| |
|
|
|
|
vorige
WET
MILIEUGEVAARLIJKE STOFFEN (Wms)
Tekst zoals deze geldt op
20 januari 2008
Vervallen
m.i.v. 1 juni 2008
|
|
WET van 5 december 1985, houdende regelen
ter bescherming van mens en milieu tegen gevaarlijke stoffen en
preparaten
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is ter
aanvulling van de bestaande wetgeving nieuwe regelen te stellen ter
bescherming van mens en milieu tegen gevaarlijke stoffen en preparaten,
in het bijzonder ter zake van de verplichting onderzoek te verrichten
naar de mogelijke ongewenste effecten van stoffen op mens of milieu,
zulks mede ter uitvoering van de Richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 18 september 1979, 79/831/EEG (PbEG 1979,
L 259), alsmede ter zake van het treffen van passende maatregelen met
betrekking tot stoffen en preparaten, indien van gevaar voor mens of
milieu is gebleken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
1. Voor de
toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan
onder:
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
stoffen: chemische elementen en hun verbindingen, zoals deze
voorkomen in de natuur of door toedoen van de mens worden voortgebracht;
preparaten: mengsels of oplossingen van stoffen;
Europese Economische Ruimte: gebieden waarop het Verdrag betreffende
de Europese Unie van toepassing is, onder de in de verdragen neergelegde
voorwaarden, en voorts de grondgebieden van de Republiek Finland, met
inachtneming van het tweede lid van artikel 126 van de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte, de Republiek IJsland, het
Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk en het Koninkrijk Zweden.
invoeren: binnen het grondgebied van Nederland, onderscheidenlijk
binnen de Europese Economische Ruimte brengen;
richtlijn: richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de
verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG 1967, L
196), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn nr. 92/32/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 april 1992 (PbEG
L 154);
vertegenwoordiger: persoon, aangewezen door degene die een stof
buiten de Europese Economische Ruimte vervaardigt, voor het kennisgeven
in de Europese Economische Ruimte van het aldaar invoeren van die stof,
al dan niet verwerkt in een preparaat.
2. Onder stoffen worden voedings- en genotmiddelen, alsmede
diervoeders niet begrepen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bepalingen van deze
wet of onderdelen daarvan van toepassing worden verklaard op
micro-organismen.
Artikel 2
Ieder die beroepshalve een stof of een preparaat vervaardigt, aan een
ander ter beschikking stelt, in Nederland invoert of toepast, en die
weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door zijn handelingen
met die stof of dat preparaat gevaren kunnen optreden voor mens of
milieu, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van
hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevaren zoveel mogelijk te
beperken.
Hoofdstuk 2. Kennisgeving
§ 1. Eerste kennisgeving
Artikel 3
1. Degene die voornemens is ertoe over te gaan een stof te
vervaardigen of, al dan niet verwerkt in een preparaat, in Nederland
in te voeren, is verplicht van dat voornemen schriftelijk kennis te
geven aan Onze Minister.
2. Degene die een stof vervaardigt en die voornemens is deze
stof, al dan niet verwerkt in een preparaat, voor de eerste maal aan een
ander ter beschikking te stellen, is voorts verplicht ook van dat
voornemen schriftelijk kennis te geven aan Onze Minister.
3. Het eerste lid geldt niet voor degene, die in een kennisgeving
door een vertegenwoordiger is genoemd als importeur van de stof waarvoor
die kennisgeving is gedaan, en die voornemens is die stof, al dan niet
verwerkt in een preparaat, in Nederland in te voeren.
4. Een vertegenwoordiger die in Nederland kennis geeft van het
voornemen om een buiten de Europese Economische Ruimte vervaardigde
stof, al dan niet verwerkt in een preparaat, in de Europese Economische
Ruimte in te voeren, dient in Nederland gevestigd te zijn.
5. Een kennisgeving als bedoeld in het vierde lid, geschiedt
schriftelijk aan Onze Minister en heeft betrekking op de totale
hoeveelheid van de stof zoals die door degene die de stof vervaardigt,
door middel van de in de kennisgeving genoemde importeurs, in de
Europese Economische Ruimte wordt ingevoerd.
6. Voor de toepassing van het bij of krachtens dit hoofdstuk
bepaalde wordt onder "vervaardigen" verstaan: produceren van
een stof met het oogmerk deze, al dan niet verwerkt in een preparaat dan
wel verwerkt of omgezet in een produkt, aan een ander ter beschikking te
stellen.
Artikel 4
1. Degene die een kennisgeving doet als bedoeld in artikel 3,
is verplicht bij die kennisgeving bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen gegevens met betrekking tot de mogelijke effecten van de
stof op mens of milieu schriftelijk over te leggen. Deze gegevens
betreffen:
a. de identiteit, de eigenschappen en de gevaren van de stof;
b. de hoeveelheid van de stof waarvan de vervaardiging, de invoer
of het aan een ander ter beschikking stellen wordt beoogd;
c. de verwachte toepassing van de stof;
d. mogelijkheden om de stof onschadelijk te maken;
e. aanbevolen aanwijzingen voor het gebruik van de stof, aanbevolen
maatregelen om verspreiding van de stof te voorkomen en aanbevolen
noodmaatregelen bij een ongeval met de stof.
2. Indien de kennisgeving betrekking heeft op het vervaardigen
van de stof, is hij tevens verplicht schriftelijk de plaats mede te
delen, waar de stof wordt vervaardigd.
3. Indien de kennisgeving betrekking heeft op het invoeren of het
aan een ander ter beschikking stellen van de stof, is hij tevens
verplicht schriftelijk over te leggen:
a. een voorstel inzake de indeling van de stof overeenkomstig
artikel 34;
b. een voorstel voor de wijze van aanduiding van de stof;
c. een voorstel voor de bij vervoer en opslag te nemen maatregelen
ter bescherming van mens en milieu tegen de mogelijke nadelige
effecten van de stof.
4. In afwijking van het eerste lid behoeft degene die een
kennisgeving doet van het invoeren of het aan een ander ter beschikking
stellen van een stof met betrekking waartoe ten minste tien jaren
tevoren voor het eerst in de Europese Economische Ruimte kennisgeving is
gedaan, niet de ingevolge het eerste lid, onder a, aangewezen
gegevens met betrekking tot de eigenschappen van de stof en de ingevolge
het eerste lid, onder d, aangewezen gegevens over te leggen.
5. Degene die een kennisgeving doet als bedoeld in artikel 3, is
verplicht voor het verkrijgen van de in het eerste lid bedoelde gegevens
onderzoek te verrichten, tenzij hij reeds op andere wijze over de
vereiste gegevens kan beschikken. Hij is verplicht bij de overgelegde
gegevens met betrekking tot de stof tevens gegevens te vermelden met
betrekking tot de identiteit van degene die het in de eerste volzin
bedoelde onderzoek heeft verricht.
6. Indien met het oog op de stabiliteit van de stof daaraan
hulpstoffen zijn toegevoegd, of indien bij de stof onzuiverheden
voorkomen, dienen de krachtens het eerste en derde lid over te leggen
gegevens en het krachtens het vijfde lid te verrichten onderzoek
betrekking te hebben op de stof tezamen met die hulpstoffen of
onzuiverheden, doch zonder de oplosmiddelen die kunnen worden
afgescheiden zonder dat de stabiliteit van de stof wordt aangetast of de
samenstelling ervan wordt gewijzigd.
7. Onverminderd het krachtens het eerste lid bepaalde is degene
die de kennisgeving doet, verplicht daarbij alle gegevens als bedoeld in
het eerste lid, onder a, over te leggen, waarover hij beschikt of
redelijkerwijs kan beschikken.
8. Een kennisgeving als bedoeld in artikel 3 kan slechts worden
gedaan door een binnen de Europese Economische Ruimte gevestigde
persoon.
9. Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid nadere regelen stellen omtrent de
krachtens het eerste tot en met derde lid en het vijfde lid over te
leggen gegevens en omtrent de wijze waarop de kennisgevingen en de
overlegging van gegevens moeten geschieden.
Artikel 5
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regelen gesteld omtrent het in artikel 4, vijfde lid, bedoelde
onderzoek. Tot deze regelen kunnen behoren regelen betreffende:
a. de onderzoekmethoden en de omstandigheden waaronder deze worden
toegepast;
b. het vastleggen en bewaren van de resultaten van het onderzoek;
c. de verslaglegging met betrekking tot het onderzoek.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorts
eisen gesteld waaraan degenen die onderzoek als bedoeld in artikel 4,
vijfde lid, verrichten, moeten voldoen.
Artikel 6
1. Onze Minister tekent de datum van ontvangst van een
kennisgeving als bedoeld in artikel 3 aan op het geschrift waarbij de
kennisgeving is gedaan, en zendt degene die de kennisgeving heeft
gedaan, uiterlijk een week na de ontvangst van de kennisgeving een
bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld.
2. Hij zendt zo spoedig mogelijk een exemplaar van de
kennisgeving en de daarbij overgelegde stukken als bedoeld in artikel 4
aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en, voor zover
deze stukken van belang zijn in verband met het vervoer van de stof, aan
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
3. Indien de kennisgeving betrekking heeft op het in Nederland
invoeren of het aan een ander ter beschikking stellen van een stof,
zendt Onze Minister voorts een exemplaar van de kennisgeving aan Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en aan de Commissie van
de Europese Gemeenschappen. Hij voegt daarbij een samenvatting van alle
met betrekking tot die stof door degene die de kennisgeving heeft
gedaan, aan hem overgelegde stukken als bedoeld in artikel 4.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere
bestuursorganen of instellingen worden aangewezen, waaraan een exemplaar
van de in het tweede lid bedoelde stukken of van bij de maatregel aan te
wijzen onderdelen daarvan wordt toegezonden of kan worden toegezonden.
Artikel 7
1. Indien Onze Minister van oordeel is dat bij de kennisgeving
niet aan het bij of krachtens artikel 4 of 5 bepaalde is voldaan,
maakt hij zijn daartoe strekkende beschikking binnen vijf weken na de
datum van ontvangst van de kennisgeving bekend.
2. Een kennisgeving met betrekking waartoe het vorige lid
toepassing heeft gevonden, wordt geacht niet te zijn gedaan.
3. Onze Minister doet een mededeling als bedoeld in het eerste
lid, ingeval deze betrekking heeft op een kennisgeving ter zake van het
vervaardigen van een stof, in overeenstemming met Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Artikel 8
1. Het is verboden een stof te vervaardigen of, al dan niet
verwerkt in een preparaat, in Nederland in te voeren:
a. zonder dat een kennisgeving als bedoeld in artikel 3, eerste of
derde lid, is gedaan;
b. indien aan Onze Minister kennisgeving is gedaan ter zake van het
in Nederland of in de Europese Economische Ruimte invoeren als bedoeld
in artikel 3, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3, derde lid:
binnen 60 dagen nadat Onze Minister die kennisgeving heeft ontvangen
blijkens het bewijs van ontvangst, bedoeld in artikel 6, eerste lid,
tenzij Onze Minister anders bepaalt;
c. indien door een vertegenwoordiger kennisgeving is gedaan ter
zake van het in de Europese Economische Ruimte invoeren als bedoeld in
artikel 3, derde lid, aan het daartoe aangewezen overheidsorgaan in
een andere Lid-Staat van de Europese Unie of een andere Staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte: binnen 60 dagen nadat dat orgaan die kennisgeving heeft
ontvangen, tenzij dat orgaan anders bepaalt;
d. indien een kennisgeving ter zake van het vervaardigen als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gedaan: binnen 45 dagen nadat
Onze Minister die kennisgeving blijkens het bewijs van ontvangst,
bedoeld in artikel 6, eerste lid, heeft ontvangen.
2. Het is degene die een stof vervaardigt, verboden die stof, al
dan niet verwerkt in een preparaat, aan een ander ter beschikking te
stellen:
a. zonder dat een kennisgeving als bedoeld in artikel 3, tweede
lid, is gedaan;
b. indien een kennisgeving als bedoeld in artikel 3, tweede lid, is
gedaan: binnen 60 dagen nadat Onze Minister die kennisgeving heeft
ontvangen blijkens het bewijs van ontvangst, bedoeld in artikel 6,
eerste lid, tenzij Onze Minister anders bepaalt.
§ 2. Bekendmaking van de kennisgeving
Artikel 9
1. Onze Minister maakt een kennisgeving ter zake van het in
Nederland invoeren of het aan een ander ter beschikking stellen zo
spoedig mogelijk bekend, doch in elk geval binnen het tijdvak van 60
dagen na de dag van ontvangst, dan wel, indien een beschikking
krachtens artikel 7 in beroep is vernietigd, uiterlijk twee weken na
de datum waarop het besluit, houdende de vernietiging, is genomen.
2. In ieder geval wordt de kennisgeving gelijktijdig
bekendgemaakt door middel van:
a. mededeling in de Nederlandse Staatscourant;
b. terinzagelegging overeenkomstig artikel 11.
3. Indien degene die een kennisgeving als bedoeld in het eerste
lid doet, bij die kennisgeving verklaart dat hij de stof waarop de
kennisgeving betrekking heeft, niet eerder zal invoeren of aan een ander
ter beschikking stellen dan met ingang van een daarbij aangegeven
tijdstip dat gelegen is na het in het eerste lid genoemde tijdvak van 60
dagen, wordt de kennisgeving door Onze Minister op verzoek van degene
die de kennisgeving doet, in afwijking van het eerste lid bekendgemaakt
binnen het tijdvak van 60 dagen voor het bij de kennisgeving aangegeven
tijdstip.
Artikel 10
In een mededeling als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onder a,
vermeldt Onze Minister ten minste:
a. een aanduiding van de identiteit van de stof;
b. waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen.
Artikel 11
1. Onze Minister legt met een exemplaar van de kennisgeving
stukken ter inzage, die bevatten:
a. een aanduiding van de identiteit van de stof;
b. de overgelegde gegevens inzake de fysisch-chemische
eigenschappen van de stof;
c. de overgelegde gegevens met betrekking tot mogelijkheden om de
stof onschadelijk te maken;
d. de overgelegde gegevens met betrekking tot aanbevolen
voorzorgsmaatregelen om verspreiding van de stof te voorkomen en
aanbevolen noodmaatregelen bij een ongeval met de stof;
e. de overgelegde gegevens inzake de verrichte onderzoeken naar de
effecten die de stof op mens of milieu kan hebben, dan wel, indien met
betrekking tot zodanige gegevens artikel 56 toepassing heeft gevonden,
de overeenkomstig dat artikel overgelegde tweede tekst.
2. Onze Minister legt voorts de overige bij de kennisgeving
overgelegde stukken, voor zover kennisneming daarvan redelijkerwijs
nodig kan zijn voor een beoordeling van de mogelijke effecten van de
stof op mens of milieu, ter inzage, tenzij met betrekking tot die
stukken toepassing is gegeven aan artikel 56.
Artikel 12
1. De stukken liggen gedurende zes weken ter inzage.
2. Artikel 3:11, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is
van toepassing.
§ 3. Aanvullende meldingen en onderzoeken
Artikel 13
1. Degene die met betrekking tot een stof overeenkomstig
artikel 3 een kennisgeving heeft gedaan, is verplicht zo spoedig
mogelijk schriftelijk aan Onze Minister elke verandering te melden in:
a. de gegevens betreffende de hoeveelheid van de stof die hij
vervaardigt, aan een ander ter beschikking stelt of invoert, voor
zover zulks bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is
bepaald;
b. de kennis welke hij met betrekking tot mogelijke effecten die de
stof op mens of milieu kan hebben, heeft of redelijkerwijs kan hebben
verkregen;
c. de gegevens betreffende de toepassingsgebieden van de stof,
welke te zijner kennis zijn of redelijkerwijs kunnen zijn gekomen;
d. de gegevens betreffende de hulpstoffen als bedoeld in artikel 4,
zesde lid, toegevoegd aan de stof of de onzuiverheden, als bedoeld in
dat lid, voorkomende bij de stof;
e. de gegevens betreffende de plaats waar de stof wordt
vervaardigd;
f. de naam waaronder de stof aan een ander ter beschikking wordt
gesteld.
2. De importeur, genoemd in de kennisgeving, bedoeld in artikel
3, derde lid, stelt de kennisgever op de hoogte van de gegevens, bedoeld
in het eerste lid.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen
worden gesteld omtrent de meldingen, bedoeld in het eerste lid, onder b-e.
4. Onze Minister zendt een exemplaar van een melding krachtens
het eerste lid zo spoedig mogelijk aan Onze Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid. Indien de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid,
betrekking had op het in Nederland invoeren of het aan een ander ter
beschikking stellen van de stof, zendt hij een samenvatting van de
melding aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en aan Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 6, vierde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 14
1. Degene die met betrekking tot een stof overeenkomstig
artikel 3 een kennisgeving heeft gedaan, is verplicht met betrekking
tot die stof nadere gegevens over te leggen, indien hij in enig jaar
100 ton of meer van die stof in de Europese Economische Ruimte heeft
vervaardigd of ingevoerd, dan wel indien hij in totaal 500 ton of meer
van die stof in de Europese Economische Ruimte heeft vervaardigd of
ingevoerd. Met het oog daarop is hij verplicht, het bereiken of
overschrijden van de in de eerste volzin aangegeven
hoeveelheidsgrenzen terstond aan Onze Minister te melden.
2. Onze Minister stelt, in overeenstemming met Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid vast welke nadere gegevens met
betrekking tot de stof door degene die de kennisgeving heeft gedaan,
moeten worden overgelegd en binnen welke termijn dat dient te
geschieden. Degene die de kennisgeving heeft gedaan, is verplicht voor
het verkrijgen van de vereiste gegevens onderzoek te verrichten. Ingeval
de vereiste gegevens reeds ingevolge dit artikel, dan wel ingevolge
artikel 16 door een ander zijn overgelegd, kan hij in afwijking van de
vorige volzin naar die gegevens verwijzen, indien hij een schriftelijke
verklaring van de betrokkene overlegt, dat deze tegen de verwijzing geen
bedenkingen heeft, dan wel indien de vereiste gegevens ten minste tien
jaar tevoren zijn overgelegd. Artikel 4, vijfde lid, tweede volzin, is
van overeenkomstige toepassing.
3. De nadere gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden
schriftelijk overgelegd. Onze Minister maakt de overlegging van nadere
gegevens zo spoedig mogelijk bekend, doch in elk geval binnen zes weken
na de dag van ontvangst, dan wel, ingeval met betrekking tot deze
gegevens op een verzoek om geheimhouding ingevolge artikel 56 nog niet
onherroepelijk is beslist, uiterlijk twee weken na de datum waarop
zodanige beslissing onherroepelijk is geworden. Met betrekking tot de
bekendmaking zijn de artikelen 9, tweede lid, en artikelen 10, aanhef en
onder a , en 11 van overeenkomstige toepassing.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld met
betrekking tot de over te leggen nadere gegevens. De artikelen 4, zesde
en negende lid, en 5 zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Bij zijn besluit op grond van het tweede lid kan Onze Minister
in bijzondere gevallen afwijken van de krachtens het vierde lid gestelde
regelen, indien het naar zijn oordeel op grond van de reeds bekende
eigenschappen van de stof wenselijk is dat met betrekking tot die stof
andere, door hem bij zijn besluit aan te wijzen gegevens worden
overgelegd, dan wel indien het naar zijn oordeel op grond van de reeds
bekende eigenschappen van de stof niet noodzakelijk is dat nadere
gegevens worden overgelegd.
6. Onze Minister zendt een exemplaar van de ingevolge een besluit
krachtens het tweede lid aan hem overgelegde stukken zo spoedig mogelijk
aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Indien de
kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, betrekking had op het in
Nederland invoeren of het aan een ander ter beschikking stellen van de
stof, zendt hij een samenvatting van de stukken aan de Commissie van de
Europese Gemeenschappen en aan Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport. Bij de stukken voegt hij een exemplaar van zijn in dat
lid bedoelde besluit. Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 15
1. Nadere gegevens moeten wederom door degene die met
betrekking tot een stof overeenkomstig artikel 3 een kennisgeving
heeft gedaan, met betrekking tot die stof worden overgelegd, indien
hij in enig jaar 1000 ton of meer van die stof in de Europese
Economische Ruimte heeft vervaardigd of ingevoerd, dan wel indien hij
in totaal meer dan 5000 ton van die stof in de Europese Economische
Ruimte heeft vervaardigd of ingevoerd. Met het oog daarop is hij
verplicht het bereiken of overschrijden van de in de eerste volzin
aangegeven hoeveelheidsgrenzen terstond aan Onze Minister te melden.
2. Onze Minister stelt, na overleg met degene die de kennisgeving
heeft gedaan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid vast, welke nadere gegevens met betrekking tot de stof
door degene die de kennisgeving heeft gedaan, moeten worden verschaft en
binnen welke termijn dat dient te geschieden. Artikel 14, tweede lid,
tweede, derde en vierde volzin, derde, vierde en zesde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3. Bij zijn besluit op grond van het tweede lid, eerste volzin,
kan Onze Minister afwijken van de met overeenkomstige toepassing van
artikel 14, vierde lid, gestelde regelen.
Artikel 15a
Indien aan Onze Minister een kennisgeving als bedoeld in artikel 3,
derde lid, is gedaan, heeft de melding, bedoeld in de artikelen 13, 14
en 15, betrekking op de totale hoeveelheid van die stof, zoals die door
degene die de stof vervaardigt, door middel van de in de kennisgeving
genoemde importeurs, in de Europese Economische Ruimte wordt ingevoerd.
Artikel 15b
1. Indien voor een buiten de Europese Economische Ruimte
vervaardigde stof in de Europese Economische Ruimte meer dan één
kennisgeving is gedaan en deze kennisgevingen betrekking hebben op een
stof, die is vervaardigd door dezelfde persoon, hebben de
gewichtsgrenzen, genoemd in de artikelen 14 en 15, betrekking op de
totale hoeveelheid van de stof, zoals die door degene die de stof
vervaardigt, door middel van de in de kennisgevingen genoemde
importeurs, in de Europese Economische Ruimte wordt ingevoerd.
2. Indien het eerste lid toepassing vindt, geldt de verplichting
om aanvullende gegevens over te leggen als bedoeld in de artikelen 13,
eerste lid, aanhef en onder b tot en met f, 14 en 15, in
afwijking van die artikelen, voor de kennisgevers gezamenlijk.
3. Bij de in artikel 14, vierde lid, bedoelde maatregel wordt
bepaald wie de gegevens, bedoeld in het tweede lid, overlegt.
Artikel 16
1. Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, indien zulks naar zijn oordeel,
gelet op de bij een kennisgeving overeenkomstig artikel 3, een melding
overeenkomstig artikel 13, eerste lid of ingevolge een besluit op
grond van artikel 14, tweede lid, of 15, tweede lid, ter zake van een
stof overgelegde gegevens, voor het inzicht in de gevaren die voor
mens of milieu door handelingen met die stof kunnen ontstaan,
noodzakelijk is, aan degene die de kennisgeving heeft gedaan, opdragen
nadere door hem aangeduide gegevens met betrekking tot deze stof over
te leggen. Daarbij kan hij bepalen binnen welke termijn deze gegevens
moeten worden overgelegd, en kan hij tevens aan degene die de
kennisgeving heeft gedaan, opdragen ten behoeve van het overleggen van
die gegevens nader door hem omschreven onderzoek met betrekking tot
die stof te verrichten. Gelijke bevoegdheden komen toe aan Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met
Onze Minister, indien zulks naar zijn oordeel noodzakelijk is voor het
inzicht in de gevaren die door handelingen met die stof in de
arbeidssituatie kunnen ontstaan.
2. De in het eerste lid bedoelde opdracht kan mede strekken tot
het verrichten van krachtens artikel 14 of 15 met overeenkomstige
toepassing van artikel 5 aangegeven onderzoek op een eerder tijdstip dan
dat waarop het op grond van artikel 14 of 15 moet worden opgedragen.
3. Met betrekking tot de over te leggen gegevens is artikel 14,
derde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
4. Degene aan wie een opdracht als in het eerste lid bedoeld is
gegeven, is verplicht de aldaar bedoelde gegevens over te leggen en het
aldaar bedoelde onderzoek te verrichten.
§ 4. Overige bepalingen
Artikel 17
Degene die met betrekking tot een stof overeenkomstig artikel 3 een
kennisgeving heeft gedaan, is verplicht alle gegevens die hij met
betrekking tot die stof bezit, ten minste tot 10 jaar na de beëindiging
van het vervaardigen of in de Europese Economische Ruimte invoeren van
die stof te bewaren.
Artikel 18
1. Gelijktijdig met de bekendmaking van een kennisgeving
overeenkomstig artikel 9 doet Onze Minister de stof waarop de
kennisgeving betrekking heeft, opnemen in een register.
2. Van de stof worden in het register opgenomen:
a. een aanduiding van de identiteit;
b. een beschrijving van de effecten die de stof kan hebben op mens
of milieu;
c. de ingevolge artikel 4, eerste lid, onder d , overgelegde
gegevens met betrekking tot de mogelijkheden om de stof onschadelijk
te maken;
d. de ingevolge artikel 4, eerste lid, onder e , overgelegde
gegevens met betrekking tot aanbevolen voorzorgsmaatregelen om
verspreiding van de stof te voorkomen en aanbevolen noodmaatregelen
bij een ongeval met de stof;
e. indien de stof behoort tot een categorie als bedoeld in artikel
34, tweede lid: de categorie waarin de stof is opgenomen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat ook
daarbij aan te wijzen andere gegevens in het register worden opgenomen,
voor zover zij niet krachtens een besluit op grond van artikel 56,
eerste lid, geheim moeten worden gehouden.
4. Aan een ieder wordt inzage verleend in het register. Onze
Minister verstrekt aan een ieder desgevraagd, tegen betaling van de
kosten, een afschrift.
5. Onze Minister stelt regelen inzake de inrichting van het
register. Hij kan tevens nadere regelen stellen ter zake van het in het
tweede lid of krachtens het derde lid bepaalde.
Artikel 19
1. De artikelen 3 tot en met 18 zijn niet van toepassing op
stoffen:
a. die voor 18 september 1981 reeds in de Europese Gemeenschappen
werden ingevoerd of in de handel waren;
b. die in Nederland worden vervaardigd of ingevoerd met het oog op
de voorbereiding van een kennisgeving als bedoeld in artikel 3;
c. die in Nederland niet in het vrije verkeer worden gebracht,
tenzij zij binnen Nederlands grondgebied worden verwerkt of omgezet;
d. die in de procesinstallatie waarin zij ontstaan, worden omgezet
in andere stoffen zonder dat daarbij tussentijdse opslag plaatsvindt;
e. met betrekking waartoe degene die voornemens is die stof in
Nederland te vervaardigen of in te voeren ingevolge de artikelen 7 of
8 van de richtlijn een toereikende kennisgeving heeft gedaan bij het
daartoe aangewezen overheidsorgaan van een andere Lid-Staat van de
Europese Unie of van een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
2. Indien met betrekking tot een stof van de zijde van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen gegevens als bedoeld in artikel
4, 14, 15 en 16 worden ontvangen als gevolg van een kennisgeving met
betrekking tot die stof in een andere Lid-Staat van de Europese Unie of
een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte, zijn op die gegevens de artikelen 9 tot en
met 12, 14, derde lid, tweede en derde volzin, en 18 van overeenkomstige
toepassing. De eerste volzin vindt geen toepassing voor zover zulks door
Onze Minister met het oog op de in de desbetreffende Staat geldende
regelen met betrekking tot de bescherming van bedrijfsgeheimen is
bepaald.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere categorieën
van gevallen worden aangewezen, waarin de artikelen 3 tot en met 18
geheel of voor een daarbij te bepalen gedeelte niet van toepassing zijn:
a. ter uitvoering van een krachtens het Verdrag betreffende de
Europese Unie tot stand gekomen bindende regeling;
b. indien onverkorte toepassing van die artikelen in het belang van
de bescherming van mens en milieu niet noodzakelijk is.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot
stoffen waarop ingevolge het eerste of derde lid de artikelen 3 tot en
met 18 geheel of ten dele niet van toepassing zijn, regelen worden
gesteld met betrekking tot de in die artikelen geregelde onderwerpen.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kan ter uitvoering van de
richtlijn worden bepaald dat, in plaats van het in het eerste lid, onder
a, bepaalde, de artikelen 3 tot en met 18 vanaf een bij die
maatregel te bepalen datum niet van toepassing zijn op stoffen die
voorkomen op een bij die maatregel vast te stellen lijst.
Hoofdstuk 3. Onderzoek
Artikel 20
1. Indien degene die beroepshalve stoffen of preparaten
vervaardigt, in Nederland invoert, toepast of aan een ander ter
beschikking stelt, met betrekking tot een stof of een preparaat nieuwe
kennis verkrijgt, waaruit ernstige gevaren voor mens of milieu blijken
of redelijkerwijs kunnen worden afgeleid, is hij verplicht,
onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 13, zodanige kennis
zo spoedig mogelijk schriftelijk aan Onze Minister te melden.
2. Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid kennis
verkrijgt van een belangrijke nieuwe toepassing van een stof of een
preparaat, waaruit ernstige gevaren voor mens of milieu blijken of
redelijkerwijs kunnen worden afgeleid, is hij verplicht, onverminderd
het bepaalde bij of krachtens artikel 13, zodanige kennis zo spoedig
mogelijk schriftelijk aan Onze Minister te melden.
3. Onze Minister zendt zo spoedig mogelijk een exemplaar van door
hem ontvangen stukken als bedoeld in het eerste en tweede lid aan Onze
Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport.
4. Met betrekking tot het in het eerste en tweede lid bepaalde
kunnen bij algemene maatregelen van bestuur nadere regelen worden
gesteld. Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 21
1. Onze Minister kan na overleg met Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, indien hij zulks met het oog op de
toepassing van de artikelen 22, 23, 24 of 31 in verband met de
beoordeling van de mogelijke gevaren van een stof of een preparaat
nodig acht, aan een ieder die beroepshalve die stof of dat preparaat
vervaardigt, in Nederland invoert, toepast of aan een ander ter
beschikking stelt, opdragen de door hem verlangde gegevens met
betrekking tot die stof of dat preparaat te verstrekken, waarover deze
beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
2. Degene aan wie een opdracht als bedoeld in het eerste lid is
gegeven, is verplicht zodanige gegevens schriftelijk over te leggen.
Artikel 20, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22
1. Onze Minister stelt na overleg met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport een lijst vast van stoffen en
preparaten die wegens hun mogelijke effecten op mens of milieu in het
bijzonder aandacht behoeven.
2. Met betrekking tot de stoffen en preparaten die vermeld zijn
op de in het eerste lid bedoelde lijst, wordt door of vanwege Onze
Minister regelmatig onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen, de
toepassing en de verspreiding van die stoffen en preparaten in
Nederland.
3. Ieder die beroepshalve een stof of een preparaat, vermeld op
de in het eerste lid bedoelde lijst, vervaardigt, of die beroepshalve
zodanige stof, al dan niet verwerkt in een preparaat, of preparaat in
Nederland invoert, toepast of aan een ander ter beschikking stelt, is
verplicht medewerking te verlenen aan het in het tweede lid bedoelde
onderzoek.
4. Onze Minister stelt de in het eerste lid bedoelde lijst niet
vast dan nadat van het ontwerp van die lijst mededeling is gedaan in de Staatscourant
en aan een ieder de gelegenheid is geboden binnen twaalf weken na die
mededeling zijn zienswijze kenbaar te maken aan Onze Minister.
5. De in het eerste lid bedoelde lijst wordt ten minste een maal
per jaar herzien. Met betrekking tot de herziening is het vierde lid van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 23
1. Indien Onze Minister een ernstig vermoeden heeft dat door
handelingen met een stof of een preparaat gevaren kunnen ontstaan voor
mens of milieu, kan hij in overeenstemming met Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid en na overleg met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan degene die beroepshalve die stof
of dat preparaat vervaardigt, in Nederland invoert of toepast,
opdragen door hem omschreven onderzoek te verrichten en daarover
schriftelijk aan hem verslag uit te brengen. Gelijke bevoegdheden
komen toe aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in
overeenstemming met Onze Minister, indien hij een ernstig vermoeden
heeft dat door zodanige handelingen gevaren kunnen ontstaan in de
arbeidssituatie. Onze Minister, onderscheidenlijk Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan daarbij een termijn stellen
waarbinnen het verslag moet worden uitgebracht. Artikel 14, zesde lid,
eerste en laatste volzin, is tevens van overeenkomstige toepassing.
2. Indien een stof of een preparaat, met betrekking waartoe een
ernstig vermoeden bestaat dat door handelingen daarmee gevaren kunnen
ontstaan voor mens of milieu, door meer dan een persoon beroepshalve
wordt vervaardigd, in Nederland ingevoerd of toegepast, kan bij algemene
maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot die stof of
dat preparaat onderzoek moet worden verricht.
3. Bij een maatregel op grond van het tweede lid wordt bepaald
welk onderzoek moet worden verricht en worden eisen gesteld waaraan de
instelling of instellingen die het onderzoek verricht, onderscheidenlijk
verrichten, moeten voldoen. Indien degenen die de stof of het preparaat
beroepshalve vervaardigen, in Nederland invoeren of toepassen, niet
binnen twaalf weken na het in werking treden van de maatregel het
onderzoek hebben opgedragen aan een of meer instellingen, geschiedt
zulks door Onze Minister, onderscheidenlijk door Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
4. Ieder die beroepshalve een bij een maatregel op grond van het
tweede lid aangewezen stof of preparaat vervaardigt, of die beroepshalve
zodanige stof, al dan niet verwerkt in een preparaat, of preparaat in
Nederland invoert, aan een ander ter beschikking stelt, opslaat,
vervoert, toepast of zich daarvan ontdoet, is verplicht aan de
aangewezen instellingen de door deze gevraagde gegevens met betrekking
tot de stof te verschaffen, voor zover hij over deze gegevens beschikt
of redelijkerwijs kan beschikken.
5. Van een onderzoek als bedoeld in het tweede lid wordt
schriftelijk verslag uitgebracht aan Onze Minister en Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Onze Minister zendt een exemplaar van
het verslag aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Bij een besluit als bedoeld in de tweede volzin van het derde
lid bepaalt Onze Minister, onderscheidenlijk Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid tevens in hoeverre de kosten ten laste van de
in het tweede lid bedoelde personen zullen worden gebracht, alsmede de
wijze van berekening van de kosten.
7. Met betrekking tot het bij of krachtens het tweede, derde,
vijfde en zesde lid van dit artikel bepaalde kan Onze Minister,
onderscheidenlijk Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
nadere regelen stellen.
Hoofdstuk 4. Maatregelen
§ 1. Algemeen
Artikel 24
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien een
redelijk vermoeden is gerezen dat door handelingen met stoffen of
preparaten ongewenste effecten zullen ontstaan voor mens of milieu,
regelen worden gesteld met betrekking tot het vervaardigen, in
Nederland invoeren, toepassen, voorhanden hebben, aan een ander ter
beschikking stellen, vervoeren, uitvoeren en zich ontdoen van deze
stoffen of preparaten.
2. Hiertoe kunnen behoren regelen, inhoudende:
a. een verbod een of meer van de in het eerste lid genoemde
handelingen te verrichten met betrekking tot bij de maatregel
aangewezen stoffen of preparaten;
b. een verbod zodanige handeling te verrichten op een bij de
maatregel aangegeven wijze, voor daarbij aangegeven doeleinden, op
daarbij aangegeven plaatsen of onder daarbij aangegeven
omstandigheden;
c. een verbod een handeling als onder a of b bedoeld
te verrichten zonder vergunning, verleend door Onze Minister;
d. een verbod zodanige handeling te verrichten indien met
betrekking tot de stoffen of preparaten niet aan bij de maatregel
gestelde eisen wordt voldaan;
e. een verbod zodanige handeling te verrichten indien bij degene
die die handeling verricht, niet de bij de maatregel aangegeven
deskundigheid aanwezig is;
f. een verbod zodanige handeling te verrichten met betrekking tot
produkten, indien deze daarbij aangewezen stoffen of preparaten
bevatten, of indien deze zodanige stoffen of preparaten bevatten in
grotere dan daarbij aangegeven hoeveelheden;
g. een verbod bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten toe
te passen in produkten die niet behoren tot een type dat bij een
keuring, verricht aan de hand van de bij de maatregel daartoe
vastgestelde regelen, is goedgekeurd;
h. een verbod bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten ter
beschikking te stellen aan een daarbij aangewezen categorie van
personen;
i. een verplichting een of meer van de in het eerste lid genoemde
handelingen met betrekking tot bij de maatregel aangewezen stoffen of
preparaten of daarbij aangewezen categorieën van produkten waarin die
stoffen of preparaten voorkomen, te melden op een daarbij aangegeven
wijze aan een daarbij aangewezen bestuursorgaan onder overlegging van
daarbij aangegeven gegevens;
j. een verplichting met betrekking tot zodanige handelingen volgens
bij de maatregel gestelde regelen controle-onderzoeken te verrichten
en de resultaten van die onderzoeken op de bij de maatregel aangegeven
wijze aan Onze Minister over te leggen;
k. een verplichting bij de maatregel aangewezen stoffen of
preparaten of daarbij aangewezen categorieën van produkten waarin die
stoffen of preparaten voorkomen, na toepassing terug te zenden aan
degene die die stoffen, preparaten of produkten ter beschikking heeft
gesteld;
l. een verplichting bij de maatregel aangewezen stoffen of
preparaten of daarbij aangewezen categorieën van produkten waarin die
stoffen of preparaten voorkomen, af te geven aan daarbij aangewezen
personen of instellingen;
m. een verplichting voor degenen die bij de maatregel aangewezen
stoffen of preparaten of daarbij aangewezen categorieën van produkten
waarin die stoffen of preparaten voorkomen, vervaardigen, in Nederland
invoeren of aan een ander ter beschikking stellen, voor daarbij
aangewezen personen of instellingen die krachtens de Wet milieubeheer
bevoegd zijn tot vergunning hebben voor het nuttig toepassen of
verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen, dan wel voor bij de
maatregel aangewezen bestuursorganen, om die stoffen, preparaten of
produkten in te zamelen.
3. Onze Minister kan omtrent in een maatregel krachtens het
eerste lid geregelde onderwerpen nadere regels stellen.
Artikel 25
Een algemene maatregel van bestuur waarbij toepassing is gegeven aan
artikel 24, tweede lid, onder b, d, g, i, j,
k, l of m , kan tevens de verplichting inhouden te
voldoen aan door bestuursorganen die bij de maatregel zijn aangewezen,
omtrent onderwerpen die in de maatregel zijn geregeld, aan de betrokkene
gestelde nadere eisen. Bij het stellen van zodanige eis wordt tevens het
tijdstip bepaald waarop ten aanzien van die eis de verplichting ingaat.
Artikel 26
1. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 24, tweede lid,
onder c, worden tevens bij algemene maatregel van bestuur
regelen gesteld betreffende de wijze waarop de aanvraag om een
vergunning dient te geschieden, en de gegevens die van de aanvrager
kunnen worden verlangd.
2. De vergunning kan slechts in het belang van de bescherming van
mens en milieu worden geweigerd.
3. Op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een
vergunning zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en
afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing. Bij een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid kunnen categorieën
van gevallen worden aangewezen, waarin de afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer geheel of
gedeeltelijk buiten toepassing blijven.
4. Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
vergunning kunnen in het belang van de bescherming van mens en milieu
voorschriften worden verbonden. De voorschriften kunnen, voor zover bij
de maatregel niet anders is bepaald, de verplichting inhouden te voldoen
aan door bestuursorganen die bij het voorschrift zijn aangewezen, in het
belang van de bescherming van mens en milieu gestelde nadere eisen. Bij
het stellen van zodanige eis wordt tevens het tijdstip bepaald, waarop
ten aanzien van die eis de verplichting ingaat.
5. Voor zover zulks bij algemene maatregel van bestuur is
bepaald, kan de vergunning worden gewijzigd en ingetrokken.
6. Intrekking kan slechts geschieden:
a. indien een aan de vergunning verbonden voorschrift niet wordt
nageleefd, of
b. indien de handeling aanmerkelijk gevaar oplevert voor mens of
milieu en wijziging of aanvulling van de aan de vergunning verbonden
voorschriften redelijkerwijs geen oplossing kan bieden.
7. Op de voorbereiding van een wijziging of intrekking als
bedoeld in het zesde lid, onder a, zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer niet van
toepassing.
Artikel 27
Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 24, tweede lid, onder g
, wijst Onze Minister de instantie aan, die de in die bepaling bedoelde
keuring verricht. Bij de maatregel worden regelen gesteld ten aanzien
van de wijze waarop zodanige keuring plaatsheeft.
Artikel 28
Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 24, tweede lid, onder i
, met betrekking tot het vervaardigen, aan een ander ter beschikking
stellen of in Nederland invoeren van stoffen waarop hoofdstuk 2 niet van
toepassing is, of van preparaten, kan bij de in dat artikel bedoelde
algemene maatregel van bestuur het bij of krachtens dat hoofdstuk
bepaalde geheel of gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing worden
verklaard.
Artikel 29
1. Met toepassing van artikel 24, tweede lid, onder i ,
wordt in elk geval een melding vereist van het uitvoeren van stoffen
en preparaten waarvan het toepassen ernstig gevaar oplevert voor mens
of milieu en die voorkomen op een bij de maatregel vast te stellen
lijst.
2. Een melding als bedoeld in het eerste lid geschiedt bij Onze
Minister, alsmede bij de bevoegde overheidsinstantie van de staat
waarheen de uitvoer zal plaatsvinden, voordat de uitvoer plaatsvindt.
Bij de maatregel wordt bepaald welke gegevens door degene die een stof
of een preparaat als bedoeld in het eerste lid uitvoert, met betrekking
tot die stof of dat preparaat ter beschikking moeten zijn gesteld van
die bevoegde overheidsinstantie.
3. Degene die een stof of een preparaat als bedoeld in het eerste
lid uitvoert, dient bij de melding voorts aan te tonen dat de bevoegde
overheidsinstantie, bedoeld in het tweede lid, na ontvangst van de in
dat lid bedoelde gegevens met de invoer van de stof of het preparaat
heeft ingestemd. Indien aan het bepaalde in de vorige volzin niet is
voldaan, kan Onze Minister degene die de melding heeft gedaan, verbieden
de stof uit te voeren. Bij de maatregel worden terzake nadere regelen
gesteld.
Artikel 30
Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 24, tweede lid, onder k,
l of m , kan tevens worden bepaald dat de schade, geleden
door degene die de stoffen, preparaten of produkten moet terugzenden of
afgeven, of de kosten, gemaakt door degene die is aangewezen om die
stoffen, preparaten of produkten in te zamelen, ten laste kunnen worden
gebracht van degenen die die stoffen, preparaten of produkten hebben
vervaardigd of in Nederland ingevoerd. Daarbij kunnen tevens regelen
worden gesteld inzake de berekening van die schade of kosten en de
bepaling van degenen ten laste van wie die schade of kosten worden
gebracht.
Artikel 31
1. Indien de verwachte of gebleken effecten van stoffen of
preparaten op mens of milieu het stellen van regelen als bedoeld in
artikel 24, eerste lid, naar het oordeel van Onze Minister dringend
noodzakelijk maken en naar zijn oordeel de totstandkoming van een
algemene maatregel van bestuur krachtens dat artikel niet kan worden
afgewacht, kan hij een besluit nemen van de in dat lid bedoelde
strekking. Onze Minister neemt een zodanig besluit in overeenstemming
met Onze Ministers wie het mede aangaat, tenzij de vereiste spoed dit
naar zijn oordeel niet gedoogt. De artikelen 25 tot en met 28 en 30
zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid
vervalt een jaar nadat zij in werking is getreden of indien binnen die
termijn een algemene maatregel van bestuur ter vervanging van die
regeling in werking is getreden, op het tijdstip waarop die maatregel in
werking treedt. De termijn kan bij ministeriële regeling eenmaal met
ten hoogste een jaar worden verlengd.
Artikel 32
1. Ieder die beroepshalve stoffen of preparaten vervaardigt of
in Nederland invoert, is verplicht een register bij te houden van de
hoeveelheden van de stoffen of preparaten die hij heeft vervaardigd,
in Nederland ingevoerd of aan een ander ter beschikking gesteld.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld met
betrekking tot de inrichting van het register en de wijze waarop het
moet worden bijgehouden en kunnen andere gegevens worden aangewezen, die
in het register moeten worden opgenomen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan aan daarbij aangewezen
categorieën van personen of voor daarbij aangewezen stoffen of
preparaten van de krachtens het eerste lid geldende verplichting
vrijstelling worden verleend.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kan in het belang van de
bescherming van mens en milieu het eerste lid van overeenkomstige
toepassing worden verklaard op bij de maatregel aangewezen categorieën
van personen die beroepshalve daarbij aangewezen stoffen of preparaten
toepassen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 33
1. Onze Minister kan in bijzondere gevallen van het krachtens
artikel 24 of 31 bepaalde of het bij of krachtens artikel 32 bepaalde
op een daartoe strekkende aanvraag ontheffing verlenen, indien het
belang van de bescherming van mens en milieu zich daartegen niet
verzet.
2. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
ontheffing kunnen de voorschriften worden verbonden, die naar het
oordeel van Onze Minister in het belang van de bescherming van mens en
milieu nodig zijn.
3. Op de voorbereiding van een beschikking op een aanvraag om een
ontheffing als bedoeld eerste lid, zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing.
4. Een ontheffing kan door Onze Minister worden gewijzigd of
ingetrokken, indien zulks in het belang van de bescherming van mens en
milieu noodzakelijk is.
§ 2. Verpakking, aanduiding en aanbeveling
Artikel 34
1. Degene die een stof aan een ander ter beschikking stelt of
in Nederland invoert, die behoort tot een of meer van de in het tweede
lid aangewezen categorieën, is verplicht ervoor zorg te dragen dat
die stof bij de aflevering en bij het ter aflevering voorhanden hebben
is verpakt en op de verpakking is aangeduid overeenkomstig het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 35 en 36.
2. De in het eerste lid bedoelde categorieën zijn:
a. de categorie ontplofbaar;
b. de categorie oxyderend;
c. de categorie zeer licht ontvlambaar;
d. de categorie licht ontvlambaar;
e. de categorie ontvlambaar;
f. de categorie zeer vergiftig;
g. de categorie vergiftig;
h. de categorie schadelijk;
i. de categorie bijtend;
j. de categorie irriterend;
k. de categorie sensibiliserend;
l. de categorie kankerverwekkend;
m. de categorie mutageen;
n. de categorie voor de voortplanting vergiftig;
o. de categorie milieugevaarlijk.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de
criteria en methoden aangewezen volgens welke moet worden bepaald of een
stof behoort tot een categorie als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 35
1. De verpakking en de sluiting, die een stof als bedoeld in
artikel 34, eerste lid, rechtstreeks omsluiten, moeten:
a. zodanig zijn dat ongewild verlies van de inhoud niet kan
plaatsvinden;
b. vervaardigd zijn van materiaal dat niet door de stof kan worden
aangetast, noch hiermede een gevaarlijke reactie kan aangaan of een
gevaarlijke verbinding kan vormen;
c. niet kunnen losraken en tegen normale behandeling bestand zijn.
2. Indien de verpakking is voorzien van een sluiting die
meermalen kan worden gebruikt, moeten verpakking en sluiting zodanig
zijn dat de verpakking meermalen opnieuw kan worden afgesloten zonder
dat ongewild verlies van de inhoud plaatsvindt.
3. In afwijking van het eerste lid, onder a, mogen aan de
verpakking, indien nodig, een of meer ontluchtingsventielen of
andersoortige veiligheidvoorzieningen aangebracht zijn.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met
betrekking tot de in de vorige leden geregelde onderwerpen nadere
regelen worden gesteld en kunnen met betrekking tot de verpakking en de
sluiting verdere regelen worden gesteld. Daarbij kan worden bepaald dat
die regelen slechts gelden voor daarbij aangewezen stoffen of in daarbij
aangewezen gevallen.
Artikel 36
1. Op een verpakking als bedoeld in artikel 35, eerste lid,
moeten duidelijk en onuitwisbaar vermeld zijn:
a. de chemische naam van de stof;
b. de naam en het adres van de in de Europese Economische Ruimte
gevestigde persoon die de stof vervaardigt, in de Europese Economische
Ruimte aan een ander ter beschikking stelt of invoert;
c. de benaming van het gevaar of de gevaren van de stof, als
bedoeld in artikel 34, tweede lid, met het bijbehorende symbool,
onderscheidenlijk de bijbehorende symbolen, voor zover daarin
krachtens het derde lid is voorzien;
d. een verwijzing naar de bijzondere, aan het gebruik van de stof
verbonden gevaren, voor zover daarin krachtens het derde lid is
voorzien;
e. veiligheidsaanbevelingen ter vermijding van de belangrijkste,
aan het gebruik van de stof verbonden gevaren, voor zover daarin
krachtens het derde lid is voorzien.
2. De bij het eerste lid voorgeschreven aanduidingen moeten
gesteld zijn in de Nederlandse taal. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen, waarin die aanduidingen
mogen worden gesteld in een andere, bij of krachtens de maatregel
aangewezen taal.
3. Onze Minister en Onze Ministers van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stellen tezamen
nadere regelen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde
aanduidingen. Zij kunnen daarbij tevens, zo nodig onder het stellen van
nadere regelen, bepalen dat door hen aan te geven verdere aanduidingen
op een verpakking moeten zijn vermeld, of dat door hen aan te geven
aanduidingen slechts in door hen aan te geven gevallen behoeven te zijn
vermeld.
4. Aan het bepaalde bij of krachtens het eerste lid, onder a,
c, d en e, en het derde lid wordt geacht te zijn
voldaan, indien een stof, opgenomen op een door Onze Minister en Onze
Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport te zamen vastgestelde lijst van stoffen als bedoeld in
artikel 34, is aangeduid op de wijze die in die lijst met betrekking tot
die stof is aangegeven.
Artikel 37
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden
gesteld met betrekking tot de aanduiding van stoffen waarvan nog niet is
bepaald in hoeverre zij behoren tot een of meer van de in artikel 34,
tweede lid, bedoelde categorieën.
Artikel 38
1. Het aanbevelen of aanprijzen van een stof, behorende tot een
of meer van de in artikel 34, tweede lid, bedoelde categorieën,
zonder vermelding van de categorie of categorieën waartoe die stof
behoort, is verboden.
2. Het aanduiden van een stof op een wijze die misleidend is ten
aanzien van de effecten van die stof op mens of milieu of ten aanzien
van het krachtens artikel 24 of 31 bepaalde, is verboden.
Artikel 39
1. De artikelen 34 tot en met 38 zijn van overeenkomstige
toepassing op de verpakking en aanduiding en op het aanbevelen en
aanprijzen van stoffen waaraan met het oog op de stabiliteit
hulpstoffen zijn toegevoegd of waarbij onzuiverheden voorkomen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen
worden gesteld met betrekking tot de verpakking en de aanduiding van
andere preparaten en met betrekking tot het aanbevelen en aanprijzen
daarvan. Daarbij kan worden bepaald dat die regelen alleen gelden in
daarbij aangewezen gevallen of voor daarbij aangewezen preparaten, en
kunnen de artikelen 34 tot en met 38 geheel of gedeeltelijk van
overeenkomstige toepassing worden verklaard.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen
worden gesteld met betrekking tot de aanduiding van preparaten waarin
daarbij aangewezen stoffen voorkomen, alsmede met betrekking tot de
aanduiding van produkten waarin daarbij aangewezen stoffen of preparaten
voorkomen. Daarbij kan worden bepaald dat die regelen alleen in daarbij
aangewezen gevallen gelden.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat in daarbij aangewezen gevallen de artikelen 34 tot en met 38
geheel of voor een daarbij te bepalen gedeelte niet van toepassing zijn:
a. ter uitvoering van een krachtens het Verdrag betreffende de
Europese Unie tot stand gekomen bindende regeling;
b. indien onverkorte toepassing van die artikelen in het belang van
de bescherming van mens en milieu niet noodzakelijk is.
5. Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in het vierde lid kunnen regelen worden gesteld met betrekking
tot de in de artikelen 34 tot en met 38 geregelde onderwerpen.
§ 3. Maatregelen in bijzondere omstandigheden
Artikel 40
1. Indien stoffen of preparaten, dan wel handelingen met
stoffen of preparaten naar het oordeel van Onze Minister onduldbaar
gevaar opleveren voor mens of milieu, kan hij - zo nodig met behulp
van de sterke arm - alle maatregelen nemen die hij met het oog op de
bescherming van mens en milieu noodzakelijk acht.
2. Tot de in het eerste lid bedoelde maatregelen kunnen behoren:
a. het geheel of gedeeltelijk stopzetten van het vervaardigen of in
Nederland invoeren van stoffen of preparaten of van produkten die die
stoffen of preparaten bevatten;
b. het in beslag nemen en, zo nodig, vernietigen van stoffen of
preparaten of van produkten die die stoffen of preparaten bevatten;
c. het beletten dat bepaalde gebieden zonder toestemming van Onze
Minister worden betreden of dat dieren, planten of goederen zonder
zodanige toestemming daarbinnen of daarbuiten worden gebracht;
d. het verwijderen van personen, dieren, planten of goederen uit
bepaalde gebieden;
e. het toestaan dat de bij een kennisgeving als bedoeld in artikel
3 ingevolge artikel 4, eerste, tweede of derde lid, over te leggen
gegevens binnen een door hem te bepalen termijn na de kennisgeving
worden overgelegd en dat de stof waarvan kennisgeving is gedaan, in
Nederland wordt vervaardigd of ingevoerd voordat de in artikel 8,
eerste lid, onder b , gestelde termijn is verstreken.
3. Onze Minister neemt een maatregel krachtens het eerste lid in
overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat, tenzij de
vereiste spoed dit naar zijn oordeel niet gedoogt. In het laatstgenoemde
geval onderwerpt Onze Minister de maatregel zo spoedig mogelijk aan het
oordeel van de Raad van Ministers. Indien deze met de maatregel niet
instemt, trekt Onze Minister haar terstond in.
4. Onze Minister geeft van een maatregel krachtens het eerste lid
en van de intrekking van zodanige maatregel kennis in de Nederlandse
Staatscourant, alsmede op zodanige wijze dat de maatregel,
onderscheidenlijk de intrekking daarvan, zo spoedig mogelijk ter kennis
van de betrokkenen komt.
Hoofdstuk 5
Artikel 41 [Vervallen per 01-04-1988]
Hoofdstuk 6. Beroep op de administratieve rechter
Artikel 42
Beroep op de administratieve rechter staat open overeenkomstig
hoofdstuk 20 van de Wet milieubeheer.
Artikel 43 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 44 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 45 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 46 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 47 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 48 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 49 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 50 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 51 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 52 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 53 [Vervallen per 01-03-1993]
Hoofdstuk 7. Verdere bepalingen
Artikel 54 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 55
1. Onze Minister zendt - voor zover het
betreft het ambtsterrein van een of meer Onzer andere ministers, in
overeenstemming met die ministers - telkens om de vijf jaar aan de
Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop deze wet is toegepast.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen
worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid.
Artikel 56
1. Indien in een stuk dat ingevolge het bij of krachtens deze
wet bepaalde aan Onze Minister, dan wel aan een andere persoon of
instelling wordt overgelegd, gegevens voorkomen of uit zodanig stuk
gegevens kunnen worden afgeleid, waarvan de geheimhouding met het oog
op de bescherming van bedrijfsgeheimen gerechtvaardigd is, besluit
Onze Minister op een daartoe strekkend verzoek van degene die het stuk
overlegt, dat die gegevens geheim gehouden worden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een kennisgeving als
bedoeld in artikel 3 van het vervaardigen van een stof en op de stukken
die in verband met een zodanige kennisgeving ingevolge artikel 4 of 13
worden overgelegd.
3. Indien het verzoek een stuk betreft, overgelegd krachtens
artikel 4, 13, 14, 15 of 16, kan Onze Minister niet besluiten tot
geheimhouding van:
a. de naam waaronder een stof of preparaat aan een ander ter
beschikking wordt gesteld, alsmede de naam van degene die de stof
vervaardigt en van degene die de kennisgeving heeft gedaan;
b. de fysisch-chemische eigenschappen van de stof of het preparaat;
c. de mogelijkheden om de stof of het preparaat onschadelijk te
maken;
d. de aanbevolen aanwijzingen voor het gebruik van de stof of het
preparaat, de aanbevolen maatregelen om verspreiding van de stof of
het preparaat te voorkomen en de aanbevolen noodmaatregelen bij een
ongeval met de stof of het preparaat;
e. de naam van degene die het onderzoek, bedoeld in die artikelen,
heeft verricht, behoudens indien het betreft een onderzoek naar de
fysisch-chemische eigenschappen van de stof of het preparaat;
f. een samenvatting van de resultaten van de toxicologische en
ecotoxicologische proeven;
g. indien noodzakelijk voor de indeling en het kenmerken van de
stof overeenkomstig de richtlijn: de zuiverheidsgraad van de stof en
de identiteit van de onzuiverheden of toevoegingen die behoren tot een
of meer van de in artikel 34, tweede lid, bedoelde categorieën;
h. met betrekking tot een stof of een preparaat, behorende tot een
van de in artikel 34, tweede lid, genoemde categorieën:
1°. de gegevens vermeld in het inlichtingenblad bedoeld in
artikel 27 van de richtlijn;
2°. de analysemethoden waarmee de stof kan worden gevolgd, nadat
deze in het milieu is gebracht en waardoor de rechtstreekse
blootstelling van de mens aan deze stof kan worden bepaald.
i. indien een stof in het in artikel 18, eerste lid, bedoelde
register wordt opgenomen: de in het tweede lid van dat artikel
bedoelde gegevens.
4. Een verzoek tot geheimhouding van gegevens met betrekking tot
de effecten die een stof of preparaat op mens en milieu kan hebben,
wordt geweigerd, indien de verzoeker daarbij niet tevens een tweede
tekst overlegt, waarin de geheim te houden gegevens niet voorkomen en
waaruit ze niet kunnen worden afgeleid, doch die voldoende inzicht biedt
in de effecten van de stof of het preparaat op mens en milieu. De
overgelegde tweede tekst behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
5. Op een verzoek om geheimhouding beslist Onze Minister binnen
vier weken na ontvangst.
6. Indien een verzoek om geheimhouding geheel of gedeeltelijk
wordt geweigerd, laat Onze Minister de bekendmaking van de gegevens
waarvan de geheimhouding wordt geweigerd, achterwege, totdat de
beslissing op het verzoek onherroepelijk is geworden.
7. Een besluit krachtens het eerste lid vervalt, voor zover de
verzoeker, degene die de stof vervaardigt of de importeur gegevens die
op grond van dat besluit geheim gehouden worden, zelf openbaar maakt,
dan wel voor zover deze gegevens in het kader van de uitvoering van de
richtlijn, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen openbaar
worden gemaakt. Indien het openbaarmaking door de verzoeker, degene die
de stof vervaardigt of de importeur betreft, geeft deze daarvan kennis
aan Onze Minister.
Artikel 57 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 58 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 59
1. Wij kunnen in het belang van de
landsverdediging van de bij of krachtens artikel 3, 4, 5, 8, 13, 14, 15,
17, 19, 22, 23, 24, 25, 31, 32, 34, 37 of 39 gestelde verboden en
verplichtingen:
a. bij algemene maatregel van bestuur vrijstelling verlenen;
b. op een daartoe strekkend verzoek ontheffing verlenen.
2. Aan een vrijstelling of ontheffing worden de voorschriften
verbonden die naar Ons oordeel in het belang van de bescherming van mens
en milieu nodig zijn.
3. De voordracht voor een besluit krachtens het eerste lid wordt
Ons niet gedaan dan op verzoek van Onze Minister van Defensie.
Artikel 60
1. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur
krachtens artikel 4, eerste of derde lid, krachtens of met
overeenkomstige toepassing van artikel 5, krachtens artikel 13, eerste
of derde lid, krachtens of met overeenkomstige toepassing van artikel
14, vierde lid, of krachtens artikel 19, derde, vierde of vijfde lid,
of 67, derde lid, wordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te zamen.
2. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur
krachtens artikel 23, tweede lid, wordt, ingeval zij wordt gedaan op
grond van een ernstig vermoeden dat door handelingen met een stof of een
preparaat gevaren kunnen ontstaan in de arbeidssituatie, Ons gedaan door
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
3. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur
krachtens artikel 34, derde lid, 35, vierde lid, 36, tweede lid, 37 of
39 wordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze Ministers van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te
zamen.
Artikel 61
1. Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur krachtens
artikel 1, derde lid, krachtens of met overeenkomstige toepassing van
artikel 4, eerste lid, 5 of 14, vierde lid, krachtens artikel 19,
derde of vierde lid, 23, tweede lid, 24, 32, tweede, derde of vierde
lid, 34, derde lid, 35, vierde lid, of 39 wordt overgelegd aan de
beide kamers der Staten-Generaal en in de Staatscourant
bekendgemaakt. Aan een ieder wordt de gelegenheid geboden gedurende
een bij die bekendmaking vast te stellen termijn van ten minste vier
weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van Onze
Minister te brengen.
2. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste
lid wordt, nadat hij is vastgesteld, toegezonden aan beide Kamers der
Staten-Generaal. Hij treedt niet eerder in werking dan vier weken na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst.
Artikel 62
Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij
algemene maatregel van bestuur.
Artikel 63
Een gedraging in strijd met een voorschrift krachtens artikel 26,
vierde lid, of 33, tweede lid, aan een vergunning of ontheffing
verbonden, in strijd met een krachtens artikel 26, vierde lid, gestelde
nadere eis, dan wel in strijd met een krachtens artikel 40 genomen
maatregel is verboden.
Artikel 63a
1. Met het toezicht op de uitvoering en de handhaving van het
bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze
Minister aangewezen ambtenaren.
2. De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene
wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat
bestuursorganen die met de uitvoering of de handhaving van het bij of
krachtens deze wet bepaalde zijn belast, daarbij aan te geven gegevens
verstrekken aan de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren. Bij
de regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tijdstip
waarop, de frequentie waarmee en de vorm waarin de gegevens worden
verstrekt. Tevens kan bij de regeling worden bepaald dat daarbij
gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven gevallen.
Hoofdstuk 8. Handhaving
Artikel 64
1. Met betrekking tot de handhaving van het bij of krachtens
deze wet bepaalde zijn de artikelen 18.3 tot en met 18.16 van de Wet
milieubeheer van toepassing.
2. Het in artikel 18.2 van de Wet milieubeheer bedoelde
bestuursorgaan heeft tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke
handhaving van de op grond van deze wet voor degene die de betrokken
inrichting drijft, geldende voorschriften.
3. Onverminderd het tweede lid heeft Onze betrokken Minister tot
taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het
bepaalde bij of krachtens deze wet.
Artikel 65 [Vervallen per 01-04-1994]
Artikel 66 [Vervallen per 01-03-1993]
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 67
1. Met betrekking tot stoffen die op het
tijdstip waarop de artikelen 3 tot en met 18 in werking treden, in
Nederland worden vervaardigd, doch die niet behoren tot de stoffen,
bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder a , dan wel die niet
voorkomen op de in artikel 19, vijfde lid, bedoelde lijst, zijn de
artikelen 3, eerste lid, en 4 tot en met 18, voor zover deze artikelen
betrekking hebben op het vervaardigen van die stoffen, niet van
toepassing.
2. Indien met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde
stoffen een kennisgeving als bedoeld in artikel 3, tweede lid, wordt
gedaan, zijn op zodanige kennisgeving de artikelen 9 tot en met 12 van
overeenkomstige toepassing.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld met
betrekking tot hetgeen overigens in verband met het gaan gelden van deze
wet regeling behoeft.
Artikel 68
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 69
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 70
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 71
1. Deze wet is niet van toepassing op stoffen en preparaten,
voor zover daaromtrent regelen zijn gesteld bij de Geneesmiddelenwet (Stb.
1958, 408) of de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, dan wel
zijn of worden gesteld krachtens die wetten. Indien het bij
Koninklijke Boodschap van 17 januari 1983 bij de Tweede Kamer der
Staten-Generaal ingediende voorstel van een Diergeneesmiddelenwet
kracht van wet verkrijgt, is de onderhavige wet evenmin van toepassing
op stoffen en preparaten, voor zover daaromtrent regelen zijn gesteld
bij die wet, dan wel zijn of worden gesteld krachtens die wet.
2. Deze wet laat het met betrekking tot stoffen of preparaten bij
of krachtens de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82) bepaalde onverlet.
3. Deze wet is niet van toepassing op het vervoeren, het ten
vervoer aanbieden en het ten vervoer aannemen, het laden en het lossen
en het nederleggen tijdens het vervoer van stoffen, preparaten of
micro-organismen, alsmede op het laten staan en het laten liggen van een
vervoermiddel waarin of waarop zich zodanige stoffen, preparaten of
micro-organismen of resten daarvan bevinden, voor zover daaromtrent
regelen zijn gesteld bij of krachtens de Wet luchtvaart, dan wel op de
handelingen genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet vervoer
gevaarlijke stoffen ten aanzien van stoffen, preparaten of
micro-organismen, voor zover daaromtrent regelen zijn gesteld bij of
krachtens die wet. Met betrekking tot de verpakking van genetische
gemodificeerde micro-organismen blijven de bij of krachtens deze wet
gestelde regels van kracht indien die organismen zich bij de
handelingen, bedoeld in de eerste volzin, niet bevinden in een
verpakking die voldoet aan de regels die terzake zijn gesteld bij of
krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of de Wet luchtvaart.
4. Krachtens deze wet worden geen regelen gesteld met betrekking
tot het zich ontdoen van stoffen en preparaten door het brengen daarvan
in oppervlaktewateren, voor zover in het stellen van zodanige regelen is
voorzien door het vaststellen van grenswaarden krachtens artikel 1a van
de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 1969, 536) of
voor zodanig zich ontdoen een verbod geldt krachtens artikel 3 van de
Wet verontreiniging zeewater ( Stb. 1975, 352).
Artikel 72
Deze wet kan worden aangehaald als: "Wet milieugevaarlijke
stoffen".
Artikel 73
De artikelen van deze wet treden in werking op een door Ons te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden gesteld.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 5 december 1985
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
P. Winsemius
Uitgegeven de zeventiende december 1985
De Minister van Justitie a.i.,
Rietkerk
|
|
|