| |
|
|
|
|
vorige
WET
MILITAIR TUCHTRECHT (WMT)
Tekst zoals deze geldt op
18 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Rijksbesluit
uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht
RIJKSWET van 14 juni 1990 tot herziening
van het militair tuchtrecht
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
gedragsregels van het militair tuchtrecht vast te stellen bij de wet,
alsmede nieuwe voorschriften te geven inzake de tuchtstraffen en de
behandeling van tuchtzaken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en
met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut
voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
De zowel in deze wet als in het Wetboek van Militair Strafrecht
voorkomende uitdrukkingen hebben in beide dezelfde betekenis. Artikel 61
van het Wetboek van Militair Strafrecht is van toepassing.
Artikel 2
De straffen, in deze wet voorzien, zijn van toepassing op de militair
die een gedragsregel van deze wet schendt.
Artikel 3
1.De gedragsregels van deze wet zijn van toepassing:
a. gedurende de tijd waarin de militair dienst doet of behoort
te doen;
b. op een militaire plaats;
c. anders dan in de gevallen, genoemd onder a en b, indien en
voorzover de wet de toepassing voorschrijft.
2.Onder de tijd waarin de militair dienst doet of behoort te doen,
wordt in deze wet mede verstaan de tijd waarin de militair in uniform
gekleed gaat.
3.Onder militaire plaats wordt in deze wet verstaan een gebouw,
terrein, vaartuig, luchtvaartuig of voertuig, dat in gebruik is bij of
ten behoeve van de krijgsmacht, of dat de militair tot verblijf of
gebruik dient bij de vervulling van zijn taak in internationaal
verband of waar de militair zich in krijgsgevangenschap bevindt.
Artikel 4
1.In deze wet wordt onder commandant verstaan de militair die
ingevolge artikel 49 tot straffen bevoegd is.
2.In deze wet wordt onder beklagmeerdere verstaan de onmiddellijk
boven de commandant gestelde bevelvoerende meerdere. Onze Minister van
Defensie kan bij ministeriële regeling andere militairen aanwijzen
als beklagmeerderen. In dat geval treedt de onmiddellijk boven de
commandant gestelde bevelvoerende meerdere niet meer op als
beklagmeerdere.
Artikel 5
In deze wet wordt onder beschuldigde verstaan de militair aan wie een
beschuldiging is uitgereikt op grond van het op feiten of omstandigheden
gebaseerde vermoeden dat hij een in deze wet omschreven gedragsregel
heeft geschonden.
Artikel 5a
Indien een Nederlandse militair behoort tot een internationaal
militair samenwerkingsverband wordt ten aanzien van die Nederlandse
militair voor de toepassing van Hoofdstuk II van deze wet mede verstaan
onder:
a. andere militair: de vreemde militair die behoort tot dat
internationaal militair samenwerkingsverband;
b. krijgsmacht: dat internationaal militair samenwerkingsverband.
Hoofdstuk II. Gedragsregels
§ 1. Gedragingen tegen de geheimhoudingsplicht
Artikel 6
1.In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die
enig gegeven, de dienst betreffende, mededeelt aan of ter beschikking
stelt van iemand die tot kennisneming daarvan niet bevoegd is, voor
zover de verplichting tot geheimhouding uit de aard der zaak volgt.
2.Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen
dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire
plaats.
§ 2. Gedragingen waardoor de militair dienstverplichtingen niet
nakomt
Artikel 7
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die
ongeoorloofd afwezig is.
Artikel 8
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair aan wiens
schuld het is te wijten dat hij niet in staat is dienstverplichtingen te
vervullen.
Artikel 9
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die zich
onttrekt aan dienstverplichtingen, deze verplichtingen zonder
toestemming niet vervult of ophoudt te vervullen.
Artikel 10
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich hij die zijn taak als
militair onzorgvuldig verricht.
Artikel 11
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een
andere militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de
krijgsmacht werkzaam is, geen hulp verleent, indien en voor zover deze
nodig is en kan worden gevergd.
§ 3. Gedragingen waardoor de militair het functioneren van de
krijgsmacht belemmert
Artikel 12
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die zich
door lijdelijkheid of onwilligheid tegen militaire diensten verzet.
Artikel 13
1.In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die de
uitvoering van een in het belang van de militaire dienst genomen
maatregel belet, belemmert of verijdelt.
2.Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen
dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire
plaats.
Artikel 14
1.In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die
een andere militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van
de krijgsmacht werkzaam is, zonder noodzaak hindert bij de uitoefening
van zijn taak.
2.Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen
dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire
plaats.
§ 4. Gedragingen tegen het dienstbevel
Artikel 15
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een
dienstbevel niet opvolgt.
Artikel 16
Het voorgaande artikel is niet toepasselijk indien de bevolen
gedraging onrechtmatig is of door de militair te goeder trouw als
onrechtmatig werd beschouwd.
Artikel 17
Indien twee of meer onderling strijdige dienstbevelen zijn gegeven,
is het niet opvolgen van een bevel dat voorafgaat aan het laatst
gehandhaafde geen met de militaire tucht strijdige gedraging.
§ 5. Gedragingen tegen het dienstvoorschrift
Artikel 18
1.In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die
een dienstvoorschrift niet opvolgt.
2.Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen
dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire
plaats, indien het in het dienstvoorschrift gegeven ge- of verbod
betrekking heeft op het gedrag van de militair die zich voor de
uitoefening van zijn dienst buiten Nederland bevindt.
Artikel 19
Het voorgaande artikel is niet toepasselijk indien een van het
dienstvoorschrift afwijkend dienstbevel is opgevolgd.
§ 6. Gedragingen tegen de persoon
Artikel 20
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een
andere militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de
krijgsmacht werkzaam is, in het openbaar of in zijn tegenwoordigheid met
enig kwaad bedreigt, uitscheldt of bespot.
Artikel 21
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die tegen
beter weten in een aantijging tegen of een klacht over een andere
militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht
werkzaam is inbrengt of inzendt.
Artikel 22
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die de
persoon van een andere militair of iemand, die anderszins bij of ten
behoeve van de krijgsmacht werkzaam is, aantast.
Artikel 23
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een
andere militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de
krijgsmacht werkzaam is, nodeloos in gevaar brengt.
§ 7. Ambtsmisdragingen
Artikel 24
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een
mededeling, die hij uit hoofde van zijn ambt moet doen, niet of onjuist
doet.
Artikel 25
1.In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die
door misbruik van zijn invloed als meerdere tegenover een mindere deze
overhaalt iets te doen, niet te doen of te dulden, indien daaruit enig
nadeel voor de dienst, de mindere of een derde kan ontstaan.
2.Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen
dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire
plaats.
Artikel 26
1.In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die
door gift, belofte, bedreiging of misleiding een andere militair:
a. weerhoudt van het ter kennis van de commandant brengen van
een inbreuk op een gedragsregel, omschreven in deze wet;
b. overhaalt tot het valselijk ter kennis van de commandant
brengen van een inbreuk op een gedragsregel, omschreven in deze
wet;
c. overhaalt tot of weerhoudt van het instellen van beroep, het
doen van een beklag of het indienen van een verzoek.
2.Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen
dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire
plaats.
Artikel 27
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die,
wetende dat een mindere inbreuk maakt of heeft gemaakt op een
gedragsregel van deze wet, nalaat maatregelen te nemen.
Artikel 28
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een
onrechtmatig bevel geeft aan een mindere.
§ 8. Gedragingen tegen de orde
Artikel 29
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die
wanordelijkheden veroorzaakt of daaraan deelneemt.
Artikel 30
1.In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die
een andere militair mondeling of bij geschrifte opruit tot een inbreuk
op enige in deze wet omschreven gedragsregel, alsmede de militair die
een dergelijk geschrift verspreidt.
2.Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen
dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire
plaats.
Artikel 31
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een
geschrift verspreidt of op enige andere wijze openbaar maakt op een
plaats, een tijdstip of een wijze, waaromtrent bij dienstvoorschrift een
verbod is gegeven in het belang van het verkeer of ter voorkoming van
belemmering van de dienst of ter bescherming van rijksgoederen of
goederen van derden.
Artikel 32
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die
inbreuk maakt op de regels die bij dienstvoorschrift zijn vastgelegd
inzake meningsuiting die anders dan door middel van geschrift
plaatsvindt, voorzover die regels niet de inhoud van de uiting
betreffen, en zijn gegeven in het belang van het verkeer of ter
bestrijding of voorkoming van ongeregeldheden en verstoringen van het
ordelijk verloop van de dienst.
Artikel 33
1.In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die
een betoging organiseert of daaraan deelneemt, indien deze op een
militaire plaats gehouden wordt zonder dat toestemming is gevraagd van
het bevoegd gezag, dan wel indien de toestemming is geweigerd in het
belang van het verkeer, of omdat redelijkerwijs is te verwachten dat
ongeregeldheden zullen plaatsvinden of het ordelijk verloop van de
dienst zal worden verstoord.
2.In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die
buiten een militaire plaats in uniform deelneemt aan een betoging,
tenzij deze in het land waar de militair is aangesteld dan wel waar
hij als dienstplichtige in werkelijke dienst is gekomen plaatsvindt en
uitsluitend tot onderwerp heeft de voor demilitairen algemeen geldende
arbeidsvoorwaarden.
Artikel 34
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een
vergadering organiseert of daaraan deelneemt, indien die op een
militaire plaats wordt gehouden zonder dat toestemming is gevraagd van
het bevoegd gezag, dan wel indien de toestemming is geweigerd in het
belang van het verkeer, of omdat redelijkerwijs is te verwachten dat
ongeregeldheden zullen plaatsvinden of het ordelijk verloop van de
dienst zal worden verstoord.
Artikel 35
1.In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die,
zich voor de uitoefening van de dienst op het gebied van een vreemde
mogendheid bevindend, enige, niet het Koninkrijk betreffende,
politieke activiteit ontplooit. Onder politieke activiteit is niet
begrepen het uitoefenen van het actief en passief kiesrecht.
2.Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen
dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire
plaats.
§ 9. Misdragingen in verband met goederen en diensten
Artikel 36
1.In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die
zonder daartoe gerechtigd te zijn gebruik maakt van goederen of
diensten van de krijgsmacht, van een andere militair of van iemand,
die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is, dan
wel deze goederen wegneemt.
2.Voorzover het goederen of diensten van de krijgsmacht betreft is
het eerste lid mede van toepassing op de militair die geen dienst doet
of behoort te doen, en die zich niet bevindt op een militaire plaats.
Artikel 37
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die enig
goed, in gebruik bij of ten behoeve van de krijgsmacht, onzorgvuldig
behandelt of onderhoudt.
Artikel 38
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die in
uniform nodeloos slordig gekleed gaat.
Artikel 39
1.In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die
enig goed, in gebruik bij of ten behoeve van de krijgsmacht, van een
andere militair of van iemand, die anderszins bij of ten behoeve van
de krijgsmacht werkzaam is, vernielt, beschadigt, onbruikbaar of
onklaar maakt dan wel wegmaakt.
2.Voorzover het een goed in gebruik bij of ten behoeve van de
krijgsmacht betreft is het eerste lid mede van toepassing op de
militair die geen dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt
op een militaire plaats.
Artikel 40
In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die de aan
een andere militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de
krijgsmacht werkzaam is, voor persoonlijk gebruik ter beschikking
gestelde ruimte niet respecteert.
Hoofdstuk III. Straffen
Artikel 41
De straffen zijn:
a. berisping;
b. geldboete;
c. strafdienst;
d. uitgaansverbod.
Artikel 42
1.De berisping bestaat uit een geschrift waarvan het model door
Onze Minister van Defensie wordt vastgesteld.
2.De tenuitvoerlegging van de berisping geschiedt door de
uitreiking van het geschrift tegelijk met de uitreiking van het
afschrift van de uitspraak.
Artikel 43
1. Het bedrag van de geldboete is ten minste € 3 en ten hoogste
€ 350. In Aruba zijn deze bedragen AWG 6 en AWG 770. In Curaçao en
Sint Maarten zijn deze bedragen ANG 6 en ANG 770. In de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn deze bedragen USD 3 en
USD 430.
2. Een geldboete kan niet worden opgelegd indien daardoor de som
van de geldboetes, ingevolge deze rijkswet in een kalendermaand aan de
militair opgelegd, een bedrag van € 700 dan wel ANG 1540, AWG 1540
onderscheidenlijk USD 860 te boven zou gaan.
3. Ingeval de schending van een gedragsregel plaatsvindt terwijl de
militair deelneemt aan een operatie in internationaal verband buiten
het Koninkrijk is, in afwijking van het eerste lid, het bedrag van de
geldboete ten hoogste € 700 dan wel ANG 1540, AWG 1540
onderscheidenlijk USD 860. Een geldboete met toepassing van de
voorgaande volzin kan niet worden opgelegd indien daardoor de som,
bedoeld in het tweede lid, een bedrag van € 1400 dan wel ANG 3080,
AWG 3080 onderscheidenlijk USD 1720 te boven zou gaan.
Artikel 44
1.De geldboete moet binnen drie dagen na de uitreiking van het
afschrift van de uitspraak door de gestrafte worden betaald.
2.De commandant kan de gestrafte op zijn verzoek eenmaal uitstel
van betaling verlenen voor ten hoogste achtentwintig dagen.
3.De geldboete moet in ieder geval worden betaald als het feitelijk
verblijf onder de wapenen van de gestrafte eindigt.
Artikel 45
1. Bij gebreke van betaling binnen de bij of ingevolge het
voorgaand artikel gestelde termijn worden de niet betaalde geldboetes
op de militaire bezoldiging van de gestrafte ingehouden.
2. De inhouding geschiedt door de functionaris belast met de
uitbetaling van de militaire bezoldiging.
3. Op het in te houden bedrag wordt een toeslag berekend van tien
procent met een minimum van € 0,45, ANG 1, AWG 1, onderscheidenlijk
USD 1 welke op gelijke wijze als de geldboete op de aan een gestrafte
toekomende bezoldiging wordt ingehouden.
Artikel 46
Bij of krachtens algemene maatregel van Rijksbestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de invordering, de inhouding, de
verantwoording en de bestemming van de ingevorderde of ingehouden
gelden.
Artikel 47
1.De strafdienst bestaat uit het verrichten van dienst door de
gestrafte in overeenstemming met zijn rang, stand of functie, buiten
de voor hem geldende diensturen.
2.De strafdienst wordt opgelegd voor de duur van ten hoogste drie
uren op ten hoogste tien werkdagen.
3.Een militair ondergaat op dezelfde dag niet meer dan een straf
van strafdienst.
4.Een militair ondergaat per kalendermaand de straf van strafdienst
niet gedurende meer dan vijftien werkdagen.
5.Indien een militair op grond van het bepaalde in het vorige lid
in een kalendermaand een hem opgelegde straf van strafdienst niet
volledig ondergaat, zal hij het resterende deel in de volgende
kalendermaand ondergaan.
6.De tenuitvoerlegging van de strafdienst vangt zo spoedig mogelijk
aan na de uitreiking van het afschrift van de uitspraak en vindt voor
zover mogelijk plaats op achtereenvolgende werkdagen. Strafdienst
wordt niet ten uitvoer gelegd tijdens verlofdagen.
7.Het ondergaan van de straf van strafdienst is dienst.
8.In geval van ontslag uit de militaire dienst eindigt de
tenuitvoerlegging van de strafdienst van rechtswege op het moment
waarop dat ontslag ingaat.
9.Onverminderd het bepaalde in het vorige lid kan de beklagmeerdere
het feitelijk verblijf onder de wapenen van degene die de straf van
strafdienst ondergaat, verlengen totdat die straf is ondergaan.
10.Op de dag waarop de straf van uitgaansverbod wordt ondergaan,
kan niet ook de straf van strafdienst worden ondergaan.
11.Onttrekking aan strafdienst schorst van rechtswege de straf.
Artikel 48
1.Het uitgaansverbod bestaat uit de verplichting om op de door de
commandant aan te wijzen militaire plaats of gedeelten daarvan
aanwezig te zijn en te blijven.
2.Aan de militair die gestraft is met de straf van uitgaansverbod,
kan worden opgedragen gedurende de tijd, dat hij die straf ondergaat,
dienst te verrichten in overeenstemming met zijn rang, stand of
functie.
3.Het uitgaansverbod wordt opgelegd voor de duur van ten hoogste
vier aaneengesloten dagen.
4.Een militair ondergaat per kalendermaand de straf van
uitgaansverbod niet gedurende meer dan acht dagen, en voor zover de
tenuitvoerlegging geheel of ten dele in het weekend plaatsvindt,
gedurende niet meer dan twee opeenvolgende weekenden.
5.Het derde, vijfde, zevende, achtste, negende, tiende en elfde lid
van artikel 47 zijn van overeenkomstige toepassing. Het zesde lid van
artikel 47 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de
tenuitvoerlegging ook plaatsvindt op vrije dagen niet zijnde
verlofdagen.
6.Ingeval schending van de gedragsregel van artikel 7 wordt
afgedaan met toepassing van artikel 79, eerste lid, of indien er nog
geen 90 dagen zijn verlopen nadat aan de militair een uitspraak is
uitgereikt waarin hij schuldig werd verklaard aan schending van
diezelfde gedragsregel is, indien de straf van uitgaansverbod wordt
opgelegd, in afwijking van het derde en vierde lid, het aantal op te
leggen dagen ten hoogste acht en het aantal in een kalendermaand te
ondergane dagen uitgaansverbod ten hoogste twaalf.
Hoofdstuk IV. Strafbevoegdheid
Artikel 49
1.De bevoegdheid tot het opleggen van straffen aan onder zijn
bevelen staande militairen komt toe aan:
a. de bevelvoerende militair van een oorlogsschip, inrichting
van de zeemacht, compagnie, eskadron, batterij of squadron;
b. de door Onze Minister van Defensie aangewezen bevelvoerende
militair van een andere militaire eenheid dan onder a genoemd.
2.Aan boord van een oorlogsschip komt de bevoegdheid tot het
opleggen van straffen aan militairen, die op dat schip zijn
ingescheept, uitsluitend toe aan de bevelvoerende militair van dat
schip.
3.Indien een bevelvoerende militair als bedoeld in het eerste lid,
onder a of b, zelf degene is van wie wordt vermoed dat hij een in deze
wet omschreven gedragsregel heeft geschonden, komt de bevoegdheid tot
het opleggen van straffen toe aan de onmiddellijk boven hem gestelde
bevelvoerende meerdere.
4.De bevoegdheid tot het opleggen van straffen komt toe aan de
onmiddellijk boven een in het eerste lid bedoelde bevelvoerende
militair gestelde bevelvoerende meerdere indien het betreft een in een
van de artikelen 20-23 omschreven gedraging tegen de persoon van de in
het eerste lid bedoelde bevelvoerende militair.
5.Indien een militair van wie wordt vermoed dat hij een in deze wet
omschreven gedragsregel heeft geschonden hoger of ouder in rang is dan
de in het eerste lid bedoelde bevelvoerende militair komt de
bevoegdheid tot het opleggen van straffen toe aan de onmiddellijk
boven laatstbedoelde militair gestelde bevelvoerende meerdere van
hogere rang dan eerstbedoelde militair.
6.Indien in de gevallen bedoeld in het derde, vierde of vijfde lid
de aldaar aangewezen bevelvoerende militair geen tuchtproces kan doen
aanvangen binnen de in artikel 53, eerste lid, genoemde termijn,
wordt:
a. het tuchtproces gehouden door de in het eerste lid bedoelde
bevelvoerende militair zelf in het geval bedoeld in het vierde
lid;
b. deze termijn verlengd met 21 dagen in de gevallen bedoeld in
het derde of vijfde lid.
Artikel 50
1. De bevoegdheid om, hetzij de tenuitvoerlegging van een straf van
een geldboete hoger dan € 35, ANG 75, AWG 75, onderscheidenlijk USD
42, van strafdienst of van uitgaansverbod op te schorten of te
schorsen, hetzij, na verloop van de termijn bedoeld in artikel 80a,
eerste lid, en buiten het geval dat tegen de uitspraak beklag is
gedaan, een strafoplegging teniet te doen, te wijzigen in de straf van
berisping, binnen de opgelegde strafsoort de strafmaat te verminderen
of te wijzigen in een beslissing als bedoeld in artikel 74, derde lid,
komt toe aan:
a. de commandant;
b. de beklagmeerdere.
2. Bij tenietdoening of vermindering van de straf dan wel wijziging
in de straf van berisping of in een beslissing als bedoeld in artikel
74, derde lid, is artikel 98 van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat voor gerecht wordt gelezen degene die vermindert, teniet
doet, wijzigt of beslist geen straf op te leggen.
Hoofdstuk V. Het tuchtproces
Titel I. Het tuchtproces in eerste aanleg
§ 1. Begin en einde van het tuchtproces in eerste aanleg
Artikel 51
1.Het tuchtproces in eerste aanleg vangt aan met de uitreiking door
of namens de commandant aan de militair, van wie wordt vermoed dat hij
een in deze wet omschreven gedragsregel heeft geschonden, van een
schriftelijk stuk, de beschuldiging, hetwelk een omschrijving inhoudt
van deze schending.
2.De commandant behoudt een afschrift van de beschuldiging.
3.De datum van de uitreiking wordt aangetekend op het afschrift
bedoeld in het voorgaande lid.
4.Terzake van dezelfde gedraging kan slechts eenmaal een
beschuldiging worden uitgereikt.
5.Wijziging van de beschuldiging is voor de aanvang van het
onderzoek mogelijk. In geen geval worden wijzigingen toegelaten die
ten gevolge hebben dat de beschuldiging niet langer dezelfde gedraging
in de zin van artikel 52, onder b zou inhouden. De wijziging wordt
onverwijld, doch in ieder geval voor de aanvang van het onderzoek, aan
de beschuldigde schriftelijk meegedeeld.
Artikel 52
De beschuldiging vermeldt:
a. de naam, rang en militaire eenheid van de betreffende
militair;
b. de omschrijving van een of meer gedragingen die vermoedelijk
de schending van een of meer gedragsregels inhouden met vermelding
van feiten en omstandigheden waarop dat vermoeden is gegrond en met
opgave van tijd en plaats waarop die gedraging of gedragingen hebben
plaatsgevonden;
c. de mededeling dat de commandant heeft besloten terzake een
onderzoek te houden;
d. het artikel of de artikelen op grond waarvan de beschuldiging
wordt uitgereikt.
Artikel 53
1.Behoudens artikel 49, zesde lid, wordt geen beschuldiging
uitgereikt indien er 21 dagen zijn verlopen nadat de gedraging heeft
plaatsgevonden of, voor zover het betreft een vermoedelijke schending
van een van de gedragsregels omschreven in de artikelen 6, 23, 26, 37
of 39, indien er 21 dagen zijn verlopen nadat de gedraging werd
ontdekt of, indien toepassing is gegeven aan artikel 78, eerste lid,
of 79, eerste lid, indien er 21 dagen zijn verlopen nadat de
beslissing van het openbaar ministerie ter kennis is gekomen van de
commandant.
2.Geen beschuldiging wordt uitgereikt aan degene die feitelijk niet
meer onder de wapenen verblijft.
3.De in het eerste lid bedoelde termijn bedraagt 60 dagen indien in
de beschuldiging is aangegeven dat de gedraging heeft plaatsgevonden
terwijl de militair deelneemt aan een operatie in internationaal
verband buiten het Koninkrijk en de militair en de commandant zich om
redenen van dienst niet in hetzelfde land bevinden op het tijdstip
waarop de gedraging volgens de beschuldiging eindigde.
4.Voor de bepaling van de duur van de termijn waarbinnen een
beschuldiging kan worden uitgereikt als bedoeld in het eerste lid,
worden de dagen waarop verlof is verleend aan de militair aan wie de
commandant voornemens is een beschuldiging uit te reiken, of de dagen
waarop deze militair door ziekte of ongeoorloofde afwezigheid niet bij
zijn eenheid aanwezig is, niet meegeteld.
5.Geen beschuldiging wordt uitgereikt indien uit feiten of
omstandigheden blijkt of redelijkerwijze moet worden vermoed dat er 60
dagen zijn verlopen nadat de gedraging heeft plaatsgevonden.
6.Ingeval toepassing is gegeven aan artikel 78, eerste lid, of 79,
eerste lid, wordt de in het vijfde lid genoemde termijn met 30 dagen
verlengd.
7.Een beschuldiging, uitgereikt in strijd met de voorgaande leden,
wordt ingetrokken.
Artikel 54
1.Het tuchtproces in eerste aanleg eindigt:
a. met een beslissing als bedoeld in de artikelen 53, zesde
lid, 76, eerste lid, 78, tweede lid, of 80, zesde lid;
b. van rechtswege indien er na 21 dagen sedert de aanvang van
het tuchtproces geen beslissing is genomen als bedoeld in artikel
76, eerste lid, behoudens de verlenging van deze termijn ingevolge
de artikelen 59, tweede lid, 64, tweede of derde lid, of 80,
eerste lid;
c. van rechtswege bij ontslag uit de militaire dienst.
2.Behoudens in het geval uitspraak is gedaan als bedoeld in artikel
76, eerste lid, deelt de commandant aan de beschuldigde schriftelijk
mee dat het tuchtproces is geëindigd.
Artikel 55
Het feitelijk verblijf onder de wapenen kan door de beklagmeerdere
worden verlengd voor het houden van een tuchtproces in eerste aanleg,
behoudens in het geval bedoeld in artikel 80, eerste lid.
§ 2. De vertrouwensman
Artikel 56
1.De beschuldigde kan zich in ieder stadium van het tuchtproces in
eerste aanleg doen bijstaan door een vertrouwensman.
2.Het bepaalde in het voorgaande lid wordt de beschuldigde bij het
uitreiken van de beschuldiging medegedeeld.
Artikel 57
1.De vertrouwensman kan door de beschuldigde worden gekozen uit het
militair en burgerpersoneel, in dienstbetrekking bij het departement
van defensie en gelegerd of tewerkgesteld op hetzelfde schip, in
dezelfde inrichting of kazerne, dan wel op dezelfde basis of bij
hetzelfde onderdeel als de beschuldigde.
2.In bijzondere gevallen kan de commandant ook andere personen als
vertrouwensman toelaten.
Artikel 58
Medebeschuldigden in dezelfde zaak worden niet als vertrouwensman
toegelaten.
Artikel 59
1.De commandant kan de vertrouwensman voor de verdere duur van het
tuchtproces in eerste aanleg uitsluiten wegens verstoring van de
ordelijke behandeling van de zaak.
2.Ingeval van uitsluiting van zijn vertrouwensman wordt de
beschuldigde op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld binnen 24 uur
een nieuwe vertrouwensman te kiezen. De termijn bedoeld in artikel 54,
eerste lid, onder b, wordt in dat geval met een dag verlengd.
Artikel 60
Het optreden als vertrouwensman is dienst.
§ 3. Enige bevoegdheden tijdens het tuchtproces in eerste aanleg
Artikel 61
1.De commandant kan de beschuldigde doen horen ter voorbereiding
van het onderzoek. Artikel 67 is van overeenkomstige toepassing.
2.De commandant kan getuigen en deskundigen horen of doen horen in
ieder stadium van het tuchtproces.
3.De verklaringen van de op grond van het eerste of tweede lid
gehoorde personen worden schriftelijk vastgelegd.
Artikel 62
De beschuldigde en zijn vertrouwensman kunnen na de uitreiking van de
beschuldiging de op de zaak betrekking hebbende stukken inzien, tenzij
het belang van geheimhouding van gegevens of het belang van derden zich
daartegen verzet.
§ 4. Het onderzoek
Artikel 63
1.De commandant roept de beschuldigde schriftelijk op voor het
onderzoek.
2.Het onderzoek vangt niet eerder aan dan 24 uur na de uitreiking
van de beschuldiging.
3.Indien de beschuldigde om een eerdere behandeling verzoekt, kan
de commandant daartoe besluiten.
Artikel 64
1.De beschuldigde is verplicht te verschijnen.
2.Indien de beschuldigde niet verschijnt wegens een gewichtige
reden van verhindering, schort de commandant het onderzoek op of
schorst hij dit. De termijn bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder
b, wordt in dat geval voor de duur van de opschorting of schorsing,
doch ten hoogste 21 dagen verlengd.
3.Indien de beschuldigde niet verschijnt zonder een gewichtige
reden van verhindering, schort de commandant het onderzoek op of
schorst hij dit voor bepaalde tijd en wordt de beschuldigde nogmaals
schriftelijk opgeroepen. Hij is bevoegd de medebrenging van de
beschuldigde te gelasten. De tweede volzin van het voorgaande lid is
van toepassing.
Artikel 65
1.De commandant roept de getuigen en deskundigen op wier
verschijning hij nodig oordeelt.
2.De beschuldigde en zijn vertrouwensman kunnen verzoeken dat ook
andere getuigen en deskundigen worden gehoord. De commandant voldoet
aan dit verzoek, tenzij het onderzoek daardoor wordt geschaad of het
verzoek kennelijk onredelijk is.
3.De opgeroepen getuigen en deskundigen zijn verplicht te
verschijnen.
4.Ten aanzien van getuigen en deskundigen zijn de artikelen 217-219
van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
5.De vergoeding van door getuigen en deskundigen gemaakte onkosten
geschiedt volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van
Rijksbestuur.
Artikel 66
1.De commandant houdt het onderzoek op de grondslag van de
beschuldiging.
2.Het onderzoek is niet openbaar.
Artikel 67
De beschuldigde is niet verplicht te antwoorden. Dit wordt hem voor
of bij de aanvang van het onderzoek ter kennis gebracht.
Artikel 68
1.De commandant hoort de beschuldigde, de getuigen en de
deskundigen.
2.Hij stelt de beschuldigde en de vertrouwensman in de gelegenheid
de getuigen en deskundigen, door zijn tussenkomst, vragen te stellen.
3.Hij stelt de vertrouwensman in de gelegenheid het woord te
voeren.
Artikel 69
De beschuldigde wordt voor de sluiting van het onderzoek in de
gelegenheid gesteld het laatste woord te voeren.
§ 5. De bewijsmiddelen
Artikel 70
Als bewijsmiddelen worden alleen erkend:
a. eigen waarneming door de commandant van een in de
beschuldiging omschreven gedraging;
b. eigen waarneming door de commandant tijdens het onderzoek;
c. verklaringen van de beschuldigde;
d. verklaringen van een getuige;
e. verklaringen van een deskundige;
f. geschriften.
Artikel 71
Op zichzelf leveren voldoende grondslag voor de overtuiging dat de in
de beschuldiging omschreven gedraging heeft plaatsgevonden:
a. de eigen waarneming genoemd in het voorgaande artikel onder a;
b. de in een getuigenverklaring of in een geschrift opgenomen
waarneming van een in de beschuldiging omschreven gedraging, door
een militair of andere ambtenaar, die uit hoofde van zijn functie of
rang met enig toezicht op de naleving van gedragsregels is belast.
Artikel 72
Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid behoeven geen
bewijs.
§ 6. Beraad en uitspraak
Artikel 73
Na sluiting van het onderzoek beraadt de commandant zich of hij door
de inhoud van de in artikel 70 genoemde bewijsmiddelen de overtuiging
heeft gekregen dat een in de beschuldiging omschreven gedraging van de
beschuldigde heeft plaatsgevonden en, in bevestigend geval, of zulks de
schending van een gedragsregel oplevert.
Artikel 74
1.Is de commandant van oordeel dat een gedragsregel is geschonden,
dan beraadt hij zich over de oplegging van straf.
2.Acht de commandant de beschuldigde strafbaar, dan legt hij een
straf voorzien in deze wet op.
3.Indien de commandant dit in verband met de geringe betekenis van
de gedraging of gelet op de persoon van de beschuldigde of zijn
persoonlijke omstandigheden raadzaam acht, legt hij geen straf op.
4.In andere gevallen dan bedoeld in het tweede en derde lid spreekt
de commandant de beschuldigde vrij.
Artikel 75
Bij bestraffing van een militair die een of meer in deze wet genoemde
gedragsregels heeft geschonden, wordt slechts een straf opgelegd.
Artikel 76
1.Na het sluiten van het onderzoek beslist de commandant uiterlijk
op de eerstvolgende werkdag. Deze beslissing wordt vastgelegd in een
schriftelijk stuk, de uitspraak.
2.De uitspraak wordt door of namens de commandant onverwijld aan de
beschuldigde uitgereikt.
3.De datum van uitreiking wordt op de uitspraak en op het afschrift
bedoeld in het tweede lid aangetekend.
Artikel 77
De uitspraak vermeldt in ieder geval:
a. de naam, rang en militaire eenheid van de beschuldigde;
b. de bewezen gedraging of gedragingen;
c. de geschonden gedragsregel of gedragsregels;
d. de beslissing.
§ 7. Bijzondere bepalingen
Artikel 78
1.Is de commandant van oordeel dat een hem ter kennis gekomen
gedraging een strafbaar feit betreft, dan is hij verplicht daarvan
onverwijld aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar, behoudens in
het geval dat voldaan wordt aan de voorwaarden gesteld op grond van
het bepaalde in artikel 59 van het Wetboek van Militair Strafrecht.
2.Indien de commandant na de uitreiking van de beschuldiging tot
het oordeel komt dat de gedraging een strafbaar feit betreft, trekt
hij de beschuldiging in, indien hij nog niet tot een uitspraak is
gekomen.
Artikel 79
1.Indien een gedraging naar het oordeel van de commandant een van
de strafbare feiten oplevert omschreven in de artikelen 267, aanhef en
onder 1° en 2°, 300, eerste lid, 310, 311, aanhef en onder 4° en
5°, 321 of 350 van het Wetboek van Strafrecht of omschreven in de
artikelen 96, aanhef en onder 2° en 3°, 98, aanhef en onder 2°, 166
of 169 van het Wetboek van Militair Strafrecht met dien verstande dat
de duur van de in de artikelen 96 en 98 van het Wetboek van Militair
Strafrecht genoemde ongeoorloofde afwezigheid ten hoogste acht dagen
is en het openbaar ministerie bij het in artikel 81, eerste lid,
bedoelde gerecht de commandant mededeelt dat het voorshands instemt
met tuchtrechtelijke afdoening, kan de commandant een beschuldiging
uitreiken, voor zover de gedraging tevens de schending van een
gedragsregel van deze wet inhoudt. Van de mededeling van het openbaar
ministerie wordt aantekening gedaan in het stuk, bedoeld in artikel
76, eerste lid.
2.De commandant zendt na het einde van het tuchtproces in eerste
aanleg bericht omtrent de afloop daarvan aan het openbaar ministerie
bij het in artikel 81, eerste lid, bedoelde gerecht.
3.De toepassing van het bepaalde in het eerste lid doet niet af aan
het formele recht tot strafvordering van het openbaar ministerie.
Indien het strafbare feit wordt afgedaan met toepassing van artikel 74
van het Wetboek van Strafrecht of indien een vervolging terzake leidt
tot een schuldigverklaring door de rechter, wordt bij het stellen van
voorwaarden onderscheidenlijk bij de oplegging van een straf rekening
gehouden met de wegens de schending van een gedragsregel van deze wet
opgelegde straf.
Artikel 80
1.Indien de commandant gedurende het tuchtproces meent dat een in
de beschuldiging omschreven gedraging niet de schending van een
dienstvoorschrift oplevert, omdat dit dienstvoorschrift naar zijn
oordeel in strijd is met een hogere regeling, schorst hij het
tuchtproces, voorzover het deze gedraging betreft. De termijn bedoeld
in artikel 54, eerste lid, onder b, wordt in dat geval met de duur van
de schorsing verlengd.
2.Hij roept over de vermeende strijdigheid schriftelijk de
beslissing in van het in artikel 81, eerste lid, bedoelde gerecht
onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
3.Indien het gerecht beslist dat het dienstvoorschrift niet in
strijd is met een hogere regeling, deelt het deze beslissing mee aan
de commandant. Deze hervat het tuchtproces met inachtneming van die
beslissing.
4.Indien het tuchtproces terzake van andere gedragingen inmiddels
is voortgezet en geëindigd met een uitspraak, hervat de commandant,
nadat hij de beslissing van het gerecht heeft ontvangen, het op grond
van het eerste lid geschorste tuchtproces. De commandant neemt daarbij
de door hem gegeven uitspraak in acht. Artikel 75 is niet van
toepassing met dien verstande dat een op te leggen straf gelijksoortig
moet zijn aan de al opgelegde straf en het totaal het maximum niet te
boven mag gaan.
5.Indien de commandant reeds een beslissing heeft genomen als
bedoeld in artikel 74, derde lid, of de straf van berisping heeft
opgelegd, kan alsnog een straf of een andere straf worden opgelegd.
6.Indien het gerecht beslist dat het dienstvoorschrift waaromtrent
zijn beslissing is gevraagd in strijd is met een hogere regeling,
spreekt het de beschuldigde vrij met betrekking tot de in het eerste
lid bedoelde gedraging.
7.Tegen de beslissing van het gerecht staat geen verdere
voorziening open.
Titel IA. De beklagprocedure
§ 1. Het doen van beklag
Artikel 80a
1.De gestrafte kan binnen vijf dagen na de uitreiking van het
afschrift van de uitspraak beklag doen bij de beklagmeerdere.
2.Onder de gestrafte wordt mede verstaan degene ten wiens aanzien
een beslissing is genomen als bedoeld in artikel 74, derde lid.
3.De gestrafte kan in beklag ook de beslissing van de commandant
met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van een straf van
strafdienst of van uitgaansverbod aan het oordeel van de
beklagmeerdere onderwerpen.
Artikel 80b
1.Het beklag wordt gedaan bij beklagschrift, dat bij de commandant
wordt ingediend.
2.De beklagprocedure vangt aan met de indiening van het
beklagschrift bij de commandant.
3.Als dag van indiening geldt de dag van ontvangst van het
beklagschrift door of namens de commandant. De dag van ontvangst wordt
terstond op het beklagschrift aangetekend.
Artikel 80c
1.De commandant zendt het beklagschrift onverwijld door naar de
beklagmeerdere.
2.Hij voegt daarbij alle op de zaak betrekking hebbende stukken met
opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan hij tot de overtuiging
is gekomen dat een in de beschuldiging omschreven gedraging heeft
plaatsgevonden.
Artikel 80d
1.Indien het beklagschrift na de beklagtermijn bedoeld in artikel
80a, eerste lid, is ingediend, verklaart de beklagmeerdere het beklag
niet ontvankelijk. Deze verklaring wordt vastgelegd in een
schriftelijk stuk dat aan de gestrafte wordt uitgereikt. De datum van
de uitreiking wordt op het schriftelijk stuk aangetekend.
2.Ten aanzien van een na afloop van de beklagtermijn ingediend
beklagschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de gestrafte in verzuim
is geweest. Een beslissing ter zake is gemotiveerd.
Artikel 80e
1.De gestrafte kan zich in ieder stadium van de beklagprocedure
doen bijstaan door een vertrouwensman.
2.De artikelen 57, 58, 59, met uitzondering van de laatste volzin
van het tweede lid, en 60 zijn van overeenkomstige toepassing met dien
verstande dat voor commandant wordt gelezen beklagmeerdere.
Artikel 80f
1.De beklagmeerdere kan de gestrafte doen horen ter voorbereiding
van het onderzoek op beklag.
2.De gestrafte is verplicht te verschijnen. Artikel 80i, tweede
lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing. De gestrafte is
niet verplicht te antwoorden. Dit wordt hem voor of bij aanvang van
het ter voorbereiding horen ter kennis gebracht.
3.De beklagmeerdere kan de commandant, getuigen en deskundigen
horen of doen horen in ieder stadium van de beklagprocedure.
4.De verklaringen van de gehoorde personen worden schriftelijk
vastgelegd.
§ 2. Het onderzoek op beklag en de afdoening
Artikel 80g
1.De beklagmeerdere bepaalt op welke dag het onderzoek op beklag
zal aanvangen. Deze dag kan niet later worden bepaald dan uiterlijk de
dertigste dag na de dag van indiening van het beklagschrift.
2.De dagen waarop de gestrafte en de beklagmeerdere zich om redenen
van dienst niet in hetzelfde land bevinden, tellen niet mee voor de
bepaling van de termijn genoemd in het eerste lid.
Artikel 80h
1.De gestrafte wordt door of namens de beklagmeerdere schriftelijk
opgeroepen voor het onderzoek op beklag. Dit onderzoek vangt niet
eerder aan dan op de tweede dag na de dag waarop de oproeping aan de
gestrafte is uitgereikt, tenzij de gestrafte om eerdere behandeling
verzoekt. Artikel 62 is van overeenkomstige toepassing met dien
verstande dat voor beschuldiging wordt gelezen oproeping.
2.De beklagmeerdere roept de commandant, de getuigen en deskundigen
op wier verschijning hij nodig oordeelt.
3.De gestrafte en zijn vertrouwensman kunnen verzoeken dat ook
andere getuigen en deskundigen worden gehoord. De beklagmeerdere
voldoet aan dit verzoek, tenzij het onderzoek daardoor wordt geschaad
of het verzoek kennelijk onredelijk is.
4.Artikel 65, derde, vierde en vijfde lid, is van toepassing.
Artikel 80i
1.De beklagmeerdere is verplicht de gestrafte in persoon te horen
tijdens het onderzoek op beklag, tenzij deze is gehoord als bedoeld in
artikel 80f, eerste lid, en te kennen heeft gegeven op horen in
persoon geen prijs te stellen en de beklagmeerdere het horen in
persoon niet nodig oordeelt.
2.Indien de gestrafte niet verschijnt wegens een gewichtige reden
van verhindering schort de beklagmeerdere het onderzoek op beklag op
of schorst hij dit. De termijn bedoeld in artikel 80r, tweede lid,
onder b, wordt in dat geval voor de duur van de opschorting of
schorsing verlengd.
3.Indien de gestrafte niet verschijnt zonder een gewichtige reden
van verhindering, doet de beklagmeerdere het beklag verder af.
Artikel 80j
1.De beklagmeerdere houdt het onderzoek op beklag op de grondslag
van de beschuldiging.
2.Het onderzoek op beklag is niet openbaar.
Artikel 80k
De gestrafte is niet verplicht te antwoorden. Dit wordt hem voor of
bij aanvang van het onderzoek op beklag ter kennis gebracht.
Artikel 80l
1.De beklagmeerdere hoort de commandant, de getuigen en de
deskundigen indien zij zijn opgeroepen.
2.Hij stelt de gestrafte en de vertrouwensman in de gelegenheid de
commandant, de getuigen en de deskundigen, door zijn tussenkomst,
vragen te stellen.
3.Hij stelt de vertrouwensman in de gelegenheid het woord te
voeren.
Artikel 80m
De gestrafte wordt voor de sluiting van het onderzoek op beklag in de
gelegenheid gesteld het laatste woord te voeren.
Artikel 80n
Ten aanzien van de bewijsmiddelen zijn de bepalingen van paragraaf 5
van Titel I van dit hoofdstuk van toepassing. Als bewijsmiddel wordt
tevens erkend de eigen waarneming door de beklagmeerdere tijdens het
onderzoek op beklag.
Artikel 80o
1.Na sluiting van het onderzoek beraadt de beklagmeerdere zich of
hij door de inhoud van de in artikel 80n bedoelde bewijsmiddelen de
overtuiging heeft gekregen dat een in de beschuldiging omschreven
gedraging van de gestrafte heeft plaatsgevonden en of zulks een
schending van een gedragsregel oplevert.
2.Met betrekking tot een beklag als bedoeld in artikel 80a, derde
lid, wordt door de beklagmeerdere aan de hand van de door de
commandant opgegeven motivering beoordeeld of de wijze van de
tenuitvoerlegging als passend kan worden beschouwd.
Artikel 80p
1.Na het sluiten van het onderzoek op beklag beslist de
beklagmeerdere uiterlijk op de eerstvolgende werkdag.
2.De beslissing van de beklagmeerdere luidt:
a. bevestiging van de bestreden beslissing, zo nodig met
verbetering of aanvulling;
b. bevestiging van de bestreden schuldigverklaring, zonodig met
verbetering of aanvulling, met vermindering van de strafmaat
binnen de opgelegde strafsoort;
c. bevestiging van de bestreden schuldigverklaring, zonodig met
verbetering of aanvulling, met wijziging van de opgelegde straf in
de straf van berisping;
d. bevestiging van de bestreden schuldigverklaring, zonodig met
verbetering of aanvulling, met tenietdoening van de straf;
e. vrijspraak;
f. bevestiging van de bestreden schuldigverklaring, zonodig met
verbetering of aanvulling, met verklaring dat ten onrechte geen
straf is opgelegd of dat de opgelegde straf ontoereikend is en
verwijzing naar het in artikel 81, eerste lid, bedoelde gerecht.
3.Indien een beklag is gedaan als bedoeld in artikel 80a, derde
lid, verklaart de beklagmeerdere dit beklag bij gemotiveerde
schriftelijke beslissing geheel of gedeeltelijk gegrond of ongegrond.
Indien een beklag geheel of gedeeltelijk gegrond is verklaard, bepaalt
de beklagmeerdere, volgens bij of krachtens algemene maatregel van
Rijksbestuur te stellen regelen, op welke wijze het door de gestrafte
geleden nadeel zal worden hersteld.
4.De beslissing in eerste aanleg wordt vernietigd:
a. indien enige in Titel I van dit hoofdstuk voorgeschreven
termijn is geschonden;
b. indien enige andere vorm dan onder a bedoeld, is verzuimd en
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de gestrafte daardoor in
zijn verdediging is geschaad.
Artikel 80q
1.De beslissing wordt vastgelegd in een schriftelijk stuk, de
uitspraak op beklag. Artikel 77 is van toepassing.
2.De uitspraak op beklag wordt door de beklagmeerdere onverwijld
aan de commandant toegezonden. Door of namens de commandant wordt
onverwijld een afschrift van de uitspraak op beklag uitgereikt aan de
gestrafte. De datum van uitreiking wordt aangetekend op de uitspraak
en op het uitgereikte afschrift.
3.Indien de uitspraak op beklag een verwijzing inhoudt wordt
daarvan bij de uitreiking aan de gestrafte mededeling gedaan.
Artikel 80r
1.De beklagprocedure eindigt met een beslissing als bedoeld in de
artikelen 80d, eerste lid, of 80p, tweede of derde lid.
2.De beklagprocedure eindigt van rechtswege en de beslissing
waartegen beklag is gedaan, is van rechtswege vernietigd:
a. indien er binnen de ingevolge artikel 80g voorgeschreven
termijn geen onderzoek op beklag is aangevangen;
b. indien er 30 dagen zijn verlopen nadat het onderzoek op
beklag is aangevangen en er geen beslissing als bedoeld in artikel
80p, tweede of derde lid, is genomen.
Het feit dat de beklagprocedure van rechtswege is geëindigd, wordt
vastgelegd in een schriftelijk stuk dat aan de gestrafte wordt
uitgereikt.
3.Artikel 50, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing met
dien verstande dat de beklagmeerdere is belast met de uitvoering.
Artikel 80s
1.Nadat aan de gestrafte een afschrift van de uitspraak op beklag
als bedoeld in artikel 80p, tweede lid, onder f, is uitgereikt, zendt
de commandant de uitspraak op beklag onverwijld naar het gerecht.
2.Bij de behandeling en afdoening van het beklag na verwijzing zijn
de bepalingen van paragraaf 2 van Titel II van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 80t
Indien de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf is opgeschort of
geschorst, wordt, als de beslissing van de beklagmeerdere daartoe
aanleiding geeft, de straf of het resterende deel van de straf zo
spoedig mogelijk ten uitvoer gelegd.
Titel II. Het beroep
§ 1. Instelling van het beroep
Artikel 81
1.De gestrafte kan beroep instellen bij het gerecht, dat ingevolge
de bepalingen van de Wet militaire strafrechtspraak bevoegd zou zijn
geweest, indien de desbetreffende gedraging een misdrijf zou hebben
opgeleverd. Dit beroep wordt ingesteld binnen vijf dagen na de
uitreiking:
a. van een schriftelijk stuk als bedoeld in artikel 80d, eerste
lid;
b. van een afschrift van een uitspraak op beklag.
2.Artikel 80a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.De beklagmeerdere kan binnen vijf dagen na verloop van de termijn
bedoeld in artikel 80a, eerste lid, en er geen beklag is gedaan, bij
het in het eerste lid bedoelde gerecht beroep instellen op de grond
dat naar zijn oordeel ten onrechte geen straf is opgelegd of de
opgelegde straf ontoereikend is.
4.Indien de beklagmeerdere een oordeel heeft gegeven over de wijze
van tenuitvoerlegging als bedoeld in het derde lid van artikel 80a,
kan in beroep eveneens de wijze van tenuitvoerlegging van de straf van
strafdienst of van uitgaansverbod aan het oordeel van het gerecht
worden onderworpen.
Artikel 82
1.Het beroep wordt ingesteld bij beroepschrift, dat bij de
commandant moet worden ingediend.
2.De commandant zendt het beroepschrift onverwijld naar het
gerecht. De commandant en de beklagmeerdere voegen daarbij alle op de
zaak betrekking hebbende stukken met opgave van de bewijsmiddelen op
grond waarvan zij tot de overtuiging zijn gekomen dat een in de
beschuldiging omschreven gedraging heeft plaatsgevonden.
3.Indien het beroep is ingesteld door de beklagmeerdere, doet de
commandant daarvan mededeling aan degene op wie de uitspraak
betrekking heeft.
Artikel 83
Als dag van indiening geldt de dag van ontvangst van het
beroepschrift door of namens de commandant. De dag van ontvangst wordt
terstond op het beroepschrift aangetekend.
Artikel 84
Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend
beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is
geweest. Een beslissing ter zake is gemotiveerd.
Artikel 85
Zodra het beroepschrift is ingediend, kan de voorzitter van de
militaire kamer, bedoeld in artikel 87, de tenuitvoerlegging van een
straf van strafdienst of van uitgaansverbod opschorten of schorsen.
Hiervan wordt aantekening gesteld op het beroepschrift.
Artikel 86
De griffier van het gerecht stelt zo spoedig mogelijk afschriften van
het beroepschrift en van de op de zaak betrekking hebbende stukken ter
beschikking van het openbaar ministerie.
§ 2. De behandeling en afdoening van het beroep
Artikel 87
1.Het beroep wordt zo spoedig mogelijk behandeld door een
meervoudige militaire kamer bij het in artikel 81 bedoelde gerecht.
2.De voorzitter van de militaire kamer bepaalt op welke dag het
beroep wordt behandeld.
3.Artikel 17, elfde lid, van de Wet militaire strafrechtspraak is
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de uitvoering
van de overdracht geschiedt door de griffier.
Artikel 88
1.De oproeping van de gestrafte geschiedt door de griffier.
2.De termijn van oproeping is tenminste zes dagen. Op verzoek van
de gestrafte kan deze termijn worden verkort.
3.Indien de gestrafte niet verschijnt en het gerecht zijn
aanwezigheid in persoon noodzakelijk acht, stelt het de behandeling
voor bepaalde tijd uit en gelast de oproeping van de gestrafte.
4.Indien de gestrafte wederom niet verschijnt, kan het gerecht het
beroep vervallen verklaren.
Artikel 89
1.Indien beroep is ingesteld door de beklagmeerdere worden deze en
degene op wie de uitspraak betrekking heeft, door de griffier
opgeroepen. De termijn van oproeping is tenminste zes dagen.
2.Indien de beklagmeerdere niet verschijnt en het gerecht zijn
aanwezigheid in persoon noodzakelijk acht, stelt het de behandeling
voor bepaalde tijd uit en gelast zijn oproeping.
3.Indien de beklagmeerdere wederom niet verschijnt, kan het gerecht
het beroep vervallen verklaren.
Artikel 90
1.De voorzitter bepaalt welke getuigen en deskundigen zullen worden
opgeroepen. Artikel 65, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing
met dien verstande dat het verzoek tenminste drie dagen voor de
behandeling dient te zijn binnengekomen.
2.De oproepingen geschieden door de griffier.
3.Getuigen en deskundigen zijn verplicht te verschijnen.
4.Voor getuigen is artikel 284, tweede lid, en voor deskundigen is
artikel 296, eerste lid, onder 1°, van het Wetboek van Strafvordering
van overeenkomstige toepassing.
5.Artikel 65, vierde en vijfde lid, is van toepassing.
Artikel 91
Het openbaar ministerie kan desgewenst bij de behandeling van het
beroep zijn oordeel over de zaak kenbaar maken aan de militaire kamer.
Artikel 92
1.De gestrafte kan zich bij de behandeling van zijn beroep doen
bijstaan door een vertrouwensman.
2.De artikelen 57, 58, 59, eerste lid, en 60 zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.Als vertrouwensman kan ook een advocaat optreden.
4.De voorzitter kan de gestrafte een advocaat als vertrouwensman
toevoegen. Een daartoe strekkend verzoek dient tenminste drie dagen
voor de behandeling van het beroep bij het gerecht te zijn
binnengekomen.
5.Het bepaalde in de vorige leden wordt de gestrafte bij de
oproeping medegedeeld.
6.De overeenkomstig het vierde lid toegevoegde advocaat ontvangt
een beloning en vergoeding van door hem gemaakte onkosten volgens
regelen te stellen bij algemene maatregel van Rijksbestuur.
7.De voorgaande bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op
degene op wie de uitspraak betrekking heeft, indien het beroep is
ingesteld door de beklagmeerdere.
Artikel 93
1.De behandeling van het beroep geschiedt ter openbare
terechtzitting. De voorzitter heeft de leiding van de behandeling. Hij
kan op verzoek van de gestrafte, de commandant of de beklagmeerdere,
of om redenen aan de openbare orde ontleend gelasten dat de
behandeling achter gesloten deuren plaatsvindt.
2.De artikelen 62, 67-69, 74 en 75 zijn van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat voor commandant gelezen wordt
militaire kamer.
3.Ten aanzien van de bewijsmiddelen is artikel 80n van toepassing.
Als bewijsmiddel wordt tevens erkend de eigen waarneming door de
militaire kamer tijdens het onderzoek.
4.Na sluiting van het onderzoek beraadt de militaire kamer zich of
zij door de inhoud van de in het derde lid genoemde bewijsmiddelen de
overtuiging heeft gekregen dat een in de beschuldiging omschreven
gedraging van de gestrafte heeft plaatsgevonden en, in bevestigend
geval, of zulks de schending van een gedragsregel oplevert.
Artikel 94
1.De militaire kamer kan een verhoor schriftelijk doen geschieden
dan wel de ondervraging opdragen aan een van haar leden of aan een
opsporingsambtenaar.
2.Het lid van de militaire kamer beëdigt, indien er naar zijn
oordeel een gegrond vermoeden bestaat dat de getuige niet op de
terechtzitting zal kunnen verschijnen, de getuige dat hij de gehele
waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen.
3.De deskundige wordt door het lid van de militaire kamer beëdigd
dat hij zijn taak naar zijn geweten zal vervullen.
4. Van de reden van de beëdiging als bedoeld in het tweede lid
wordt in het proces-verbaal melding gemaakt.
Artikel 95
1.Het gerecht beslist uiterlijk 14 dagen na afloop van de
behandeling van het beroep in een schriftelijke, met redenen omklede
uitspraak.
2.De voorlezing van de uitspraak in beroep geschiedt in het
openbaar en de uitspraak wordt de gestrafte in persoon betekend.
3.Een afschrift van de uitspraak wordt toegezonden aan de
commandant, de beklagmeerdere, en aan Onze Minister van Defensie.
Artikel 96
1.Het gerecht verklaart zich onbevoegd van het beroep kennis te
nemen, verklaart het beroep niet ontvankelijk, of bevestigt de
beslissing waartegen beroep is ingesteld, zonodig met verbetering of
aanvulling daarvan, of doet de zaak af met gehele of gedeeltelijke
vernietiging van die beslissing.
2.Indien een beroep is ingesteld als bedoeld in artikel 81, vierde
lid, verklaart het gerecht bij gemotiveerde beslissing dit beroep
geheel of gedeeltelijk gegrond of ongegrond.
Artikel 97
De beslissing waartegen beroep is ingesteld wordt vernietigd:
a. Indien enige in de Titels I of IA van dit hoofdstuk
voorgeschreven termijn is geschonden;
b. indien enige andere vorm dan onder a bedoeld, is verzuimd en
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de gestrafte daardoor in
zijn verdediging is geschaad.
Artikel 98
Indien bij de beslissing in beroep een reeds geheel of gedeeltelijk
tenuitvoergelegde straf van strafdienst of van uitgaansverbod wordt
tenietgedaan of verminderd, of een beroep als bedoeld in artikel 81,
vierde lid, geheel of gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, bepaalt het
gerecht, volgens bij of krachtens algemene maatregel van Rijksbestuur te
stellen regelen, op welke wijze het door de gestrafte geleden nadeel zal
worden hersteld.
Artikel 99
Indien de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf is opgeschort of
geschorst, wordt, als de beslissing van het gerecht daartoe aanleiding
geeft, de straf of het resterende deel van de straf zo spoedig mogelijk
ten uitvoer gelegd.
Artikel 100
Tegen de beslissing in beroep staat geen verdere voorziening open,
onverminderd de bevoegdheid van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad
om zich in het belang der wet in cassatie te voorzien.
Artikel 101
Indien het beroep is ingesteld bij een mobiele rechtbank, is het
bepaalde in deze paragraaf omtrent de militaire kamer van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk VI. Dwangmiddelen
Artikel 102
1.In geval van ontdekking op heterdaad is, indien bijzondere
omstandigheden dat onverwijld vorderen, iedere meerdere bevoegd degene
die wordt verdacht van de schending van een gedragsregel aan te houden
en hem naar een plaats van verhoor te geleiden. Artikel 128 van het
Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
2.De meerdere is bevoegd van iedere mindere te vorderen hem bij de
geleiding bijstand te verlenen.
3.Indien de meerdere de plaats van aanhouding niet terstond kan
verlaten, is hij bevoegd van iedere mindere te vorderen voor de
geleiding zorg te dragen.
Artikel 103
1.De commandant is bevoegd een geschrift als bedoeld in artikel 30
of 31, dan wel een ander voorwerp waarvan hij redelijkerwijs mag
aannemen dat het tot bewijs kan dienen van de schending van een
gedragsregel, in te nemen of te doen innemen.
2.Indien de commandant niet aanwezig is en zijn optreden niet kan
worden afgewacht, dan wel indien degene die wordt verdacht van de
schending van een gedragsregel onbekend is, komt de in het vorige lid
genoemde bevoegdheid mede toe aan door Onze Minister van Defensie
aangewezen functionarissen.
3.Het in het eerste lid bedoelde geschrift of voorwerp wordt zo
spoedig mogelijk ter beschikking gesteld van de rechthebbende, doch in
elk geval:
a. zodra de commandant beslist geen beschuldiging uit te
reiken;
b. zodra blijkt dat geen beschuldiging kan worden uitgereikt op
grond van het bepaalde in artikel 53, eerste, tweede of vijfde
lid;
c. tien dagen na de uitreiking van de uitspraak in eerste
aanleg, indien geen beklag is gedaan of beroep is ingesteld;
d. vijf dagen na de uitreiking van een uitspraak op beklag die
geen verwijzing inhoudt als bedoeld in artikel 80p, tweede lid,
onder f, indien geen beroep is ingesteld;
e. zodra het tuchtproces op een andere wijze eindigt;
f. bij de uitspraak in beroep.
4.Indien toepassing is gegeven aan artikel 78 wordt, in afwijking
van het gestelde in het derde lid, het geschrift of voorwerp ter
beschikking gesteld van de opsporingsambtenaar. Deze
terbeschikkingstelling geldt als een inbeslagneming door een
opsporingsambtenaar als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering.
5.Het in het eerste lid bedoelde geschrift of voorwerp wordt op de
wijze te bepalen bij algemene maatregel van Rijksbestuur gedurende zes
maanden ter beschikking gehouden van de rechthebbende. Is teruggave
alsdan niet mogelijk gebleken dan wordt het geschrift of voorwerp
vernietigd.
Artikel 104
1.Over de inneming van een geschrift of voorwerp als bedoeld in
artikel 103 kan de rechthebbende zich binnen 5 dagen schriftelijk
beklagen bij de voorzitter van de militaire kamer als bedoeld in
artikel 87.
2.Met betrekking tot de wijze van indiening van het klaagschrift
zijn de artikelen 82, 83 en 84 van overeenkomstige toepassing.
3.De voorzitter van de militaire kamer geeft zo spoedig mogelijk
een met redenen omklede beschikking, nadat de klager in de gelegenheid
is gesteld te worden gehoord.
4.Acht de voorzitter van de militaire kamer het beklag gegrond, dan
gelast hij dat het geschrift of voorwerp zo spoedig mogelijk ter
beschikking wordt gesteld van de rechthebbende, indien dat nog niet is
geschied op grond van het bepaalde in artikel 103, derde lid.
5.Een afschrift van de beschikking wordt uitgereikt aan de klager
en aan degene die het geschrift of voorwerp heeft ingenomen of doen
innemen.
6.Tegen de beschikking staat geen verdere voorziening open.
Hoofdstuk VII. Krijgsgevangenen en geďnterneerde personen
Artikel 105
Onverminderd de bepalingen van het Verdrag van Genčve betreffende de
behandeling van krijgsgevangenen, van 12 augustus 1949, is deze wet, met
uitzondering van hoofdstuk III, van overeenkomstige toepassing op
krijgsgevangenen en andere geďnterneerde personen die ingevolge artikel
65 van het Wetboek van Militair Strafrecht gedeeltelijk met Nederlandse
militairen zijn gelijkgesteld, met dien verstande dat:
a. de straffen, omschreven in artikel 89, eerste lid, van
vorengenoemd verdrag, worden geacht te zijn voorzien in deze wet;
b. met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de straf,
omschreven in artikel 89, eerste lid, onder 1 van vorengenoemd
verdrag, de artikelen 44-46 van deze wet van overeenkomstige
toepassing zijn;
c. de tenuitvoerlegging van de straf, omschreven in artikel 89,
eerste lid, onder 4 van vorengenoemd verdrag, geschiedt volgens
regelen te stellen bij algemene maatregel van Rijksbestuur;
d. de vergrijpen, bedoeld in artikel 93, tweede en derde lid, van
vorengenoemd verdrag, worden geacht in te houden schendingen van
gedragsregels van deze wet, terwijl ten aanzien van die feiten het
gestelde in artikel 78 van deze wet buiten toepassing blijft.
Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Artikel 106
De Wet op de Krijgstucht wordt ingetrokken, behoudens het bepaalde in
de volgende artikelen.
Artikel 107
1.De op het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet bij de
ingevolge de artikelen 39-43 van de Wet op de Krijgstucht tot straffen
bevoegde autoriteiten, of bij de ingevolge artikel 61 van die wet tot
behandeling van een beklag bevoegde meerdere, aanhangige zaken
betreffende krijgstuchtelijke vergrijpen als bedoeld in artikel 2 van
die wet, worden behandeld en afgedaan op de wijze, als bepaald in die
wet, door die autoriteit onderscheidenlijk meerdere. Andere straffen
dan die voorzien bij deze wet kunnen niet worden opgelegd.
2.Indien op het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet de
termijn van beklag als bedoeld in artikel 62 van de Wet op de
Krijgstucht, dan wel van de mogelijkheid om ingevolge artikel 67 van
die wet de eindbeslissing van het Hoog Militair Gerechtshof in te
roepen, nog niet is verstreken, dient dit beklag onderscheidenlijk
deze inroeping te worden gedaan in de vorm van een beroep, in te
stellen naar de regels, gesteld in hoofdstuk V, titel II, van deze
Rijkswet, en met toepassing van die regels te worden behandeld en
afgedaan.
3.Zaken betreffende de inroeping van een eindbeslissing ingevolge
artikel 67 van de Wet op de Krijgstucht, die op het tijdstip van
inwerkingtreden van deze Rijkswet bij het Hoog Militair Gerechtshof
aanhangig zijn, worden in de stand waarin zij zich bevinden
overgedragen aan het gerecht dat uit hoofde van artikel 81 van deze
Rijkswet bevoegd is het beroep inzake tuchtrechtelijke uitspraken te
behandelen, en door dat gerecht behandeld en afgedaan.
Artikel 108
1.Tegen beslissingen van het Hoog Militair Gerechtshof, genomen
ingevolge artikel 67 van de Wet op de Krijgstucht, die op het tijdstip
van inwerkingtreden van deze Rijkswet nog niet onherroepelijk zijn
geworden en waartegen nog geen beroep in cassatie is ingesteld, kan
binnen 14 dagen na de uitspraak zulk beroep worden ingesteld op de
wijze als voorgeschreven voor het instellen van cassatie tegen
arresten van het Gerechtshof te Arnhem.
2.Indien de Hoge Raad een beslissing van het Hoog Militair
Gerechtshof, genomen ingevolge artikel 67 van de Wet op de
Krijgstucht, na het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet in
cassatie vernietigt, wordt de zaak, indien zij niet door de Hoge Raad
zelf wordt afgedaan, verwezen naar het gerecht dat uit hoofde van
artikel 81 van deze Rijkswet bevoegd is.
3.In de zaken, waarin toepassing is gegeven aan artikel 107, derde
lid, van deze Rijkswet, voorzover deze een strafbaar feit betreffen,
blijven de bepalingen van de Rijkswet van 22 februari 1979 (Stb. 69)
tot invoering van de rechtsmiddelen van cassatie, cassatie in het
belang der wet en herziening in het militair strafprocesrecht op de
beslissing van het gerecht van kracht. Het voorgaande lid is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 109
De krijgstuchtelijke straffen, op grond van de Wet op de Krijgstucht
opgelegd voor het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet, of met
toepassing van artikel 107, eerste lid, van deze Rijkswet opgelegd,
worden ten uitvoer gelegd op de wijze als bij of krachtens die wet
bepaald.
Artikel 110
De Algemene termijnenwet (Wet van 25 juli 1964, Stb. 1964,
314) is van toepassing.
Artikel 111
Deze Rijkswet kan worden aangehaald als: Wet militair tuchtrecht.
Artikel 112
Deze Rijkswet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Publicatieblad
van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 14 juni 1990
BEATRIX
De Minister van Defensie,
A.L. ter Beek
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de negentiende juli 1990
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|