Nadere regelgeving:
- Rijksbesluit
uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht
RIJKSWET van 14 juni 1990, houdende
nieuwe regels inzake de militaire strafrechtspraak
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
voorschriften te geven inzake de organisatie van de militaire
strafrechtspraak, alsmede enige bepalingen inzake de daarbij
plaatsvindende wijze van strafvordering;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en
met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut
voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. De zowel in deze wet als in het Wetboek van Militair Strafrecht
voorkomende uitdrukkingen hebben in beide dezelfde betekenis met dien
verstande dat in deze wet onder militairen niet worden begrepen
militairen die Gouverneur, minister, staatssecretaris, lid van de
Staten van Aruba, Curaçao of Sint Maarten of lid van de
Staten-Generaal zijn. Artikel 61 van het Wetboek van Militair
Strafrecht is van toepassing.
2. In deze wet wordt verstaan onder:
a. Wetboek van Strafvordering: het Wetboek van Strafvordering
van het Europese deel van het Koninkrijk;
b. Wetboek van Strafrecht: het Wetboek van Strafrecht van het
Europese deel van het Koninkrijk;
c. Gemeenschappelijk Hof van Justitie: het Gemeenschappelijk
Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van
Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
d. Gerechten in eerste aanleg: het Gerecht in eerste aanleg van
Aruba, het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, het Gerecht in
eerste aanleg van Sint Maarten en het Gerecht in eerste aanleg van
Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
3. Het Wetboek van Strafvordering is van toepassing, tenzij daarvan
in deze wet wordt afgeweken.
Hoofdstuk II. Organisatie van de militaire strafrechtspraak
Titel I. Militaire strafrechtspraak in eerste aanleg
Artikel 2
1.Onverminderd het bepaalde in de artikelen 10 en 17 en behoudens
de uitzonderingen bij de wet gemaakt berust de bevoegdheid tot
kennisneming in eerste aanleg van strafbare feiten begaan door
militairen en door hen die ten aanzien van zodanige feiten bij of
krachtens de wet met Nederlandse militairen zijn gelijkgesteld:
1°. bij de kantonrechter, voor wat betreft alle overtredingen
waarvan de kennisneming niet aan een andere rechter is opgedragen;
2°. bij de arrondissementsrechtbank, voor wat betreft alle
misdrijven en de overtredingen, genoemd in artikel 56, eerste lid,
van de Wet op de rechterlijke organisatie.
2.Onverminderd het bepaalde in de aanhef van het eerste lid neemt
de arrondissementsrechtbank in tijd van oorlog in eerste aanleg kennis
van:
1°. strafbare feiten begaan door militairen, door hen die ten
aanzien van zodanige feiten bij of krachtens de wet met
Nederlandse militairen zijn gelijkgesteld en door hen die binnen
de Nederlandse krijgsmacht een door Ons aan te wijzen vitale
functie vervullen;
2°. strafbare feiten begaan door hen die buiten het
grondgebied van het Koninkrijk deel uitmaken van de Nederlandse
krijgsmacht;
3°. strafbare feiten begaan door personen als bedoeld onder 4
van onderdeel A van artikel 4 van het Verdrag van Genève,
betreffende de behandeling van krijgsgevangenen van 12 augustus
1949 (Trb. 1951, nr. 74) voor zover die personen de Nederlandse
krijgsmacht volgen buiten het grondgebied van het Koninkrijk;
4°. strafbare feiten door wie ook begaan in door de
Nederlandse krijgsmacht bezet gebied, voorzover kennisneming
daarvan in overeenstemming is met de regels door het volkenrecht
erkend.
3.De artikelen 44, derde lid, onderscheidenlijk 56, zesde lid, van
de Wet op de rechterlijke organisatie zijn van toepassing.
Artikel 3
1.Het kantongerecht te Arnhem is bij uitsluiting bevoegd tot de
uitoefening van de in artikel 2 omschreven rechtsmacht. De rechter die
deze rechtsmacht uitoefent draagt de titel van militaire
kantonrechter.
2.Bij de arrondissementsrechtbank te Arnhem zijn een of meer
meervoudige kamers en een of meer enkelvoudige kamers, onder de
benaming van militaire kamers, bij uitsluiting bevoegd tot de
uitoefening van de in artikel 2 omschreven rechtsmacht. Het lid van
een enkelvoudige kamer draagt de titel van militaire politierechter.
3.De rechtsgebieden van de in de vorige leden genoemde gerechten
zijn met betrekking tot de in artikel 2 omschreven rechtsmacht
onbegrensd, doch strekken zich niet uit over het rechtsgebied van enig
ander bij of krachtens deze wet aangewezen gerecht, tot de uitoefening
van de in artikel 2 omschreven rechtsmacht bevoegd.
4.De rechtsmacht strekt zich eveneens uit over de strafbare feiten
omschreven in de Wet op de economische delicten.
Artikel 4
1.De ingevolge de voorgaande artikelen toegekende uitsluitende
bevoegdheden lijden uitzondering in het geval van deelneming aan
strafbare feiten van iemand die niet valt onder de rechtsmacht, in
artikel 2 omschreven.
2.In dat geval vindt vervolging bij voorkeur plaats voor de rechter
in Nederland, tot kennisneming van de door de deelnemer begane feiten
bevoegd, tenzij:
a. het betreft een feit strafbaar gesteld in het Wetboek van
Militair Strafrecht, in welk geval artikel 6 van het Wetboek van
Strafvordering niet van toepassing is;
b. ten aanzien van de deelnemers geen vervolging wordt
ingesteld, van verdere vervolging wordt afgezien of berechting
door de kinderrechter plaatsvindt.
Artikel 5
1.De meervoudige kamer houdt zitting en beslist met drie leden, van
wie twee, onder wie de voorzitter, lid zijn van de
arrondissementsrechtbank, en één, verder te noemen het militair lid,
niet tot de rechterlijke macht behoort. Bij de behandeling van een
zaak tegen een militair zal het militair lid bij voorkeur behoren tot
het krijgsmachtdeel waartoe de verdachte behoort. Met inachtneming van
het voorafgaande beslist de voorzitter omtrent de samenstelling van de
meervoudige kamer bij de behandeling van een zaak tegen militairen van
verschillende krijgsmachtdelen.
2.De functie van militaire politierechter wordt vervuld door een
lid van de arrondissementsrechtbank.
3.Militaire kamers kunnen zittingen houden buiten de zetel van de
rechtbank.
4.De militaire kantonrechter kan zitting houden buiten de zetel van
het kantongerecht.
Artikel 6
1.Wij benoemen op voordracht van Onze Minister van Justitie, in
overeenstemming met Onze Minister van Defensie, zoveel militaire leden
bedoeld in het eerste lid van het voorafgaande artikel als Wij
dienstig oordelen.
2.Om te kunnen worden benoemd tot militair lid moet men militair
zijn en voldoen aan de eis omschreven in artikel 48, eerste lid, van
de Wet op de rechterlijke organisatie en niet behoren tot het wapen
der Koninklijke marechaussee.
3.De militaire leden worden voor de tijd van vier jaren benoemd.
Zij zijn bij hun aftreden eenmaal herbenoembaar. Op eigen verzoek
kunnen zij door Ons worden ontslagen. Hun wordt bij het bereiken van
de ouderdom van zestig jaren door Ons ontslag verleend met ingang van
de eerstvolgende maand. Indien het militair lid niet meer voldoet aan
een der eisen genoemd in het voorafgaande lid heeft zulks van
rechtswege ontslag als militair lid tot gevolg.
4.Op de militaire leden zijn de artikelen 11 tot en met 14e en 24
tot en met 29a van de Wet op de rechterlijke organisatie van
overeenkomstige toepassing.
5.De militaire leden genieten vergoeding voor reis- en
verblijfkosten volgens bij algemene maatregel van Rijksbestuur te
stellen regelen.
6.Alles wat de wijze van eedsaflegging, het kostuum van de
militaire leden alsmede de werkwijze van de militaire kamers aangaat,
wordt geregeld bij algemene maatregel van Rijksbestuur.
Titel II. Hoger beroep
Artikel 7
1.Tegen vonnissen van de militaire kantonrechter kan overeenkomstig
het bepaalde in artikel 44, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke
organisatie hoger beroep worden ingesteld.
2.Tegen vonnissen van de militaire kamers van de
arrondissementsrechtbank kan overeenkomstig het bepaalde in artikel
56, vijfde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie hoger beroep
worden ingesteld.
Artikel 8
1.De militaire kamer van de in artikel 3 genoemde rechtbank neemt
bij uitsluiting in hoger beroep kennis van de daarvoor vatbare
vonnissen door de militaire kantonrechter in eerste aanleg gewezen.
2.Bij het gerechtshof te Arnhem is een meervoudige kamer, onder de
benaming van militaire kamer, bij uitsluiting bevoegd tot het oordeel
in hoger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen van de militaire
kamers van de in artikel 3 genoemde arrondissementsrechtbank. Deze
kamer oordeelt ook over het beklag bedoeld in artikel 12 van het
Wetboek van Strafvordering.
Artikel 9
1.De militaire kamer van het gerechtshof houdt zitting en beslist
met drie leden, van wie twee, onder wie de voorzitter, lid zijn van
het gerechtshof en een, verder te noemen het militair lid, niet tot de
rechterlijke macht behoort. Artikel 5, eerste lid, tweede en derde
volzin, en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.Wij benoemen op voordracht van Onze Minister van Justitie, in
overeenstemming met Onze Minister van Defensie, zoveel militaire leden
bedoeld in het voorgaande lid als Wij dienstig oordelen.
3.Om te kunnen worden benoemd tot militair lid moet men militair
zijn en voldoen aan de eisen omschreven in artikel 64 van de Wet op de
rechterlijke organisatie, alsmede tenminste de rang van kapitein ter
zee of kolonel bekleden en niet behoren tot het wapen der Koninklijke
marechaussee.
4.Militairen met de rang van kapitein ter zee of kolonel worden als
militair lid bevorderd tot de titulaire rang van commandeur,
brigade-generaal of commodore.
5.Artikel 6, derde, vierde, vijfde en zesde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Titel III. Mobiele rechtbanken
Artikel 10
1. Wij kunnen op voordracht van Onze Ministers van Justitie en van
Defensie, in het gebied waarvoor een uitzonderingstoestand is
afgekondigd, of voor de berechting buiten het Koninkrijk een of meer
mobiele rechtbanken instellen.
2. Wij kunnen bepalen dat de bevelhebber van een krijgsmachtdeel in
het gebied waarvoor een uitzonderingstoestand is afgekondigd, een of
meer mobiele rechtbanken kan instellen.
3. Artikel 2, eerste, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing op een mobiele rechtbank.
4. Indien meer dan een mobiele rechtbank worden ingesteld regelen
Wij bij Ons ingevolge het eerste of tweede lid genomen besluit hun
onderlinge betrekkelijke bevoegdheid. De militaire kantonrechter en de
arrondissementsrechtbank nemen bij voorkeur geen kennis van een feit
waarvan ook een mobiele rechtbank kan kennis nemen.
5. Zodra de omstandigheden die tot de instelling van een mobiele
rechtbank hebben geleid, hebben opgehouden te bestaan, of zoveel
eerder als Wij dienstig oordelen, heffen Wij op voordracht van Onze
Ministers van Justitie en van Defensie die mobiele rechtbank op. Bij
ons besluit regelen Wij tevens de afdoening van de nog bij die
rechtbank aanhangige zaken.
Artikel 11
1.Een mobiele rechtbank houdt zitting en beslist met drie leden,
van wie twee, onder wie de voorzitter, tot de rechterlijke macht
behoren, en één lid een niet tot de rechterlijke macht behorende
militair is.
2.Indien een of twee tot de rechterlijke macht behorende personen
als bedoeld in het eerste lid niet beschikbaar zijn, wordt hun plaats
ingenomen door niet tot de rechterlijke macht behorende militairen.
Ingeval slechts één tot de rechterlijke macht behorend lid aanwezig
is, fungeert deze als voorzitter. Indien een zodanig lid in het geheel
niet aanwezig is, wordt de rechtbank voorgezeten door het niet tot de
rechterlijke macht behorende lid, dat het oudste is in benoeming als
lid.
3.Op de niet tot de rechterlijke macht behorende personen als in de
vorige leden bedoeld, is artikel 6, tweede, vierde, vijfde en zesde
lid, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat aan de eis
omschreven in artikel 48, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke
organisatie bij voorkeur dient te worden voldaan.
4.Indien Wij een mobiele rechtbank hebben ingesteld, benoemen Wij
op voordracht van Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met
Onze Minister van Defensie, de voorzitter en zoveel leden als Wij
dienstig oordelen. Ingeval de bevelhebber van een krijgsmachtdeel de
rechtbank heeft ingesteld, benoemt hij de voorzitter en zoveel leden
als hij dienstig oordeelt. De bevelhebber voert inzake die benoemingen
zo mogelijk overleg met de genoemde ministers en de voorzitter van de
mobiele rechtbank.
Artikel 12
1.Zodra een mobiele rechtbank feitelijk optreedt, kunnen zaken die
bij de militaire kantonrechter of de militaire kamer van de
arrondissementsrechtbank aanhangig zijn en tot de bevoegdheid van die
mobiele rechtbank behoren, aan deze worden overgedragen in de stand,
waarin zij zich op dat ogenblik bevinden.
2.Overdracht van een zaak die bij een mobiele rechtbank aanhangig
is, naar een andere mobiele rechtbank of naar de in artikel 3 genoemde
rechtbank, onderscheidenlijk de militaire kantonrechter kan
plaatsvinden in de stand, waarin zij zich op dat ogenblik bevindt.
3.Uitvoering van dit artikel geschiedt door het openbaar
ministerie.
Artikel 13
1.Bij een mobiele rechtbank zijn met de handhaving van de wetten,
met de vervolging van strafbare feiten en het doen uitvoeren van de
vonnissen belast leden van het openbaar ministerie. De artikelen
59b-59d van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de benoeming
geschiedt op de wijze in artikel 11, vierde lid, voorzien.
2.Bij afwezigheid van leden van het openbaar ministerie kunnen met
de waarneming van de taak van het openbaar ministerie militairen
worden belast. Het daartoe strekkend besluit wordt door Ons gegeven op
voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Defensie, of, indien
zodanig besluit niet kan worden afgewacht, door de voorzitter van de
rechtbank.
3.Op de waarnemende leden van het openbaar ministerie als bedoeld
in het vorige lid, is artikel 6, vijfde en zesde lid, van
overeenkomstige toepassing. Zij dienen bij voorkeur aan de eis
omschreven in artikel 59b van de Wet op de rechterlijke organisatie te
voldoen.
Artikel 14
1.Bij een mobiele rechtbank worden op de wijze als in artikel 11,
vierde lid, voorzien, benoemd een griffier en een of meer
substituut-griffiers, die voldoen aan de eisen bedoeld in artikel 48,
tweede onderscheidenlijk derde lid, van de Wet op de rechterlijke
organisatie.
2.Artikel 13, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 15
1.Indien de omstandigheden ter plaatse dit nodig maken, kan de
voorzitter van de mobiele rechtbank een of meer enkelvoudige kamers
instellen onder de benaming van mobiele politierechter.
2.Als mobiele politierechter fungeert een door de voorzitter van de
mobiele rechtbank aan te wijzen lid van die rechtbank, welk lid bij
voorkeur behoort tot de rechterlijke macht.
Artikel 16
1.De artikelen 7 en 8 zijn van overeenkomstige toepassing op de
vonnissen van de mobiele rechtbank, met dien verstande dat ten aanzien
van vonnissen gewezen ter zake van overtredingen het bepaalde in
artikel 44, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie
toepassing vindt.
2.Artikel 95 van de Wet op de rechterlijke organisatie is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot de mobiele rechtbank.
Titel IV. Organisatie van de militaire strafrechtspraak in Aruba,
Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba
Artikel 17
1. Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, het Gerecht in eerste
aanleg van Curaçao, het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten en
het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
oefenen de rechtsmacht omschreven in artikel 2 uit voorzover de
verdachte zich bevindt binnen het bij koninklijk besluit vast te
stellen bevelsgebied van de hoogste bevelvoerende militair in Aruba,
Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba.
2. Het Gerecht in eerste aanleg van het in het eerste lid genoemde
land waar de verdachte zich bevindt, oefent de in het eerste lid
omschreven rechtsmacht uit.
3. Bij de Gerechten in eerste aanleg zijn een meervoudige en een
enkelvoudige kamer onder de benaming militaire kamers. Het lid van een
enkelvoudige kamer draagt de titel van militaire politierechter.
4. De behandeling van de in het eerste lid bedoelde zaken geschiedt
bij uitsluiting door een militaire kamer.
5. Artikel 4 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van zich
in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba bevindende personen.
6. Artikel 5, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing met dien verstande dat twee leden van een meervoudige
kamer, onder wie de voorzitter, lid zijn van het Gemeenschappelijk Hof
van Justitie en dat de functie van militaire politierechter wordt
vervuld door een lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
7. Artikel 10, tweede en derde lid, van de Rijkswet
Gemeenschappelijk Hof van Justitie, is van overeenkomstige toepassing.
8. De benoeming van een militair lid in de militaire kamer van het
Gerecht in eerste aanleg geschiedt op de wijze zoals neergelegd in
artikel 23 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Om te
kunnen worden benoemd tot militair lid moet men militair zijn en niet
behoren tot het wapen der Koninklijke marechaussee. Artikel 6, derde
lid, is van overeenkomstige toepassing. Aan de vereisten omschreven in
artikel 24, eerste lid, onder a en b, van de Rijkswet
Gemeenschappelijk Hof van Justitie dient bij voorkeur te worden
voldaan.
9. Op de militaire leden zijn de artikelen 6, 12, vierde lid, 13,
derde lid, 27 tot en met 34, 36 en 46 van de Rijkswet
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van overeenkomstige toepassing,
voor zover die artikelen niet afwijken van het in deze wet bepaalde.
10. Artikel 6, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de eedaflegging door de militaire
leden geschiedt op de wijze zoals is vastgelegd in artikel 28 van de
Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
11. Overdracht van een zaak die in eerste aanleg bij een militaire
kamer van de arrondissementsrechtbank of bij een mobiele rechtbank
aanhangig is met betrekking tot een persoon die zich bevindt in Aruba,
Curaçao of Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba dan wel overdracht van een zaak die bij een
militaire kamer van een der genoemde gerechten in eerste aanleg
aanhangig is met betrekking tot een persoon die zich niet meer in het
rechtsgebied van desbetreffende gerecht bevindt, naar de in artikel 3
genoemde arrondissementsrechtbank of naar een mobiele rechtbank, kan
plaatsvinden in de stand waarin de zaak zich op dat ogenblik bevindt.
Uitvoering van deze overdracht geschiedt door het openbaar ministerie.
Artikel 18
1. Artikel 7 is van overeenkomstige toepassing op vonnissen van de
militaire kamers van de gerechten in eerste aanleg.
2. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie oordeelt in hoger beroep
over de daarvoor vatbare vonnissen van de gerechten in eerste aanleg.
3. Bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is een meervoudige
kamer onder de benaming van militaire kamer.
4. De behandeling van de in het eerste lid bedoelde zaken geschiedt
bij uitsluiting door een militaire kamer. Deze kamer oordeelt over het
beklag bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering,
indien de persoon wiens vervolging wordt verlangd zich bevindt in
Aruba, Curaçao of Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba.
5. Artikel 9, eerste, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing met dien verstande dat de benoeming geschiedt
overeenkomstig artikel 23 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van
Justitie, aan de eisen van artikel 24 van de Rijkswet
Gemeenschappelijk Hof van Justitie zoveel mogelijk wordt voldaan en de
militair tenminste een hoofdofficiersrang bekleedt.
6. Artikel 6, derde, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
7. Artikel 17, negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
8. Overdracht van een zaak die bij de militaire kamer van het
gerechtshof aanhangig is met betrekking tot een persoon die zich
bevindt in Aruba, Curaçao of Sint Maarten of in de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dan wel overdracht van een zaak die
bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie aanhangig is met betrekking
tot een persoon die zich niet meer in Aruba, Curaçao of Sint Maarten
of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt,
naar het in artikel 8 genoemde gerechtshof, kan plaatsvinden in de
stand waarin de zaak zich op dat ogenblik bevindt. Uitvoering van deze
overdracht geschiedt door het openbaar ministerie. Het hof waaraan de
zaak wordt overgedragen is bevoegd in hoger beroep over de zaak te
oordelen.
Artikel 19
1.Artikel 88 van de Wet op de rechterlijke organisatie is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de gerechten in
eerste aanleg als rechtbank en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie
als gerechtshof worden aangemerkt.
2.De artikelen 95-99, 102 en 107 van de Wet op de rechterlijke
organisatie zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de
gerechten in eerste aanleg en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Hoofdstuk III. Strafvordering
Titel I. Algemene bepalingen
Artikel 20
1. Onder leden en rechters in het Wetboek van Strafvordering worden
begrepen leden van een militaire kamer als bedoeld in deze wet.
2. Onder opsporingsambtenaren in de zin van artikel 141 en 142 van
het Wetboek van Strafvordering worden mede begrepen de in Aruba,
Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba als zodanig bevoegde ambtsdragers.
Artikel 21
In zaken betreffende strafbare feiten als bedoeld in artikel 2 treedt
als raadkamer een meervoudige militaire kamer op.
Artikel 22
1. De raadkamer van een gerecht bedoeld in deze wet kan een verhoor
van een persoon die zich buiten het Europese deel van het Koninkrijk
bevindt, opdragen aan een van de leden van een militaire kamer van de
in artikel 3 genoemde rechtbank, van een krachtens artikel 10
ingestelde mobiele rechtbank of van een militaire kamer van het
gerecht in eerste aanleg bedoeld in artikel 17, eerste lid.
2. Een opdracht als bedoeld in het eerste lid wordt bij voorkeur
niet gegeven aan een lid, dat op enigerlei wijze bij de behandeling
van een zaak betrokken is geweest.
Artikel 23
1. Als raadslieden kunnen worden toegelaten degenen die worden
genoemd in artikel 37 van het Wetboek van Strafvordering, alsmede
officieren, met dien verstande dat dezen niet worden toegelaten bij
beroep in cassatie.
2. Buiten het Europese deel van het Koninkrijk kan een advocaat
alleen worden toegevoegd, indien hij zich daartoe bereid heeft
verklaard.
3. Een officier kan alleen worden toegevoegd, indien een advocaat
niet beschikbaar is. Ook indien deze wel beschikbaar is, kan een
officier als raadsman worden toegevoegd, mits de verdachte daarom
uitdrukkelijk verzoekt. De toevoeging van een officier geschiedt door
de voorzitter van de rechtbank, dan wel van het gerechtshof, waarvoor
de zaak moet dienen. In het Europese deel van het Koninkrijk kan een
officier alleen worden toegevoegd, indien hij zich daartoe bereid
heeft verklaard. Een toegevoegde officier is, onverminderd het
bepaalde in artikel 45 van het Wetboek van Strafvordering, verplicht
als raadsman op te treden.
4. Onder advocaat in het Wetboek van Strafvordering wordt begrepen
een officier die als raadsman optreedt. Het bepaalde in de artikelen
37, 40, eerste en tweede lid, en 46 van dat wetboek is echter niet van
toepassing op een officier die als raadsman optreedt.
5. Een officier die als raadsman optreedt, geniet vergoeding voor
reis- en verblijfskosten volgens bij algemene maatregel van
Rijksbestuur te stellen regelen.
Artikel 24
1.De militair die ingeval van ontdekking op heterdaad van een
misdrijf een mindere als verdachte aanhoudt, heeft het recht daarbij
de hulp in te roepen van andere militairen. Deze zijn verplicht aan de
vordering onmiddellijk te voldoen.
2.De militair die ingeval van ontdekking op heterdaad van een
misdrijf een mindere als verdachte aanhoudt, kan hem indien zijn
overlevering aan een opsporingsambtenaar niet kan worden afgewacht,
overleveren of doen overleveren aan de bevelvoerende militair van de
eenheid waartoe de verdachte behoort of aan een andere door Onze
Minister van Defensie aan te wijzen bevelvoerende militair. De
verplichting omschreven in artikel 53, vierde lid, van het Wetboek van
Strafvordering gaat in dat geval over op die bevelvoerende militair.
Artikel 25
Onverminderd het bepaalde in artikel 57 van het Wetboek van
Strafvordering kan de officier van justitie of de hulpofficier van
justitie voor wie degene, die verdacht wordt van een van de misdrijven
omschreven in de artikelen 96-104, 109 of 110 van het Wetboek van
Militair Strafrecht, wordt geleid of die zelf die verdachte heeft
aangehouden, na hem te hebben gehoord, bevelen dat hij naar zijn eenheid
zal worden overgebracht, teneinde aldaar ter beschikking van zijn
commandant te worden gesteld. Het bevel kan slechts worden gegeven,
indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de verdachte niet uit eigen
beweging naar zijn eenheid zal terugkeren.
Artikel 26
Onverminderd het bepaalde in artikel 67 van het Wetboek van
Strafvordering kan een bevel tot voorlopige hechtenis eveneens worden
gegeven in geval van verdenking van:
a. een misdrijf omschreven in het Wetboek van Militair Strafrecht
waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twee
jaren of meer is gesteld;
b. een der misdrijven omschreven in de artikelen 98, 106, eerste
lid, 127, eerste lid, en 136, eerste lid, aanhef en onder 1 van het
Wetboek van Militair Strafrecht.
Artikel 27
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 67a van het Wetboek van
Strafvordering kan een op het voorgaand artikel of op artikel 67 van
dat wetboek gegrond bevel eveneens worden gegeven, indien uit bepaalde
omstandigheden blijkt van een gewichtige reden van militaire
veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming vordert.
2.Een gewichtige reden van militaire veiligheid kan voor de
toepassing van het vorige lid slechts in aanmerking worden genomen:
1°. indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden, dat
de verdachte een misdrijf zal begaan als rechtstreeks en
onmiddellijk gevolg waarvan schade ontstaat aan of te duchten is
voor de gereedheid tot het daadwerkelijk uitvoeren van een
operatie of oefening van enig onderdeel van de krijgsmacht;
2°. indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat
zonder onverwijlde vrijheidsbeneming van de verdachte andere
militairen een misdrijf zullen begaan als rechtstreeks en
onmiddellijk gevolg waarvan schade ontstaat aan of te duchten is
voor de gereedheid tot het daadwerkelijk uitvoeren van een
operatie of oefening van enig onderdeel van de krijgsmacht.
Artikel 28
De strafbepalingen van het Wetboek van Militair Strafrecht en de
gedragsregels van de Wet militair tuchtrecht zijn niet van toepassing op
de schending van een bevel, dat aan de verdachte is gegeven ingevolge
een bij de wet in het belang van strafvordering toegekende bevoegdheid.
Titel II. Bepalingen betreffende strafvordering in eerste aanleg
Artikel 29
1.Artikel 59 van de Wet op de rechterlijke organisatie is van
toepassing met dien verstande, dat de rechters-commissarissen, belast
met de behandeling van zaken betreffende strafbare feiten als bedoeld
in artikel 2 van deze wet, worden benoemd uit de leden en
plaatsvervangende leden van de militaire kamer.
2.Een militair lid, dat ingevolge het eerste lid is benoemd tot
rechter-commissaris, treedt als zodanig op met dien verstande dat hij:
a. niet bevoegd is bevelen als bedoeld in de artikelen 63, 206,
214 en 221 van het Wetboek van Strafvordering te geven;
b. alleen kan optreden indien het onderzoek van de zaak geheel
of overwegend buiten Nederland plaatsvindt;
c. buiten het geval bedoeld onder b, kan optreden, indien de
zaak naar het oordeel van de voorzitter van de militaire kamer van
zodanige aard is dat onderzoek door een militair lid de voorkeur
verdient.
Artikel 30
1.Ingeval van overdracht van een zaak aan een ander gerecht na
aanvang van het onderzoek op de terechtzitting, zal dat gerecht het
onderzoek opnieuw aanvangen.
2.Artikel 322, derde en vierde lid, van het Wetboek van
Strafvordering is van overeenkomstige toepassing en geldt tevens,
indien het gerecht van oordeel is dat het niet noodzakelijk is de
getuige of deskundige te horen. Eenzelfde bevoegdheid heeft het
gerecht met betrekking tot een getuige of deskundige ten aanzien van
wie tijdens het voorgaande onderzoek de beslissing is genomen bedoeld
in artikel 287, derde lid, van dat wetboek.
Artikel 31
1.In afwijking van het bepaalde in artikel 342, derde lid, van het
Wetboek van Strafvordering kan de verklaring van een meerdere of
gewezen meerdere volledig bewijs van schuld opleveren, indien zij
betrekking heeft op de schending van een door hem gegeven dienstbevel,
dan wel op een tegen hem gepleegde feitelijke insubordinatie of
muiterij.
2.De militair die zich beroept op een grond die overeenkomstig een
van de artikelen 40-43 van het Wetboek van Strafrecht de strafbaarheid
van een door hem als schildwacht gepleegd feit zou uitsluiten, wordt
geacht rechtmatig te hebben gehandeld, tenzij het tegendeel
aannemelijk wordt gemaakt.
Artikel 32
De termijn van dagvaarding voor de militaire politierechter en de
militaire kantonrechter is tenminste vijf dagen.
Artikel 33
1.Bij algemene maatregel van Rijksbestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de vergoeding voor reis- en verblijfkosten van de
verdachte die in verband met de uitoefening van de dienst in een ander
land verblijft dan waarin de rechter zitting houdt, voorzover de
rechter zijn verschijning in persoon heeft bevolen.
2.Onze Minister van Justitie kan aan de verdachte een
tegemoetkoming in de reis- en verblijfkosten verlenen, indien de
rechter zijn verschijning in persoon heeft bevolen en betrokkene naar
het oordeel van Onze Minister zeer hoge kosten heeft moeten maken.
Titel III. Bepalingen betreffende rechtsmiddelen
Artikel 34
In de gevallen bedoeld in artikel 7 is artikel 404 van het Wetboek
van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
Artikel 35
In geval van hoger beroep is de vorige titel van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 36
In geval van verwijzing als bedoeld in artikel 441, tweede lid,
tweede volzin onder 2e en 3e, van het Wetboek van Strafvordering, wordt
de zaak verwezen:
1°. wanneer de vernietigde uitspraak is gedaan door een
militaire kamer van de in artikel 3 genoemde rechtbank, naar het in
artikel 8 genoemde gerechtshof;
2°. wanneer zij is gedaan door de militaire kamer van het in
artikel 8 genoemde gerechtshof naar datzelfde gerechtshof;
en in alle gevallen behandeld door de militaire kamer. Aan de
behandeling van de verwezen zaak nemen bij voorkeur geen leden deel die
op enigerlei wijze bij de behandeling van die zaak betrokken zijn
geweest.
Artikel 37
Bij toepassing van artikel 461, eerste lid, en artikel 465, tweede
lid, van het Wetboek van Strafvordering vindt, indien de in die
artikelen bedoelde gevallen betrekking hebben op zaken als bedoeld in
artikel 2, verwijzing plaats naar het in artikel 8 genoemde gerechtshof.
Aan de behandeling van de verwezen zaak nemen bij voorkeur geen leden
deel die op enigerlei wijze bij de behandeling van die zaak betrokken
zijn geweest.
Artikel 38
Bij de toepassing van artikel 470, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering zijn de artikelen 26 en 27 mede van overeenkomstige
toepassing.
Titel IV. Bepalingen betreffende enige rechtsplegingen van bijzondere
aard
Artikel 39
1.In zaken betreffende minderjarigen, die ten tijde van het begaan
van het feit de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt
zijn de artikelen 488, derde lid, 489, eerste en tweede lid, 493,
derde lid, 495a, 495b, 496, 497, 504, eerste lid en 505 van het
Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing, indien die
zaken betrekking hebben op misdrijven en op de overtredingen genoemd
in de artikelen 432 en 433 van het Wetboek van Strafrecht.
2.Tenzij aanstonds onvoorwaardelijk van vervolging wordt afgezien,
wint de officier van justitie in de in het vorige lid bedoelde zaken
voorzover nodig inlichtingen in omtrent de opvoeding, het karakter, de
ontwikkeling en het doorgaand gedrag van de verdachte, ook door het
horen van getuigen die hem door diens ouders of voogd zijn opgegeven.
3.Ingeval van hoger beroep in de in het eerste lid bedoelde zaken
zijn de artikelen 488, derde lid, 489, eerste en tweede lid, 495a,
495b, 496 en 497 van het Wetboek van Strafvordering van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 40
De artikelen 510 en 511 van het Wetboek van Strafvordering vinden
geen toepassing ten aanzien van de militaire leden van een militaire
kamer of van een mobiele rechtbank.
Artikel 41
De bevoegdheden bedoeld in artikel 551 van het Wetboek van
Strafvordering kunnen mede worden uitgeoefend in geval van een strafbaar
feit als omschreven in de Eerste Titel van het Tweede Boek van het
Wetboek van Militair Strafrecht.
Titel V. Bepalingen betreffende tenuitvoerlegging en kosten
Artikel 42
In afwijking van het bepaalde in artikel 588, eerste lid, onder b, en
tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het gerechtelijk
schrijven bestemd voor hen die feitelijk in werkelijke dienst verblijven
worden uitgereikt op het adres van het onderdeel of dienstvak, waarbij
zij zijn ingedeeld.
Titel VI. Bepalingen betreffende de rechtspleging bij een mobiele
rechtbank
Artikel 43
Op de mobiele rechtbank en de ambtsdragers bij dat college zijn van
overeenkomstige toepassing:
a. het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering met betrekking
tot de rechtbank en de ambtsdragers daarbij;
b. het bepaalde in de titels I-V en VIII van dit hoofdstuk met
betrekking tot de rechtbank, de militaire kamers en de ambtsdragers
daarbij voorzover daarvan in deze titel niet wordt afgeweken.
Artikel 44
1.Indien de benoeming van de rechter-commissaris niet kan
geschieden op de wijze als in de Wet op de rechterlijke organisatie
voorzien, benoemt de voorzitter van de mobiele rechtbank een of meer
leden tot rechter-commissaris voor de tijd van één jaar. Deze is
steeds weer dadelijk benoembaar.
2.Het bepaalde in artikel 29, tweede lid, is niet van toepassing
indien er geen tot de rechterlijke macht behorende personen
beschikbaar zijn om tot rechter-commissaris te worden benoemd.
Artikel 45
De Noodwet rechtspleging is niet van toepassing op de mobiele
rechtbank.
Artikel 46
Indien zulks noodzakelijk is om de militaire strafrechtspraak te
waarborgen, kan Onze Minister van Justitie bepalen dat:
a. in het rechtsgebied van een mobiele rechtbank:
1°. de termijnen genoemd in de artikelen 58 en 64 van het
Wetboek van Strafvordering tijdelijk zijn verdubbeld;
2°. tijdelijk bij dagvaarding betreffende een strafbaar feit
kan worden volstaan met een korte aanduiding van het feit dat te
laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar
ter plaatse het begaan zou zijn, en de termijnen genoemd in
artikel 265 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 32 van
deze wet ook zonder toestemming van de verdachte tijdelijk
kunnen worden verkort, een en ander voorzover de verdachte
daardoor naar het oordeel van de rechtbank niet in zijn
verdediging wordt geschaad;
b. de mobiele rechtbank wettelijke voorschriften betreffende de
termijnen en vormen, indien deze ten gevolge van de bijzondere
omstandigheden in redelijkheid niet konden of kunnen worden in acht
genomen, buiten beschouwing kan laten;
c. de beslissingen in zaken van bepaalde mobiele rechtbanken
niettegenstaande de artikelen 557-560 van het Wetboek van
Strafvordering ten uitvoer kunnen worden gelegd. Zodra de uitvoering
van een beslissing een aanvang heeft genomen, vervallen de gewone
rechtsmiddelen.
Artikel 47
De krachtens artikel 46 getroffen voorzieningen worden ingetrokken
zodra de omstandigheden dit toelaten.
Artikel 48
Krachtens de artikelen 46 en 47 door Onze Minister van Justitie te
nemen besluiten treden, tenzij daarbij anders is bepaald, in werking met
ingang van de dag na die van hun bekendmaking. Daarin kan worden bepaald
dat zij onmiddellijk na hun bekendmaking in werking treden.
Artikel 49
1.Krachtens de artikelen 46, 47 en 48 door Onze Minister van
Justitie te nemen besluiten worden bekend gemaakt in de Nederlandse
Staatscourant.
2.Indien het landsbelang dit naar zijn oordeel noodzakelijk maakt,
kan de Minister van Justitie een besluit als bedoeld in het voorgaande
lid op andere wijze bekend maken.
Artikel 50
1.Indien en voor zolang de verbinding met Onze Minister van
Justitie is verbroken, oefent de bevelhebber, ten aanzien van een door
hem krachtens artikel 10, tweede lid, ingestelde mobiele rechtbank, de
bevoegdheden uit, welke in de artikelen 46 en 47 aan Onze Minister van
Justitie zijn toegekend.
2.De artikelen 48 en 49 zijn in dat geval van overeenkomstige
toepassing met dien verstande dat voor de Minister van Justitie wordt
gelezen de in het vorige lid bedoelde bevelhebber.
Titel VII. Bepalingen betreffende de rechtspleging in Aruba, Curaçao
en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba
Artikel 51
Op de Gerechten in eerste aanleg en op het Gemeenschappelijk Hof van
Justitie, de militaire kamers van die colleges en de ambtsdragers
daarbij zijn in zaken betreffende personen, die vallen onder de in
artikel 17, eerste lid, bedoelde rechtsmacht, van overeenkomstige
toepassing:
a. het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering met betrekking
tot de rechtbank, onderscheidenlijk het gerechtshof en de
ambtsdragers bij die colleges;
b. het bepaalde in de titels I-V en VIII van dit hoofdstuk met
betrekking tot de rechtbank onderscheidenlijk het gerechtshof, de
militaire kamers van die colleges en de ambtsdragers daarbij
voorzover daarvan in deze titel niet wordt afgeweken.
Artikel 52
Artikel 22 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het
verhoor van een persoon die zich buiten Aruba, Curaçao of Sint Maarten
of buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt.
Artikel 53
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 23 kunnen in Aruba,
Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba ook als raadsman worden toegelaten personen die
bevoegd zijn om aldaar als raadsman in strafzaken op te treden.
2. Als raadsman van de verdachte kunnen bij de Hoge Raad ook
optreden advocaten, ingeschreven bij het Gemeenschappelijk Hof van
Justitie.
Artikel 54
Onverminderd het bepaalde in artikel 29 kan een militair lid als
rechter-commissaris optreden indien het onderzoek van de zaak geheel of
overwegend buiten Aruba, Curaçao of Sint Maarten of buiten de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba plaatsvindt.
Artikel 55
Onverminderd het bepaalde in artikel 279 van het Wetboek van
Strafvordering kan in zaken betreffende overtredingen, met uitzondering
van die bedoeld in artikel 56 van de Wet op de rechterlijke organisatie,
de verdachte zich op de terechtzitting doen vertegenwoordigen door een
daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijke gemachtigde, tenzij de
rechter beveelt dat hij in persoon zal verschijnen.
Artikel 56
In de gevallen van verwijzing als bedoeld in de artikelen 36, eerste
volzin, en 37, eerste volzin, vindt de behandeling van de zaak door de
militaire kamer van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie plaats op de
wijze als voorzien in artikel 36, tweede volzin.
Artikel 57
1. Artikel 344, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is
van overeenkomstige toepassing op geschriften opgemaakt door de in dat
artikel bedoelde colleges, ambtenaren of personen van Aruba, Curaçao
en Sint Maarten en van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba.
2. Artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is
van overeenkomstige toepassing op het proces-verbaal van een
opsporingsambtenaar van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 58
In Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba kunnen opsporingsambtenaren bij de
uitoefening van hun bevoegdheden niet dan met inachtneming van de
grenzen in de ter plaatse geldende wetgeving voor de gewone
strafvordering gesteld, inbreuk maken op de rechten van niet aan de in
artikel 2 bedoelde rechtsmacht onderworpen personen.
Titel VIII. Bijzondere bepalingen betreffende het uitoefenen van
bevoegdheden inzake strafvordering buiten het Koninkrijk of binnen de
territoriale zee
Artikel 59
1.Buiten het Koninkrijk of binnen de territoriale zee kunnen door
Onze Ministers van Justitie en van Defensie aan te wijzen
bevelvoerende militairen, indien en zolang geen hulpofficier van
justitie aanwezig is en diens komst niet kan worden afgewacht, de
bevoegdheden uitoefenen welke het Wetboek van Strafvordering toekent
aan de hulpofficier van justitie.
2.Indien en zolang geen opsporingsambtenaar aanwezig is en diens
komst niet kan worden afgewacht, kunnen de krachtens het voorgaande
lid aangewezen militairen de bevoegdheden uitoefenen welke het Wetboek
van Strafvordering toekent aan de opsporingsambtenaar.
3.Artikel 539b, eerste, tweede en derde lid, van het Wetboek van
Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
4.Artikel 539e, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is
van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de verrichting
bedoeld in artikel 57, eerste lid, van dat wetboek niet kan worden
opgedragen.
5.Artikel 539f, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van het
Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
6.Artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is
van overeenkomstige toepassing op het proces-verbaal van een krachtens
het eerste lid aangewezen militair.
Artikel 60
1.In geval een verdachte buiten het Koninkrijk of binnen de
territoriale zee in verzekering is gesteld, stelt degene die het bevel
daartoe heeft gegeven, de officier van justitie hiervan onverwijld en
op snelst mogelijke wijze in kennis. De officier van justitie doet,
tenzij hij in het belang van het onderzoek anders beslist, de
verdachte zo spoedig mogelijk voor zich geleiden.
2.Indien en zolang de verbinding met de officier van justitie niet
mogelijk is, blijft het bevel tot inverzekeringstelling van kracht tot
het moment dat de verbinding is hersteld.
Artikel 61
1.Buiten het Koninkrijk kunnen opsporingsambtenaren de bevoegdheden
uitoefenen welke aan hen zijn toegekend bij enige bepaling van een
andere wet dan deze of het Wetboek van Strafvordering, indien dat bij
algemene maatregel van Rijksbestuur is bepaald.
2.Artikel 59 is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Artikel 62
Buiten het Koninkrijk kunnen bevoegdheden inzake opsporing,
vervolging en berechting van strafbare feiten en tenuitvoerlegging van
vonnissen slechts worden uitgeoefend voorzover het volkenrecht dit
toelaat.
Artikel 63
Deze Rijkswet kan worden aangehaald als "Wet militaire
strafrechtspraak".
Artikel 64
1.Deze Rijkswet treedt in werking met ingang van een nader bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
2.Bij koninklijk besluit kan voordien een tijdstip worden bepaald
met ingang waarvan Titel IIB van het Vierde Boek van het Wetboek van
Strafvordering toepassing vindt op aan de militaire rechtsmacht
onderworpen personen, met dien verstande dat waar in enige bepaling
van die Titel van "rechtbank" wordt gesproken, daaronder
"krijgsraad" wordt verstaan.
Artikel 65
1.De volgende wetten worden ingetrokken:
- de Rechtspleging bij de Land- en de Luchtmacht (Stb. 1964,
9);
- de Rechtspleging bij de Zeemacht (Stb. 1964, 9);
- de Provisionele Instructie voor het Hoog Militair Gerechtshof
(Stb. 1964, 9);
- de Invoeringswet Militair Straf- en Tuchtrecht (Stb. 1921,
841);
- de wet, houdende enige maatregelen van bezuiniging
betreffende de militair-rechterlijke macht (Stb. 1923, 6);
- de wet, houdende regeling van de bezoldiging van de
militair-rechterlijke ambtenaren (Stb. 1968, 180);
- de Rijkswet tot invoering van de rechtsmiddelen van cassatie,
cassatie in het belang der wet en herziening in het militair
strafprocesrecht (Stb. 1979, 69);
2.De Rijkswet tot invoering van de rechtsmiddelen van cassatie,
cassatie in het belang der wet en herziening in het militair
strafprocesrecht blijft van kracht voorzover toepassing wordt gegeven
aan artikel 108, derde lid, van de Wet militair tuchtrecht.
Artikel 66
1.Zaken, die op het tijdstip van inwerking treden van deze Rijkswet
ter kennis zijn gekomen van de Commandant der Zeemacht in het
Caraïbisch gebied worden door deze in de stand waarin zij zich
bevinden met inachtneming van het bepaalde in de eerste twee leden van
artikel 17 overgedragen aan het openbaar ministerie bij het gerecht in
eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk dat van
Aruba.
2.Zaken, die op dat tijdstip ter kennis zijn gekomen van de overige
verwijzingsautoriteiten, worden door deze in de stand waarin zij zich
bevinden overgedragen aan het openbaar ministerie bij de in artikel 3
genoemde rechtbank.
3.Voor zover het in de vorige leden bedoelde openbaar ministerie
oordeelt dat deze zaken krijgstuchtelijke vergrijpen betreffen, draagt
het deze zaken over aan de ingevolge de artikelen 39-43 van de Wet op
de Krijgstucht tot straffen bevoegde autoriteit ter behandeling en
afdoening overeenkomstig het in artikel 107 van de Wet militair
tuchtrecht bepaalde.
4.Voorzover het in het tweede lid bedoelde openbaar ministerie
oordeelt dat deze zaken betrekking hebben op strafbare feiten waarvan
een andere rechter dan een der in artikel 3 genoemde gerechten bevoegd
is kennis te nemen, draagt het deze zaken over aan het tot vervolging
daarvan bevoegde openbaar ministerie.
5.De overige zaken worden met inachtneming van de bepalingen van
deze Rijkswet behandeld en afgedaan.
Artikel 67
Strafzaken die op het tijdstip van inwerking treden van deze Rijkswet
bij de krijgsraden en het Hoog Militair Gerechtshof of bij de parketten
bij die gerechten in behandeling zijn, worden in de stand waarin zij
zich bevinden overgedragen aan de uit hoofde van deze Rijkswet bevoegde
gerechten, onderscheidenlijk de bevoegde parketten, ter verdere
behandeling en afdoening met inachtneming van de bepalingen van deze
Rijkswet.
Artikel 68
1.Rechtshandelingen die onder de werking van de in artikel 65
genoemde wettelijke regelingen vóór het tijdstip van inwerkingtreden
van deze Rijkswet zijn verricht, blijven rechtsgeldig.
2.Ten aanzien van verdachten die zich op dat tijdstip in voorlopig
arrest bevinden kan de termijn gedurende welke een door de krijgsraad
bekrachtigd of verlengd voorlopig arrest geldt nadien door het
bevoegde gerecht op vordering van de officier van justitie vóór de
aanvang van het onderzoek op de terechtzitting nog ten hoogste
tweemaal worden verlengd.
3.Indien dagvaardingen zijn uitgebracht of oproepingen hebben
plaatsgevonden wordt vanwege het openbaar ministerie of het gerecht
waaraan de zaak is overgedragen, aan de gedagvaarde of opgeroepene
schriftelijk kennisgegeven op welk tijdstip en voor welk gerecht hij,
in plaats van hetgeen daaromtrent in de uitgebrachte dagvaarding of
oproeping is vermeld, dient te verschijnen.
4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van het
Wetboek van Strafrecht kan in elk stadium van een strafproces, dat op
het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet aanhangig is, de
rechter voor wie die strafzaak dient op vordering van het openbaar
ministerie toestaan dat in de voordien opgestelde telastelegging
wijziging wordt aangebracht, voor zover zulks als gevolg van de
gelijktijdige inwerkingtreding van wijzigingen in het Wetboek van
Militair Strafrecht of de Dienstplichtwet door het openbaar ministerie
noodzakelijk wordt geoordeeld. De artikelen 313, tweede lid, 314 en
314a van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 69
1.Tegen beslissingen van de Permanente krijgsraad voor de zeemacht
in de Nederlandse Antillen, die op tijdstip van inwerkingtreden van
deze Rijkswet niet onherroepelijk zijn geworden en waartegen nog geen
beroep is ingesteld, kan zulk beroep met inachtneming van het bepaalde
in artikel 19, eerste lid, worden ingesteld op het in dat artikel
genoemde gerecht. Het beroep kan worden ingesteld binnen veertien
dagen na de uitspraak op de wijze als uit hoofde van deze Rijkswet
voorgeschreven voor het instellen van hoger beroep tegen beslissingen
van het gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen en dat
van Aruba.
2.Tegen beslissingen van de overige krijgsraden kan, in de in het
vorig lid bedoelde gevallen en met inachtneming van het bepaalde in
artikel 8, zulk beroep worden ingesteld op het in artikel 9 genoemde
gerecht, ook indien het een strafzaak betreft, waarvan na de
inwerkingtreding van deze Rijkswet de militaire kantonrechter tot
kennisneming bevoegd zou zijn geweest. Het beroep kan worden ingesteld
binnen veertien dagen na de uitspraak op de wijze als voorgeschreven
voor het instellen van hoger beroep tegen beslissingen van de
arrondissementsrechtbank te Arnhem.
3.Tegen beslissingen van het Hoog Militair Gerechtshof in
strafzaken die op het tijdstip van inwerking treden van deze Rijkswet
niet onherroepelijk zijn geworden en waartegen nog geen beroep in
cassatie is ingesteld kan binnen veertien dagen na de uitspraak zulk
beroep worden ingesteld op de wijze als voorgeschreven voor het
instellen van beroep in cassatie tegen arresten van het gerechtshof te
Arnhem.
Artikel 70
Indien de Hoge Raad een sententie van het Hoog Militair Gerechtshof
na het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet in cassatie
vernietigt, wordt de zaak, indien zij niet door de Hoge Raad zelf wordt
afgedaan, verwezen naar het in artikel 8 genoemde gerechtshof.
Artikel 71
Waar uit hoofde van enige in artikel 65 genoemde wettelijke regeling,
het Wetboek van Strafvordering of het Wetboek van Strafrecht aan het
gerecht in feitelijke aanleg waarvoor een zaak het laatst werd vervolgd
bepaalde bevoegdheden worden toegekend, wordt vanaf het tijdstip van
inwerkingtreden van deze Rijkswet de uitoefening van deze bevoegdheden
van de krijgsraden en van het Hoog Militair Gerechtshof overgenomen door
de gerechten die, indien de zaak na dat tijdstip zou zijn vervolgd, in
eerste aanleg, onderscheidenlijk in beroep tot kennisneming daarvan
bevoegd zouden zijn geweest.
Artikel 72
1.Op het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet worden de
administraties en archieven
a. van de secretariën van de Permanente Krijgsraad voor de
zeemacht te ’s-Gravenhage, van de arrondissementskrijgsraad te
Arnhem, van de mobiele krijgsraad buitenland Landmacht en van de
mobiele krijgsraad buitenland Luchtmacht, overgedragen aan de
griffie van de arrondissementsrechtbank te Arnhem;
b. van de griffie van het Hoog Militair Gerechtshof te ’s-Gravenhage
overgedragen aan de griffie van het gerechtshof te Arnhem;
c. van de parketten van de fiscaal bij de Permanente Krijgsraad
Nederland voor de zeemacht te ’s-Gravenhage en van de
auditeur-militair bij de arrondissementskrijgsraad te Arnhem, bij
de mobiele krijgsraad buitenland Landmacht en bij de mobiele
krijgsraad buitenland Luchtmacht overgedragen aan het
arrondissementsparket te Arnhem;
d. van het parket van de advocaat-fiscaal bij het Hoog Militair
Gerechtshof te ’s-Gravenhage overgedragen aan het ressortsparket
te Arnhem;
e. van de secretarie van de Permanente krijgsraad voor de
zeemacht in de Nederlandse Antillen en van het parket van de
fiscaal bij die krijgsraad overgedragen aan de griffie van het
Gemeenschappelijk Hof van Justitie, onderscheidenlijk het parket
van de Procureur-Generaal van de Nederlandse Antillen.
2.In beslag genomen voorwerpen die zich bevinden bij de secretarie
van de Permanente krijgsraad voor de zeemacht in de Nederlandse
Antillen worden op het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet
overgedragen aan de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van
Justitie. Inbeslaggenomen voorwerpen die zich bevinden bij de
secretarieën van andere krijgsraden worden alsdan overgedragen aan de
griffie van de arrondissementsrechtbank te Arnhem. Zijn voorwerpen in
beslag genomen in verband met strafzaken, die voor de militaire
kantonrechter zullen worden vervolgd, dan worden die vervolgens
overgedragen aan de griffie van het kantongerecht te Arnhem.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Publicatieblad
van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, colleges en ambtenaren wie
zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 14 juni 1990
BEATRIX
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister van Defensie,
A.L. ter Beek
Uitgegeven de negentiende juli 1990
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|