WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de
aandelen in het maatschappelijk kapitaal van De Nederlandsche Bank N.V.
in eigendom te doen overgaan op de Staat der Nederlanden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Wij verklaren, dat het algemeen nut vordert, dat de aandelen
in het maatschappelijk kapitaal van De Nederlandsche Bank N.V. worden
genaast door de Staat der Nederlanden.
2. De bepalingen van de Onteigeningswet zijn op deze naasting
niet van toepassing.
Artikel 2
De aandelen in het maatschappelijk kapitaal van De Nederlandsche Bank
N.V. zijn van het tijdstip af, waarop dit artikel in werking treedt,
door de Staat genaast en aan deze in volle en vrije eigendom overgegaan.
Artikel 3
1. Hem, wiens aandeel ingevolge het bepaalde in artikel 2 is
genaast, wordt, met inachtneming van de bepalingen dezer wet, een
inschrijving verstrekt in het Grootboek der 2˝-procents Nationale
Schuld, bedoeld in artikel 1 van de Grootboekwet, ten belope van het
tweevoud van het nominale bedrag van dat aandeel.
2. De rente van de in het eerste lid bedoelde inschrijving gaat
in op de eerste dag na afloop van het laatste boekjaar van De
Nederlandsche Bank N.V., voorafgaande aan het tijdstip van het in
werking treden van dit artikel, waarover het dividend betaalbaar is
gesteld.
3. Onze Minister van Financiën is gemachtigd, ter uitvoering van
het bepaalde in het eerste lid, inschrijvingen te openen in het
Grootboek der 2˝-procents Nationale Schuld.
Artikel 4
Indien een derde ten tijde der naasting een recht had op een aandeel,
wordt, met inachtneming van de bepalingen dezer wet, bij de
inschrijving, welke voor het genaaste aandeel is verstrekt, een
aantekening gesteld van een overeenkomstig recht van die derde op de
inschrijving.
Artikel 5
1. De boeking van een inschrijving in het Grootboek der 2˝-procents
Nationale Schuld krachtens artikel 3 geschiedt door de directeur van
de Grootboeken der Nationale Schuld tegen overlegging van een door de
directie van De Nederlandsche Bank N.V. aan de rechthebbende op zijn
verzoek af te geven schriftelijke verklaring nopens het recht van
degene te wiens behoeve de inschrijving dient plaats te vinden.
2. Het stellen van een aantekening krachtens artikel 4 geschiedt
door de directeur van de Grootboeken der Nationale Schuld, gelijktijdig
met de boeking van de inschrijving waarop de aantekening betrekking
heeft, tegen overlegging van de schriftelijke verklaring bedoeld in het
vorige lid, welke alsdan mede betrekking heeft op het recht van de
derde. De schriftelijke verklaring wordt mede afgegeven op verzoek van
die derde.
3. De directie van De Nederlandsche Bank N.V. geeft de in het
eerste en tweede lid bedoelde verklaring niet af dan tegen inlevering
van het aandeelbewijs met bijbehorende talon en dividendbewijzen, welke
niet betaalbaar zijn gesteld, of van andere door de directie nodig
geachte bescheiden.
4. Het verzoek van rechthebbenden tot afgifte van de in dit
artikel bedoelde verklaring dient te zijn geschied binnen tien jaren na
het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, op straffe van
verlies van hun recht, behoudens bijzondere beschikking van Onze
Minister van Financiën.
Artikel 6
1. De inschrijvingen, ingevolge de bepalingen dezer wet tot
stand gekomen, worden, voor de toepassing van hoofdstuk IV van het
Besluit herstel rechtsverkeer en van de daarop berustende bepalingen,
aangemerkt als effecten.
2. De inschrijvingen en de daarbij aangetekende rechten van
derden worden, voor die toepassing, geacht in de plaats te zijn getreden
van de ingevolge artikel 2 genaaste aandelen, onderscheidenlijk van de
rechten, welke derden ten tijde van de naasting op die aandelen hadden.
Artikel 7
1. De vergoedingen, welke ingevolge artikel 79 der Grootboekwet
in rekening worden gebracht voor de verrichtingen bij de Grootboeken
ter uitvoering van deze wet, komen ten laste van de Staat.
2. De vergoedingen, bedoeld in artikel 79 der Grootboekwet, ter
zake van de eerste overschrijving van een inschrijving, ontstaan
ingevolge de bepalingen dezer wet, naar de Grootboeken bedoeld in
artikel 2 der Grootboekwet komen ten laste van de Staat, ingeval de
bedoelde overschrijving geschiedt ten behoeve van degene aan wie de
inschrijving ingevolge het bepaalde in het eerste lid van artikel 3 is
verstrekt.
Artikel 8
1. Deze wet kan worden aangehaald als "Wet nopens de
naasting der aandelen in De Nederlandsche Bank N.V.".
2. Zij treedt in werking met ingang van de dag volgende op die
harer afkondiging, behoudens de artikelen 2 tot en met 7, die op een
nader door Ons te bepalen tijdstip in werking treden.
3. Ons besluit, houdende bepaling als bedoeld in het vorige lid,
wordt in het Staatsblad en in de Nederlandse Staatscourant
geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Het Loo, 23 April 1948
WILHELMINA
De Minister van Financiën,
P. Lieftinck
De Minister van Justitie,
J.H. van Maarseveen
Uitgegeven de veertiende Mei 1948
De Minister van Justitie,
J.H. van Maarseveen