De Hoofden der Ministeriële Departementen staan ter vervolging,
hetzij van Onzentwege, hetzij van wege de Tweede Kamer, te regt voor den
Hoogen Raad.
Artikel 5
[1.] Het besluit, waarbij van Onzentwege de vervolging van een
der Hoofden van Ministeriële Departementen bevolen wordt, bevat eene
naauwkeurige aanduiding der feiten, waarop de beschuldiging van een of
meerdere der bij deze wet strafbaar gestelde misdrijven rust, benevens
den last op den procureur-generaal bij den Hoogen Raad om de
vervolging in te stellen.
[2.] Afschrift van dit besluit wordt aan de beide Kamers der
Staten-Generaal medegedeeld.
Artikel 6
De Tweede Kamer der Staten-Generaal, zoodanige mededeeling ontvangen
hebbende, neemt harerzijds geene aanklagt tegen denzelfden persoon
wegens dezelfde feiten in overweging.
Artikel 7
Geene aanklagt tegen een der Hoofden van de Ministeriële
Departementen wordt bij de Kamer in overweging genomen, tenzij door vijf
leden schriftelijk en met opgave der feiten ingediend.
Artikel 8
[1.] De Kamer overweegt in de afdeelingen of de aanklagt een
onderwerp van nader onderzoek zal uitmaken.
[2.] De Voorzitter geeft van het indienen der aanklagt binnen 24
uren kennis aan den betrokken Minister.
[3.] Het in overweging nemen der aanklagt kan niet vroeger dan
acht dagen na deze kennisgeving aan de orde gesteld worden.
Artikel 9
Wanneer tot het in overweging nemen der aanklagt besloten is, wordt
zij gesteld in handen eener commissie van onderzoek, daartoe door de
volle Vergadering te benoemen.
Artikel 10
Zij, die de aanklagt hebben ingediend, zijn van deze commissie
uitgesloten, doch kunnen door haar, tot het geven van nadere
inlichtingen, worden gehoord.
Artikel 11
[1.] De commissie van onderzoek is belast met het opsporen en
verzamelen van alle bescheiden, inlichtingen en bewijzen, die tot
opheldering van de feiten, in de aanklagt vermeld, kunnen leiden.
2. De Wet op de parlementaire enquête 2008 is van toepassing.
3. De bloedverwanten en aanverwanten van de betrokken minister,
in de rechte linie en tot in de derde graad, alsmede zijn echtgenoot of
zijn geregistreerde partner, zelfs na echtscheiding onderscheidenlijk
beëindiging van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood
of vermissing, kunnen niet genoodzaakt worden verklaringen af te leggen.
Artikel 12
[1.] In iederen stand van het onderzoek is de commissie
verpligt den betrokken Minister, wanneer hij dit wenscht, te hooren.
[2.] Hij kan niet genoodzaakt worden voor haar te verschijnen.
Artikel 13
[1.] Zoodra de commissie van onderzoek de aanklagt genoegzaam
toegelicht acht, brengt zij over de daarbij aangevoerde feiten verslag
uit.
[2.] Dit verslag wordt aan de Afdeelingen verzonden, en over de
aanklagt verder geraadpleegd als over een voorstel van wet.
Artikel 14
[1.] Bij de beraadslaging over de aanklagt wordt de betrokken
Minister, op zijn verlangen, gehoord, en aan hem in ieder geval het
laatst het woord gegeven.
[2.] Hij behoudt dit regt, niettegenstaande hij vóór of
gedurende het onderzoek mogt zijn afgetreden.
Artikel 15
[1.] Wanneer eene aanklagt tegen een der Hoofden van de
Ministeriële Departementen door de Tweede Kamer niet in overweging is
genomen, kan, bij het opkomen van nieuwe bezwaren, de aanklagt hervat,
in ieder geval, van Onzentwege de vervolging van den betrokken
Minister ter zake derzelfde feiten bevolen worden.
[2.] Wanneer echter de aanklagt, na gedaan onderzoek en gehouden
beraadslagingen, door de Tweede Kamer verworpen is, kan tegen den
betrokken Minister wegens dezelfde feiten, noch van Onzentwege, noch van
wege de Kamer, op nieuw eenig onderzoek ingesteld of eene
strafvervolging gelast worden.
Artikel 16
[1.] Iedere aanklagt tegen een der Hoofden van de Ministeriële
Departementen wordt geacht verworpen te zijn, wanneer binnen drie
maanden, na hare indiening, door de Tweede Kamer geen eindbesluit is
genomen.
[2.] Wanneer de aanklagt aanleiding geeft tot een onderzoek in de
overzeesche bezittingen, kan deze termijn door de Tweede Kamer tot één
jaar verlengd worden.
[3.] Bij sluiting der zitting van de Staten-Generaal gedurende
den loop van het onderzoek, begint, met den dag der opening van de
volgende zitting, een nieuwe termijn van drie maanden te loopen.
[4.] Bij ontbinding der Tweede Kamer vervalt eene, bij haar
aanhangige, aanklagt van regtswege, onverminderd de bevoegdheid tot het
doen eener nieuwe aanklagt overeenkomstig art. 7.
Artikel 17
De stilzwijgende verwerping eener aanklagte, ten gevolge van het
verloopen van den termijn, kan niet ingeroepen worden tegen den van
Onzentwege gegeven last, om denzelfden persoon wegens dezelfde feiten te
vervolgen.
Artikel 18
[1.] De Tweede Kamer toetst de aangeklaagde feiten aan het regt,
de billijkheid, de zedelijkheid en het staatsbelang.
[2.] Genoegzame gronden tot vervolging vindende, wijst zij, bij
haar besluit, de feiten, waarop de beschuldiging rust, naauwkeurig aan,
en belast den procureur-generaal bij den Hoogen Raad met de vervolging,
onder toezending, binnen drie dagen, van het besluit met de aanklagt en
de verzamelde bescheiden.
[3.] Afschrift van dat besluit wordt aan Ons en aan de Eerste
Kamer der Staten-Generaal medegedeeld.
Artikel 19
Na de ontvangst der mededeeling, bij het vorig artikel
voorgeschreven, wordt van Onzentwege tegen den aangeklaagden Minister
wegens dezelfde feiten geene vervolging gelast.