Nadere regelgeving:
- Besluit bestuursorganen WNo en Wob
- Besluit toezicht financiële verslaggeving
- Besluit
uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
WET van 4 februari 1981, houdende
instelling van het ambt van Nationale ombudsman en wijziging van een
aantal wetten
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat er
behoefte bestaat aan een bijzondere voorziening tot onderzoek van de
wijze waarop de overheid zich in een bepaalde aangelegenheid jegens de
burger heeft gedragen en dat het in verband hiermede wenselijk is over
te gaan tot de instelling van het ambt van Nationale ombudsman en tot
wijziging van een aantal wetten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen en
toepassingsbereik
Artikel 1
Deze wet verstaat onder:
a. ombudsman: de Nationale ombudsman,
bedoeld in artikel 2;
b. Kinderombudsman: de als zodanig
aangewezen substituut-ombudsman, bedoeld in artikel 9, eerste
lid;
c. ambtenaar: een ambtenaar, een gewezen
ambtenaar, een persoon met wie door een bestuursorgaan een
arbeidsovereenkomst is gesloten naar burgerlijk recht, ook na
beëindiging van de arbeidsovereenkomst, een dienstplichtig
militair, ook na het einde van de dienstplicht, alsmede andere
personen werkzaam onder de verantwoordelijkheid van het
bestuursorgaan, ook na het beëindigen van de werkzaamheden;
d. openbare lichamen: openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 1a
1. Deze wet is van toepassing op de
gedragingen van de volgende bestuursorganen:
a. Onze Ministers;
b. bestuursorganen van provincies,
gemeenten, openbare lichamen, waterschappen en
gemeenschappelijke regelingen, tenzij voor die bestuursorganen
een eigen voorziening voor de behandeling van verzoekschriften
is ingesteld op grond van respectievelijk artikel 79q van de
Provinciewet, artikel 81p van de Gemeentewet, artikel 107 van
de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba,
artikel 51b van de Waterschapswet of artikel 10, vierde lid,
van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
c. bestuursorganen aan welke bij of
krachtens wettelijk voorschrift een taak met betrekking tot de
politie is opgedragen, voor zover het de uitoefening van die
taak betreft;
d. bestuursorganen van provincies,
gemeenten, openbare lichamen, waterschappen en
gemeenschappelijke regelingen voor zover het de gedragingen
van voor hen werkzame buitengewoon opsporingsambtenaren
betreft;
e. andere bestuursorganen, daaronder
mede begrepen bestuursorganen in de openbare lichamen, voor
zover niet bij algemene maatregel van bestuur uitgezonderd.
2. [Vervallen.]
3. In afwijking van het eerste lid is deze
wet niet van toepassing op gedragingen van de Commissie gelijke
behandeling, bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling .
4. Een gedraging van een ambtenaar, verricht
in de uitoefening van zijn functie, wordt aangemerkt als een
gedraging van het bestuursorgaan onder wiens verantwoordelijkheid
hij werkzaam is.
Artikel 1b
1. Indien de ombudsman een besluit als
bedoeld in artikel 79q, tweede of derde lid, van de Provinciewet,
artikel 81p, tweede of derde lid, van de Gemeentewet, artikel 107,
tweede of derde lid, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba artikel 51b, tweede of derde lid, van de
Waterschapswet of artikel 10, vierde lid, van de Wet
gemeenschappelijke regelingen heeft ontvangen, bevestigt hij
onverwijld de ontvangst daarvan.
2. De ombudsman registreert de provincies,
gemeenten, openbare lichamen, waterschappen en gemeenschappelijke
regelingen met een eigen voorziening als bedoeld inartikel 1a,
eerste lid, onder b. Hij maakt deze registratie openbaar.
Artikel 1c
1. Provincies, gemeenten, openbare lichamen,
waterschappen en gemeenschappelijke regelingen als bedoeld in
artikel 1a, eerste lid, onder b, zijn een vergoeding verschuldigd
ter dekking van de kosten die zijn verbonden aan de behandeling
van verzoekschriften ten aanzien van hun bestuursorganen door de
ombudsman. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties stelt de vergoeding vast.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:
a. de berekening van de te betalen
vergoeding;
b. de wijze van betaling van de
verschuldigde vergoeding;
c. het tijdstip waarop de verschuldigde
vergoeding dient te zijn voldaan.
Artikel 1d
De artikelen 1b en 1c zijn niet van toepassing
op de Kinderombudsman, voor zover die als zodanig optreedt.
Hoofdstuk II. De Nationale Ombudsman
Artikel 2
1.Er is een Nationale ombudsman.
2.De ombudsman wordt benoemd door de Tweede
Kamer der Staten-Generaal. Bij de benoeming slaat de Tweede Kamer
zodanig acht op een aanbeveling, daartoe in gezamenlijk overleg
opgemaakt door de vice-president van de Raad van State, de
president van de Hoge Raad der Nederlanden en de president van de
Algemene Rekenkamer en bevattende de namen van ten minste drie
personen, als zij zal dienstig oordelen.
3.De benoeming geschiedt voor de duur van
zes jaren.
4.Indien de Tweede Kamer voornemens is de
ombudsman opnieuw te benoemen, kan zij bepalen dat het tweede lid,
tweede volzin, buiten toepassing blijft.
5.Indien blijkt dat de Tweede Kamer niet
tijdig tot de benoeming van een nieuwe ombudsman zal kunnen komen,
voorziet de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk in de waarneming van
het ambt van ombudsman. Artikel 10, vijfde tot en met zevende lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3
1.De Tweede Kamer ontslaat de ombudsman met
ingang van de eerstvolgende maand na die waarin hij de
zeventigjarige leeftijd bereikt.
2.De Tweede Kamer ontslaat de ombudsman
voorts:
a. op zijn verzoek;
b. wanneer hij uit hoofde van ziekten of
gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;
c. bij de aanvaarding van een ambt of
betrekking bij deze wet onverenigbaar verklaard met het ambt
van ombudsman;
d. bij het verlies van het
Nederlanderschap;
e. wanneer hij bij onherroepelijk
geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is
veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel
is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
f. wanneer hij ingevolge onherroepelijk
geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in
staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of
wegens schulden is gegijzeld;
g. wanneer hij naar het oordeel van de
Tweede Kamer door handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt
aan het in hem te stellen vertrouwen.
Artikel 4
1.De Tweede Kamer stelt de ombudsman op
non-activiteit ingeval:
a. hij zich in voorlopige hechtenis
bevindt;
b. hij bij een nog niet onherroepelijk
geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is
veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel
is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
c. hij onder curatele is gesteld, in
staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of
wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet
onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
2.De Tweede Kamer kan de ombudsman op
non-activiteit stellen, indien tegen hem een gerechtelijk
vooronderzoek ter zake van misdrijf wordt ingesteld of indien er
een ander ernstig vermoeden is voor het bestaan van feiten of
omstandigheden die tot ontslag, anders dan op gronden vermeld in
artikel 3, tweede lid onder b, zouden kunnen leiden.
3.In het geval, bedoeld in het tweede lid,
eindigt de non-activiteit na drie maanden. De Tweede Kamer kan de
maatregel echter telkens voor ten hoogste drie maanden verlengen.
4.De Tweede Kamer beëindigt de
non-activiteit zodra de grond voor de maatregel is vervallen.
5.De Tweede Kamer kan bij de beslissing
waarbij de ombudsman op non-activiteit wordt gesteld, bepalen dat
tijdens de duur van de non-activiteit geen salaris of slechts een
gedeelte van het salaris zal worden genoten, in het laatste geval
onder aanwijzing van het gedeelte dat zal worden genoten.
6.Indien de non-activiteit anders dan door
ontslag is geëindigd, kan de Tweede Kamer beslissen, dat het niet
genoten salaris alsnog geheel of gedeeltelijk zal worden
uitbetaald, in het laatste geval onder aanwijzing van het gedeelte
dat zal worden uitbetaald.
Artikel 5
1.De ombudsman kan niet bekleden:
a. het lidmaatschap van
publiekrechtelijke colleges waarvoor de keuze geschiedt bij
krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen;
b. een openbare betrekking waaraan een
vaste beloning of toelage is verbonden;
c. het lidmaatschap van vaste colleges
van advies en bijstand aan de Regering;
d. het beroep of ambt van advocaat of
notaris.
2.De ombudsman vervult geen betrekkingen
waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede
vervulling van zijn ambt of op de handhaving van zijn
onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
3.De betrekkingen die de ombudsman buiten
zijn ambt vervult, worden door hem openbaar gemaakt.
Artikel 6
De bepalingen van de Algemene pensioenwet
politieke ambtsdragers zijn van overeenkomstige toepassing op de
ombudsman, met dien verstande dat deze wordt gelijkgesteld met een
lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Artikel 7 [Vervallen per 13-02-2009]
Artikel 8
Alvorens zijn ambt te aanvaarden legt de
ombudsman in de handen van de Voorzitter der Tweede Kamer af:
a. de eed of verklaring en belofte dat hij
tot het verkrijgen van zijn benoeming rechtstreeks noch
middellijk, onder welke naam of onder welk voorwendsel ook, aan
iemand iets heeft gegeven of beloofd, alsmede dat hij om iets in
zijn ambt te doen of te laten rechtstreeks noch middellijk van
iemand enig geschenk of enige belofte heeft aangenomen of zal
aannemen;
b. de eed of belofte van trouw aan de
Grondwet.
Artikel 9
1. De Tweede Kamer benoemt op verzoek van de
ombudsman een of meer personen tot substituut-ombudsman en wijst
daarbij de substituut-ombudsman aan die de functie van
Kinderombudsman heeft. De ombudsman maakt daartoe een aanbeveling
op, die de namen van ten minste drie personen bevat. Indien er
geen Kinderombudsman is, draagt de ombudsman zo spoedig mogelijk
zorg voor een verzoek als bedoeld in de eerste volzin.
2. De benoeming van een substituut-ombudsman
geschiedt voor de duur van de ambtstermijn van de ombudsman op
wiens verzoek hij is benoemd, vermeerderd met een jaar.
3. Indien de Tweede Kamer voornemens is een
substituut-ombudsman opnieuw te benoemen, kan zij bepalen dat het
eerste lid, tweede volzin, buiten toepassing blijft.
4. De artikelen 3 tot en met 8, 15, en de
artikelen 9:21 en 9:30 tot en met 9:34 van de Algemene wet
bestuursrecht, zijn van overeenkomstig toepassing op een
substituut-ombudsman.
5. De ombudsman regelt de werkzaamheden van
een substituut-ombudsman.
6. De ombudsman kan bepalen dat de
bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 16, derde lid, en de
artikelen 9:27, 9:35 en 9:36 van de Algemene wet bestuursrecht,
tevens worden uitgeoefend door een substituut-ombudsman. De
ombudsman kan voor de uitoefening van die bevoegdheden richtlijnen
vaststellen.
Artikel 10
1. De ombudsman regelt zijn vervanging door
een substituut-ombudsman, voor het geval dat hij tijdelijk niet in
staat is zijn ambt te vervullen. De ombudsman regelt tevens de
vervanging van de Kinderombudsman door een substituut-ombudsman,
voor het geval dat die tijdelijk niet in staat is zijn ambt te
vervullen.
2. Indien geen substituut-ombudsman aanwezig
of beschikbaar is, voorziet de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk in
de vervanging van de ombudsman of Kinderombudsman. In dat geval
eindigt de vervanging wanneer de ombudsman of Kinderombudsman weer
in staat is zijn ambt te vervullen of, indien de ombudsman of
Kinderombudsman op non-activiteit is gesteld, op het tijdstip dat
de non-activiteit eindigt.
3. Indien de ombudsman of Kinderombudsman
overlijdt of ingevolge artikel 3 wordt ontslagen, voorziet de
Tweede Kamer zo spoedig mogelijk in de waarneming van het ambt van
ombudsman of Kinderombudsman door een substituut-ombudsman.
4. Indien geen substituut-ombudsman aanwezig
of beschikbaar is, voorziet de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk in
de waarneming van het ambt van ombudsman of Kinderombudsman.
5. De waarneming eindigt van rechtswege op
het tijdstip waarop een nieuwe ombudsman of Kinderombudsman in
functie is getreden.
6. Op degene die krachtens het tweede of het
vierde lid de ombudsman of Kinderombudsman vervangt of het ambt
van ombudsman of Kinderombudsman waarneemt, zijn de artikelen 2,
tweede lid, tweede volzin, derde en vierde lid, 3, eerste lid, 6
en 9 van deze wet niet van toepassing.
7. Indien de in het zesde lid bedoelde
vervanger respectievelijk waarnemer een betrekking of lidmaatschap
als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen b en c, bekleedt
of gaat bekleden, is hij voor de duur van de vervanging
respectievelijk de waarneming in die betrekking of dat
lidmaatschap van rechtswege op non-activiteit gesteld. De
bezoldiging voor die betrekking of dat lidmaatschap met inbegrip
van eventuele toelagen blijft gedurende de periode van
non-activiteit achterwege.
Artikel 11
1.Te zijner ondersteuning beschikt de
ombudsman over een bureau.
2.De tot het bureau behorende personen
worden door Ons op voordracht van de ombudsman benoemd, bevorderd,
geschorst en ontslagen.
3.Wij bepalen in welke gevallen tot het
bureau behorende personen door de ombudsman worden benoemd,
bevorderd, geschorst en ontslagen.
Hoofdstuk IIa. De Kinderombudsman
Artikel 11a
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. jeugdige: een persoon die de
meerderjarigheidsleeftijd nog niet heeft bereikt;
b. kinderrechtenverdrag: het op 20
november 1989 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de
rechten van het kind (Trb. 1990, 46);
c. rechten van jeugdigen: de rechten van
jeugdigen, opgenomen in het kinderrechtenverdrag.
Artikel 11b
1. De Kinderombudsman heeft tot taak te
bevorderen dat de rechten van jeugdigen worden geëerbiedigd door
bestuursorganen en door privaatrechtelijke organisaties.
2. Hij doet dit in elk geval door:
a. voor te lichten en informatie te
geven over de rechten van jeugdigen;
b. gevraagd en ongevraagd advies te
geven aan de regering en de beide Kamers der Staten-Generaal
over wetgeving die en beleid dat de rechten van jeugdigen
raakt;
c. het instellen van onderzoek naar de
eerbiediging van de rechten van jeugdigen naar aanleiding van
klachten of uit eigen beweging;
d. het toezicht houden op de wijze
waarop klachten van jeugdigen of hun wettelijke
vertegenwoordigers door de daartoe bevoegde instanties, niet
zijnde de ombudsman, worden behandeld.
3. Bij de uitvoering van zijn taken, houdt
de Kinderombudsman zo veel mogelijk rekening met de mening van
jeugdigen zelf overeenkomstig artikel 12 van het
kinderrechtenverdrag, met de belangen van jeugdigen en met hun
belevingswereld.
Artikel 11c
1. Een ieder die meent dat een of meer
rechten van jeugdigen niet geëerbiedigd worden door:
a. een bestuursorgaan als bedoeld in
artikel 1a, met dien verstande dat, in afwijking van artikel
1a, eerste lid, onder b, daaronder mede worden begrepen
bestuursorganen met een eigen voorziening voor de behandeling
van verzoekschriften als bedoeld in artikel 1a, eerste lid,
onder b;
b. een orgaan van een rechtspersoon,
niet zijnde een bestuursorgaan, voor zover die:
1° een bij of krachtens de wet
geregelde taak ten aanzien van jeugdigen uitoefent; of
2° anderszins een taak ten aanzien
van jeugdigen uitoefent op het terrein van het onderwijs,
de jeugdzorg, de kinderopvang of de gezondheidszorg,
kan een klacht indienen bij de
Kinderombudsman.
2. Een klacht over een bestuursorgaan als
bedoeld in artikel 1a, geldt als een verzoek als bedoeld in
artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
3. Een gedraging van een medewerker van een
rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid, onder b, verricht in
de uitoefening van zijn functie, wordt aangemerkt als een
gedraging van die rechtspersoon.
Artikel 11d
1. Op de behandeling van klachten over en
onderzoek uit eigen beweging naar bestuursorganen met een eigen
voorziening voor de behandeling van verzoekschriften als bedoeld
in artikel 1a, eerste lid, onder b, en organen van rechtspersonen
als bedoeld in artikel 11c, eerste lid, onder b, door de
Kinderombudsman zijn artikel 15 alsmede titel 9.2 van de Algemene
wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
2. In afwijking van artikel 9:18, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan een klacht als bedoeld
in artikel 11c, eerste lid, mondeling worden ingediend. De
artikelen 9:23 onder a en 9:28 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn in dat geval niet van toepassing.
3. In afwijking van artikel 9:18, derde lid,
van de Algemene wet bestuursrecht is de Kinderombudsman niet
verplicht een onderzoek in te stellen, indien de klacht een orgaan
als bedoeld in artikel 11c, eerste lid, onder b, betreft.
4. De in artikel 9:33 van de Algemene wet
bestuursrecht bedoelde vergoeding van kosten vindt plaats ten
laste van het Rijk indien het onderzoek betrekking heeft op een
orgaan van een rechtspersoon als bedoeld inartikel 11c, eerste
lid, onder b.
Artikel 11e
1. De Kinderombudsman zendt jaarlijks een
verslag van zijn werkzaamheden aan de beide Kamers der
Staten-Generaal en aan Onze Ministers, alsmede aan andere
bestuursorganen en privaatrechtelijke organisaties voor zover hij
dat wenselijk acht. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de
Kinderombudsman bij het verslag gegevens kan voegen, slechts ter
vertrouwelijke kennisneming door de leden van de Staten-Generaal
en Onze Ministers.
2. De Kinderombudsman draagt er zorg voor
dat het verslag openbaar wordt gemaakt en algemeen verkrijgbaar
wordt gesteld.
3. De Kinderombudsman kan ook dadelijk na
het afsluiten van een onderzoek de beide Kamers der
Staten-Generaal en vertegenwoordigende organen van provincies en
gemeenten inlichten omtrent zijn bevindingen, zo dikwijls hij de
eerdere kennisneming daarvan voor het betreffende orgaan van
belang acht of een orgaan als hiervoor bedoeld dit verzoekt.
Hoofdstuk III. Aanvullende bepalingen
betreffende het onderzoek
Artikel 12
De ombudsman is niet verplicht een onderzoek
als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, in te stellen of voort te zetten indien een
verzoekschrift, dezelfde gedraging betreffende, in behandeling is
bij een tot de behandeling van verzoekschriften bevoegde commissie
uit de Eerste of Tweede Kamer of uit de verenigde vergadering der
Staten-Generaal of – behoudens indien een nieuw feit of een nieuwe
omstandigheid bekend is geworden en zulks tot een ander oordeel over
de bedoelde gedraging zou hebben kunnen leiden – daarover door de
betrokken commissie haar conclusie op een verzoekschrift aan de
Eerste of Tweede Kamer dan wel de verenigde vergadering der
Staten-Generaal is voorgesteld.
Artikel 13
Artikel 9:31, eerste lid, derde volzin, van de
Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op Onze Ministers.
Artikel 14
Onze Ministers kunnen aan de ombudsman het
betreden van bepaalde plaatsen verbieden, indien dit naar hun
oordeel de veiligheid van de staat zou schaden.
Artikel 15
De ombudsman kan bevelen dat personen die,
hoewel wettelijk opgeroepen, niet zijn verschenen, door de openbare
macht voor hem worden gebracht om aan hun verplichtingen te voldoen.
Artikel 16
1. De ombudsman zendt jaarlijks een verslag
van zijn werkzaamheden aan de beide Kamers der Staten-Generaal en
aan Onze Ministers, alsmede aan de vertegenwoordigende organen van
provincies, gemeenten openbare lichamen en waterschappen en aan de
algemene besturen van gemeenschappelijke regelingen als bedoeld in
artikel 1a, eerste lid, onder b, voorzover de ombudsman ten
aanzien van hun bestuursorganen verzoekschriften heeft behandeld.
Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de ombudsman bij
het verslag gegevens kan voegen, slechts ter vertrouwelijke
kennisneming door de leden van de Staten-Generaal en Onze
Ministers.
2. De ombudsman draagt er zorg voor dat het
verslag openbaar wordt gemaakt en algemeen verkrijgbaar wordt
gesteld.
3. De ombudsman kan ook dadelijk na het
afsluiten van een onderzoek de beide Kamers der Staten-Generaal,
vertegenwoordigende organen van provincies, gemeenten openbare
lichamen en waterschappen en algemene besturen van
gemeenschappelijke regelingen inlichten omtrent zijn bevindingen
en oordeel, zo dikwijls hij de eerdere kennisneming daarvan voor
het betreffende orgaan van belang acht of een orgaan als hiervoor
bedoeld dit verzoekt.
Hoofdstuk IV. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 17
De voordrachten voor ter uitvoering van deze
wet te nemen koninklijke besluiten worden gedaan door Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Artikel 18
Indien provincies, gemeenten, openbare
lichamen, waterschappen of gemeenschappelijke regelingen een eigen
voorziening voor de behandeling van verzoekschriften hebben
ingesteld als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onder b, blijft de
ombudsman bevoegd verzoekschriften ten aanzien van hun
bestuursorganen te behandelen die voor de ingangsdatum van de eigen
voorziening door hem zijn ontvangen.
Artikel 19
Tot een jaar na inwerkingtreding van een
besluit als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onder e, kan met
betrekking tot een gedraging van het desbetreffende bestuursorgaan
die heeft plaatsgevonden voordat het desbetreffende bestuursorgaan
is uitgezonderd, een verzoekschrift bij de ombudsman worden
ingediend.
Artikel 19a
1. In afwijking van artikel 1a, is deze wet
tot twee jaar na de inwerkingtreding van de Wet openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba alleen van toepassing op de
gedragingen van de bestuursorganen van de openbare lichamen, voor
zover de ombudsman hiertoe op een gezamenlijk verzoek van de
eilandsraden van de openbare lichaam heeft besloten. De ombudsman
kan daarbij een termijn bepalen waarop deze wet ten aanzien van de
gedragingen van de bestuursorganen van de openbare lichamen van
toepassing zal zijn.
2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid
wordt bekend gemaakt in de Staatscourant en in de
afkondigingsbladen van de openbare lichamen.
Artikel 20
Deze wet wordt aangehaald als: Wet Nationale
ombudsman.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en
dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie
zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Lage
Vuursche, 4 februari 1981
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse
Zaken,
H. Wiegel
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
Uitgegeven de vierentwintigste
februari 1981
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
|