39r
Bij de toepassing van de artikelen
16.39m tot en met 16.39o neemt het bestuur van de emissieautoriteit
de eisen met betrekking tot de werking van de bijzondere reserve in
acht die de Commissie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig
artikel 3septies, negende lid, van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten heeft vastgesteld.
Artikel 16.39s
Het bestuur van de emissieautoriteit
verleent uiterlijk 28 februari van een kalenderjaar aan een
vliegtuigexploitant het aantal broeikasgasemissierechten dat hem
krachtens artikel 16.39l of artikel 16.39p voor het betrokken jaar
is toegewezen.
Artikel 16.39sa
De artikelen 16.35a en 16.35b zijn
van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 16.2.2.4. De geldigheid van
broeikasgasemissierechten, het inleveren van
broeikasgasemissierechten, het annuleren van
broeikasgasemissierechten en het compenseren van emissies in een
ander kalenderjaar
Artikel 16.39t
1. Een vliegtuigexploitant levert
met betrekking tot ieder kalenderjaar voor 1 mei van het daarop
volgende kalenderjaar ten minste een aantal
broeikasgasemissierechten in, dat overeenkomt met de hoeveelheid
van de emissie gedurende het eerstbedoelde kalenderjaar van in
bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten
opgenomen luchtvaartactiviteiten waarvoor die vliegtuigexploitant
verantwoordelijk is en die op of na 1 januari 2012 hebben
plaatsgevonden.
2. Artikel 16.37, tweede lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.39u [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 16.39v
De artikelen 16.36 en 16.38 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.39w
Indien een vliegtuigexploitant ter
voldoening aanartikel 16.39t, eerste lid, minder
broeikasgasemissierechten heeft ingeleverd dan overeenkomt met de
hoeveelheid van de emissie, die hij gedurende het betrokken
kalenderjaar heeft veroorzaakt, wordt het aantal
broeikasgasemissierechten dat hij in het daarop volgende
kalenderjaar ter uitvoering van dat artikellid dient in te leveren,
van rechtswege verhoogd met het aantal broeikasgasemissierechten dat
hij te weinig had ingeleverd.
Afdeling 16.2.3. De overgang van
broeikasgasemissierechten en andere eenheden
Artikel 16.40
1. Een broeikasgasemissierecht dat
overeenkomstig de EU-verordening register handel in
broeikasgasemissierechten is verleend, is vatbaar voor overdracht
indien alle bij de overdracht betrokken personen op hun naam een
rekening hebben in het register voor handel in
broeikasgasemissierechten of in een register dat door de betrokken
lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig de EU-verordening
register handel in broeikasgasemissierechten is ingesteld. De
eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op
broeikasgasemissierechten die overeenkomstig de EU-verordening
register handel in broeikasgasemissierechten in een andere
lidstaat van de Europese Unie zijn verleend.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen broeikasgasemissierechten die zijn ontstaan in
andere landen dan de lidstaten van de Europese Unie worden
aangewezen als broeikasgasemissierechten die kunnen worden
overgedragen of verkregen door een persoon op wiens naam in het
register voor handel in broeikasgasemissierechten of in een
register dat door de betrokken lidstaat van de Europese Unie
overeenkomstig de EU-verordening register handel in
broeikasgasemissierechten is ingesteld, een rekening staat.
3. Een broeikasgasemissierecht is
ook vatbaar voor andere overgang. Het eerste en tweede lid zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.41
1. De voor overdracht van een
broeikasgasemissierecht vereiste levering geschiedt door:
a. afschrijving van het
broeikasgasemissierecht van de rekening die in het register
voor handel in broeikasgasemissierechten dan wel in een
register dat door de betrokken lidstaat van de Europese Unie
overeenkomstig de EU-verordening register handel in
broeikasgasemissierechten is ingesteld, op naam staat van de
persoon die het broeikasgasemissierecht overdraagt, en
b. bijschrijving op een
rekening in een register als bedoeld onder a, die op naam
staat van de persoon die het broeikasgasemissierecht
verkrijgt.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op elke overgang anders dan overdracht.
3. Elke overgang anders dan
overdracht werkt tegenover derden eerst nadat het bestuur van de
emissieautoriteit de overgang heeft geregistreerd.
Artikel 16.42
1. Nietigheid of vernietiging van
de overeenkomst die tot de overdracht heeft geleid, of
onbevoegdheid van degene die overdraagt, heeft, nadat de
overdracht is voltooid, geen gevolgen voor de geldigheid van de
overdracht.
2. Elk voorbehoud met betrekking
tot de overdracht is uitgewerkt op het moment dat de overdracht
tot stand is gekomen.
3. In afwijking van artikel 228 van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek kan op een
broeikasgasemissierecht geen recht van pand worden gevestigd.
4. Op een broeikasgasemissierecht
kan geen recht van vruchtgebruik worden gevestigd.
5. Een broeikasgasemissierecht is
niet vatbaar voor beslag.
Artikel 16.42a
1. De artikelen 16.40, eerste en
vierde lid,16.41 en 16.42 zijn van overeenkomstige toepassing op
de overgang van emissiereductie-eenheden, gecertificeerde
emissiereducties, toegewezen eenheden en verwijderingseenheden.
2. Voorzover het betreft de
overgang van emissiereductie-eenheden, gecertificeerde
emissiereducties, toegewezen eenheden en verwijderingseenheden,
wordt voor de toepassing van de artikelen 16.40, eerste lid, en
16.41, eerste lid, onder «een register dat door de betrokken
lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig de EU-verordening
register handel in broeikasgasemissierechten is ingesteld» mede
verstaan: een register dat overeenkomstig artikel 7, vierde lid,
van het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig dat protocol
genomen besluiten is ingesteld door een in bijlage I bij het
Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering
opgenomen Partij die het Protocol van Kyoto heeft bekrachtigd,
zoals gespecificeerd in artikel 1, punt 7, van dat protocol.
Afdeling 16.2.4. Registratie van
broeikasgasemissierechten en andere eenheden
Artikel 16.43
1. Er is een register inzake de
handel in broeikasgasemissierechten, als bedoeld in de
EU-verordening register handel in broeikasgasemissierechten.
2. Het bestuur van de
emissieautoriteit wordt aangewezen als bevoegde autoriteit als
bedoeld in de EU-verordening register handel in
broeikasgasemissierechten.
3. Het bestuur van de
emissieautoriteit voert de taken die het heeft als bevoegde
autoriteit voor het register voor handel in
broeikasgasemissierechten uit in overeenstemming met de
EU-verordening register handel in broeikasgasemissierechten en
draagt er zorg voor dat het register voldoet aan de vereisten die
daaraan ingevolge de EU-verordening register handel in
broeikasgasemissierechten worden gesteld.
4. Als nationale administrateur als
bedoeld in artikel 2, onder 23, van de EU-verordening register
handel in broeikasgasemissierechten wordt aangewezen een bij
besluit van het bestuur van de emissieautoriteit aangewezen
medewerker van de emissieautoriteit. Van een besluit als bedoeld
in de eerste volzin wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
5. Onze Minister wordt aangewezen
als betrokken instantie en desbetreffende instantie als bedoeld in
de EU-verordening register handel in broeikasgasemissierechten.
6. In het register voor handel in
broeikasgasemissierechten kunnen naast broeikasgasemissierechten
tevens emissiereductie-eenheden, gecertificeerde emissiereducties,
toegewezen eenheden en verwijderingseenheden worden geregistreerd.
Artikel 16.44
1. Een ieder kan
broeikasgasemissierechten, emissiereductie-eenheden,
gecertificeerde emissiereducties, toegewezen eenheden en
verwijderingseenheden bezitten.
2. in afwijking van het eerste lid
is niet toegestaan het bezit van:
a. voorlopige gecertificeerde
emissiereducties als bedoeld in artikel 2, onder s, van de
EU-verordening register handel in broeikasgasemissierechten (tCER);
b. lange-termijn
gecertificeerde emissiereducties als bedoeld in artikel 2,
onder t, van de EU-verordening register handel in
broeikasgasemissierechten (lCER).
Artikel 16.45
Onze Minister kan regels stellen ter
uitvoering van de EU-verordening register handel in
broeikasgasemissierechten.
Artikel 16.46
Emissiereductie-eenheden,
gecertificeerde emissiereducties en verwijderingseenheden die aan
het einde van de aanvullende periode voor het voldoen aan
verplichtingen, bedoeld in het overeenkomstig het Protocol van Kyoto
genomen besluit 13/CMP.1, op een rekening in het register voor
handel in emissierechten zijn geregistreerd, worden geannuleerd.
Afdeling 16.2.5. Instemming met
deelname aan projectactiviteiten
Artikel 16.46a
Voor de toepassing van deze afdeling
en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
projectdeelnemer: persoon die een verzoek om instemming als bedoeld
in artikel 16.46b, derde lid, of artikel 16.46c, derde lid, in
verbinding met artikel 16.46b, derde lid, indient.
Artikel 16.46b
1. Dit artikel is van toepassing op
projectactiviteiten in het kader van het mechanisme voor schone
ontwikkeling, bedoeld in artikel 12 van het Protocol van Kyoto (CDM).
2. Onze Minister verleent
instemming met deelname aan projectactiviteiten als bedoeld in
artikel 12, vijfde lid, onder a, van het Protocol van Kyoto en de
overeenkomstig dat protocol genomen besluiten.
3. De instemming wordt op verzoek
van de projectdeelnemer verleend indien:
a. de deelname door de
projectdeelnemer aan de projectactiviteit voldoet aan de eisen
die in het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig dat
protocol genomen besluiten aan die deelname zijn gesteld;
b. de projectdeelnemer zijn
hoofdvestiging heeft in een staat die de internationale
overeenkomst, bedoeld in artikel 11ter, eerste lid, van de
EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, heeft
bekrachtigd, of in een staat of een subfederale of regionale
entiteit die overeenkomstig artikel 25 van genoemde richtlijn
aan het systeem van handel in broeikasgasemissierechten is
gekoppeld;
c. voorzover het gaat om
projectactiviteiten voor het opwekken van elektriciteit door
waterkracht met een opwekkingsvermogen van meer dan 20 MW: bij
de projectactiviteit en de uitvoering daarvan de in artikel
11ter, zesde lid, van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten bedoelde richtlijnen van de
Wereldcommissie Stuwdammen in acht worden genomen.
4. Bij regeling van Onze Minister
kunnen met betrekking tot het derde lid nadere regels worden
gesteld.
5. De instemming kan worden
geweigerd indien:
a. niet is voldaan aan de
eisen, bedoeld in het derde lid, onder a of b, of, voor zover
van toepassing, onder c;
b. is gebleken dat bij de
uitvoering van een andere projectactiviteit waarbij de
projectdeelnemer is of was betrokken en waarvoor Onze Minister
reeds instemming heeft verleend, niet is voldaan aan de eisen
die in het derde lid met betrekking tot die uitvoering zijn
gesteld.
6. Een verleende instemming omvat
mede de machtiging van de betrokken projectdeelnemer, voorzover
een dergelijke machtiging op grond van artikel 12, negende lid,
van het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig dat protocol
genomen besluiten is vereist. Indien de eerste volzin van
toepassing is, wordt in de beslissing op het verzoek aangegeven
dat de instemming mede de machtiging omvat.
7. Bij regeling van Onze Minister
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het verzoek om
instemming, de bij het verzoek te verstrekken gegevens en over te
leggen bescheiden.
8. Bij regeling van Onze Minister
kan worden bepaald dat voor het verlenen van instemming een
vergoeding is verschuldigd. In dat geval worden bij die regeling
tevens nadere regels gesteld met betrekking tot de hoogte van de
vergoeding en de wijze waarop deze moet worden betaald.
9. Onze Minister stelt bij hem
berustende informatie over projectactiviteiten waarvoor hij
instemming heeft verleend, voor het publiek beschikbaar. Artikel
10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 16.46c
1. Dit artikel is van toepassing op
projectactiviteiten in het kader van het mechanisme van
gemeenschappelijke uitvoering, bedoeld in artikel 6 van het
Protocol van Kyoto (JI), die buiten Nederland of buiten de
Nederlandse exclusieve economische zone worden uitgevoerd.
2. Onze Minister van Economische
Zaken verleent instemming met deelname aan projectactiviteiten als
bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van het Protocol van
Kyoto en de overeenkomstig dat protocol genomen besluiten.
3. Artikel 16.46b, derde tot en met
negende lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat voor de toepassing van artikel 16.46b, zesde lid, in plaats
van «artikel 12, negende lid, van het Protocol van Kyoto» wordt
gelezen: artikel 6, derde lid, van het Protocol van Kyoto.
Titel 16.3. Stikstofoxiden en
NOx-emissierechten
Afdeling 16.3.1. Algemeen
Artikel 16.47
1. Deze titel is van toepassing op
inrichtingen waarin zich een of meer NOx-installaties bevinden.
2. Een emissie van stikstofoxiden
in de lucht wordt uitgedrukt in kilogrammen.
3. Artikel 16.2, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.47a
1. Degene die een inrichting
drijft, waarin zich een NOx-installatie bevindt:
a. die tot een krachtens
artikel 16.1, derde lid, aangewezen categorie behoort, kan in
bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen
verzoeken met ingang van een bepaald tijdstip buiten die
aanwijzing te blijven;
b. die niet tot een krachtens
artikel 16.1, derde lid, aangewezen categorie behoort, kan in
bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen
verzoeken tot en met een bepaald tijdstip binnen die
aanwijzing te vallen.
2. Het bestuur van de
emissieautoriteit beslist op verzoeken als bedoeld in het eerste
lid.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van het eerste en
tweede lid regels worden gesteld.
Artikel 16.48
Onder inrichtingen als bedoeld in
artikel 16.47, eerste lid, worden mede begrepen inrichtingen binnen
de Nederlandse exclusieve economische zone.
Afdeling 16.3.2. Vergunning
Artikel 16.49
1. Onverminderd artikel 16.5,
tweede lid, is het verboden zonder vergunning van het bestuur van
de emissieautoriteit een inrichting in werking te hebben.
2. Het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 16.6 tot en met 16.21 is van overeenkomstige toepassing,
met uitzondering van artikel 16.13a, eerste lid, onder d en e,
artikel 16.14, derde lid, tweede volzin, en artikel 16.20b, en met
dien verstande dat:
a. artikel 16.6, tweede lid,
artikel 16.11a, eerste lid, en tweede lid, onder b, artikel
16.12, tweede lid, onder a en b, en artikel 16.13, eerste lid,
geen betrekking hebben op het grondstofgebruik;
b. voorzover in de algemene
maatregel van bestuur krachtens artikel 16.50 het aantal
NOx-emissierechten, bedoeld in dat artikel, is vastgesteld per
eenheid product: artikel 16.6, tweede lid, artikel 16.11a,
eerste lid, en tweede lid, onder b, artikel 16.12, tweede lid,
onder a en b, en artikel 16.13, eerste lid, mede betrekking
hebben op de productie;
c. artikel 16.13a, eerste lid,
onder c, geen betrekking heeft op het gedeeltelijk beëindigen
van de werking van een installatie;
d. voor de toepassing
vanartikel 16.17 in plaats van «op basis van bedoelde
eisen»wordt gelezen «op basis van een redelijke schatting»;
e. het bestuur van de
emissieautoriteit, indien bij toepassing van artikel 16.17
gegevens ambtshalve worden vastgesteld, kan bepalen dat deze
gegevens gelden met ingang van 30 april van het kalenderjaar
volgend op het jaar waarop die gegevens betrekking hebben.
3. Het bestuur van de
emissieautoriteit deelt aan de houder van de vergunning mee het
aantal NOx-emissierechten dat per kalenderjaar ten hoogste mag
worden overgedragen.
4. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop
het verkoopplafond wordt bepaald. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
intrekking van de vergunning voor wat betreft het verkoopplafond.
Afdeling 16.3.3. Het ontstaan van
NOx-emissierechten
Artikel 16.50
Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen in het belang van de bescherming van het milieu dan wel ter
uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor
Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie
voor een bij de maatregel aangegeven tijdvak regels worden gesteld
omtrent het aantal NOx-emissierechten dat degene die een inrichting
drijft, in een kalenderjaar opbouwt per bij de maatregel aangegeven
eenheid brandstof die in de NOx-installatie wordt verbruikt, of, in
bij de maatregel aangegeven gevallen, per bij de maatregel
aangegeven eenheid product dat in de NOx-installatie wordt
vervaardigd.
Afdeling 16.3.4. De inlevering van
NOx-emissierechten, het compenseren van emissies in een ander
kalenderjaar en de geldigheid van NOx-emissierechten
Artikel 16.51
1. Degene die een inrichting
drijft, levert met betrekking tot ieder kalenderjaar dat ligt
binnen een tijdvak als bedoeld in artikel 16.50, voor 1 mei van
het daaropvolgende kalenderjaar ten minste een aantal
NOx-emissierechten in, dat overeenkomt met de hoeveelheid van de
emissie van stikstofoxiden, die de inrichting in het eerstbedoelde
kalenderjaar heeft veroorzaakt.
2. Onverminderd het eerste lid
heeft de houder van een vergunning krachtens artikel 16.49, eerste
lid, of artikel 16.5, eerste lid, in verbinding met artikel 16.5,
tweede lid, met betrekking tot ieder kalenderjaar dat ligt binnen
een tijdvak als bedoeld in artikel 16.50, op 1 mei van het daarop
volgende kalenderjaar een saldo van nul of meer NOx-emissierechten
die betrekking hebben op het eerstbedoelde kalenderjaar op zijn
rekening, bedoeld in artikel 16.60, eerste lid, staan.
3. Voor de toepassing van het
eerste lid worden ter bepaling van de hoeveelheid van de emissie,
bedoeld in dat lid, en het aantal NOx-emissierechten, bedoeld in
artikel 16.50, de gegevens in acht genomen, die daaromtrent zijn
opgenomen in het emissieverslag dat degene die de inrichting
drijft, overeenkomstig artikel 16.12, eerste lid, onder b, in
verbinding met artikel 16.49, tweede lid, met betrekking tot dat
kalenderjaar heeft ingediend of de gegevens die overeenkomstig
artikel 16.17 in verbinding met artikel 16.49, tweede lid,
ambtshalve zijn vastgesteld.
4. Indien toepassing is gegeven aan
artikel 16.49, tweede lid, onder d, kan het bestuur van de
emissieautoriteit, in afwijking van het eerste lid, in naam van
degene die de inrichting drijft, NOx-emissierechten inleveren.
Artikel 16.52 is van overeenkomstige toepassing. Als datum van
inlevering geldt 30 april van het kalenderjaar, bedoeld in artikel
16.49, tweede lid, onder d.
Artikel 16.52
Het aantal NOx-emissierechten dat
degene die een inrichting drijft, ter voldoening aan het bepaalde in
artikel 16.51, eerste lid, ten behoeve van enig kalenderjaar mag
inleveren, wordt bepaald door:
a. bij elkaar op te tellen:
1°. het aantal
NOx-emissierechten dat hij met betrekking tot het
kalenderjaar heeft opgebouwd op grond van artikel 16.50,
2°. het aantal
NOx-emissierechten dat hij met betrekking tot het
kalenderjaar heeft verkregen, indien de overdracht
overeenkomstigartikel 16.57 is geregistreerd,
3°. het aantal
NOx-emissierechten dat met betrekking tot het kalenderjaar
anders dan door overdracht aan hem is overgegaan, indien de
overgang overeenkomstig artikel 16.57 is geregistreerd, en
4°. het aantal
NOx-emissierechten dat hij ten behoeve van het kalenderjaar
heeft ingeleverd op grond van artikel 16.53, eerste lid,
indien de betrokken rechten overeenkomstig artikel 16.59,
tweede lid, zijn geregistreerd, en
b. het overeenkomstig onderdeel a
berekende aantal NOx-emissierechten te verminderen met:
1°. het aantal
NOx-emissierechten dat hij met betrekking tot het
kalenderjaar heeft overgedragen, indien de overdracht
overeenkomstig artikel 16.57 is geregistreerd,
2°. het aantal
NOx-emissierechten dat met betrekking tot het kalenderjaar
anders dan door overdracht van hem naar een ander is
overgegaan, indien de overgang overeenkomstig artikel 16.57
is geregistreerd,
3°. het aantal
NOx-emissierechten dat hij op grond van artikel 16.53,
eerste lid, onder a, ten behoeve van het daaropvolgende
kalenderjaar zal inleveren, indien de betrokken rechten
overeenkomstig artikel 16.59, tweede lid, zijn
geregistreerd,
4°. het aantal
NOx-emissierechten dat hij op grond van artikel 16.53,
eerste lid, onder b, ten behoeve van het daaraan
voorafgaande kalenderjaar heeft ingeleverd, indien de
betrokken rechten overeenkomstig artikel 16.59, tweede lid,
zijn geregistreerd, en
5°. het aantal
NOx-emissierechten dat hij op grond van artikel 16.54 ten
behoeve van het kalenderjaar dient in te leveren.
Artikel 16.53
1. De houder van een vergunning
krachtensartikel 16.49, eerste lid, of artikel 16.5, eerste lid,
in verbinding met artikel 16.5, tweede lid, mag ter voldoening aan
het bepaalde inartikel 16.51, eerste lid:
a. NOx-emissierechten die hij
ten behoeve van een kalenderjaar zou mogen gebruiken, in
plaats daarvan ten behoeve van het daarop volgende
kalenderjaar inleveren;
b. NOx-emissierechten ten
behoeve van een kalenderjaar inleveren, in plaats van ten
behoeve van het daarop volgende kalenderjaar waarvoor hij de
betrokken rechten anders zou mogen gebruiken.
2. Het eerste lid is uitsluitend
van toepassing voorzover het aantal NOx-emissierechten, bedoeld in
het eerste lid, onder a of b, het aantal NOx-emissierechten, dat
overeenkomt met een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
percentage van het voor de houder, bedoeld in het eerste lid,
geldende verkoopplafond, niet overschrijdt.
Artikel 16.54
1. Indien degene die een inrichting
drijft, ter voldoening aan het bepaalde in artikel 16.51, eerste
lid, met betrekking tot een kalenderjaar minder NOx-emissierechten
heeft ingeleverd dan overeenkomt met de hoeveelheid van een
emissie van stikstofoxiden, die de inrichting gedurende dat
kalenderjaar heeft veroorzaakt, wordt het aantal
NOx-emissierechten dat hij in het daarop volgende kalenderjaar ter
voldoening aan dat artikellid dient in te leveren, van rechtswege
verhoogd met het aantal NOx-emissierechten dat hij te weinig had
ingeleverd.
2. Indien de houder van een
vergunning krachtens artikel 16.49, eerste lid, of artikel 16.5,
eerste lid, in verbinding met artikel 16.5, tweede lid, ter
voldoening aan het bepaalde in artikel 16.51, tweede lid, met
betrekking tot een kalenderjaar een nadelig saldo van
NOx-emissierechten op zijn rekening, bedoeld in artikel 16.60,
eerste lid, heeft staan, wordt het aantal NOx-emissierechten dat
hij in het daarop volgende kalenderjaar ter voldoening aan artikel
16.51, tweede lid, dient in te leveren, van rechtswege verhoogd
met het aantal NOx-emissierechten dat overeenkomt met het
saldotekort.
Artikel 16.55
1. Een NOx-emissierecht is geldig
ten behoeve van het kalenderjaar waarin het op grond van artikel
16.50 is opgebouwd.
2. In afwijking van het eerste lid
is een NOx-emissierecht in een geval als bedoeld in artikel 16.53,
eerste lid, onder a of b, geldig ten behoeve van het kalenderjaar
waarin dat emissierecht ingevolge artikel 16.53, eerste lid, onder
a onderscheidenlijk b, mag worden ingeleverd.
Afdeling 16.3.5. De overgang van
NOx-emissierechten
Artikel 16.56
1. Een NOx-emissierecht is met
inachtneming van het tweede en derde lid vatbaar voor overdracht.
2. Een NOx-emissierecht kan
uitsluitend worden overgedragen:
a. tussen houders van een
vergunning krachtens artikel 16.49, eerste lid, of artikel
16.5, eerste lid, in verbinding met artikel 16.5, tweede lid,
b. indien het betrekking heeft
op een kalenderjaar dat ligt binnen een tijdvak waarvoor op
het tijdstip van de voorgenomen overdracht toepassing is
gegeven aan artikel 16.50, en
c. voorzover het aantal
NOx-emissierechten dat de houder, bedoeld onder a, voornemens
is over te dragen met betrekking tot een kalenderjaar,
1°. vermeerderd met het
aantal NOx-emissierechten dat hij met betrekking tot dat
kalenderjaar reeds heeft overgedragen,
2°. verminderd met het
aantal NOx-emissierechten dat hij met betrekking tot dat
kalenderjaar heeft verkregen,
door de overdracht het voor hem
geldende verkoopplafond niet overschrijdt.
3. Een NOx-emissierecht is ook
vatbaar voor andere overgang dan overdracht. Het eerste en tweede
lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.57
1. De voor overdracht van een
NOx-emissierecht vereiste levering geschiedt door:
a. afschrijving van het
NOx-emissierecht van de rekening of de deelrekening, bedoeld
in artikel 16.60, die in het register voor handel in
NOx-emissierechten op naam staat van de persoon die het
NOx-emissierecht overdraagt, en
b. bijschrijving op de rekening
of de deelrekening, bedoeld in artikel 16.60, die in het
register voor handel in NOx-emissierechten op naam staat van
de persoon die het NOx-emissierecht verkrijgt.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op andere overgang dan overdracht.
3. De artikelen 16.41, derde lid,
en 16.42 zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 16.3.6. Registratie van
NOx-emissierechten
Artikel 16.58
1. Er is een register inzake de
handel in NOx-emissierechten.
2. Het register wordt beheerd door
de emissieautoriteit.
3. In het register worden voor elke
inrichting op de bijbehorende rekening of deelrekening, bedoeld in
artikel 16.60, de gegevens, bedoeld in de artikelen 16.51, eerste
lid, en 16.52 opgenomen.
4. Onze Minister kan regels stellen
met betrekking tot de werking, de organisatie, de beschikbaarheid
en de beveiliging van het register voor handel in
NOx-emissierechten en het openen, bijhouden en opheffen van
rekeningen en deelrekeningen, bedoeld in artikel 16.60. Onze
Minister kan tevens regels stellen ter uitvoering van het tweede
en derde lid.
Artikel 16.59
1. De emissieautoriteit registreert
de overdracht of andere overgang van NOx-emissierechten indien:
a. wordt voldaan aan het
bepaalde in de artikelen 16.56 en 16.57;
b. bij de overdracht of
overgang wordt aangegeven op welk kalenderjaar, bedoeld in
artikel 16.56, tweede lid, onder b, het NOx-emissierecht
betrekking heeft.
2. De emissieautoriteit registreert
de NOx-emissierechten die worden ingeleverd op grond van artikel
16.53, eerste lid, onder a of b, indien wordt voldaan aan het
bepaalde bij of krachtens artikel 16.53.
Artikel 16.60
1. Het bestuur van de
emissieautoriteit opent voor elke houder van een vergunning
krachtens artikel 16.49, eerste lid, of artikel 16.5, eerste lid,
in verbinding met artikel 16.5, tweede lid, voor de inrichting op
diens naam een rekening in het register voor handel in
NOx-emissierechten.
2. Het bestuur van de
emissieautoriteit opent op verzoek van de houder, bedoeld in het
eerste lid, een deelrekening, die onderdeel uitmaakt van de
rekening die voor die persoon is geopend.
Artikel 16.61
l. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat betrokkenen wegens het openen van een rekening
in het register voor handel in NOx-emissierechten of voor het
onderhoud van een dergelijke rekening vergoedingen verschuldigd
zijn overeenkomstig de bij die regeling te stellen regels.
2. Bij een regeling als bedoeld in
het eerste lid wordt de hoogte van de vergoeding vastgesteld,
welke niet hoger is dan noodzakelijk is ter dekking van de ten
laste van de emissieautoriteit komende kosten van het verrichten
van de werkzaamheden waarvoor de vergoeding is verschuldigd.
3. Bij een regeling als bedoeld in
het eerste lid worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de
vergoeding wordt betaald.
Afdeling 16.3.7. Overige bepalingen
Artikel 16.62
Onze Minister zendt binnen twee jaar
na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel I, van de wet van 28
april 2005 tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de
economische delicten ten behoeve van de invoering van een systeem
van handel in emissierechten met het oog op het beperken van de
emissies van stikstofoxiden (handel in NOx-emissierechten) (Stb.
233), en vervolgens telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze titel in de
praktijk.
Hoofdstuk 17. Maatregelen in
bijzondere omstandigheden
Titel 17.1. Maatregelen bij een
ongewoon voorval
Artikel 17.1
Indien zich in een inrichting een
ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige
gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, treft
degene die de inrichting drijft, onmiddellijk de maatregelen die
redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd, om de gevolgen van
die gebeurtenis te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen
worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.
Artikel 17.2
1. Degene die een inrichting
drijft, waarin zich een voorval, als bedoeld in artikel 17.1,
voordoet of heeft voorgedaan, meldt dat voorval zo spoedig
mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd is een
omgevingsvergunning voor een inrichting te verlenen, dan wel
ingevolge artikel 8.41, tweede lid, onder a, het orgaan is waaraan
de melding wordt gericht dan wel, in andere gevallen, aan
burgemeester en wethouders.
2. Hij verstrekt dat bestuursorgaan
tevens, zodra zij bekend zijn, de gegevens met betrekking tot:
a. de oorzaken van het voorval
en de omstandigheden waaronder het voorval zich heeft
voorgedaan;
b. de ten gevolge van het
voorval vrijgekomen stoffen, alsmede hun eigenschappen;
c. andere gegevens die van
belang zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor het
milieu van het voorval te kunnen beoordelen;
d. de maatregelen die zijn
genomen of worden overwogen om de gevolgen van het voorval te
voorkomen, te beperken of ongedaan te maken;
e. de maatregelen die worden
overwogen om te voorkomen dat een zodanig voorval zich
nogmaals kan voordoen.
3. Het bestuursorgaan dat een
melding als bedoeld in het eerste of tweede lid ontvangt, geeft
van die melding en de daarbij verstrekte gegevens onverwijld
kennis aan:
a. de burgemeesters van de
betrokken gemeenten;
b. de inspecteur;
c. de voorzitters van de
betrokken veiligheidsregio’s in de gevallen dat de gevolgen
van het voorval zich voordoen dan wel kunnen voordoen buiten
de grenzen van de gemeente waar de inrichting geheel of in
hoofdzaak is gelegen;
d. gedeputeerde staten van de
betrokken provincie in de gevallen dat het voorval
verontreiniging of aantasting van de bodem tot gevolg heeft;
e. andere bestuursorganen of
overheidsdiensten, die direct belang hebben bij een
onverwijlde mededeling.
4. Het bevoegd gezag kan voor
categorieën van voorvallen als bedoeld inartikel 17.1, waarvan de
nadelige gevolgen voor het milieu niet significant zijn,
voorschriften stellen die afwijken van de verplichting, bedoeld in
het eerste lid. In deze voorschriften kan worden bepaald dat de
daarbij aangegeven categorieën van voorvallen binnen een bepaalde
termijn worden gemeld of worden geregistreerd. De voorschriften
worden gesteld in een omgevingsvergunning voor een inrichting of,
indien voor de inrichting regels gelden krachtens artikel 8.40, in
een beschikking. Van laatstbedoelde beschikking wordt mededeling
gedaan door kennisgeving in één of meer dag-, nieuws- of
huis-aan-huisbladen.
5. Indien toepassing is gegeven aan
het vierde lid, zijn het tweede en derde lid, alsmede de artikelen
17.3, 17.4 en 17.5 niet van toepassing.
6. Het bestuursorgaan dat een
melding als bedoeld in het vierde lid ontvangt, geeft van die
melding kennis aan de inspecteur.
Artikel 17.3
Het bevoegd gezag ziet er op toe dat
de nodige gegevens worden verzameld om een ongewoon voorval, als
bedoeld in artikel 17.1, te analyseren en de oorzaken ervan te
achterhalen. Om herhaling te voorkomen wijzigt het zo nodig de
omgevingsvergunning of doet het zo mogelijk daarop gerichte
aanbevelingen. Met betrekking tot een beschikking tot wijziging van
een omgevingsvergunning is artikel 3.15, derde lid, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 17.4
1. Indien dat door een ongewoon
voorval nodig is, wordt in het belang van de bescherming van het
milieu een of meer van de volgende verplichtingen of het volgende
verbod opgelegd aan degene bij wie afvalstoffen ontstaan of
aanwezig zijn, die zijn aangewezen in de daartoe strekkende
beschikking:
a. een verplichting die
afvalstoffen te scheiden en – mede van andere stoffen en
afvalstoffen – gescheiden te houden;
b. een verplichting die
afvalstoffen gescheiden af te geven, wanneer zij zich daarvan
ontdoen;
c. een verplichting die
afvalstoffen ter plaatse waar zij zijn ontstaan, op een bij de
beschikking aangegeven wijze nuttig toe te passen of te
verwijderen;
d. een verbod die afvalstoffen
langer onder zich te houden dan gedurende een bij de
beschikking aangegeven termijn;
e. een verplichting die
afvalstoffen af te geven aan een persoon behorende tot een bij
de beschikking aangewezen categorie, of te brengen naar een
daartoe aangewezen plaats.
2. Een verplichting of verbod als
bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd:
a. voor zover de verplichting
of het verbod betrekking heeft op een inrichting: door het
bestuursorgaan dat ingevolge het bepaalde bij of krachtens
artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht het
bevoegd gezag is voor de omgevingsvergunning voor de
inrichting, of, indien voor de inrichting regels gelden
krachtens artikel 8.40, door het bestuursorgaan waaraan een
melding als bedoeld in artikel 8.41, eerste lid, met
betrekking tot die inrichting zou moeten worden gedaan of, in
andere gevallen, door burgemeester en wethouders;
b. in andere gevallen: door
gedeputeerde staten.
3. Het bestuursorgaan, bedoeld in
het tweede lid, geeft bij zijn beschikking aan binnen welke
termijn de verplichting moet worden uitgevoerd en kan aangeven op
welke wijze de verplichting moet worden uitgevoerd.
Artikel 17.5 [Vervallen per
01-10-2012]
Titel 17.1A. Maatregelen betreffende
afvalvoorzieningen
Artikel 17.5a
1. Indien zich een gebeurtenis
voordoet, die gevolgen kan hebben voor de stabiliteit van een
afvalvoorziening, of indien bij controle- en monitoringsprocedures
met betrekking tot die voorziening blijkt dat nadelige gevolgen
voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, meldt degene
die de afvalvoorziening drijft, dit zo spoedig mogelijk, in elk
geval binnen 48 uur, aan het bestuursorgaan dat bevoegd is een
omgevingsvergunning voor die inrichting te verlenen. Artikel 17.2,
tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden categorieën van afvalvoorzieningen
aangewezen, waarop ingevolge artikel 2, derde lid, van de
richtlijn beheer winningsafval deze titel niet van toepassing is.
Artikel 17.5b
Indien de situatie, bedoeld in
artikel 17.5a, eerste lid, betrekking heeft op een afvalvoorziening
categorie A, voert degene die de afvalvoorziening drijft,
onmiddellijk het voor die afvalvoorziening voorgeschreven interne
noodplan uit.
Artikel 17.5c
1. Het bevoegd gezag kan
instructies geven met betrekking tot het treffen van de nodige
preventieve of herstelmaatregelen.
2. Degene die de afvalvoorziening
drijft, volgt de in het eerste lid bedoelde instructies op en
draagt de kosten voor de getroffen preventieve of
herstelmaatregelen.
3. Het bevoegd gezag kan zelf elke
nodige preventieve of herstelmaatregel treffen of de uitvoering
daarvan opdragen aan derden.
4. Een beslissing als bedoeld in
het derde lid wordt op schrift gesteld. De schriftelijke
beslissing is een beschikking.
5. In het geval het bevoegd gezag
zelf maatregelen treft of de uitvoering daarvan opdraagt aan
derden, verhaalt het de kosten op degene die de activiteiten
verricht. Artikel 5:26 van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing.
6. Artikel 17.4 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 17.5d
Deze titel is van overeenkomstige
toepassing op gesloten afvalvoorzieningen, met uitzonderingen van
die gesloten afvalvoorzieningen ten aanzien waarvan het bevoegd
gezag is belast met de nazorg, bedoeld in artikel 8.49.
Titel 17.2. Maatregelen bij
milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan
Artikel 17.6
1. In deze titel en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
activiteit: beroepshalve of
bedrijfsmatig verrichte activiteit, ongeacht het openbare of
particuliere, winstgevende of niet-winstgevende karakter daarvan;
beschermde soorten: soorten als
bedoeld in artikel 2, derde lid, onder a, van EG-richtlijn
milieuaansprakelijkheid;
degene die de activiteit verricht:
de natuurlijke persoon of de privaatrechtelijke of
publiekrechtelijke rechtspersoon die de activiteit verricht of
heeft verricht, regelt of heeft geregeld, of aan wie een
doorslaggevende economische zeggenschap over het technisch
functioneren van de activiteit is overgedragen, met inbegrip van
de houder van een vergunning of toelating voor het verrichten van
de activiteit en de persoon die de activiteit laat of heeft laten
registreren of er kennisgeving van doet of heeft gedaan;
ecosysteemfuncties: functies die
natuurlijke rijkdommen vervullen ten behoeve van andere
natuurlijke rijkdommen of het publiek;
EG-richtlijn
milieuaansprakelijkheid: richtlijn nr. 2004/35/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004
betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het
voorkomen en herstellen van milieuschade (PbEU L 143);
herstelmaatregelen: maatregelen of
combinatie van maatregelen, met inbegrip van inperkende of
tussentijdse maatregelen, gericht op herstel, rehabilitatie of
vervanging van de aangetaste natuurlijke rijkdommen of
ecosysteemfuncties, of op het verschaffen van een gelijkwaardig
alternatief voor rijkdommen of functies als bedoeld in bijlage II
bij EG-richtlijn milieuaansprakelijkheid;
kosten: kosten verbonden aan de
toepassing van preventieve maatregelen of herstelmaatregelen, met
inbegrip van ramingskosten van milieuschade, onmiddellijke
dreiging van zulke schade en alternatieve maatregelen, alsook de
administratieve, juridische en handhavingskosten, de kosten van
het vergaren van gegevens en andere algemene kosten, en de kosten
in verband met monitoring en toezicht;
milieuschade:
1°. elke vorm van schade aan
beschermde soorten of natuurlijke habitats die, gelet op de
referentietoestand en de criteria van bijlage I bij
EG-richtlijn milieuaansprakelijkheid, aanmerkelijke negatieve
effecten heeft op het bereiken of handhaven van de gunstige
staat van instandhouding van deze soorten of habitats;
2°. elke vorm van schade aan
wateren die een aanmerkelijke negatieve invloed heeft op de
ecologische, chemische of kwantitatieve toestand of het
ecologisch potentieel, als omschreven in de kaderrichtlijn
water, van de betrokken wateren, met uitzondering van de
negatieve effecten waarop artikel 4, zevende lid, van die
richtlijn van toepassing is;
3°. elke vorm van
bodemverontreiniging die een aanmerkelijk risico inhoudt voor
negatieve effecten op de menselijke gezondheid, waarbij direct
of indirect op, in of onder de bodem, stoffen, preparaten,
organismen of micro-organismen gebracht zijn;
milieuschade of een onmiddellijke
dreiging daarvan: milieuschade of een voldoende waarschijnlijkheid
dat zich in de nabije toekomst milieuschade zal voordoen;
natuurlijke habitats: habitats van
de soorten als bedoeld in artikel 2, derde lid, onder b, van
EG-richtlijn milieuaansprakelijkheid;
natuurlijke regeneratie:
1°. in het geval van schade
aan wateren, beschermde soorten of natuurlijke habitats: de
terugkeer van aangetaste natuurlijke rijkdommen en
ecosysteemfuncties tot de referentietoestand;
2°. in geval van
bodemverontreiniging: het verdwijnen van een aanmerkelijk
gevaar van een nadelig effect op de menselijke gezondheid;
natuurlijke rijkdommen: beschermde
soorten, natuurlijke habitats, wateren of bodem;
preventieve maatregelen:
maatregelen naar aanleiding van een gebeurtenis, handeling of
nalatigheid waardoor een onmiddellijke dreiging van milieuschade
is ontstaan, teneinde die schade te voorkomen of tot een minimum
te beperken;
referentietoestand: de toestand
waarin de natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties zich ten
tijde van de schade zouden hebben bevonden indien zich geen
milieuschade had voorgedaan, gereconstrueerd aan de hand van de
beste beschikbare informatie;
schade: meetbare negatieve
verandering in de natuurlijke rijkdommen of aantasting van een
ecosysteemfunctie, die direct of indirect optreedt;
staat van instandhouding: staat van
instandhouding als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van
EG-richtlijn milieuaansprakelijkheid;
wateren: wateren waarop de
kaderrichtlijn water van toepassing is.
2. In afwijking van het bepaalde in
artikel 1.1 wordt in deze titel en de daarop berustende bepalingen
onder emissie verstaan: het als gevolg van menselijke activiteiten
in het milieu brengen van stoffen, preparaten, organismen of
micro-organismen.
3. Een wijziging van een van de
bijlagen bij EG-richtlijn milieuaansprakelijkheid gaat voor de
toepassing van deze titel en de daarop berustende bepalingen
gelden met ingang van de dag waarop aan de desbetreffende
wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel
besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander
tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 17.7
Deze titel is van toepassing op:
a. milieuschade of een
onmiddellijke dreiging daarvan die wordt veroorzaakt door:
1°. activiteiten als bedoeld
in bijlage III bij EG-richtlijn milieuaansprakelijkheid;
2°. andere bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen activiteiten;
b. milieuschade aan beschermde
soorten of natuurlijke habitats of een onmiddellijke dreiging
daarvan die wordt veroorzaakt door een andere activiteit dan
bedoeld onder a, onderdeel 1°, indien degene die de activiteit
verricht schuld of nalatigheid kan worden verweten.
Artikel 17.8
In afwijking van artikel 17.7 is deze
titel niet van toepassing op:
a. milieuschade of een
onmiddellijke dreiging daarvan ten gevolge van:
1°. een oorlogshandeling,
vijandelijkheden, burgeroorlog of oproer;
2°. een natuurverschijnsel
dat uitzonderlijk, onontkoombaar en onafwendbaar is;
3°. een gebeurtenis waarvoor
de aansprakelijkheid of schadevergoeding binnen de
werkingssfeer valt van een van de in bijlage IV bij
EG-richtlijn milieuaansprakelijkheid genoemde verdragen,
waaraan Nederland gebonden is;
4°. nucleaire risico’s of
een activiteit waarop het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van toepassing is;
5°. een activiteit of
gebeurtenis waarvoor de aansprakelijkheid of
schadevergoeding binnen de werkingssfeer valt van een van de
in bijlage V bij EG-richtlijn milieuaansprakelijkheid
genoemde verdragen;
6°. een activiteit die
hoofdzakelijk de landsverdediging of de internationale
veiligheid dient, of
7°. een activiteit die
uitsluitend tot doel heeft bescherming te bieden tegen
natuurrampen;
b. milieuschade aan beschermde
soorten of natuurlijke habitats bestaande uit de vooraf
vastgestelde negatieve effecten van activiteiten waarvoor door
het bevoegd gezag vergunning is verleend:
1°. in overeenstemming met
bepalingen ter uitvoering van artikel 6, derde en vierde
lid, of artikel 16 van richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de
instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora
en fauna, artikel 9 van richtlijn nr. 79/409/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het
behoud van de vogelstand, of,
2°. in het geval van niet
onder het Gemeenschapsrecht vallende soorten of habitats, in
overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 3, 4 en 5 van de Flora- en faunawet of de
artikelen 10 en 10a van de Natuurbeschermingswet 1998;
c. milieuschade of een
onmiddellijke dreiging daarvan veroorzaakt door een emissie of
gebeurtenis:
1°. die voor 30 april 2007
heeft plaatsgevonden,
2°. die na 30 april 2007
heeft plaatsgevonden, indien de schade het gevolg is van een
specifieke activiteit die heeft plaatsgevonden en is
beëindigd voor die datum, of
3°. die meer dan 30 jaar
geleden heeft plaatsgevonden.
Artikel 17.9
1. Indien de activiteit waardoor de
milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan wordt
veroorzaakt, wordt verricht binnen een inrichting of in het kader
van het oprichten, veranderen of in werking hebben van een
inrichting, is het bestuursorgaan dat bevoegd is een
omgevingsvergunning voor een inrichting te verlenen, dan wel het
bestuursorgaan, bedoeld in artikel 18.2, het bevoegd gezag.
2. In afwijking van het eerste lid
is het bevoegd gezag, indien de milieuschade of een onmiddellijke
dreiging daarvan geheel of in hoofdzaak betrekking heeft op
wateren, het bestuursorgaan waarbij de betrokken wateren in beheer
zijn.
3. Indien de activiteit waardoor de
milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan wordt
veroorzaakt, wordt verricht buiten een inrichting is het bevoegd
gezag voor zover de milieuschade of een onmiddellijke dreiging
daarvan betrekking heeft op:
a. de bodem: het
bestuursorgaan, bedoeld in artikel 95, derde en vierde lid,
van de Wet bodembescherming;
b. beschermde soorten: het
bestuursorgaan, bedoeld in artikel 112 van de Flora- en
faunawet;
c. natuurlijke habitats: het
bestuursorgaan, bedoeld in artikel 16, 19d of 57 van de
Natuurbeschermingswet 1998;
d. wateren: het bestuursorgaan,
waarbij de betrokken wateren in beheer zijn.
4. In afwijking van het eerste tot
en met het derde lid is Onze Minister het bevoegd gezag, indien de
activiteit waardoor de milieuschade of een onmiddellijke dreiging
daarvan wordt veroorzaakt, betrekking heeft op genetisch
gemodificeerde organismen.
5. Indien in geval van milieuschade
of een onmiddellijke dreiging daarvan meer dan een bestuursorgaan
als bevoegd gezag is aangewezen, of bij of krachtens deze of een
andere wet aan een ander bestuursorgaan bevoegdheden zijn
toegekend, wordt tussen deze bestuursorganen tijdig overleg
gevoerd, teneinde een zo goed mogelijke afstemming tussen de te
nemen besluiten of de te treffen maatregelen te bevorderen. De
bestuursorganen stemmen onderling af welk orgaan zich met de
coördinatie belast.
6. Indien in geval van milieuschade
of een onmiddellijke dreiging daarvan meer dan een bestuursorgaan
als bevoegd gezag is aangewezen, wordt een verzoek als bedoeld in
artikel 17.13, zesde lid, of artikel 17.15, eerste lid,
gecoördineerd behandeld. Bij de beslissing op een dergelijk
verzoek wordt rekening gehouden met de onderlinge samenhang tussen
de beschikkingen die op dit verzoek worden gegeven.
7. Indien in geval van milieuschade
of een onmiddellijke dreiging daarvan bij of krachtens deze of een
andere wet aan het bevoegd gezag bevoegdheden zijn toegekend,
geeft het bevoegd gezag onverminderd die bevoegdheden toepassing
aan deze titel en draagt het er zorg voor dat, voor zover het ook
uitvoering geeft aan bedoelde bevoegdheden, er geen strijd
ontstaat met het bepaalde bij of krachtens deze titel.
Artikel 17.10
1. Het bevoegd gezag kan degene die
een activiteit verricht, waardoor zich milieuschade of een
onmiddellijke dreiging daarvan voordoet:
a. verplichten informatie te
verstrekken over een onmiddellijke dreiging van milieuschade
of in gevallen waarin een dergelijke dreiging vermoed wordt;
b. verplichten aanvullende
gegevens te verstrekken over elke milieuschade die zich heeft
voorgedaan;
c. verplichten de nodige
preventieve of herstelmaatregelen te treffen;
d. instructies geven met
betrekking tot de maatregelen, bedoeld onder c.
2. Het bevoegd gezag kan zelf elke
maatregel als bedoeld in artikel 17.13, eerste lid, alsmede de
nodige preventieve of herstelmaatregelen treffen of de uitvoering
daarvan opdragen aan derden.
3. Een beslissing als bedoeld in
het eerste lid, onder c, of tweede lid, wordt op schrift gesteld.
De schriftelijke beslissing is een beschikking. Van de beschikking
wordt mededeling gedaan aan de bestuursorganen of
overheidsdiensten, bedoeld in artikel 17.2, derde lid.
Artikel 17.11
De rechthebbende ten aanzien van de
plaats waar de activiteit wordt verricht of waar de milieuschade of
een onmiddellijke dreiging daarvan zich voordoet, is verplicht te
gedogen dat preventieve of herstelmaatregelen als bedoeld in deze
titel worden getroffen, onverminderd zijn recht op schadevergoeding.
Artikel 17.12
1. Indien door een activiteit een
onmiddellijke dreiging van milieuschade ontstaat, treft degene die
de activiteit verricht onmiddellijk de nodige preventieve
maatregelen.
2. Hij informeert zo spoedig
mogelijk het bevoegd gezag over alle relevante aspecten van de
situatie. Wanneer de onmiddellijke dreiging van milieuschade
ondanks de in het eerste lid bedoelde preventieve maatregelen niet
is beëindigd, verstrekt degene die de activiteit verricht
aanvullende informatie over de situatie. Artikel 17.2, tweede lid,
is van overeenkomstige toepassing.
3. Het bevoegd gezag informeert
onverwijld de bestuursorganen of overheidsdiensten, bedoeld in
artikel 17.2, derde lid.
4. Het bevoegd gezag verplicht
degene die de activiteit verricht onmiddellijk de nodige
maatregelen te treffen.
5. Het bevoegd gezag stelt
belanghebbenden, respectievelijk de bestuursorganen of
overheidsdiensten, bedoeld in artikel 17.2, derde lid, in de
gelegenheid hun zienswijze naar voren te brengen, respectievelijk
advies uit te brengen over het ontwerp van het te nemen besluit,
bedoeld in het vierde lid, tenzij de situatie zo spoedeisend is
dat een zienswijze of advies niet kan worden afgewacht.
6. Het bevoegd gezag betrekt bij de
beslissing, bedoeld in het vierde lid, de naar voren gebrachte
zienswijzen en houdt bij die beslissing rekening met de
uitgebrachte adviezen. Van de beschikking wordt mededeling gedaan
aan de bestuursorganen of overheidsdiensten, bedoeld in artikel
17.2, derde lid.
Artikel 17.13
1. Indien door een activiteit
milieuschade ontstaat, treft degene die de activiteit verricht
elke haalbare maatregel om de betrokken verontreinigende stoffen
of andere schadefactoren onmiddellijk onder controle te houden, in
te perken, te verwijderen of anderszins te beheersen, teneinde
verdere milieuschade en negatieve effecten op de menselijke
gezondheid of verdere aantasting van functies te voorkomen of te
beperken.
2. Hij informeert zo spoedig
mogelijk het bevoegd gezag over alle relevante aspecten van de
situatie. Artikel 17.2, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. Het bevoegd gezag informeert
onverwijld de bestuursorganen of overheidsdiensten, bedoeld in
artikel 17.2, derde lid, alsmede in het geval de milieuschade zich
voordoet of kan voordoen buiten de grenzen van Nederland Onze
Minister.
4. Onze Minister informeert na
ontvangst van de informatie als bedoeld in het derde lid de
regering van het betrokken land of een door die regering aan te
wijzen autoriteit of instantie.
5. Het bevoegd gezag verplicht
degene die de activiteit verricht onmiddellijk de nodige
maatregelen te treffen. Artikel 17.12, vijfde en zesde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
6. Degene die de activiteit
verricht, stelt in overeenstemming met bijlage II bij EG-richtlijn
milieuaansprakelijkheid potentiële herstelmaatregelen vast en
legt die aan het bevoegd gezag ter instemming voor.
Artikel 17.14
1. Het bevoegd gezag stelt vast wie
de activiteit verricht waardoor milieuschade of de onmiddellijke
dreiging daarvan wordt veroorzaakt, alsmede de omvang van de
milieuschade. Artikel 17.13, derde en vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. Indien niet kan worden
vastgesteld wie de activiteit verricht waardoor de milieuschade of
de onmiddellijke dreiging daarvan wordt veroorzaakt, beslist het
bevoegd gezag of het krachtens het bepaalde in deze titel
maatregelen treft. Artikel 17.10, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3. Het bevoegd gezag beslist op een
verzoek tot instemming als bedoeld in artikel 17.13, zesde lid,
welke herstelmaatregelen in overeenstemming met bijlage II bij
EG-richtlijn milieuaansprakelijkheid door degene die de activiteit
verricht worden getroffen. Het bevoegd gezag kan verlangen dat bij
of ter aanvulling op dit verzoek een beoordeling van de omvang van
de schade wordt verstrekt.
4. Indien zich meerdere gevallen
van milieuschade voordoen en de nodige herstelmaatregelen niet
gelijktijdig kunnen worden getroffen, beslist het bevoegd gezag
welke schade het eerst wordt hersteld.
5. Het bevoegd gezag houdt bij het
besluit, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, in ieder
geval rekening met de aard, de omvang en de ernst van de
milieuschade, en met de mogelijkheid van gevaar voor de menselijke
gezondheid en van natuurlijke regeneratie. Op dit besluit is
artikel 17.12, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 17.15
1. Belanghebbenden, alsmede de
bestuursorganen of overheidsdiensten, bedoeld in artikel 17.2,
derde lid, kunnen in geval van milieuschade of een onmiddellijke
dreiging daarvan het bevoegd gezag verzoeken een beschikking tot
het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 17.10, derde
lid, artikel 17.12, vierde lid, of artikel 17.13, vijfde lid, te
geven.
2. Onze Minister kan, indien dat in
het belang van de bescherming van het milieu geboden is en indien
ter zake van een geval van milieuschade of een onmiddellijke
dreiging daarvan het dagelijks bestuur van een waterschap het
bevoegd gezag is, vorderen dat dit bestuursorgaan binnen een door
hem te stellen termijn toepassing geeft aan artikel 17.12, vierde
lid, artikel 17.13, vijfde lid, of artikel 17.14, eerste, tweede
en derde lid. De artikelen 121 tot en met 121g van de Provinciewet
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 17.16
1. Degene die de activiteit
verricht waardoor milieuschade of een onmiddellijke dreiging
daarvan wordt veroorzaakt, draagt de kosten voor de getroffen
preventieve of herstelmaatregelen, tenzij hij bewijst dat de
milieuschade of de onmiddellijke dreiging daarvan:
a. ondanks door hem getroffen
passende veiligheidsmaatregelen door een derde is veroorzaakt,
of
b. het gevolg is van de
|