Nadere regelgeving:
- Beleidsregel bestuurlijke handhaving Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag 2013
- Besluit minimumjeugdloonregeling
- Besluit
minimumloon en minimumvakantiebijslag
WET van 27 november 1968, houdende
regelen inzake een minimumloon en een minimumvakantiebijslag
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bij de
wet regelen te stellen inzake een minimumloon en een
minimumvakantiebijslag;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. publiekrechtelijke regeling:
1°. een regeling als bedoeld in artikel 5 of 6 van de Wet
op de loonvorming;
2°. een verordening als bedoeld in artikel 16, derde lid,
of 86, derde lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb.
1950, K 22);
3°. een verordening als bedoeld in artikel 93, tweede lid,
onder d, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie.
2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
worden onder collectieve arbeidsovereenkomst mede verstaan bepalingen
van een collectieve arbeidsovereenkomst, welke krachtens artikel 2 van
de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van
bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (Stb. 1937, 801)
algemeen verbindend zijn verklaard.
Artikel 2
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt onder dienstbetrekking verstaan de dienstbetrekking krachtens
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
2. Onder dienstbetrekking wordt mede verstaan de arbeidsverhouding
van degene, die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning
geregeld bemiddeling verleent bij het tot stand komen van
overeenkomsten van die ander - of een opdrachtgever van deze - met
derden, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander
verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem
bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door
meer dan twee andere personen laat bijstaan.
3. Onder dienstbetrekking wordt niet verstaan de arbeidsverhouding
van degene, die door of vanwege het Rijk of het bevoegde gezag van een
provincie, gemeente, waterschap, veenschap en veenpolder op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst is genomen.
Artikel 3
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen
worden gesteld, ingevolge welke de arbeidsverhouding van degene, die
tegen beloning persoonlijk arbeid verricht, die niet een voor hem
bijkomstige werkzaamheid is, en wiens arbeidsverhouding niet reeds
ingevolge de voorgaande bepalingen als dienstbetrekking wordt
beschouwd, doch hiermede maatschappelijk gelijk kan worden gesteld,
eveneens onder dienstbetrekking wordt verstaan.
2. Indien hiertoe naar Ons oordeel in verband met de bijzondere
aard van de arbeidsverhouding dan wel in verband met bijzondere
omstandigheden aanleiding bestaat, kan bij algemene maatregel van
bestuur worden bepaald, dat de arbeidsverhouding van tot een daarbij
aangewezen categorie behorende personen niet onder dienstbetrekking
wordt verstaan.
Artikel 4
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt onder werknemer verstaan de natuurlijke persoon, die in
dienstbetrekking staat.
2. Wie zijn dienstbetrekking niet binnen het Rijk vervult, wordt
slechts als werknemer beschouwd, indien hij binnen het Rijk woont en
zijn werkgever eveneens binnen het Rijk woont of gevestigd is. Voor
zover een werkgever binnen het Rijk een vaste inrichting voor de
uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een binnen het Rijk wonende
of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft, wordt hij voor de
toepassing van de vorige volzin gelijkgesteld met een binnen het Rijk
gevestigde werkgever.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald, dat personen, die niet binnen het Rijk wonen, ook als
werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten
het Rijk vervullen.
4. Voor de toepassing van de vorige leden worden schepen en
luchtvaartuigen, welke binnen het Rijk hun thuishaven hebben, ten
opzichte van de werkgever en de bemanning beschouwd als deel van het
Rijk.
Artikel 5
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt onder werkgever verstaan de persoon, tot wie een werknemer in
dienstbetrekking staat.
2. In het geval, bedoeld in artikel 2, tweede lid, wordt onder
werkgever verstaan de persoon, met wie de overeenkomst tot het
verlenen van bemiddeling is gesloten.
3. Ingeval toepassing wordt gegeven aan artikel 3, eerste lid,
wordt tevens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald
wie in de daarbij betrokken gevallen onder werkgever wordt verstaan.
Artikel 6
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
worden onder loon verstaan de geldelijke inkomsten uit hoofde van de
dienstbetrekking, met uitzondering van:
a. verdiensten uit overwerk;
b. vakantiebijslagen;
c. winstuitkeringen;
d. uitkeringen bij bijzondere gelegenheden;
e. uitkeringen ingevolge aanspraken om na verloop van tijd of
onder een voorwaarde één of meer uitkeringen te ontvangen;
f. vergoedingen voor zover zij geacht kunnen worden te strekken
tot bestrijding van noodzakelijke kosten, die de werknemer in
verband met zijn dienstbetrekking heeft te maken;
g. bijzondere vergoedingen voor kostwinners en gezinshoofden;
h. uitkeringen ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in
artikel 32, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.
i. eindejaarsuitkeringen;
j. een werkgeversbijdrage in de premie voor de
ziektekostenverzekering van een persoon, bedoeld in artikel 2,
tweede lid, onderdeel a, van de Zorgverzekeringswet.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere uitzonderingen
dan de in het eerste lid genoemde worden gesteld.
3. Onze Minister kan regelen stellen naar welke wordt beoordeeld
welke inkomsten moeten worden aangemerkt als uitkeringen of
vergoedingen als bedoeld in het eerste lid, onder c-i.
Hoofdstuk II. Minimumloon
Artikel 7
1. Uit de overeenkomst, waarop een dienstbetrekking berust, heeft
de werknemer die de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt doch niet de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van
de Algemene Ouderdomswet, voor de arbeid door hem in dien
dienstbetrekking verricht, jegens de werkgever aanspraak op een loon
ten minste tot het bedrag, bij of krachtens de volgende artikelen
onder de benaming minimumloon vastgesteld.
2. Indien daartoe naar Ons oordeel aanleiding bestaat op grond van
de ontwikkeling in collectieve arbeidsovereenkomsten ter zake van de
leeftijd waarop aanspraak op een loon tenminste tot de in artikel 8,
eerste lid, genoemde bedragen ontstaat, kan bij algemene maatregel van
bestuur worden bepaald, dat werknemers beneden de leeftijd van 23
jaar, die de leeftijd van 22 jaar dan wel die de leeftijd van 21 jaar
hebben bereikt, eveneens de in het eerste lid bedoelde aanspraak
hebben.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat
werknemers - dan wel dat werknemers, behorende tot een bij de
maatregel aangewezen categorie - beneden de leeftijd van 23 jaar of,
zo toepassing is gegeven aan het tweede lid, beneden de krachtens dat
lid bepaalde leeftijd, die een bij de maatregel aangewezen lagere
leeftijd hebben bereikt, eveneens de in het eerste lid bedoelde
aanspraak hebben.
4. Beloningen, die de werknemer voor arbeid, door hem in de
dienstbetrekking verricht, van derden ontvangt, worden, voor zover zij
deel uitmaken van de arbeidsvoorwaarden, voor de toepassing van het
bij of krachtens het eerste, tweede of derde lid bepaalde geacht van
de werkgever te zijn ontvangen.
5. Loon waarop de werknemer ingevolge enige wettelijke bepaling uit
de overeenkomst, waarop de dienstbetrekking berust, recht heeft over
een periode, waarin hij geen arbeid verricht, wordt voor de toepassing
van het bij of krachtens het eerste, tweede of derde lid bepaalde
aangemerkt als loon voor de arbeid door hem in die dienstbetrekking
verricht. Bedragen, waarmede het loon ingevolge die bepaling wordt
verminderd, worden voor de toepassing van het bij of krachtens het
eerste, tweede of derde lid bepaalde geacht van de werkgever te zijn
ontvangen.
Artikel 8
1. Het minimumloon bedraagt over elke uitbetalingstermijn van:
a. een maand of een veelvoud van een maand: € 1264,80 [Red:
per 1 januari 2013: €1469,40] , onderscheidenlijk een gelijk
veelvoud hiervan;
b. een week of een veelvoud van een week: € 291,90 [Red: per
1 januari 2013: €339,10] , onderscheidenlijk een gelijk veelvoud
hiervan;
c. een andere tijdsduur: € 58,38 [Red: per 1 januari 2013:
€67,82] vermenigvuldigd met het aantal van de in die termijn
begrepen werkdagen. Onder werkdag wordt verstaan een dag, waarop
de werknemer arbeid heeft verricht of waarover hij recht op loon
heeft als bedoeld in artikel 7, vijfde lid.
2. Waar in deze wet wordt verwezen naar de in het vorige lid
genoemde bedragen, worden als zodanig, indien toepassing is gegeven
aan artikel 14, de daarbij laatstelijk in hun plaats gestelde bedragen
aangemerkt.
3. In afwijking van het eerste lid bedraagt het minimumloon voor
werknemers aan wie de in artikel 7, eerste lid, bedoelde aanspraak is
toegekend bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het
derde lid van dat artikel, een bij die maatregel vast te stellen
percentage van de in het eerste lid van het onderhavige artikel
genoemde bedragen. Dit percentage kan voor naar leeftijd en tak van
bedrijf of beroep te onderscheiden categorieën van deze werknemers
verschillend zijn.
Artikel 9
De uitbetaling van het loon aan werknemers, wier dienstbetrekking
niet op een arbeidsovereenkomst berust, geschiedt, voor wat het bedrag
van het minimumloon betreft, telkens na een kwartaal, tenzij partijen
een kortere uitbetalingstermijn zijn overeengekomen.
Artikel 10
1. Onze Minister kan op verzoek van een werkgever of van een
rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van werkgevers of
werknemers het minimumloon van tot een door hem aangewezen categorie
behorende werknemers in een onderneming dan wel een tak van bedrijf of
beroep voor een door hem te bepalen termijn op lagere dan de krachtens
artikel 8 geldende bedragen vaststellen, indien naar zijn oordeel het
voortbestaan van of de omvang der bedrijvigheid in die onderneming dan
wel die tak van bedrijf of beroep ernstig wordt bedreigd. Aan deze
vaststelling kunnen voorwaarden worden verbonden. Op een verzoek wordt
niet beslist, zolang niet is gebleken, dat de verzoeker met de naar
het oordeel van Onze Minister representatieve organisaties van
werknemers onderscheidenlijk werkgevers ter zake overleg heeft
gepleegd.
2. Onze Minister kan een besluit van de in het eerste lid bedoelde
strekking ten aanzien van tot door hem aangewezen categorieën
behorende werknemers, die uitsluitend of in hoofdzaak huishoudelijke
of persoonlijke diensten verrichten in de huishouding van natuurlijke
personen, ook ambtshalve nemen.
3. Een besluit tot toepassing van het eerste of het tweede lid ten
aanzien van werknemers in een tak van bedrijf of beroep wordt in de
Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 11
Indien bij publiekrechtelijke regeling of collectieve
arbeidsovereenkomst een periode van afrekening, welke meerdere
uitbetalingstermijnen omvat, is vastgesteld, wordt zodanige periode van
afrekening voor de toepassing van artikel 8 als uitbetalingstermijn
beschouwd. Een periode van afrekening kan ten hoogste twaalf maanden
omvatten.
Artikel 12
1. Indien werkgever en werknemer een arbeidsduur zijn
overeengekomen, welke korter is dan de normale arbeidsduur, wordt het
bedrag, dat krachtens de artikelen 8-11 voor de werknemer als
minimumloon geldt, naar evenredigheid verminderd.
2. Onder normale arbeidsduur wordt verstaan de arbeidsduur die in
overeenkomstige arbeidsverhoudingen in de regel geacht wordt een
volledige dienstbetrekking te vormen.
3. Onze Minister kan ambtshalve dan wel op gezamenlijk verzoek van
een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van werkgevers en een
zodanige organisatie van werknemers voor tot een in zijn besluit
aangewezen categorie behorende werknemers een andere arbeidsduur als
normale arbeidsduur vaststellen.
4. Voor zover het loon niet naar tijdruimte is vastgesteld maar
afhankelijk is van de uitkomsten van de verrichte arbeid, wordt voor
de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde als
arbeidsduur aangemerkt: de tijd, die redelijkerwijs met de uitvoering
van de verrichte arbeid is gemoeid.
Artikel 13 [Vervallen per 01-07-1986]
Artikel 14
1. Het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, wordt
telkens met ingang van 1 januari door Onze Minister herzien
overeenkomstig:
a. de helft van de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze
voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in de
Macro-Economische Verkenningen in het voorafgaande jaar, is
geraamd; en
b. het verschil tussen de ontwikkeling van de contractlonen
zoals deze voor het voorafgaande jaar, blijkens bekendmaking in
het Centraal Economisch Plan in dat jaar, was geraamd en de
ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het voorafgaande
jaar, blijkens bekendmaking in de Macro-Economische Verkenningen
in dat jaar, nader is geraamd.
2. Het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, wordt
telkens met ingang van 1 juli door Onze Minister opnieuw herzien
overeenkomstig het verschil tussen de helft van de ontwikkeling van de
contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens
bekendmaking in de Macro-Economische Verkenningen in het voorafgaande
jaar, was geraamd en de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze
voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in het Centraal
Economisch Plan in dat jaar, nader is geraamd.
3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder
ontwikkeling van de contractlonen verstaan: het gemiddelde van de
procentuele ontwikkeling van de contractlonen in marktsector,
gepremieerde en gesubsidieerde sector, en bij de overheid, zoals deze
door het Centraal Planbureau wordt bekend gemaakt.
4. Indien de toepassing van het eerste, dan wel het tweede lid zou
leiden tot verlaging van het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid,
onder a, wordt dat bedrag ongewijzigd vastgesteld. Voor zover hierdoor
geen toepassing wordt gegeven aan het eerste, dan wel het tweede lid
wordt het daarmee gemoeide percentage bij de eerstvolgende herziening
en voor zover nodig tevens bij de daarop volgende herzieningen, alsnog
in aanmerking genomen.
5. Het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, kan met
ingang van 1 januari en van 1 juli bij algemene maatregel van bestuur
in afwijking van het eerste tot en met het vierde lid worden
vastgesteld, naar gelang sprake is van een bovenmatige
loonontwikkeling zodanig dat hiervan schade voor de werkgelegenheid
kan worden verwacht dan wel van een zodanige volume-ontwikkeling in de
sociale zekerheidsregelingen dat daardoor een betekenende premie- of
belastingdrukverhoging noodzakelijk is.
6. Indien per 1 januari toepassing is gegeven aan het vijde lid,
blijft per 1 juli van hetzelfde jaar de toepassing van het tweede lid
achterwege. Indien echter inmiddels gebleken is dat de grond voor de
toepassing van het vijfde lid niet langer aanwezig is, wordt het
bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, met ingang van 1
juli van hetzelfde jaar alsnog door Onze Minister herzien
overeenkomstig het verschil tussen de ontwikkeling van de
contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens
bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in dat jaar, is geraamd
en de herziening die per 1 januari heeft plaatsgevonden.
7. Indien per 1 juli toepassing wordt gegeven aan het vijfde lid
dan wel het zesde lid, eerste volzin, toepassing heeft gevonden,
blijft per 1 januari van het eerstvolgende jaar de toepassing van het
eerste lid, onder b, achterwege.
8. Indien een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het
vijfde lid wordt voorbereid legt Onze Minister het ontwerp van die
maatregel met de daarbij behorende nota van toelichting over aan de
beide Kamers der Staten-Generaal. De voordracht tot de maatregel kan
worden gedaan nadat tien dagen na de overlegging zijn verstreken of
zoveel eerder als beide Kamers te kennen hebben gegeven dat geen
verdere inlichtingen worden verlangd.
9. Het overeenkomstig het eerste tot en met het vierde en het zesde
lid herziene bedrag wordt afgerond op het dichtstbijzijnde veelvoud
van € 0,60. Indien het restbedrag € 0,30 bedraagt, geschiedt de
afronding naar boven.
10. Bij een herziening overeenkomstig het eerste tot en met het
zesde lid worden tevens de bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid,
onder b en c, herzien en wel in dier voege, dat het onder b genoemde
bedrag wordt gesteld op 3/13 en het onder c genoemde bedrag op 3/65
van het herziene bedrag.
11. De overeenkomstig het eerste tot en met het zesde en het tiende
lid herziene bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd in
artikel 8, eerste lid, met dien verstande dat de afronding, bedoeld in
het negende lid, bij de eerstvolgende herziening buiten beschouwing
blijft.
12. Indien te voorzien valt dat een algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in het vijfde lid niet tijdig voor 1 januari
respectievelijk 1 juli tot stand zal kunnen komen, kan Onze Minister
bepalen dat de laatstelijk vastgestelde bedragen, genoemd in artikel
8, eerste lid, nog gedurende een bij zijn besluit vast te stellen
periode van ten hoogste drie maanden van kracht blijven en kan een
algemene maatregel van bestuur in aansluiting op die periode worden
vastgesteld.
13. Onze Minister gaat telkens na verloop van een termijn van ten
hoogste vier jaar, voor het eerst uiterlijk in 1994, na of er
omstandigheden aanwezig zijn die een bijzondere wijziging wenselijk
maken van de bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen vervolgens bedragen worden vastgesteld
die in de plaats treden van de bedragen, genoemd in artikel 8, eerste
lid. Het achtste lid is van overeenkomstige toepassing.
14. Het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, wordt
bij algemene maatregel van bestuur verlaagd in de mate waarin en met
ingang van het tijdstip waarop de minimumvakantiebijslag met
toepassing van artikel 15, vierde lid, wordt verhoogd. Het negende,
tiende en elfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Wanneer een
verlaging op grond van dit lid samenvalt met een bijzondere wijziging
op grond van het dertiende lid, worden de in artikel 8, eerste lid,
genoemde bedragen in één algemene maatregel van bestuur opnieuw
vastgesteld en is tevens het achtste lid van overeenkomstige
toepassing.
15. Wanneer een bijzondere wijziging of een verlaging op grond van
het dertiende en veertiende lid samenvalt met een toepassing van het
eerste tot en met het zesde en het tiende lid, worden de in artikel 8,
eerste lid, genoemde bedragen in één algemene maatregel van bestuur
opnieuw vastgesteld, met dien verstande dat in dat geval voor de
toepassing van het eerste tot en met het zesde en het tiende lid wordt
uitgegaan van de op grond van het dertiende en veertiende lid herziene
bedragen.
Hoofdstuk III. Minimumvakantiebijslag
Artikel 15
1. Uit de overeenkomst, waarop een dienstbetrekking berust, heeft
de werknemer jegens de werkgever aanspraak op een vakantiebijslag ten
minste tot een bedrag van 8% van zijn ten laste van de werkgever
komende loon, alsmede van de uitkeringen waarop hij tijdens de
dienstbetrekking krachtens de Ziektewet, hoofdstuk 3, afdeling 2,
paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg en de Werkloosheidswet
aanspraak heeft, met dien verstande, dat het bedrag waarmede de som
van dit loon en deze uitkeringen het drievoud van het minimumloon
overschrijdt buiten beschouwing blijft.
2. De in het eerste lid bedoelde som wordt geacht het drievoud van
het minimumloon te overschrijden indien deze over de
uitbetalingstermijn, liggende in het tijdvak waarover de aanspraak op
vakantiebijslag bestaat, gemiddeld meer bedraagt dan het drievoud van
het in artikel 8 genoemde bedrag van het minimumloon.
3. Beloningen die de werknemer voor arbeid, door hem in de
dienstbetrekking verricht, van derden ontvangt, worden, voor zover zij
deel uitmaken van de arbeidsvoorwaarden, voor de toepassing van de
voorgaande leden geacht ten laste van de werkgever komend loon te
zijn.
4. Gelijktijdig met de toepassing van artikel 14, dertiende lid,
gaat Onze Minister na of de ontwikkeling van het niveau van de in
collectieve arbeidsovereenkomsten overeengekomen vakantiebijslag een
verhoging van de minimumvakantiebijslag wenselijk maakt. Bij algemene
maatregel van bestuur kan vervolgens het percentage, genoemd in het
eerste lid, en dienovereenkomstig het percentage, genoemd in artikel
16, tweede en derde lid, worden verhoogd; daarbij kan tevens een
minimum-bedrag worden vastgesteld voor de aanspraak van de werknemer
jegens zijn werkgever ingevolge het eerste lid.
Artikel 16
1. Behoudens het bij het tweede, derde en vierde lid bepaalde kan
bij publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst
worden bepaald, dat de werknemer geen aanspraak heeft op
vakantiebijslag dan wel aanspraak heeft op een lager bedrag aan
vakantiebijslag dan uit artikel 15 voortvloeit.
2. Indien de som van het loon, waarop de werknemer op 1 juni van
enig jaar over het daaraan voorafgaande tijdvak van een jaar aanspraak
heeft verworven, en de vakantiebijslag, voor zover de werknemer daarop
over dat tijdvak aanspraak heeft verworven, minder bedraagt dan 108%
van het bedrag, waarop de werknemer over dat tijdvak als minimumloon
aanspraak heeft verworven, heeft de werknemer over dat tijdvak
bovendien aanspraak op een bedrag aan vakantiebijslag ter grootte van
het bedrag waarmee genoemde 108% eerdergenoemde som te boven gaat.
3. Voor zover de werknemer over een tijdvak als bedoeld in het
tweede lid aanspraak op uitkeringen krachtens de Ziektewet, hoofdstuk
3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg en de
Werkloosheidswet tijdens dienstbetrekking heeft verworven, heeft de
werknemer over deze uitkeringen jegens de werkgever aanspraak op een
zodanig bedrag aan vakantiebijslag, dat dit bedrag vermeerderd met die
uitkeringen ten minste 108% bedraagt van het bedrag waarop de
werknemer over dit tijdvak aan uitkeringen krachtens de Ziektewet en
de Werkloosheidswet berekend over het minimumloon, aanspraak heeft of
zou hebben verworven.
4. Ingeval toepassing is gegeven aan artikel 15, vierde lid, heeft
de werknemer over een tijdvak als bedoeld in het tweede lid tenminste
aanspraak op een zodanig bedrag aan vakantiebijslag dat dit bedrag
vermeerderd met het loon, respectievelijk de uitkeringen krachtens de
Ziektewet, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en
zorg en de Werkloosheidswet, waarop de werknemer over dat tijdvak
aanspraak heeft verworven, niet lager is dan de som van het krachtens
artikel 15, vierde lid, vastgestelde minimumbedrag en het minimumloon,
respectievelijk de uitkeringen krachtens de Ziektewet en de
Werkloosheidswet berekend over het minimumloon, waarop de werknemer
over dat tijdvak aanspraak heeft of zou hebben verworven.
5. Ingeval het door de werkgever en werknemer overeengekomen loon
het drievoud van het minimumloon overschrijdt, kan ook bij
schriftelijke overeenkomst worden bepaald, dat de werknemer geen
aanspraak heeft op vakantiebijslag dan wel aanspraak heeft op een
lager bedrag aan vakantiebijslag. Artikel 15, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
6. Ingeval de werkgever die jegens zijn werknemers verplicht is tot
toepassing van een publiekrechtelijke regeling of collectieve
arbeidsovereenkomst, dan wel algemeen verbindend verklaarde bepalingen
van een collectieve arbeidsovereenkomst, waarbij op grond van het
eerste lid is afgeweken van artikel 15, tevens werknemers in dienst
heeft jegens wie die verplichting niet bestaat, kan ten aanzien van
laatstbedoelde werknemers bij schriftelijke overeenkomst op
overeenkomstige wijze van artikel 15 worden afgeweken.
7. Indien de werknemer ingevolge enige wettelijke bepaling uit de
overeenkomst, waarop de dienstbetrekking berust, recht heeft op loon
over een periode, waarin hij geen arbeid verricht, worden de
uitkeringen krachtens de Ziektewet, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1, van de Wet arbeid en zorg en de Werkloosheidswet, waarmede het loon
ingevolge die bepaling wordt verminderd, voor de toepassing van dit
artikel geacht ten laste van de werkgever komend loon te zijn.
Artikel 17
1. De vakantiebijslag, waarop de werknemer over het loon en de
uitkeringen krachtens de Ziektewet, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1, van de Wet arbeid en zorg en de Werkloosheidswet, voor zover een en
ander tot en met 31 mei van het lopende jaar opeisbaar is geworden,
aanspraak heeft verworven, wordt behoudens het bepaalde in de volgende
leden in de maand juni uitbetaald.
2. Bij publiekrechtelijke regeling of schriftelijke overeenkomst
kan ter zake van het tijdstip van uitbetaling van het eerste lid
worden afgeweken, met dien verstande, dat uitbetaling ten minste
eenmaal per kalenderjaar dient te geschieden.
3. Bij het einde van de dienstbetrekking wordt aan de werknemer het
bedrag aan vakantiebijslag uitbetaald, waarop hij op dat tijdstip
aanspraak heeft verworven.
Artikel 18
1. Indien hierin bij publiekrechtelijke regeling of collectieve
arbeidsovereenkomst is voorzien, kan de werkgever aan zijn
verplichtingen tegenover de werknemer betreffende de vakantiebijslag
voldoen hetzij door aan de werknemer vakantiebonnen over te dragen ten
laste van een fonds, hetzij door betaling van de vakantiebijslag aan
een fonds ten laste waarvan de werknemer de aanspraak op
vakantiebijslag verwerft, mits het bedrag, waarop de werknemer door
deze overdracht onderscheidenlijk deze betaling, op dat fonds
aanspraak verwerft, niet lager ligt dan het bedrag, waarop de
werknemer krachtens de artikelen 15 en 16 aanspraak heeft.
2. Een fonds als bedoeld in het eerste lid dient te zijn ingericht
overeenkomstig de voorwaarden, gesteld krachtens artikel 631, derde
lid onder c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Hoofdstuk IV. Toezicht op de naleving
§ 1. Aanwijzing toezichthouders
Artikel 18a
1. Met het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop
berustende bepalingen zijn belast de bij besluit van Onze Minister
aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaren.
2. Met betrekking tot door Onze Minister aangewezen categorieën
van arbeid zijn met het toezicht op de naleving van deze wet en de
daarop berustende bepalingen belast of mede belast de door hem
aangewezen andere ambtenaren dan de in het eerste lid bedoelde. Indien
ambtenaren worden aangewezen die ressorteren onder een andere
minister, wordt het besluit tot aanwijzing van die ambtenaren genomen
door Onze Minister en die andere minister gezamenlijk.
3. Van een besluit als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
4. De op grond van het eerste of tweede lid aangewezen ambtenaar is
te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare
voorwerpen. Hij kan daartoe de uitlevering vorderen tegen een door hem
afgegeven schriftelijk bewijs. Zodra het belang van onderzoek omtrent
de overtreding zulks toelaat wordt het in beslag genomen voorwerp
teruggegeven aan degene bij wie het in beslag is genomen.
§ 2. Bestuurlijke boete
Artikel 18b
1. Als overtreding wordt aangemerkt het door een werkgever niet of
onvoldoende nakomen van de op hem op grond vanartikel 7 rustende
verplichting aangaande het voldoen van hetgeen inhoofdstuk II is
aangeduid als minimumloon alsmede het door de werkgever niet of
onvoldoende nakomen van de op hem op grond van artikel 15rustende
verplichting.
2. Als overtreding wordt tevens aangemerkt het door de werkgever
desgevraagd niet of niet tijdig aan de toezichthouder verstrekken van
bescheiden waaruit blijkt:
a. het aan de werknemer betaalde loon en de betaalde
vakantiebijslag; en
b. het aantal door de werknemer gewerkte uren.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt als werkgever
aangemerkt degene in of ten behoeve van wiens onderneming, bedrijf of
inrichting een persoon arbeid verricht of heeft verricht of waarvan op
grond van feiten en omstandigheden naar redelijk vermoeden een persoon
arbeid verricht of heeft verricht. De in de eerste zin bedoelde
persoon wordt in dat geval voor de toepassing van het tweede lid
aangemerkt als werknemer. Hetgeen in de eerste zin is bepaald geldt
behoudens tegenbewijs.
Artikel 18c
1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem
ressorterende ambtenaar legt namens hem de bestuurlijke boete op aan
degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze
wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een
overtreding.
2. De ter zake van de bij of krachtens deze wet gestelde
overtredingen gelden ten opzichte van elke persoon met of ten aanzien
van wie de overtreding is begaan.
Artikel 18d [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 18e
1. Onverminderd artikel 5:48, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht vermeldt het rapport in ieder geval:
a. de bij de overtreding betrokken persoon of personen;
b. het officiële nummer waaronder het betreffende
vervoermiddel is geregistreerd, voor zover in verband met de
overtreding van belang.
2. Het rapport wordt toegezonden aan de op grond van artikel 18c,
eerste lid, aangewezen ambtenaar.
Artikel 18f
1. De bestuurlijke boete die voor een overtreding kan worden
opgelegd bedraagt ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie,
bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2. Onverminderd het eerste lid verhoogt de op grond van artikel
18c, eerste lid, aangewezen ambtenaar de op te leggen bestuurlijke
boete met 100 procent van het boetebedrag, vastgesteld op grond van
het zesde lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan
de dag van constatering van de overtreding een eerdere overtreding,
bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting
of het niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen, is geconstateerd en
de bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding onherroepelijk is
geworden.
3. De verhoging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het tweede
lid, bedraagt 200 procent indien zowel de overtreding als de eerdere
overtreding, bedoeld in dat lid, bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur zijn aangewezen als ernstige overtredingen.
4. Onverminderd het eerste lid verhoogt de op grond van artikel
18c, eerste lid, aangewezen ambtenaar de op te leggen bestuurlijke
boete met 200 procent van het boetebedrag, vastgesteld op grond van
het zesde lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan
de dag van constatering van de overtreding twee maal een eerdere
overtreding, bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke
verplichting of het niet naleven van bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen, is
geconstateerd en de bestuurlijke boeten wegens de eerdere
overtredingen onherroepelijk zijn geworden.
5. In afwijking van het tweede en vierde lid is het tijdvak van
vijf jaar in die leden tien jaar indien de onherroepelijke boetes,
bedoeld in die leden, zijn opgelegd wegens bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur aangewezen ernstige overtredingen.
6. Onze Minister stelt beleidsregels vast waarin onder meer de
boetebedragen voor iedere overtreding worden vastgesteld. Artikel 5:53
van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing indien een artikel
gesteld bij of krachtens deze wet op grond waarvan een bestuurlijke
boete kan worden opgelegd, niet is nageleefd.
7. In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht
kan de rechter in beroep of hoger beroep de hoogte van de bestuurlijke
boete ook ten nadele van de belanghebbende wijzigen.
Artikel 18g
Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, verstrekt
desgevraagd aan de daartoe op grond van artikel 18c, eerste lid,
aangewezen ambtenaar de inlichtingen die redelijkerwijs voor de
tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete nodig zijn.
Artikel 18h
Indien een bestuurlijke boete ten onrechte is opgelegd, wordt deze
binnen zes weken nadat is vastgesteld dat de bestuurlijke boete ten
onrechte is opgelegd, aan de rechthebbende terugbetaald.
§ 2a. Stillegging van werkzaamheden
Artikel 18i
1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem
ressorterende ambtenaar kan, nadat een overtreding van een voorschrift
bij of krachtens deze wet is geconstateerd die bestuurlijk beboetbaar
is gesteld, aan de werkgever een schriftelijke waarschuwing geven dat
bij herhaling van de overtreding of bij een latere overtreding van
eenzelfde in de waarschuwing aangegeven wettelijke verplichting of het
niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen soortgelijke verplichtingen, door hem een bevel kan worden
opgelegd dat door hem aangewezen werkzaamheden voor ten hoogste drie
maanden worden gestaakt dan wel niet mogen worden aangevangen. Artikel
18a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Indien een waarschuwing als bedoeld in het eerste lid is gegeven
en herhaling van de overtreding of een latere overtreding als bedoeld
in het eerste lid is geconstateerd, kan door de ambtenaar, bedoeld in
het eerste lid, aan de werkgever bij beschikking een bevel als bedoeld
in het eerste lid worden opgelegd dat wordt opgevolgd met ingang van
het in de beschikking aangeven tijdstip. Deze beschikking wordt niet
gegeven zolang wegens de eerste overtreding, bedoeld in het eerste
lid, nog niet een bestuurlijke boete is opgelegd.
3. De constatering van de overtreding, bedoeld in het eerste of
tweede lid, wordt vastgelegd in een boeterapport.
4. De waarschuwing, bedoeld in het eerste lid, vervalt indien na de
dagtekening van de waarschuwing vijf jaren zijn verstreken. Artikel
5:34, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing.
5. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd met
betrekking tot het bevel, bedoeld in het tweede lid, met inbegrip van
de oplegging van een last onder bestuursdwang, de nodige maatregelen
te treffen, de nodige aanwijzingen te geven en de hulp van de sterke
arm in te roepen.
6. Ieder wie zulks aangaat is verplicht zich te gedragen
overeenkomstig een bevel als bedoeld in het tweede lid en een
maatregel of aanwijzing als bedoeld in het vijfde lid.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
Artikel 18j [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 18k [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 18l [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 18m [Vervallen per 01-07-2009]
§ 3. Last onder dwangsom
Artikel 18n
1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem
ressorterende ambtenaar kan een werkgever die de op hem op grond van
artikel 7 rustende verplichting aangaande het voldoen van hetgeen in
hoofdstuk II is aangeduid als minimumloon niet of onvoldoende nakomt
alsmede een werkgever de op hem op grond van artikel 15 rustende
verplichting niet of onvoldoende nakomt een last onder dwangsom
opleggen.
2. De last onder dwangsom kan voor ten hoogste een periode van 2
jaar gelden.
3. Onze Minister stelt beleidsregels vast omtrent de last onder
dwangsom.
Artikel 18o
Indien een dwangsom ten onrechte is ingevorderd, wordt de betaalde
geldsom, vermeerderd met de wettelijke rente, binnen 6 weken nadat is
vastgesteld dat de dwangsom ten onrechte is ingevorderd, aan de
rechthebbende terugbetaald.
§ 4. Gegevensuitwisseling
Artikel 18p
1. Bestuursorganen zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht
desgevraagd aan Onze Minister en de ambtenaren, bedoeld in artikel
18a, eerste en tweede lid, kosteloos alle gegevens en inlichtingen te
verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering en het toezicht
op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet en dit
noodzakelijk is ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen twee
of meer van de voornoemde instanties.
2. Onze Minister en de ambtenaren, bedoeld in artikel 18a, eerste
en tweede lid, verstrekken andere bestuursorganen kosteloos alle
gegevens en inlichtingen, die zijn verkregen door de uitvoering of het
toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet,
welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke taak en
dit noodzakelijk is ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen
twee of meer van de voornoemde instanties.
3. Onze Minister, bestuursorganen en de ambtenaren, bedoeld in
artikel 18a, eerste en tweede lid, kunnen bij het verwerken van
persoonsgegevens gebruik maken van het burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer.
4. De gegevensverstrekking, bedoeld in het eerste en tweede lid,
vindt niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene
daardoor onevenredig wordt geschaad.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder
geval gegevens worden verstrekt.
6. Indien aan een werkgever een boete is opgelegd worden de
daarvoor in aanmerking komende verenigingen van werknemers en
werkgevers daarvan in kennis gesteld.
Hoofdstuk V. Slotbepalingen
Artikel 18q
Een beschikking op grond van deze wet van de ambtenaar, bedoeld in de
artikelen 18c, eerste lid, 18i, eerste lid, en 18n, eerste lid, wordt
genomen namens Onze Minister.
Artikel 19
Bedingen, die strijdig zijn met het bij of krachtens deze wet
bepaalde, zijn nietig.
Artikel 20
Ieder vorderingsrecht tot betaling van vakantiebijslag als bedoeld in
Hoofdstuk III verjaart na verloop van vijf jaren na het tijdstip, waarop
de uitbetaling had moeten geschieden.
Artikel 21 [Vervallen per 04-05-2007]
Artikel 22 [Vervallen per 04-05-2007]
Artikel 23 [Vervallen per 04-05-2007]
Artikel 23a [Vervallen per 11-02-2011]
Artikel 24
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag.
Artikel 25
Deze wet treedt in werking met ingang van de tiende kalenderweek na
de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt
geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 27 november 1968
JULIANA
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
B. Roolvink
Uitgegeven de zeventiende december 1968
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
|