WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ingevolge artikel 3,
lid 3, van de "Garantiewet Militairen K.N.I.L." nodig is Ons
besluit van 28 November 1951 (Staatsblad No. 525), houdende
vaststelling van een algemene maatregel van bestuur inzake
minimumwachtgeld als bedoeld in artikel 3 van die wet, te bevestigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
"Beroepsmilitair", hetgeen daaronder wordt verstaan in
artikel 1 van de Garantiewet Militairen K.N.I.L.;
"Rechthebbende", de beroepsmilitair, die op grond van het
bepaalde in artikel 3 lid 3 van de Garantiewet Militairen K.N.I.L. voor
toekenning van het minimumwachtgeld in aanmerking komt.
Artikel 2
Het minimumwachtgeld, bedoeld in artikel 3 lid 3 van de Garantiewet
Militairen K.N.I.L., beloopt het bedrag, dat aan de rechthebbende zou
worden uitgekeerd, indien op hem van toepassing zou zijn de
Overbruggingsregeling 1949, zoals die sedert is aangevuld en/of
gewijzigd, met dien verstande dat:
a. evengenoemd bedrag in beginsel wordt verhoogd met een
bijzondere toeslag van:
f 3,- per week gedurende het 1e jaar der wachtgeldperiode;
f 2,- per week gedurende het 2e jaar der wachtgeldperiode;
f 1,- per week gedurende het 3e jaar der wachtgeldperiode;
b. voor zover geen bepaald beroep aanwijsbaar is, voor de
berekening van het minimumwachtgeld wordt uitgegaan van het loon
van een geoefend metaalarbeider.
Artikel 3
Indien het volgens artikel 2 berekende bedrag niet toereikend wordt
geacht kan een bijslag worden verstrekt.
Artikel 4
Op degenen, die het minimumwachtgeld ontvangen, zijn voor zover
mogelijk de bepalingen van de Overbruggingsregeling 1949 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 5
In - naar het oordeel van Onze Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid - bijzondere gevallen kan bij de uitvoering van deze wet
worden afgeweken van de hiervoren gestelde bepalingen.
Artikel 6
Degenen, die voor de toekenning van het minimumwachtgeld in
aanmerking wensen te komen, dienen zich, onder overlegging van een hun
vanwege het Ministerie van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen verstrekte
verklaring, waaruit blijkt dat zij als rechthebbende dienen te worden
aangemerkt, te wenden tot het gemeentebestuur hunner woonplaats.
Artikel 7
De gemeentebesturen - die desgevraagd hun medewerking verlenen voor
de uitvoering van deze wet - ontvangen voor de bedragen, uitgekeerd
ingevolge deze wet, 100% subsidie.
Artikel 8
De subsidie, bedoeld in artikel 7, wordt uitbetaald door het
Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid; de uitbetaalde bedragen
worden verrekend met het Ministerie voor Uniezaken en Overzeese
Rijksdelen.
Artikel 9
Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid geeft in
overeenstemming met Onze Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen
nadere voorschriften met betrekking tot de uitvoering van het gestelde
in deze wet.
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag, volgende op die van
haar afkondiging en werkt terug tot 30 December 1951.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te Ottawa, 23 April 1952
JULIANA
De Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen,
L. Peters
De Staatssecretaris voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen,
Götzen
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
A.M. Joekes
De Minister van Financiën,
P. Lieftinck
Uitgegeven de twintigste Mei 1952
De Minister van Justitie,
H. Mulderije