| |
|
|
|
|
vorige
WET
MILIEUBEHEER (Wm)
Tekst zoals deze geldt op
18 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
- Besluit
bodemkwaliteit
- Besluit
brandstoffen luchtverontreiniging
- Besluit
emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A
- Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B
(vervallen)
- Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer
- Besluit
gewasbeschermingsmiddelen en biociden
- Besluit
glastuinbouw
- Besluit handel in emissierechten
- Besluit
informatie inzake rampen en zware ongevallen
- Besluit
kwaliteitseisen en monitoring water 2009
- Besluit kwaliteitseisen handhaving milieubeheer
(vervallen)
- Besluit landbouw milieubeheer
- Besluit
lozing afvalwater huishoudens
- Besluit LPG-tankstations milieubeheer
- Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
- Besluit milieu-effectrapportage
- Besluit milieuverslaglegging
- Besluit omgevingsrecht
- Besluit
risico’s zware ongevallen 1999
- Besluit
verbranden afvalstoffen
- Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en
preparaten
- Drinkwaterbesluit
- Drinkwaterregeling
- Inrichtingen-
en vergunningenbesluit milieubeheer (vervallen)
- Regeling
algemene regels voor inrichtingen milieubeheer'
- Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007
- Regeling bodemkwaliteit
- Regeling genetisch gemodificeerde
organismen
- Regeling milieukwaliteitseisen gevaarlijke stoffen
oppervlaktewateren (vervallen)
- Regeling omgevingsrecht
- Regeling
risico's zware ongevallen 1999'
- Stortbesluit
bodembescherming
- Uitvoeringsbesluit
Meststoffenwet
- Vuurwerkbesluit
WET van 13 juni 1979, houdende regelen
met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op het gebied van de
milieuhygiëne
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, naast de
wettelijke regelingen, geldende voor de onderscheidene onderdelen van
het gebied van de milieuhygiëne, regelen te stellen met betrekking tot
een aantal algemene onderwerpen op dat gebied;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemeen
§ 1.1. Algemeen
Artikel 1.1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
adviseurs: bestuursorganen die krachtens wettelijk voorschrift in
de gelegenheid moeten worden gesteld advies uit te brengen met
betrekking tot het geven van een beschikking of het nemen van een
ander besluit;
afvalbeheerplan: afvalbeheerplan, bedoeld in artikel 10.3;
afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de
houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet
ontdoen;
afvalstoffenhandelaar: natuurlijke of rechtspersoon die als
verantwoordelijke optreedt bij het bedrijfsmatig aankopen en
vervolgens verkopen van afvalstoffen, met inbegrip van natuurlijke of
rechtspersonen die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben;
afvalstoffenhouder: afvalstoffenproducent dan wel de natuurlijke of
rechtspersoon die de afvalstoffen in zijn bezit heeft;
afvalstoffenmakelaar: natuurlijke of rechtspersoon die ten behoeve
van anderen bedrijfsmatig de verwijdering of de nuttige toepassing van
afvalstoffen organiseert, met inbegrip van de natuurlijke of
rechtspersonen die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben;
afvalstoffenproducent: natuurlijke of rechtspersoon wiens
activiteiten afvalstoffen voortbrengen of die voorbehandelingen,
vermengingen of andere bewerkingen verricht die leiden tot een
wijziging in de aard of de samenstelling van die afvalstoffen;
afvalstoffenverordening: de verordening, bedoeld in artikel 10.23;
afvalvoorziening: inrichting waar uitsluitend winningsafvalstoffen
worden gestort of verzameld, dan wel het gedeelte van een inrichting
waar winningsafvalstoffen worden gestort of verzameld;
afvalvoorziening categorie A: afvalvoorziening, welke door het
bevoegd gezag is ingedeeld in categorie A, overeenkomstig de criteria
gesteld in bijlage III bij de richtlijn beheer winningsafval;
afvalwater: alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens
is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;
bedrijfsafvalstoffen: afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke
afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen;
bedrijfsafvalwater: afvalwater dat vrijkomt bij door de mens
bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen
bedrijvigheid, dat geen huishoudelijk afvalwater, afvloeiend
hemelwater of grondwater is;
beheer van afvalstoffen: inzameling, vervoer, nuttige toepassing en
verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die
handelingen en de nazorg voor stortplaatsen na sluiting en met
inbegrip van de activiteiten van afvalstoffenhandelaars en
afvalstoffenmakelaars;
betrokken bestuursorganen: adviseurs en andere bestuursorganen die
krachtens wettelijk voorschrift worden betrokken bij de totstandkoming
van de in artikel 13.1, eerste lid, bedoelde beschikkingen.
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het geven van een
beschikking of het nemen van een ander besluit;
bijlage: bij deze wet behorende bijlage;
biochemisch zuurstofverbruik: massaconcentratie aan opgeloste
zuurstof die gedurende vijf dagen wordt verbruikt door biochemische
oxydatie van organische bestanddelen onder uitsluiting van
ammoniumoxydatie onder omstandigheden die zijn gespecificeerd in een
door Onze Minister aangewezen norm van het Nederlands Normalisatie
Instituut;
broeikasgas: gas, genoemd in bijlage II bij de EG-richtlijn handel
in broeikasgasemissierechten;
broeikasgasemissierecht: overeenkomstig het bepaalde bij en
krachtenshoofdstuk 16 overdraagbaar recht, uitsluitend teneinde aan
het bepaalde bij en krachtens dat hoofdstuk te voldoen, om gedurende
een bepaalde periode een emissie van één ton kooldioxide-equivalent
in de lucht te veroorzaken;
Commissie genetische modificatie: de Commissie genetische
modificatie, bedoeld in artikel 2.26;
Commissie voor de milieueffectrapportage: de Commissie voor de
milieueffectrapportage, bedoeld in artikel 2.17;
doelmatig beheer van afvalstoffen: zodanig beheer van afvalstoffen
dat daarbij rekening wordt gehouden met het geldende afvalbeheerplan,
dan wel de voor de vaststelling van het plan geldende bepalingen, dan
wel de voorkeursvolgorde aangegeven in artikel 10.4, en de criteria,
genoemd in artikel 10.5;
EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling: richtlijn nr. 85/337/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1985
betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en
particuliere projecten (PbEG L 175), zoals gewijzigd bij richtlijn nr.
97/11/EG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 3 maart 1997 (PbEG
L 73) tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG betreffende de
milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere
projecten;
één ton kooldioxide-equivalent: een metrische ton kooldioxide of
een hoeveelheid van een ander broeikasgas met een gelijkwaardig
aardopwarmingsvermogen;
de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten: richtlijn nr.
2003/87/EGvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel
in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging
van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU L 275);
EG-richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van
verontreiniging: richtlijn nr. 2008/1/EG van het Europees Parlement en
de Raad van de Europese Unie van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde
preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEU L 24);
EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en
mengsels: verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en
de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 betreffende de
indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot
wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PbEU L 353);
EG-verordening overbrenging van afvalstoffen: verordening (EG) nr.
1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU L
190);
EG-verordening PRTR: verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 januari 2006
betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot
en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de
Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU L 33);
EG-verordening register handel in broeikasgasemissierechten:
verordening (EG) nr. 2216/2004 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 21 december 2004 inzake een gestandaardiseerd en
beveiligd registersysteem overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het
Europees Parlement en de Raad en Beschikking 280/2004/EG van het
Europees Parlement en de Raad (PbEU L 386);
EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische
stoffen: verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en
de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van
en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH),
tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen,
houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van
Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr.
1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en
de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de
Commissie (PbEU 2007, L 136);
emissie: stoffen, trillingen, warmte, die of geluid dat direct of
indirect vanuit een bron in de lucht, het water of de bodem worden,
onderscheidenlijk wordt gebracht;
de emissieautoriteit: de Nederlandse emissieautoriteit, genoemd in
artikel 2.1;
emissiegrenswaarde: massa gerelateerd aan bepaalde parameters, dan
wel concentratie of niveau van een emissie uit een of meer bronnen,
die gedurende een bepaalde periode niet mag worden overschreden;
emissiereductie-eenheid: eenheid, uitgegeven overeenkomstig artikel
6 van het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig het Raamverdrag van
de Verenigde Naties inzake klimaatverandering of het Protocol van
Kyoto genomen besluiten (ERU);
energie uit hernieuwbare bronnen: energie geproduceerd uit
hernieuwbare energiebronnen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van
richtlijn nr.2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23
april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit
hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn
2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU L 140);
gecertificeerde emissiereductie: eenheid, uitgegeven overeenkomstig
artikel 12 van het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig het
Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering of het
Protocol van Kyoto genomen besluiten (CER);
geluid: met het menselijk oor waarneembare luchttrillingen;
geluidhinder: gevaar, schade of hinder, als gevolg van geluid;
gemeentelijk milieubeleidsplan: het gemeentelijke
milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 4.16;
gescheiden inzameling: inzameling waarbij een afvalstoffenstroom
gescheiden gehouden wordt naar soort en aard van de afvalstoffen om
een specifieke behandeling te vergemakkelijken;
gevaarlijke afvalstof: afvalstof die een of meer van de in bijlage
III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen genoemde gevaarlijke
eigenschappen bezit;
hergebruik: elke handeling waarbij producten of componenten die
geen afvalstoffen zijn, opnieuw worden gebruikt voor hetzelfde doel
als dat waarvoor zij waren bedoeld;
huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat overwegend afkomstig is
van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden;
huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig uit
particuliere huishoudens, behoudens voor zover het ingezamelde
bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als
gevaarlijke afvalstoffen;
inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof
zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere
begrenzing pleegt te worden verricht;
inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaar;
inwonerequivalent: biochemisch zuurstofverbruik van 54 gram per
etmaal;
inzameling: verzameling van afvalstoffen, met inbegrip van de
voorlopige sortering en de voorlopige opslag van afvalstoffen, om deze
daarna te vervoeren naar een afvalverwerkingsinstallatie;
kaderrichtlijn afvalstoffen: richtlijn nr. 2008/98/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november
2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal
richtlijnen (PbEU L 312);
de kaderrichtlijn water: richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot
vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende
het waterbeleid (PbEG L 327), zoals deze is gewijzigd bij beschikking
nr. 2455/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november
2001 tot vaststelling van de lijst van prioritaire stoffen op het
gebied van het waterbeleid en tot wijziging van richtlijn 2000/60/EG (PbEG
L 331) en met inbegrip van wijzigingen uit hoofde van artikel 20,
eerste lid, van de richtlijn, doch voor het overige naar de tekst
zoals deze bij de richtlijn is vastgesteld;
luchtverontreiniging: aanwezigheid in de buitenlucht van vaste,
vloeibare of gasvormige stoffen, niet zijnde splijtstoffen, ertsen of
radioactieve stoffen als bedoeld in de Kernenergiewet, die op zichzelf
dan wel tezamen of in verbinding met andere stoffen nadelige gevolgen
voor het milieu kunnen veroorzaken;
nationaal milieubeleidsplan: het nationale milieubeleidsplan,
bedoeld in artikel 4.3;
NOx-emissierecht: overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens
hoofdstuk 16 overdraagbaar recht, uitsluitend teneinde aan het
bepaalde bij en krachtens dat hoofdstuk te voldoen, om gedurende een
bepaalde periode een emissie van één kilogram stikstofoxiden in de
lucht te veroorzaken;
nuttige toepassing: elke handeling met als voornaamste resultaat
dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken
installatie, hetzij in de ruimere economie, andere materialen te
vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt,
of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt, tot
welke handelingen in ieder geval behoren de handelingen die zijn
genoemd in bijlage II bij de kaderrichtlijn afvalstoffen;
omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
omgevingsvergunning voor een inrichting: omgevingsvergunning voor
een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht;
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
openbaar hemelwaterstelsel: voorziening voor de inzameling en
verdere verwerking van afvloeiend hemelwater, niet zijnde een openbaar
vuilwaterriool, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die
door een gemeente met het beheer is belast;
openbaar ontwateringsstelsel: voorziening voor de inzameling en
verdere verwerking van grondwater, niet zijnde een openbaar
vuilwaterriool, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die
door een gemeente met het beheer is belast;
openbaar vuilwaterriool: voorziening voor de inzameling en het
transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een
rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;
preparaten: mengsels of oplossingen van twee of meer stoffen;
preventie: maatregelen die worden genomen voordat een stof,
materiaal of product afvalstof is geworden, ter vermindering van:
a. de hoeveelheden afvalstoffen, al dan niet via het hergebruik
van producten of de verlenging van de levensduur van producten;
b. de negatieve gevolgen van de geproduceerde afvalstoffen voor
het milieu en de menselijke gezondheid, of
c. het gehalte aan schadelijke stoffen in materialen en
producten;
Protocol van Kyoto: op 11 december 1997 te Kyoto totstandgekomen
Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake
klimaatverandering (Trb. 1998, 170, en 1999, 110);
provinciaal milieubeleidsplan: het provinciale milieubeleidsplan,
bedoeld in artikel 4.9;
provinciale milieucommissie: de provinciale milieucommissie,
bedoeld in artikel 2.41;
provinciale milieuverordening: de verordening, bedoeld in artikel
1.2;
Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering: op 9
mei 1992 te New York totstandgekomen Raamverdrag van de Verenigde
Naties inzake klimaatverandering (Trb. 1992, 189);
recycling: nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden
bewerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke
doel of voor een ander doel, met inbegrip van het opnieuw bewerken van
organische afvalstoffen, en met uitsluiting van energieterugwinning en
het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden
gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal;
richtlijn beheer winningsafval: richtlijn nr. 2006/21/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2006
betreffende het beheer van afval van de winningsindustrieën en
houdende wijziging van Richtlijn nr. 2004/35/EG (PbEU L 102);
stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel
daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of
ander afvalwater;
stikstofoxiden (NOx): stikstofmonoxide en stikstofdioxide,
uitgedrukt als stikstofdioxide;
stoffen: chemische elementen en de verbindingen ervan, zoals deze
voorkomen in natuurlijke toestand of bij de vervaardiging ontstaan,
met inbegrip van alle additieven die nodig zijn voor het behoud van de
stabiliteit ervan en alle onzuiverheden ten gevolge van het toegepaste
procédé, doch met uitzondering van elk oplosmiddel dat kan worden
afgescheiden zonder dat de stabiliteit van de stof wordt aangetast of
de samenstelling ervan wordt gewijzigd;
storten: op of in de bodem brengen van afvalstoffen om deze daar te
laten;
verwerking: nuttige toepassing of verwijdering, met inbegrip van
aan toepassing of verwijdering voorafgaande voorbereidende
handelingen;
verwijdering: elke handeling met afvalstoffen die geen nuttige
toepassing is zelfs indien de handeling er in tweede instantie toe
leidt dat stoffen of energie worden teruggewonnen, tot welke
handelingen in ieder geval behoren de handelingen die zijn genoemd in
bijlage I bij de kaderrichtlijn afvalstoffen;
vliegtuigexploitant: vliegtuigexploitant als bedoeld in artikel 3,
onder o, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten;
voorbereiding voor hergebruik: nuttige toepassing bestaande uit
controleren, schoonmaken of repareren, waarbij producten of
componenten van producten, die afvalstoffen zijn geworden, worden
klaargemaakt zodat ze zullen worden hergebruikt zonder dat verdere
voorbehandeling nodig is;
winningsafvalstoffen: afvalstoffen die rechtstreeks afkomstig zijn
uit de prospectie, winning, behandeling en opslag van mineralen en de
exploitatie van groeven, met uitzondering van afvalstoffen afkomstig
van offshore-prospectie, -winning en-behandeling;
RIVM: Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu, genoemd in de
Wet op het RIVM.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen:
a. worden onder gevolgen voor het milieu in ieder geval
verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het
belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen,
van water, bodem en lucht en van landschappelijke,
natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de
beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen;
b. worden onder gevolgen voor het milieu mede verstaan gevolgen
die verband houden met een doelmatig beheer van afvalstoffen of
een doelmatig beheer van afvalwater, gevolgen die verband houden
met het verbruik van energie en grondstoffen, alsmede gevolgen die
verband houden met het verkeer van personen of goederen van en
naar de inrichting;
c. worden onder bescherming van het milieu mede verstaan de
verbetering van het milieu, de zorg voor een doelmatig beheer van
afvalstoffen of een doelmatig beheer van afvalwater, de zorg voor
een zuinig gebruik van energie en grondstoffen, alsmede de zorg
voor de beperking van de nadelige gevolgen voor het milieu van het
verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën van
inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen
veroorzaken.
4. Elders in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
onder inrichting verstaan een inrichting, behorende tot een categorie
die krachtens het derde lid is aangewezen. Daarbij worden als één
inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling
behorende installaties die onderling technische, organisatorische of
functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid
zijn gelegen. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking
tot hetgeen in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder
inrichting wordt verstaan.
5. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. onder het zich ontdoen van afvalstoffen mede verstaan het
nuttig toepassen of verwijderen van afvalstoffen binnen de
inrichting waarin deze zijn ontstaan;
b. onder het zich door afgifte ontdoen van afvalstoffen mede
verstaan:
1°. het voor nuttige toepassing of verwijdering brengen
van afvalstoffen vanuit een inrichting naar een elders gelegen
inrichting die aan dezelfde natuurlijke of rechtspersoon
behoort;
2°. het tijdelijk voor nuttige toepassing afgeven van
afvalstoffen;
3°. het voor verwerking afgeven van afvalstoffen aan een
afvalstoffenhandelaar.
6. Indien afvalstoffen die een behandeling voor nuttige toepassing
hebben ondergaan, voldoen aan de ingevolge artikel 6, eerste en tweede
lid, van de kaderrichtlijn afvalstoffen vastgestelde criteria en
tevens behoren tot het soort afvalstoffen waarop die criteria van
toepassing zijn, worden zij niet langer als afvalstoffen aangemerkt.
Onze Minister kan inzake een afvalstof die een behandeling voor
nuttige toepassing heeft ondergaan, besluiten dat deze niet langer als
afvalstof wordt aangemerkt, voor zover voor deze afvalstof geen
criteria van toepassing zijn als bedoeld in de eerste volzin en ook
overigens wordt voldaan aan artikel 6, vierde lid, eerste volzin, van
de kaderrichtlijn afvalstoffen. Bij ministeriële regeling wordt
aangegeven welke stoffen, preparaten of voorwerpen in ieder geval,
onverminderd het bepaalde in de eerste en tweede volzin, worden
aangemerkt als afvalstoffen, indien de houder zich daarvan ontdoet,
voornemens is zich daarvan te ontdoen of zich daarvan moet ontdoen.
Als afvalstoffen worden in elk geval niet aangemerkt stoffen,
preparaten of voorwerpen die bijproducten zijn in de zin van artikel 5
van de kaderrichtlijn afvalstoffen, indien deze bijproducten voldoen
aan de in dat artikel gestelde voorwaarden en aan de in een krachtens
dat artikel vastgestelde uitvoeringsmaatregel daartoe aangegeven
criteria.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kan in het belang van het
bevorderen van nuttige toepassing worden bepaald dat geen sprake is
van het zich ontdoen van afvalstoffen, indien bij die maatregel
aangewezen stoffen, preparaten of voorwerpen:
a. door de houder rechtstreeks worden afgegeven aan een persoon
die deze stoffen, preparaten of voorwerpen geheel toepast op een
bij die maatregel aangegeven wijze;
b. voldoen aan bij die maatregel te stellen eisen.
Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de aanwijzing van
stoffen, preparaten of voorwerpen, de wijze van toepassing en de
eisen, bedoeld in dit lid.
8. Een afvalstof wordt in ieder geval aangemerkt als huishoudelijke
afvalstof onderscheidenlijk bedrijfsafvalstof, indien die afvalstof
bij algemene maatregel van bestuur als zodanig is aangewezen.
9. Onze Minister kan, indien naar zijn oordeel in het belang van
een doelmatig beheer van afvalstoffen een onverwijlde voorziening
noodzakelijk is, een regeling vaststellen van de in het zevende of
achtste lid bedoelde strekking. Een zodanige regeling vervalt een jaar
nadat zij in werking is getreden of, indien binnen die termijn een
algemene maatregel van bestuur ter vervanging van die regeling in
werking is getreden, op het tijdstip waarop die maatregel in werking
treedt. Onze Minister kan de termijn bij ministeriële regeling
eenmaal met ten hoogste een jaar verlengen.
10. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de aanwijzing
van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid. Tevens kan
Onze Minister of een door hem aan te wijzen instantie vaststellen dat
een afvalstof, zoals die door de houder ter beoordeling wordt
aangeboden:
a. niet de eigenschappen bezit op grond waarvan deze ingevolge
bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen als gevaarlijke
afvalstof dient te worden aangemerkt, uitgezonderd de gevallen
waarin dat het gevolg is van verdunning of vermenging, bedoeld om
de concentratie van gevaarlijke stoffen onder de drempelwaarde
voor gevaarlijke stoffen te brengen;
b. hoewel deze niet als gevaarlijke afvalstof is aangewezen,
toch de eigenschappen bezit op grond waarvan deze ingevolge de in
onderdeel a genoemde bijlage als gevaarlijke afvalstof dient te
worden aangemerkt.
11. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat in deze
wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
«genetisch gemodificeerde organismen».
12. Een wijziging van de bijlagen onderscheidenlijk een wijziging
van een ingevolge artikel 5 of 6 van de kaderrichtlijn afvalstoffen
vastgestelde maatregel gaat voor de toepassing van de in het eerste
lid gegeven omschrijvingen van «nuttige toepassing» en
«verwijdering» en voor de toepassing van het tiende lid,
onderscheidenlijk het eerste en zesde lid, gelden met ingang van de
dag waarop aan de desbetreffende wijziging uitvoering moet zijn
gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant
wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
13. Een wijziging uit hoofde van artikel 20, eerste lid, van de
kaderrichtlijn water gaat voor de toepassing van deze wet gelden met
ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn
uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in
de Staatscourant of op andere geschikte wijze wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 1.1a
1. Een ieder neemt voldoende zorg voor het milieu in acht.
2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat
een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn
handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden
veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor
zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle
maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd
teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet
kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan
te maken.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid laat onverlet de uit
het burgerlijk recht voortvloeiende aansprakelijkheid en de
mogelijkheid van rechtspersonen als bedoeld in artikel 1, boek 2, van
het Burgerlijk Wetboek, om uit dien hoofde in rechte op te treden.
§ 1.2. De provinciale milieuverordening
Artikel 1.2
1. Provinciale staten stellen ter bescherming van het milieu een
verordening vast.
2. De verordening bevat ten minste:
a. regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater
met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen
gebieden;
b. regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in
bij de verordening aangewezen gebieden.
3. Bij de verordening worden, voor zover dit naar het oordeel van
provinciale staten van meer dan gemeentelijk belang is, verdere regels
gesteld ter bescherming van het milieu.
4. Bij de verordening kan worden bepaald dat bij de verordening
gestelde regels slechts gelden voor een of meer daarbij aan te wijzen
delen van het grondgebied van de provincie.
5. De verordening bevat geen regels met betrekking tot de
samenstelling of eigenschappen van produkten. Ten aanzien van gebieden
die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zijn aangewezen, houdt de
verordening geen regels in, die betrekking hebben op de agrarische
bedrijfsvoering.
6. De verordening kan slechts, voor zover dit uit een oogpunt van
doelmatige regelgeving bijzonder aangewezen is, regels bevatten die
rechtstreeks betrekking hebben op bij die regels aangewezen
categorieën van inrichtingen, voor zover:
a. ten aanzien van die inrichtingen het in artikel 2.1, eerste
lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
gestelde verbod niet geldt en die regels noodzakelijk zijn ter
bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de
waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden, of
b. het regels betreft, inhoudende een verbod tot het oprichten
of in werking hebben van dergelijke inrichtingen in gebieden als
bedoeld onder a, dan wel tot het op een bij die verordening aan te
geven wijze veranderen van dergelijke inrichtingen in die
gebieden, of het veranderen van de werking daarvan.
7. Bij de verordening kan, voor zover het gevallen betreft als
bedoeld in het zesde lid, worden bepaald dat het orgaan dat bevoegd is
een omgevingsvergunning voor een inrichting te verlenen, bij het
verlenen of wijzigen van de vergunning met betrekking tot de daarbij
aangegeven onderwerpen in de daaraan verbonden voorschriften van bij
de verordening gestelde regels kan afwijken. In dat geval wordt bij de
verordening aangegeven in hoeverre het bevoegd gezag van de regels kan
afwijken. Bij de verordening kan tevens worden bepaald dat de
bevoegdheid tot afwijken slechts geldt in daarbij aangegeven
categorieën van gevallen.
8. Bij de vaststelling van de verordening houden provinciale staten
rekening met het geldende provinciale milieubeleidsplan.
Artikel 1.2a
Bij de provinciale milieuverordening worden geen regels gesteld, die
het naar of uit de provincie brengen van afvalstoffen beperken of
uitsluiten.
Artikel 1.3
1. Bij de provinciale milieuverordening kan worden bepaald dat
daarbij aangewezen bestuursorganen in daarbij aangegeven categorieën
van gevallen ontheffing kunnen verlenen van bij die verordening
aangewezen regels, indien het belang van de bescherming van het milieu
zich daartegen niet verzet.
2. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt niet met
betrekking tot inrichtingen waarvoor een omgevingsvergunning is
vereist.
3. Het betrokken orgaan houdt bij de beslissing op de aanvraag om
een ontheffing in ieder geval rekening met het voor hem geldende
milieubeleidsplan.
4. Op de voorbereiding van een beschikking krachtens het eerste lid
is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Indien uit het oogpunt van bescherming van het milieu redelijkerwijs
geen zienswijzen zijn te verwachten, kan bij de provinciale
milieuverordening anders worden bepaald. Met toepassing van artikel
28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf
4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de
aanvraag om een beschikking krachtens het eerste lid.
Artikel 1.3a
1. De aanvrager van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op
een project waarvan een activiteit deel uitmaakt waarvoor tevens een
ontheffing als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, is vereist van:
a. regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater
als bedoeld inartikel 1.2, tweede lid, onder a,
b. regels met betrekking tot activiteiten in, op, onder of over
een plaats waar de inartikel 8.49 bedoelde zorg met betrekking tot
een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, of
c. andere bij provinciale milieuverordening daartoe aangewezen
regels, draagt er zorg voor dat de aanvraag mede betrekking heeft
op die activiteit.
2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de activiteit
is toegestaan krachtens een ontheffing als bedoeld in artikel 1.3,
eerste lid, of voor de activiteit een zodanige ontheffing is
aangevraagd.
3. De krachtens artikel 1.3, eerste lid, aangewezen regels gelden
niet voor zover de activiteiten waarop die regels betrekking hebben,
zijn toegestaan krachtens een omgevingsvergunning als bedoeld in het
eerste lid.
4. Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van
een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op een activiteit als
bedoeld in het eerste lid.
5. Artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is
niet van toepassing op ontheffingen die ingevolge een provinciale
milieuverordening zijn vereist.
Artikel 1.3b
1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en paragraaf 3.3
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn van toepassing op
de voorbereiding van de beschikking op een aanvraag om een
omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid.
2. Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking
heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, kan
de omgevingsvergunning slechts worden verleend en wordt de
omgevingsvergunning geweigerd op de gronden die ten aanzien van een
ontheffing voor de activiteit zijn aangegeven in de provinciale
milieuverordening.
3. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 2.5 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht, is het tweede lid van
overeenkomstige toepassing op de beschikking met betrekking tot de
eerste en tweede fase.
4. Voor zover de omgevingsvergunning betrekking heeft op een
activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, kan deze geheel of
gedeeltelijk worden ingetrokken of kunnen de daaraan verbonden
voorschriften worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken, dan wel
kunnen alsnog voorschriften worden verbonden aan de
omgevingsvergunning, op de gronden die ten aanzien van een ontheffing
voor die activiteit zijn aangegeven in de provinciale
milieuverordening.
5. Indien bij provinciale milieuverordening regels zijn aangewezen
als bedoeld inartikel 1.3a, eerste lid, onder c, worden bij de
verordening regels gesteld met betrekking tot de gegevens en
bescheiden die door de aanvrager om een omgevingsvergunning worden
verstrekt met het oog op de beslissing op de aanvraag met betrekking
tot de activiteiten waarop die regels van toepassing zijn.
Artikel 1.3c
1. Bij de provinciale milieuverordening kunnen regels worden
gesteld inhoudende de verplichting voor het bevoegd gezag
voorschriften, die nodig zijn ter bescherming van het milieu en
waarvan de inhoud in die verordening is aangegeven, te verbinden aan
de omgevingsvergunningen voor activiteiten als bedoeld in artikel
1.3a, eerste lid, of voor inrichtingen die behoren tot een bij de
verordening aangewezen categorie. Bij de verordening kan worden
bepaald dat de daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij
aangegeven categorieën van gevallen.
2. Regels als bedoeld in het eerste lid kunnen niet betrekking
hebben op beslissingen inzake vergunningen ten aanzien waarvan Onze
Minister of Onze Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is.
3. Bij de verordening wordt bepaald in hoeverre het bevoegd gezag
met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen van bij de
verordening gestelde regels kan afwijken of nadere eisen kan stellen.
Daarbij kan worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken of tot het
stellen van nadere eisen slechts geldt in bij de verordening
aangegeven categorieën van gevallen.
4. Bij de verordening wordt voor de daarbij opgelegde
verplichtingen het tijdstip aangegeven, waarop zij met betrekking tot
de al verleende omgevingsvergunningen moeten zijn uitgevoerd.
Artikel 1.4
1. Bij de voorbereiding van het voorstel voor een provinciale
milieuverordening plegen gedeputeerde staten overleg met de niet tot
de provincie behorende bestuursorganen die het aangaat.
2. Gedeputeerde staten stellen de provinciale milieucommissie in de
gelegenheid over het ontwerp van een verordening advies uit te
brengen.
3. Van een besluit tot vaststelling of wijziging van de verordening
wordt door gedeputeerde staten mededeling gedaan door toezending aan
Onze Minister.
Hoofdstuk 2. Zelfstandige bestuursorganen en adviesorganen
§ 2.1. De Nederlandse emissieautoriteit
Artikel 2.1
Er is een Nederlandse emissieautoriteit, gevestigd te 's-Gravenhage.
Artikel 2.2
1. De emissieautoriteit heeft de in de hoofdstukken 16en 18 en
titel 12.4 opgedragen taken.
2. De emissieautoriteit heeft voorts tot taak:
a. het bijhouden van gegevens en het opstellen van rapportages
met betrekking tot de naleving door Nederland van een voor
Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend
besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dat de beperking
van de emissies van broeikasgassen of stikstofoxiden in de lucht
tot doel heeft;
b. het verzamelen van gegevens over technieken ter bepaling van
de emissies van broeikasgassen of stikstofoxiden, waarop titel
16.2onderscheidenlijk titel 16.3 van toepassing is;
c. het verzamelen van andere gegevens die met het oog op de
uitoefening van haar taken van belang zijn;
d. het rapporteren aan Onze Minister en aan andere bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen instanties over de ontwikkeling
van de onder a bedoelde emissies in Nederland alsmede over de
overige aspecten van duurzaamheid van in Nederland te gebruiken
brandstoffen en elektriciteit ten behoeve van vervoer.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan de emissieautoriteit,
voorzover die taken niet de uitoefening van openbaar gezag inhouden,
worden belast met andere taken dan in het eerste of tweede lid
bedoeld, in het bijzonder taken betreffende de uitvoering door
Nederland van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor
Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie,
dat de beperking van de emissies van broeikasgassen of stikstofoxiden
in de lucht tot doel heeft.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten
aanzien van de inhoud van de taken van de emissieautoriteit nadere
regels worden gesteld.
Artikel 2.3
1. Het bestuur van de emissieautoriteit bestaat uit ten hoogste
vijf leden.
2. Onze Minister benoemt uit de leden een voorzitter en een
plaatsvervangend voorzitter.
3. De leden worden benoemd voor een periode van vier jaren. Zij
zijn aansluitend twee malen herbenoembaar.
Artikel 2.4 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2.5
Leden van het bestuur van de emissieautoriteit en medewerkers van de
emissieautoriteit zijn direct noch indirect betrokken bij het overdragen
van broeikasgasemissierechten, emissiereductie-eenheden, gecertificeerde
emissiereducties, toegewezen eenheden en verwijderingseenheden,
behoudens voor zover die betrokkenheid noodzakelijk is ter uitvoering
van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Artikel 2.6 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2.7
1. Onze Minister stelt aan het bestuur van de emissieautoriteit
ambtenaren ter beschikking.
2. Het bestuur van de emissieautoriteit draagt er zorg voor dat de
werkzaamheden die voortvloeien uit artikel 18.2f, gescheiden worden
uitgevoerd van de overige werkzaamheden.
Artikel 2.8
De emissieautoriteit stelt een bestuursreglement vast waarin haar
werkwijze wordt vastgelegd.
Artikel 2.9 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2.10 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2.11 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2.12 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2.13 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2.14 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2.15 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2.16
1. Het bestuur van de emissieautoriteit en het bestuursorgaan dat
bevoegd is een omgevingsvergunning te verlenen voor een inrichting
waarophoofdstuk 16 betrekking heeft, verstrekken elkaar desgevraagd of
uit eigen beweging tijdig alle voor de uitoefening van hun taken
redelijkerwijs benodigde inlichtingen.
2. Bij het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde
inlichtingen wordt waar nodig aangegeven welke gegevens een
vertrouwelijk karakter dragen. Dit vertrouwelijk karakter kan
voortvloeien uit de aard van de gegevens, dan wel uit het feit dat
personen deze aan de bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid,
hebben verstrekt onder het beding dat zij als vertrouwelijk zullen
gelden.
3. [Vervallen.]
4. In geval voor een inrichting waarop hoofdstuk 16 betrekking
heeft, het in artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet vervatte
verbod geldt, verstrekken het bestuur van de emissieautoriteit en Onze
Minister van Economische Zaken elkaar desgevraagd of uit eigen
beweging tijdig alle voor de uitoefening van hun taken redelijkerwijs
benodigde inlichtingen. Het tweede en derde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.16a
1. Onverminderdartikel 16.8 van deze wet en het bepaalde krachtens
artikel 5.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht stemmen het
bestuur van de emissieautoriteit en het bestuursorgaan dat bevoegd is
een omgevingsvergunning te verlenen voor een inrichting waarop
hoofdstuk 16van deze wet betrekking heeft, onderling de uitoefening
van de taken af, waarmee zij zijn belast bij of krachtens de
hoofdstukken 16 en 18van deze wet, onderscheidenlijk de hoofdstukken
2, 3 en 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
2. Onverminderdartikel 16.8 stemmen het bestuur van de
emissieautoriteit en Onze Minister van Economische Zaken ingeval voor
een inrichting waarophoofdstuk 16 van deze wet betrekking heeft, het
in artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet vervatte verbod geldt,
onderling de uitoefening van de taken af, waarmee zij zijn belast bij
of krachtens hoofdstuk 16 van deze wet, onderscheidenlijk artikel 40
van de Mijnbouwwet.
Artikel 2.16b [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 2.16c [Vervallen per 01-01-2012]
§ 2.2. De Commissie voor de milieueffectrapportage
Artikel 2.17
1. Er is een Commissie voor de milieueffectrapportage.
2. De commissie heeft tot taak het bevoegd gezag overeenkomstig
artikel 7.12, eerste lid, dan wel artikel 7.32, vijfde lid, in
samenhang met artikel 7.12, eerste lid, van advies te dienen met
betrekking tot milieueffectrapporten.
Artikel 2.18
De commissie brengt elk jaar aan Onze Minister, Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap een verslag uit van haar werkzaamheden. Onze
Ministers maken het verslag openbaar.
Artikel 2.19
1. De commissie bestaat uit leden die deskundig zijn op het gebied
van de beschrijving, de bescherming en de verontreiniging en
aantasting van het milieu en op het gebied van de overeenkomstig de
artikelen 7.2 en 7.6 aangewezen activiteiten.
2. De voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters van
de commissie worden door Ons, op gezamenlijke voordracht van Onze
Minister, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, benoemd en
ontslagen. De voordracht tot benoeming van de voorzitter geschiedt in
overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad.
3. De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter of
plaatsvervangende voorzitters kunnen te allen tijde ontslag nemen door
een schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister, Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap.
4. De overige leden van de commissie worden benoemd en ontslagen
door de voorzitter van de commissie voor de tijd van vijf jaren en
zijn terstond wederbenoembaar. Zij kunnen te allen tijde ontslag nemen
door een schriftelijke kennisgeving aan de voorzitter.
Artikel 2.20 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 2.21
1. Zodra de commissie in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te
brengen met betrekking tot een milieueffectrapport, stelt de
voorzitter, na overleg met de plaatsvervangende voorzitters, uit de
leden van de commissie een werkgroep samen, die aan het bevoegd gezag
advies uitbrengt. De voorzitter of de door hem aangewezen
plaatsvervangende voorzitter van de commissie is voorzitter van de
werkgroep.
2. Als lid van een werkgroep worden slechts leden van de commissie
aangewezen, die niet rechtstreeks betrokken zijn of zijn geweest bij
de activiteit of bij de alternatieven daarvoor, als bedoeld in artikel
7.7, eerste lid, onder b, onderscheidenlijk artikel 7.23, eerste lid,
onder b, of bij een plan onderscheidenlijk een besluit bij de
voorbereiding waarvan het milieueffectrapport wordt of zou moeten
worden gemaakt.
3. Indien een lid van een werkgroep niet meer voldoet aan het in
het tweede lid gestelde vereiste, ontheft de voorzitter van de
werkgroep hem, na overleg met de voorzitter van de commissie, van zijn
lidmaatschap van de werkgroep.
4. De werkgroep kan zich doen bijstaan door deskundigen die geen
lid zijn van de commissie. Het tweede en derde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
5. De voorzitter van de commissie deelt aan het bevoegd gezag en
aan degene die het milieueffectrapport maakt of zou moeten maken, mede
uit welke leden van de commissie de werkgroep bestaat en door welke
deskundigen zij zich doet bijstaan.
Artikel 2.22
1. De adviezen worden uitgebracht in overeenstemming met het
gevoelen van de meerderheid van de leden van de werkgroep.
2. Op verzoek van de leden die in de werkgroep een standpunt hebben
verdedigd, dat afwijkt van het gevoelen van de meerderheid, wordt dat
standpunt in het advies vermeld. Deze leden kunnen omtrent een zodanig
standpunt een afzonderlijke nota bij het advies voegen.
Artikel 2.23
De commissie heeft een secretaris, die door de voorzitter wordt
benoemd en ontslagen, de commissie gehoord. De commissie heeft een
bureau, dat onder leiding staat van de secretaris.
Artikel 2.24
De commissie stelt nadere regels betreffende haar werkwijze en zendt
deze aan Onze Minister.
§ 2.3. De Commissie genetische modificatie
Artikel 2.25 [Vervallen per 01-06-2007]
Artikel 2.26
Er is een Commissie genetische modificatie.
Artikel 2.27
1. De commissie heeft tot taak:
a. Onze Minister te adviseren over kennisgevingen en aanvragen
om vergunning met betrekking tot het vervaardigen van of handelen
met genetisch gemodificeerde organismen en over
veiligheidsmaatregelen die in het kader daarvan moeten worden
getroffen ter bescherming van mens en milieu;
b. het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het verlenen van een
omgevingsvergunning voor een inrichting, te adviseren over
aanvragen om vergunning met betrekking tot bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen inrichtingen voor zover die aanvragen
betrekking hebben op het vervaardigen van of handelen met
genetisch gemodificeerde organismen;
c. het bestuursorgaan dat belast is met het toezicht op het
vervaardigen van of handelen met genetisch gemodificeerde
organismen, te adviseren met betrekking tot dat toezicht.
2. Op verzoek van Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat,
of uit eigen beweging informeert de commissie Onze betrokken Minister
indien aan het vervaardigen van of aan handelingen met genetisch
gemodificeerde organismen ethische of maatschappelijke aspecten zijn
verbonden die naar het oordeel van de commissie van belang zijn.
Artikel 2.28
Onze Minister en Onze Ministers wie het mede aangaat, dragen er zorg
voor dat de commissie op de hoogte wordt gehouden ten aanzien van het
beleid op het terrein van het vervaardigen van of van handelingen met
genetisch gemodificeerde organismen.
Artikel 2.29
Telkens binnen een termijn van vier jaren brengt de commissie een
rapport uit aan Onze Minister, waarin ten minste de taak, de
samenstelling, de inrichting en werkwijze van de commissie aan een
onderzoek worden onderworpen en voorstellen kunnen worden gedaan voor
gewenste veranderingen. Onze Minister zendt dit rapport, voorzien van
zijn standpunt, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 2.30
1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste vijftien
en ten hoogste twintig andere leden.
2. De voorzitter en de andere leden van de commissie worden benoemd
op grond van hun deskundigheid op het gebied van het vervaardigen van
of van handelingen met genetisch gemodificeerde organismen en de
mogelijke gevolgen daarvan voor mens en milieu, daarbij inbegrepen de
ecologische gevolgen en de daarbij te nemen veiligheidsmaatregelen.
Artikel 2.31
1. De voorzitter van de commissie wordt door Onze Minister benoemd.
Onze Minister hoort de commissie alvorens hij de voorzitter benoemt.
2. Onze Minister benoemt ten minste veertien en ten hoogste
negentien andere leden van de commissie.
3. De voorzitter en de leden worden voor de tijd van vier jaren
benoemd. Zij zijn terstond weer benoembaar.
4. De voorzitter en de leden kunnen te allen tijde hun functie
neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister.
5. Onze Minister kan in bijzondere gevallen de voorzitter en de
andere leden in hun functie schorsen en uit hun functie ontslaan.
Artikel 2.32
1. De commissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend
voorzitter aan.
2. De plaatsvervangend voorzitter kan te allen tijde zijn functie
neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan de voorzitter.
3. In bijzondere gevallen kan de commissie de plaatsvervangend
voorzitter in zijn functie schorsen en uit zijn functie ontslaan.
Artikel 2.33
1. De commissie wordt bijgestaan door een secretaris. Aan de
secretaris kan een adjunct-secretaris worden toegevoegd.
2. De secretaris en de adjunct-secretaris worden door Onze Minister
benoemd, in hun functie geschorst en uit hun functie ontslagen, de
commissie gehoord.
3. De secretaris is geen lid van de commissie.
4. De secretaris is voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend
verantwoording schuldig aan de commissie.
5. Onze Minister kan voorzien in een bureau voor de commissie, dat
onder leiding staat van de secretaris.
Artikel 2.34
1. De commissie kan voor bepaalde onderwerpen subcommissies
instellen.
2. De voorzitter van een subcommissie wordt door de commissie uit
haar midden benoemd.
Artikel 2.35
1. De commissie en haar subcommissies kunnen zich bij hun
werkzaamheden doen bijstaan door personen die geen lid zijn van de
commissie.
2. Onze Minister en Onze Ministers van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kunnen, ieder voor hun
ministerie, ambtenaren aanwijzen, die bevoegd zijn tot het bijwonen
van de door de commissie en haar subcommissies te houden
vergaderingen, met dien verstande dat in de vergaderingen van de
commissie voor ieder van die ministeries ten hoogste één ambtenaar
aanwezig is.
Artikel 2.36
1. De vergaderingen van de commissie zijn openbaar. De commissie
stelt bij haar in artikel 2.40 bedoelde besluit regels betreffende de
openbaarheid van de vergaderingen van de subcommissies.
2. Een vergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in
gevallen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet
openbaarheid van bestuur en in gevallen waarin het belang van
openbaarheid niet opweegt tegen de in artikel 10, tweede lid, van die
wet genoemde belangen.
Artikel 2.37
1. De adviezen van de commissie worden uitgebracht overeenkomstig
het gevoelen van de meerderheid van de vergadering.
2. Ter vergadering ingebrachte minderheidsstandpunten worden in of
bij de adviezen vermeld.
Artikel 2.38
De commissie houdt de op de door haar uitgebrachte adviezen
betrekking hebbende voorbereidende stukken ter beschikking van Onze
Minister en van de bestuursorganen, bedoeld in artikel 2.27, eerste lid,
onder b en c.
Artikel 2.39
1. De voorzitter van de commissie pleegt ten minste eenmaal per
jaar overleg met Onze Minister over de door de commissie voorgenomen
werkzaamheden voor de komende twaalf maanden. De commissie stelt
vervolgens het programma van haar werkzaamheden vast en zendt dit aan
Onze Minister.
2. Ten behoeve van de voorbereiding van het in het eerste lid
bedoelde overleg stelt de commissie een overzicht van de door haar
voorgenomen werkzaamheden op en legt dit tijdig aan Onze Minister
voor. De commissie voegt bij het overzicht een raming van de met de
uitvoering van de werkzaamheden gepaard gaande kosten.
3. De commissie oefent haar werkzaamheden uit binnen het raam van
de middelen welke haar jaarlijks ingevolge de begrotingswet ter
beschikking worden gesteld.
Artikel 2.40
De commissie stelt nadere regels betreffende haar werkwijze en de
werkwijze van haar subcommissies en zendt deze aan Onze Minister.
§ 2.4. De provinciale milieucommissie
Artikel 2.41
1. Provinciale staten en gedeputeerde staten stellen overeenkomstig
artikel 82 van de Provinciewet gezamenlijk een provinciale
milieucommissie in, die door provinciale staten en gedeputeerde staten
vooraf wordt gehoord over maatregelen en plannen, die van betekenis
zijn voor het provinciale milieubeheer.
2. Provinciale staten en gedeputeerde staten benoemen elk een
gelijk aantal leden.
3. De inspecteur is ambtshalve lid van de commissie.
Hoofdstuk 3. Internationale zaken
Artikel 3.1
[Gereserveerd.]
Hoofdstuk 4. Plannen
§ 4.1. Algemeen
Artikel 4.1
In dit hoofdstuk wordt onder Onze Ministers verstaan: Onze Minister,
te zamen met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit, van Economische Zaken, en van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap voor zover het onderdelen van het milieubeleid
betreft, die tot hun verantwoordelijkheid behoren.
Artikel 4.1a
1. Indien ter uitvoering van een voor Nederland verbindend besluit
van een volkenrechtelijke organisatie een plan of programma moet
worden vastgesteld waarvoor geen grondslag in de wet is opgenomen en
ten aanzien waarvan ingevolge artikel 2, tweede lid, vanrichtlijn nr.
2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot
voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde
plannen en programma’s betreffende het milieu en, met betrekking tot
inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van
de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU L 156) in
inspraak van het publiek moet worden voorzien, is op de voorbereiding
van dat plan of programma afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing. De eerste volzin is van overeenkomstige
toepassing op een herziening van een plan of programma.
2. Zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Algemene wet
bestuursrecht kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
3. Een wijziging van de in het eerste lid genoemde richtlijn of van
een bijlage bij die richtlijn gaat voor de toepassing van dit
hoofdstuk gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij een besluit van
Onze Minister, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander
tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 4.1b
1. Voorzover op de voorbereiding van een in deze wet voorzien plan
of programma dat wordt genoemd in bijlage I bijrichtlijn nr.
2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot
voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde
plannen en programma’s betreffende het milieu en, met betrekking tot
inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van
de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU L 156), de
procedure van toepassing is die is voorgeschreven in hoofdstuk 7,
geldt uitsluitend die procedure en blijven de bepalingen die terzake
in andere hoofdstukken, onderscheidenlijk in deze wet, zijn opgenomen,
voorzover nodig buiten toepassing.
2. Een wijziging van bijlage I bij de in het eerste lid genoemde
richtlijn gaat voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden met ingang
van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn
gegeven, tenzij bij een besluit van Onze Minister, dat in de
Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt
vastgesteld.
Artikel 4.2
1. Het RIVM brengt eenmaal in de vier jaar aan Onze Minister een
wetenschappelijk rapport uit, waarin de ontwikkeling van de kwaliteit
van het milieu wordt beschreven over een door Onze Minister aan te
geven periode van ten minste de eerstvolgende tien jaar. In ieder
geval wordt die ontwikkeling beschreven, uitgaande van de voor die
periode meest waarschijnlijke ontwikkeling van de omstandigheden die
daarvoor van belang zijn. Tevens worden in het rapport beschrijvingen
opgenomen, die telkens uitgaan van andere ontwikkelingen van die
omstandigheden, die zich, naar redelijkerwijs kan worden
verondersteld, in de betrokken periode zouden kunnen voordoen. Het
rapport wordt uitgebracht ten minste 6 maanden en ten hoogste 12
maanden voordat Onze Ministers het eerstvolgende nationale
milieubeleidsplan vaststellen. Om aan deze verplichting te kunnen
voldoen in gevallen waarin de geldingsduur van een nationaal
milieubeleidsplan met toepassing van artikel 4.6, tweede lid, wordt
verlengd, kan worden afgeweken van de in de eerste volzin gestelde
termijn van vier jaar.
2. Het RIVM brengt jaarlijks aan Onze Minister een wetenschappelijk
rapport uit, waarin de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu
wordt beschreven, die het resultaat is van de uitvoering van de
beleidsmaatregelen die van invloed zijn op die kwaliteit en die in het
jaar waarop het rapport betrekking heeft, van kracht waren. Daarbij
wordt in ieder geval aangegeven in hoeverre die maatregelen hebben
bijgedragen aan de verwezenlijking van de resultaten, waarvan in het
geldende nationale milieubeleidsplan is aangegeven dat zij voor het
betrokken jaar zijn beoogd. Tevens wordt aangegeven hoe de beschreven
ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu zich verhoudt tot de
ontwikkeling daarvan die is beschreven in de overeenkomstige eerder
uitgebrachte rapporten. Indien zich onvoorzien een omstandigheid
voordoet die belangrijke gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van
de kwaliteit van het milieu op langere termijn, en Onze Minister
daarom verzoekt, neemt het RIVM in een rapport tevens een beschrijving
op van die ontwikkeling die daarvan het resultaat kan zijn.
3. Onze Minister wijst, te zamen met - ieder voor zover het hem
aangaat - Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Economische
Zaken, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap, overheidsinstellingen aan, die door het RIVM in
ieder geval worden betrokken bij het opstellen van de rapporten. Een
overheidsinstelling komt voor aanwijzing slechts in aanmerking indien
zij in staat is naar organisatie, personeel en uitrusting de voor het
opstellen van de rapporten nodige werkzaamheden op passend
wetenschappelijk niveau te verrichten.
4. Onze Minister kan, te zamen met - ieder voor zover het hem
aangaat - Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Economische
Zaken, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap, regels stellen ten aanzien van de wijze waarop
de krachtens het derde lid aangewezen overheidsinstellingen bij het
opstellen van de rapporten worden betrokken.
Artikel 4.2a
1. Onze Minister kan aanwijzingen geven omtrent veronderstelde
ontwikkelingen die in ieder geval als grondslag voor beschrijvingen
als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, moeten worden aangenomen. Hij
kan tevens aanwijzingen geven omtrent onderwerpen die in ieder geval
in een rapport, als bedoeld in dat artikellid, moeten worden
beschreven.
2. Behoudens het in het artikel 4.2, tweede lid, vierde volzin, en
in het eerste lid van dit artikel bepaalde, geven Onze betrokken
Ministers het RIVM en de krachtens artikel 4.2, derde lid, aangewezen
instellingen geen aanwijzingen met betrekking tot de inhoud van de
rapporten.
3. Onze Minister zendt de rapporten aan de Staten-Generaal; een
rapport als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, voor of gelijktijdig
met het eerstvolgende nationale milieubeleidsplan; een rapport als
bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, voor of gelijktijdig met het
eerstvolgende nationale milieuprogramma. Het RIVM draagt ervoor zorg
dat de rapporten algemeen verkrijgbaar worden gesteld.
Artikel 4.2b
Ten behoeve van het opstellen van milieubeleidsplannen en van
milieuprogramma’s verschaffen de onderscheidene overheidsorganen
elkaar desgevraagd alle inlichtingen en gegevens, waarover zij kunnen
beschikken, voor zover die voor dat opstellen redelijkerwijs
noodzakelijk zijn.
§ 4.2. Het nationale milieubeleidsplan
Artikel 4.3
1. Onze Ministers stellen ten minste eenmaal in de vier jaar een
nationaal milieubeleidsplan vast, dat met het oog op de bescherming
van het milieu richting geeft aan van rijkswege in de eerstvolgende
vier jaar te nemen beslissingen, en dat naar verwachting tevens
richting zal kunnen geven aan in de daarop volgende vier jaar te nemen
beslissingen.
2. Het plan bevat de hoofdzaken van het door de regering te voeren
milieubeleid, dat in het bijzonder is gericht op een ontwikkeling die
voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder daarmee voor
toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in
hun behoeften te voorzien, en op het bereiken van een zo hoog mogelijk
niveau van bescherming van het milieu als redelijkerwijze te bereiken
is. De mogelijke ontwikkelingen in de samenleving en de gewenste
kwaliteit van het milieu op lange termijn, alsmede de daarvoor van
belang zijnde internationale ontwikkelingen, worden in het plan in
beschouwing genomen.
3. Tot deze hoofdzaken behoren ten minste:
a. de in de betrokken periode van acht jaar en, voor zover deze
redelijkerwijze zijn aan te geven, de in de eerstvolgende vier
jaar beoogde resultaten inzake de kwaliteit van de onderscheidene
onderdelen van het milieu;
b. de in de betrokken periode van acht jaar en, voor zover deze
redelijkerwijze zijn aan te geven, de in de eerstvolgende vier
jaar beoogde resultaten inzake het voorkomen, beperken of ongedaan
maken van gevolgen van menselijke activiteiten die het milieu
verontreinigen, aantasten of uitputten;
c. de aanduiding van gebieden waarin de kwaliteit van het
milieu of van een of meer onderdelen daarvan bijzondere
bescherming behoeft;
d. de wijze waarop het bereiken en instandhouden van de onder a
, b en c bedoelde resultaten zal worden nagestreefd en de
termijnen die daarbij zullen worden gehanteerd, alsmede de mate
van prioriteit die aan het bereiken van die resultaten wordt
gegeven;
e. de redelijkerwijze te verwachten financiële, economische en
ruimtelijke gevolgen van het te voeren milieubeleid.
4. In het plan geven Onze Ministers voorts aan in hoeverre het
voorgenomen beleid is afgestemd op, dan wel leidt tot aanpassing van
het nationale waterbeleid en het nationale natuurbeleid, en in
hoeverre en binnen welke termijn zij voornemens zijn het nationale
waterplan, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Waterwet,
respectievelijk het Natuurbeleidsplan, bedoeld in artikel 4 van de
Natuurbeschermingswet 1998 te herzien. Met het geldende nationale
milieubeleidsplan wordt tevens rekening gehouden bij de vaststelling
van beleid op andere beleidsterreinen, voor zover daarbij het belang
van de bescherming van het milieu wordt geraakt.
Artikel 4.4
1. Onze Ministers betrekken bij de voorbereiding van het nationale
milieubeleidsplan de naar hun oordeel bij de te behandelen onderwerpen
meest belanghebbende bestuursorganen, instellingen en organisaties.
Daartoe behoren in elk geval gedeputeerde staten van de provincies.
2. Op de voorbereiding van het nationale milieubeleidsplan is
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
Artikel 4.5
1. Zodra het nationale milieubeleidsplan is vastgesteld, doen Onze
Ministers hiervan mededeling door overlegging van het plan aan de
Staten-Generaal en door toezending ervan aan gedeputeerde staten van
de provincies.
2. Onze Minister maakt de vaststelling bekend in de Staatscourant.
Hierbij geeft hij aan op welke wijze kennis kan worden gekregen van de
inhoud van het plan.
Artikel 4.6
1. Het nationale milieubeleidsplan geldt met ingang van een bij
besluit van Onze Ministers vast te stellen tijdstip. Een besluit als
bedoeld in de eerste volzin, wordt niet eerder genomen dan acht weken
nadat het plan ingevolge artikel 4.5, eerste lid, is overgelegd aan de
Staten-Generaal. Indien door of namens een der kamers der
Staten-Generaal binnen acht weken nadat het plan is overgelegd, te
kennen wordt gegeven dat zij over het plan in het openbaar wil
beraadslagen, wordt een besluit als bedoeld in de eerste volzin, niet
eerder genomen dan zes maanden na de overlegging van het plan, dan
wel, indien de beraadslagingen op een eerder tijdstip zijn beëindigd,
na die beraadslagingen. Onze Ministers stellen de Staten-Generaal
schriftelijk op de hoogte van de gevolgtrekkingen die zij aan de
beraadslagingen verbinden voor het nationale milieubeleid en voor de
uitvoering van het plan. Onze Minister maakt een besluit als bedoeld
in de eerste volzin, bekend in de Staatscourant en vermeldt daarbij de
gevolgtrekkingen die aan de Staten-Generaal zijn meegedeeld.
2. Het plan geldt, behoudens ingeval eerder een nieuw plan is
vastgesteld, voor een tijdvak van vier jaar. Onze Ministers kunnen de
geldingsduur van het plan eenmaal met ten hoogste twee jaar verlengen.
Onze Minister doet mededeling van een besluit als bedoeld in de tweede
volzin, door overlegging van het besluit aan de Staten-Generaal en
maakt het bekend in de Staatscourant.
3. De organen van het Rijk houden in elk geval rekening met het
geldende nationale milieubeleidsplan bij het nemen van een besluit dat
daartoe is aangewezen in deze wet, en bij het nemen van een besluit
krachtens een wet, genoemd in bijlage 1, voor zover daarbij het belang
van de bescherming van het milieu in beschouwing moet of kan worden
genomen.
4. Het derde lid is niet van toepassing op besluiten:
a. met betrekking tot het nationale waterplan, bedoeld in
artikel 4.1, eerste lid, van de Waterwet;
b. die door een orgaan van het Rijk worden genomen in de plaats
van een orgaan van een ander openbaar lichaam, wegens het in
gebreke blijven van dat orgaan.
5. Voor de toepassing van het derde lid worden gevolgtrekkingen die
overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid aan de Staten-Generaal
zijn meegedeeld, aangemerkt als onderdeel van het plan.
§ 4.3. Het nationale milieuprogramma
Artikel 4.7
1. Onze Ministers stellen jaarlijks een nationaal milieuprogramma
vast.
2. Het programma bevat ten minste:
a. een programma van van rijkswege in de eerstvolgende vier
jaar te verrichten activiteiten ter bescherming van het milieu;
b. een programma voor de vaststelling en herziening van
milieukwaliteitseisen krachtens artikel 5.1, eerste lid, onder
aanduiding van de daarbij beoogde resultaten;
c. een overzicht van de in de onderscheidene
begrotingshoofdstukken opgenomen begrotingsposten op het gebied
van het milieubeheer, alsmede een aanduiding van de financiële
gevolgen van de onder a bedoelde activiteiten voor het Rijk voor
de volgende jaren;
d. een verslag van de voortgang van de uitvoering van het
geldende nationale milieubeleidsplan.
3. Bij de vaststelling van het programma houden Onze Ministers
rekening met het geldende nationale milieubeleidsplan.
4. Op de voorbereiding van het nationale milieuprogramma is
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
Artikel 4.8
1. Onze Minister maakt het nationale milieuprogramma bekend door
het bij de aanbieding van de rijksbegroting over te leggen aan de
Staten-Generaal.
2. Onze Minister doet van het programma mededeling door toezending
aan gedeputeerde staten van de provincies.
§ 4.4. Het provinciale milieubeleidsplan
Artikel 4.9
1. Provinciale staten stellen ten minste eenmaal in de vier jaar
een provinciaal milieubeleidsplan vast, dat met het oog op de
bescherming van het milieu richting geeft aan in de eerstvolgende vier
jaar te nemen beslissingen van provinciale staten en gedeputeerde
staten en van bestuursorganen waaraan provinciale bevoegdheden zijn
gedelegeerd bij de uitoefening waarvan met het plan rekening moet
worden gehouden, en dat naar verwachting tevens richting zal kunnen
geven aan in de daarop volgende vier jaar te nemen beslissingen.
2. Het plan bevat de hoofdzaken van het door provinciale staten en
gedeputeerde staten te voeren milieubeleid.
3. Tot deze hoofdzaken behoren ten minste:
a. de in de betrokken periode van acht jaar en, voor zover deze
redelijkerwijze zijn aan te geven, de in de eerstvolgende vier
jaar beoogde resultaten inzake de kwaliteit van de onderscheidene
onderdelen van het milieu, mede gelet op de krachtens of
overeenkomstig artikel 5.1, eerste lid, vastgestelde
milieukwaliteitseisen en de in bijlage 2 opgenomen
luchtkwaliteitseisen;
b. de in de betrokken periode van acht jaar en, voor zover deze
redelijkerwijze zijn aan te geven, de in de eerstvolgende vier
jaar beoogde resultaten inzake het voorkomen, beperken of ongedaan
maken van gevolgen van menselijke activiteiten die het milieu
verontreinigen, aantasten of uitputten;
c. de aanduiding van gebieden waarin de kwaliteit van het
milieu of van een of meer onderdelen daarvan bijzondere
bescherming behoeft;
d. de wijze waarop het bereiken en instandhouden van de onder
a, b en c bedoelde resultaten door de in het eerste lid bedoelde
bestuursorganen zal worden nagestreefd en de termijnen die daarbij
zullen worden gehanteerd, alsmede de mate van prioriteit die aan
het bereiken van die resultaten wordt gegeven;
e. de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische
gevolgen van het te voeren milieubeleid.
4. Tot de gebieden, bedoeld in het derde lid, onder c, behoren ten
minste:
a. de gebieden die krachtens de Natuurbeschermingswet zijn
aangewezen als beschermd natuurmonument,
b. de gebieden die zijn aangewezen ter uitvoering van de
Overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in
het bijzonder als verblijfplaats voor watervogels (Conventie van
Ramsar, Trb. 1975, 84), en
c. de archeologische attentiegebieden, die zijn aangewezen op
grond van artikel 44 van de Monumentenwet 1998
behoudens voor zover bij die aanwijzing anders is bepaald.
5. In het plan geven provinciale staten voorts aan in hoeverre het
voorgenomen beleid is afgestemd op, dan wel leidt tot aanpassing van
het regionale waterbeleid, het provinciale ruimtelijk beleid of het
provinciale verkeers- en vervoerbeleid en in hoeverre en binnen welke
termijn zij voornemens zijn het geldende regionale waterplan, bedoeld
in artikel 4.4, eerste lid, van de Waterwet, een of meer geldende
structuurvisies als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke
ordening of het geldende provinciale verkeers- en vervoerplan als
bedoeld in artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer, te herzien.
Artikel 4.10
1. Het provinciale milieubeleidsplan wordt voorbereid door
gedeputeerde staten.
2. Gedeputeerde staten betrekken bij de voorbereiding van het plan
de naar hun oordeel bij de te behandelen onderwerpen meest
belanghebbende overheidsorganen. Daartoe behoren in elk geval:
a. gedeputeerde staten van de aangrenzende provincies,
b. de bestuursorganen waaraan provinciale bevoegdheden zijn
gedelegeerd bij de uitoefening waarvan met het plan rekening moet
worden gehouden, en
c. Onze Minister.
3. Gedeputeerde staten betrekken bij de voorbereiding van het plan
voorts de ingezetenen en belanghebbenden, op de wijze voorzien in de
krachtens artikel 147 van de Provinciewet vastgestelde verordening.
Artikel 4.11
1. Zodra het provinciale milieubeleidsplan is vastgesteld, doen
gedeputeerde staten hiervan mededeling door toezending van het plan
aan Onze Minister en aan de bestuursorganen waaraan provinciale
bevoegdheden zijn gedelegeerd bij de uitoefening waarvan met het plan
rekening moet worden gehouden.
2. Gedeputeerde staten maken de vaststelling bekend in de
Staatscourant. Hierbij geven zij aan op welke wijze kennis kan worden
gekregen van de inhoud van het plan.
Artikel 4.12
1. Het provinciale milieubeleidsplan geldt, behoudens ingeval
eerder een nieuw plan is vastgesteld, voor een tijdvak van vier jaar
nadat de vaststelling ervan overeenkomstig artikel 4.11, tweede lid,
is bekendgemaakt.
2. Provinciale staten kunnen de geldingsduur van het plan eenmaal
met ten hoogste twee jaar verlengen. Gedeputeerde staten doen
mededeling van een besluit als bedoeld in de eerste volzin, door
toezending daarvan aan Onze Minister en aan de bestuursorganen waaraan
provinciale bevoegdheden zijn gedelegeerd bij de uitoefening waarvan
met het plan rekening moet worden gehouden. Zij maken het bekend in de
Staatscourant.
3. Provinciale staten en gedeputeerde staten houden in elk geval
rekening met het geldende provinciale milieubeleidsplan bij het nemen
van een besluit dat daartoe is aangewezen in deze wet, en bij het
nemen van een besluit krachtens een wet, genoemd in bijlage 1, voor
zover daarbij het belang van de bescherming van het milieu in
beschouwing moet of kan worden genomen.
4. Het derde lid is niet van toepassing op besluiten:
a. met betrekking tot een regionaal waterplan als bedoeld in
artikel 4.4, eerste lid, van de Waterwet;
b. die door provinciale staten of gedeputeerde staten worden
genomen in de plaats van een orgaan van een ander openbaar
lichaam, wegens het in gebreke blijven van dat orgaan.
5. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten:
a. die door een orgaan van een ander openbaar lichaam worden
genomen in de plaats van provinciale staten of gedeputeerde staten
wegens het in gebreke blijven van provinciale staten
onderscheidenlijk gedeputeerde staten;
b. krachtens een provinciale bevoegdheid die aan een orgaan van
een ander openbaar lichaam is overgedragen.
Artikel 4.13
1. Onze Ministers kunnen, voor zover dat in het algemeen belang
geboden is, gedeputeerde staten gehoord, aan provinciale staten
aanwijzingen geven omtrent de inhoud van het provinciale
milieubeleidsplan. Bij een aanwijzing wordt een termijn gesteld,
binnen welke het plan in overeenstemming met de aanwijzing moet zijn
gebracht.
2. Bij het geven van een aanwijzing houden Onze Ministers rekening
met het geldende nationale milieubeleidsplan en het geldende
afvalbeheerplan.
3. Onze Minister doet van het besluit, houdende de aanwijzing,
mededeling door overlegging van het besluit aan de Staten-Generaal en
door plaatsing ervan in de Staatscourant.
§ 4.5. Het provinciale milieuprogramma
Artikel 4.14
1. Gedeputeerde staten stellen jaarlijks een provinciaal
milieuprogramma vast.
2. Het programma bevat ten minste:
a. een programma van door gedeputeerde staten in de
eerstvolgende vier jaar te verrichten activiteiten ter bescherming
van het milieu, daaronder begrepen:
1°. een overzicht van onderzoeksgevallen en gevallen van
ernstige verontreiniging als bedoeld in artikel 1 van de Wet
bodembescherming, alsmede, met betrekking tot die gevallen,
een overzicht van de door of vanwege gedeputeerde staten,
onderscheidenlijk van de aan gedeputeerde staten bekende door
anderen in de eerstvolgende vier jaren te verrichten
activiteiten en een aanduiding van het tijdstip waarop met het
onderzoek of de sanering van die gevallen zal of dient worden
aangevangen;
2°. een overzicht van de in de volgende vier jaren
noodzakelijke maatregelen tot bestrijding van de geluidhinder;
b. een overzicht van de financiële gevolgen van de onder a,
onder 2°, bedoelde activiteiten, met inbegrip van de subsidies
die met het oog daarop aan het Rijk worden gevraagd;
c. een verslag van de voortgang van de uitvoering van het
geldende provinciale milieubeleidsplan.
3. Bij de vaststelling van het programma houden gedeputeerde staten
rekening met het geldende provinciale milieubeleidsplan.
Artikel 4.15
1. Artikel 4.10, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
2. Gedeputeerde staten maken het programma bekend door het bij het
ontwerp van de begroting over te leggen aan provinciale staten. Zij
doen gelijktijdig mededeling van het programma door toezending aan
Onze Minister.
3. Artikel 4.11, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 4.5a. Het regionale milieubeleidsplan
Artikel 4.15a
1. Het algemeen bestuur van een plusregio als bedoeld in artikel
104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen die de gemeente of
gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond,
Enschede en Hengelo,’s-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat, kan
een regionaal milieubeleidsplan vaststellen, dat met het oog op de
bescherming van het milieu richting geeft aan beslissingen tot het
nemen waarvan de bevoegdheid bij of krachtens de wet aan een orgaan
van dat lichaam is toegekend.
2. De artikelen 4.13, 4.16, tweede lid, 4.17, 4.18 en 4.19 zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat naast de in artikel
4.17, tweede lid, genoemde bestuursorganen ook burgemeester en
wethouders van de in de plusregio gelegen gemeenten bij de
voorbereiding van het plan worden betrokken.
§ 4.5b. Het regionale milieuprogramma
Artikel 4.15b
1. Het dagelijks bestuur van een plusregio als bedoeld in artikel
104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen die de gemeente of
gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond,
Enschede en Hengelo, ’s-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat,
stelt jaarlijks een milieuprogramma vast.
2. De artikelen 4.20, tweede en derde lid, en 4.21 zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het programma naast
de in artikel 4.20, tweede lid, genoemde onderdelen ook een verslag
van de voortgang van de uitvoering van het geldende regionale
milieubeleidsplan bevat.
§ 4.6. Het gemeentelijke milieubeleidsplan
Artikel 4.16
1. De gemeenteraad kan een gemeentelijk milieubeleidsplan
vaststellen, dat met het oog op de bescherming van het milieu richting
geeft aan door de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en
wethouders te nemen beslissingen.
2. Het plan bevat de hoofdzaken van het door de gemeenteraad
onderscheidenlijk burgemeester en wethouders te voeren milieubeleid.
Artikel 4.17
1. Het gemeentelijke milieubeleidsplan wordt voorbereid door
burgemeester en wethouders.
2. Burgemeester en wethouders betrekken bij de voorbereiding van
het plan de naar hun oordeel bij de te behandelen onderwerpen meest
belanghebbende bestuursorganen. Daartoe behoren in elk geval:
a. gedeputeerde staten,
b. burgemeester en wethouders van de aangrenzende gemeenten, en
c. Onze Minister.
3. Burgemeester en wethouders betrekken bij de voorbereiding van
het plan voorts de ingezetenen en belanghebbenden, op de wijze
voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde
verordening.
Artikel 4.18
1. Zodra het gemeentelijke milieubeleidsplan is vastgesteld, doen
burgemeester en wethouders hiervan mededeling door toezending van het
plan aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur.
2. Burgemeester en wethouders maken de vaststelling bekend in één
of meer dag- of nieuwsbladen die in de gemeente verspreid worden.
Hierbij geven zij aan op welke wijze kennis kan worden gekregen van de
inhoud van het plan.
Artikel 4.19
1. Bij de vaststelling van het gemeentelijke milieubeleidsplan
bepaalt de gemeenteraad het tijdvak gedurende hetwelk het geldt.
2. De gemeenteraad kan de geldingsduur eenmaal met ten hoogste twee
jaar verlengen. Artikel 4.18, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. Indien in de gemeente een gemeentelijk milieubeleidsplan geldt,
houdt de gemeenteraad onderscheidenlijk houden burgemeester en
wethouders in elk geval rekening met dat plan bij het nemen van een
besluit dat daartoe is aangewezen in deze wet, en bij het nemen van
een besluit krachtens een wet, genoemd in bijlage 1, voor zover
daarbij het belang van de bescherming van het milieu in beschouwing
moet of kan worden genomen.
4. Het derde lid is niet van toepassing op besluiten krachtens een
bevoegdheid van een ander openbaar lichaam, die aan de gemeenteraad of
burgemeester en wethouders is gedelegeerd.
5. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten die
door een orgaan van een ander openbaar lichaam worden genomen in de
plaats van de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en
wethouders, wegens het in gebreke blijven van de gemeenteraad
onderscheidenlijk burgemeester en wethouders.
§ 4.7. Het gemeentelijke milieuprogramma
Artikel 4.20
1. De gemeenteraad stelt jaarlijks voor een daarbij vast te stellen
periode een gemeentelijk milieuprogramma vast.
2. Het programma bevat ten minste:
a. een programma van door de gemeenteraad en burgemeester en
wethouders in de betrokken periode te verrichten activiteiten ter
uitvoering van de bij wettelijk voorschrift met het oog op de
bescherming van het milieu aan de gemeenteraad en burgemeester en
wethouders opgedragen taken;
b. een overzicht van de financiële gevolgen van de onder a
bedoelde activiteiten.
3. Indien in de gemeente een gemeentelijk milieubeleidsplan geldt,
houdt de gemeenteraad met dat plan rekening bij de vaststelling van
een gemeentelijk milieuprogramma.
Artikel 4.21
1. Het gemeentelijke milieuprogramma wordt voorbereid door
burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders leggen het
ontwerp van het programma bij het ontwerp van de begroting voor aan de
gemeenteraad.
2. Artikel 4.17, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Zodra het gemeentelijke milieuprogramma is vastgesteld, doen
burgemeester en wethouders hiervan mededeling door toezending van het
programma aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur.
4. Burgemeester en wethouders maken de vaststelling bekend in één
of meer dag- of nieuwsbladen die in de gemeente verspreid worden.
Hierbij geven zij aan op welke wijze kennis kan worden gekregen van de
inhoud van het programma.
§ 4.8. Het gemeentelijke rioleringsplan
Artikel 4.22
1. De gemeenteraad stelt telkens voor een daarbij vast te stellen
periode een gemeentelijk rioleringsplan vast.
2. Het plan bevat ten minste:
a. een overzicht van de in de gemeente aanwezige voorzieningen
voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater als
bedoeld in artikel 10.33, alsmede de inzameling en verdere
verwerking van afvloeiend hemelwater als bedoeld in artikel 3.5
van de Waterwet, en maatregelen teneinde structureel nadelige
gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven
bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, als
bedoeld in artikel 3.6 van laatstgenoemde wet en een aanduiding
van het tijdstip waarop die voorzieningen naar verwachting aan
vervanging toe zijn;
b. een overzicht van de in de door het plan bestreken periode
aan te leggen of te vervangen voorzieningen als bedoeld onder a ;
c. een overzicht van de wijze waarop de voorzieningen, bedoeld
onder a en b , worden of zullen worden beheerd;
d. de gevolgen voor het milieu van de aanwezige voorzieningen
als bedoeld onder a, en van de in het plan aangekondigde
activiteiten;
e. een overzicht van de financiële gevolgen van de in het plan
aangekondigde activiteiten.
3. Indien in de gemeente een gemeentelijk milieubeleidsplan geldt,
houdt de gemeenteraad met dat plan rekening bij de vaststelling van
een gemeentelijk rioleringsplan.
4. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat, aan gemeenten de plicht opleggen tot
prestatievergelijking ten aanzien van de uitvoering van de taak,
bedoeld in artikel 10.33, alsmede de taken, bedoeld in de artikelen
3.5 en 3.6 van de Waterwet. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld over de frequentie, inhoud en
omvang van de prestatievergelijking.
Artikel 4.23
1. Het gemeentelijke rioleringsplan wordt voorbereid door
burgemeester en wethouders. Zij betrekken bij de voorbereiding van het
plan in elk geval:
a. gedeputeerde staten,
b. de beheerders van de zuiveringstechnische werken waarnaar
het ingezamelde afvalwater wordt getransporteerd, en
c. de beheerders van de oppervlaktewateren waarop het
ingezamelde water wordt geloosd.
2. Zodra het plan is vastgesteld, doen burgemeester en wethouders
hiervan mededeling door toezending van het plan aan de in het eerste
lid, onder a tot en met c, genoemde instanties, en Onze Minister.
3. Burgemeester en wethouders maken de vaststelling bekend in één
of meer dag- of nieuwsbladen die in de gemeente verspreid worden.
Hierbij geven zij aan op welke wijze kennis kan worden gekregen van de
inhoud van het plan.
Artikel 4.24
1. Gedeputeerde staten kunnen, nadat burgemeester en wethouders in
de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen, aan
de gemeenteraad aanwijzingen geven omtrent de inhoud van het
gemeentelijk rioleringsplan. Bij een aanwijzing wordt een termijn
gesteld, binnen welke het plan in overeenstemming met de aanwijzing
moet zijn gebracht.
2. Bij het geven van een aanwijzing houden gedeputeerde staten
rekening met het geldende provinciale milieubeleidsplan en met het
geldende regionale waterplan.
Hoofdstuk 5. Milieukwaliteitseisen
Titel 5.1. Algemene bepalingen ten aanzien van milieukwaliteitseisen
Artikel 5.1
1. In het belang van de bescherming van het milieu kunnen, voor
zover dit van meer dan provinciaal belang is, bij algemene maatregel
van bestuur eisen worden gesteld ten aanzien van de kwaliteit van
onderdelen van het milieu vanaf een daarbij te bepalen tijdstip.
2. Bij de beslissing tot het vaststellen van een algemene maatregel
van bestuur als bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval
betrokken:
a. de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens,
b. de beschikbare gegevens inzake de bestaande toestand van het
milieu,
c. de redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van
belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu,
d. de mogelijkheid om de risico’s voor het milieu als gevolg
van de bij het stellen van de eis in aanmerking te nemen
milieubelastende factoren zo klein als redelijkerwijze mogelijk is
te maken, en
e. de redelijkerwijs te verwachten, uit de verwerkelijking van
de te stellen eis voortvloeiende financiële en economische
gevolgen,
voor zover deze voor de vaststelling van de milieukwaliteitseis van
belang zijn en dit niet strijdig is met een op die milieukwaliteitseis
betrekking hebbende EU-richtlijn of EU-verordening. In een toelichting
bij de maatregel wordt aangegeven op welke wijze deze aspecten bij de
voorbereiding van de maatregel zijn betrokken.
3. Bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid, wordt ten
aanzien van een daarbij gestelde milieukwaliteitseis bepaald of deze
wordt aangemerkt als grenswaarde, richtwaarde dan wel andere ter
uitvoering van een daarbij genoemde EU-richtlijn of EU-verordening
gestelde milieukwaliteitseis, met dien verstande dat:
a. een grenswaarde de kwaliteit aangeeft die op het in de
maatregel aangegeven tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en
die, waar zij aanwezig is, ten minste moet worden in stand
gehouden;
b. een richtwaarde de kwaliteit aangeeft die op het in de
maatregel aangegeven tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt,
en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk moet worden in stand
gehouden;
c. een ter uitvoering van een EU-richtlijn of EU-verordening
gestelde milieukwaliteitseis de overeenkomstig die richtlijn of
verordening te bereiken kwaliteit aangeeft, met inbegrip van een
met betrekking tot die eis van toepassing zijnde
afwijkingsmogelijkheid.
4. Bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid kan worden
bepaald dat een daarbij gestelde milieukwaliteitseis slechts geldt
voor een of meer bij of krachtens de maatregel aan te wijzen gebieden,
dan wel voor gebieden die behoren tot een bij de maatregel aangegeven
categorie. Een tijdstip als bedoeld in het eerste lid kan voor
verschillende bij of krachtens de maatregel aan te geven gebieden of
categorieën van gebieden verschillend zijn.
5. Bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt ten
aanzien van de daarbij gestelde milieukwaliteitseisen een termijn
bepaald, voor het verstrijken waarvan Onze Minister en, voor zover het
onderdelen van het milieubeleid betreft die tot hun
verantwoordelijkheid behoren, Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat
en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit dienen aan te geven in
hoeverre de desbetreffende milieukwaliteitseis naar hun oordeel
herziening behoeft. Indien een gestelde milieukwaliteitseis niet een
zodanige waarde heeft dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat,
indien aan die eis is voldaan, de risico’s voor het milieu als
gevolg van de bij het stellen van de eis in aanmerking genomen
milieubelastende factoren verwaarloosbaar klein zijn, bedraagt de
termijn, bedoeld in de vorige volzin, ten hoogste acht jaar.
Artikel 5.2
1. Bij een maatregel als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, worden
de bevoegdheden aangewezen bij de uitoefening waarvan:
a. de bij de maatregel gestelde grenswaarden in acht moeten
worden genomen,
b. met de bij de maatregel gestelde richtwaarden rekening moet
worden gehouden, of
c. de bij die maatregel ter uitvoering van een EU-richtlijn of
EU-verordening gestelde milieukwaliteitseisen worden betrokken, op
de bij die maatregel bepaalde wijze.
Bij de maatregel kunnen voorts regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze waarop aan de daarin opgenomen verplichtingen uitvoering
moet worden gegeven.
2. Het eerste lid vindt slechts toepassing voor zover de wettelijke
regeling waarop een bevoegdheid als bedoeld in dat lid berust, zich
daartegen niet verzet.
3. Indien in een gebied waarvoor een milieukwaliteitseis geldt,
voor het betrokken onderdeel van het milieu de kwaliteit beter is dan
de eis aangeeft, treedt die kwaliteit voor de toepassing van de
krachtens het eerste lid aangewezen bevoegdheden voor dit gebied in de
plaats van de in de eis aangegeven kwaliteit. In een maatregel als
bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, kan worden bepaald dat de eerste
volzin ten aanzien van de daarbij gestelde milieukwaliteitseis niet
van toepassing is.
4. Indien bij de uitoefening van een bevoegdheid ten aanzien
waarvan krachtens het eerste lid is bepaald dat daarbij rekening moet
worden gehouden met een richtwaarde, van die waarde wordt afgeweken,
vermeldt de motivering van het desbetreffende besluit in ieder geval
welke gewichtige redenen daartoe hebben geleid.
Artikel 5.2a [Vervallen per 15-11-2007]
Artikel 5.2b
1. Bij een maatregel als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, ter
uitvoering van de kaderrichtlijn water, wordt aan provinciale staten
opgedragen milieukwaliteitseisen, voorzover die niet zijn vastgesteld
bij een maatregel op grond van artikel 5.1, eerste lid, in een
provinciale milieuverordening als bedoeld in artikel 5.5, eerste lid,
vast te stellen.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
die provinciale staten bij de vaststelling van de eisen in de
provinciale milieuverordening in daarbij aan te wijzen gevallen in
acht moeten nemen. Een zodanige regeling wordt vastgesteld door Onze
Minister tezamen met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ieder voor zover het
aangelegenheden betreft die mede tot zijn verantwoordelijkheid
behoren.
3. Bij een maatregel als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, wordt
overeenkomstig artikel 4, vierde, vijfde en zevende lid, van de
kaderrichtlijn water bepaald in hoeverre en onder welke voorwaarden
kan worden afgeweken van de ter uitvoering van artikel 4, eerste en
tweede lid, van die richtlijn gestelde milieukwaliteitseisen en
termijnen.
4. In:
a. het nationale waterplan, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid,
van de Waterwet,
b. een regionaal waterplan als bedoeld in artikel 4.4, eerste
lid, van de Waterwet,
c. een beheerplan als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van
de Waterwet, worden de maatregelen opgenomen of uiteengezet ter
voorkoming van achteruitgang van de toestand van alle
oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen die in verband met
de uitvoering van de verplichtingen van de kaderrichtlijn water
zijn aangewezen, behoudens voor zover overeenkomstig artikel 4,
zesde, zevende en achtste lid, van die richtlijn bij een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld inartikel 5.1, eerste lid, is
bepaald dat achteruitgang van een toestand is toegelaten.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het vierde
lid.
Artikel 5.3
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van
milieukwaliteitseisen regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de wijze waarop en de frequentie waarmee de kwaliteit van de
betrokken onderdelen van het milieu gemeten of berekend wordt;
b. de verantwoordelijkheid voor de onder a bedoelde metingen,
onderscheidenlijk berekeningen en de wijze waarop daarvan verslag
wordt gedaan en
c. de wijze van bekostiging van de onder a bedoelde metingen,
onderscheidenlijk berekeningen.
2. Bij de in het eerste lid bedoelde maatregel kan worden bepaald
dat de wijze van meten of berekenen en de frequentie daarvan bij
ministeriële regeling worden vastgesteld.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot het opstellen van programma’s voor de monitoring van
oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen als bedoeld in artikel
8 van de kaderrichtlijn water, waarbij voor gebieden, bedoeld in
bijlage IV van die richtlijn, aanvullende verplichtingen kunnen worden
gesteld welke dienen ter uitvoering van een EU-richtlijn of
EU-verordening. Bij de maatregel kan ten aanzien van de
milieudoelstellingen, bedoeld in artikel 4 van de kaderrichtlijn
water, overeenkomstige toepassing worden gegeven aan het eerste en
tweede lid.
Artikel 5.4
Indien ter uitvoering van deze titel een ministeriële regeling als
bedoeld in artikel 21.6, zesde lid, wordt vastgesteld, zijn daarop de
artikelen 5.1, derde, vierde en vijfde lid, 5.2 en 5.3 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.5
1. Provinciale staten kunnen in de provinciale milieuverordening
milieukwaliteitseisen stellen als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid.
De artikelen 5.1, derde, vierde en vijfde lid, 5.2 en 5.3 zijn van
overeenkomstige toepassing op de vaststelling van
milieukwaliteitseisen als bedoeld in de eerste volzin, met dien
verstande, dat overeenkomstig artikel 5.2, eerste lid, geen
bevoegdheden van organen van het Rijk worden aangewezen.
2. Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel
5.1, eerste lid, of bij een ministeriële regeling als bedoeld in
artikel 21.6, zesde lid, kan de bevoegdheid, bedoeld in het eerste
lid, met betrekking tot een onderwerp ten aanzien waarvan in die
maatregel of in die regeling een milieukwaliteitseis is vastgesteld,
voor zover dat in het algemeen belang geboden is, worden beperkt.
Titel 5.2. Luchtkwaliteitseisen
§ 5.2.1. Algemene bepalingen
Artikel 5.6
1. In afwijking van titel 5.1 gelden ten aanzien van de kwaliteit
van de buitenlucht uitsluitend deze titel, bijlage 2en de op deze
titel berustende bepalingen.
2. Deze titel, bijlage 2 en de op deze titel berustende bepalingen
zijn niet van toepassing op plaatsen als gedefinieerd in artikel 2 van
de Richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende
minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor
arbeidsplaatsen (PbEG L 393), op welke plaatsen bepalingen betreffende
gezondheid en veiligheid op de arbeidsplaats van toepassing zijn en
waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben.
Artikel 5.7
1. In deze titel, bijlage 2 en de op deze titel berustende
bepalingen met betrekking tot de kwaliteit van de buitenlucht wordt
verstaan onder:
acht-uurgemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht,
gemiddeld over acht achtereenvolgende uurgemiddelde concentraties,
uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 293
Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal;
agglomeratie: stedelijk gebied met ten minste 250 000 inwoners;
alarmdrempel: kwaliteitsniveau bij het bereiken waarvan het
waarschuwen van de bevolking noodzakelijk is teneinde de risico’s
voor de gezondheid van de mens ingeval van een kortstondige
overschrijding van dat kwaliteitsniveau te beperken;
AOT40-waarde: gesommeerd verschil tussen de uurgemiddelde
concentraties van ozon boven 80 microgram per m3 en 80 microgram per
m3tussen 08.00 uur en 20.00 uur Midden-Europese-Tijd, over een
bepaalde periode, uitgedrukt in (microgram per m3) •uur;
autosnelweg: autosnelweg als bedoeld in artikel 1, onder c, van het
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
beoordelen van de luchtkwaliteit: vaststellen van het
kwaliteitsniveau en bepalen van de mate waarin een vastgesteld
kwaliteitsniveau voldoet aan een grenswaarde,
blootstellingsconcentratieverplichting, richtwaarde, plandrempel,
alarmdrempel of informatiedrempel als bedoeld in bijlage 2;
blootstellingsconcentratieverplichting: een op grond van de
gemiddelde blootstellingsindex bepaald kwaliteitsniveau met het doel
de schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens te verminderen,
waaraan binnen een bepaalde termijn moet worden voldaan;
buitenlucht: buitenlucht in de troposfeer;
bijdragen van natuurlijke bronnen: emissies van verontreinigende
stoffen die niet direct of indirect zijn veroorzaakt door menselijke
activiteiten, met inbegrip van natuurverschijnselen zoals vulkanische
uitbarstingen, seismische activiteiten, geothermische activiteiten,
bosbranden, stormen, zeezout als gevolg van verstuivend zeewater of de
atmosferische opwerveling of verplaatsing van natuurlijke deeltjes uit
droge regio’s;
EG-richtlijn luchtkwaliteit: richtlijn nr. 2008/50/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 mei 2008
betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PbEG L
152);
gemiddelde blootstellingsindex: gemiddeld kwaliteitsniveau dat
overeenkomstig de Regeling beoordeling luchtkwaliteit wordt bepaald op
basis van stedelijke achtergrondlocaties verspreid over het gehele
Nederlandse grondgebied en dat de blootstelling van de bevolking
weergeeft;
grenswaarde: kwaliteitsniveau met als doel schadelijke gevolgen
voor de menselijke gezondheid of het milieu als geheel te vermijden,
te voorkomen of te verminderen en dat binnen een bepaalde termijn moet
worden bereikt en, wanneer het eenmaal is bereikt, niet meer mag
worden overschreden;
informatiedrempel: kwaliteitsniveau bij het bereiken waarvan het
informeren van de bevolking noodzakelijk is, teneinde de risico’s
voor de gezondheid van bijzonder gevoelige bevolkingsgroepen ingeval
van een kortstondige overschrijding van dat kwaliteitsniveau te
beperken;
jaargemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht,
gemiddeld over vierentwintig-uurgemiddelde concentraties in een
kalenderjaar, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur
van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal voor zwaveldioxide,
stikstofdioxide, stikstofoxiden, lood en benzeen en bij heersende
temperatuur en druk voor zwevende deeltjes (PM10) en voor zwevende
deeltjes (PM2,5);
kwaliteitsniveau: concentratie in de buitenlucht of de
depositiesnelheid van een verontreinigende stof;
luchtverontreiniging: aanwezigheid in de buitenlucht van
verontreinigende stoffen;
plandrempel: kwaliteitsniveau bij het bereiken waarvan een
planmatige aanpak van de luchtverontreiniging noodzakelijk is;
richtwaarde: kwaliteitsniveau dat is vastgesteld met het doel om
schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid of het milieu als
geheel te vermijden, te voorkomen of te verminderen en dat voor zover
mogelijk binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt;
stikstofoxiden: het totale aantal volumedelen stikstofmonoxide en
stikstofdioxide per miljard volumedelen, uitgedrukt in microgrammen
stikstofdioxide per m3;
uurgemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht,
gemiddeld over een heel uur, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij
een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal;
vaststellen van het kwaliteitsniveau: door middel van meting of
berekening bepalen of prognosticeren van de concentratie van een
verontreinigende stof in de buitenlucht of van de depositie van die
stof;
verontreinigende stof: stof die zich in de lucht bevindt en die
waarschijnlijk schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid of
het milieu als geheel heeft;
vierentwintig-uurgemiddelde concentratie: concentratie in de
buitenlucht, gemiddeld over het tijdvak van 0.00 uur tot 24.00 uur
Midden-Europese-Tijd, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een
temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal voor
zwaveldioxide en bij heersende temperatuur en druk voor zwevende
deeltjes (PM10);
winterhalfjaargemiddelde concentratie: concentratie in de
buitenlucht, gemiddeld over vierentwintig-uurgemiddelde concentraties
van 1 oktober tot en met 31 maart, uitgedrukt in microgram per m3
lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kilo
Pascal;
zone: gedeelte van het Nederlandse grondgebied;
zwevende deeltjes (PM10): in de buitenlucht voorkomende
stofdeeltjes die een op grootte selecterende instroomopening passeren
met een efficiencygrens van 50 procent bij een aërodynamische
diameter van 10 micrometer;
zwevende deeltjes (PM2,5): in de buitenlucht voorkomende
stofdeeltjes die een op grootte selecterende instroomopening passeren
met een efficiencygrens van 50 procent bij een aerodynamische diameter
van 2,5 micrometer.
2. In afwijking van artikel 1.1, eerste lid, wordt in deze titel,
bijlage 2en de op deze titel berustende bepalingen onderstoffen
verstaan: chemische elementen en hun verbindingen, zoals deze
voorkomen in de natuur of door toedoen van de mens worden
voortgebracht.
Artikel 5.8
[Red: Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is
ingetrokken door Stb. 2009/158.]
1. Indien wijziging van deze titel, bijlage 2 of de op deze titel
berustende bepalingen wenselijk is ter uitvoering van een richtlijn
van de Raad van de Europese Unie betreffende de kwaliteit van de
buitenlucht, kan Onze Minister, gehoord de Tweede Kamer der
Staten-Generaal, een tijdelijke regeling vaststellen, die voor zover
daarbij is aangegeven in de plaats treedt van deze titel, bijlage 2
of de op deze titel berustende bepalingen.
2. Binnen achttien maanden na het tijdstip van inwerkingtreding
van die regeling wordt een voorstel van wet van gelijke strekking
aanhangig gemaakt bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
§ 5.2.2. Plannen
Artikel 5.9
1. Burgemeester en wethouders stellen in de inbijlage 2,
voorschrift 13.1, aangegeven gevallen waarin een plandrempel wordt
overschreden een plan vast, waarin wordt aangegeven op welke wijze en
door middel van welke maatregelen voldaan zal worden aan de
desbetreffende in debijlage genoemde grenswaarde, binnen de voor die
waarde gestelde termijn. Zij dragen zorg voor de uitvoering van het
plan.
2. Op de voorbereiding van een plan als bedoeld in het eerste lid,
is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
3. Gedeputeerde staten, Onze Minister, Onze Ministers van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit en van Verkeer en Waterstaat en andere
bestuursorganen die maatregelen kunnen treffen leveren op verzoek van
burgemeester en wethouders een bijdrage aan het opstellen en uitvoeren
van een plan als bedoeld in het eerste lid. Daarbij geven de
desbetreffende bestuursorganen in het plan gemotiveerd rekenschap van
het al dan niet treffen van maatregelen. Omtrent het opstellen en
uitvoeren van het plan bevorderen burgemeester en wethouders overleg
met die bestuursorganen.
4. Voor 1 mei van het jaar volgend op het jaar waarin de
overschrijding van de desbetreffende plandrempel, met inachtneming van
de krachtens artikel 5.20 gestelde regels, is vastgesteld en
gerapporteerd, stellen burgemeester en wethouders gedeputeerde staten
in kennis van een vastgesteld plan als bedoeld in het eerste lid. Voor
1 juli van dat jaar stellen gedeputeerde staten Onze Minister in
kennis van alle door hen ontvangen plannen.
5. Burgemeester en wethouders rapporteren eenmaal in de drie jaar,
voor 1 mei van het op die periode volgende jaar, aan gedeputeerde
staten omtrent de voortgang van de uitvoering van een plan of plannen
als bedoeld in het eerste lid. Voor 1 juli van dat jaar stellen
gedeputeerde staten Onze Minister in kennis van alle door hen
ontvangen voortgangsrapportages.
6. Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat het plan,
bedoeld in het eerste lid, in overeenstemming is met een programma als
bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid.
Artikel 5.10 [Vervallen per 01-08-2009]
Artikel 5.11
1. Een plan als bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, 5.12, eerste
lid, of 5.13, eerste lid, bevat ten minste de gegevens, bedoeld in
bijlage XV, deel A, van de EG-richtlijn luchtkwaliteit.
2. Een wijziging van bijlage XV, deel A, van de EG-richtlijn
luchtkwaliteit geldt voor de toepassing van het eerste lid met ingang
van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet
zijn gegeven en heeft geen betrekking op een vóór die dag
vastgesteld plan, tenzij uit de desbetreffende wijziging anders volgt.
3. Voor gevallen waarin ingevolge artikel 5.9, eerste lid, 5.12,
eerste lid, of 5.13, eerste lid, voor meer dan één stof een plan
wordt vastgesteld en uitgevoerd, draagt het betrokken bestuursorgaan
zorg voor één plan voor de desbetreffende stoffen. Het eerste lid is
van overeenkomstige toepassing.
§ 5.2.3. Nationaal programma en overige programma's
Artikel 5.12
1. Onze Minister stelt, in overeenstemming met het gevoelen van de
ministerraad en gehoord de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal,
met betrekking tot een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde die op of na
het daarbij behorende tijdstip wordt overschreden of dreigt te worden
overschreden, een programma vast dat gericht is op het bereiken van
die grenswaarde. Het programma heeft betrekking op een daarbij aan te
geven periode van vijf jaar.
2. In het programma, bedoeld in het eerste lid, worden ten minste
genoemd of beschreven de gedurende de in dat lid bedoelde periode door
een of meer bestuursorganen van het Rijk te treffen generieke
maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit en de effecten
daarvan op de luchtkwaliteit.
3. Met betrekking tot één of meer in het programma, bedoeld in
het eerste lid, aangewezen gebieden omvat het programma, na overleg
met de betrokken bestuursorganen, tevens:
a. een beschrijving van de in de buitenlucht aanwezige
concentraties verontreinigende stoffen en de autonome ontwikkeling
daarvan boven het desbetreffende gebied, op basis van de laatst
beschikbare gegevens met betrekking tot die concentraties, alsmede
een beschrijving van de oorzaken van een overschrijding of
dreigende overschrijding van de desbetreffende grenswaarde;
b. indien op het moment van vaststelling van het programma op
één of meer plaatsen binnen een aangewezen gebied een geldende
grenswaarde wordt overschreden: een overzicht van alle
redelijkerwijs, gedurende de in het eerste lid bedoelde periode,
door de betrokken bestuursorganen te treffen maatregelen die
bijdragen aan de verwezenlijking van beleid dat erop gericht is
die grenswaarde te bereiken, de effecten van die maatregelen op de
luchtkwaliteit alsmede het tijdstip waarop die grenswaarde naar
verwachting zal zijn bereikt;
c. een beschrijving van de verwachte ontwikkelingen in het
desbetreffende gebied en van de besluiten die gedurende de in het
eerste lid bedoelde periode naar verwachting zullen worden genomen
en die in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de
buitenlucht in dat gebied van een stof waarvoor in bijlage 2 een
grenswaarde is opgenomen, op basis van de krachtens het zevende
lid verstrekte gegevens, alsmede de effecten van die
ontwikkelingen en besluiten op de luchtkwaliteit;
d. een beschrijving van de door de bestuursorganen, die daartoe
in het programma zijn aangewezen, te treffen overige maatregelen
dan bedoeld onder b, die samenhangen met de onder c bedoelde
ontwikkelingen of besluiten en die gericht zijn op het bereiken
van de grenswaarde of grenswaarden in de betreffende gebieden,
alsmede de effecten van die maatregelen op de luchtkwaliteit;
e. een prognose van de ontwikkeling van de onder a bedoelde
concentraties, gedurende de in het eerste lid bedoelde periode,
met dien verstande dat daarbij tevens wordt aangegeven hoeveel
eerder als gevolg van de maatregelen, bedoeld onder b en d, en
rekening houdend met de effecten van de verwachte ontwikkelingen
en besluiten, bedoeld onder c, een grenswaarde in het betreffende
gebied wordt bereikt dan overeenkomstig de autonome ontwikkeling,
bedoeld onder a, naar verwachting het geval zou zijn.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de wijze van uitvoering van de onderdelen a tot en met
e en van het vierde en zesde lid, met inbegrip van daarbij te hanteren
uitgangspunten en criteria.
4. Bij het beschrijven van:
a. de autonome ontwikkeling, bedoeld in het derde lid, onder a,
wordt mede in aanmerking genomen het gesommeerde effect van de
uitoefening van bevoegdheden en de toepassing van wettelijke
voorschriften die gedurende de in het eerste lid bedoelde periode
naar verwachting zullen plaatsvinden en die niet in betekenende
mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht in dat gebied
van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;
b. de effecten van de maatregelen, bedoeld in het tweede en
derde lid, kunnen de effecten van sinds 1 januari 2005 ter
verbetering van de luchtkwaliteit ingevoerde maatregelen mede in
aanmerking worden genomen.
5. In een programma als bedoeld in het eerste lid worden geen
besluiten als bedoeld in het derde lid, onder c, opgenomen, indien het
aannemelijk is dat deze een overschrijding of verdere overschrijding
van een geldende grenswaarde tot gevolg hebben op het tijdstip waarop,
met toepassing van:
a. uitstel als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de
EG-richtlijn luchtkwaliteit, van de tijdstippen waarop aan de in
bijlage 2 opgenomen grenswaarden voor stikstofdioxide of benzeen
moet worden voldaan,
b. vrijstelling als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de
EG-richtlijn luchtkwaliteit, van de verplichting om aan de in
bijlage 2 opgenomen grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) te
voldoen,
ingevolge die richtlijn aan de desbetreffende grenswaarde moet
worden voldaan.
6. Het programma, bedoeld in het eerste lid, kan in delen worden
vastgesteld, met dien verstande dat:
a. alle onderscheiden delen binnen een tijdvak van ten hoogste
dertien weken worden vastgesteld, tenzij bijzondere omstandigheden
zich daartegen verzetten, en
b. met elkaar, vanwege de daarin opgenomen ontwikkelingen,
voorgenomen besluiten of maatregelen, samenhangende delen zoveel
mogelijk tegelijkertijd worden vastgesteld.
7. Na een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister verstrekken
de desbetreffende bestuursorganen hem binnen een daarbij aangegeven
termijn de daarbij gevraagde gegevens over de ontwikkelingen en
besluiten, bedoeld in het derde lid, onder c, en de maatregelen,
bedoeld in dat lid, onder b en d.
8. Op de voorbereiding van een programma als bedoeld in het eerste
lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
9. De daartoe bevoegde bestuursorganen dragen zorg voor de tijdige
uitvoering van de maatregelen die in het programma zijn genoemd of
beschreven, met dien verstande dat maatregelen die onlosmakelijk
verbonden zijn met de ontwikkelingen en besluiten als bedoeld in het
derde lid, onder c, ten behoeve van deze ontwikkelingen en besluiten
worden uitgevoerd.
10. Onze Minister kan, in overeenstemming met het gevoelen van de
ministerraad en gehoord de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal,
het programma, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen indien
naar zijn oordeel:
a. uit de rapportages, bedoeld in artikel 5.14, naar voren komt
dat de in dat programma opgenomen gegevens omtrent de effecten op
de luchtkwaliteit van in het programma genoemde of beschreven
ontwikkelingen, voorgenomen besluiten of maatregelen, niet of niet
langer in redelijkheid kunnen worden gehanteerd bij de uitoefening
van de in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c of d, juncto
het tweede lid van dat artikel, bedoelde bevoegdheden en de
toepassing van de daar bedoelde wettelijke voorschriften;
b. het programma, de periode waarop het betrekking heeft of de
daarin genoemde of beschreven ontwikkelingen, voorgenomen
besluiten of maatregelen om andere redenen wijziging behoeven.
Het achtste lid is van overeenkomstige toepassing.
11. De in het negende lid bedoelde plicht tot tijdige uitvoering
van maatregelen blijft van kracht totdat die uitvoering of verdere
uitvoering naar het oordeel van Onze Minister, in overeenstemming met
het gevoelen van de ministerraad en gehoord de Eerste en Tweede Kamer
der Staten-Generaal, niet langer vereist is om een grenswaarde te
bereiken of daaraan te blijven voldoen.
12. Binnen een gebied als bedoeld in het derde lid kunnen
bestuursorganen die het aangaat, na een daartoe strekkende melding aan
Onze Minister, een of meer in het programma genoemde of beschreven
maatregelen, ontwikkelingen of besluiten wijzigen of vervangen, of een
of meer maatregelen, ontwikkelingen of besluiten aan het programma
toevoegen, indien bij de betreffende melding aannemelijk wordt gemaakt
dat die gewijzigde, vervangende of nieuwe maatregelen, ontwikkelingen
of besluiten per saldo passen binnen of in elk geval niet in strijd
zijn met het programma. Bij de melding wordt aangegeven welke
maatregelen, ontwikkelingen of besluiten het betreft, welke samenhang
er tussen die maatregelen, ontwikkelingen of besluiten is en op welke
termijn een maatregel wordt getroffen of een besluit genomen en worden
de effecten op de luchtkwaliteit met toepassing van de artikelen 5.19
en 5.20 en de daarop berustende bepalingen aangegeven. Het negende lid
is van overeenkomstige toepassing.
13. De bij de melding, bedoeld in het twaalfde lid, aangegeven
wijziging of wijzigingen behoeven de instemming van Onze Minister.
Onze Minister beslist hieromtrent binnen zes weken na ontvangst van de
melding. De instemming is van rechtswege gegeven indien Onze Minister
niet binnen de genoemde termijn een beslissing heeft genomen.
14. Binnen zes weken nadat een instemming als bedoeld in het
dertiende lid is verkregen wordt door de betrokken bestuursorganen
kennis gegeven van de bij de melding aangegeven wijziging of wijzingen
en van de daarmee verleende instemming in een van overheidswege
uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huis blad, dan wel op
een andere geschikte wijze.
Artikel 5.12a
Indien op of na het daarbij behorende tijdstip niet wordt voldaan of
dreigt te worden voldaan aan de blootstellingsconcentratieverplichting,
opgenomen in voorschrift 4.6 van bijlage 2, draagt Onze Minister zorg
voor het nemen van maatregelen waardoor aan die verplichting wordt
voldaan. Deze maatregelen kunnen deel uitmaken van het programma,
bedoeld in artikel 5.12, eerste lid.
Artikel 5.12b
1. Indien krachtens enig wettelijk voorschrift een besluit is
vereist voor de door of vanwege Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat met betrekking tot het hoofdwegennet uit te voeren
maatregelen als bedoeld in artikel 5.12, negende lid, zijn deze
wettelijke voorschriften op die uitvoering niet van toepassing.
2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het vereist
zijn van een besluit voortvloeit uit Europeesrechtelijke of
internationaalrechtelijke verplichtingen.
3. Voor zover het uitvoeren van de in het eerste lid bedoelde
maatregelen niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan of de
beheerverordening, geldt het op die maatregelen betrekking hebbende
onderdeel van het programma, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, als
een omgevingsvergunning waarbij ten behoeve van een project van
nationaal belang, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder
a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het
bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken. Bij de
toepassing van artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht worden onder bestemmingsplan of beheersverordening mede
de betrokken onderdelen van het programma, bedoeld in artikel 5.12,
eerste lid, begrepen.
4. In de gevallen waarin het derde lid van toepassing is, stelt de
gemeenteraad een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld
in de Wet ruimtelijke ordening vast overeenkomstig de onderdelen van
het programma, bedoeld in het derde lid. Dit geschiedt binnen een jaar
na de datum van inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet of,
ingeval van een wijziging van dat programma die of nieuw programma dat
na die datum wordt vastgesteld, binnen een jaar nadat die wijziging of
dat programma onherroepelijk is geworden.
5. Voor zover een ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag
vindt in de onderdelen van het programma, bedoeld in het derde lid,
kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerp
van het bestemmingsplan.
Artikel 5.13
1. Een of meerdere bestuursorganen gezamenlijk, niet zijnde
bestuursorganen van het Rijk, kunnen een programma vaststellen dat
gericht is op het bereiken van een in bijlage 2opgenomen grenswaarde
in een bij dat programma aan te wijzen gebied, niet zijnde een
krachtens artikel 5.12, derde lid, aangewezen of aan te wijzen gebied,
waar een grenswaarde wordt overschreden of dreigt te worden
overschreden.
2. Bij de vaststelling van een programma op grond van het eerste
lid wordt het krachtens artikel 5.12, eerste lid, vastgestelde
programma in acht genomen.
3. Artikel 5.12, derde en vierde lid en achtste tot en met
veertiende lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat de wijziging, bedoeld in het tiende lid van dat artikel,
plaatsvindt in overeenstemming met de andere betrokken bestuursorganen
en dat de plicht tot melding, bedoeld in hettwaalfde lid van dat
artikel, niet van toepassing is.
4. Het programma wordt na vaststelling of wijziging toegezonden aan
Onze Minister.
5. Indien voor een gebied als bedoeld in het eerste lid geen
programma als bedoeld in dat lid wordt vastgesteld, treffen de
betrokken bestuursorganen onverwijld de redelijkerwijs mogelijke
maatregelen die er op gericht zijn de betreffende grenswaarde te
bereiken. De artikelen 5.12, negende en elfde lid, en 5.14 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.14
De daartoe in een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid,
of5.13, eerste lid, aangewezen bestuursorganen rapporteren jaarlijks
voor 1 juli aan Onze Minister over de voortgang en uitvoering van
een programma en de daarin opgenomen maatregelen, ontwikkelingen en
besluiten, alsmede over de effecten daarvan op de luchtkwaliteit.
Artikel 5.15
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot:
a. de wijze waarop een programma als bedoeld inartikel 5.12,
eerste lid, of 5.13, eerste lid, wordt afgestemd met andere bij of
krachtens wettelijk voorschrift vast te stellen of vastgestelde
plannen;
b. de voorbereiding, vormgeving, inhoud en uitvoering van een
programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste
lid;
c. de verslaglegging, bedoeld in artikel 5.14.
§ 5.2.4. Uitoefening van bevoegdheden of toepassing van wettelijke
voorschriften
Artikel 5.16
1. Bestuursorganen maken bij de uitoefening van een in het tweede
lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk
voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor
de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en
maken daarbij aannemelijk:
a. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de
effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die
uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter
verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het
overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang
waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen
grenswaarde;
b. dat, met inachtneming van het vijfde lid en de krachtens dat
lid gestelde regels:
1°. de concentratie in de buitenlucht van de
desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of
toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of
2°. bij een beperkte toename van de concentratie van de
desbetreffende stof, door een met die uitoefening of
toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening
of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo
verbetert;
c. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de
effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die
uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter
verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate
bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof
waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;
d. dat een uitoefening dan wel toepassing is genoemd of
beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of
voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel
past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van
artikel 5.12, eerste lid, of artikel 5.13, eerste lid, vastgesteld
programma.
2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden of wettelijke
voorschriften zijn de bevoegdheden en wettelijke voorschriften,
bedoeld in:
a. deartikelen 1.2, 7.27, 7.35, 7.42 en 8.40, eerste lid;
b. de artikelen 13 en 16 van de Wet inzake de
luchtverontreiniging;
c. de artikelen 3.1, 3.26 en 3.28 van de Wet ruimtelijke
ordening;
d. artikel 9, eerste lid, van de Tracéwet;
e. artikel 9 van de Spoedwet wegverbreding;
f. artikel 2 van de Interimwet stad-en-milieubenadering;
g. artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
voor zover die bevoegdheid betrekking heeft op:
1°. activiteiten met betrekking tot een inrichting als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van die wet;
2°. gevallen waarin van het bestemmingsplan wordt
afgeweken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder
a, onder 3°, of artikel 2.12, tweede lid, van die wet;
h. artikel 2.3 van de Crisis- en herstelwet.
3. Bij de uitoefening van een bevoegdheid of toepassing van een
wettelijk voorschrift als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c
of d, gedurende de periode waar een programma als bedoeld in artikel
5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid, betrekking op heeft, vindt met
betrekking tot de effecten van de desbetreffende ontwikkeling of het
desbetreffende besluit op de luchtkwaliteit geen afzonderlijke
beoordeling van de luchtkwaliteit plaats voor een in bijlage
2opgenomen grenswaarde voor die periode, noch voor enig jaar daarna.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent het in betekenende mate bijdragen als bedoeld
in het eerste lid, aanhef en onder c, waaronder begrepen het aanwijzen
van categorieën van gevallen die in ieder geval al dan niet in
betekenende mate bijdragen in de daar bedoelde zin.
5. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, aanhef
en sub 2, of onder c, voor zover het betreft de onlosmakelijk met een
uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen:
a. worden voor iedere stof afzonderlijk de positieve of
negatieve effecten voor de luchtkwaliteit in beschouwing genomen;
b. is er een functionele of geografische samenhang tussen
enerzijds het gebied of de gebieden waarop de uitoefening van
bevoegdheden of de toepassing van wettelijke voorschriften,
bedoeld in dat lid, betrekking heeft, en anderzijds de maatregel
of maatregelen die in verband met die uitoefening of toepassing
wordt of worden genomen;
c. worden maatregelen ter vermindering van de concentratie van
een stof niet later dan gelijktijdig met de te compenseren
activiteiten uitgevoerd, tenzij een gelijktijdige uitvoering een
vermindering van de concentratie van die stof op de langere
termijn in de weg staat of anderszins niet doelmatig is, en
d. worden waarborgen getroffen opdat de maatregelen ter
vermindering van de concentratie van een stof daadwerkelijk worden
uitgevoerd.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.
6. Buiten een periode als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of
een in een programma als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid,
opgenomen periode, blijft het eerste lid, aanhef en onder d, buiten
toepassing, met dien verstande dat de uitoefening van een bevoegdheid
of de toepassing van een wettelijk voorschrift met betrekking tot een
ontwikkeling of voorgenomen besluit dat eerder was genoemd of
beschreven in een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid,
of 5.13, eerste lid, ook na het verstrijken van de desbetreffende
periode mogelijk blijft.
Artikel 5.16a
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
uitoefening van een bevoegdheid of de toepassing van een wettelijk
voorschrift, bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, in daarbij
aangewezen categorieën van gevallen waarin een in bijlage 2opgenomen
grenswaarde op of na het tijdstip van ingang wordt overschreden of
dreigt te worden overschreden, en waarin de betreffende uitoefening of
toepassing betrekking heeft op een bestaand of nieuw te bouwen
bouwwerk in de zin van de Woningwet, op een zodanige wijze plaatsvindt
dat deze niet leidt tot een toename van het aantal ter plaatse
verblijvende personen met een verhoogde gevoeligheid voor de
concentraties in de buitenlucht van een stof waar de betreffende
grenswaarde betrekking op heeft.
2. Bij of krachtens de maatregel, bedoeld in het eerste lid, kunnen
nadere regels worden gegeven omtrent de wijze waarop uitvoering wordt
gegeven aan dat lid, met inbegrip van het beperken van een categorie
tot gevallen waarin niet wordt voldaan aan daarbij gestelde eisen met
betrekking tot de locatie of afstand van een bouwwerk ten opzichte van
een bron of bronnen van luchtverontreiniging.
Artikel 5.17
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
bestuursorganen stellen alle nodige maatregelen vast, gericht op het
voor zover mogelijk bereiken van een in bijlage 2 opgenomen
richtwaarde binnen de daarvoor gestelde termijn. Deze maatregelen
kunnen deel uitmaken van een plan of programma als bedoeld in artikel
5.9, eerste lid, 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid, dan wel van
een ander plan of programma.
2. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
het eerste lid, worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in
dat lid bedoelde maatregelen, waartoe in elk geval behoren regels
omtrent de aard van die maatregelen.
Artikel 5.18
1. De commissaris van de Koningin doet van een overschrijding van
een in bijlage 2 genoemde alarmdrempel of informatiedrempel in zijn
provincie zo spoedig mogelijk mededeling aan het publiek. Wanneer
overschrijding van een informatiedrempel of alarmdrempel voorkomt in
samenhang met overschrijding van een in bijlage 2 genoemde grenswaarde
voor een andere verontreinigende stof in de buitenlucht, doet de
commissaris van de Koningin tevens mededeling van laatstbedoelde
overschrijding.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot de in het eerste lid bedoelde mededeling en de daarbij aan het
publiek te verstrekken gegevens alsmede met betrekking tot de wijze
waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 24 van de EG-richtlijn
luchtkwaliteit.
3. Artikel 48, derde lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging
is van overeenkomstige toepassing.
§ 5.2.5. Beoordeling van de luchtkwaliteit
Artikel 5.19
1. Het beoordelen van de luchtkwaliteit vindt overeenkomstig de bij
of krachtens deze paragraaf gestelde regels plaats in alle
agglomeraties en zones, aangewezen krachtens artikel 5.22.
2. In afwijking van het eerste lid vindt op de volgende locaties
geen beoordeling van de luchtkwaliteit plaats met betrekking tot
luchtkwaliteitseisen voor de bescherming van de gezondheid van de
mens, opgenomen in bijlage 2:
a. locaties die zich bevinden in gebieden waartoe leden van het
publiek geen toegang hebben en waar geen vaste bewoning is;
b. terreinen waarop een of meer inrichtingen zijn gelegen, waar
bepalingen betreffende gezondheid en veiligheid op arbeidsplaatsen
als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van toepassing zijn;
c. de rijbaan van wegen en de middenberm van wegen, tenzij
voetgangers normaliter toegang tot de middenberm hebben.
3. Bij het vaststellen van het kwaliteitsniveau worden bij het
bepalen van de concentraties verontreinigende stoffen de
concentratiebijdragen van natuurlijke bronnen, na afzonderlijk te zijn
bepaald, meegerekend.
4. Bij het bepalen van de mate waarin een vastgesteld
kwaliteitsniveau voldoet aan een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde
worden, indien dat kwaliteitsniveau hoger is dan die grenswaarde, de
concentratiebijdragen van natuurlijke bronnen steeds in aftrek
gebracht.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
indien noodzakelijk voor een juiste uitvoering van het eerste tot en
met vierde lid.
Artikel 5.20
1. Bij ministeriële regeling worden voor de toepassing van deze
titel,bijlage 2 en de op deze titel berustende bepalingen regels
gesteld ten aanzien van het beoordelen van de luchtkwaliteit met
betrekking tot de in bijlage 2 genoemde stoffen, waartoe in elk geval
kunnen behoren regels omtrent:
a. de voor beoordeling van de luchtkwaliteit verantwoordelijke
bestuursorganen;
b. de wijze waarop en de frequentie waarmee de luchtkwaliteit
wordt beoordeeld, met inbegrip van de locaties waar de
luchtkwaliteit wordt beoordeeld, en de te gebruiken gegevens;
c. de wijze waarop en de frequentie waarmee het
kwaliteitsniveau gemeten of berekend wordt;
d. de wijze van bekostiging van de metingen en berekeningen;
e. de wijze en het tijdstip waarop verslag wordt gedaan van
beoordeling van de luchtkwaliteit en de in het verslag op te nemen
gegevens;
f. de wijze waarop het bereiken van de grenswaarden, bedoeld in
de artikelen 5.12of 5.13 wordt vastgesteld;
g. de wijze waarop de effecten van ontwikkelingen, besluiten en
maatregelen als bedoeld in deze titel afzonderlijk en in samenhang
worden bepaald en daarbij te gebruiken gegevens;
h. de wijze waarop de autonome ontwikkeling als bedoeld in deze
titel wordt bepaald.
2. Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald
dat daarbij aangewezen regels van toepassing zijn dan wel buiten
toepassing blijven in daarbij genoemde gevallen.
3. Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald
dat het gebruik van andere dan de daarin genoemde methoden voor de
beoordeling van de luchtkwaliteit of voor het bepalen van effecten of
het gebruik van andere dan daarin genoemde gegevens niet is toegestaan
dan na voorafgaande goedkeuring door Onze Minister.
4. De goedkeuring, bedoeld in het derde lid, kan worden onthouden
of ingetrokken indien het gebruik van de betreffende methode of
gegevens naar het oordeel van Onze Minister niet, of niet langer,
leidt tot een voldoende nauwkeurige of betrouwbare beoordeling van de
luchtkwaliteit of bepaling van effecten en daarvoor meer geschikte
methoden of gegevens beschikbaar zijn.
5. Aan de goedkeuring kunnen voorwaarden of beperkingen worden
verbonden. Deze kunnen worden gewijzigd of ingetrokken.
Artikel 5.21
1. Onze Minister kan:
a. de nauwkeurigheid van een meetmethode of een andere methode
waarmee het kwaliteitsniveau of effecten gemeten of berekend wordt
toetsen,
b. de nauwkeurigheid van de toepassing van een onder a bedoelde
methode toetsen.
2. De door middel van de toetsing verkregen resultaten treden in de
plaats van eerdere of anderszins verkregen resultaten.
3. Onze Minister maakt de in het tweede lid bedoelde resultaten
kenbaar aan het desbetreffende bestuursorgaan.
Artikel 5.22
1. Onze Minister wijst voor de toepassing van deze titel, bijlage 2
en de op deze titel berustende bepalingen ten behoeve van de metingen
en berekeningen van het kwaliteitsniveau zones, onderscheidenlijk
agglomeraties, aan.
2. Onze Minister overweegt ten minste eenmaal in de vijf jaar in
hoeverre de aanwijzing van zones en agglomeraties, bedoeld in het
eerste lid, wijziging behoeft.
3. Onze Minister stelt op basis van de aanwijzing van zones en
agglomeraties, bedoeld in het eerste lid, en de resultaten van de
metingen en berekeningen, bedoeld in dat lid, lijsten vast als bedoeld
in artikel 27 van de EG-richtlijn luchtkwaliteit en artikel 3 van
richtlijn nr. 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 15 december 2004 betreffende arseen, cadmium, kwik,
nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht (PbEG
L 23).
§ 5.2.6. Handhaving en internationale samenwerking
Artikel 5.23
1. Onze Minister kan gedeputeerde staten of burgemeester en
wethouders, indien niet of niet tijdig wordt voldaan aan een
verplichting als bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, 5.12, zevende en
negende lid, 5.14 of 5.19, vierde lid, een aanwijzing geven om daar
alsnog uitvoering aan te geven. Onze Minister houdt daarbij rekening
met een doelmatig luchtkwaliteitsbeleid dat gericht is op het bereiken
van en het blijven voldoen aan een in bijlage 2 genoemde grenswaarde.
2. Bij de aanwijzing wordt een termijn gesteld waarbinnen
uitvoering wordt gegeven aan de aanwijzing.
3. Een aanwijzing wordt niet gegeven dan nadat het betrokken
bestuursorgaan in de gelegenheid is gesteld van zijn gevoelen omtrent
het voornemen tot het geven van de aanwijzing te doen blijken, tenzij
spoedeisende omstandigheden zich daartegen verzetten.
4. Wanneer het betrokken bestuursorgaan een krachtens het eerste
lid gevorderd besluit of gevorderde handeling niet of niet naar
behoren neemt dan wel uitvoert, is Onze Minister bevoegd daarin namens
dat bestuursorgaan en ten laste van dat bestuursorgaan te voorzien.
Artikel 5.24
1. Onze Minister is belast met de organisatie van de samenwerking
met andere lidstaten en met de Commissie van de Europese
Gemeenschappen, ter uitvoering van de EG-richtlijn luchtkwaliteit.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de samenwerking, bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 6. Milieuzonering
Artikel 6.1
[Gereserveerd.]
Hoofdstuk 7. Milieueffectrapportage
§ 7.1. Algemeen
Artikel 7.1
1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
Onze Ministers: Onze Minister, Onze Minister van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap;
de commissie: de Commissie voor de milieueffectrapportage.
2. Tenzij anders is bepaald, wordt in deparagrafen 7.3 tot en met
7.5 en 7.7 tot met 7.12 in dit hoofdstuk verstaan onder:
a. activiteit:
1°. activiteit die is aangewezen krachtensartikel 7.2,
eerste lid, onder a, krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder
b, en waarop artikel 7.18 van toepassing is, of krachtens
artikel 7.6, eerste lid;
2°. activiteit als bedoeld in artikel 7.2a, eerste lid;
b. plan: plan bij de voorbereiding waarvan krachtens de
artikelen 7.2, tweede lid, 7.2a, eerste lid, of 7.6, tweede lid,
een milieueffectrapport moet worden gemaakt;
c. besluit: besluit bij de voorbereiding waarvan een
milieueffectrapport moet worden gemaakt krachtens artikel 7.2,
derde lid, krachtens artikel 7.2, vierde lid, in samenhang met
artikel 7.18, of krachtens artikel 7.6, derde lid;
d. ecologische hoofdstructuur: het samenstel van de gebieden en
de verbindingen tussen die gebieden, dat krachtens de Wet
ruimtelijke ordening door het provinciebestuur als zodanig is
aangewezen en begrensd, alsmede de grote wateren en de Noordzee,
overeenkomstig kaart 5 van de Nota Ruimte, deel 3A (Kamerstukken
II 2004/05, 29 435, nr. 154), voorzover die niet behoren tot een
gebied als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van de
Natuurbeschermingswet 1998.
3. Het tweede lid, onder a, onder 2°, geldt niet indien een
bepaling uitsluitend betrekking heeft op een besluit als bedoeld in
dat lid, onder c.
4. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder
bevoegd gezag verstaan het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het
voorbereiden dan wel vaststellen van een plan of een besluit.
5. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden, voor
zover zij niet reeds op grond van andere wettelijke bepalingen als
zodanig dienen te worden aangemerkt, tevens als adviseurs aangemerkt:
a. indien het bevoegd gezag een orgaan van de centrale overheid
is: een door Onze Minister aangewezen bestuursorgaan, een door
Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen
bestuursorgaan en een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap aangewezen bestuursorgaan;
b. indien het bevoegd gezag een ander bestuursorgaan is:
1º. een door Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit aangewezen bestuursorgaan en een door Onze
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangewezen
bestuursorgaan, en
2º. de inspecteur, voor zover het betreft een activiteit
met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1,
eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht in een geval dat behoort tot een krachtens
artikel 2.26, derde lid, van die wet aangewezen categorie.
Artikel 7.1a [Vervallen per 01-07-2010]
§ 7.2. Plannen en besluiten ten aanzien waarvan het maken van een
milieueffectrapport verplicht is
Artikel 7.2
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden de activiteiten
aangewezen:
a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het
milieu;
b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij
belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
2. Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden
bij de maatregel de categorieën van plannen aangewezen bij de
voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Een
plan wordt slechts aangewezen indien het plan het kader vormt voor een
besluit als bedoeld in het derde of vierde lid. Een plan vormt in elk
geval het kader voor een zodanig besluit indien in dat plan:
a. een locatie of een tracé wordt aangewezen voor die
activiteiten, of
b. een of meerdere locaties of tracés voor die activiteiten
worden overwogen.
3. Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a,
worden de categorieën van besluiten aangewezen bij de voorbereiding
waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
4. Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b,
worden de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan
het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen
of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en
indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een
milieueffectrapport moet worden gemaakt.
5. Bij de maatregel kan een plan worden aangemerkt als een besluit
als bedoeld in het derde of vierde lid, mits dat plan voor de
desbetreffende activiteit niet is aangewezen op grond van het tweede
lid.
6. Tot de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, kunnen mede
activiteiten behoren, die in samenhang met andere activiteiten
belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu.
7. Tot de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, behoren
activiteiten waarvoor bij de maatregel categorieën van plannen en
besluiten worden aangewezen en die plaatsvinden in de exclusieve
economische zone.
8. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de aanwijzing van een
activiteit, dan wel van een plan of besluit slechts geldt in daarbij
aangewezen categorieën van gevallen.
Artikel 7.2a
1. Een milieueffectrapport wordt gemaakt bij de voorbereiding van
een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling
verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin
opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op
grond van artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van
gevallen worden aangewezen, waarin sprake is van kleine gebieden en
kleine wijzigingen die geen aanzienlijke milieueffecten hebben, waarop
de verplichting tot het maken van een milieueffectrapport, als bedoeld
in het eerste lid, niet van toepassing is.
3. Tot een activiteit als bedoeld in het eerste lid behoort een
activiteit als bedoeld in dat lid die plaatsvindt in de exclusieve
economische zone.
Artikel 7.3
1. Bij de maatregel, bedoeld in artikel 7.2, worden geen plannen
aangewezen die:
a. uitsluitend betrekking hebben op de landsverdediging of op
een noodsituatie als bedoeld in de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden;
b. betrekking hebben op de begroting of financiën van het
Rijk, de provincie, de gemeente of een waterschap.
2. Artikel 7.2a is niet van toepassing met betrekking tot plannen
als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 7.4 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7.5 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7.6
1. Provinciale staten kunnen met het oog op de bescherming van het
milieu in binnen hun provincie gelegen gebieden, niet zijnde gebieden
als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet
1998, die van bijzondere betekenis zijn of waarin het milieu reeds in
ernstige mate is verontreinigd of aangetast in de provinciale
milieuverordening activiteiten aanwijzen, die niet zijn opgenomen in
een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 7.2, eerste lid,
onder a, en die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het
milieu in die gebieden. Artikel 7.2, zesde en achtste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. Terzake van die activiteiten kunnen zij de categorieën van
plannen aanwijzen bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport
moet worden gemaakt indien die activiteiten binnen hun provincie
worden uitgevoerd. Deartikelen 7.2, tweede lid, tweede en derde
volzin, vijfde en achtste lid, en 7.3, eerste lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
3. Terzake van die activiteiten wijzen zij de categorieën van
besluiten aan bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport
moet worden gemaakt indien die activiteiten binnen hun provincie
worden uitgevoerd.
4. Op de voorbereiding van een besluit, houdende een aanwijzing
krachtens het eerste tot en met derde lid, is afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing; zienswijzen kunnen naar
voren worden gebracht door een ieder. Gedeputeerde staten plegen over
het ontwerp overleg met burgemeester en wethouders van de gemeenten en
de dagelijkse besturen van de waterschappen in hun provincie. Zij
stellen de bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.1, vijfde lid, onder
b, onder 1, en Onze Minister in de gelegenheid omtrent het ontwerp
advies uit te brengen.
5. Gedeputeerde staten leggen met het ontwerp van het besluit aan
provinciale staten een verslag over van het gevoerde overleg, de
uitgebrachte adviezen en de naar voren gebrachte zienswijzen, waarbij
zij onder opgave van redenen aangeven in hoeverre daarmee rekening is
gehouden.
6. Tegelijkertijd met de bekendmaking van het besluit, houdende een
aanwijzing als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, wordt
daarvan mededeling gedaan door toezending van een exemplaar aan ieder
van Onze Ministers en, voorzover het de aanwijzing betreft van
categorieën van besluiten als bedoeld in het derde lid, aan de
commissie.
§ 7.3. Het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan
Artikel 7.7
1. Het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan, wordt
opgesteld door het bevoegd gezag en bevat ten minste:
a. een beschrijving van hetgeen met de voorgenomen activiteit
wordt beoogd;
b. een beschrijving van de voorgenomen activiteit, alsmede van
de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing
dienen te worden genomen, en de motivering van de keuze voor de in
beschouwing genomen alternatieven;
c. een overzicht van eerder vastgestelde plannen die betrekking
hebben op de voorgenomen activiteit en de beschreven
alternatieven;
d. een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu,
voor zover de voorgenomen activiteit of de beschreven
alternatieven daarvoor gevolgen kunnen hebben, alsmede van de te
verwachten ontwikkeling van dat milieu, indien die activiteit noch
de alternatieven worden ondernomen;
e. een beschrijving van de gevolgen voor het milieu, die de
voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven
alternatieven kunnen hebben, alsmede een motivering van de wijze
waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven;
f. een vergelijking van de ingevolge onderdeel d beschreven te
verwachten ontwikkeling van het milieu met de beschreven mogelijke
gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit, alsmede
met de beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van elk der
in beschouwing genomen alternatieven;
g. een beschrijving van de maatregelen om belangrijke nadelige
gevolgen op het milieu van de activiteit te voorkomen, te beperken
of zoveel mogelijk teniet te doen;
h. een overzicht van de leemten in de beschrijvingen, bedoeld
in de onderdelen d en e, ten gevolge van het ontbreken van de
benodigde gegevens;
i. een samenvatting die aan een algemeen publiek voldoende
inzicht geeft voor de beoordeling van het milieueffectrapport en
van de daarin beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van de
voorgenomen activiteit en van de beschreven alternatieven.
2. Het milieueffectrapport is gesteld in de Nederlandse taal. De in
het eerste lid, onder i, bedoelde samenvatting is steeds in de
Nederlandse taal gesteld. Indien een activiteit belangrijke nadelige
gevolgen kan hebben voor het milieu in een ander land, zendt degene
die de activiteit onderneemt, op verzoek van het bevoegd gezag binnen
een bij dat verzoek te bepalen termijn een vertaling van de
samenvatting in de landstaal van het gebied in het andere land waar de
activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben.
3. Het bevoegd gezag:
a. stemt het rapport, waaronder het detailniveau daarvan, af op
de mate van gedetailleerdheid van het plan en op de fase van het
besluitvormingsproces waarin het plan zich bevindt, alsmede,
indien het plan deel uitmaakt van een hiërarchie van plannen, in
het bijzonder op de plaats die het plan inneemt in die
hiërarchie;
b. mag gebruik maken van andere milieueffectrapporten die
voldoen aan het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde
gegevens worden bepaald en beschreven.
§ 7.4. De voorbereiding van een milieueffectrapport dat betrekking
heeft op een plan
Artikel 7.8
Alvorens het milieueffectrapport op te stellen, raadpleegt het
bevoegd gezag de adviseurs en de bestuursorganen die ingevolge het
wettelijk voorschrift waarop het plan berust bij de voorbereiding van
het plan worden betrokken over de reikwijdte en het detailniveau van de
informatie die gericht is op wat relevant is voor het plan en die op
grond van artikel 7.7 in het milieueffectrapport moet worden opgenomen.
Artikel 7.9
1. Zo spoedig mogelijk nadat een bestuursorgaan het voornemen heeft
opgevat tot het voorbereiden van een plan, maar uiterlijk op het
moment dat het toepassing geeft aan artikel 7.8, geeft het kennis van
dat voornemen, met overeenkomstige toepassing van artikel 3:12, eerste
en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2. In de kennisgeving wordt vermeld:
a. dat stukken betreffende het voornemen openbaar zullen worden
gemaakt, en waar en wanneer,
b. dat er gelegenheid wordt geboden zienswijzen over het
voornemen naar voren te brengen, aan wie, op welke wijze en binnen
welke termijn,
c. of de commissie of een andere onafhankelijke instantie in de
gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen over het
voornemen, en
d. of met betrekking tot het ontwerp van het plan toepassing
moet worden gegeven aan artikel 7.11.
3. In de kennisgeving wordt voorts vermeld, indien het
milieueffectrapport betrekking heeft op een krachtens artikel 7.2,
tweede lid, aangewezen plan, en de daarin voorgenomen, krachtens het
eerste lid van dat artikel aangewezen, activiteit plaatsvindt in een
gebied dat onderdeel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur: dat
de in het plan voorgenomen activiteit plaatsvindt in de ecologische
hoofdstructuur.
4. Kennisgeving vindt plaats in een publicatie in een ander land
ingeval er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor
het milieu in dat andere land.
Artikel 7.10
1. Een milieueffectrapport is gereed op het moment dat het ontwerp
van het plan ter inzage wordt gelegd.
2. Het milieueffectrapport kan worden opgenomen bij of in het plan,
mits het daarbij of daarin als zodanig herkenbaar is weergegeven.
§ 7.5. Het plan
Artikel 7.11
1. Indien de procedure van totstandkoming van een plan er niet in
voorziet dat het ontwerp van dat plan ter inzage wordt gelegd en een
ieder in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze over dat ontwerp
naar voren te brengen, wordt in afwijking van die procedure:
a. met betrekking tot het ontwerp van dat plan toepassing
gegeven aan de artikelen 3:11 en 3:12 van de Algemene wet
bestuursrecht, en
b. een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over het
ontwerp naar voren te brengen, overeenkomstig de artikelen 3:15 en
3:16 van die wet.
2. Indien het milieueffectrapport niet is opgenomen in het ontwerp
van het plan:
a. wordt bij de terinzagelegging, bedoeld in artikel 3:11, van
de Algemene wet bestuursrecht, tevens het rapport ter inzage
gelegd,
b. wordt bij de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12, van die
wet, tevens kennisgegeven van het rapport, en
c. kan een zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 van die wet
tevens betrekking hebben op het rapport.
3. Indien het eerste lid, onder a, van toepassing is, wordt, indien
krachtens wettelijk voorschrift een plan binnen een bepaalde termijn
moet worden vastgesteld, welke termijn korter is dan de termijn,
bedoeld in artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht, die termijn
verlengd tot de termijn, bedoeld in artikel 3:16 van de Algemene wet
bestuursrecht, vermeerderd met twee weken.
Artikel 7.12
1. Indien het milieueffectrapport betrekking heeft op een krachtens
artikel 7.2, tweede lid, aangewezen plan of op een plan als bedoeld in
artikel 7.2a, eerste lid, wordt de commissie uiterlijk op het moment
dat de inartikel 7.11 genoemde stukken ter inzage worden gelegd in de
gelegenheid gesteld advies uit te brengen over dat rapport
overeenkomstig de termijn die geldt voor het inbrengen van
zienswijzen.
2. Indien er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige
grensoverschrijdende gevolgen voor het milieu, gaat de commissie,
indien zij advies uitbrengt, daar in haar advies op in.
Artikel 7.13
Het bevoegd gezag stelt een plan niet vast:
a. dan nadat het toepassing heeft gegeven aan de paragrafen 7.3
en7.4;
b. indien het plan ten opzichte van het ontwerp van dat plan
zodanig is gewijzigd dat de gegevens die in het milieueffectrapport
zijn opgenomen redelijkerwijs niet meer aan het plan ten grondslag
kunnen worden gelegd.
Artikel 7.14
1. In of bij het plan wordt in ieder geval vermeld:
a. de wijze waarop rekening is gehouden met de in het
milieueffectrapport beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu
van de activiteit waarop het plan betrekking heeft;
b. hetgeen is overwogen omtrent de in het milieueffectrapport
beschreven alternatieven;
c. hetgeen is overwogen omtrent de bij het ontwerp van het plan
terzake van het milieueffectrapport naar voren gebrachte
zienswijzen;
d. hetgeen is overwogen omtrent het door de commissie
overeenkomstig artikel 7.12uitgebrachte advies.
2. Indien van toepassing wordt in het plan tevens vermeld:
a. hetgeen in het milieueffectrapport of in het advies, bedoeld
in artikel 7.12, omtrent mogelijke belangrijke nadelige
grensoverschrijdende milieugevolgen is overwogen;
b. hetgeen is overwogen omtrent de uitkomsten van het overleg,
bedoeld in artikel 7.38a, vijfde lid.
3. Het bevoegd gezag bepaalt bij het plan de termijn of de
termijnen waarop met het onderzoek, bedoeld in artikel 7.39, wordt
begonnen, alsmede de wijze waarop het dat onderzoek zal verrichten.
4. Degene die de in dat plan voorgenomen activiteit onderneemt,
verleent aan het bevoegd gezag desgevraagd alle medewerking en
verstrekt alle inlichtingen, die het redelijkerwijs voor het
verrichten van het onderzoek, bedoeld in het derde lid, behoeft.
Artikel 7.15
1. Indien de procedure van totstandkoming van een plan niet
voorziet in:
a. een openbare kennisgeving van een vastgesteld plan, wordt
dat plan bekend gemaakt op de wijze, voorzien in artikel 3:42 van
de Algemene wet bestuursrecht;
b. mededeling door toezending van een exemplaar van een
vastgesteld plan aan de commissie en degenen die bij de
voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht,
wordt mededeling gedaan zoals voorzien in artikel 3:43 van de
Algemene wet bestuursrecht.
2. Indien het milieueffectrapport niet is opgenomen in het plan
wordt van dat rapport kennisgegeven tegelijk met het plan.
§ 7.6. Besluiten ten aanzien waarvan moet worden beoordeeld of een
milieueffectrapport moet worden gemaakt
Artikel 7.16
1. Indien degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen
krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, voornemens is een verzoek
in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde
lid van dat artikel, deelt hij dat voornemen schriftelijk mee aan het
bevoegd gezag.
2. Bij de mededeling, bedoeld in het eerste lid, wordt in elk geval
aandacht besteed aan de in artikel 7.17, eerste lid, bedoelde nadelige
gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben.
3. Bij een mededeling als bedoeld in het eerste lid kan degene die
de activiteit wil ondernemen, verklaren dat hij bij de voorbereiding
van het besluit een milieueffectrapport maakt.
Artikel 7.17
1. Behoudens in het geval dat toepassing is gegeven aan artikel
7.16, derde lid, neemt het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de
datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de
voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de
belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een
milieueffectrapport moet worden gemaakt.
2. Indien met betrekking tot de activiteit meer dan één besluit
is aangewezen, nemen de bevoegde bestuursorganen de in het eerste lid
bedoelde beslissing gezamenlijk.
3. Het bevoegd gezag houdt bij zijn beslissing rekening met de in
bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling aangegeven
criteria.
4. Het bevoegd gezag doet mededeling van zijn beslissing door:
a. kennisgeving in een of meer dag-, nieuws- of
huis-aan-huis-bladen, en indien is beslist dat voor de activiteit
geen milieueffectrapport moet worden gemaakt, kennisgeving in de
Staatscourant;
b. kennisgeving in een publicatie in een ander land indien er
sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het
milieu in dat andere land;
c. terinzagelegging.
5. In kennisgevingen als bedoeld in het vierde lid vermeldt het
bevoegd gezag ten minste:
a. het tijdstip waarop een exemplaar van de beslissing ter
inzage wordt gelegd, alsmede de uren waarop en de plaats waar het
ter inzage ligt;
b. de strekking van de beslissing.
Artikel 7.18
Degene die een activiteit, aangewezen krachtensartikel 7.2, eerste
lid, onder b, wil ondernemen, maakt een milieueffectrapport, indien:
a. het bevoegd gezag heeft beslist dat bij de voorbereiding van
het betrokken besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt;
b. hij een verklaring gegeven heeft als bedoeld in artikel 7.16,
derde lid.
Artikel 7.19
1. Indien het bevoegd gezag degene is die een activiteit,
aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, wil ondernemen,
neemt het in een zo vroeg mogelijk stadium voor de voorbereiding van
het besluit dat krachtens het vierde lid van dat artikel is aangewezen
een beslissing omtrent de vraag of vanwege de belangrijke nadelige
gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben, een
milieueffectrapport moet worden gemaakt. Artikel 7.17, tweede en derde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Onder een zo vroeg mogelijk stadium wordt het volgende verstaan:
a. indien het een besluit betreft waarvan krachtens wettelijk
voorschrift het voorontwerp van het besluit ter inzage wordt
gelegd, het stadium voorafgaand aan de terinzagelegging van dat
voorontwerp, of
b. indien onderdeel a niet van toepassing is, het stadium
voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp-besluit.
3. Het bevoegd gezag neemt de beslissing na overleg met de
bestuursorganen die bij of krachtens een wet moeten worden betrokken
bij de voorbereiding van het betrokken besluit.
4. Het bevoegd gezag doet van zijn beslissing mededeling door:
a. kennisgeving in een of meer dag-, nieuws- of
huis-aan-huis-bladen, en indien is beslist dat voor de activiteit
geen milieueffectrapport wordt gemaakt, kennisgeving in de
Staatscourant;
b. kennisgeving in een publicatie in een ander land indien er
sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het
milieu in dat andere land;
c. terinzagelegging.
5. In de kennisgevingen, bedoeld in het vierde lid, vermeldt het
bevoegd gezag ten minste:
a. het tijdstip waarop een exemplaar van de beslissing ter
inzage wordt gelegd, alsmede de uren waarop en de plaats waar het
ter inzage ligt;
b. de strekking van de beslissing.
Artikel 7.20
Deartikelen 7.16 tot en met 7.19 vinden geen toepassing ten aanzien
van een activiteit, aangewezen in een algemene maatregel van bestuur
krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, voor zover die activiteit
bij een provinciale verordening krachtens artikel 7.6, eerste lid,
overeenkomstig de omschrijving in die algemene maatregel van bestuur is
aangewezen en het een besluit betreft dat ter zake van die activiteit
bij die verordening overeenkomstig die maatregel is aangewezen.
§ 7.7. Het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een besluit
Artikel 7.21
1. Het bevoegd gezag kan op verzoek van degene die de activiteit
onderneemt ontheffing verlenen van de verplichting tot het maken van
een milieueffectrapport bij de voorbereiding van een krachtens artikel
7.2, derde lid, dan wel artikel 7.6, derde lid, aangewezen besluit in
gevallen waarin het algemeen belang het onverwijld ondernemen van de
activiteit waarop die besluiten betrekking hebben, noodzakelijk maakt.
2. Een verzoek om ontheffing bevat in elk geval:
a. een beschrijving van de voorgenomen activiteit;
b. een beschrijving van de omstandigheden waaronder de
activiteit zal worden uitgevoerd;
c. de redenen voor het verzoek, en
d. een aanduiding van de mogelijke belangrijke nadelige
gevolgen voor het milieu.
3. Indien in een verzoek als bedoeld in het tweede lid wordt
verwezen naar stukken, gaat het verzoek vergezeld van die stukken.
4. De beslissing op het verzoek wordt genomen uiterlijk negen weken
na de ontvangst daarvan. Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van
de beslissing mededeling gedaan aan Onze Ministers.
5. Uiterlijk twee weken na de mededeling, bedoeld in het vierde
lid, doet het bevoegd gezag gelijktijdig mededeling van de beslissing
op het verzoek, bedoeld in dat lid, door kennisgeving in een of meer
dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen, en in de Staatscourant, en
wordt een exemplaar van de beslissing ter inzage gelegd, ten aanzien
waarvan in de kennisgeving de plaats, het tijdstip en de uren worden
vermeld.
Artikel 7.22
1. In gevallen waarin een besluit wordt genomen op verzoek van
degene die de betrokken activiteit onderneemt, maakt deze het
milieueffectrapport.
2. In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen maakt het
bevoegd gezag het milieueffectrapport.
Artikel 7.23
1. Een milieueffectrapport bevat de volgende gegevens:
a. een beschrijving van hetgeen met de voorgenomen activiteit
wordt beoogd;
b. een beschrijving van de voorgenomen activiteit en van de
wijze waarop zij zal worden uitgevoerd, alsmede van de
alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen
te worden genomen, en de motivering van de keuze voor de in
beschouwing genomen alternatieven;
c. een aanduiding van het besluit of de besluiten bij de
voorbereiding waarvan het milieueffectrapport wordt gemaakt, en
een overzicht van de eerder genomen beslissingen van
bestuursorganen, die betrekking hebben op de voorgenomen
activiteit en de beschreven alternatieven.
d. een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu,
voor zover de voorgenomen activiteit of de beschreven
alternatieven daarvoor gevolgen kunnen hebben, alsmede van de te
verwachten ontwikkeling van dat milieu, indien die activiteit noch
de alternatieven worden ondernomen;
e. een beschrijving van de gevolgen voor het milieu, die de
voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven
alternatieven kunnen hebben, alsmede een motivering van de wijze
waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven;
f. een vergelijking van de ingevolge onderdeel d beschreven te
verwachten ontwikkeling van het milieu met de beschreven mogelijke
gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit, alsmede
met de beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van elk der
in beschouwing genomen alternatieven;
g. een beschrijving van de maatregelen om belangrijke nadelige
milieueffecten van de activiteit te voorkomen, te beperken of
zoveel mogelijk teniet te doen;
h. een overzicht van de leemten in de beschrijvingen, bedoeld
in de onderdelen d en e, ten gevolge van het ontbreken van de
benodigde gegevens;
i. een samenvatting die aan een algemeen publiek voldoende
inzicht geeft voor de beoordeling van het milieueffectrapport en
van de daarin beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van de
voorgenomen activiteit en van de beschreven alternatieven;
j. alsmede de gegevens die zijn aangewezen in bijlage IV van de
EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling, voor zover het
milieueffectrapport deze gegevens niet reeds op grond van de
onderdelen a tot en met i bevat.
2. Het milieueffectrapport is gesteld in de Nederlandse taal. Het
bevoegd gezag kan aan degene die de activiteit onderneemt, bij het
geven van het in artikel 7.26 onderscheidenlijk artikel 7.27 bedoelde
advies toestemming verlenen het rapport in een daarbij aan te wijzen
andere taal te stellen. De in het eerste lid, onder i, bedoelde
samenvatting is steeds in de Nederlandse taal gesteld. Indien een
activiteit bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet
worden gemaakt, belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het
milieu in een ander land, zendt degene die de activiteit onderneemt,
op verzoek van het bevoegd gezag binnen een bij dat verzoek te bepalen
termijn een vertaling van de samenvatting in de landstaal van het
gebied in het andere land waar de activiteit belangrijke nadelige
gevolgen kan hebben.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde
gegevens worden bepaald en beschreven.
§ 7.8. De voorbereiding van het milieueffectrapport dat betrekking
heeft op een besluit waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht en afdeling 13.2 van toepassing zijn, met uitzondering van
een besluit met betrekking tot een activiteit waarvoor tevens een
besluit is vereist waarvoor op grond van artikel 19f, eerste lid, van de
Natuurbeschermingswet 1998 een passende beoordeling moet worden gemaakt
Artikel 7.24
1. Degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens
de artikelen 7.2, eerste lid, onder a, onder b in samenhang met
artikel 7.18, of7.6, eerste lid, en die voornemens is een aanvraag in
te dienen tot het nemen van een besluit, aangewezen krachtens artikel
7.2, derde of vierde lid, of 7.6, derde lid, en waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van toepassing
zijn, deelt dat voornemen schriftelijk mee aan het bevoegd gezag.
2. Op verzoek van de aanvrager brengt het bevoegd gezag advies uit
inzake de reikwijdte en het detailniveau van de informatie ten behoeve
van een milieueffectrapport.
3. Bij afwezigheid van een verzoek als bedoeld in het tweede lid
kan het bevoegd gezag ambtshalve advies uitbrengen.
Artikel 7.25
Het bevoegd gezag raadpleegt de adviseurs en de bestuursorganen, die
ingevolge het wettelijk voorschrift waarop het besluit berust bij de
voorbereiding van het besluit worden betrokken, ten behoeve van het
geven van advies als bedoeld in artikel 7.24, tweede en derde lid, en
pleegt voorts overleg over dat advies met degene die de activiteit
onderneemt.
Artikel 7.26
Het bevoegd gezag geeft uiterlijk zes weken na ontvangst van het
verzoek dan wel bij ontstentenis daarvan uiterlijk zes weken na de
mededeling van het voornemen, een advies als bedoeld inartikel 7.24. Het
bevoegd gezag kan de termijn eenmaal met ten hoogste zes weken
verlengen.
Artikel 7.26a
Op de voorbereiding van een milieueffectrapport, ten aanzien van een
activiteit als bedoeld in artikel 7.24, eerste lid, dat betrekking heeft
op een besluit als bedoeld in dat lid en voor welke activiteit tevens
een besluit is vereist waarvoor op grond van artikel 19f, eerste lid,
van de Natuurbeschermingswet 1998 een passende beoordeling moet worden
gemaakt, is in afwijking van de artikelen 7.24 tot en met 7.26, artikel
7.27 van overeenkomstige toepassing.
§ 7.9. De voorbereiding van het milieueffectrapport dat betrekking
heeft op een besluit waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht of afdeling 13.2 niet van toepassing zijn alsmede een
besluit waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en
afdeling 13.2 van toepassing zijn met betrekking tot een activiteit
waarvoor tevens een besluit is vereist waarvoor op grond van artikel
19f, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 een passende
beoordeling moet worden gemaakt
Artikel 7.27
1. Degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens
artikel 7.2, eerste lid, onder a, dan wel onder b, in samenhang met
artikel 7.18, of7.6, eerste lid, en die voornemens is een aanvraag in
te dienen tot het nemen van een besluit, aangewezen krachtens artikel
7.2, derde of vierde lid, en waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht ofafdeling 13.2 niet van toepassing zijn, deelt dat
voornemen zo spoedig mogelijk schriftelijk mee aan het bevoegd gezag.
2. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de mededeling, bedoeld in
het eerste lid, dan wel alvorens het milieueffectrapport op te
stellen, indien een bestuursorgaan degene is die de activiteit wil
ondernemen, raadpleegt het bevoegd gezag de adviseurs en de
bestuursorganen die ingevolge het wettelijk voorschrift waarop het
besluit berust bij de voorbereiding van het besluit worden betrokken,
over de reikwijdte en het detailniveau van de informatie die is
gericht op wat relevant is voor het besluit en die op grond van
artikel 7.23 in het milieueffectrapport moet worden opgenomen.
3. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de mededeling dan wel na
het opvatten van het voornemen door een bestuursorgaan, maar uiterlijk
op het moment dat het toepassing geeft aan het tweede lid, geeft het
bevoegd gezag kennis van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, dan
wel van zijn eigen voornemen, met overeenkomstige toepassing van
artikel 3:12, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4. In de kennisgeving wordt vermeld:
a. dat stukken betreffende het voornemen openbaar zullen worden
gemaakt, en waar en wanneer,
b. dat er gelegenheid wordt geboden zienswijzen over het
voornemen naar voren te brengen, aan wie, op welke wijze en binnen
welke termijn, en
c. of de commissie of een andere onafhankelijke instantie in de
gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen over het
voornemen.
5. In de kennisgeving wordt voorts vermeld indien het
milieueffectrapport betrekking heeft op een krachtens artikel 7.2,
derde of vierde lid, aangewezen besluit en voor de daarin voorgenomen,
krachtens het eerste lid, onder a, van dat artikel aangewezen,
activiteit een passende beoordeling moet worden gemaakt in verband met
de mogelijke significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied: dat
voor de activiteit een passende beoordeling moet worden gemaakt in
verband met de mogelijke significante gevolgen voor een Natura
2000-gebied.
6. Kennisgeving vindt plaats in een publicatie in een ander land
ingeval er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor
het milieu in dat andere land.
7. In het geval het bevoegd gezag niet degene is die de activiteit
wil ondernemen, geeft het uiterlijk zes weken na ontvangst van de
mededeling, een advies inzake de reikwijdte en het detailniveau van de
informatie ten behoeve van een milieueffectrapport. Het bevoegd gezag
kan de termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen.
§ 7.10. Het besluit
Artikel 7.28
1. Het bevoegd gezag laat een aanvraag om een besluit buiten
behandeling indien
a. bij het indienen van de aanvraag geen milieueffectrapport is
overgelegd, tenzij van de plicht tot het opstellen van een
milieueffectrapport op grond van artikel 7.21 ontheffing is
verleend;
b. het overgelegde milieueffectrapport, mede gelet op het
advies wanneer dat daarover op grond van artikel 7.26
onderscheidenlijk artikel 7.27 is gegeven, niet voldoet aan
artikel 7.23, dan wel onjuistheden bevat;
c. in gevallen waarin krachtens artikel 14.5 ter voorbereiding
van meer dan een besluit één milieueffectrapport wordt gemaakt,
de van de aanvrager afkomstige aanvragen tot het nemen van de
andere betrokken besluiten niet tegelijkertijd worden ingediend.
2. Het bevoegd gezag laat de aanvraag tevens buiten behandeling
indien deze een besluit als bedoeld in artikel 7.2, vierde lid,
betreft, dat krachtens wettelijk voorschrift op aanvraag wordt
genomen, en waarover krachtens artikel 7.17, eerste lid, geen
beslissing is genomen dan wel is beslist dat een milieueffectrapport
moet worden gemaakt hetwelk niet is overgelegd.
Artikel 7.29
1. Indien van een aanvraag als bedoeld in artikel 7.28, openbaar
kennis wordt gegeven, wordt van het milieueffectrapport gelijktijdig
openbaar kennisgegeven.
2. In het geval er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige
gevolgen voor het milieu in een ander land, geschiedt de openbare
kennisgeving van de aanvraag en het milieueffectrapport in een
publicatie in dat andere land.
Artikel 7.30
1. Indien de procedure van totstandkoming van het besluit voorziet
in openbare kennisgeving van het voorontwerp of het ontwerp van een
besluit, wordt van het milieueffectrapport gelijktijdig openbaar
kennisgegeven, behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 7.29.
Indien die procedure voorziet in openbare kennisgeving van zowel een
voorontwerp als een ontwerp van het besluit, wordt van het
milieueffectrapport gelijktijdig met het voorontwerp kennisgegeven.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de openbare
kennisgeving in een publicatie in een ander land in het geval er
sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu
in dat andere land.
3. Indien de procedure van totstandkoming van het besluit niet
voorziet in openbare kennisgeving van de aanvraag, het voorontwerp of
het ontwerp van een besluit, wordt in afwijking van die procedure, van
het milieueffectrapport gelijktijdig met het ontwerp van het besluit
openbaar kennisgegeven met toepassing van artikel 3:12 van de Algemene
wet bestuursrecht.
Artikel 7.31 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 7.32
1. Indien een aanvraag als bedoeld in artikel 7.28, dan wel het
voorontwerp of het ontwerp van een besluit als bedoeld in artikel
7.30, ter inzage wordt gelegd en een ieder in de gelegenheid wordt
gesteld daarover zienswijzen naar voren te brengen, kunnen zienswijzen
over het milieueffectrapport gelijktijdig naar voren worden gebracht
met zienswijzen over die aanvraag dan wel dat voorontwerp of ontwerp,
waarmee het milieueffectrapport ter inzage is gelegd.
2. Indien de procedure van totstandkoming van een besluit er niet
in voorziet dat de aanvraag, het voorontwerp of het ontwerp van het
besluit ter inzage wordt gelegd en een ieder in de gelegenheid wordt
gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen, zijn in
afwijking van die procedure de artikelen 3:11, 3:12, 3:15 en 3:16 van
de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen over het
milieueffectrapport kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
Zienswijzen over het milieueffectrapport kunnen gelijktijdig naar
voren worden gebracht met de zienswijzen over het ontwerp van het
besluit.
3. De zienswijzen op het milieueffectrapport kunnen slechts
betrekking hebben op de inhoud van het milieueffectrapport, het niet
voldoen van het rapport aan de bij of krachtens artikel 7.23 gestelde
regels dan wel op onjuistheden die het rapport bevat.
4. Indien het eerste lid van toepassing is en de procedure van
totstandkoming van een besluit voorziet in de vaststelling van een
besluit binnen een bepaalde termijn, dan wordt die termijn, wanneer
deze korter is dan de termijn, bedoeld in artikel 3:16 van de Algemene
wet bestuursrecht, verlengd tot de termijn, bedoeld in artikel 3:16
van de Algemene wet bestuursrecht vermeerderd met twee weken.
5. Artikel 7.12 is van overeenkomstige toepassing op een besluit
waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht of afdeling 13.2
niet van toepassing zijn, en op een besluit ter zake van een
activiteit als bedoeld in artikel 7.26a.
Artikel 7.33 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 7.34 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7.35
1. Bij het nemen van een besluit houdt het bevoegd gezag rekening
met alle gevolgen die de activiteit waarop het besluit betrekking
heeft, voor het milieu kan hebben.
2. Behoudens voor zover bij of krachtens het derde tot en met zesde
lid anders is voorzien, is het eerste lid slechts van toepassing voor
zover de wettelijke regeling waarop het besluit berust, zich daartegen
niet verzet.
3. Het bevoegd gezag kan, indien ter zake van een activiteit
slechts één besluit is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter
zake in de wettelijke regeling waarop het besluit berust, zijn
gesteld:
a. naast de voorwaarden, voorschriften en beperkingen tot het
opnemen waarvan het ingevolge die wettelijke regeling bevoegd is,
in het besluit tevens alle andere voorwaarden, voorschriften en
beperkingen opnemen, die nodig zijn ter bescherming van het
milieu;
b. een beslissing nemen, ertoe strekkende dat de activiteit
niet wordt ondernomen, indien het ondernemen van die activiteit
tot ontoelaatbare nadelige gevolgen voor het milieu kan leiden.
4. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het derde lid
is, ongeacht hetgeen ter zake in de betrokken wettelijke regeling is
bepaald, afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing.
5. Indien op de voorbereiding van meer dan een van de ter zake van
eenzelfde activiteit aangewezen besluiten afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht van toepassing is, wordt een van die besluiten
aangewezen als het besluit waarop het derde lid van toepassing is. Bij
die aanwijzing kan worden bepaald dat zij slechts geldt in daarbij
aangegeven gevallen. De aanwijzing geschiedt bij algemene maatregel
van bestuur.
6. Met betrekking tot het krachtens het vijfde lid aangewezen
besluit is het derde lid van toepassing, met dien verstande dat
slechts voorwaarden, voorschriften en beperkingen kunnen worden
gesteld met betrekking tot onderwerpen waaromtrent geen voorwaarden,
voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld bij de andere in
het vijfde lid bedoelde besluiten.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld
met betrekking tot de toepassing van het derde lid.
Artikel 7.36
Een krachtens een andere wettelijke regeling te nemen besluit wordt,
ook voor zover daarbij artikel 7.35 wordt toegepast, geacht krachtens
die regeling te worden genomen.
Artikel 7.36a
Het bevoegd gezag neemt een besluit niet:
a. dan nadat het toepassing heeft gegeven aan de artikelen 7.22
en 7.23 en aanparagraaf 7.8 of7.9;
b. indien de gegevens die in het milieueffectrapport zijn
opgenomen redelijkerwijs niet meer aan het besluit ten grondslag
kunnen worden gelegd.
Artikel 7.37
1. In het besluit wordt in ieder geval vermeld:
a. de wijze waarop rekening is gehouden met de in het
milieueffectrapport beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu
van de activiteit waarop het besluit betrekking heeft;
b. hetgeen is overwogen omtrent de in het milieueffectrapport
beschreven alternatieven;
c. hetgeen is overwogen omtrent de overeenkomstig artikel 7.32
ter zake van het milieueffectrapport naar voren gebrachte
zienswijzen.
2. In het besluit wordt tevens vermeld:
a. indien de commissie overeenkomstig artikel 7.32, vijfde lid,
in samenhang metartikel 7.12, advies heeft uitgebracht, hetgeen is
overwogen omtrent dat advies;
b. indien van toepassing, hetgeen in het milieueffectrapport
omtrent mogelijke belangrijke nadelige grensoverschrijdende
milieugevolgen is overwogen, en
c. indien van toepassing, hetgeen is overwogen omtrent de
uitkomsten van het overleg, bedoeld in artikel 7.38a, vijfde lid.
3. Het bevoegd gezag bepaalt bij het besluit de termijn of de
termijnen waarop met het onderzoek, bedoeld in artikel 7.39, wordt
begonnen, alsmede de wijze waarop het dat onderzoek zal verrichten.
4. Degene die de in dat besluit voorgenomen activiteit onderneemt,
verleent aan het bevoegd gezag desgevraagd alle medewerking en
verstrekt alle inlichtingen, die het redelijkerwijs voor het
verrichten van het onderzoek, bedoeld in het derde lid, behoeft.
Artikel 7.38
Indien de procedure van totstandkoming van een besluit niet voorziet
in:
a. bekendmaking van een besluit, wordt dat besluit bekend gemaakt
op de wijze, voorzien in afdeling 3.6 van de Algemene wet
bestuursrecht;
b. mededeling door toezending van een exemplaar van een besluit
aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren
hebben gebracht en, voor zover van toepassing, aan de commissie, de
adviseurs en de bestuursorganen die bij de voorbereiding worden
betrokken, wordt mededeling gedaan zoals voorzien in artikel 3:44
van de Algemene wet bestuursrecht.
§ 7.11. Activiteiten met mogelijke grensoverschrijdende
milieugevolgen
Artikel 7.38a
1. Nadat uit de in het kader van dit hoofdstuk verzamelde
informatie duidelijk is geworden dat er sprake is van mogelijke
belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een ander land als
gevolg van een voorgenomen activiteit, wordt de regering of een door
die regering aan te wijzen autoriteit van dat andere land zo spoedig
mogelijk geïnformeerd.
2. Indien een in een plan voorgenomen activiteit belangrijke
nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben in een ander land, wordt,
onverminderd het eerste lid, aan de regering van dat land of aan een
door die regering aan te wijzen autoriteit van dat land verstrekt:
a. het ontwerp van het plan, en, indien het milieueffectrapport
niet is opgenomen in dat ontwerp, het milieueffectrapport,
gelijktijdig met de terinzagelegging daarvan in Nederland;
b. het vastgestelde plan, en, indien het milieueffectrapport
niet is opgenomen in dat plan, het milieueffectrapport,
gelijktijdig met de bekendmaking daarvan in Nederland.
3. Indien een in een besluit voorgenomen activiteit belangrijke
nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu in een ander land, wordt,
onverminderd het eerste lid, aan de regering van dat land of een door
die regering aan te wijzen autoriteit van dat land verstrekt:
a. de aanvraag, bedoeld in artikel 7.28, onderscheidenlijk het
voorontwerp of het ontwerp van het besluit alsmede de
milieueffectrapportage en, indien van toepassing, een advies als
bedoeld in artikel 7.26onderscheidenlijk artikel 7.27,
gelijktijdig met de terinzagelegging daarvan in Nederland;
b. het besluit en het milieueffectrapport gelijktijdig met de
bekendmaking daarvan in Nederland.
4. Op de instanties die daartoe door de bevoegde autoriteit van het
andere land zijn aangewezen op grond van hun specifieke
verantwoordelijkheid op milieugebied zijn de artikelen 3:16, eerste en
tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 7.9,
tweede lid, onder c,artikel 7.25, onderscheidenlijk artikel 7.27,
vierde lid, van overeenkomstige toepassing. Tevens worden de in het
tweede en derde lid bedoelde bescheiden toegezonden aan deze
instanties.
5. De ingevolge het tweede of derde lid te verstrekken stukken
dienen als grondslag voor het overleg met bestuursorganen in het
betrokken andere land over de belangrijke nadelige gevolgen die de
activiteit voor het milieu in dat andere land kan hebben, en de
maatregelen die worden overwogen om die gevolgen te voorkomen of te
beperken.
6. Het bevoegd gezag is belast met de taken die voortvloeien uit de
toepassing van het eerste tot en met vierde lid. Het bevoegd gezag
geeft informatie en zendt de ingevolge het tweede en derde lid
verstrekte stukken tevens aan Onze Minister, welke stukken eveneens
dienen als grondslag voor het door het bevoegd gezag te voeren
overleg, bedoeld in het vijfde lid.
7. Onze Minister is in algemene zin belast met het onderhouden van
contacten met de regering van het andere land en is betrokken bij
overleg op regeringsniveau indien het overleg over een voorgenomen
activiteit tussen het bevoegd gezag en de bestuursorganen van dat land
niet tot het gewenste resultaat heeft geleid.
8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het bepaalde in het tweede tot en met vijfde lid.
Artikel 7.38b [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7.38c [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7.38d
Indien een ander land belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu
meent te kunnen ondervinden van een in een plan dan wel besluit
voorgenomen activiteit in Nederland, geven het bevoegd gezag,
onderscheidenlijk Onze Minister op verzoek van dat land toepassing aan
artikel 7.38a, eerste tot en met vijfde lid, met inachtneming van de
taakverdeling tussen het bevoegd gezag en Onze Minister, bedoeld in
artikel 7.38a, zesde en zevende lid.
Artikel 7.38e
Indien een ander land belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu
kan ondervinden van een in een plan, dan wel besluit voorgenomen
activiteit in Nederland kan Onze Minister bepalen dat het bevoegd gezag
dat plan dan wel besluit niet vaststelt dan nadat Onze Minister
gedurende dertien weken na het einde van de termijn waarbinnen
zienswijzen over het ontwerp van dat plan dan wel over de aanvraag, het
voorontwerp of ontwerp van dat besluit naar voren kunnen worden
gebracht, in de gelegenheid is gesteld de uitkomsten van het overleg,
bedoeld in artikel 7.38a, zevende lid, aan het bevoegd gezag te doen
toekomen.
Artikel 7.38f [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7.38g
Indien een voorgenomen activiteit in een ander land belangrijke
nadelige gevolgen voor het milieu in Nederland kan hebben, draagt Onze
Minister zorg voor het onderhouden van de contacten met dat land indien
er geen contact over een voorgenomen activiteit tot stand is gekomen
tussen de direct betrokken bestuursorganen in Nederland en de
bestuursorganen van het andere land dan wel indien het contact niet tot
het gewenste resultaat heeft geleid.
§ 7.12. Evaluatie
Artikel 7.39
1. Het bevoegd gezag dat een plan heeft vastgesteld of een besluit
heeft genomen, onderzoekt de gevolgen die de uitvoering van dat plan,
dan wel van dat besluit heeft voor het milieu, wanneer de in het plan,
dan wel in het besluit voorgenomen activiteit wordt ondernomen of
nadat zij is ondernomen.
2. Indien een in een plan opgenomen activiteit slechts kan worden
ondernomen nadat daarvoor een besluit is genomen, berust de
verplichting, bedoeld in het eerste lid, bij het gezag dat dat besluit
heeft genomen.
Artikel 7.40 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7.41
1. Het bevoegd gezag stelt een verslag op van het onderzoek.
2. Indien het milieueffectrapport betrekking heeft op een plan
zendt het bevoegd gezag het verslag aan de adviseurs, de
bestuursorganen, bedoeld inartikel 7.8, en aan de commissie.
3. Indien het milieueffectrapport betrekking heeft op een besluit
zendt het bevoegd gezag het verslag aan degene die de activiteit
onderneemt, aan de bestuursorganen en aan de adviseurs. Het maakt het
verslag gelijktijdig bekend met overeenkomstige toepassing van artikel
3:12, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4. Indien het milieueffectrapport betrekking heeft op een besluit
waarover de commissie overeenkomstig artikel 7.32, vijfde lid, in
samenhang metartikel 7.12, advies heeft uitgebracht, zendt het bevoegd
gezag het verslag tevens aan die commissie.
Artikel 7.42
1. Indien uit het in artikel 7.39 bedoelde onderzoek blijkt dat de
activiteit in belangrijke mate nadeliger gevolgen voor het milieu
heeft dan die welke bij het vaststellen van het plan, dan wel bij het
nemen van het besluit werden verwacht, neemt het bevoegd gezag, indien
dat naar zijn oordeel nodig is, de hem ter beschikking staande
maatregelen ten einde die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of
ongedaan te maken.
2. Indien het bevoegd gezag met betrekking tot een besluit tot het
oordeel komt dat het moet worden gewijzigd of ingetrokken, zijn op die
wijziging of intrekking de artikelen 7.35 en 7.36 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 7.43 [Vervallen per 01-07-2010]
Hoofdstuk 8. Inrichtingen
Paragraaf 8.1
Artikel 8.1 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.2 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.2a [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.2b [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 8.3 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.4 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.5 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.6 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.7 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.8 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.9 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.10 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.11 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.12 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.12a [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.12b [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.13 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.13a [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.14 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.15 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.16 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.17 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.18 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.19 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.20 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.21 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.22 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.23 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.24 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.25 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.26 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.26a [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.27 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.28 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.29 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.30 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.31 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.31a [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.32 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.33 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.34 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.35 [Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.36 [Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.36a [Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.36b [Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.36c [Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.36d [Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.36e [Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.37 [Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.38 [Vervallen per 26-11-2008]
Artikel 8.39 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.39a [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.39b [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.39c [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.39d [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.39e [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.39f [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.40
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld, die nodig zijn ter bescherming van het milieu tegen de
nadelige gevolgen die inrichtingen daarvoor kunnen veroorzaken.
Daarbij kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden
in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
2. Bij de beslissing tot het vaststellen van een algemene maatregel
van bestuur als bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval
betrokken:
a. de bestaande toestand van het milieu, voor zover
inrichtingen die tot de betrokken categorieën behoren, daarvoor
gevolgen kunnen veroorzaken;
b. de gevolgen voor het milieu, die inrichtingen die tot de
betrokken categorieën behoren, kunnen veroorzaken, mede in hun
onderlinge samenhang bezien;
c. de met betrekking tot inrichtingen die tot de betrokken
categorieën behoren, en de omgeving waarin zodanige inrichtingen
zijn of kunnen zijn gelegen, redelijkerwijs te verwachten
ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming
van het milieu;
d. de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de
nadelige gevolgen voor het milieu, die inrichtingen die tot de
betrokken categorieën behoren, kunnen veroorzaken, te voorkomen,
dan wel zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen
worden voorkomen;
e. de voor onderdelen van het milieu, waarvoor de betrokken
categorieën van inrichtingen gevolgen kunnen hebben, geldende
milieukwaliteitseisen, vastgesteld krachtens of overeenkomstig
artikel 5.1 of bij Bijlage 2;
f. de redelijkerwijs te verwachten financiële en economische
gevolgen van de maatregel.
In een toelichting bij de maatregel wordt aangegeven op welke wijze
deze aspecten bij de voorbereiding van de maatregel zijn betrokken.
3. Ten aanzien van bij de regels te stellen voorschriften zijn de
bij of krachtens artikel 2.22, tweede en derde lid, gestelde regels
over activiteiten met betrekking tot inrichtingen als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht, alsmede de artikelen 2.23, 2.30, eerste lid, 2.31,
eerste lid, onder b, 2.33, eerste lid, onder b, en 4.1 van die wet van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het stellen van
financiële zekerheid slechts kan worden voorgeschreven in de vorm van
het sluiten van een verzekering tegen aansprakelijkheid voor schade,
voortvloeiend uit de nadelige gevolgen voor het milieu, die de
inrichting veroorzaakt.
4. Deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen zijn mede van
toepassing op inrichtingen die gevolgen voor het milieu kunnen
veroorzaken binnen de exclusieve economische zone, voor zover dat bij
een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, is
bepaald.
Artikel 8.40a
1. Indien bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in artikel 8.40 een verplichting is opgenomen voor degene die
de inrichting drijft, om daarbij aangegeven maatregelen te treffen,
kan daarbij worden bepaald dat diegene in plaats daarvan andere
maatregelen kan treffen, wanneer met die andere maatregelen ten minste
een gelijkwaardig niveau van bescherming van het milieu wordt bereikt.
2. Degene die de inrichting drijft dient een aanvraag in tot het
kunnen treffen van andere maatregelen bij het bestuursorgaan,
aangegeven bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
eerste lid, welke aanvraag gegevens bevat waaruit blijkt dat met die
andere maatregelen ten minste een gelijkwaardig niveau van bescherming
van het milieu wordt bereikt.
3. Het bestuursorgaan, bedoeld in het tweede lid, beslist binnen
acht weken over de gelijkwaardigheid van de andere maatregelen. Het
bestuursorgaan kan deze termijn eenmaal met ten hoogste zes weken
verlengen.
4. Indien de maatregelen waarop de aanvraag betrekking heeft,
direct verband houden met activiteiten waarvoor een aanvraag om een
omgevingsvergunning is ingediend of die zijn toegestaan krachtens een
omgevingsvergunning, wordt de beslissing op de aanvraag afgestemd op
de betrokken aanvraag om een omgevingsvergunning, onderscheidenlijk de
betrokken omgevingsvergunning.
Artikel 8.41
1. Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40
kan met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van
inrichtingen de verplichting worden opgelegd tot het melden van het
oprichten of het veranderen van een inrichting waarop de maatregel
betrekking heeft, dan wel van het veranderen van de werking daarvan.
2. Bij de maatregel wordt aangegeven:
a. het bestuursorgaan waaraan de melding wordt gericht;
b. het tijdstip, voorafgaand aan het oprichten of veranderen,
waarop de melding uiterlijk moet zijn gedaan;
c. de gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt;
d. in welke gevallen de melding geheel of gedeeltelijk
elektronisch wordt verricht of in welke gevallen het bevoegd gezag
geheel of gedeeltelijk elektronisch gedane meldingen in ontvangst
neemt.
3. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de in
het tweede lid, onder c, bedoelde gegevens en de wijze waarop zij
moeten worden verstrekt.
4. Van de melding wordt openbaar kennisgegeven in één of meer
dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen. Indien op grond van een algemene
maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 ook anderszins gegevens
moeten worden verstrekt, kunnen bij de maatregel regels over de
openbare kennisgeving daarvan worden gesteld. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen bestuursorganen worden aangewezen, waaraan een
exemplaar van de melding of de anderszins verstrekte gegevens moet
worden toegezonden.
Artikel 8.41a
1. Indien activiteiten ten aanzien waarvan ingevolge het bepaalde
krachtensartikel 8.41 een melding moet worden gedaan, tevens zijn aan
te merken als activiteiten die behoren tot een categorie waarvoor
ingevolge artikel 2.1 of 2.2, eerste lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning is vereist, wordt,
indien de melding nog niet gedaan is of de bij de melding te
verstrekken gegevens niet volledig zijn, tegelijkertijd met de
indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning een melding van
die activiteiten overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 8.41
gedaan.
2. Indien niet is voldaan aan het bepaalde in het eerste lid
besluit het bevoegd gezag de aanvraag niet te behandelen, mits de
aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen de door dat bestuursorgaan
gestelde termijn alsnog te melden dan wel de ontbrekende gegevens te
verstrekken.
3. Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de
aanvrager bekendgemaakt nadat de krachtens het tweede lid gestelde
termijn ongebruikt is verstreken of binnen die termijn de gegevens,
bedoeld in het tweede lid, niet of niet volledig zijn verstrekt.
4. In gevallen als bedoeld in het eerste lid wordt de melding
gedaan bij het bestuursorgaan waarbij de aanvraag om een
omgevingsvergunning wordt ingediend.
5. Indien het bestuursorgaan waaraan de melding is gedaan, niet het
bestuursorgaan is waaraan ingevolge het bepaalde krachtens artikel
8.41, tweede lid, onder a, de melding moet worden gericht, zendt het
eerstbedoelde bestuursorgaan onverwijld de bij die melding verstrekte
gegevens door naar het bestuursorgaan, bedoeld in dat onderdeel, onder
gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.
Artikel 8.42
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 8.40 kan met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen de
verplichting worden opgelegd te voldoen aan voorschriften die nodig
zijn ter bescherming van het milieu, gesteld door een bij die
maatregel aangegeven bestuursorgaan.
2. Op het stellen van voorschriften als bedoeld in het eerste lid,
is artikel 8.40, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
3. Het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, kan voorschriften
stellen die afwijken van de regels, gesteld bij of krachtens de
maatregel, bedoeld in dat lid, indien dat bij of krachtens die
maatregel is bepaald. Bij of krachtens de maatregel kan worden bepaald
in welke mate de voorschriften kunnen afwijken en kan worden bepaald
dat slechts kan worden afgeweken in daarbij aangegeven categorieën
van gevallen.
4. Het bestuursorgaan kan de voorschriften aanvullen, wijzigen of
intrekken indien dat nodig is ter bescherming van het milieu.
5. Bij of krachtens de maatregel worden categorieën van gevallen
aangegeven, waarin van de beschikking waarbij het voorschrift wordt
gesteld, mededeling wordt gedaan door kennisgeving in één of meer
dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
6. Voorschriften als bedoeld in het eerste lid die betrekking
hebben op activiteiten die direct verband houden met activiteiten
waarvoor een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend of die
zijn toegestaan krachtens een omgevingsvergunning, worden afgestemd op
de betrokken aanvraag om een omgevingsvergunning, onderscheidenlijk de
betrokken omgevingsvergunning.
7. Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag tot het
stellen van voorschriften zijn de artikelen 3.8 en 3.9, eerste en
tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van
overeenkomstige toepassing, tenzij afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht daarop van toepassing is.
Artikel 8.42a
Het bevoegd gezag kan voorschriften aan een omgevingsvergunning voor
een inrichting verbinden die afwijken van de regels, gesteld bij of
krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel
8.40, indien dat bij of krachtens die maatregel is bepaald. Bij of
krachtens de maatregel kan worden bepaald in welke mate de voorschriften
kunnen afwijken en kan worden bepaald dat slechts kan worden afgeweken
in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
Artikel 8.42b
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 8.40 kan met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen
worden bepaald dat bij provinciale of gemeentelijke verordening
gestelde regels omtrent die onderwerpen van de bij of krachtens de
maatregel gestelde regels kunnen afwijken, in welke mate kan worden
afgeweken en kan worden bepaald dat slechts kan worden afgeweken in
daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
2. Op het stellen van provinciale of gemeentelijke regels als
bedoeld in het eerste lid, isartikel 8.40, tweede en derde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.43
1. Inrichtingen waarin van anderen afkomstige afvalstoffen worden
gestort, brengen bij het in ontvangst nemen van afvalstoffen een
bedrag in rekening waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden:
a. met de kosten van het totstandbrengen, instandhouden en in
werking hebben van de inrichting,
b. met de kosten van de voorzieningen die bewerkstelligen dat
de inrichting, nadat zij buiten gebruik is gesteld, geen nadelige
gevolgen voor het milieu veroorzaakt, daaronder mede begrepen de
kosten van de krachtens artikel 15.44, eerste lid, verschuldigde
heffing, en
c. met de kosten van financiële zekerheid in categorieën van
gevallen waarvoor het stellen van financiële zekerheid krachtens
artikel 4.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is
voorgeschreven.
2. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het
eerste lid.
Artikel 8.44 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 8.45 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 8.46
[Door vernummering vervallen.]
Paragraaf 8.2
Artikel 8.47
1. In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. stortplaats: inrichting waar afvalstoffen worden gestort,
dan wel het gedeelte van een inrichting, waar afvalstoffen worden
gestort, indien in de inrichting niet uitsluitend afvalstoffen
worden gestort, met uitzondering van afvalvoorzieningen;
b. gesloten stortplaats: stortplaats ten aanzien waarvan de in
het derde lid bedoelde verklaring is afgegeven;
c. bedrijfsgebonden stortplaats: stortplaats waar uitsluitend
afvalstoffen worden gestort, die afkomstig zijn van binnen de
inrichting waartoe de stortplaats behoort.
2. Onder stortplaats wordt mede verstaan een gesloten stortplaats.
Tot de stortplaats wordt mede gerekend het gedeelte van de stortplaats
waar het storten van afvalstoffen is beëindigd.
3. Het bevoegd gezag verklaart een stortplaats voor gesloten,
indien:
a. het storten van afvalstoffen is beëindigd,
b. voor zover een daartoe strekkend voorschrift voor de
inrichting geldt, een bovenafdichting is aangebracht, en
c. een eindinspectie door het bevoegd gezag is uitgevoerd
waaruit is gebleken dat aan alle voorschriften, verbonden aan de
omgevingsvergunning voor de inrichting, is voldaan en dat ook geen
andere maatregelen ingevolge de Wet bodembescherming getroffen
dienen te worden door degene die de stortplaats drijft, in geval
van verontreiniging of aantasting van de bodem onder de
stortplaats.
Artikel 8.47a
Het bevoegd gezag stelt Onze Minister zo spoedig mogelijk op de
hoogte van een verklaring als bedoeld in artikel 8.47, derde lid.
Artikel 8.48
1. Deze paragraaf is van toepassing op stortplaatsen waarvoor een
omgevingsvergunning is vereist, waar op of na 1 september 1996
afvalstoffen worden gestort, en
a. waarvoor een algemene maatregel van bestuur geldt als
bedoeld in artikel 8.45, of
b. uitsluitend baggerspecie wordt gestort.
2. Deze paragraaf is, met uitzondering van het eerste lid van dit
artikel, van overeenkomstige toepassing op afvalvoorzieningen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen categorieën van naar haar aard tijdelijke
afvalvoorzieningen.
Artikel 8.49
1. Met betrekking tot een gesloten stortplaats worden zodanige
maatregelen getroffen dat wordt gewaarborgd dat die stortplaats geen
nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, dan wel, voor zover dat
redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de grootst mogelijke
bescherming wordt geboden tegen die nadelige gevolgen.
2. Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder
geval gerekend:
a. maatregelen strekkende tot het in stand houden en
onderhouden, alsmede het herstellen, verbeteren of vervangen van
voorzieningen ter bescherming van de bodem;
b. het regelmatig inspecteren van voorzieningen ter bescherming
van de bodem, en
c. het regelmatig onderzoeken van de bodem onder de
stortplaats.
3. Degene die een stortplaats drijft, stelt een nazorgplan op ter
uitvoering van de maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Het nazorgplan behoeft de instemming van het bevoegd gezag. Het
bevoegd gezag beslist hierover binnen dertien weken na de indiening
van het nazorgplan. Indien het bevoegd gezag niet binnen de gestelde
termijn heeft beslist, is de instemming van rechtswege gegeven. Het
bevoegd gezag maakt de instemming van rechtswege onverwijld nadat de
beslistermijn is verstreken, bekend.
4. Het bevoegd gezag kan degene die een stortplaats drijft, bevelen
het nazorgplan waarmee het heeft ingestemd, aan te passen gezien de
ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot
bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de
kwaliteit van het milieu, dan wel in verband met een verandering van
de stortplaats sedert de datum van instemming met het nazorgplan.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot de
in het eerste en tweede lid bedoelde maatregelen alsmede met
betrekking tot het in het derde lid bedoelde nazorgplan nadere regels
worden gesteld.
Artikel 8.50
1. Het bevoegd gezag is belast met de maatregelen, bedoeld in
artikel 8.49.
2. Het bevoegd gezag kan de zorg voor de uitvoering van de
werkzaamheden die verband houden met de in artikel 8.49 bedoelde
maatregelen, opdragen aan een daartoe door hem aangewezen
rechtspersoon of instantie.
3. In afwijking van het eerste lid berust de zorg voor de
uitvoering van de werkzaamheden die verband houden met de in artikel
8.49 bedoelde maatregelen met betrekking tot:
a. gesloten stortplaatsen waar baggerspecie is gestort en die
worden gedreven of mede worden gedreven door Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat, bij die minister;
b. gesloten afvalvoorzieningen waarin zich een mijnbouwwerk als
bedoeld in artikel 1, onder n, van de Mijnbouwwet bevindt, bij
degene die de afvalvoorziening het laatst heeft gedreven.
4. Op verzoek van degene die een bedrijfsgebonden stortplaats het
laatst heeft gedreven, wordt bij het al dan niet toepassen van het
tweede lid rekening gehouden met de mogelijkheid die zorg aan die
persoon op te dragen.
Artikel 8.51
De rechthebbende ten aanzien van de plaats waar de in artikel 8.49
bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt
uitgevoerd, is verplicht te gedogen dat werkzaamheden worden verricht
ten behoeve van die zorg, onverminderd zijn recht op schadevergoeding.
Titel 8.4. Regels met betrekking tot plaatsing van stortplaatsen op
een lijst
Artikel 8.52
Naar aanleiding van de door de provincie uitgevoerde inventarisatie
van plaatsen waar afvalstoffen zijn gestort en waar dat storten voor 1
september 1996 is beëindigd, delen gedeputeerde staten van de provincie
waar de desbetreffende stortplaatsen liggen, Onze Minister zo spoedig
mogelijk mede welke stortplaatsen dit betreft.
Artikel 8.53
1. Onze Minister houdt een lijst bij van gesloten stortplaatsen als
bedoeld inartikel 8.47, en van de stortplaatsen, bedoeld in artikel
8.52.
2. Hij draagt zorgt voor bekendmaking van deze lijst en doet een
afschrift van de lijst alsmede de aanvullingen erop toekomen aan de
ter zake van de afvalstoffenbelasting bevoegde inspecteur van de
Belastingdienst.
Hoofdstuk 9. Stoffen en produkten
Titel 9.1. Algemeen
Artikel 9.1.1
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn mede van
toepassing op handelingen verricht binnen de exclusieve economische
zone, voor zover dat bij algemene maatregel van bestuur is bepaald.
Titel 9.2. Stoffen, preparaten en genetisch gemodificeerde organismen
§ 9.2.1. Algemeen
Artikel 9.2.1.1
Deze titel en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering
van de regels die uitsluitend strekken ter uitvoering van een voor
Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit
van een volkenrechtelijke organisatie, niet van toepassing op
voedingsmiddelen, genotmiddelen en diervoeders.
Artikel 9.2.1.2
Een ieder die beroepshalve een stof, preparaat of genetisch
gemodificeerd organisme vervaardigt, in Nederland invoert, toepast,
bewerkt, verwerkt of aan een ander ter beschikking stelt, en die weet of
redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door zijn handelingen met die
stof of dat preparaat of organisme gevaren kunnen optreden voor de
gezondheid van de mens of voor het milieu, is verplicht alle maatregelen
te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die
gevaren zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 9.2.1.3
1. Een ieder die beroepshalve een stof, preparaat of genetisch
gemodificeerd organisme vervaardigt, in Nederland invoert, toepast,
bewerkt, verwerkt of aan een ander ter beschikking stelt, verstrekt
desgevraagd aan Onze Minister gegevens over die stof of dat preparaat
of organisme waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde gegevens.
Artikel 9.2.1.4
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat degene
die beroepshalve stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde
organismen vervaardigt, in Nederland invoert, toepast, bewerkt of
verwerkt, in daarbij aangegeven categorieën van gevallen een
administratie bijhoudt van de hoeveelheden die hij daarvan heeft
vervaardigd, in Nederland heeft ingevoerd, heeft toegepast, bewerkt of
verwerkt of aan een ander ter beschikking heeft gesteld.
2. Bij of krachtens de maatregel worden regels gesteld met
betrekking tot de wijze waarop de administratie wordt bijgehouden en
kunnen andere gegevens worden aangewezen die in de administratie
dienen te worden opgenomen.
Artikel 9.2.1.5
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan in het belang van de
landsverdediging vrijstelling worden verleend van de inartikel
9.2.3.1, 9.2.3.3 , 9.3.3 of9.3a.3 gestelde verplichtingen.
2. Bij koninklijk besluit kan in het belang van de landsverdediging
ontheffing worden verleend van de bij of krachtens artikel 9.2.1.4,
9.2.2.1, 9.2.2.2, 9.2.2.6, 9.2.3.1, 9.2.3.2, 9.2.3.3, 9.2.3.5, tweede
lid, 9.3.3 of9.3a.3gestelde verboden en verplichtingen.
3. Aan een vrijstelling of ontheffing worden de voorschriften
verbonden die nodig zijn in het belang van de bescherming van de
gezondheid van de mens en van het milieu.
4. De voordracht voor een besluit krachtens het eerste of tweede
lid wordt Ons niet gedaan dan op verzoek van Onze Minister van
Defensie.
§ 9.2.2. Maatregelen
Artikel 9.2.2.1
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien een redelijk
vermoeden is gerezen dat door handelingen met stoffen, preparaten of
genetisch gemodificeerde organismen ongewenste effecten voor de
gezondheid van de mens of voor het milieu zullen ontstaan, regels
worden gesteld met betrekking tot het vervaardigen, in Nederland
invoeren, toepassen, bewerken, verwerken, voorhanden hebben, aan een
ander ter beschikking stellen, vervoeren, uitvoeren en zich ontdoen
van deze stoffen, preparaten of organismen.
2. Hiertoe kunnen behoren regels, inhoudende:
a. een verbod een of meer van de in het eerste lid genoemde
handelingen te verrichten met betrekking tot bij de maatregel
aangewezen stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde
organismen;
b. een verbod een zodanige handeling te verrichten op een bij
de maatregel aangegeven wijze, voor daarbij aangegeven doeleinden,
op daarbij aangegeven plaatsen of onder daarbij aangegeven
omstandigheden;
c. een verbod een handeling als onder a of b bedoeld te
verrichten zonder daartoe verleende vergunning;
d. een verbod een zodanige handeling te verrichten indien met
betrekking tot de stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde
organismen niet aan bij de maatregel gestelde eisen wordt voldaan;
e. een verbod een zodanige handeling te verrichten indien bij
degene die die handeling verricht, niet de bij de maatregel
aangegeven deskundigheid aanwezig is;
f. een verbod een zodanige handeling te verrichten met
betrekking tot producten, indien deze daarbij aangewezen stoffen,
preparaten of genetisch gemodificeerde organismen bevatten, of
indien deze zodanige stoffen, preparaten of genetisch
gemodificeerde organismen bevatten in grotere dan daarbij
aangegeven hoeveelheden;
g. een verbod bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten
toe te passen in producten die niet behoren tot een type dat bij
een keuring, verricht aan de hand van de bij de maatregel daartoe
vastgestelde regels, is goedgekeurd;
h. een verbod bij de maatregel aangewezen stoffen, preparaten
of genetisch gemodificeerde organismen ter beschikking te stellen
aan een daarbij aangewezen categorie van personen;
i. een verplichting een of meer van de in het eerste lid
genoemde handelingen met betrekking tot bij de maatregel
aangewezen stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde
organismen of daarbij aangewezen categorieën van producten waarin
die stoffen, preparaten of organismen voorkomen, of een voornemen
tot het verrichten van die handelingen, te melden op een daarbij
aangegeven wijze aan een daarbij aangewezen bestuursorgaan onder
overlegging van daarbij aangegeven gegevens;
j. een verplichting met betrekking tot zodanige handelingen
volgens bij de maatregel gestelde regels controleonderzoeken te
verrichten en de resultaten van die onderzoeken op de bij de
maatregel aangegeven wijze aan Onze Minister over te leggen;
k. een verplichting bij de maatregel aangewezen stoffen,
preparaten of daarbij aangewezen categorieën van producten waarin
die stoffen of preparaten voorkomen, na toepassing terug te zenden
aan degene die de stoffen, preparaten of producten ter beschikking
heeft gesteld;
l. een verplichting bij de maatregel aangewezen stoffen,
preparaten of genetisch gemodificeerde organismen of daarbij
aangewezen categorieën van producten waarin die stoffen,
preparaten of organismen voorkomen, af te geven aan daarbij
aangewezen personen of instellingen;
m. een verplichting voor degenen die bij de maatregel
aangewezen stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde
organismen of daarbij aangewezen categorieën van producten waarin
die stoffen, preparaten of organismen voorkomen, vervaardigen, in
Nederland invoeren of aan een ander ter beschikking stellen, voor
daarbij aangewezen personen of instellingen die krachtens
hoofdstuk 10 bevoegd zijn tot of vergunning hebben voor het nuttig
toepassen of verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen, dan wel
voor bij de maatregel aangewezen bestuursorganen, om die stoffen,
preparaten, organismen of producten in te zamelen.
3. Onze Minister kan omtrent in een maatregel krachtens het eerste
lid geregelde onderwerpen nadere regels stellen.
Artikel 9.2.2.2
Een algemene maatregel van bestuur waarbij toepassing is gegeven
aanartikel 9.2.2.1, tweede lid, onder b, d, g, i, j, k, l of m, kan
tevens de verplichting inhouden te voldoen aan door bestuursorganen die
bij de maatregel zijn aangewezen, omtrent onderwerpen die in de
maatregel zijn geregeld, gestelde nadere eisen. Bij het stellen van een
zodanige eis wordt tevens het tijdstip bepaald waarop ten aanzien van
die eis de verplichting ingaat.
Artikel 9.2.2.3
1. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 9.2.2.1, tweede lid,
onder c, worden tevens bij algemene maatregel van bestuur regels
gesteld betreffende de wijze waarop de aanvraag om een vergunning
geschiedt, en de gegevens die van de aanvrager kunnen worden verlangd.
2. De vergunning kan slechts in het belang van de bescherming van
de gezondheid van de mens en van het milieu worden geweigerd.
3. Op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een
vergunning zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en
afdeling 13.2 van toepassing. Bij een algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in het eerste lid kunnen categorieën van gevallen worden
aangewezen, waarin afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en
afdeling 13.2 geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven.
4. Een vergunning kan in het belang van de bescherming van de
gezondheid van de mens en van het milieu onder beperkingen worden
verleend. Aan een vergunning kunnen in het belang van de bescherming
van de gezondheid van de mens en van het milieu voorschriften worden
verbonden. Deze kunnen, voorzover bij de maatregel niet anders is
bepaald, de verplichting inhouden te voldoen aan door bestuursorganen
die bij het voorschrift zijn aangewezen, in het belang van de
bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu gestelde
nadere eisen. Bij het stellen van een zodanige eis wordt tevens het
tijdstip bepaald, waarop ten aanzien van die eis de verplichting
ingaat.
5. Onverminderd artikel 5.19, eerste lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht kan een vergunning worden ingetrokken indien
de handeling aanmerkelijk gevaar oplevert voor de gezondheid van de
mens of voor het milieu en wijziging of aanvulling van de aan de
vergunning verbonden voorschriften redelijkerwijs geen oplossing kan
bieden.
6. Voor zover bij algemene maatregel van bestuur is bepaald, kan de
vergunning worden gewijzigd.
7. Op de voorbereiding van een intrekking of wijziging als bedoeld
in het vijfde lid, respectievelijk het zesde lid, zijn afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 niet van
toepassing.
Artikel 9.2.2.4
Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 9.2.2.1, tweede lid,
onder g, wijst Onze Minister de instantie aan, die de in die bepaling
bedoelde keuring verricht. Bij de maatregel worden regels gesteld ten
aanzien van de wijze waarop een zodanige keuring plaatsheeft.
Artikel 9.2.2.5
Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 9.2.2.1, tweede lid,
onder k, l of m, kan tevens worden bepaald dat de schade, geleden door
degene die de stoffen, preparaten, genetisch gemodificeerde organismen
of producten moet terugzenden of afgeven, of de kosten, gemaakt door
degene die is aangewezen om die stoffen, preparaten, organismen of
producten in te zamelen, ten laste kunnen worden gebracht van degenen
die deze stoffen, preparaten, organismen of producten hebben vervaardigd
of in Nederland ingevoerd. Daarbij kunnen tevens regels worden gesteld
inzake de berekening van die schade of kosten en de bepaling van degenen
ten laste van wie die schade of kosten worden gebracht.
Artikel 9.2.2.6
1. Indien de verwachte of gebleken effecten van stoffen, preparaten
of genetisch gemodificeerde organismen op de gezondheid van de mens of
op het milieu het stellen van regels als bedoeld in artikel 9.2.2.1,
eerste lid, naar het oordeel van Onze Minister dringend noodzakelijk
maken en naar zijn oordeel de totstandkoming van een algemene
maatregel van bestuur krachtens dat artikel niet kan worden afgewacht,
kan hij een besluit nemen van de in dat lid bedoelde strekking. Onze
Minister neemt een zodanig besluit in overeenstemming met Onze
Ministers wie het mede aangaat, tenzij de vereiste spoed zich
daartegen naar zijn oordeel verzet. De artikelen 9.2.2.2 tot en met
9.2.2.5 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid vervalt
een jaar nadat zij in werking is getreden of indien binnen die termijn
een algemene maatregel van bestuur ter vervanging van die regeling in
werking is getreden, op het tijdstip waarop die maatregel in werking
treedt. De termijn kan bij ministeriële regeling eenmaal met ten
hoogste een jaar worden verlengd.
Artikel 9.2.2.6a
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bij
het op de markt brengen van brandstoffen ten behoeve van vervoer in
bij de maatregel aangewezen gevallen wordt voldaan aan bij of
krachtens de maatregel gestelde eisen van duurzaamheid, waaronder
begrepen de uitstoot van broeikasgassen.
2. De eisen, bedoeld in het eerste lid, kunnen in elk geval
betrekking hebben op de voor brandstoffen gebruikte grondstoffen en de
omstandigheden waaronder die grondstoffen worden vervaardigd, omgezet
en, al dan niet omgezet, worden overgebracht voor eindgebruik in
Nederland.
3. Bij of krachtens de maatregel kunnen tevens regels worden
gesteld omtrent de overlegging van gegevens waaruit blijkt dat de
brandstoffen voldoen aan de krachtens het eerste lid gestelde eisen
van duurzaamheid, alsmede van gegevens, waaruit blijkt in hoeverre de
brandstoffen aan andere bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen duurzaamheidscriteria voldoen.
4. Artikel 9.2.2.6 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9.2.2.7
1. Onze Minister kan in bijzondere gevallen van het krachtens
artikel 9.2.1.4, 9.2.2.1, 9.2.2.6 of9.2.2.6a bepaalde op een daartoe
strekkende aanvraag ontheffing verlenen, indien het belang van de
bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu zich
daartegen niet verzet.
2. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
ontheffing kunnen de voorschriften worden verbonden, die naar het
oordeel van Onze Minister in het belang van de bescherming van de
gezondheid van de mens en van het milieu noodzakelijk zijn.
3. Op de voorbereiding van een beschikking op een aanvraag om een
ontheffing als bedoeld eerste lid, zijn afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van toepassing.
4. Een ontheffing kan door Onze Minister worden gewijzigd of
ingetrokken, indien dat in het belang van de bescherming van de
gezondheid van de mens en van het milieu noodzakelijk is.
§ 9.2.3. Verpakking, aanduiding en aanbeveling
Artikel 9.2.3.1
1. Degene die een preparaat aan een ander ter beschikking stelt of
in Nederland invoert, behorende tot een of meer van de in het tweede
lid aangewezen categorieën, draagt er zorg voor dat dat preparaat bij
de aflevering en bij het ter aflevering voorhanden hebben is verpakt
en op de verpakking is aangeduid overeenkomstig het bepaalde bij of
krachtens de artikelen van deze paragraaf.
2. De in het eerste lid bedoelde categorieën zijn:
a. de categorie ontplofbaar;
b. de categorie oxiderend;
c. de categorie zeer licht ontvlambaar;
d. de categorie licht ontvlambaar;
e. de categorie ontvlambaar;
f. de categorie zeer vergiftig;
g. de categorie vergiftig;
h. de categorie schadelijk;
i. de categorie bijtend;
j. de categorie irriterend;
k. de categorie sensibiliserend;
l. de categorie kankerverwekkend;
m. de categorie mutageen;
n. de categorie voor de voortplanting vergiftig;
o. de categorie milieugevaarlijk.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de
criteria en methoden aangewezen volgens welke wordt bepaald of een
stof of preparaat behoort tot een categorie als bedoeld in het tweede
lid.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de aanduiding van preparaten waarvan
nog niet is bepaald in hoeverre zij behoren tot een of meer van de in
het tweede lid bedoelde categorieën.
Artikel 9.2.3.2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de aanduiding van preparaten waarin daarbij
aangewezen stoffen voorkomen, alsmede met betrekking tot de aanduiding
van producten waarin daarbij aangewezen stoffen of preparaten voorkomen.
Daarbij kan worden bepaald dat die regels slechts gelden in daarbij
aangewezen gevallen.
Artikel 9.2.3.3
1. De verpakking en sluiting die een preparaat als bedoeld in
artikel 9.2.3.1, eerste lid, of een genetisch gemodificeerd organisme
rechtstreeks omsluiten, zijn:
a. zodanig dat ongewild verlies van de inhoud niet kan
plaatsvinden,
b. vervaardigd van materiaal dat niet door het preparaat of het
organisme kan worden aangetast, noch hiermee een gevaarlijke
reactie kan aangaan of een gevaarlijke verbinding kan vormen, en
c. zodanig dat zij niet kunnen losraken en tegen normale
behandeling bestand zijn.
2. Indien de verpakking is voorzien van een sluiting die meermalen
kan worden gebruikt, zijn de verpakking en sluiting zodanig dat de
verpakking meermalen opnieuw kan worden afgesloten zonder dat ongewild
verlies van de inhoud plaatsvindt.
3. In afwijking van het eerste lid, onder a, mogen aan de
verpakking, indien nodig, een of meer ontluchtingsventielen of
andersoortige veiligheidsvoorzieningen aangebracht zijn.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met
betrekking tot de verpakking en sluiting regels worden gesteld.
Daarbij kan worden bepaald dat die regels slechts gelden voor daarbij
aangewezen preparaten of genetisch gemodificeerde organismen of
categorieën daarvan of in daarbij aangewezen gevallen.
Artikel 9.2.3.4
1. Het aanbevelen of aanprijzen van een stof of preparaat,
behorende tot een of meer van de in artikel 9.2.3.1, tweede lid,
bedoelde categorieën, zonder vermelding van de categorie of
categorieën waartoe die stof of dat preparaat behoort, is verboden.
2. Het aanduiden van een stof, preparaat of genetisch gemodificeerd
organisme op een wijze die misleidend is ten aanzien van de effecten
daarvan op de gezondheid van de mens of op het milieu of ten aanzien
van het krachtens artikel 9.2.2.1 of 9.2.2.6 bepaalde, is verboden.
3. Het aanbevelen of aanprijzen van een stof, preparaat of product
op een wijze die misleidend is ten aanzien van de
duurzaamheidsaspecten daarvan of ten aanzien van het overige krachtens
artikel 9.2.2.6a bepaalde, is verboden.
Artikel 9.2.3.5
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat in daarbij aangewezen gevallen deartikelen 9.2.3.1,
9.2.3.3 en 9.2.3.4 geheel of voor een daarbij te bepalen gedeelte niet
van toepassing zijn:
a. ter uitvoering van een krachtens het Verdrag betreffende de
oprichting van de Europese Unie tot stand gekomen bindende
regeling of
b. indien het belang van de bescherming van de gezondheid van
de mens en van het milieu zich daartegen niet verzet.
2. Bij of krachtens een maatregel als bedoeld in het eerste lid
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de in deartikelen
9.2.3.1, 9.2.3.3 en 9.2.3.4 geregelde onderwerpen.
Titel 9.3. De EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie
van chemische stoffen
Artikel 9.3.1
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld ter uitvoering van de EG-verordening registratie, evaluatie en
autorisatie van chemische stoffen.
Artikel 9.3.2
1. Onze Minister is de bevoegde instantie, bedoeld in de
EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische
stoffen.
2. Voor onderdelen van de verordening die betrekking hebben op
beleid dat behoort tot de verantwoordelijkheid van een Onzer andere
Ministers, wordt voor die onderdelen die minister als bevoegde
instantie aangewezen. De aanwijzing geschiedt bij regeling van Onze
Minister in overeenstemming met die minister.
Artikel 9.3.3
1. Het is verboden te handelen in strijd met de volgende bepalingen
van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van
chemische stoffen: de artikelen 5, 7, derde lid, 8, tweede lid, 9,
vierde en zesde lid, 14, eerste, zesde en zevende lid, 31, eerste,
tweede, derde, zevende en negende lid, 32, eerste en derde lid, 33,
34, 35, 37, vierde tot en met zevende lid, 38, eerste, derde en vierde
lid, 39, eerste en tweede lid, 40, derde en vierde lid, 50, vierde
lid, 55, 56, eerste en tweede lid, 60, tiende lid, 65 en 67, eerste
lid.
2. Het is eveneens verboden te handelen in strijd met de volgende
bepalingen van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie
van chemische stoffen: de artikelen 6, eerste en derde lid, 7, eerste,
tweede en vijfde lid, 9, tweede lid, 11, eerste lid, 13, eerste, derde
en vierde lid, 17, eerste lid, 18, eerste lid, 19, eerste lid, 22,
eerste, tweede en vierde lid, 24, tweede lid, 25, eerste en tweede
lid, 26, eerste en derde lid, 30, eerste, tweede, derde en vierde lid,
31, vijfde en achtste lid, 32, tweede lid, 36, 37, tweede en derde
lid, 41, vierde lid, 46, tweede lid, 49, 50, tweede en derde lid, 61,
eerste en derde lid, 63, derde lid, 66, eerste lid en 105.
3. Het is verboden handelingen te verrichten of na te laten in
strijd met andere bepalingen van de EG-verordening registratie,
evaluatie en autorisatie van chemische stoffen dan genoemd in het
eerste of tweede lid, voor zover die bepalingen ter uitvoering van
artikel 126 van die verordening bij algemene maatregel van bestuur
zijn aangewezen.
4. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid
vervalt een jaar nadat hij in werking is getreden, dan wel, indien
binnen die termijn een voorstel van wet tot wijziging van het eerste
of tweede lid bij de Staten-Generaal is ingediend, op het tijdstip
waarop dat voorstel is verworpen of, na tot wet te zijn verheven, in
werking is getreden.
5. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op
gedragingen, voorzover daaromtrent regels zijn gesteld bij of
krachtens de Warenwet.
Titel 9.3a. De EG-verordening indeling, etikettering en verpakking
van stoffen en mengsels
Artikel 9.3a.1
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wijst bij
ministeriële regeling het orgaan aan dat belast is met de uitvoering
van de taak, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de EG-verordening
indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels. In de
ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot
de wijze van uitvoeren van die taak.
Artikel 9.3a.2
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is de bevoegde
instantie, bedoeld in artikel 43 van de EG-verordening indeling,
etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, voor zover het
betreft het doen van voorstellen voor een geharmoniseerde indeling en
etikettering van stoffen en mengsels.
Artikel 9.3a.3
1. Het is verboden te handelen in strijd met de volgende bepalingen
van de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen
en mengsels: de artikelen 4, eerste tot en met vierde lid, zevende
lid, achtste lid en tiende lid, 7, eerste tot en met derde lid, 13,
15, vierde lid, 17, eerste en tweede lid, 18, eerste tot en met derde
lid, 19, eerste en tweede lid, 20, eerste en derde lid, 21, eerste en
derde lid, 22, eerste en vierde lid, 23, 25, eerste, tweede en vierde
tot en met zesde lid, 28, tweede en derde lid, 29, eerste en derde
lid, 30, eerste lid, 31, eerste tot en met vijfde lid, 32, eerste tot
en met vierde en zesde lid, 33, eerste tot en met derde lid, 35,
eerste en tweede lid, en 48, eerste en tweede lid.
2. Het is eveneens verboden te handelen in strijd met de volgende
bepalingen van de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking
van stoffen en mengsels: de artikelen 16, eerste lid, 26, eerste en
tweede lid, 27, 28, eerste lid, 30, tweede en derde lid, 40, eerste
tot en met derde lid, en 49, eerste en tweede lid.
3. Het is verboden handelingen te verrichten of na te laten in
strijd met andere bepalingen van de EG-verordening indeling,
etikettering en verpakking van stoffen en mengsels dan genoemd in het
eerste of tweede lid, voor zover die bepalingen ter uitvoering van
artikel 47 van die verordening bij algemene maatregel van bestuur zijn
aangewezen.
4. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid
vervalt een jaar nadat hij in werking is getreden, dan wel, indien
binnen die termijn een voorstel van wet tot wijziging van het eerste
of tweede lid bij de Staten-Generaal is ingediend, op het tijdstip
waarop dat voorstel is verworpen of, na tot wet te zijn verheven, in
werking is getreden.
Artikel 9.3a.4
Indien een stof of een mengsel overeenkomstig de titels II, III en IV
van de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen
en mengsels wordt ingedeeld, geëtiketteerd en verpakt, is het bij of
krachtens de artikelen 9.2.3.1, eerste en vierde lid, 9.2.3.3 en 9.2.3.5
gestelde op die stof of dat mengsel niet van toepassing.
Titel 9.4. De EG-richtlijn ecologisch ontwerp energiegerelateerde
producten
Artikel 9.4.1
1. In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
CE-markering: markering als bedoeld in besluit nr. 93/465/EEG van
de Raad van de Europese Unie van 22 juli 1993 betreffende de modules
voor de verschillende fasen van de conformiteitbeoordelingsprocedures
en de voorschriften inzake het aanbrengen en het gebruik van de
CE-markering van overeenstemming (PbEG L 220) en bestaande uit het
opschrift«CE» als weergegeven in bijlage III bij de EG-richtlijn
ecologisch ontwerp energiegerelateerde producten;
componenten en subeenheden: onderdelen die bedoeld zijn om in een
ingevolge een algemene maatregel van bestuur of een
uitvoeringsmaatregel als bedoeld in artikel 9.4.4, tweede lid,
aangewezen energiegerelateerd product te worden ingebouwd en die niet
als losse onderdelen ten behoeve van gebruikers op de markt worden
geïntroduceerd of in gebruik worden genomen, dan wel waarvan de
milieuprestaties niet onafhankelijk van voornoemd product kunnen
worden beoordeeld;
conformiteitsverklaring: document waarbij de fabrikant
overeenkomstig bijlage VI bij de EG-richtlijn ecologisch ontwerp
energiegerelateerde producten verklaart dat aan alle voor dat product
relevante bepalingen van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel wordt
voldaan, onder verwijzing naar die uitvoeringsmaatregel;
EG-richtlijn ecologisch ontwerp energiegerelateerde producten:
richtlijn nr. 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van
een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp
voor energiegerelateerde producten (herschikking) (PbEU L 285);
energiegerelateerd product: product dat wanneer het op de markt is
geïntroduceerd of in gebruik is genomen, een effect heeft op het
energieverbruik, met inbegrip van onderdelen die bedoeld zijn om in
dat product te worden ingebouwd en die ten behoeve van gebruikers op
de markt worden geïntroduceerd of in gebruik worden genomen als losse
onderdelen waarvan de milieuprestaties onafhankelijk kunnen worden
beoordeeld;
fabrikant: degene die een energiegerelateerd product vervaardigt
met het oog op het op de markt introduceren onder zijn eigen naam of
handelsmerk of voor eigen gebruik;
importeur: in de Europese Gemeenschap gevestigde persoon die in het
kader van zijn commerciële activiteiten een product uit een land
buiten de Europese Unie op de markt introduceert;
op de markt introduceren: op de markt aanbieden, tegen vergoeding
of kosteloos, met het oog op de distributie of het gebruik ervan,
ongeacht de wijze waarop dat geschiedt;
uitvoeringsmaatregel: krachtens de EG-richtlijn ecologisch ontwerp
energiegerelateerde producten goedgekeurde maatregel tot vaststelling
van voorschriften voor een ecologisch ontwerp voor daarin aangegeven
energiegerelateerde producten.
2. Voor de toepassing van deze titel en de daarop berustende
bepalingen wordt onderecologisch ontwerp, ecologisch profiel,
geharmoniseerde norm, materialen, milieuprestaties, productontwerp
onderscheidenlijkverbetering van de milieuprestaties verstaan hetgeen
daaronder in artikel 2 van de EG-richtlijn ecologisch ontwerp
energiegerelateerde producten wordt verstaan.
3. Bij het ontbreken van een fabrikant of importeur van een
energiegerelateerd product wordt degene die dat energiegerelateerde
product op de markt introduceert of in gebruik neemt, voor de
toepassing van deze titel en de daarop berustende bepalingen als
fabrikant aangemerkt.
4. Een wijziging van de in het tweede lid genoemde begrippen in de
EG-richtlijn ecologisch ontwerp energiegerelateerde producten of van
een bijlage bij die richtlijn waarnaar bij of krachtens deze titel
wordt verwezen, gaat voor de toepassing van het bij of krachtens deze
titel bepaalde gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij een besluit van
Onze Minister, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander
tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 9.4.2
Een fabrikant kan een persoon schriftelijk machtigen om namens hem
bij of krachtens deze titel geldende verplichtingen na te komen, mits
deze gemachtigde binnen de Europese Gemeenschap is gevestigd.
Artikel 9.4.3
Deze titel is niet van toepassing op middelen voor het vervoer van
personen of goederen.
Artikel 9.4.4
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het
belang van energie-efficiëntie en bescherming van het milieu met
betrekking tot het ecologisch ontwerp van een categorie van
energiegerelateerde producten en de verstrekking van daarmee verband
houdende informatie over die producten aan de gebruikers regels worden
gesteld.
2. Het is de fabrikant onderscheidenlijk importeur van een
energiegerelateerd product dat behoort tot een bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen categorie of tot een categorie, aangewezen in
een uitvoeringsmaatregel die in de vorm van een verordening is
gesteld, verboden dat product op de markt te introduceren of in
gebruik te nemen, indien met betrekking tot dat product niet wordt
voldaan aan de bij of krachtens deze titel en in de
uitvoeringsmaatregel gestelde eisen.
Artikel 9.4.5
1. De fabrikant onderscheidenlijk importeur draagt er zorg voor dat
een energiegerelateerd product dat behoort tot een ingevolge een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4, tweede
lid, aangewezen categorie of tot een categorie, aangewezen in een
uitvoeringsmaatregel die in de vorm van een verordening is gesteld,
alvorens dat product op de markt wordt geïntroduceerd of in gebruik
wordt genomen, aan een conformiteitsbeoordeling wordt onderworpen,
waarbij wordt getoetst of het voldoet aan de bij of krachtens deze
titel en in de uitvoeringsmaatregel gestelde eisen. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot
de wijze waarop de toetsing met betrekking tot dat product
plaatsvindt.
2. De fabrikant maakt met betrekking tot een energiegerelateerd
product dat behoort tot een ingevolge een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen categorie
of tot een categorie, aangewezen in een uitvoeringsmaatregel die in de
vorm van een verordening is gesteld, een conformiteitsverklaring op en
brengt een CE-markering op het product aan. De importeur draagt er
zorg voor dat hij met betrekking tot een dergelijk product beschikt
over de conformiteitsverklaring en dat op het product een CE-markering
is aangebracht.
Artikel 9.4.6
1. De fabrikant onderscheidenlijk importeur van een
energiegerelateerd product dat behoort tot een ingevolge een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4, tweede lid,
aangewezen categorie of tot een categorie, aangewezen in een
uitvoeringsmaatregel die in de vorm van een verordening is gesteld,
bewaart na het in Nederland op de markt introduceren of in gebruik
nemen van dat product de relevante documenten betreffende de
conformiteitsbeoordeling, als bedoeld in artikel 9.4.5, eerste lid, en
de daaromtrent afgegeven conformiteitsverklaringen gedurende een
periode van tien jaar na beëindiging van de vervaardiging van dat
product.
2. De fabrikant onderscheidenlijk importeur stelt de in het eerste
lid bedoelde documenten binnen tien dagen na ontvangst van een verzoek
van het bevoegd gezag, belast met het toezicht op de naleving van de
wet, beschikbaar aan dat bevoegde gezag.
3. Fabrikanten van componenten en subeenheden kunnen bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot een
energiegerelateerd product dat behoort tot een ingevolge een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4, tweede lid,
aangewezen categorie of tot een categorie, aangewezen in een
uitvoeringsmaatregel die in de vorm van een verordening is gesteld,
worden verplicht aan de fabrikant onderscheidenlijk importeur van dat
product daarbij aangegeven relevante informatie te verstrekken over de
materiaalsamenstelling en het verbruik van energie, materialen of
hulpbronnen van de door hen geproduceerde componenten of subeenheden.
Artikel 9.4.7
1. Het is verboden op een energiegerelateerd product een markering
aan te brengen, die de gebruikers van dat product kan misleiden
omtrent de betekenis of de vorm van de CE-markering.
2. Het is verboden een energiegerelateerd product dat behoort tot
een ingevolge een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen categorie of tot een categorie,
aangewezen in een uitvoeringsmaatregel die in de vorm van een
verordening is gesteld, dat nog niet op de markt is geïntroduceerd en
niet in overeenstemming is met het bij of krachtens deze titel
bepaalde en met de toepasselijke uitvoeringsmaatregel, te tonen of te
demonstreren op handelsbeurzen, tentoonstellingen of soortgelijke
evenementen. Het verbod geldt niet indien duidelijk zichtbaar is
aangegeven dat het product nog niet met die uitvoeringsmaatregel in
overeenstemming is en niet op de markt zal worden geïntroduceerd,
zolang het product nog niet met het bij of krachtens deze titel
bepaalde en met de toepasselijke uitvoeringsmaatregel in
overeenstemming is.
Artikel 9.4.8
1. Een energiegerelateerd product, behorende tot een ingevolge een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4, tweede
lid, aangewezen categorie of tot een categorie, aangewezen in een
uitvoeringsmaatregel die in de vorm van een verordening is gesteld,
dat van een CE-markering is voorzien, wordt vermoed te voldoen aan de
voor dat product bij of krachtens deze titel en in de
uitvoeringsmaatregel gestelde eisen.
2. Een energiegerelateerd product, behorende tot een ingevolge een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4, tweede
lid, aangewezen categorie of tot een categorie, aangewezen in een
uitvoeringsmaatregel die in de vorm van een verordening is gesteld,
waarvoor een geharmoniseerde norm is toegepast waarvan het
referentienummer in het Publicatieblad van de Europese Unie is
bekendgemaakt, wordt vermoed te voldoen aan de voorschriften van de
toepasselijke uitvoeringsmaatregel waarop die norm betrekking heeft.
3. Een energiegerelateerd product, behorende tot een ingevolge een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4, tweede
lid, aangewezen categorie of tot een categorie, aangewezen in een
uitvoeringsmaatregel die in de vorm van een verordening is gesteld,
waarvoor overeenkomstig verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 november 2009
betreffende de EU-milieukeur (PbEU L 27) de communautaire milieukeur
is verleend, wordt vermoed te voldoen aan de voorschriften inzake
ecologisch ontwerp van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel voor
zover de milieukeur aan die voorschriften voldoet.
Titel 9.5. Overige bepalingen met betrekking tot stoffen, preparaten
en producten
Artikel 9.5.1
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van het
voorkomen of beperken van luchtverontreiniging of geluidhinder regels
worden gesteld met betrekking tot het vervaardigen, in Nederland
invoeren, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen,
vervoeren en gebruiken van bij de maatregel aangewezen producten.
2. In afwijking van het eerste lid worden in het belang van het
voorkomen of beperken van geluidhinder bij een maatregel als bedoeld
in het eerste lid geen regels gesteld met betrekking tot
luchtvaartuigen.
3. Tot de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen behoren regels,
inhoudende een verbod met betrekking tot zodanige producten een of
meer van de in het eerste lid genoemde handelingen:
a. te verrichten;
b. te verrichten anders dan met inachtneming van de omtrent die
handelingen of die producten bij de maatregel gestelde regels;
c. te verrichten met producten, behorende tot een bij de
maatregel aangewezen categorie, op de bij de maatregel aangegeven
plaatsen, op de bij de maatregel aangegeven wijze of onder de bij
de maatregel aangegeven omstandigheden;
d. te verrichten indien de producten niet voldoen aan de bij de
maatregel gestelde eisen;
e. te verrichten indien de producten niet behoren tot een type
dat bij een keuring, verricht overeenkomstig bij de maatregel
gestelde regels is goedgekeurd;
f. te verrichten indien de producten niet overeenkomstig bij de
maatregel gestelde regels zijn goedgekeurd.
4. Bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid kan worden
bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in bij de maatregel
aangegeven categorieën van gevallen of in de bij de maatregel
aangewezen gebieden.
5. Bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid kan in het
belang van de landsverdediging vrijstelling worden verleend van de
krachtens het eerste lid gestelde verboden en verplichtingen. Aan een
vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn in
het belang van het voorkomen of beperken van luchtverontreiniging dan
wel van geluidhinder.
6. Voor zover een maatregel als bedoeld in het eerste lid strekt
tot nakoming van verplichtingen op grond van een voor Nederland
verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een
volkenrechtelijke organisatie, kunnen tot de regels, bedoeld in het
eerste lid, tevens behoren regels die voorzien in:
a. een verbod om zonder vergunning, verleend door een bij die
maatregel aangewezen bestuursorgaan, handelingen te verrichten met
betrekking tot de bij die maatregel aangewezen producten of
categorieën daarvan;
b. een verplichting om ten aanzien van die producten of
categorieën daarvan in bij de maatregel aangegeven gevallen van
het gebruik daarvan aangifte te doen bij een bestuursorgaan, dat
bij die maatregel is aangewezen, dan wel te voldoen aan
meetvoorschriften op een bij de maatregel te bepalen wijze;
c. een verplichting te voldoen aan door een bestuursorgaan, dat
bij de maatregel is aangewezen, gestelde nadere eisen omtrent de
onderwerpen die in die maatregel zijn geregeld, op een door het
bestuursorgaan te bepalen tijdstip.
7. Indien toepassing wordt gegeven aan het derde lid, onder e of f,
wijst Onze Minister op grond van de bij of krachtens een maatregel als
bedoeld in het eerste lid te stellen eisen de instanties aan die de in
die onderdelen bedoelde keuringen verrichten. Bij of krachtens die
maatregel wordt in dat geval tevens bepaald op grond waarvan Onze
Minister de aanwijzing kan schorsen of intrekken en worden regels
gesteld over de wijze waarop de keuringen plaatsvinden.
8. Onze Minister kan omtrent in een maatregel krachtens het eerste
lid geregelde onderwerpen nadere regels stellen.
Artikel 9.5.2
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter stimulering van
hergebruik, preventie, recycling en andere nuttige toepassing, van een
doelmatig beheer van afvalstoffen of anderszins in het belang van de
bescherming van het milieu regels worden gesteld met betrekking tot
het vervaardigen, in Nederland invoeren, toepassen, voorhanden hebben,
aan een ander ter beschikking stellen, in ontvangst nemen, innemen,
nuttig toepassen en verwijderen van bij de maatregel aangewezen
stoffen, preparaten of producten of afvalstoffen. Met betrekking tot
producten worden zodanige regels niet gesteld in het belang dat
artikel 9.5.1beoogt te beschermen.
2. Tot de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen behoren regels,
inhoudende een verbod met betrekking tot zodanige stoffen, preparaten
of producten of afvalstoffen een of meer van de in het eerste lid
genoemde handelingen:
a. te verrichten;
b. te verrichten anders dan met inachtneming van de omtrent die
handelingen of die stoffen, preparaten of producten of
afvalstoffen bij de maatregel gestelde regels;
c. te verrichten op een bij de maatregel aangewezen wijze,
onder daarbij aangegeven omstandigheden, of voor daarbij
aangewezen doeleinden;
d. te verrichten indien de stoffen, preparaten of producten of
afvalstoffen niet voldoen aan de bij de maatregel gestelde eisen.
3. Tot de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen tevens behoren
regels, inhoudende de verplichting voor degene die bij de maatregel
aangewezen stoffen, preparaten of producten op de markt brengt:
a. die stoffen, preparaten of producten of de verpakking ervan
te voorzien van een door Onze Minister aangegeven aanduiding;
b. die stoffen, preparaten of producten en de daarvan
overgebleven afvalstoffen, na gebruik, in te nemen en te beheren,
alsmede de financiële verantwoordelijkheid daarvoor of de
verantwoordelijkheid voor het regelen van het afvalbeheer geheel
of gedeeltelijk te dragen;
c. zorg te dragen voor het treffen van voorzieningen die erop
gericht zijn om die stoffen, preparaten of producten na inname op
een bij de maatregel aangegeven wijze nuttig toe te passen of te
verwijderen;
d. zorg te dragen voor het, na inname, afgeven van die stoffen,
preparaten of producten aan een persoon, behorende tot een bij de
maatregel aangewezen categorie;
e. openbaar beschikbare informatie te verstrekken over de mate
waarin die stoffen, preparaten of producten geschikt zijn voor
hergebruik en recycleerbaar zijn.
4. Tot de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen verder behoren
regels, inhoudende de verplichting:
a. voor bij de maatregel aangewezen personen bij de maatregel
aangewezen afvalstoffen of andere stoffen, preparaten of producten
in ontvangst te nemen en vervolgens op een bij de maatregel
aangegeven wijze toe te passen;
b. voor burgemeester en wethouders er zorg voor te dragen dat
er op ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats
binnen de gemeente of binnen de gemeenten waarmee wordt
samengewerkt, in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om bij
de maatregel aangewezen stoffen, preparaten of producten achter te
laten die zijn ingenomen krachtens het derde lid, onder b, op een
bij de maatregel aangegeven wijze.
5. Bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid kan worden
bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in bij de maatregel
aangegeven categorieën van gevallen of in de bij de maatregel
aangewezen gebieden.
6. Artikel 9.5.1, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat de regels, bedoeld in dat lid, tevens kunnen worden
gesteld ten aanzien van bij de maatregel, bedoeld in het eerste lid,
aangewezen stoffen en preparaten of categorieën daarvan.
7. Onze Minister kan omtrent in een maatregel krachtens het eerste
lid geregelde onderwerpen nadere regels stellen.
Artikel 9.5.3
Bij een algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens artikel
9.5.1, kan worden bepaald dat het gezag dat bevoegd is een vergunning
krachtens artikel 8.1 voor een inrichting te verlenen, bij het verlenen
of wijzigen van de vergunning met betrekking tot bij de maatregel
aangegeven onderwerpen in de beperkingen waaronder de vergunning wordt
verleend, of in de daaraan verbonden voorschriften van bij de maatregel
of de krachtens artikel 9.5.1, zesde lid, gestelde regels met betrekking
tot producten kan afwijken. In dat geval wordt bij de maatregel
aangegeven in hoeverre het bevoegd gezag van de regels kan afwijken. Bij
de maatregel kan tevens worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken
slechts geldt in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
Artikel 9.5.4
Onze Minister kan, indien naar zijn oordeel in het belang van het
voorkomen of beperken van luchtverontreiniging of geluidhinder, dan wel
in het belang van de stimulering van hergebruik, preventie, recycling of
andere nuttige toepassing, van een doelmatig beheer van afvalstoffen of
anderszins in het belang van de bescherming van het milieu een
onverwijlde voorziening noodzakelijk is, een regeling vaststellen van de
in de artikelen 9.5.1 of 9.5.2 bedoelde strekking voor een termijn van
ten hoogste twee jaar.
Artikel 9.5.5
1. Bij koninklijk besluit kan in het belang van de landsverdediging
op verzoek van Onze Minister van Defensie ontheffing worden verleend
van het bepaalde krachtens artikel 9.5.1.
2. Onze Minister kan voorts op aanvraag ontheffing verlenen van het
bepaalde krachtens de artikelen 9.5.1 of 9.5.2 indien het belang dat
die artikelen beogen te beschermen, zich daartegen niet verzet.
3. Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de
artikelen 9.5.1 of9.5.2 kan worden bepaald dat een bij de maatregel
aangewezen ander bestuursorgaan in plaats van Onze Minister ontheffing
kan verlenen van het bepaalde krachtens deze artikelen, indien het
belang dat die artikelen beogen te beschermen, zich daartegen niet
verzet.
4. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste tot en met derde
lid kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden in het belang
dat deartikelen 9.5.1 of 9.5.2 beogen te beschermen.
5. De voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vierde lid,
kunnen worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken in het belang dat de
artikelen 9.5.1 of 9.5.2 beogen te beschermen.
6. Een ontheffing als bedoeld in het eerste tot en met derde lid
kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken in het belang dat de
artikelen 9.5.1 of9.5.2 beogen te beschermen.
7. Bij algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 9.5.2 kan
worden bepaald dat in daarbij aangegeven categorieën van gevallen op
de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing te
verlenen, afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing is.
Artikel 9.5.6
1. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 9.5.1, zesde lid,
onder a, ofartikel 9.5.2, zesde lid, in samenhang met artikel 9.5.1,
zesde lid, onder a, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
van toepassing op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag
om een vergunning. Artikel 8.7 is van overeenkomstige toepassing.
2. Een vergunning kan slechts worden geweigerd in het belang dat de
artikelen 9.5.1 of 9.5.2 beogen te beschermen.
3. Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend.
4. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
Hiertoe kan behoren het voorschrift, dat met betrekking tot in het
voorschrift geregelde onderwerpen moet worden voldaan aan nadere
eisen, die door een bij het voorschrift aangewezen bestuursorgaan
worden gesteld.
5. Bij de betrokken algemene maatregel van bestuur kunnen
categorieën van gevallen worden aangewezen waarin het eerste lid niet
van toepassing is.
6. Voor zover dat bij de betrokken maatregel is bepaald, kan de
vergunning worden gewijzigd of ingetrokken. Op de voorbereiding van
een zodanige wijziging of intrekking is afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht van toepassing. Artikel 8.7 is van overeenkomstige
toepassing.
Titel 9.6. De EG-richtlijn ter bevordering van schone en
energiezuinige wegvoertuigen
Artikel 9.6.1
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
om te bevorderen dat bij de aankoop van de in of bij die maatregel
aangewezen wegvoertuigen rekening wordt gehouden met de energie- en
milieueffecten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van richtlijn nr.
2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 23 april 2009 inzake de bevordering van schone en energiezuinige
wegvoertuigen (PbEU L 120) door de volgende partijen:
a. aanbestedende diensten als bedoeld in artikel 4, onder 1, van
die richtlijn, en
b. exploitanten als bedoeld in artikel 3, onder b, van die
richtlijn.
Hoofdstuk 10. Afvalstoffen
Titel 10.1. Algemeen
Artikel 10.1
1. Een ieder die handelingen met betrekking tot afvalstoffen
verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat
daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen
ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die
redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen
zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
2. Het is een ieder bij wie afvalstoffen ontstaan, verboden
handelingen met betrekking tot die afvalstoffen te verrichten of na te
laten, waarvan hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat
daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen
ontstaan.
3. Het is een ieder verboden bedrijfsmatig of in een omvang of op
een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot
afvalstoffen te verrichten, indien daardoor, naar hij weet of
redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu
ontstaan of kunnen ontstaan.
4. Onder handelingen als bedoeld in het derde lid wordt in ieder
geval verstaan: inzamelen of anderszins in ontvangst nemen, bewaren,
nuttig toepassen, verwijderen, vervoeren of verhandelen van
afvalstoffen of bemiddelen bij het beheer van afvalstoffen.
5. De verboden, bedoeld in het tweede en derde lid, gelden niet
voor zover deze handelingen betreffen, die degene die deze verricht,
uitdrukkelijk zijn toegestaan bij of krachtens deze wet of een in
artikel 13.1, tweede lid, genoemde wet of de EG-verordening
overbrenging van afvalstoffen.
Artikel 10.1a
1. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende stoffen,
preparaten en voorwerpen:
a. gasvormige effluenten die in de atmosfeer worden
uitgestoten, alsmede kooldioxide dat wordt afgevangen en
getransporteerd met het oog op geologische opslag en dat
geologisch is opgeslagen overeenkomstig het bepaalde in richtlijn
nr. 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag
van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de
Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG,
2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het
Europees Parlement en de Raad (PbEU L 140), dan wel op grond van
artikel 2, tweede lid, van die richtlijn buiten de werkingssfeer
van die richtlijn valt;
b. bodem met inbegrip van niet-uitgegraven verontreinigde grond
en duurzaam met de bodem verbonden gebouwen;
c. niet-verontreinigde grond en ander van nature voorkomend
materiaal, afgegraven bij bouwactiviteiten, indien vaststaat dat
het materiaal in natuurlijke staat zal worden gebruikt voor
bouwdoeleinden op de locatie waar het werd afgegraven;
d. radioactieve afvalstoffen;
e. afgedankte explosieven;
f. uitwerpselen, voor zover niet vallend onder onderdeel h,
onder 1°, stro en ander natuurlijk, niet-gevaarlijk materiaal
rechtstreeks afkomstig uit de land- of bosbouw dat wordt gebruikt
in de landbouw, de bosbouw of voor de productie van energie uit
die biomassa door middel van processen of methoden die
onschadelijk zijn voor het milieu en die de menselijke gezondheid
niet in gevaar brengen;
g. sediment dat binnen oppervlaktewater wordt verplaatst met
het oog op het beheer van water en waterwegen of om overstromingen
te voorkomen of de gevolgen van overstromingen en droogte te
verminderen, of met het oog op landwinning, indien is aangetoond
dat het sediment ongevaarlijk is;
h.
1°. dierlijke bijproducten, met inbegrip van verwerkte
producten, in de zin van verordening (EG) nr. 1774/2002 van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3
oktober 2002, behalve die welke bestemd zijn om te worden
verbrand of gestort of voor gebruik in een biogas- of
composteerinstallatie;
2°. kadavers van niet door slachting gestorven dieren, met
inbegrip van dieren die worden gedood om een epizoötie uit te
roeien en overeenkomstig de onder 1° genoemde verordening
worden verwijderd;
voor zover daarover bij of krachtens communautaire regelgeving
regels zijn gesteld.
2. Op de in het eerste lid bedoelde stoffen, preparaten en
voorwerpen is, voor zover het afvalstoffen betreft, het bepaalde bij
of krachtens deartikelen 15.33, 15.35 en 15.36, alsmede de artikelen
2.4, 2.22, derde lid, en 2.23, tweede lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht, evenmin van toepassing.
Artikel 10.1b [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 10.2
1. Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al
dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins
op of in de bodem te brengen of te verbranden.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, indien het
belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet,
voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling worden
verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid.
3. Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, kunnen bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur in het belang van de
bescherming van het milieu regels worden gesteld met betrekking tot
het zich ontdoen van afvalstoffen als bedoeld in het eerste lid.
Titel 10.2. Het afvalbeheerplan
Artikel 10.3
Onze Minister stelt ten minste eenmaal in de zes jaar een
afvalbeheerplan vast.
Artikel 10.4
1. Bij de vaststelling van het afvalbeheerplan en bij het nemen van
andere maatregelen voor de preventie en het beheer van afvalstoffen
hanteert Onze Minister als prioriteitsvolgorde de volgende
afvalhiërarchie:
a. preventie;
b. voorbereiding voor hergebruik;
c. recycling;
d. andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning;
e. veilige verwijdering.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot het nemen van maatregelen als bedoeld in dat lid door gedeputeerde
staten en burgemeester en wethouders.
Artikel 10.5
Bij de vaststelling van het afvalbeheerplan en bij het nemen van
andere maatregelen voor de preventie en het beheer van afvalstoffen:
a. kan zonodig voor bepaalde specifieke afvalstromen van de
afvalhiërarchie, bedoeld in artikel 10.4, worden afgeweken, indien
dit, de gehele levenscyclus in beschouwing nemende, met betrekking
tot de algemene effecten van het produceren en beheren van
dergelijke afvalstoffen gerechtvaardigd is;
b. houdt Onze Minister er rekening mee dat het belang van een
doelmatig beheer van afvalstoffen vereist dat het beheer op
effectieve en efficiënte wijze geschiedt en effectief toezicht dan
wel douanecontrole op het beheer mogelijk is.
Artikel 10.5a [Vervallen per 08-05-2002]
Artikel 10.6
Bij de vaststelling van het afvalbeheerplan houdt Onze Minister
rekening met het geldende nationale milieubeleidsplan.
Artikel 10.7
1. Het afvalbeheerplan bevat de onderwerpen die ingevolge voor
Nederland bindende besluiten van de instellingen van de Europese Unie
moeten worden opgenomen in een zodanig plan. Het afvalbeheerplan
voldoet aan het bij of krachtens de kaderrichtlijn afvalstoffen
daaromtrent bepaalde, met inbegrip van hetgeen bij of krachtens die
richtlijn is bepaald met betrekking tot afvalpreventieprogramma’s.
2. Het afvalbeheerplan bevat voorts in ieder geval:
a. de hoofdlijnen van het beleid ter uitvoering van deze wet
met betrekking tot het voorkomen of beperken van het ontstaan van
afvalstoffen en het beheer van afvalstoffen in de betrokken
periode van zes jaar en, voor zover mogelijk, in de daarop
volgende zes jaar;
b. een uitwerking van deze hoofdlijnen met betrekking tot
daarbij aangewezen categorieën van afvalstoffen of wijzen van
beheer van afvalstoffen;
c. de capaciteit die benodigd is voor de daarbij aangewezen
wijzen van beheer van afvalstoffen in de betrokken periode van zes
jaar en, voor zover mogelijk, in de daaropvolgende zes jaar;
d. een beschrijving van het beleid ter uitvoering van de
EG-verordening overbrenging van afvalstoffen in de betrokken
periode van zes jaar.
Artikel 10.8
1. Onze Minister stelt het onderdeel van het afvalbeheerplan,
bedoeld in artikel 10.7, tweede lid, onder a, op na overleg met een
instantie die representatief kan worden geacht voor de
provinciebesturen en met een instantie die representatief kan worden
geacht voor de gemeentebesturen.
2. Onze Minister stelt de onderdelen van het afvalbeheerplan,
bedoeld in artikel 10.7, tweede lid, onder b en c, op in gezamenlijk
overleg met een instantie die representatief kan worden geacht voor de
provinciebesturen en met een instantie die representatief kan worden
geacht voor de gemeentebesturen.
3. Onze Minister betrekt voorts bij de voorbereiding van het
afvalbeheerplan de naar zijn oordeel bij de te behandelen onderwerpen
meest belanghebbende andere bestuursorganen, instellingen en
organisaties.
4. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de
wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste
tot en met derde lid.
Artikel 10.9
1. Met betrekking tot de voorbereiding van het afvalbeheerplan is
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
2. Het ontwerp van het afvalbeheerplan wordt, gelijktijdig met de
terinzagelegging ervan, overgelegd aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 10.10
Ten behoeve van het opstellen van het afvalbeheerplan verschaffen de
bestuursorganen aan Onze Minister op zijn verzoek alle inlichtingen en
gegevens waarover zij kunnen beschikken, voor zover die voor dat
opstellen redelijkerwijs noodzakelijk zijn.
Artikel 10.11
1. Zodra het afvalbeheerplan is vastgesteld, doet Onze Minister
hiervan mededeling door overlegging van het afvalbeheerplan aan de
beide kamers der Staten-Generaal en door toezending ervan aan
gedeputeerde staten van de provincies en burgemeester en wethouders
van de gemeenten.
2. Onze Minister zendt het afvalbeheerplan tevens toe aan de
bestuursorganen, instellingen en organisaties, die overeenkomstig
artikel 10.8, derde lid, waren betrokken bij de voorbereiding ervan.
Artikel 10.12
1. Het afvalbeheerplan geldt met ingang van de dag waarop vier
weken zijn verstreken na de dag waarop de vaststelling van het
afvalbeheerplan is bekendgemaakt in de Staatscourant. Onze Minister
kan bepalen dat het afvalbeheerplan, of onderdelen daarvan, eerst op
een later tijdstip gaan gelden.
2. Het afvalbeheerplan geldt, behoudens indien eerder een nieuw
afvalbeheerplan is vastgesteld, voor een tijdvak van zes jaar. Onze
Minister kan de geldingsduur van het afvalbeheerplan eenmaal met ten
hoogste twee jaar verlengen.
Artikel 10.12a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 10.12b [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 10.13
1. Het afvalbeheerplan kan worden gewijzigd.
2. Met betrekking tot een wijziging van het afvalbeheerplan zijn de
artikelen 10.4 tot en met 10.11 en 10.12, eerste lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.14
1. Ieder bestuursorgaan houdt rekening met het geldende
afvalbeheerplan bij het uitoefenen van een bevoegdheid krachtens deze
wet, voor zover de bevoegdheid wordt uitgeoefend met betrekking tot
afvalstoffen.
2. Voor zover het afvalbeheerplan niet voorziet in het onderwerp
met betrekking waartoe de bevoegdheid wordt uitgeoefend, houdt het
bestuursorgaan rekening met de voorkeursvolgorde, aangegeven in
artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel 10.5, eerste lid.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij het
uitoefenen van een bevoegdheid krachtens de EG-verordening
overbrenging van afvalstoffen.
Titel 10.3. Hergebruik, preventie en recycling en andere nuttige
toepassing
Artikel 10.15 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 10.16 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 10.16a [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 10.16b [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 10.16c [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 10.16d [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 10.17 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 10.18 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 10.19 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 10.20 [Vervallen per 01-01-2012]
Titel 10.4. Het beheer van huishoudelijke en andere afvalstoffen
Artikel 10.21
1. De gemeenteraad en burgemeester en wethouders dragen, al dan
niet in samenwerking met de gemeenteraad en burgemeester en wethouders
van andere gemeenten, ervoor zorg dat ten minste eenmaal per week de
huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke
afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen
perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.
2. Groente-, fruit- en tuinafval wordt daarbij in ieder geval
afzonderlijk ingezameld.
3. De gemeenteraad kan besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van
andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen.
Artikel 10.22
1. Elke gemeente draagt er zorg voor:
a. dat grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij
elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige
afvalstoffen ontstaan, en
b. dat er op ten minste één daartoe ter beschikking gestelde
plaats binnen de gemeente of binnen de gemeenten waarmee wordt
samengewerkt, in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om grove
huishoudelijke afvalstoffen achter te laten.
2. In het belang van een doelmatig beheer van grove huishoudelijke
afvalstoffen kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat
het eerste lid geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft met
betrekking tot bij de maatregel aangewezen categorieën van grove
huishoudelijke afvalstoffen, al dan niet voor zover deze vrijkomen in
een hoeveelheid of een omvang die, of een gewicht dat groter is dan
bij de maatregel is aangegeven.
Artikel 10.22a [Vervallen per 08-05-2002]
Artikel 10.23
1. De gemeenteraad stelt in het belang van de bescherming van het
milieu een afvalstoffenverordening vast.
2. Onverminderd artikel 10.14 wordt bij het vaststellen of wijzigen
van de verordening rekening gehouden met:
a. het gemeentelijke milieubeleidsplan;
b. het gemeentelijke milieuprogramma, indien in de gemeente
geen milieubeleidsplan geldt.
3. De afvalstoffenverordening bevat geen regels als bedoeld in
artikel 10.48.
Artikel 10.24
1. De afvalstoffenverordening bevat ten minste regels omtrent:
a. het overdragen of het ter inzameling aanbieden van
huishoudelijke afvalstoffen aan een bij of krachtens de
verordening aangewezen inzameldienst;
b. het overdragen van zodanige afvalstoffen aan een ander;
c. het achterlaten van zodanige afvalstoffen op een daartoe ter
beschikking gestelde plaats.
2. Bij de afvalstoffenverordening kunnen voorts regels worden
gesteld omtrent het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen.
Artikel 10.25
Bij de afvalstoffenverordening kunnen in ieder geval regels worden
gesteld:
a. ten einde te voorkomen dat afvalstoffen als zwerfafval in het
milieu terechtkomen dan wel teneinde te bereiken dat zulks zo min
mogelijk gebeurt;
b. omtrent het opruimen van afvalstoffen die als zwerfafval in
het milieu terecht zijn gekomen;
c. omtrent het op een voor het publiek zichtbare plaats aanwezig
hebben van afvalstoffen.
Artikel 10.26
1. De gemeenteraad kan, in afwijking van artikel 10.21, in het
belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen bij de
afvalstoffenverordening bepalen dat:
a. huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld nabij elk
perceel;
b. huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld met een
daarbij aangegeven regelmaat;
c. in een gedeelte van het grondgebied van de gemeente geen
huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld;
d. daarbij aangegeven bestanddelen van het groente-, fruit- en
tuinafval afzonderlijk worden ingezameld;
e. groente-,fruit- en tuinafval met andere daarbij aangegeven
bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk van het
overige huishoudelijk afval wordt ingezameld.
2. De gemeenteraad betrekt bij de voorbereiding van een zodanig
besluit de ingezetenen en belanghebbenden, op de wijze voorzien in de
krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening.
Artikel 10.27
In gevallen als bedoeld in artikel 10.26, eerste lid, onder b en c,
dragen de gemeenteraad en burgemeester en wethouders er zorg voor dat op
ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de
gemeente of binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, in voldoende
mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen achter te
laten.
Artikel 10.28
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot het opnemen in de verordening van een verplichting
bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen te brengen naar een
daartoe beschikbaar gestelde plaats.
2. Bij de maatregel kan worden aangegeven op welke wijze de
gemeenteraad en burgemeester en wethouders er zorg voor dragen dat
plaatsen als bedoeld in het eerste lid, binnen de gemeente in
voldoende mate beschikbaar zijn.
3. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de artikelen 10.21,
eerste lid, en 10.24, eerste lid, onder a, niet van toepassing zijn
met betrekking tot de inzameling van de bestanddelen van
huishoudelijke afvalstoffen, die zijn aangewezen krachtens het eerste
lid.
Artikel 10.29
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, voor zover het
betreft gevallen waarin een doelmatig beheer van huishoudelijke
afvalstoffen van meer dan gemeentelijk belang is, regels worden
gesteld omtrent de inzameling van die afvalstoffen.
2. Hiertoe kunnen in ieder geval behoren regels die inhouden dat
burgemeester en wethouders maatregelen treffen voor de inzameling van
die afvalstoffen of daartoe voorzieningen tot stand brengen en in
stand houden. Indien zulks uitvoerbaar is op technisch, milieu- en
economisch gebied, wordt bij de algemene maatregel van bestuur
teneinde nuttige toepassing van afvalstoffen te faciliteren of te
verbeteren de verplichting opgenomen daarbij aan te geven
huishoudelijke afvalstoffen gescheiden en niet gemengd met
afvalstoffen of materialen die niet dezelfde eigenschappen bezitten,
in te zamelen.
Titel 10.5. Het zich ontdoen, de inzameling en het transport van
afvalwater
Artikel 10.29a
Een bestuursorgaan houdt er bij het uitoefenen van een bevoegdheid
krachtens deze wet, voor zover die bevoegdheid wordt uitgeoefend met
betrekking tot afvalwater, rekening mee dat het belang van de
bescherming van het milieu vereist dat in de navolgende
voorkeursvolgorde:
a. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
b. verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
c. afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet
gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig
beheer van afvalwater;
d. huishoudelijk afvalwater en, voor zover doelmatig en
kostenefficiënt, afvalwater dat daarmee wat biologische
afbreekbaarheid betreft overeenkomt worden ingezameld en naar een
inrichting als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet
getransporteerd;
e. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d zo nodig na
retentie of zuivering bij de bron, wordt hergebruikt;
f. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d lokaal, zo nodig
na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht
en
g. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d naar een
inrichting als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet wordt
getransporteerd.
Artikel 10.30
1. Het is verboden zich, anders dan vanuit een inrichting, van
afvalwater of andere afvalstoffen te ontdoen door deze in een
voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater te
brengen.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het
brengen van:
a. huishoudelijk afvalwater in een voorziening voor de
inzameling en het transport van stedelijk afvalwater;
b. afvloeiend hemelwater in een openbaar hemelwaterstelsel of
in een voorziening voor de inzameling en het transport van
stedelijk afvalwater, die blijkens het gemeentelijk rioleringsplan
mede voor afvoer van afvloeiend hemelwater is bestemd, en
c. grondwater in een openbaar ontwateringsstelsel of in een
voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk
afvalwater, die blijkens het gemeentelijk rioleringsplan mede voor
afvoer van grondwater is bestemd.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan in het belang van een
doelmatig beheer van afvalwater voor daarbij aangegeven categorieën
van gevallen vrijstelling worden verleend van het verbod, bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 10.31
De artikelen 10.21 tot en met 10.29 en titel 10.6 zijn niet van
toepassing op het brengen van afvalwater en andere afvalstoffen in een
voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, het
inzamelen en transporteren van afvalwater in een zodanige voorziening en
het vanuit een zodanige voorziening afgeven van afvalwater aan een
persoon die een zuiveringstechnisch werk beheert.
Artikel 10.32
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang
van de bescherming van het milieu regels worden gesteld met betrekking
tot het brengen van afvalwater en andere afvalstoffen in een voorziening
voor de inzameling en het transport van afvalwater, anders dan vanuit
een inrichting. Artikel 8.42, eerste tot en met vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.32a
1. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat:
a. bij het brengen van afvloeiend hemelwater of van grondwater
op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het
transport van afvalwater, wordt voldaan aan de in die verordening
gestelde regels, en
b. het brengen van afvloeiend hemelwater of van grondwater in
een voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk
afvalwater binnen een in die verordening aangegeven termijn wordt
beëindigd.
2. Van de mogelijkheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
wordt geen gebruikgemaakt, indien van degene bij wie afvloeiend
hemelwater of grondwater vrijkomt redelijkerwijs geen andere wijze van
afvoer van dat water kan worden gevergd.
Artikel 10.33
1. De gemeenteraad of burgemeester en wethouders dragen zorg voor
de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater dat vrijkomt
bij de binnen het grondgebied van de gemeente gelegen percelen, door
middel van een openbaar vuilwaterriool naar een inrichting als bedoeld
in artikel 3.4 van de Waterwet.
2. In plaats van een openbaar vuilwaterriool en een inrichting als
bedoeld in het eerste lid kunnen afzonderlijke systemen of andere
passende systemen in beheer bij een gemeente, waterschap of een
rechtspersoon die door een gemeente of waterschap met het beheer is
belast, worden toegepast, indien met die systemen blijkens het
gemeentelijk rioleringsplan eenzelfde graad van bescherming van het
milieu wordt bereikt.
3. Op verzoek van burgemeester en wethouders kunnen gedeputeerde
staten in het belang van de bescherming van het milieu ontheffing
verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, voor:
a. een gedeelte van het grondgebied van een gemeente, dat
gelegen is buiten de bebouwde kom, en
b. een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater met een
vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten wordt
geloosd.
4. De ontheffing bedoeld in het derde lid kan, indien de
ontwikkelingen in het gebied waarvoor de ontheffing is verleend
daartoe aanleiding geven, door gedeputeerde staten worden ingetrokken.
Bij de intrekking wordt aangegeven binnen welke termijn in inzameling
en transport van stedelijk afvalwater wordt voorzien.
Artikel 10.34
Onze Minister stelt regels over het ontwerpen, bouwen, aanpassen en
onderhouden van de voorzieningen voor de inzameling en het transport van
stedelijk afvalwater ter uitvoering van een voor Nederland verbindend
verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een
volkenrechtelijke organisatie.
Artikel 10.35
1. Onze Minister stelt iedere twee jaar een rapport op, waarin de
stand van zaken wordt beschreven met betrekking tot de inzameling en
het transport van stedelijk afvalwater en de afvoer van slib dat
geheel of in hoofdzaak afkomstig is van de
rioolwaterzuiveringsinrichtingen die door een provincie, een gemeente
of een waterschap worden beheerd.
2. Van de vaststelling van het rapport wordt mededeling gedaan in
de Staatscourant.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid.
Deze regels kunnen voor burgemeester en wethouders de verplichting
inhouden jaarlijks op een daarbij aangegeven wijze gegevens te
verstrekken, die voor de opstelling van het rapport nodig zijn.
Titel 10.6. Het beheer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke
afvalstoffen
§ 10.6.1. De afgifte en ontvangst van bedrijfsafvalstoffen en
gevaarlijke afvalstoffen
Artikel 10.36
Voor de toepassing van deze titel worden ingezamelde of afgegeven
huishoudelijke afvalstoffen gelijkgesteld met bedrijfsafvalstoffen.
Artikel 10.36a [Vervallen per 08-05-2002]
Artikel 10.36b [Vervallen per 08-05-2002]
Artikel 10.37
1. Het is verboden zich door afgifte aan een ander van
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen.
2. Het verbod geldt niet indien bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke
afvalstoffen worden afgegeven aan een persoon:
a. die krachtens artikel 10.45 of 10.48 bevoegd is de betrokken
afvalstoffen in te zamelen;
b. die bevoegd is de betrokken afvalstoffen nuttig toe te
passen of te verwijderen:
1°. krachtens hoofdstuk 8 of op grond van een
omgevingsvergunning;
2°. op grond van een krachtens artikel 10.2, tweede lid,
verleende vrijstelling of een ontheffing krachtens artikel
10.63, tweede of derde lid, van het verbod, bedoeld in artikel
10.2, eerste lid;
3°. krachtens artikel 10.52;
4°. op grond van een krachtens artikel 10.54, derde lid,
verleende vrijstelling of een ontheffing krachtens artikel
10.63, derde lid, van het verbod, bedoeld in artikel 10.54,
eerste lid;
c. die krachtens artikel 10.50 is vrijgesteld van de
verplichtingen, gesteld bij of krachtens de artikelen 10.38 tot en
met 10.40, 10.45, 10.46 en 10.48;
d. die op grond van een krachtens de Waterwet verleende
vergunning bevoegd is de betrokken afvalstoffen te lozen, dan wel
aan boord van een vaartuig of luchtvaartuig te nemen met het
oogmerk ze te lozen;
e. die krachtens de Waterwet bevoegd is afvalstoffen van de
betrokken aard en samenstelling te brengen in oppervlaktewateren;
f. die in een ander land dan Nederland is gevestigd, en die
overeenkomstig de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen en
titel 10.7 die afvalstoffen naar dat land brengt;
g. die krachtens artikel 10.55 bevoegd is de betrokken
afvalstoffen te vervoeren of te verhandelen.
Artikel 10.38
1. Degene die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke
afvalstoffen ontdoet door deze af te geven aan een persoon als bedoeld
in artikel 10.37, tweede lid, onder a tot en met f, registreert met
betrekking tot zodanige afgifte:
a. de datum van afgifte;
b. de naam en het adres van degene aan wie de afvalstoffen
worden afgegeven;
c. de gebruikelijke benaming en de hoeveelheid van die
afvalstoffen;
d. de plaats waar en de wijze waarop de afvalstoffen worden
afgegeven;
e. de voorgenomen wijze van beheer van de afvalstoffen;
f. ingeval de afgifte geschiedt door tussenkomst van een ander
die opdracht heeft de afvalstoffen te vervoeren naar degene voor
wie deze zijn bestemd: diens naam en adres en de naam en het adres
van degene in wiens opdracht het vervoer geschiedt.
2. De geregistreerde gegevens worden ten minste vijf jaar bewaard
en gedurende die periode door de afvalstoffenhouder ter beschikking
gehouden van degenen die zijn belast met het toezicht of de
douanecontrole op de naleving van de wet en van voorgaande
afvalstoffenhouders.
3. Een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of
b, die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen
ontdoet door deze af te geven aan een andere zodanige persoon, meldt
met betrekking tot een zodanige afgifte de in het eerste lid bedoelde
gegevens aan een door Onze Minister aan te wijzen instantie.
Artikel 10.39
1. Degene die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke
afvalstoffen ontdoet door afgifte aan een persoon als bedoeld in
artikel 10.37, tweede lid, onder a tot en met e, verstrekt:
a. aan deze persoon een omschrijving van aard, eigenschappen en
samenstelling van die afvalstoffen;
b. aan degene die opdracht heeft de afvalstoffen naar die
persoon te vervoeren, een begeleidingsbrief.
2. De begeleidingsbrief bevat ten minste de in het eerste lid,
onder a, en de in artikel 10.38, eerste lid, bedoelde gegevens.
Artikel 10.40
1. Een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of
b, aan wie bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden
afgegeven, meldt met betrekking tot een zodanige afgifte, aan een door
Onze Minister aan te wijzen instantie:
a. de datum van afgifte;
b. de naam en het adres van degene van wie de afvalstoffen
afkomstig zijn;
c. de gebruikelijke benaming en de hoeveelheid van de
afvalstoffen;
d. de plaats waar en de wijze waarop de afvalstoffen worden
afgegeven;
e. de wijze waarop de afvalstoffen nuttig worden toegepast of
worden verwijderd;
f. ingeval de afgifte geschiedt door tussenkomst van een ander
die opdracht had de afvalstoffen naar hem te vervoeren: diens naam
en adres en de naam en het adres van degene in wiens opdracht het
vervoer geschiedt.
2. Het is een persoon als bedoeld in het eerste lid verboden
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in ontvangst te nemen
zonder dat hem daarbij een omschrijving en een begeleidingsbrief als
bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder a en b, worden verstrekt.
3. Op verzoek van gedeputeerde staten van een provincie of
burgemeester en wethouders van een gemeente die terzake bevoegd gezag
zijn, worden de gegevens, als bedoeld in het eerste lid, aan
gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders gezonden.
Artikel 10.40a
1. De in artikel 10.38 gestelde verplichting de afgifte van
afvalstoffen te registreren of te melden, geldt niet voor degene die
zich ontdoet van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
afvalstoffen afkomstig van schepen.
2. Degene die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
afvalstoffen afkomstig van schepen in ontvangst neemt, bevestigt deze
ontvangst op een bij algemene maatregel van bestuur aan te geven wijze
op een formulier, vastgesteld ingevolge artikel 10.1 van de Waterwet.
Artikel 10.41
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de wijze waarop aan de artikelen 10.38 tot
en met 10.40 uitvoering wordt gegeven.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald of
de melding, bedoeld in de artikelen 10.38, derde lid, en 10.40,
voorafgaand aan de afgifte, onderscheidenlijk de ontvangst van
afvalstoffen plaatsvindt of erna. Daarbij kan een onderscheid worden
gemaakt naar categorie van afvalstoffen.
Artikel 10.42
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan aan in
artikel 10.38, eerste lid, bedoelde personen de verplichting worden
opgelegd de in dat artikel bedoelde gegevens te melden aan een door
Onze Minister aan te wijzen instantie.
2. De artikelen 10.40, derde lid, en 10.41 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 10.43
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met
betrekking tot bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
categorieën van gevallen worden aangewezen waarvoor verplichtingen
als bedoeld in de artikelen 10.38 tot en met 10.40 niet gelden.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt bij of
krachtens de algemene maatregel van bestuur aan personen als bedoeld
in artikel 10.40, eerste lid, de verplichting opgelegd de in de
betrokken bepalingen bedoelde gegevens te registreren op een daarbij
aan te geven wijze.
Artikel 10.43a [Vervallen per 08-05-2002]
§ 10.6.2. Het vervoer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke
afvalstoffen
Artikel 10.44
1. Degene die bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen
vervoert, is verplicht zolang hij die afvalstoffen onder zich heeft,
een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39 bij die
afvalstoffen aanwezig te hebben.
2. Hij geeft, indien een ander de afvalstoffen in ontvangst neemt,
de begeleidingsbrief aan die ander af, bij dat in ontvangst nemen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de wijze waarop aan de verplichtingen,
bedoeld in het eerste en tweede lid, uitvoering wordt gegeven. Tevens
kunnen daarbij categorieën van gevallen worden aangewezen waarvoor
zodanige verplichtingen niet gelden.
Artikel 10.44a [Vervallen per 08-05-2002]
Artikel 10.44b [Vervallen per 08-05-2002]
Artikel 10.44c [Vervallen per 08-05-2002]
Artikel 10.44d [Vervallen per 08-05-2002]
Artikel 10.44e [Vervallen per 08-05-2002]
§ 10.6.3. De inzameling van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke
afvalstoffen
Artikel 10.45
1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen
in te zamelen:
a. zonder vermelding op een lijst van inzamelaars, of
b. ingeval de afvalstoffen tot de krachtens artikel 10.48
aangewezen categorieën behoren, zonder vergunning van Onze
Minister.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, indien het
belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet,
voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling worden
verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid.
3. Onze Minister wijst een instantie aan die namens hem zorg draagt
voor de vermelding van inzamelaars op de in het eerste lid bedoelde
lijst van inzamelaars.
4. Op aanwijzing van Onze Minister wordt de vermelding van een
inzamelaar op de lijst beëindigd.
5. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de criteria voor
vermelding op de lijst en beëindiging daarvan.
Artikel 10.46
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden in het
belang van een doelmatig beheer van bedrijfsafvalstoffen of
gevaarlijke afvalstoffen regels gesteld omtrent het inzamelen van die
afvalstoffen, al dan niet afkomstig van personen, behorende tot een
bij of krachtens die maatregel aangewezen categorie.
2. Tot de regels behoren:
a. regels omtrent de wijze waarop een inzamelaar zich bij de
krachtens artikel 10.45, derde lid, aangewezen instantie meldt en
de gegevens die daarbij worden overgelegd;
b. regels inhoudende de verplichting een wijziging te melden in
de gegevens welke bij de melding zijn overgelegd;
c. regels omtrent het aan een ieder inzage geven van de
gegevens, overgelegd bij de melding alsmede van een wijziging als
bedoeld onder b;
d. regels inhoudende de verplichting dat de inzamelaar tijdens
het inzamelen daarbij aan te geven bescheiden aanwezig heeft,
waaruit blijkt dat hij staat vermeld op de lijst van inzamelaars.
3. Bij de regels kan worden bepaald dat de vermelding op de lijst
van inzamelaars slechts geldt voor een daarbij aangegeven termijn.
Artikel 10.47
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van een
doelmatig beheer van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen
regels worden gesteld omtrent de inzameling van die afvalstoffen.
2. Hiertoe kunnen in ieder geval behoren regels die inhouden dat:
a. burgemeester en wethouders of gedeputeerde staten voor de
inzameling van die afvalstoffen maatregelen treffen of daartoe
voorzieningen tot stand brengen en in stand houden;
b. daarbij aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen of
gevaarlijke afvalstoffen die gescheiden worden afgegeven,
afzonderlijk worden ingezameld.
3. Indien zulks uitvoerbaar is op technisch, milieu- en economisch
gebied, wordt bij de algemene maatregel van bestuur teneinde nuttige
toepassing van afvalstoffen te faciliteren of te verbeteren de
verplichting opgenomen daarbij aangegeven bedrijfsafvalstoffen
gescheiden en niet gemengd met afvalstoffen of materialen die niet
dezelfde eigenschappen bezitten, in te zamelen.
4. Bij de maatregel wordt aangegeven binnen welke termijn de regels
door de daarbij aangewezen bestuursorganen moeten worden uitgevoerd.
Artikel 10.48
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan in het belang van een
doelmatig beheer van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen
worden bepaald dat voor het inzamelen van daarbij aangewezen
categorieën van zodanige afvalstoffen een vergunning van Onze
Minister is vereist.
2. Het voor activiteiten met betrekking tot inrichtingen bij of
krachtens de artikelen 2.8, 2.14, 2.20, 2.22, 2.23, 2.25, 2.26, derde
en vierde lid, 2.29, 2.30, 2.31, eerste lid, onder a en b, en tweede
lid, onder b, 2.33, eerste lid, onder a tot en met d, en tweede lid,
onder a, b en d, 3.2, 3.10, 3.12, 3.13, 3.15 en 4.1 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht bepaalde is van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot het verlenen, weigeren, wijzigen en
intrekken van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, met dien
verstande dat voor de toepassing van genoemde artikelen het belang van
de bescherming van het milieu beperkt wordt tot het belang van een
doelmatig beheer van afvalstoffen.
3. Onze Minister kan in het belang van een doelmatig beheer van
afvalstoffen de tarieven vaststellen, die ten minste dan wel ten
hoogste in rekening worden gebracht bij het in ontvangst nemen van
afvalstoffen door de houder van een vergunning als bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 10.49
1. De aan de vergunning, bedoeld in artikel 10.48, eerste lid, te
verbinden voorschriften kunnen in ieder geval inhouden:
a. dat in daarbij aangewezen categorieën van gevallen
afvalstoffen niet mogen worden ingezameld zonder afzonderlijke
toestemming van Onze Minister;
b. de verplichting, daarbij aangewezen afvalstoffen, wanneer
zij aan de inzamelaar worden aangeboden, in ontvangst te nemen;
c. de verplichting, daarbij aangewezen categorieën van
afvalstoffen die gescheiden worden afgegeven, afzonderlijk in te
zamelen;
d. de verplichting, daarbij aangewezen afvalstoffen, wanneer
zij aan de inzamelaar worden aangeboden, op te halen;
e. de verplichting afvalstoffen af te geven aan daarbij
aangewezen personen.
2. Een vergunning geldt slechts voor degene aan wie zij is
verleend. Deze draagt ervoor zorg dat de aan de vergunning verbonden
voorschriften worden nageleefd.
§ 10.6.4. Verdere bepalingen omtrent het beheer van
bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Artikel 10.50
1. Onze Minister kan, indien voor het beheer van de betrokken
stoffen, preparaten of voorwerpen een verplichting deze in te nemen
als bedoeld in artikel 10.17 of een daaraan gelijkwaardige vrijwillige
inname bestaat, bij ministeriële regeling categorieën van gevallen
aangeven waarin de verplichtingen, gesteld bij of krachtens de
artikelen 10.38 tot en met 10.40, 10.45, 10.46 en 10.48 niet gelden.
2. Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid omvat
de verplichting tot het registreren van daarbij aan te geven gegevens
op een daarbij aan te geven wijze.
Artikel 10.51
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van een
doelmatig beheer van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen
regels worden gesteld omtrent het zich ontdoen buiten een inrichting
van bij de maatregel aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen
of gevaarlijke afvalstoffen.
2. Bij de maatregel kunnen in ieder geval regels worden gesteld,
inhoudende de verplichting:
a. die afvalstoffen te scheiden en – mede van andere stoffen
en afvalstoffen – gescheiden te houden;
b. ingeval van afgifte aan een ander, die afvalstoffen
gescheiden af te geven.
Artikel 10.52
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de
bescherming van het milieu regels worden gesteld omtrent het beheer
van bij de maatregel aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen.
2. Bij de maatregel kunnen in ieder geval regels worden gesteld,
inhoudende een verbod bij de maatregel aangewezen categorieën van
bedrijfsafvalstoffen buiten een inrichting nuttig toe te passen of te
verwijderen zonder vergunning van het bestuursorgaan dat daartoe bij
de maatregel is aangewezen.
3. Bij de maatregel kan de verplichting worden opgelegd te voldoen
aan nadere eisen met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen.
Bij de maatregel wordt het bestuursorgaan aangewezen, dat die eisen
kan stellen.
Artikel 10.53
Het voor activiteiten met betrekking tot inrichtingen bij of
krachtens de artikelen 2.8, 2.14, 2.20, 2.22, 2.23, 2.25, 2.26, derde en
vierde lid, 2.29, 2.30, 2.31, eerste lid, onder a en b, en tweede lid,
onder b, 2.33, eerste lid, onder a tot en met d, en tweede lid, onder a,
b en d, 3.2, 3.10, 3.12, 3.13, 3.15 en 4.1 van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht bepaalde is van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot het verlenen, weigeren, wijzigen en intrekken van een
vergunning als bedoeld in artikel 10.52, tweede lid.
Artikel 10.54
1. Het is verboden gevaarlijke afvalstoffen buiten een inrichting
nuttig toe te passen of te verwijderen.
2. Het verbod geldt niet voor handelingen die aan degene die
gevaarlijke afvalstoffen inzamelt, uitdrukkelijk zijn toegestaan
krachtens artikel 10.47, 10.48 of 10.54a, tweede lid.
3. Artikel 10.2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.54a
1. Het is verboden gevaarlijke afvalstoffen te mengen, daaronder
mede begrepen verdunnen, met andere categorieën gevaarlijke
afvalstoffen of met andere afvalstoffen, stoffen of materialen.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover het
mengen van gevaarlijke afvalstoffen is toegestaan krachtens een
omgevingsvergunning.
3. Onze Minister bepaalt bij ministeriële regeling in welke
gevallen gevaarlijke afvalstoffen die in strijd met het eerste lid
zijn gemengd, gescheiden dienen te worden.
Artikel 10.55
1. Het is verboden:
a. bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voor
anderen tegen vergoeding te vervoeren,
b. bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te
verhandelen,
c. ten behoeve van anderen te bemiddelen bij het beheer van
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen,
zonder vermelding als respectievelijk vervoerder, handelaar of
bemiddelaar op de lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a, geldt niet
voor degene die krachtens artikel 10.45 bevoegd is tot het inzamelen
van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.
3. Onze Minister wijst een instantie aan die namens hem zorg
draagt voor de vermelding van vervoerders, handelaars en
bemiddelaars op de lijst, bedoeld in het eerste lid.
4. Onze Minister stelt nadere regels omtrent de vermelding van
vervoerders, handelaars en bemiddelaars op de lijst, bedoeld in het
eerste lid. Deze regels bevatten in ieder geval criteria voor
vermelding op de lijst en voor beëindiging daarvan.
5. Een vervoerder, handelaar of bemiddelaar als bedoeld in het
eerste lid registreert met betrekking tot de activiteiten, bedoeld
in het eerste lid, de volgende gegevens:
a. de naam en het adres van degene:
1° van wie de afvalstoffen afkomstig zijn,
2° aan wie de afvalstoffen worden afgegeven;
b. de gebruikelijke benaming en de hoeveelheid van de
afvalstoffen.
6. Artikel 10.38, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
7. Onze Minister stelt regels inhoudende de verplichting dat een
vervoerder als bedoeld in het eerste lid tijdens het vervoeren
daarbij aan te geven bescheiden aanwezig heeft, waaruit blijkt dat
hij staat vermeld op de lijst van vervoerders.
Titel 10.7. Het overbrengen van afvalstoffen binnen, naar en uit de
Europese Gemeenschap
Artikel 10.56
1. Onze Minister stelt regels ter uitvoering van artikel 6 van de
EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
2. Ter uitvoering van andere artikelen dan het in het eerste lid
genoemde artikel van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen
kan Onze Minister regels stellen.
Artikel 10.57
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de titels
II en VII van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen van
overeenkomstige toepassing zijn met betrekking tot de overbrenging van
afvalstoffen binnen Nederland.
Artikel 10.58
Onze Minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 53 van de
EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
Artikel 10.59
Op een kennisgeving als bedoeld in de EG-verordening overbrenging van
afvalstoffen is artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing.
Artikel 10.60
1. Het is verboden afvalstoffen waarop de EG-verordening
overbrenging van afvalstoffen van toepassing is, binnen of buiten
Nederlands grondgebied te brengen, indien de voorgenomen overbrenging,
nuttige toepassing of verwijdering, naar het oordeel van Onze Minister
in strijd zou zijn met het belang van de bescherming van het milieu.
2. Het is verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel
2, onder 35, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
3. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 49, eerste
lid, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
4. Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften als
bedoeld in de artikelen 35, vijfde lid, 37, vierde lid, of 38, zesde
lid, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
5. Het is verboden afvalstoffen over te brengen indien gehandeld
wordt in strijd met een voorschrift gesteld bij:
a. artikel 13, tweede lid, 15, onder c, 16, onder a, b, c,
eerste of tweede volzin, of d, 18, eerste of tweede lid, of 19 van
de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen;
b. artikel 35, eerste lid, 38, eerste lid, 42, eerste lid, 44,
eerste lid, 45 in verbinding met 42, eerste lid, 46, eerste lid,
47 in verbinding met 42, eerste lid, of 48, eerste lid, in
verbinding met 47 en 42, eerste lid, van de EG-verordening
overbrenging van afvalstoffen, telkens in verbinding met één of
meer van de onder a genoemde bepalingen;
c. artikel 55, laatste volzin, van de EG-verordening
overbrenging van afvalstoffen.
6. Het is verboden afvalstoffen over te brengen indien gehandeld
wordt in strijd met een voorwaarde gesteld krachtens:
a. artikel 10, eerste of tweede lid, of 13, derde lid, van de
EG-verordening overbrenging van afvalstoffen;
b. artikel 35, eerste lid, 38, eerste lid, 42, eerste lid, 44,
eerste lid, 45 in verbinding met 42, eerste lid, 46, eerste lid,
47 in verbinding met 42, eerste lid, of 48, eerste lid, in
verbinding met 47 en 42, eerste lid, van de EG-verordening
overbrenging van afvalstoffen, telkens in verbinding met één of
meer van de onder a genoemde bepalingen.
7. Het is verboden afvalstoffen over te brengen indien gehandeld
wordt in strijd met een voorschrift gesteld bij:
a. artikel 15, onder d of e, laatste volzin, 16, onder c,
laatste volzin, of onder e, of 20 van de EG-verordening
overbrenging van afvalstoffen;
b. artikel 35, eerste lid, 38, eerste lid, 42, eerste lid, 44,
eerste lid, 45 in verbinding met 42, eerste lid, 46, eerste lid,
47 in verbinding met 42, eerste lid, of 48, eerste lid, in
verbinding met 47 en 42, eerste lid, van de EG-verordening
overbrenging van afvalstoffen, telkens in verbinding met één of
meer van de onder a genoemde bepalingen;
c. artikel 35, derde lid, onder c, 38, derde lid, onder b, 42,
derde lid, onder c, 44, derde lid, in verbinding met 42, derde
lid, onder c, 45 in verbinding met artikel 42, derde lid, onder c,
47 in verbinding met 42, derde lid, onder c, 48, eerste lid, in
verbinding met 47 en 42, derde lid, onder c, of 48, tweede lid,
aanhef, in verbinding met 44, derde lid, en 42, derde lid, onder
c, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
Titel 10.8. Verdere bepalingen
Artikel 10.61
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, voor zover dat in het
belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen noodzakelijk is,
regels worden gesteld met betrekking tot het opnemen in de
afvalstoffenverordening van regels als bedoeld in de artikelen 10.21,
10.24, 10.25 en 10.26.
2. Bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt aangegeven
binnen welke termijn en, indien nodig, op welke wijze die regels
moeten zijn opgenomen in de verordening.
Artikel 10.62
1. Onze Minister kan, voor zover dat in het belang van een
doelmatig beheer van afvalstoffen noodzakelijk is, aan de gemeenteraad
een bindende aanwijzing geven met betrekking tot het opnemen in de
afvalstoffenverordening, van regels als bedoeld in de artikelen 10.21,
10.24, 10.25 en 10.26.
2. Artikel 10.61, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister pleegt over een voornemen tot het geven van een
aanwijzing overleg met de betrokken gemeente. Hij deelt het voornemen,
onder vermelding van de redenen daarvoor, mee aan de Staten-Generaal.
4. Van de aanwijzing wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 10.63
1. Burgemeester en wethouders kunnen, indien het belang van een
doelmatig beheer van afvalwater zich daartegen niet verzet, ontheffing
verlenen van het in artikel 10.30, eerste lid, gestelde verbod.
2. Burgemeester en wethouders kunnen, indien het belang van de
bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, ontheffing
verlenen van het in artikel 10.2, eerste lid, gestelde verbod om zich
van afvalstoffen te ontdoen door deze buiten een inrichting te
verbranden, voorzover het geen gevaarlijke afvalstoffen betreft. Op de
ontheffing, bedoeld in de vorige volzin, is paragraaf 4.1.3.3 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
3. Gedeputeerde staten kunnen, indien het belang van de bescherming
van het milieu zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van het
in artikel 10.2, eerste lid, gestelde verbod om zich van afvalstoffen
te ontdoen door deze buiten een inrichting te storten of anderszins op
of in de bodem te brengen, voorzover het geen gevaarlijke afvalstoffen
betreft, en, indien het belang van een doelmatig beheer van
afvalstoffen zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van de in
de artikelen 10.37 en 10.54 gestelde verboden.
4. Onze Minister kan, indien het belang van een doelmatig beheer
van afvalstoffen zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van
het bepaalde in een algemene maatregel van bestuur krachtens de
artikelen 10.28, 10.29, 10.47, 10.51 en, indien het belang van de
bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, van 10.52, van
het bepaalde bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur op
grond van de artikelen 10.41, eerste en tweede lid, 10.42, eerste lid,
10.43, eerste lid, 10.44, derde lid, en 10.46, eerste lid, alsmede van
het bepaalde in de artikelen 10.23, derde lid, en 10.48.
Artikel 10.64
1. Het voor activiteiten met betrekking tot inrichtingen bij of
krachtens de artikelen 2.8, 2.14, 2.20, 2.22, 2.23, 2.25, 2.26, derde
en vierde lid, 2.29, 2.30, 2.31, eerste lid, onder a en b, en tweede
lid, onder b, 2.33, eerste lid, onder a tot en met d, en tweede lid,
onder a, b en d, 3.2, 3.10, 3.12, 3.13, 3.15 en 4.1 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht bepaalde is van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot het verlenen, weigeren, wijzigen en
intrekken van een ontheffing als bedoeld in artikel 10.63, met dien
verstande dat – behalve ten aanzien van een ontheffing van de in
artikel 10.2, eerste lid, en artikel 10.54, eerste lid, gestelde
verboden –, voor die toepassing het belang van de bescherming van
het milieu wordt beperkt tot het belang van een doelmatig beheer van
de betrokken categorie van afvalstoffen.
2. In afwijking van het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht niet van toepassing op een ontheffing als bedoeld
inartikel 10.63, tweede lid.
Hoofdstuk 11. Andere handelingen
Titel 11.1. Kwaliteit van werkzaamheden en integriteit van degenen
die deze werkzaamheden uitvoeren
Artikel 11.1
In deze titel wordt, voor zover het onderdelen van het milieubeleid
betreft die tot de verantwoordelijkheid behoren van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat, onder Onze betrokken Minister verstaan: Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 11.2
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
bevordering van de kwaliteit van bij of krachtens de maatregel
aangewezen werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid, en ter
bevordering van de integriteit van degenen die deze werkzaamheden
uitvoeren, regels worden gesteld, die nodig zijn in verband met de
bescherming van het milieu.
2. Werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid zijn:
a. het verrichten van berekeningen, metingen of tellingen;
b. het nemen of analyseren van monsters of het anderszins
verrichten van onderzoek naar de aard of mate van
verontreinigingen in stoffen, producten, afvalstoffen, afvalwater,
lucht, oppervlaktewater, grond, organismen of bodem;
c. het beperken, ongedaan maken of anderszins saneren van een
verontreiniging in stoffen, producten, afvalstoffen, afvalwater,
lucht, oppervlaktewater, grond of bodem;
d. het beoordelen of inspecteren van stoffen, producten,
voorzieningen of installaties;
e. het toepassen of geschikt maken voor toepassing, van
stoffen, producten of afvalstoffen in een werk of het uitvoeren
van een werk op of in de bodem;
f. het houden van toezicht op of het voorbereiden of begeleiden
van werkzaamheden als bedoeld in de onderdelen a tot en met e;
g. bemiddelen bij, beoordelen van of adviseren of rapporteren
over werkzaamheden als bedoeld in de onderdelen a tot en met f;
h. het afgeven, wijzigen, schorsen, intrekken of weigeren van
certificaten, of
i. werkzaamheden met betrekking tot een bodemenergiesysteem.
3. Tot de bij een maatregel krachtens het eerste lid te stellen
regels kunnen behoren regels, inhoudende een verbod een aangewezen
werkzaamheid uit te voeren zonder dat voor die werkzaamheid wordt
beschikt over:
a. een erkenning waarmee Onze Minister, in overeenstemming met
Onze betrokken Minister, of een bij de maatregel aangewezen
instantie, heeft vastgesteld dat degene die een werkzaamheid als
bedoeld in het eerste lid uitvoert voldoet aan bij of krachtens de
maatregel gestelde eisen met betrekking tot onafhankelijkheid,
deskundigheid, bekwaamheid, betrouwbaarheid, financiële
draagkracht of andere eisen waarmee de kwaliteit van de
werkzaamheden en de integriteit van degene die een werkzaamheid
uitvoert kan worden bevorderd;
b. een certificaat waarmee een krachtens onderdeel a erkende
certificeringsinstelling kenbaar heeft gemaakt dat er gedurende
een bepaalde periode een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat
een natuurlijk persoon of rechtspersoon voldoet aan de voor de
certificering geldende normen met betrekking tot deskundigheid,
bekwaamheid, het kwaliteitssysteem, de interne kwaliteitsbewaking,
werkinstructies, klachtbehandeling of andere normen waarmee de
kwaliteit van de werkzaamheden kan worden bevorderd;
c. een accreditatie waarmee de Stichting Raad voor Accreditatie
te Utrecht kenbaar heeft gemaakt dat er gedurende een bepaalde
periode een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat een
certificeringsinstelling, een inspectie-instelling, een
laboratorium of een andere instelling competent is voor het
uitvoeren van de desbetreffende werkzaamheid en dat wordt voldaan
aan eisen omtrent de onafhankelijkheid, onpartijdigheid,
continuïteit of andere eisen waarmee de kwaliteit van de
werkzaamheden kan worden bevorderd.
4. Tot de bij een maatregel krachtens het eerste lid te stellen
regels kunnen tevens behoren regels, inhoudende de verplichting:
a. te handelen overeenkomstig de aan de erkenning verbonden
voorschriften;
b. te handelen overeenkomstig het voor de desbetreffende
werkzaamheid bij of krachtens de maatregel aangewezen document;
c. te handelen overeenkomstig bij of krachtens de maatregel
gestelde eisen omtrent de onafhankelijkheid, deskundigheid,
bekwaamheid, betrouwbaarheid, financiële draagkracht of andere
eisen waarmee de kwaliteit van de werkzaamheden en de integriteit
van degene die een werkzaamheid uitvoert kan worden bevorderd;
d. van een intrekking of een schorsing van een certificaat of
een accreditatie een kennisgeving te doen aan Onze Minister of een
bij de maatregel aangewezen instantie.
5. Indien toepassing wordt gegeven aan het derde lid, aanhef en
onderdeel a, worden bij de maatregel regels gesteld met betrekking
tot:
a. de wijze waarop de aanvraag voor een erkenning moet
geschieden en de gegevens die door de aanvrager moeten worden
verstrekt met het oog op de beslissing op de aanvraag;
b. de gronden waarop en de voorwaarden waaronder Onze Minister,
in overeenstemming met Onze betrokken Minister, of een bij de
maatregel aangewezen instantie, een erkenning kan verlenen,
wijzigen, weigeren, schorsen of intrekken, en
c. de termijn waarvoor een erkenning kan worden verleend of
geschorst.
6. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze betrokken
Minister, voor daarbij aangegeven categorieën van werkzaamheden of
categorieën van natuurlijke personen, rechtspersonen of instellingen
die werkzaamheden verrichten, vrijstelling verlenen van krachtens het
derde tot en met vijfde lid gestelde regels, voor zover het belang van
de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
Artikel 11.3
Voor zover uitvoering is gegeven aan artikel 11.2, eerste en derde
lid, kan bij de maatregel worden bepaald dat in bij de maatregel
aangegeven gevallen:
a. het bevoegd gezag een aanvraag om een beschikking die bij of
krachtens deze wet, dan wel bij of krachtens de in artikel 13.1,
tweede lid, genoemde wetten wordt gegeven, niet in behandeling neemt
indien daarbij gegevens zijn gevoegd die afkomstig zijn van een
natuurlijk persoon, rechtspersoon of instelling die in strijd heeft
gehandeld met artikel 11.2, derde lid;
b. ter voldoening aan een bij of krachtens deze wet, dan wel bij
of krachtens de in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wetten
geldende verplichting geen gegevens worden verstrekt die afkomstig
zijn van een natuurlijk persoon, rechtspersoon of instelling die in
strijd heeft gehandeld met artikel 11.2, derde lid.
Hoofdstuk 12. Verslag-, registratie- en meetverplichtingen
Titel 12.1. Registers beschermde gebieden
Artikel 12.1 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 12.2 [Vervallen per 30-06-2005]
Artikel 12.3 [Vervallen per 30-06-2005]
Artikel 12.4 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 12.5 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 12.6 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 12.7 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 12.8 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 12.9 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 12.10
1. Onze Minister, Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, Onze
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, provinciale
besturen, gemeentebesturen alsmede beheerders als bedoeld in artikel
1.1 van de Waterwet, dragen er zorg voor dat overeenkomstig artikel 6
van de kaderrichtlijn water één of meer registers worden bijgehouden
van de in bijlage IV van de kaderrichtlijn water bedoelde beschermde
gebieden, voor zover die gebieden onder hun beheer vallen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld aangaande de registers. Daarbij kan, in afwijking van
het eerste lid, worden voorzien in de mogelijkheid dat de registratie
van beschermde gebieden wordt gedaan door provinciale besturen dan wel
Onze in het eerste lid genoemde ministers, mede als het gaat om
gebieden die in beheer zijn bij andere bestuursorganen.
Titel 12.2. Registratie gegevens externe veiligheid inrichtingen,
transportroutes en buisleidingen
Artikel 12.11
1. In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. bevoegd gezag:
1°. bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning
voor een inrichting te verlenen;
2°. bestuursorgaan waaraan krachtens artikel 8.41, tweede
lid, onder a, een melding wordt gericht;
3°. Onze Minister voor zover de bevoegdheid tot
vergunningverlening betrekking heeft op inrichtingen als
bedoeld in artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet;
4°. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat voor openbare
wegen en vaarwegen voorzover deze door het Rijk worden beheerd
en voor krachtens artikel 2 van de Spoorwegwet aangewezen
hoofdspoorwegen;
5°. gedeputeerde staten voor openbare wegen en vaarwegen
voor zover deze door de provincie worden beheerd;
6°. burgemeester en wethouders voor openbare wegen en
vaarwegen voor zover deze door de gemeente worden beheerd;
7°. dagelijks bestuur van het waterschap voor openbare
wegen en vaarwegen voor zover deze door het waterschap worden
beheerd;
8°. Onze Minister voor buisleidingen voor zover die door
of namens het Rijk worden beheerd en voor buisleidingen
waarvoor door het Rijk concessie is verleend;
9°. Onze Minister van Economische Zaken voor inrichtingen
waarop de Mijnbouwwet van toepassing is;
b. gevaarlijke stoffen:
1°. voor zover het betreft inrichtingen en buisleidingen:
stoffen die behoren tot een of meer van de in artikel 9.2.3.1,
tweede lid, bedoelde categorieën, alsmede splijtstoffen en
radioactieve stoffen als bedoeld in artikel 1 van de
Kernenergiewet;
2°. voor zover het betreft transportroutes: stoffen die
ingevolge de Wet vervoer gevaarlijke stoffen als gevaarlijk
zijn aangewezen;
c. transportroute: openbare weg, krachtens artikel 2 van de
Spoorwegwet aangewezen hoofdspoorweg of vaarweg;
d. buisleiding: vaste leiding waardoor gevaarlijke stoffen
worden vervoerd en die geen deel uitmaakt van een inrichting;
e. externe veiligheid: veiligheid buiten inrichtingen waar
gevaarlijke stoffen aanwezig zijn of krachtens een
omgevingsvergunning aanwezig mogen zijn en veiligheid buiten
transportroutes en buisleidingen waarover of waardoor gevaarlijke
stoffen worden vervoerd, voor zover die veiligheid kan worden
beïnvloed door een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn
betrokken.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere stoffen dan
bedoeld in het eerste lid, onder b, worden aangewezen die, voor zover
het betreft inrichtingen en buisleidingen, voor de toepassing van deze
titel en de daarop gebaseerde bepalingen worden aangemerkt als
gevaarlijke stof.
Artikel 12.12
1. Er is een openbaar register dat gegevens bevat over de externe
veiligheid.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de
categorieën van inrichtingen, transportroutes en buisleidingen
aangewezen dan wel mede de gevallen waarover het register gegevens
bevat inzake de externe veiligheid.
3. Het register wordt beheerd door het RIVM.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de gegevens die door het RIVM in het
register worden opgenomen.
5. Bij of krachtens de in het vierde lid bedoelde maatregel kunnen
tevens regels worden gesteld omtrent de vorm, inrichting en de
toegankelijkheid van het register en de wijze waarop het register
wordt bijgehouden.
Artikel 12.13
1. Het bevoegd gezag is verplicht gegevens over externe veiligheid
aan het RIVM te verstrekken, evenals de wijzigingen die in deze
gegevens optreden.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de te verstrekken gegevens. Voor zover deze
regels betrekking hebben op gegevens in verband met het vervoer van
gevaarlijke stoffen over een transportroute worden deze regels gesteld
in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent
het tijdstip waarop de gegevens, bedoeld in het eerste lid, dienen te
worden verstrekt.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de wijze waarop de gegevens door het bevoegd gezag aan
het RIVM worden verstrekt.
Artikel 12.14
1. Degene die een inrichting drijft waar gevaarlijke stoffen
aanwezig zijn, degene die een buisleiding gebruikt voor het vervoer
van gevaarlijke stoffen of degene aan wie een concessie voor die
buisleiding is verleend, verstrekt op verzoek van het bevoegd gezag de
gegevens benodigd voor de uitvoering van artikel 12.13, eerste lid, en
voert de voor de totstandkoming van de gegevens benodigde berekeningen
uit.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degene die
gevaarlijke stoffen voor vervoer aanbiedt en op degene aan wie een
concessie voor het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur is
verleend voor zover de hoofdspoorweg wordt gebruikt voor het vervoer
van gevaarlijke stoffen, met dien verstande dat geen gegevens hoeven
te worden verstrekt voor zover voor de totstandkoming van de gegevens
berekeningen moeten worden uitgevoerd.
3. Het eerste en tweede lid blijven buiten toepassing voor zover de
gegevens reeds door het bevoegd gezag zijn verkregen of door het
bevoegd gezag op grond van het vijfde lid kunnen worden verkregen.
4. Tot de ingevolge het eerste lid op verzoek van het bevoegd gezag
te verstrekken gegevens behoren mede de berekeningen die aan de te
verstrekken gegevens ten grondslag liggen.
5. Een bestuursorgaan dat beschikt over gegevens benodigd voor de
uitvoering van artikel 12.13, eerste lid, verstrekt op verzoek van het
bevoegd gezag die gegevens.
6. De verstrekking van gegevens, bedoeld in het eerste lid, heeft
geen betrekking op het uitvoeren van nieuwe berekeningen in verband
met de vaststelling van besluiten krachtens de Wet op de Ruimtelijke
Ordening die betrekking hebben op het gebied dat van belang is voor de
externe veiligheid, indien reeds eerder berekeningen ingevolge het
eerste lid aan het bevoegd gezag zijn verstrekt, dan wel anderszins
bij dat gezag beschikbaar zijn.
7. Het verzoek om gegevens te verstrekken wordt schriftelijk gedaan
en vermeldt een termijn van ten hoogste drie maanden waarbinnen aan
het verzoek moet worden voldaan.
8. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de op grond van het eerste en tweede lid te verstrekken
gegevens, en de wijze waarop deze aan het bevoegd gezag worden
verstrekt. Voor zover deze regels betrekking hebben op het vervoer van
gevaarlijke stoffen over een transportroute worden deze regels gesteld
in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 12.15
1. Het RIVM maakt de door het bevoegd gezag verstrekte gegevens zo
spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 8 weken na ontvangst geschikt
voor weergave in het register.
2. Het RIVM maakt de door het bevoegd gezag verstrekte gegevens in
het register niet voor een ieder toegankelijk dan nadat het bevoegd
gezag met de door het RIVM voorgestelde weergave heeft ingestemd. Het
bevoegd gezag beslist hierover binnen vier weken na ontvangst van de
voorgestelde weergave. Alvorens in te stemmen met de voorgestelde
weergave zendt het bevoegd gezag ten minste twee weken voordat wordt
ingestemd aan degene die de inrichting drijft waar gevaarlijke stoffen
aanwezig zijn, onderscheidenlijk degene die een buisleiding gebruikt
voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, onderscheidenlijk degene aan
wie een concessie voor die buisleiding is verleend, een afschrift van
de voorgestelde weergave.
Artikel 12.16
1. Op verzoek verstrekt het RIVM een afschrift van in het register
opgenomen gegevens over de externe veiligheid.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de vorm en wijze van het verstrekken door het RIVM van
de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot in rekening te brengen vergoedingen voor het op
verzoek vervaardigen van afschriften van in
| |